<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR410544_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-91209.html">Gemeenteblad, 2016, 91209</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-07-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016_364</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de verordening huisvesting onderwijs gemeente Tilburg 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg
            2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Tilburg;</al><al>-gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al>Besluit</al><al>1. </al><lijst><li nr="A."><al>Ten opzichte van de huidige Verordening voorzieningen huisvesting
                                onderwijs gemeente Tilburg 2010 de volgende artikelen aan te passen: </al><lijst><li nr="-"><al>Artikel 2, onderdelen b en c;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 4, lid 3, verwijzing naar artikel 2,onder b en
                                        c;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 7, lid 2, onder b, tekst 'uit onderhoud aan een
                                        gebouw voor het basisonderwijs of het (voortgezet) speciaal
                                        onderwijs';</al></li><li nr="-"><al>Bijlage I, deel A, onder 1.9, 1.10, 2.9 en 2.10;</al></li><li nr="-"><al>Bijlage I, deel B, onder 1.9, 1.10, 2.9 en 2.10;</al></li><li nr="-"><al>Bijlage I, deel B, overzicht activiteiten onderhoud en
                                        aanpassingen;</al></li><li nr="-"><al>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van
                                        leerlingprognoses' actualiseren;</al></li><li nr="-"><al>Bijlage V 'Criteria voor de urgentie van de aangevraagde
                                        voorzieningen' vervangen door een nieuwe bijlage V;</al></li><li nr="-"><al>en voor zover noodzakelijk de Toelichting.</al></li></lijst></li><li nr="B."><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg
                                2010, zoals vastgesteld op 19 juli 2010 In te trekken.</al></li><li nr="C."><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg
                                2016 vast te stellen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg
                            2016</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al><vet>minister:</vet> de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                    Wetenschap</al></li><li nr="b."><al><vet>bevoegd gezag:</vet> bevoegd gezag van een volgens de Wet
                                    op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet
                                    op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere
                                    school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw
                                    dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al><vet>school:</vet> school voor basisonderwijs, school voor
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs en school voor voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="d."><al><vet>school voor basisonderwijs:</vet> een basisschool of een
                                    speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van
                                    de Wet op het primair onderwijs; </al></li><li nr="e."><al><vet>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs:</vet> een
                                    school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en
                                    voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en
                                    voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de
                                    Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal
                                    onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                    expertisecentra; </al></li><li nr="f."><al><vet>school voor voortgezet onderwijs:</vet> school of
                                    scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                    onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                    onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                    praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="g."><al><vet>nevenvestiging:</vet> deel van een school dat door de
                                    minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair
                                    onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de
                                    expertisecentra, artikel X van de wet van 31 mei 1995 (Stb. 319)
                                    of artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor
                                    bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="h."><al><vet>voorziening:</vet> een van de voorzieningen in de
                                    huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al><vet>programma:</vet> het programma als bedoeld in artikel 12
                                    van deze verordening;</al></li><li nr="j."><al><vet>overzicht:</vet> het overzicht van de niet in het kader van
                                    de vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="k."><al><vet>aanvrager:</vet> het bevoegd gezag dat een aanvraag voor
                                    bekostiging van een voorziening of voor bekostiging van
                                    bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25
                                    van deze verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="l."><al><vet>aanvraag:</vet> verzoek om bekostiging van een voorziening
                                    of om bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="m."><al><vet>vervallen:</vet></al></li><li nr="n."><al><vet>vervallen</vet></al></li><li nr="o."><al><vet>permanent gebouw:</vet> schoolgebouw dat door de keuze van
                                    het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten
                                    minste 40 jaren als huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="p."><al><vet>niet-permanent gebouw:</vet> verplaatsbare of niet
                                    verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                                    aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als
                                    huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="q."><al><vet>unilocatie:</vet> hoofdgebouw met eventueel een ander
                                    gebouw dat op eigen terrein ligt, dan wel op een aangrenzend of
                                    zeer nabijgelegen terrein.</al></li><li nr="r."><al><vet>onderwijsgebied:</vet> geografisch gedeelte van de gemeente
                                    Tilburg, gebaseerd op de indeling voor gebiedsgericht
                                    werken:</al></li><li nr="s."><al><vet>gymnastiekruimte:</vet> ruimte die geschikt is voor het
                                    onderwijs in lichamelijke oefening;</al></li><li nr="t."><al><vet>advies Onderwijsraad:</vet> een advies van de Onderwijsraad
                                    over de vaststelling van het programma in relatie tot de
                                    vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld
                                    in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93
                                    van de Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op
                                    het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="u."><al><vet>verhuur:</vet> het gebruik van een onderwijsgebouw door
                                    derden; </al></li><li nr="v."><al><vet>gezamenlijke akte:</vet> de akte als bedoeld in artikel 110
                                    van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op
                                    de expertisecentra en artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="w."><al><vet>beslissing gedeputeerde staten:</vet> de beslissing van
                                    gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in artikel 110,
                                    tweede lid van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108,
                                    tweede lid van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u,
                                    tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="x."><al><vet>eigendomsoverdracht:</vet> de eigendomsoverdracht als
                                    bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 108 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u van
                                    de Wet op het voortgezet onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><al>1 nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                    rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw
                                    ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een
                                    school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie;</al><al> 2 uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                    gehuisvest;</al><al> 3 gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                    gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;</al><al> 4 verplaatsing van één of meer bestaande noodlokalen ten
                                    behoeve van de huisvesting van een school;</al><al> 5 terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a
                                    sub 1 tot en met 4 omschreven voorziening;</al><al> 6 inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                    hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging
                                    van rijks- of gemeentewege in aanmerking zijn gebracht;</al><al> 7 inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                                    bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                    gebracht;</al><al> 8 medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw
                                    dat al bij een andere school in gebruik is en medegebruik van
                                    een gymnastiekruimte en een bad voor watergewenning of
                                    bewegingstherapie; </al></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, alsmede
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging van schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket en leer- en hulpmiddelen en meubilair als
                                    gevolg van brand, storm, inbraak of vandalisme.</al></li><li nr="d."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school of scholengemeenschap voor vwo,
                                    avo en vbo ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke
                                    oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a 1 en a 2
                            kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, dan wel
                                bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV deel A en is van
                                toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a 1,
                                2, 6, 7 en d.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bekostiging op basis van feitelijke kosten is van toepassing op
                                de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a 3,4, b, c, en
                                artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek van het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor een adequate uitvoering van het bepaalde in
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter uitvoering hiervan kunnen door het college nader aanwijzingen
                                worden gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 januari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag na die datum is ingediend kan het college
                                    besluiten de aanvraag toch in behandeling te nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school, en voor zover van toepassing, het
                                            gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                            bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en omvang van de</al><al> gewenste voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de</al><al> voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag zonodig vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                            moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening
                                            betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen
                                            1tot en met 4;</al></li><li nr="b."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt
                                            indien het een voorziening betreft bestaande uit
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw of het (voortgezet) speciaal</al><al> onderwijs of uit herstel van een constructiefout;</al></li><li nr="c."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft
                                            op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin van toepassing is.</al></li><li nr="d."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                            indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                            vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als
                                            bedoeld in artikel 27;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid deelt het college dit schriftelijk mede aan
                                    de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid
                                    gesteld binnen een bij de mededeling vermelde termijn de
                                    ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al> Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet
                                    binnen de in de mededeling vermelde termijn heeft verstrekt, kan
                                    het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede gebaseerd is op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager onverwijld aan het college een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat
                                    ingeschreven op de school. Indien het college het afschrift niet
                                    binnen een week na het tijdstip van de wettelijke teldatum heeft
                                    ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                                    het afschrift van de opgave alsnog binnen drie dagen na de datum
                                    van ontvangst van de mededeling in te dienen. Indien het
                                    afschrift van de opgave niet binnen de termijn bedoeld in de
                                    vorige volzin is verstrekt, besluit het college de aanvraag niet
                                    te behandelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag kan op verzoek van de aanvrager of het college nader
                                    worden toegelicht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan
                                    bij toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de
                                    door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis
                                    gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen
                                    inhoud van het voorstel. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een bevoegd gezag of het college dat een advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                                    aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                                    deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                    overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                    brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al> Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen
                                    beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het
                                    advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    bekostiging van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort of per voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld uiterlijk op
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de wet opgenomen weigeringsgronden van toepassing
                                    is, in aanmerking voor plaatsing op het programma. Bij deze
                                    vaststelling past het college de regels toe met betrekking
                                    tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III.</al><al> Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking
                                            komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van
                                            de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V,
                                            uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover
                                            het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11,
                                            eerste lid, toereikend zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10 kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                    aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge de financiële
                                            normering als bedoeld in bijlage IV voor de betreffende
                                            voorziening beschikbaar wordt gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet
                                        op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                        voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het
                                        programma zijn opgenomen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluit vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt zo
                                    spoedig mogelijk na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk
                                    mededeling aan de overige bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overleggen offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient de
                                        aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                        afspraken in het overleg, zoals genoemd in artikel 95 van de
                                        Wet op het Primair Onderwijs, artikel 93 van de Wet op de
                                        Expertisecentra dan wel artikel 76f van de Wet op het
                                        Voortgezet Onderwijs, de bouwplannen, de desbetreffende
                                        begroting en een aanduiding van het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang dient te nemen ter instemming in bij
                                        het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist zo spoedig mogelijk over de instemming
                                        met de bouwplannen en de desbetreffende begroting, alsmede
                                        over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                                        nemen. </al></li><li nr="3."><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                        college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin
                                        de school verkeert ten opzichte van de feiten en
                                        omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
                                        programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een
                                        naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van
                                        de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet
                                        voor bekostiging in aanmerking. </al><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                        begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of
                                        krachtens de wet gestelde voorschriften en de toetsing of er
                                        sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen
                                        achterwege blijven, als dat naar het oordeel van het college
                                        niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                        programma opgenomen voorziening. </al></li></lijst><al>4.Nadat het college het bouwplan van een voorziening als bedoeld in
                                artikel 4, derde lid, laatste volzin heeft goedgekeurd, overlegt de
                                aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als
                                bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college de aan de
                                aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de
                                voorziening. Het college beslist zo spoedig mogelijk na ontvangst
                                van de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt
                                gesteld voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip
                                waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. Voor de vaststelling
                                van het definitieve bedrag is de offerte met de laagste
                                prijsstelling bepalend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16a</nr><titel>Gemeentelijk aanbestedingsbeleid</titel></kop><al>Voor de prijsvorming van werken en leveringen voorzover betrekking
                                hebbend op voorzieningen als bedoeld in artikel 4, lid 3, dient de
                                aanvrager de richtlijnen van het aanbestedingsbeleid van de gemeente
                                Tilburg te hanteren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar, volgend op het
                                    jaar waarop het programma betrekking heeft, een bouwopdracht
                                    heeft verleend dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst
                                    heeft gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober
                                    daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de eerste
                                    volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de
                                    aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het
                                    aantal werkbare dagen, binnen welke het werk wordt opgeleverd.
                                    De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijns
                                    onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de
                                    datum van inwerkingtreding , alsmede de duur van de
                                    overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van
                                    aankoop.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op vergoeding vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 15 oktober
                                    een verzoek tot verlenging van de termijn, als bedoeld in het
                                    eerste lid, bij het college heeft ingediend..</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist voor 15 november op het verzoek als bedoeld
                                    in het tweede lid. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt
                                    in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld
                                    in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan
                                lijden, kan worden ingediend bij het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college één of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit schriftelijk
                                    medegedeeld aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de
                                    gelegenheid gesteld binnen een bij de mededeling vermelde
                                    termijn de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de
                                    aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de
                                    vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het
                                    college de aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen acht weken na ontvangst of binnen
                                    acht weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of
                                    hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van
                                    de beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de wet opgenomen weigeringsgronden van toepassing
                                    zijn. Bij deze vaststelling past het college regels toe met
                                    betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vermeldt welk bedrag ingevolge het bepaalde in
                                    bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening maximaal
                                    beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is
                                    indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4,
                                    derde lid, laatste volzin.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                aanbesteding van die voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 januari van het jaar voorafgaand aan
                                het jaar waarin de vergoeding wordt gewenst. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                        wordt gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                        vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter
                                        vervanging van een bestaand gebouw.</al></li><li nr="g."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de vergoeding kosten bouwvoorbereiding is aangemerkt
                                        als een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het ontbreken van één of meerdere gegevens als bedoeld in het
                                derde lid, deelt het college dit schriftelijk mee aan de aanvrager
                                en stelt hem in de gelegenheid de gegevens aan te vullen. Het
                                gestelde in artikel 7, derde lid, is daarbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige artikel, is het
                                bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de bekostiging van
                                bouwvoorbereiding treedt het college in overleg met de aanvrager.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt voor het tijdstip als bedoeld in artikel 11 een
                                beslissing over de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt vermeldt de beschikking
                                tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de nieuwbouw op enig toekomstig programma. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor het basisonderwijs, (voortgezet)
                                speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school gangbare berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                            indien uit de vergelijking van het aantal vierkante
                                            meters bruto vloeroppervlakte zoals berekend op basis
                                            van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw
                                            zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A,
                                            blijkt dat er ten minste een aantal vierkante meters
                                            bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage
                                            III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de
                                            daar gevestigde school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
                                            ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III,
                                            deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld
                                            op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een
                                            overschot is aan vierkante meters bruto vloeroppervlakte
                                            tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of
                                            lesroosters voor het lopende of het eerstkomende
                                            schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan
                                            vierkante meters bruto vloeroppervlakte geen sprake is
                                            van onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het
                                            aantal klokuren gebruik dat wordt vergoed op grond van
                                            artikel 38 minder is dan 40 klokuren.</al></li><li nr="b."><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                            van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het
                                            gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag
                                            op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                            lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet
                                            het geval is.</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt voor
                                            basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                                            en voortgezet onderwijs, indien de som van de
                                            berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal
                                            klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt
                                    leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst bij of in het
                                    voedingsgebied van het hoofdgebouw ligt, tenzij uit het oogpunt
                                    van doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw
                                    een betere oplossing biedt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college voornemens is over te gaan tot vordering van
                                    leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand
                                    gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting
                                    is bestemd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de bekendmaking van het programma als
                                    bedoeld in artikel 14, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag
                                    waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen twee weken na afloop van het overleg als bedoeld in het
                                    vorige lid, doet het college mededeling van de vordering aan het
                                    bevoegd gezag waarvan wordt gevorderd. Van deze mededeling kan
                                    worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen
                                    heeft gegeven geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                            waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                            onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren
                                            dat wordt gevorderd;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en type ruimten dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg een vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg
                                niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op
                                het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen door het
                                ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de
                                groepsafhankelijke programma's van eisen, zoals jaarlijks
                                gepubliceerd door het ministerie van OCW. </al><al>Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele,
                                maatschappelijke of recreatieve doeleinden</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college
                                        overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten wordt
                                                gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                                voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                                gevestigde school hinder van het medegebruik
                                                ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd
                                                gezag een redelijke vergoeding voor medegebruik
                                                is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                                aanvang kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in
                                        het eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van
                                        de vordering aan het bevoegd gezag. Indien het overleg heeft
                                        geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die
                                        afspraken. </al><al>Voorzover het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid,
                                        bevat de mededeling de beslissing van het college over deze
                                        punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen
                                        heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan
                                        van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden
                                        afgezien.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                    toestemming voor verhuur aan het college</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder en van de bestemming van de te
                                    verhuren ruimte en inzicht in de huurafspraken met de
                                    huurder.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent in ieder geval geen toestemming
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            bepalingen daaromtrent uit de wet;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aan het verlenen van toestemming voor verhuur de
                                    voorwaarde verbinden dat het bevoegd gezag (een deel van) de
                                    huurinkomsten overdraagt aan de gemeente.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school wordt het gebruik van het gebouw
                                of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum
                                genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende
                                gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde
                                staten bij de beslissing inzake een geschil over de totstandkoming
                                van een gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college wordt
                                betaald. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze wordt gevolgd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs en (voortgezet)
                                speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1 juni voorafgaand aan
                                het volgende schooljaar aan het college een opgave van de voor dat
                                schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte. Deze opgave wordt beschouwd als een aanvraag in de
                                zin van artikel 19, met dien verstande dat op de afhandeling van een
                                dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel van toepassing
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks vóór 1 oktober van het lopende
                                schooljaar, op basis van de ingediende opgaven een overzicht vast
                                van het onderwijsgebruik door scholen voor primair onderwijs en
                                scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Voorzover
                                daarbij wordt afgeweken van de ingediende opgaven wordt hierover
                                overleg gepleegd met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het overzicht het volgende
                                in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>een school, waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van de
                                        gymnastiekruimte, wordt het eerste voor die ruimte op het
                                        overzicht opgenomen;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school vindt zoveel mogelijk
                                        in één gymnastiekruimte plaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het overzicht vermeldt per school voor basisonderwijs en
                                (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor een school van een
                                        gymnastiekruimte gebruik kan maken;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin het
                                        onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan 1 ruimte
                                        plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge artikel 38, eerste lid, voor
                                        bekostiging in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel
                                        klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de
                                        school.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het overzicht wordt door het college binnen twee weken na
                                vaststelling aan de bevoegde gezagsorganen voor primair onderwijs en
                                (voortgezet) speciaal onderwijs toegezonden. Het overzicht is te
                                beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 22.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevoegd gezag, dat eigenaar van een gymnastieklokaal is en op
                                grond van artikel 38, lid 2, een vergoeding voor medegebruik
                                ontvangt, roostert in overleg met de mede gebruikende scholen de aan
                                de betreffende gymnastiekruimte toegewezen klokuren in. Een
                                voorlopige inroostering vindt plaats voor 1 juli op basis van de
                                opgave als bedoeld in lid 1.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien het bevoegd gezag van een mede gebruikende school niet kan
                                instemmen met het rooster, legt de eigenaar van het gymnastieklokaal
                                dit rooster ter goedkeuring aan het college voor.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college beslist, beide partijen gehoord.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of (voortgezet)
                                speciaal onderwijs, dat uitbreiding van het aantal klokuren wenst
                                vanwege een stijging met een of meer leerlingen op de meest recente
                                teldatum, dient een aanvraag bij het college in.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40a</nr><titel>Wijziging van de verordening.</titel></kop><al>Bij een voorstel tot wijziging van deze verordening is de procedure
                            genoemd in artikel 10 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                    huisvesting onderwijs gemeente Tilburg 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2016.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 4 juli 2016.</ondertekening><ondertekening>de griffier, </ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde
                        voorzieningen</titel></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder – behoudens de financiële toets – de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><al>– deel A: lesgebouwen;</al><al>– deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al><tussenkop>DEEL A Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze
                            leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de
                            vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren
                            deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied
                            door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter
                            hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens een bouwkundige opname, zodat
                            onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in
                            kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                            en dat voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de
                            vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren
                            deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied
                            door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter
                            hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>1.3.1 Uitbreiding Algemeen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde
                            overschrijdt; en</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste zes jaren voor een uitbreiding in
                            permanente vorm deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste twee jaren voor een uitbreiding in
                            niet-permanente vorm deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal één
                            jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied
                            door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter
                            hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                    speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste zes jaren zal blijven
                            bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                            bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze leerlingen
                            kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                            bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze leerlingen
                            kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er in het onderwijsgebied binnen redelijke afstand met een maximum van
                            2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
                            passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>1.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van een niet-permanent gebouw toestemming wordt gegeven en verwerving of
                    uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming
                    te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen
                    gesteld in bijlage III, deel D.</al><tussenkop>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo'n uitbreiding nog niet eerder
                    bekostiging heeft plaatsgevonden. </al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs
                    uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><tussenkop>1.7 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><tussenkop>1.8 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>1.9 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een permanent gebouw, de prognose, die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze
                            leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een niet-permanent gebouw, de prognose, die voldoet aan de
                            vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste 2 jaren deze
                            leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied
                            door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter
                            hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>2.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens een bouwkundige opname, zodat
                            onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in
                            kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                            en dat voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de
                            vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren
                            leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor een niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze
                            leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied
                            door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter
                            hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>2.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>2.3.1 Uitbreiding algemeen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit, dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte,zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C, genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste zes jaren voor een uitbreiding in
                            permanente vorm deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten tenminste twee jaren voor een voor een
                            uitbreiding in niet-permanente vorm deze leerlingen kunnen worden
                            verwacht of</al></li><li nr="b3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal één
                            jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied
                            door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter
                            hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste zes jaren zal blijven
                            bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                            motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is
                            en</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van burgemeester
                            en wethouders, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een
                            bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de
                            genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage
                            III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal te
                            maken.</al></li></lijst><tussenkop>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze leerlingen kunnen
                            worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                            bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze leerlingen
                            kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er in het onderwijsgebied binnen redelijke afstand met een maximum van
                            2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
                            passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. </al></li></lijst><tussenkop>2.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van een toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo'n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat de school uitgebreid wordt met een
                    speellokaal.</al><tussenkop>2.7 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in de bijlage III, deel C, genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt. </al><tussenkop>2.8 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>2.9 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze
                            leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een niet-permanent gebouw, de prognose, die voldoet aan de
                            vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren
                            deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied
                            door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter
                            hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>3.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens een bouwkundige opname, zodat
                            onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in
                            kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                            en dat voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de
                            vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren
                            deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor een niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze
                            leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om binnen het onderwijsgebied
                            door medegebruik binnen redelijke afstand met een maximum van 2000 meter
                            hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>3.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                            vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A – voor de aanwezige
                            capaciteit – en bijlage III, deel B -voor de ruimtebehoefte -, aangeeft
                            en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                            dat gedurende ten minste zes jaren voor een permanent gebouw of
                            gedurende ten minste twee jaren voor uitbreiding met een niet-permanent
                            gebouw deze aantallen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                            redelijke afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed een
                            passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor een permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                            bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste zes jaren deze leerlingen
                            kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            niet-permanent gebouw de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                            bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste twee jaren deze leerlingen
                            kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er in het onderwijsgebied binnen redelijke afstand met een maximum van
                            2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
                            passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. </al></li></lijst><tussenkop>3.5 Vervallen</tussenkop><tussenkop>3.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</tussenkop><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school.</al><al>Tevens bestaat aanspraak op eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
                    indien een toegekende uitbreiding van het aantal leslokalen is gerealiseerd door
                    middel van een inpandige aanpassing.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra leer en hulpmiddelen
                    en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal
                    aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende scholen. </al><tussenkop>3.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a.</al><tussenkop>3.9 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><tussenkop>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><tussenkop>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop><tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><al>1.4<vet>Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al><al>Zie omschrijvingen bij schoolgebouw.</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit, dat de school niet beschikt over een
                    gymnastiekaccommodatie en:</al><lijst><li nr="-"><al>er geen sporthal of andere gymnastiekaccommodatie binnen een loopafstand
                            van 1000 meter beschikbaar is dan wel binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar zal komen en tevens</al></li><li nr="-"><al>het gebruik door de school zodanig zal zijn, dat een verantwoorde
                            exploitatie mogelijk zal zijn. </al></li></lijst><tussenkop>1.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit,dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.7 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder (een deel
                            van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet en regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van olie- of gasgestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><al> Ad 1 </al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad 4 </al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op
                    korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    installatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging noodzakelijk is.
                    Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten van extra voorzieningen, die als
                    gevolg van voorschriften van de overheid moeten worden getroffen. De kosten van
                    het vervangen van de cv-ketels zijn voor rekening van het bevoegd gezag.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>De bepalingen van hoofdstuk 1 worden naar analogie toegepast. Afwijkende
                    bepalingen volgen hieronder. De bepalingen gelden eveneens voor een goedgekeurde
                    nevenvestiging.</al><al>Zie omschrijvingen bij schoolgebouw.</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit, dat de school niet beschikt over een
                    gymnastiekaccommodatie en:</al><lijst><li nr="-"><al>er geen sporthal of andere gymnastiekaccommodatie binnen een loopafstand
                            van 1000 meter beschikbaar is dan wel binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar zal komen en tevens</al></li><li nr="-"><al>het gebruik door de school zodanig zal zijn, dat een verantwoorde
                            exploitatie mogelijk zal zijn. </al></li></lijst><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De bepalingen van hoofdstuk 1 worden naar analogie toegepast. Afwijkende
                    bepalingen volgen hieronder. De bepalingen gelden eveneens voor een goedgekeurde
                    nevenvestiging.</al><al>Zie omschrijvingen bij schoolgebouw.</al><al>De noodzaak blijkt uit het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen redelijke
                    afstand met een maximum van 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of
                    meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende
                    gymnastiekruimten. </al><tussenkop>3.1 Huur van een sportterrein</tussenkop><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                            gezag niet beschikt over een eigen sportveld en</al></li><li nr="b."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                            bevoegd gezag.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van
                        leerlingprognoses</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders hanteren voor het opmaken van de leerlingprognose het
                    programma GO4PRO.</al><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren,
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging. </al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen in het
                    voedingsgebied van de school of nevenvestiging door in elk geval rekening te
                    houden met:</al><al>a de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al><al>b de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele uitbreiding
                    van het voedingsgebied;</al><al>c de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als
                    gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al><al>d de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                    woningvoorraad;</al><al>e de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                    school</al><al>De gemeente maakt elke 2 jaar een bevolkingsprognose. Hiervoor wordt gebruik
                    gemaakt van historische gegevens van de afgelopen vijf jaar. De
                    leerlingenprognose wordt gemaakt op basis van de meest recent beschikbare
                    bevolkingsprognose. Deze prognoses zijn goedgekeurd door de VNG en het
                    Ministerie van OCW. Het betreft integrale wijkgerichte prognoses.</al><al>De bevolkingsprognose voor de gemeente Tilburg wordt in opdracht van de gemeente
                    door Pronexus gemaakt met behulp van het programma GBPro. In dat programma wordt
                    rekening gehouden met de aanwezige bevolking, naar leeftijd en geslacht,
                    migratie, sterfte, geboorte, migratie, de aanwezige woningvoorraad en de
                    woningbouwplanning. Als in een bepaald voedingsgebied van een school de
                    woningvoorraad wordt uitgebreid dan komt dit ook terug in de
                    bevolkingsprognose.</al><al>Voor bevolkingsprognoses van omringende gemeenten wordt gebruik gemaakt van de
                    bevolkingprognoses van de Provincie Noord-Brabant. </al><al>In de leerlingenprognose wordt op basis van de bevolkingsprognose de verdeling
                    van de leerlingen berekend als gevolg van de belangstelling per school. Het
                    voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de
                    leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Met de
                    leerlingenprognose, apart voor het primair onderwijs en het voortgezet
                    onderwijs, krijgen we per school zicht op het aantal leerlingen.</al><tussenkop>1 Primair onderwijs</tussenkop><al>De relevante leeftijdsgroepen zijn:</al><al>– kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 30% van de 12 jarigen</al><tussenkop>2 Voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De relevante leeftijdsgroepen zijn:</al><al>– 70% van de 12-jarige kinderen en</al><al>– jongeren in de leeftijd van 13 tot en met 18 jaar</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling</titel></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><al>– deel A: de bepaling van de capaciteit;</al><al>– deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al><al>– deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al><al>– deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al><tussenkop>DEEL A De bepaling van de capaciteit</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld.</al><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit
                    indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    onderwijskundige, culturele, maatschappelijke ( waaronder kinderopvang) en
                    recreatieve doeleinden.</al><tussenkop>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                    B-dislocaties met een tijdelijke of permanente bouwaard.</tussenkop><al>De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de
                    bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de ‘Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs’.</al><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het bruto
                    vloeroppervlak van het gebouw. Tot de capaciteit behoren ook de
                    speellokalen.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-nettoverhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het college in overleg met het betreffende schoolbestuur een
                    fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling
                    vaststellen.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een
                    eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling meegenomen.
                    Indien een speellokaal aanwezig is en de school voldoet aan de voorwaarden zoals
                    vermeld in bijlage I, paragraaf 1.3.2, wordt op het bruto vloeroppervlak 90 m²
                    in mindering gebracht.</al><al>1.2<vet>Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</vet></al><tussenkop>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen
                    geldt het gestelde onder 1.1.</tussenkop><tussenkop>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Het hoofdgebouw is het
                    gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt is
                    om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het
                    grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering
                    plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de
                    dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een
                    tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste
                    capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven. </al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>1.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. </al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>1.5 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen voor
                    (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>1.6 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>1.6.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                    klokuren.</al><tussenkop>1.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>1.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld.</al><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor beschikbaar
                    komende ruimten worden ingezet ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                    recreatieve doeleinden.</al><tussenkop>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de ‘Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs’.</al><al>De capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. De capaciteit van het
                    gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard
                    worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al>Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de voorwaarden zoals
                    vermeld in bijlage I, paragraaf 2.3.2 sub a en sub b, wordt op de bruto
                    vloeroppervlakte 90 m² in rekening gebracht.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-nettoverhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het college in overleg met het betreffende schoolbestuur een
                    fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling
                    vaststellen.</al><tussenkop>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                    tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1</al><tussenkop>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of
                    meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Het
                    hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. </al><al>Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                    staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen.
                    Dit is in de regel het grootste gebouw.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>2.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. </al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>2.5 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>2.6 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>2.6.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    bedraagt 40 klokuren.</al><tussenkop>2.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>2.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over:</al><al>– de bruto vloeroppervlakte van gebouwen;</al><lijst><li nr="–"><al>het aantal specifieke ruimten; </al></li><li nr="–"><al>het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="–"><al>het aantal gymnastieklokalen.</al></li></lijst><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><tussenkop>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                    een tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de ‘Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet
                    onderwijs’.</al><al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven ‘aantal gymnastieklokalen’
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven ‘aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen’ indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven ‘aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen’ moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals die binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van een
                    gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet tot
                    de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><tussenkop>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Het
                    hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><tussenkop>3.3 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. </al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>3.4 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris.</al><al>Het aantal lesruimten als zodanig is de basis voor de vaststelling van de omvang
                    van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>3.5 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>3.5.1 Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40
                    klokuren.</al><tussenkop>3.5.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>3.5.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>1.1<vet>Lesgebouwen</vet></al><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. De berekening van de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo'n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school. </al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><al>B= 200 + 5,03 L, waarbij</al><al>B = basisruimtebehoefte in m² bruto vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                    hele vierkante meters. </al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T= 2*G, waarbij</al><al>T= toeslag in bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante
                    meters en</al><al>G= gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="-"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="-"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter grootte van
                            6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal;</al></li><li nr="-"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80% van het aantal
                            ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80% van
                            het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend
                    voor de ruimtebehoefte. De berekening van de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo'n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met
                    de formule:</al><al>R= 250+8*L, waarbij</al><al>R= ruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters en</al><al>L= het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    m².</al><tussenkop>1.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>Basisschool </tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. </al><al>Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen, zoals
                    bepaald in de beleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs
                    en (voortgezet) speciaal onderwijs. Per gymgroep 6-12- jarigen wordt uitgegaan
                    van maximaal 1,5 klokuur gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen,dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft, op de school zal zijn
                    ingeschreven.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend
                    voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6
                    jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek, indien de school niet
                    de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6
                    jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. </al><al>Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                    ‘N-factor’. De ‘N-factor’ is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor
                    een speciale school voor basisonderwijs is 14. Het verkregen getal wordt alleen
                    naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het
                    andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een speciale school voor basisonderwijs wordt het aantal gymgroepen bepaald
                    aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>Voor een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs is de
                    onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                    vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de huisvestingsbehoefte.</al><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    berekend met de volgende formule:</al><al>R=V+f*L, waarbij</al><al>R= ruimte behoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters, en</al><al>V= vaste voet in m² bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor alle
                    onderwijssoorten 370 m², behalve voor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste voet
                    250 m2. Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing, en</al><al>f= factor (m² bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaande tabel,
                    en</al><al>L= het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De tabel geeft een overzicht van f(m² bruto-vloeroppervlakte per leerling), per
                    onderwijssoort.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="12*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>SO</al></entry><entry colname="col3"><al>VSO</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>• Slechthorende kinderen (SH)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>• Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> tevens behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>• Visueel gehandicapten (VISG)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>• Langdurig zieke kinderen (LZ)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>• Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>• Kinderen in scholen verbonden aan pedologische</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> instituten (PI)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>• Dove kinderen (DO)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>• Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>• Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)*</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>• Zeer moeilijk lerende kinderen</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>* tenzij bij beschikking van de minister van OCW de N-factor
                                        anders dan 7 is</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>vastgesteld. Voor SO-MG met N=2 geldt 56,75, voor VSO-MG met
                                        N=2 geldt</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>57,5, voor SO-MG met N=3 geldt 56,75 en voor VSO-MG met N=3
                                        geldt 57,5</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de vaste voet
                    slechts eenmaal van toepassing.</al><al>Voor een school met meer onderwijssoorten is voor elk van de schoolsoorten de
                    vaste voet van toepassing.</al><al>De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school waaraan
                    een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende
                    onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde
                    ruimtebehoeften worden gesommeerd.</al><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte
                    van 90 m².</al><tussenkop>2.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Het aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het
                    aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al>Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75
                    klokuur gymnastiek, indien de school of de nevenvestiging niet de beschikking
                    heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder
                    wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. </al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                    bijlage II. De bepaling van het aantal gymgroepen van een SOVSO school of een SO
                    school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                    verschillende schooltypen afzonderlijk plaats.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>een leerlinggebonden component;</al></li><li nr="2."><al>een vaste voet.</al></li></lijst><tussenkop>ad 1 Een leerlinggebonden component</tussenkop><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
                    bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                    leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs,
                    leerweg of sector die de leerling volgt.</al><tussenkop>ad 2 Een vaste voet</tussenkop><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                    vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto vloeroppervlakten per instelling of sector . De vaste
                    voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod
                    binnen de beroepsgerichte leerweg.</al><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                    bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                    indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.</al><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet
                    in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum
                    (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen
                    die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van
                    de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij
                    reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. </al><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</al><tussenkop>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte
                    voortgezet onderwijs</tussenkop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="43*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al> 4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al> 7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda TLW theoretische leerweg</al><al> LWOO leerwegondersteunend onderwijs</al><al> GLW gemengde leerweg</al><al> BLW beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                    ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="59*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Vaste voet</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al> 980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al> 550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al> 0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al> 299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al> 196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al> 168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al> 117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al> 306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Legenda: BLW beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>De vaste voet per instelling is 980 m<sup>² </sup>bruto-vloeroppervlakte (BVO)
                    welke wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een
                    nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt
                    voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een
                    aanvullende vaste voet van 550 m<sup>²</sup> BVO. Indien van toepassing worden
                    vaste voeten behorende bij die afdelingen waar de beroepsgerichte leerweg wordt
                    aangeboden toegekend op de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt
                    aangeboden. Tevens geldt een vaste voet voor die vestiging waar een afdeling
                    voor praktijkonderwijs aanwezig is.</al><tussenkop>3.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De in onderstaande tabel 7.2 ‘Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs’ vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><al>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                    onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="62*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>BVO/leerling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al> 1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al> 0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al> 1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al> 1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> legenda TLW theoretische leerweg</al><al> LWOO leerwegondersteunend onderwijs</al><al> GLW gemengde leerweg</al><al> BLW beroepsgerichte leerweg</al><tussenkop>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</tussenkop><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><tussenkop>1 School voor (speciaal) basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Permanente gebouwen en niet-permanente gebouwen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw permanent
                    gebouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    tenminste zes jaren noodzakelijk is. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw niet-permanent
                    gebouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor de
                    huisvesting tenminste twee jaren en korter dan zes jaren noodzakelijk is.</al><al>Het bijbehorende aantal vierkante meter wordt bepaald zoals beschreven in deel B
                    van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtehoefte’. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening</al><al>• uitbreiding permanent gebouw, dan wel</al><al>• uitbreiding permanent gebouw ter vervanging van een bestaand gebouw, dan
                    wel</al><al>•uitbreiding niet-permanent gebouw, dan wel</al><al>• ingebruikneming, dan wel</al><al>• medegebruik</al><al> wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage.</al><al>Het verschil moest tenminste bedragen:</al><al>•55 m² bruto-vloeroppervlakte voor een permanent gebouw voor een
                    basisschool;</al><al>•40 m² bruto-vloeroppervlakte voor een niet-permanent gebouw voor een
                    basisschool;</al><al>•50 m² bruto-vloeroppervlakte voor een permanent of niet-permanent gebouw voor
                    een speciale school voor basisonderwijs</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening, uitbreiding niet-permanent gebouw,
                    dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand niet-permanent gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten
                    minste twee jaar en korter dan zes jaar noodzakelijk is en het aantal leerlingen
                    waarvoor huisvesting aanwezig is. </al><al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte
                    voor een speellokaal 90 m².</al><tussenkop>1.2 Overige voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het
                    terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het
                    schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                    III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, en meubilair bepaald door de omvang in m²
                    bruto-vloeroppervlakte van de toegekende voorziening in de huisvesting. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en
                    herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer en hulpmiddelen en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><tussenkop>1.3 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Permanente gebouwen en niet-permanente gebouwen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw permanent
                    gebouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    tenminste zes jaren noodzakelijk is. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw niet-permanent
                    gebouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor de
                    huisvesting tenminste twee jaren en korter dan zes jaren noodzakelijk is.</al><al> Het bijbehorende aantal vierkante meter wordt bepaald zoals beschreven in deel
                    B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtehoefte’. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening</al><al>• uitbreiding permanent gebouw, dan wel</al><al>• uitbreiding permanent gebouw ter vervanging van een bestaand gebouw, dan
                    wel</al><al>•uitbreiding niet-permanent gebouw, dan wel</al><al>• ingebruikneming, dan wel</al><al>• medegebruik</al><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50 m²
                    bruto-vloeroppervlakte bedragen.</al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van het speellokaal
                    90 m² bvo.</al><tussenkop>2.2 Overige voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening, terrein, dan wel uitbreiding van het
                    terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het
                    schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de terreinoppervlakte en het
                    gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door de omvang in m²
                    bruto-vloeroppervlakte van de toegekende voorziening in de huisvesting.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en
                    herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><tussenkop>2.3 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Permanente gebouwen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw permanent gebouw, dan wel
                    vervangende nieuwbouw permanent gebouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal
                    leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste zes jaar noodzakelijk is. De hieruit
                    voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter
                    vervanging van een bestaand gebouw of uitbreiding door middel van
                    ingebruikneming wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste zes jaar
                    noodzakelijk is en de huisvesting die aanwezig is. </al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de
                    omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal
                    leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste zes jaar noodzakelijk is. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de
                    aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte.
                    Aan de hand van het feitelijk lesrooster kan vervolgens het overschot aan
                    beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm
                    van in te roosteren lessen.</al><tussenkop>3.2 Niet-permanente gebouwen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw niet-permanent gebouw, dan
                    wel vervangende nieuwbouw niet-permanent gebouw, wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste twee jaar doch korter dan zes jaar
                    noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging
                    van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen de
                    ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten
                    minste twee jaar doch korter dan zes jaar noodzakelijk is en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals opgenomen in deel B van
                    deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de
                    omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal
                    leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste twee jaar en korter dan zes jaar
                    noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare
                    huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het ruimtebehoeftemodel, zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de
                    aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte.
                    Aan de hand van het feitelijk lesrooster kan vervolgens het overschot aan
                    beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm
                    van in te roosteren lessen.</al><al>De omvang van de voorziening huur sportterrein wordt bepaald aan de hand van het
                    lesrooster.</al><tussenkop>3.3 Overige voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt
                    bepaald door de minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te
                    realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten
                    aanzien van de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening eerste aanschaf van leer en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer
                    en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                    voorziening in de huisvesting.</al><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing, waarbij algemene en
                    specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt
                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                    en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en
                    herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><tussenkop>3.4 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de
                    toelichting bij deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig
                    is.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym)
                    : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                    gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym): 322. Hierop wordt het aantal
                    in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A,
                    paragraaf 3.5.1).</al><tussenkop>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>– minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3
                    m²/ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan
                    met 600 m² netto;</al><lijst><li nr="–"><al>minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m² netto.</al></li><li nr="–"><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                            84 m² voor een speellokaal.</al></li></lijst><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>– minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3
                    m²/ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan
                    met 600 m² netto;</al><al>– een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m²;</al><al>– minimum oppervlakte onderwijsruimte: 8 m² netto.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m²:</al><al>theorielokaal: 42 m²</al><al>theorievaklokaal: 50 m²</al><al>vaklokaal natuurkunde: 50 m²</al><al>vaklokaal biologie: 50 m²</al><al>vaklokaal scheikunde: 60 m²</al><al>vaklokaal handvaardigheid: 60 m²</al><al>vaklokaal overig: 80 m²</al><al>specifiek vaklokaal lassen: 50 m²</al><al>specifiek vaklokaal meten: 50 m²</al><al>werkplaats: 115 m²</al><al>restaurant: 80 m²</al><tussenkop>4 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>– De oefenruimte is minimaal 252 m² netto.</al><al>– De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al><al>– Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een was-
                    /douchegelegenheid.</al><tussenkop>III-1 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’</tussenkop><al>De vaststelling van de bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw:</al><al>De bruto vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de bruto
                    vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle
                    vloerniveaus. </al><al>De bruto vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de
                    buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op
                    vloerhoogte.</al><al>De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de bruto
                    vloeroppervlakte te worden gerekend.</al><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in of aanpandige gymnastieklokalen
                    wordt toegerekend aan het lesgebouw.</al><al>Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in of aanpandig gelegen
                    gymnastieklokalen wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de
                    scheidingsconstructie.</al><al>Tot de bruto vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een vide,
                    voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m².</al><al>Uitzonderingen:</al><al>In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf
                    bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend.</al><al>Indien de bruto vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen de netto
                    oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto vloeroppervlakte wordt
                    dan verkregen door de gevonden nettovloeroppervlakte te vermenigvuldigen met de
                    factor 1,1.</al><al>Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of
                    andere ruimte, wordt de bruto vloeroppervlakte bepaald door de
                    nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte &gt; 2,60
                    m te vermenigvuldigen met de factor 1,1. </al><al>Voorzover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging,
                    keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de
                    bruto vloeroppervlakte.</al><tussenkop>III-2 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’</tussenkop><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW.</al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende ‘beloopbare’ binnenruimten. De bruto
                    vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto oppervlakte behoort eveneens:</al><al>– de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                    vloerniveau;</al><al>– de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5
                    m².</al><al>Uitzonderingen:</al><al>– De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten
                    ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de
                    vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken,
                    de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet
                    overdekt) en dergelijke.</al><al>– Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de
                    bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</al><al>– Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IV Financiële normering 2016</titel></kop><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen:</al><al>– deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al><al>– deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al><al>– deel C: bepaling medegebruikstarief.</al><tussenkop>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen</tussenkop><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding
                    (paragrafen 1.1, 1.2, 2.1, 2.2 en 3.1) is tevens een vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een
                    bruto-vloeroppervlakte van 2500 m<sup>2</sup>) respectievelijk 5% (bij grotere
                    projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde
                    vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor (vervangende)
                    nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de
                    kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle in deze bijlage
                    genoemde bedragen zijn incl. BTW.</al><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor het jaar 2016 zijn aangepast
                    conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in
                    hoofdstuk 4, Indexering. </al><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><al>– nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al><al>– uitbreiding (paragraaf 1.2);</al><al>– tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al><al>–eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 1.4) en;</al><al>– gymnastiek (paragraaf 1.5).</al><tussenkop>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</tussenkop><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een vijftal
                    kostencomponenten, te weten:</al><al>– kosten voor terrein;</al><al>– bouwkosten;</al><al>– toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal voor een speciale
                    school voor basisonderwijs;</al><al>– toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen/bouwrijp maken en
                    verhuiskosten.</al><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein (bouwrijp) om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag,
                    waarin inbegrepen een aantal m² en een bedrag per m² voor de overige m² bvo. Met
                    deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding voor een basisschool
                    wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350 m²</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 659.775,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.129,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende</al><al>bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670 m² bvo,
                                        speellokaal niet inbegrepen.</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.069.034,80</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.182,28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor speellokaal (90 m²)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 101.432,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor sloopkosten, verhuiskosten en bronbemaling.</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt bestaat de mogelijkheid dat het oude
                    schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet daarna
                    worden hersteld en, indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats wordt
                    gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                    locatie.</al><al>De bekostiging van de sloopkosten als ook de kosten van verhuizing van
                    onderwijsleerpakket en meubilair zal plaatsvinden op basis van te overleggen
                    offertes, waarbij het gemeentelijk aanbestedingsbeleid van toepassing is.</al><al>Indien de vervangende nieuwbouw op een andere locatie wordt gerealiseerd, kan
                    eveneens bekostiging van verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair naar
                    deze nieuwe locatie plaatsvinden. Met vervangende nieuwbouw wordt gelijkgesteld
                    gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw.</al><al>Voorts kan het voorkomen dat een school – in afwachting van het beschikbaar
                    komen van een nieuw gebouw – tijdelijk elders is gehuisvest. Bij verhuizing van
                    de tijdelijke naar de definitieve locatie kan dan bekostiging van de verhuizing
                    van onderwijsleerpakket en meubilair plaatsvinden.</al><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per
                    m<sup>2</sup> goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt
                    € 11,07 per m<sup>2</sup> terrein.</al><tussenkop>Toeslag voor liftinstallatie</tussenkop><al>Het college kan besluiten dat bij nieuwbouw van een school in verdiepingbouw
                    bekostiging van een liftinstallatie zal plaatsvinden. </al><tussenkop>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</tussenkop><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m²
                    bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Kosten voor terrein</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten dezelfde
                    systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolgebouw. Met deze vergoedingsbedragen kan
                    en moet de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 96.617,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 64.411,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.287,05</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende </al><al>bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="72*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 99.358,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 50 tot 105 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 66.238,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.312,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m² bvo) in
                                        combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 101,432,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m² bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de
                                        school.</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 212.968,62</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor sloopkosten en verhuiskosten.</tussenkop><al>Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als bij nieuwbouw (permanente
                    bouwaard).</al><tussenkop>Toeslag voor liftinstallatie</tussenkop><al>Het college kan besluiten dat bij uitbreiding van een school bekostiging van een
                    liftinstallatie zal plaatsvinden.</al><tussenkop>1.3 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>Bij een tijdelijke voorziening kan een onderscheid worden gemaakt tussen
                    noodlokalen en semi-permanente lokalen (bijvoorbeeld IFD-bouw). Voor
                    semi-permanente lokalen is Deel B. van toepassing.</al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in de vorm van noodlokalen.
                    Hierbij is onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemd gebouw als hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie
                    met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor
                    tijdelijk gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van
                    een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                    hoofdlocatie</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen alsmede de eenmalige aansluitkosten op de
                    nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37.573,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.048,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 923,35</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn inbegrepen de bouwkosten, toeslag voor paalfundering en de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.120,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.080,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 967,51</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag verhuiskosten</tussenkop><al>Indien een school – in afwachting van het gereedkomen van een tijdelijke
                    voorziening – elders is gehuisvest, kan de verhuizing van onderwijsleerpakket en
                    meubilair naar de nieuwe accommodatie worden bekostigd.</al><al>Voorts kan bekostiging van de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair
                    plaatsvinden indien op verzoek van het college een verhuizing plaatsvindt naar
                    een andere tijdelijke voorziening, voor zover die niet in de nabijheid van de te
                    verlaten voorziening is gelegen.</al><tussenkop>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal leerlingen. Bij
                    uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil
                    tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.618,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 135,09</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet> De vergoeding voor een speciale
                    school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 81.934,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 139,76</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt €
                    7.476,92.</al><tussenkop>1.5 Gymnastiek</tussenkop><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455m<sup>2</sup> bedraagt € 693.590,76 (op het
                    schoolterrein) respectievelijk € 707.619,04 (op afzonderlijk terrein). Deze
                    vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting
                    van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al><al> Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 13.950,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.231,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.010,39</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m<sup>2</sup>. Bij kleine gymnastiekzalen,
                    waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m<sup>2</sup> of minder, kan
                    de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m<sup>2</sup>.
                    Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m²</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 161.147,05</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m²</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 195.896,37</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m²</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.245,54</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.809,46</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 10.817,62</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 13.518,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 17.685,63</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 22.107,03</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>OLP/meubilair</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs bedraagt € 51.736,96.</al><tussenkop>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>In deze bijlage zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><al>– nieuwbouw (paragraaf 2.1);</al><al>– uitbreiding (paragraaf 2.2);</al><al>– tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3);</al><al>– eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 2.4);</al><al>– gymnastiek (paragraaf 2.5).</al><tussenkop>2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</tussenkop><al>De financiële normering valt uiteen in een zestal kostencomponenten, te
                    weten:</al><al>– kosten voor terrein;</al><al>– bouwkosten;</al><al>– toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al><al>– toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie;</al><al>–toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen/bouwrijp maken en
                    verhuiskosten.</al><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein (bouwrijp)om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag ,
                    waarin inbegrepen een aantal m² en een bedrag per m² voor de overige m² bvo. Met
                    deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 677 m² bvo,
                                        speellokaal niet inbegrepen.</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.028.773,13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.175,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor speellokaal (90 m²)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 101.432,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor liftinstallatie</tussenkop><al>Het college kan besluiten dat bij nieuwbouw van een school bekostiging van een
                    liftinstallatie zal plaatsvinden.</al><tussenkop>Toeslag voor sloopkosten, verhuiskosten en bronbemaling</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt, bestaat de mogelijkheid dat het oude
                    schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet daarna
                    worden hersteld en indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats wordt
                    gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                    locatie. De bekostiging van de sloopkosten als ook van de kosten van verhuizing
                    van onderwijsleerpakket en meubilair zal plaatsvinden op basis van te overleggen
                    offertes, waarbij het gemeentelijk aanbestedingsbeleid van toepassing is.</al><al>Indien de vervangende nieuwbouw op een andere locatie wordt gerealiseerd, kan
                    eveneens bekostiging van verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair naar
                    deze nieuwe locatie plaatsvinden. Met vervangende nieuwbouw wordt gelijkgesteld
                    gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw.</al><al>Voorts kan het voorkomen dat een school – in afwachting van het beschikbaar
                    komen van een nieuw gebouw – tijdelijk elders is gehuisvest. Bij verhuizing van
                    de tijdelijke naar de definitieve locatie kan dan bekostiging van de verhuizing
                    van onderwijsleerpakket en meubilair plaatsvinden.</al><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per
                    m<sup>2</sup> goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt
                    € 11,07 m<sup>2</sup> terrein.</al><tussenkop>2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</tussenkop><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1000 m²
                    bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt ook voor de nieuwbouw
                    van een nevenvestiging.</al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein (bouwrijp)om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag en een bedrag per m². Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in
                    bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 89.988,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 50 tot 96 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 59.992,59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.315,30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m² bvo) in
                                        combinatie met </al><al>uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 101.432,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m² bvo), </al><al>zonder gelijktijdige uitbreiding van de school.</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 212.968,62</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor liftinstallatie</tussenkop><al>Het college kan besluiten dat bij uitbreiding van een school bekostiging van een
                    liftinstallatie zal plaatsvinden.</al><tussenkop>Toeslag voor sloopkosten etc.</tussenkop><al>Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw
                    (permanente bouwaard).</al><tussenkop>2.3 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>Bij een tijdelijke voorziening kan een onderscheid worden gemaakt tussen
                    noodlokalen en semi-permanente lokalen (bijvoorbeeld IFD-bouw). Voor
                    semi-permanente lokalen is Deel B. van toepassing.</al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt in nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                    hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie met een voor
                    tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor tijdelijk
                    gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een
                    tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke gebruik
                    bestemde voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een
                    tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden
                    gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van
                    terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                    hoofdlocatie</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn inbegrepen de bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting terrein
                    alsmede eenmalige aansluitkosten op de nutsvoorzieningen. De vergoeding voor een
                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de
                    volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.380,65</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 26.611,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 904,67</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag sloopkosten e.d.</tussenkop><al>Zie paragraaf 2.1.</al><tussenkop>Uitbreiding tijdelijke voorziening</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en inrichting van
                    terreinen.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.414,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.276,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 956.49</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Zie hiervoor de toeslag bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Toeslag verhuiskosten</tussenkop><al>Indien een school – in afwachting van het gereedkomen van een tijdelijke
                    voorziening – elders is gehuisvest, kan de verhuizing van onderwijsleerpakket en
                    meubilair naar de nieuwe accommodatie worden bekostigd.</al><al>Voorts kan bekostiging van de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair
                    plaatsvinden indien op verzoek van het college een verhuizing plaatsvindt naar
                    een andere tijdelijke voorziening, voor zover die niet in de nabijheid van de te
                    verlaten voorziening is gelegen</al><tussenkop>2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m². Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="40*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="36*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/ VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 138.052,41</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 240,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 125.409,62</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 312,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-/VSO-esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 116.860,29</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 155,30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 165.848,02</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 296,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 105.759,34</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 146,05</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 124.508,51</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 284,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 104.116,75</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 123,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 101.627,95</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 142,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 102.526,33</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 154,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 126.064,92</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 126,33</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal bedraagt </al><al>€ 7.476,92. </al><tussenkop>2.5 Gymnastiek</tussenkop><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m<sup>2</sup> bedraagt € 693.590,76
                    schoolterrein) en € 707.619,04 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Voor LG-scholen en MG-scholen met een
                    LG- of MLK/ZMLK-component is er een toeslag van 50 m<sup>2</sup> (grotere entree
                    en kleed- en doucheruimte). Met deze toeslag is een bedrag gemoeid van €
                    69.577,18.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven. Indien extra
                    ruimte voor LG en MG-scholen van 50 m<sup>2</sup> beschikbaar is gesteld, geldt
                    een hogere toeslag. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 13.950,81</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 17.589,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.231,92</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.360,75</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.010,39</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 35.059,22</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m<sup>2</sup>. Bij kleine gymnastiekzalen,
                    waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m<sup>2</sup> of minder, kan
                    de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m<sup>2</sup>.
                    Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m²</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 161.147,05</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m²</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 195.896,37</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m²</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.245,54</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.809,46</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 10.817,62</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 13.518,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 17.685,63</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 22.107,03</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>OLP/meubilair</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal voor (voortgezet) speciaal onderwijs ziet er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="48*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Schoolsoort</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 41.257,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 41.015,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 49.654,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 54.392,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.013,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.013,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.933,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.369,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 49.631,30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 59.045,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 60.574,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 47.670,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 47.670,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 42.554,61</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 50.089,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 53.695,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 61.273,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 62.223,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51.733,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51.733,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 43.037,49</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Vervoer</tussenkop><al>Indien leerlingen gebruik moet maken van een gymnastiekruimte, die gelegen is op
                    een loopafstand van meer dan 600 meter van het lesgebouw, waarin de betreffende
                    leerlingen is gehuisvest zijn, verzorgt de gemeente het vervoer van deze
                    leerlingen. </al><al>3School voor voortgezet onderwijs</al><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in:</al><al>– nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</al><al>– tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</al><al>– eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3); en</al><al>– gymnastiek (paragraaf 3.4).</al><tussenkop>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding</tussenkop><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.
                    Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie
                    voor de vaststelling van het bedrag voor de component ‘aanpassing’ deel B).</al><al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal
                    kostencomponenten:</al><al>– kosten van terreinen;</al><al>– bouwkosten.</al><tussenkop>Kosten van terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein (bouwrijp)om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal,
                    alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de
                    vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een
                    vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                    sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen
                    per m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van
                    een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de
                    hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in
                    Bijlage III, deel B.</al><al>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m<sup>2</sup>
                    bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede
                    een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen
                    sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk
                    opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m<sup>2</sup>
                    bruto-vloeroppervlakte.</al><al>De bedragen zijn opgenomen in onderstaande tabel met vaste bedragen per
                    m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor de
                    berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de
                    benodigde aantallen m<sup>2</sup> per type ruimte van de goedgekeurde
                    huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C,
                    vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                    vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de
                    algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                    werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis
                    van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                    de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke
                    kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten.</al><al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="18*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460 m²</al></entry><entry colname="col3"><al>460&lt;2500 m²</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt;=2500 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.766,42</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.048,32</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.023,20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.725,29</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.395,62</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.395,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.095,03</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.765,36</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.765,36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Definities algemene en specifieke ruimte</al><al>a.Specifieke ruimte:</al><al>– (uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde,
                    uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al><al>– handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren.</al><al>b.Werkplaatsen:</al><al>– techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                    elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek;</al><al>– consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al><al>– grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al><al>– landbouw: groenpraktijk.</al><al>c.De overige ruimte is algemene ruimte.</al><al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 460 &lt; 2500 m²</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt;= 2500 m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 111.457,39</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 111.457,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 218.782,42</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 305.470,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet werkplaatssectie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 40.453,60</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 40.453,60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tot de werkplaatsen behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek, machinale
                    houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek, grafische
                    techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                    motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                    algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en
                    tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen.</al><tussenkop>Aanvullende normvergoeding</tussenkop><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een
                    standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen
                    extra kosten optreden. Voor een tweetal aspecten, te weten fundering en
                    bemaling, wordt een aanvullende normvergoeding ter beschikking gesteld. </al><al>In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal.
                    In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor
                    toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen
                    sonderingsrapport.</al><al>De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de
                    bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de
                    hand van de volgende formules:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>vaste voet</al></entry><entry colname="col3"><al>per m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.249,13</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 17,05</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.459,12</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 28,84</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.861,99</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 51,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m²</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.967,78</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 5,97</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 5.175,32</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 15,50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.859,15</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 31,33</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per
                    m<sup>2</sup> goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt
                    € 11,07 per m<sup>2</sup> terrein.</al><tussenkop>Toeslag verhuiskosten</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat een school voor voortgezet onderwijs geheel of
                    gedeeltelijk moet verhuizen. In de navolgende situaties zal een vergoeding in de
                    kosten van verhuizing worden verstrekt:</al><lijst><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw op hetzelfde terrein: indien het college
                            tijdelijke vervangende huisvesting noodzakelijk acht worden de kosten
                            van verhuizing van de inventaris naar een tijdelijke verhuizing en weer
                            terug vergoed;</al></li><li nr="-"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikname van een ander gebouw: indien aan
                            een school toestemming is verleend voor gehele of gedeeltelijke
                            ingebruikname van een ander gebouw, kunnen de kosten van verhuizing van
                            de inventaris naar dat gebouw worden vergoed.</al></li></lijst><tussenkop>3.2 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>Bij een tijdelijke voorziening kan een onderscheid worden gemaakt tussen
                    noodlokalen en semi-permanente lokalen (bijvoorbeeld IFD-bouw). Voor
                    semi-permanente lokalen is Deel B. van toepassing.</al><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening noodlokalen in het
                    voortgezet onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het
                    type voorziening.</al><al>De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden:</al><al>– nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al><al>– huur van tijdelijke lokalen.</al><tussenkop>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen</tussenkop><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                    noodlokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule:</al><al>€ 562,09 * A + € 38.644,96</al><al>A = het toegekende aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke
                    huisvesting. </al><al>Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe
                    en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden
                    bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder
                    meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief
                    fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.</al><tussenkop>3.3 Eerste inrichting leer en hulpmiddelen en meubilair</tussenkop><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij
                    uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts
                    van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                    ontbreekt dan wel niet geschikt is.</al><al>De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt
                    gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype en de te realiseren bruto vloeroppervlakte per
                    ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in
                    onderstaande tabel genoemde bedragen.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="21*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>€ 159,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/ mode en commercie</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 372,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 227,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 305,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 390,79</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Consumptief</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 756,79</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Grafische techniek</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.446,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte:</al><al>– (uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde,
                    uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al><lijst><li nr="–"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren;</al></li><li nr="–"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li></lijst><al>Werkplaatsen:</al><al>– techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                    elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek;</al><al>– consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al><al>– grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al><al>– landbouw: groenpraktijk;</al><al>De overige ruimte is algemene ruimte. </al><tussenkop>3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m<sup>2</sup> bedraagt € 693.590,76
                    (schoolterrein) en € 707.619,04 (op afzonderlijk terrein). </al><al>De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en
                    ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De
                    kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="66*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 13.950,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.231,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.010,39</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal</tussenkop><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van
                    een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd:</al><al>a Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet onderwijs
                    wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het klokuurbedrag
                    vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de vergoeding
                    wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                    het primair onderwijs. </al><al> Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt
                    gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed
                    voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de gymnastiekruimte
                    vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de
                    VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel
                    van het klokuurbedrag te vergoeden. </al><al>b Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de school
                    voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan exploitatiekosten
                    verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de hoogte van de vergoeding
                    wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                    het primair onderwijs.</al><al>c Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                    gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                    (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan de
                    school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De hoogte van
                    deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het
                    vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor
                    de hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                    deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                    onderdeel 'Vergoeding per klokuur' gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het op
                    deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale vaste
                    deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs moet
                    vergoeden.</al><tussenkop>Huur sportvelden</tussenkop><al>De gemeente vergoedt aan een school de door de eigenaar van het sportterrein in
                    rekening gebrachte huur, onder aftrek van een eigen bijdrage van € 7,97 per
                    lesuur. Uitbetaling van de vergoeding vindt plaats op basis van een declaratie
                    door de school.</al><tussenkop>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair</tussenkop><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat
                    aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                    medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. </al><al>De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="col3"><al>L.h.m</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.092,67</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 65.158,35</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 66.251,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.092,67</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 50.828,46</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 51.921,13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.092,67</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 22.097,84</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 23.190,51</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>€ 14.390,11</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 14.390,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.661,14</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.661,14</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>4. Indexering</tussenkop><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn geïndexeerd naar het prijspeil van
                    2016. Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsontwikkeling in het
                    afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen
                    van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma
                    bekendgemaakt.</al><tussenkop>Werkelijke prijsontwikkeling</tussenkop><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling
                    tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen
                    aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het CBS-indexcijfer ‘Nieuwbouwprijzen van woningen’, outputindex
                    2000=100 (inclusief btw),gepubliceerd in de ‘Maandstatistiek bouwnijverheid’ van
                    het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar.</al><al>Voor de voorzieningen eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de
                    klokuurvergoeding gymnastiek worden als prijsbijstellingscijfer aangehouden het
                    verschil tussen CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens’
                    (NR-reeks), gepubliceerd in de ‘Maandstatistiek van het CBS over de maand juli
                    van het lopende jaar en de maand juli van het voorafgaande jaar.</al><al>Indien de CBS-indexcijfers 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100 over het
                    tweede kwartaal van het lopende jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                    CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende èn het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><tussenkop>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</tussenkop><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) ‘bruto investeringen door bedrijven
                    in woningen’, zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer ‘prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie’, zoals
                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><tussenkop>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</tussenkop><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                    vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten. Als uitgangspunt geldt dat, afgezien van de eisen die in
                    het kader van het gemeentelijk aanbestedingsbeleid worden gesteld, ten minste
                    twee offertes gevraagd moeten worden.</al><al>Schades</al><al>De afhandeling van schades aan gebouwen en inrichting dient plaats te vinden
                    conform de door het college op 3 november 1998, en nadien gewijzigd,
                    vastgestelde schadeprotocollen.</al><al>De richtlijnen voor aanbesteding van deze opdrachten zijn nader uitgewerkt in de
                    Beleidskader Inkoop en Aanbesteding 2013. </al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de
                        aangevraagde voorziening</titel></kop><tussenkop>1. Algemeen</tussenkop><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde
                    bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in
                    aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op basis
                    van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen
                    waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna
                    wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is
                    en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die
                    niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</al><tussenkop>2. Onderscheid voorzieningen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in
                            voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="b."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder
                            hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="c."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing,
                                    inclusief terrein;</al></li><li nr="d."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket, meubilair en/of leer-
                                    en hulpmiddelen;</al></li><li nr="f."><al>uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket, meubilair
                                    en/of leer- en hulpmiddelen, en</al></li><li nr="g."><al>medegebruik.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder
                            hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief
                                    terrein;</al></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw
                            valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening
                            gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit en de
                            vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan het
                            criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder 1.2.</al></li></lijst><tussenkop>3. Hoofd- en subprioriteit</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een
                            onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.</al></li><li nr="2."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste
                            lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld
                            overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen omvatten zowel de
                            schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="3."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet
                            worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om op het
                            programma te worden geplaatst. Dit vindt plaats op basis van het
                            vaststellen van de sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de
                            volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke
                            voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking
                            komen:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met
                                    herschikking van schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder
                                    herschikking van schoolgebouwen, en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en
                                    sportterreinen opheft.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                    Tilburg 2016</tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Een belangrijk in de wet verankerd uitgangspunt bij de uitvoering van de aan de
                    gemeente overgedragen huisvestingstaak is dat het openbaar en bijzonder
                    onderwijs op gelijke voet worden behandeld. Dit uitgangspunt komt ook tot uiting
                    te komen in de verordening. Het gemeentebestuur past bij de uiteindelijke
                    beslissingen over de huisvesting voor alle schoolbesturen dezelfde normen,
                    criteria etc. toe. Ook in procedurele zin is sprake van een volstrekt gelijke
                    behandeling. Als concreet voorbeeld kan genoemd worden dat de indieningsdatum
                    voor aanvragen en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen voor alle
                    schoolbesturen dezelfde zijn. </al><al>Om de gelijke behandeling over de volle breedte te waarborgen is ervoor gekozen
                    om onder de begripsomschrijving van ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ alle
                    schoolbesturen te vatten die een volgens de wet bekostigde onderwijsvoorziening
                    in stand houden die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is op het grondgebied van
                    de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, dislocatie). Er is dus geen
                    onderscheid gemaakt tussen openbaar (in welke bestuursvorm dan ook) en bijzonder
                    onderwijs.</al><al>In de Tilburgse situatie betekent dit dat de stichtingen voor openbaar
                    basisonderwijs en openbaar voortgezet onderwijs gehouden zijn aan dezelfde
                    procedures en termijnen als een bestuur van een bijzondere school.</al><tussenkop>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</tussenkop><al>De omschreven voorzieningen geven niet alleen aan wat kan worden aangevraagd,
                    maar ook wat er door de gemeente (anderszins) kan worden toegewezen.
                    Voorzieningen die worden gewenst, maar die niet onder de omschrijving van dit
                    artikel kunnen worden gebracht, vallen buiten het bereik van deze verordening.
                    Louter op deze grond kan de gemeente een dergelijke voorziening weigeren. Dit
                    sluit ook aan op de in de wet opgenomen weigeringsgrond dat een voorziening
                    wordt geweigerd indien het geen voorziening in de huisvesting is in de zin van
                    de wet (zie bijvoorbeeld artikel 100, eerste lid, onder a WPO).</al><al>De benoemde activiteiten die wel als zodanig zijn aangemerkt, hebben daarmee een
                    limitatief karakter. Uiteraard heeft iedere gemeente de vrijheid tot verruiming
                    van de opgesomde activiteiten over te gaan, maar dus niet tot inperking.</al><al>In artikel 2 zijn de in de wet globaal aangeduide voorzieningen in de
                    huisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 92 WPO) nader gespecificeerd. Op dit punt
                    onderscheidt het zich van de in artikel 1 verklaarde begrippen.</al><al>Ad </al><al>1o Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al><al>2o Ingevolge het bepaalde in bijlage I gaat het bij uitbreiding in het primair
                    onderwijs om een noodzakelijke uitbreiding voor de huisvesting van minimaal een
                    bepaald aantal vierkante meter. </al><al>3o Ingebruikneming komt als term voor een voorziening in de huisvesting in de
                    wet niet voor, maar wordt daar aangeduid met ‘bestaand gebouw of een gedeelte
                    daarvan’. Het kan daarbij gaan om zowel een onderwijsgebouw dat geheel leegstaat
                    als een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming worden de gebouwen bestemd
                    voor onderwijsdoeleinden. Bij gedeeltelijke leegstand in schoolgebouw waarvan
                    een andere school gebruikt maakt is er sprake van medegebruik.</al><al>4o Verplaatsing is beperkt tot noodlokalen vanwege de aard van een gebouw (men
                    kan zich in de praktijk weinig voorstellen bij een verplaatsing van een
                    permanent gebouw, dan is er sprake van vervangende nieuwbouw). </al><al>5o Toekenning van terrein voor de realisering van de bouw of uitbreiding van een
                    onderwijsgebouw is geen automatisme zoals voor de decentralisatie in het primair
                    onderwijs het geval was. Een toekenning van terrein vindt nu alleen nog maar
                    plaats wanneer de grond nodig is voor de feitelijke realisering van de
                    huisvestingsvoorziening.</al><al>6o/7o Vanaf 2010 worden er geen afzonderlijke bedragen meer toegekend voor
                    onderwijsleerpakket en meubilair. Er is voortaan sprake van een vast bedrag en
                    een bedrag per m² bruto vloeroppervlakte.</al><al>De afwijkende terminologie voor het voortgezet onderwijs (leer- en hulpmiddelen)
                    vloeit voort uit de wet.</al><al>8o Medegebruik beperkt zich in principe tot schoolgebouwen die reeds in gebruik
                    zijn bij primair en voortgezet onderwijs. Onder medegebruik valt tevens het
                    gebruik van een gymnastiekaccommodatie die eigendom is van een andere school of
                    de gemeente. Voor de baden geldt het volgende: Voor een bad voor
                    bewegingstherapie: een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen of
                    meervoudig gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap. Voor een bad
                    voor watergewenning: een school voor zeer moeilijk lerende kinderen of
                    meervoudig gehandicapte kinderen.</al><al>Ad d </al><al>Voor het begrip constructiefouten is een ‘definitie’ geformuleerd, gebaseerd op
                    de in het verleden hierover gevormde jurisprudentie. Als een constructiefout een
                    directe belemmering vormt voor de voortgang, kan het herstel van de fout op
                    grond van de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden aangevraagd. Kan het
                    herstel van de fout wel uitstel dulden dan is de mogelijkheid tot het aanvragen
                    van plaatsing van een voorziening op het programma de meeste geëigende
                    procedure. In dat laatste geval zijn de gewone urgentiecriteria alsmede de
                    financiële weigeringsgrond van toepassing. </al><al>Ad e </al><al>De bijzondere omstandigheden zoals genoemd in de wet zijn in de verordening niet
                    nader uitgewerkt, aangezien dergelijke omstandigheden zich niet uitputtend laten
                    beschrijven. Wel is in de wet bepaald dat de gemeente een
                    huisvestingsvoorziening kan weigeren indien de voorziening nodig is voor herstel
                    van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag (zie
                    bijvoorbeeld artikel 100, tweede lid WPO).</al><al>De aanduiding in de wet dat herstel en vervanging in verband met schade aan een
                    gebouw geldt als een huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling van
                    deze voorziening dient te verlopen via de reguliere procedure van het programma
                    of via de spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet altijd geschikt zijn
                    voor de afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van schade is meestal
                    spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine schadegevallen (bijvoorbeeld
                    glasschade) de reguliere procedure te zwaar en te omslachtig is.</al><al>In de Tilburg vindt daarom de afhandeling van schades plaats op basis van het
                    door het college vastgestelde schadeprotocol.</al><al>Ad f </al><al>Evenals voor invoering van de decentralisatie het geval was, kan aan een
                    schoolbestuur in het voortgezet onderwijs onder bepaalde voorwaarden een
                    vergoeding worden toegekend voor het huren van een sportterrein voor
                    buitensportactiviteiten. </al><tussenkop>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</tussenkop><al>De wet biedt het college de mogelijkheid om, naast de toewijzing en vergoeding
                    van de huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat daarom verzoekt
                    een vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de voorbereiding (van de
                    aanvraag) van de huisvestingsvoorziening.</al><al>In artikel 3 wordt hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt dat
                    een gemeente de mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen die naar
                    aard en (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral worden gedacht
                    aan voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Deze
                    voorzieningen vergen doorgaans de meeste voorbereidingstijd en kosten in het
                    kader van de bouwplanontwikkeling.</al><al>In hoofdstuk 4 van de verordening wordt de aanvraag- en besluitvormingsprocedure
                    voor de bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij is uitgegaan van een – ook in
                    tijd bezien – gelijkschakeling met de aanvraagprocedure voor opneming van een
                    huisvestingsvoorziening in het programma. Formeel is het evenwel een gescheiden
                    traject, omdat de vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding in de zin der
                    wet géén voorziening in de huisvesting is en derhalve ook geen onderdeel van het
                    huisvestingsprogramma kan zijn.</al><tussenkop>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel vormt de ‘kapstok’ op basis waarvan de vergoeding wordt vastgesteld
                    voor de door de gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte
                    huisvestingsvoorzieningen in het kader van de programmavaststelling, de
                    spoedprocedure, de bouwvoorbereiding of het overgangsrecht. Ten aanzien van de
                    in de artikelen 2 en 3 onderscheiden voorzieningen wordt hier de grondslag van
                    de vergoeding gelegd. </al><al>In dit artikel wordt dus bepaald voor welke voorzieningen in de verordening een
                    normvergoeding wordt opgenomen en voor welke voorzieningen een vergoeding op
                    basis van een offerte wordt toegekend.</al><al>Het onderbrengen van een van de hiervoor genoemde voorzieningen in een
                    genormeerde benadering brengt met zich mee dat daarvoor door de gemeente in
                    bijlage IV, deel A, een genormeerde vergoeding moet worden vastgesteld.</al><al>Anders dan bij de vooraf genormeerde vergoeding het geval is, begint de
                    offertelijn met een door de aanvrager bij de aanvraag van de gewenste
                    huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de kosten. De gemeente toetst
                    deze raming en stelt deze zo nodig bij. Het bedrag van de al dan niet
                    bijgestelde raming is vervolgens een gegeven in het kader van de vaststelling
                    van het huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele uitvoering van de
                    voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het programma, kan de raming op
                    basis van over te leggen offertes worden omgezet in een definitieve vaststelling
                    van de vergoeding die de gemeente ter beschikking stelt van de aanvrager.</al><tussenkop>Artikel 5 Informatieverstrekking</tussenkop><al>Dit artikel is de concrete uitwerking van de informatiebepaling uit de wet. Deze
                    bepaalt dat een bevoegd gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient te
                    verschaffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een adequate uitvoering van
                    de bevoegdheden terzake van de onderwijshuisvesting (zie bijvoorbeeld artikel
                    112 WPO).</al><al>Het informatieverkeer dient gekenmerkt te worden door een zekere
                    terughoudendheid bij de lokale overheid, in die zin dat de te verstrekken
                    informatie ook een aantoonbare functie vervult in het licht van de gemeentelijke
                    zorg voor de huisvesting. Verstrekking van informatie waarbij een dergelijke
                    functie niet kan worden aangetoond, dient achterwege te blijven.</al><tussenkop>Artikel 6 Indiening aanvraag</tussenkop><tussenkop>(Indienings)termijnen</tussenkop><al>In de algemene toelichting op de verordening is in paragraaf 6.3 de procedure
                    (koppeling aan gemeentelijke begrotingscyclus en het daaraan ontleende tijdpad)
                    uitgebreid beschreven. De in de verordening vermelde data zijn zodanig gekozen,
                    dat de besturen voldoende tijd hebben om op basis van een nieuwe prognose een
                    aanvraag te formuleren en er voor de gemeente voldoende voorbereidingstijd is om
                    te komen tot een zorgvuldige vaststelling van het programma. </al><al>De verordening geeft het college de mogelijkheid om een aanvraag in behandeling
                    te nemen na ontvangst van de genoemde datum. Wanneer de aanvraag zo laat wordt
                    ingediend, dat hij niet meer behandeld kan worden meegenomen bij de interne
                    begrotingsvoorbereiding zal het college besluiten de aanvraag niet te
                    behandelen.</al><al>Het buiten behandeling laten van de aanvraag betekent dat de aanvraag niet door
                    het college verder wordt betrokken bij van de voorbereiding van het programma en
                    het overzicht en dus ook niet bij het uiteindelijke besluit over het
                    huisvestingsprogramma. </al><tussenkop>Geen indiening aanvragen overzicht in het kader van meerjarig
                    huisvestingsbeleid (het zgn. ‘consensusmodel’)</tussenkop><al>In artikel 6 is de mogelijkheid van indiening van aanvragen beperkt tot die voor
                    het programma. De reden hiervan is dat de wetgeving slechts van deze
                    mogelijkheid uitgaat. De wetgever heeft niet voorzien in een mogelijkheid van
                    indiening van een aanvraag voor het overzicht. Dit hangt samen met de functie
                    die de wetgever aan het overzicht toekent (zie bijvoorbeeld artikel 96 WPO). Bij
                    de parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt: ‘Het overzicht
                    [...] bevat slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van niet door de
                    gemeente in stand gehouden scholen en gewenste huisvestingsvoorzieningen van
                    door de gemeente in stand gehouden scholen die niet in het eerste jaar kunnen
                    worden gerealiseerd. De plaatsing op het overzicht kan bijvoorbeeld het gevolg
                    zijn van het feit dat het voor nieuwe voorzieningen vastgestelde budget niet
                    toereikend is dan wel dat de aangevraagde voorziening geen
                    huisvestingsvoorziening in de zin van de wet en/of gemeentelijke verordening is.
                    De enige reden dat bedoeld overzicht dient te worden gepubliceerd, is
                    informatieverstrekking van scholen om te kunnen inschatten of een aanvraag in
                    een volgend jaar een kans van slagen heeft. Het is derhalve niet bedoeld als
                    huisvestingsplan.’ (TK 1995-1996, 24 455, nr.7).</al><al>Geconstateerd kan worden dat de wetgever geen kaders heeft willen stellen of
                    instrumenten in de wet heeft opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen kan
                    ‘dwingen’ om ten aanzien van de huisvesting te handelen in het licht van een
                    meerjarig perspectief. Met dit laatste wordt bedoeld dat op lokaal niveau sprake
                    is van een voortschrijdende meerjarige planning van huisvestingsvoorzieningen,
                    waarbij een koppeling is gelegd met de gemeentelijke meerjarenbegroting. Zo’n
                    meerjarige planning kan gebaseerd zijn op:</al><al>– een inventarisatie van de wensen ten aanzien de huisvesting (op basis van
                    prognoses; woningbouwplanning; verschuiving in leerlingstromen en
                    voedingsgebieden; meerjarige onderhoudsplannen e.d.);</al><al>– een aangebrachte prioritering in de wensen, tot uitdrukking komend in het
                    vermoedelijke tijdstip van daadwerkelijke bekostiging;</al><al>–een koppeling met de financiële mogelijkheden in het kader van de
                    meerjarenbegroting.</al><al>Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat zeker in het primair onderwijs een
                    dergelijk meerjarige aanpak op lokaal niveau steeds meer ingang vindt, in de
                    vorm van ‘integrale huisvestingsplannen’ en plannen voor het meerjarig
                    onderhoud. Niet verwonderlijk omdat:</al><al>– het een efficiënte aanwending van de gebouwenvoorraad bevordert (saneren van
                    zowel voor gemeente als schoolbesturen kostbare leegstand; capaciteit creëren of
                    in stand houden op die locaties waar de behoefte aanwezig is);</al><al>– gemeente en schoolbestuur meer houvast wordt gegeven over de richting van het
                    huisvestingsbeleid. Behoudens onvoorziene omstandigheden vormt het programma het
                    (jaarlijkse) formele sluitstuk van de bekostiging van voorzieningen die op zich
                    reeds enige tijd werden voorzien en waarmee rekening was gehouden.</al><al>Zoals gezegd kan een dergelijke benadering ingevolge de wet niet worden
                    afgedwongen. Dit laat natuurlijk onverlet dat de gemeente een dergelijke aanpak
                    effectueert, indien daarover overeenstemming bestaat met de schoolbesturen (al
                    dan niet per onderwijssoort). In aanvulling op hetgeen hierover al is opgemerkt
                    in de algemene toelichting plaatst een dergelijk ‘consensusmodel’ de werking van
                    de verordening in een ander daglicht. De verordening met al zijn normen en
                    criteria is dan meer iets dat de gemeente achter de hand heeft in het geval het
                    consensusmodel niet (meer) werkt. De verordening verkrijgt hiermee meer een
                    ‘vangnetfunctie’. Daarnaast houdt de verordening zijn formele functie voor wat
                    betreft de uiteindelijke toekenning van voorzieningen door middel van plaatsing
                    op het programma. Het gaat daarbij om het (jaarlijks) formaliseren van de in het
                    kader van het consensusmodel gemaakte afspraken, voor zover volgens deze
                    afspraken de voorzieningen in het betrokken jaar aan bod dienen te komen.
                    Hiermee vindt de uiteindelijke toekenning en bekostiging plaats met inachtneming
                    van de door de wetgever gestelde kaders.</al><al>Het inhoudelijke zwaartepunt van het lokaal gevoerde huisvestingsbeleid ligt
                    echter vast in de afspraken over het ‘integraal huisvestingsplan’, die jaarlijks
                    worden herijkt. De inhoud en duur van de afspraken zal verschillen naargelang de
                    lokale omstandigheden.</al><al>Er is van af gezien om in de verordening (facultatieve) bepalingen op te nemen
                    in het geval op lokaal niveau een planmatige aanpak wordt overeengekomen. Dit is
                    gedaan vanuit de notie dat wanneer men overeenstemming weet te bereiken over een
                    dergelijke aanpak, inclusief afspraken over de effectuering in het kader van de
                    vaststelling van het programma, men ook zelf invulling geeft aan de vormgeving
                    van deze afspraken. Gezien het tweezijdige karakter van deze afspraken is het
                    opnemen van bepalingen in de verordening daarvoor niet de aangewezen weg.
                    Daarbij kan sterk getwijfeld worden aan de rechtskracht van dergelijke
                    bepalingen, indien (onverhoopt) een van de partijen af wil van de op vrijwillige
                    basis gemaakte afspraken en zich daarbij beroept op de formele wettelijke
                    kaders.</al><tussenkop>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                    behandelen onvolledige aanvraag</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit lid bevat een opsomming van enkele basisgegevens die bij elke aanvraag
                    moeten worden vermeld. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In dit lid is een aantal specifieke aanvullende gegevens opgenomen dat,
                    afhankelijk van de voorziening die wordt aangevraagd, moet worden overgelegd. </al><al>Een bouwkundige opname is aan de orde wanneer het relevant is om bij de
                    beoordeling van een huisvestingsverzoek vast te stellen of vervangende nieuwbouw
                    van een gebouw inderdaad noodzakelijk is. De bouwkundige rapportage dient een
                    tweeledig doel:</al><al>a vaststelling van de noodzaak voor vervanging;</al><al>b vaststelling van de mate van urgentie.</al><tussenkop>Lid 3–5 </tussenkop><al>Met de in deze leden geformuleerde bepalingen wordt nader invulling gegeven aan
                    het bepaalde in artikel 4:5 Awb. De geboden mogelijkheid om aanvullend gegevens
                    aan te leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen mogelijkheid om als
                    bestuursorgaan (in casu het college) een aanvraag buiten behandeling te laten in
                    verband met onvoldoende verstrekte gegevens en bescheiden. De Awb kent nadere
                    bepalingen die het bestuursorgaan daarbij in acht moet nemen. Zo moet het
                    besluit om de aanvraag niet te behandelen binnen vier weken nadat de aanvraag is
                    aangevuld of wanneer de termijn die voor de aanvulling is gegeven ongebruikt
                    verstreken is, aan de aanvrager bekend gemaakt te worden.</al><al>De bevoegdheid die burgemeester en wethouders wordt toegekend om incomplete
                    aanvragen niet te behandelen, heeft als praktisch voordeel dat dergelijke
                    aanvragen in een eerder stadium kunnen worden afgehandeld. Het college hoeft
                    zich in het kader van de vaststelling van het programma alleen te buigen over de
                    inhoud van volledige aanvragen en zich niet met vormfouten rond incomplete
                    aanvragen bezig te houden. Dit komt ook overeen met de huidige
                    bestuurspraktijk.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>In enkele specifieke gevallen is het noodzakelijk om het resultaat van de
                    wettelijke teldatum van 1 oktober ‘onverwijld’ door te geven aan de gemeente.
                    Dit omdat het resultaat – en de daarmee samenhangende behoefte aan
                    huisvesting(scapaciteit) – van direct belang is voor de beoordeling van de
                    noodzaak van een aangevraagde voorziening en daarmee van het al dan niet opnemen
                    van de voorziening op het programma.</al><al>In concreto betreft het hier aanvragen voor tijdelijke voorzieningen in de
                    huisvesting in het (school)jaar dat volgt op de programmavaststelling. Zo zal
                    bijvoorbeeld de noodzaak van een extra noodlokaal aan het begin van het
                    schooljaar doorgaans bepaald worden door het leerlingaantal en het daarmee
                    samenhangende ‘ruimtebeslag’ op de teldatum van 1 oktober daarvoor. De noodzaak
                    van de tijdelijke voorziening is daarmee afhankelijk van het resultaat op de
                    teldatum. Aangezien dit essentieel is voor de uiteindelijke beoordeling door het
                    college, is de bepaling in het vierde lid opgenomen. Evenals het geval is bij
                    andere in de verordening opgenomen termijnen is ook hier gekozen voor het werken
                    met een fatale termijn. Daarbij is het college het bestuursorgaan dat beslist om
                    een aanvraag niet te behandelen wanneer de vereiste gegevens niet of te laat
                    worden verstrekt.</al><al>Er is nog een andere mogelijkheid denkbaar, namelijk dat achteraf wordt
                    geconstateerd dat uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening
                    wegens gewijzigde omstandigheden (in casu een tegenvallend resultaat van de
                    leerlingtelling) geen doorgang vindt (zie bijvoorbeeld artikel 16, derde lid).
                    Met deze mogelijkheid moet men bij voorkeur terughoudend omgaan, zeker wanneer
                    de gewijzigde omstandigheid zich nog aan de vooravond van de
                    programmavaststelling manifesteert en er in procedureel opzicht rekening kan
                    gehouden met deze mogelijkheid.</al><tussenkop>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                    begroting</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Deze bepaling is met name opgenomen om de mogelijkheid een nadere
                    toelichting/verduidelijking te vragen of te geven over de op zich complete
                    aanvragen in tijd bezien te beperken. Dit gebeurt met het oog op een effectief
                    verloop van de verdere procedure op weg naar de vaststelling van het programma.
                    Met deze bepaling wordt bijvoorbeeld voorkomen dat het overleg als bedoeld in
                    artikel 10 onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de
                    aanvragen.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Ten aanzien van een voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding ingevolge
                    artikel 4, derde lid, laatste volzin, gebaseerd wordt op de werkelijke kosten
                    zal in eerste aanleg worden gewerkt met een raming van de kosten. De bepaling in
                    dit lid regelt dat er overleg plaatsvindt tussen de aanvrager en het college
                    indien de gemeente daartoe aanleiding ziet in de door de aanvrager overgelegde
                    begroting. Het college kan na toetsing van deze raming van oordeel zijn dat de
                    begroting op een of meer onderdelen bijstelling behoeft. </al><al>Uiteindelijk bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten zoals deze, al
                    dan niet bijgesteld, wordt voorgesteld in het kader van de vaststelling van het
                    gemeentelijk huisvestingsbudget en het daaruit voortkomende programma.</al><tussenkop>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies
                    Onderwijsraad</tussenkop><al>Met deze leden wordt de in de wet opgenomen verplichting ingevuld dat de
                    gemeente niet dan na overleg met het onderwijsveld overgaat tot de vaststelling
                    van een huisvestingsprogramma.</al><al>Onder het overleg is ook vervat de hoorplicht ingevolge de AWB van de
                    aanvragers. Omdat de aanvrager bepaalt hoe hij gehoord wil worden, moet
                    gelegenheid worden gegeven om de</al><al>standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken. Gezien het karakter van het
                    overleg (met alle bevoegde gezagsorganen) moeten degenen die wel aan het overleg
                    deelnemen weten wat de schriftelijke standpunten inhouden, zodat ze daar
                    eventueel op kunnen reageren.</al><al>Overigens verdient het aanbeveling om in het overleg dat voorafgaat aan de
                    vaststelling van de verordening na te gaan hoe dit overleg praktisch het best
                    kan worden ingericht. Zo is het</al><al>bijvoorbeeld denkbaar om voor gemeenten die beschikken over een breed spectrum
                    van</al><al>onderwijssoorten, het overleg per sector in te richten (primair en voortgezet
                    onderwijs).</al><al>Daarnaast kan worden vastgesteld of het hier bedoelde overleg over de
                    onderwijshuisvesting ingebed wordt in een mogelijk breder gestructureerde
                    overlegvorm in het kader van het lokaal onderwijsbeleid.</al><tussenkop>Lid 5-9</tussenkop><al>De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een bevoegd
                    gezag</al><al>de gemeente daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit eigen beweging
                    hiertoe</al><al>overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 102, lid 6 WPO). De Onderwijsraad brengt
                    binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt tegelijkertijd met het
                    programma bekend gemaakt. Op de advisering door de Onderwijsraad is van
                    toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is geregeld in de AWB. In dit
                    verband is met name het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en
                    artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid het college
                    het programma vaststellen indien de Onderwijsraad het advies niet binnen vier
                    weken uitbrengt.</al><al>Op grond van artikel 3:7 is de gemeente gehouden, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens</al><al>beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van
                    advies.</al><al>Wanneer het college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden ingevolge
                    artikel 3:50 AWB de redenen daarvan vermeld in de motivering.</al><al>In de leden 5 t/m 9 is in procedurele zin aangegeven op welke wijze de
                    Onderwijsraad kan</al><al>worden ingeschakeld voor het inwinnen van advies over de vaststelling van
                    het</al><al>huisvestingsprogramma in relatie tot de aspecten van de vrijheid van richting en
                    vrijheid van inrichting. Hierbij is aangesloten op de procedurele lijn zoals die
                    van toepassing is op de inschakeling van de Onderwijsraad bij de vaststelling of
                    wijziging van de</al><al>huisvestingsverordening.</al><al>Volgens de wet is het het college dat tijdens het overleg over het programma
                    kan</al><al>besluiten uit eigen beweging een verzoek om advies in te dienen bij de
                    Onderwijsraad.</al><al>In lid 6 is bepaald dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden
                    gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om
                    advies aan de</al><al>Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat is dat
                    duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen om
                    zich tot de Onderwijsraad te wenden.</al><al>Deze gedachtenwisseling laat uiteraard het recht van een individueel
                    schoolbestuur of van de gemeente om de Onderwijsraad in te schakelen, ook
                    wanneer de andere overlegpartners</al><al>daaraan geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen
                    dienen</al><al>schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn
                    oordeelsvorming over een</al><al>verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen betrekken.</al><al>Het is van belang dat het door hete college ingediende verzoek om advies
                    goed</al><al>gedocumenteerd is en vergezeld gaat van alle stukken die relevant (kunnen) zijn
                    voor de</al><al>adviseur (artikel 3:9 Awb). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het
                    standpunt dat de</al><al>adviestermijn van vier weken een aanvang neemt vanaf het moment waarop de
                    Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de
                    advisering.</al><al>Bij een eventuele inschakeling van de Onderwijsraad is het van belang dat de
                    gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige
                    vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het overleg waarin kenbaar werd
                    gemaakt dat een of meer van de</al><al>overlegpartners een advies van de Onderwijsraad wenste, na de zomer plaatshad.
                    Met het oog op het bepaalde in artikel 11, lid 4 verdient het dan nadrukkelijk
                    aanbeveling om zo spoedig mogelijk tot de indiening van het advies over te gaan.
                    Minstens zo belangrijk is dat, zoals hiervoor is opgemerkt, hierbij de
                    Onderwijsraad de beschikking krijgt over alle relevante stukken.</al><tussenkop>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Hier wordt de mogelijkheid geopend om desgewenst afzonderlijke bedragen vast te
                    stellen voor specifiek gemeentelijk beleid. Hierbij kan gedacht worden aan het
                    treffen van bepaalde huisvestingsvoorzieningen teneinde bepaalde
                    onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen te stimuleren, zoals bijvoorbeeld de
                    integratie tussen het basisonderwijs en delen van het speciaal onderwijs. </al><al>Het afsplitsen van een bedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen
                    kan een belangrijk instrument voor de gemeente zijn om bepaalde accenten te
                    leggen in de uitvoering van haar zorgplicht voor een adequate
                    onderwijshuisvesting. Teneinde dit instrument effectief te kunnen inzetten is
                    het wel noodzakelijk om voorafgaande aan het moment van de indiening van
                    huisvestingsverzoeken hierover aan alle schoolbesturen duidelijkheid te bieden.
                    Dit kan door bijvoorbeeld in de meerjarenbegroting voor bepaalde
                    huisvestingsvoorzieningen een apart budget op te nemen en daarbij te waarborgen
                    dat dit bedrag ook beschikbaar komt ten tijde van de vaststelling van het
                    programma. Een dergelijk deelbudget dient in combinatie met de volgorde van de
                    hoofd- en subprioriteiten zoals opgenomen in bijlage V te worden bezien.
                    Afhankelijk van de aard van de prioriteit kan een wijziging in deze volgorde
                    nodig zijn om te bewerkstelligen dat het deelbudget ook daadwerkelijk kan worden
                    aangewend voor de beoogde prioriteit in het huisvestingsbeleid. Wordt de
                    volgorde van de prioriteiten namelijk niet aangepast aan de gewenste
                    intensivering van bepaalde onderdelen van het beleid, dan bestaat de kans dat de
                    beschikbare middelen ingevolge de niet-aangepaste volgorde van urgentiecriteria
                    moeten worden aangewend voor andere voorzieningen.</al><al>Het is evident dat eventuele accenten binnen het toekenningsbeleid altijd in het
                    verlengde dienen te liggen van de gemeentelijke zorgplicht voor een adequate
                    huisvesting. Dergelijke accenten mogen met andere woorden de reguliere
                    noodzakelijke voorzieningen zoals uitbreidingen en vervangende nieuwbouw niet
                    onmogelijk maken. Voorts zullen de beleidsaccenten en de daaruit voortvloeiende
                    deelbudgetten in relatie tot een bijstelling van de prioriteiten altijd in en na
                    overleg met de schoolbesturen moeten worden aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een
                    voorgenomen wijziging in de urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een
                    wijziging van de verordening, waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf
                    moet gaan met de schoolbesturen. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Ter bescherming van de aanvragers wordt een uiterste datum binnen het lopende
                    kalenderjaar gesteld. </al><al>Het spreekt voor zich dat het college geen programma hoeft vast te stellen,
                    indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is
                    ingediend. Dit is in de wet zelf geregeld (zie bijvoorbeeld artikel 97 WPO).
                    Hetzelfde geldt voor het overzicht, met dien verstande dat de vaststelling van
                    een overzicht achterwege kan blijven wanneer alle aanvragen worden geplaatst op
                    het programma of wanneer er geen aanvragen zijn ingediend – en er dus ook geen
                    kunnen worden afgewezen. </al><tussenkop>Artikel 12 Inhoud programma</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In dit lid, dat een belangrijk onderdeel van de verordening betreft, namelijk de
                    inhoud van het huisvestingsprogramma, komt voor alle duidelijkheid tot
                    uitdrukking dat het college het programma vaststelt als resultante van de
                    toetsing aan de in de wet limitatief omschreven weigeringsgronden (zie
                    bijvoorbeeld artikel 95, derde lid WPO). Een deel van deze weigeringsgronden
                    wordt voor wat betreft hun feitelijke toepassing geoperationaliseerd via de
                    nadere regels die de verordening stelt op de onderdelen, genoemd in de tweede
                    volzin.</al><al>Zo zijn de ‘beoordelingscriteria’ een nadere invulling van de toets of de
                    aangevraagde voorziening noodzakelijk is en of de aanvraag een voorziening
                    betreft als genoemd in artikel 2 van de verordening.</al><al>De criteria voor de prognose operationaliseren de wettelijke weigeringsgrond
                    ‘dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te
                    verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen ...’</al><al>De regels over de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen doen ditzelfde ten
                    aanzien van de weigeringsgrond ‘... dat de gewenste voorziening niet
                    gerechtvaardigd is op grond van de aard en omvang van de voorzieningen waarover
                    de school reeds beschikt’.</al><al>De concrete invulling van deze regels wordt niet in de romp van de
                    modelverordening uitgeschreven, maar in de in artikel 12 genoemde bijlagen.
                    Artikel 12 vormt daarmee, zoals ook bij andere bepalingen uit de romp het geval
                    is, de kapstok voor de gedetailleerde uitwerkingen van bepaalde elementen in de
                    bijlagen.</al><al>De urgentiecriteria zijn apart gepositioneerd, omdat deze – in tegenstelling tot
                    de andere regels in het eerste lid – niet noodzakelijk bij de
                    programmavaststelling behoeven te worden toegepast. De urgentiecriteria komen
                    pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan waarvoor er budget beschikbaar
                    is.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De gemeente en schoolbesturen kunnen het wenselijk vinden om voorzieningen op
                    het programma op te nemen die volgens de criteria over de urgentie (bijlage V)
                    daar strikt genomen niet voor in aanmerking zouden komen. Indien daarover
                    consensus bestaat (uiteindelijk blijkend uit het bestuurlijk overleg over het
                    concept-programma), kan het college hiermee rekening houden bij het formuleren
                    van het huisvestingsprogramma. Om af te wijken van de urgentiebepalingen heeft
                    het college echter wel de toestemming van de raad nodig.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De zinsnede ‘voor zover van toepassing’ kan ook op de vergoeding betrekking
                    hebben. Zo zijn er voorzieningen denkbaar waarvoor het niet nodig is om een
                    bedrag beschikbaar te stellen. Hierbij kan worden gedacht aan medegebruik in een
                    (onderwijs)gebouw dat geschikt is en waaraan dus geen aanpassingen hoeven plaats
                    te vinden.</al><al>Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op het programma, kan daaruit
                    niet alleen afleiden dat de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt,
                    maar ook welke eventuele nadere voorwaarden er gelden rond ingebruikneming of
                    buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de uitbreiding van een hoofdgebouw gaat
                    gepaard met het afstoten van een dislocatie.</al><al>Wanneer de vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening op
                    normatieve wijze is vastgesteld dan kan de aanvrager ook rechtstreeks uit de
                    opneming op het programma afleiden voor welk bedrag de voorziening dient te
                    worden gerealiseerd.</al><al>Indien het gaat om een voorziening waarvan de uiteindelijk vergoeding gebaseerd
                    is op de feitelijke kosten, dan vermeldt het programma van welke raming is
                    uitgegaan. Deze raming zal vervolgens als leidraad worden gehanteerd bij de
                    vaststelling van het definitief vergoedingsbedrag aan de hand van door de
                    aanvrager in het kader van de uitvoering te overleggen offertes.</al><tussenkop>Artikel 13 Inhoud overzicht</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Een verwijzing naar artikel 12, eerste lid volstaat, omdat uit de toepassing van
                    de daar genoemde criteria blijkt of een aangevraagde voorziening op het
                    programma dan wel op het overzicht terechtkomt. Ook aangevraagde voorzieningen
                    die geen voorzieningen zijn in de zin van artikel 2 van de verordening komen op
                    het overzicht te staan.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Deze bepaling is een direct uitvloeisel van het motiveringsbeginsel.</al><tussenkop>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag, programma en
                    overzicht</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Volgens de toelichting op de wet moeten het programma en het overzicht worden
                    opgevat als een bundel van beschikkingen. Deze beschikkingen moeten uiteraard
                    ter kennis van de aanvragers worden gebracht. Ingevolge artikel 3:43 Awb dient
                    de gemeente van het besluit mededeling toe doen aan degenen die bij de
                    voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Gelet op het
                    overleg met het totale scholenveld voorafgaande aan de vaststelling van het
                    programma is er echter voor gekozen het besluit aan alle schoolbesturen toe te
                    sturen. Hierbij doet dus niet terzake of het betrokken schoolbestuur in een
                    eerder stadium een zienswijze naar voren heeft gebracht.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De wet bepaalt alleen iets over de ter inzage legging van het overzicht. Vanwege
                    de samenhang tussen bedrag, programma en overzicht ligt het voor de hand het
                    totaal ter inzage te leggen. </al><tussenkop>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 16 Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                    bekostiging; </tussenkop><tussenkop> toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; </tussenkop><tussenkop>Overlegging offertes</tussenkop><al>Dit artikel is voor een belangrijk deel een nadere uitwerking van de wettelijke
                    bepaling, waarbij een schoolbestuur dat aanspraak heeft op een vergoeding van
                    een voorziening en bij de uitvoering van de voorziening als bouwheer optreedt,
                    een bouwplan en de daarbij behorende begroting ter goedkeuring moet indienen bij
                    het college (zie bijvoorbeeld artikel 103 WPO). Tevens geeft de aanvrager
                    daarbij aan op welk moment de bekostiging een aanvang dient te nemen.</al><al>Indien in het overleg over de uitvoering, in afwijking van het uitgangspunt dat
                    de aanvrager optreedt als bouwheer, wordt afgesproken dat de gemeente het
                    bouwheerschap op zich neemt, dan is het gestelde in het eerste lid uiteraard
                    niet van toepassing.</al><al>De aanvrager moet alleen een begroting bij het bouwplan in te dienen wanneer het
                    een voorziening betreft waarvoor de vergoeding op basis van de genormeerde
                    benadering (bijlage IV, deel A) is vastgesteld. Deze begroting zal marginaal
                    getoetst worden zolang de geraamde kosten de genormeerde vergoeding niet
                    overschrijden.</al><al>Bij goedkeuring van het bouwplan en begroting stelt het college ook het tijdstip
                    vast waarop de bekostiging een aanvang neemt. Hiermee wordt uitvoering gegeven
                    aan de wettelijke opdracht om een dergelijk tijdstip vast te stellen (zie
                    bijvoorbeeld artikel 99, eerste lid WPO).</al><al>Het bepaalde in het derde lid markeert in de procedure rond de uitvoering van
                    het programma het moment waarop wordt bezien of er zich na vaststelling van het
                    programma nieuwe omstandigheden hebben aangediend, die het rechtvaardigen om de
                    aanspraak op vergoeding te herzien. Het betreft hier een nadere invulling van
                    wederom een wettelijke bepaling (zie bijvoorbeeld artikel 101 WPO in samenhang
                    met artikel 99, eerste lid WPO). Het moment is zodanig gekozen dat door de
                    aanvrager nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet, zoals bijvoorbeeld het
                    verlenen van een bouwopdracht.</al><al>De leden 5 en 6 zien op de besluitvorming over de uitvoering van aanvragen
                    waarvoor de offertelijn geldt, of anders gezegd, waarbij de feitelijke kosten
                    bepalend zijn voor de uiteindelijke vergoeding. Hierbij is geen sprake van een
                    begroting, dus ook niet van een toets daarvan. De begroting is namelijk al bij
                    de indiening van de aanvraag overgelegd en heeft toen alleen de functie gehad om
                    te komen tot een bedrag ten behoeve van de vaststelling van het programma. Bij
                    de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd,
                    nemen de offertes de rol over van de begroting.</al><tussenkop>Artikel 16a</tussenkop><al>De gemeenteraad heeft regels vastgesteld die het college in acht moet nemen bij
                    het aanbesteden van werken, leveringen en diensten. Deze regels worden in dit
                    artikel ook van toepassing verklaard op werken en leveringen die door de
                    gemeente worden bekostigd.</al><tussenkop> Artikel 17 Aanvang bekostiging</tussenkop><al>Vervallen</al><tussenkop>Artikel 18 Vervallen aanspraak op vergoeding</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De wet schrijft voor dat in de verordening een datum moet worden opgenomen, voor
                    welke een bouwopdracht moet zijn gegeven dan wel een koop- huur- of
                    erfpachtovereenkomst is gesloten. Aanvankelijk is gekozen voor 1 oktober met het
                    oog op de vaststelling van de volgende gemeentebegroting. Gegeven het feit dat
                    in de praktijk is gebleken dat deze termijn in vele gevallen tekort is, is de
                    termijn gezet op 1 oktober van het volgende jaar. De bepaling over de toezending
                    van onder meer de bouwopdracht binnen twee weken berust niet op de wet. Het is
                    echter van belang om een dergelijke bepaling op te nemen, omdat de gemeente
                    daarna actie in de richting van de aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de
                    aanvrager’ is opgenomen om duidelijk te maken dat, indien de gemeente optreedt
                    als bouwheer en de termijn wordt overschreden, er geen sprake is van het
                    vervallen van het recht op een vergoeding. De aanvrager heeft dan immers recht
                    op een voorziening. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Deze hardheidsclausule is, in aanvulling op de wet, opgenomen, omdat het
                    denkbaar is dat, bijvoorbeeld door ruimtelijke ordeningprocedures, de termijn
                    buiten de schuld van de aanvrager wordt overschreden. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Op grond van lid 3 kan het college een nieuwe datum bepalen, waarvoor de
                    voorziening moet zijn gerealiseerd.</al><tussenkop>Artikelen 19–24 Spoedprocedure</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de modelverordening zijn nadere regels opgenomen over de
                    indiening en beoordeling van aanvragen met een spoedeisend karakter. Deze
                    aanvragen doorlopen niet de procedure die geldt voor het programma en zijn
                    daarom niet gebonden aan een bepaalde indieningsdatum. De aanvragen kunnen dus
                    het gehele jaar door worden ingediend. Het zou een misvatting zijn op grond
                    hiervan te veronderstellen dat de spoedprocedure als een soort
                    ‘ontsnappingsroute’ kan worden gebruikt. Een ontsnappingsroute die zou kunnen
                    worden gevolgd wanneer een bevoegd gezag verzuimt tijdig – op grond van artikel
                    6 van de modelverordening – een aanvraag in te dienen voor het programma of
                    wanneer een aanvraag niet op het programma is geplaatst wegens toepassing van de
                    financiële weigeringsgrond. In dit laatste geval kan een bevoegd gezag in de
                    verleiding komen de aanvraag opnieuw in te dienen via de spoedprocedure, omdat
                    de financiële weigeringsgrond bij deze procedure niet kan worden gehanteerd door
                    de gemeente.</al><al>Een andere optie is dat een bevoegd gezag op ‘twee paarden wedt’, namelijk: voor
                    dezelfde voorziening een aanvraag indient voor de opneming in het programma én
                    een aanvraag indient in het kader van de spoedprocedure.</al><al>Al deze procedurele opties lopen echter bij toepassing van de verordening spaak,
                    omdat het uiteindelijk gaat om de inhoud van de aanvraag. Onomstotelijk moet
                    blijken dat het bij een aanvraag met een spoedeisend karakter gaat om een
                        calamitei<cursief>t</cursief> in de ware zins des woords. Een calamiteit die
                    onvoorzienbaar was en volgens de wetgever zodanig moet zijn dat het treffen van
                    een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen
                    doorgang meer kan vinden. Het meest voor de hand liggende voorbeeld daarbij is
                    het afbranden van een schoolgebouw, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in
                    een andere accommodatie moet doorgaan.</al><al>Toepassing van de verordening leidt er toe dat in vergelijking met de situatie
                    van voor de decentralisatie, het moment tussen indiening van een reguliere
                    aanvraag en de beoordeling in het kader van het programma, aanzienlijk wordt
                    bekort. Dit betekent dat het overgrote deel van de aanvragen voor
                    huisvestingsvoorzieningen via deze procedure op adequate wijze kan worden
                    afgehandeld. Ook de aanvragen die wellicht hoog zouden scoren bij de toepassing
                    van de urgentiesystematiek, maar waarvan op moment van indiening en op het
                    moment van programmavaststelling (nog) niet kan worden gesproken over de
                    noodzaak om onverwijld de voorziening te treffen omdat anders het
                    onderwijsproces stokt. Dit betekent ook dat mag worden verwacht dat de aanvragen
                    die in het kader van de spoedprocedure worden ingediend ook écht spoedeisend
                    zijn. Normaliter zal dit betekenen dat de toepassing, maar zeker ook de
                    toewijzing in het kader van de spoedprocedure, eerder uitzondering dan regel zal
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 19 Indiening aanvraag</tussenkop><al>Door de invoering van de Wet dualisering medebewindswetgeving is het college
                    vanaf 8 maart 2006 het orgaan dat over de aanvraag beslist.</al><tussenkop>Artikel 20 Inhoud aanvraag</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In aanvulling op de basisgegevens die zouden moeten worden overgelegd indien het
                    om een reguliere aanvraag zou gaan, dient in de aanvraag ook duidelijk het
                    spoedeisende karakter (de calamiteit waardoor het onderwijsproces geen voortgang
                    kan vinden) te worden toegelicht.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Voor de bepaling van de termijn waarbinnen de aanvullende gegevens moeten worden
                    aangeleverd is de Awb bepalend. Hierbij dient er rekening mee te worden gehouden
                    dat de aanvrager redelijker wijze binnen de gestelde termijn de aanvullende
                    gegevens kan verstrekken.</al><tussenkop>Artikel 21 Tijdstip beslissingen</tussenkop><al>De in dit artikel vermelde termijnen zijn gebaseerd op de Awb.</al><tussenkop>Artikel 22 Inhoud en uitvoering beschikking</tussenkop><al>Bij de besluitvorming en de uitvoering daarvan ten aanzien van aanvragen met een
                    spoedeisend karakter is, afgezien van de afwijkende termijnen, de lijn gevolgd
                    die ook van toepassing is ten aanzien van de vaststelling van programma en
                    overzicht.</al><al>Dit betekent dat met inachtneming van de in de wet opgenomen weigeringsgronden
                    (zie bij voorbeeld artikel 100 WPO), de toetsingscriteria worden toegepast
                    overeenkomstig de bijlagen van de verordening. Extra dimensie die ten opzichte
                    van de 'reguliere lijn' aan deze toetsing wordt toegevoegd is het element van de
                    spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in
                    verband met de voortgang van het onderwijs. Tevens komt in de verordening tot
                    uiting dat het college niet de financiële weigeringsgrond kan hanteren. Dit komt
                    tot uiting doordat de urgentiecriteria zoals opgenomen in bijlage V buiten
                    beschouwing blijven.</al><tussenkop>Artikelen 25–27 Vergoeding kosten bouwvoorbereiding</tussenkop><al>Met nadruk zij opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding van de kosten van
                    bouwvoorbereiding van een andere orde is dan een aanvraag voor plaatsing op het
                    programma. Eerstbedoelde aanvraag is bedoeld om de weg te plaveien naar de
                    indiening van een aanvraag voor het programma. Het zal daarbij in de regel gaan
                    om huisvestingsvoorzieningen die als omvangrijk moeten worden gekwalificeerd en
                    die zich al enkele jaren van tevoren aankondigen (de nieuwbouw van een school is
                    daarbij het meest voor de hand liggende voorbeeld). Met behulp van een
                    bouwvoorbereidingskrediet kunnen de aanvragen voor het programma goed worden
                    voorbereid. Dit heeft als voordeel dat wanneer dergelijke goed gedocumenteerde
                    aanvragen verschijnen op het programma, de uitvoering vrij snel na vaststelling
                    van het programma ter hand kan worden genomen. De gemeente heeft dan de
                    zekerheid dat in het jaar waarvoor de middelen beschikbaar worden gesteld, ook
                    de besteding zal plaatsvinden. </al><al>Een bouwvoorbereidingskrediet is bedoeld voor de bestrijding van salariskosten,
                    die zijn gemoeid met de voorbereiding van een bouwproject. Onder voorbereiding
                    worden de werkzaamheden verstaan tot aan het moment van aanbesteding. Het kan
                    daarbij gaan om kosten van:</al><al>– architect;</al><al>– adviseur constructie;</al><al>– adviseur werktuigbouwkundige installatie;</al><al>– adviseur electrotechnische installatie.</al><al>In bepaalde situaties kan het bovendien nuttig zijn adviseurs in te schakelen
                    voor bijvoorbeeld het programma van eisen, het projectmanagement, de
                    kostenbeheersing of de bouwfysica.</al><al>Inschakeling van laatstgenoemde adviseurs kan een beperking inhouden van de
                    werkzaamheden van de architect en de eerstgenoemde overige adviseurs.</al><al>De bouwvoorbereiding is niet aangemerkt als een voorziening in de huisvesting,
                    omdat het dat volgens de wet niet is. De toekenning van een vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding dient daardoor buiten het programma te blijven. Het bedrag
                    voor het programma is immers bestemd voor huisvestingsvoorzieningen zoals
                    bedoeld in de wet. Als een zodanige voorziening niet wordt toegekend omdat het
                    bedrag niet voldoende is, en er wordt wel in dat kader bouwvoorbereiding
                    toegekend (het kan daarbij om aanmerkelijke bedragen gaan), dan heeft de
                    aanvrager die wordt afgewezen in beroep een gerede kans op succes. Het bedrag
                    voor bouwvoorbereiding dient dus als apart bedrag te worden opgenomen. </al><al>Er is wel alles voor te zeggen om, gezien de budgettaire gevolgen voor de
                    gemeentebegroting in het algemeen en voor de onderwijshuisvesting in het
                    bijzonder, de beoordeling en afhandeling van verzoeken om bouwvoorbereiding in
                    procedure gelijk te schakelen met die voor het programma. Voor deze benadering
                    is dan ook gekozen in hoofdstuk 4 van de modelverordening. Dit betekent ook dat
                    het college het orgaan is dat beslist over het inwilligen van dergelijke
                    verzoeken.</al><al>Toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding van een voorziening
                    betekent niet dat de voorziening die met behulp van deze vergoeding wordt
                    voorbereid per saldo meer kost dan een soortgelijke voorziening, die zonder een
                    dergelijke vergoeding geplaatst wordt op het programma. In feite komt de
                    toekenning van een vergoeding er op neer dat een deel van de kosten gemoeid met
                    de huisvestingsvoorziening naar voren worden gehaald. Dit betekent ook dat
                    wanneer een genormeerde vergoeding wordt toegekend ter realisering van de
                    huisvestingsvoorziening zelf, de bouwvoorbereidingsvergoeding dan op de
                    genormeerde vergoeding in mindering wordt gebracht. </al><al>Dit gebeurt omdat in de normatieve vergoedingsbedragen voor bouwactiviteiten
                    zoals opgenomen in bijlage IV, deel A, de kosten van voorbereiding zijn
                    inbegrepen.</al><al>De mogelijkheid om een bouwvoorbereidingskrediet aan te vragen is een nadere
                    concretisering van de in de wet opgenomen mogelijkheid dat de raad een
                    vergoeding voor bouwvoorbereiding kan toekennen. Bij de bepalingen inzake de
                    beslissing op dergelijke verzoeken zijn de toetsingscriteria aangeduid, omwille
                    van kenbaar bestuur en gelijke behandeling (zie artikel 27). Daarbij is voorzien
                    in een financiële weigeringsgrond. Voorts spreekt het voor zich dat de noodzaak
                    van de voorziening waarvoor de bouwvoorbereiding is bestemd aanwezig moet zijn.
                    Daarnaast zal ook, uit oogpunt van een gerichte en effectieve besteding van
                    eventueel toe te kennen gelden voor de bouwvoorbereiding, een duidelijk
                    perspectief aanwezig moeten zijn: wanneer de plannen zijn uitgewerkt, moet er
                    ook binnen afzienbare termijn daadwerkelijk een aanvang mee worden gemaakt. </al><al>Dit is niet alleen afhankelijk van de vraag of het bevoegd gezag in het beoogde
                    jaar de opdracht tot uitvoering kan verlenen, maar ook van een reële inschatting
                    door de gemeente of het beoogde project voor dat jaar op een nog vast te stellen
                    programma kan worden geplaatst. Het verstrekken van een
                    bouwvoorbereidingskrediet geeft hierop weliswaar geen recht, maar het is weinig
                    zinvol een dergelijk krediet toe te kennen en vervolgens bij de daarop volgende
                    – met behulp van het krediet voorbereide – aanvraag voor plaatsing op het
                    programma te moeten constateren dat de financiële ruimte niet aanwezig is voor
                    de realisering van de voorziening. Iets dat zich natuurlijk altijd kan voordoen
                    in geval van onvoorziene tegenvallers op de gemeentebegroting. </al><tussenkop>Artikelen 29–36 Medegebruik en verhuur</tussenkop><al>De artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217 WVO geven de opdracht aan de
                    gemeenteraad om in de huisvestingsverordening een procedure voor het medegebruik
                    en de verhuur van onderwijsgebouwen op te nemen. Wat het medegebruik betreft
                    houdt de opdracht in feite in het vastleggen van de wijze waarop burgemeester en
                    wethouders met het recht tot het vorderen van leegstaande ruimten omgaan. Dit
                    vorderingsrecht kan betrekking hebben op medegebruik ten behoeve van onderwijs
                    en educatie, maar ook ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve
                    doeleinden. Met nadruk zij gemeld dat het gaat om delen van gebouwen die
                    leegstaan. Indien het gaat om een gebouw dat in zijn geheel leeg is of komt, is
                    artikel 37, Einde gebruik gebouwen, van toepassing. </al><al>Het vorderingsrecht met betrekking tot gebouwen kan betrekking hebben op zowel
                    het gebruik tijdens als na de schooltijden. Dit geldt ook voor sportterreinen
                    die in eigendom zijn van een schoolbestuur voor voortgezet onderwijs. Het
                    vorderingsrecht beperkt zich dan tot het vorderen ten behoeve van ander gebruik
                    dan onderwijsgebruik (bijvoorbeeld voor sportverenigingen). Het recht van de
                    gemeente om leegstand te bestemmen voor ander gebruik strekt zich uit over de
                    wel en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Het sluitstuk van de
                    procedure – het vorderen – vindt echter niet plaats als het leegstand betreft in
                    een gebouw van een school die de gemeente zelf in stand houdt. Dat neemt niet
                    weg dat de criteria die in deze artikelen worden geformuleerd uiteraard ook
                    gelden voor gebouwen van scholen die door de gemeente in stand worden gehouden. </al><al>Er is gekozen voor een iets verschillende benadering van medegebruik ten behoeve
                    van onderwijs en medegebruik ten behoeve van andere activiteiten. Voor
                    medegebruik ten behoeve van andere activiteiten mag van het college verlangd
                    worden dat in het overleg met het bevoegd gezag expliciet, en ten aanzien van
                    met name aangeduide onderwerpen, de gelegenheid wordt geboden om eventuele
                    wensen aangaande het medegebruik te uiten, mede gelet op de vrijheid van
                    richting en inrichting. Uiteraard bestaat die gelegenheid ook in het overleg
                    over het onderwijsmedegebruik. Aangezien het dan echter altijd gaat om gebruik
                    dat overeenkomt met de bestemming van het gebouw, zal het overleg daarover meer
                    een praktisch dan een principieel karakter kunnen hebben. </al><al>De artikelen 29 t/m 33 worden toegepast als er een aanvraag van een bevoegd
                    gezag voor plaatsing op het programma of voor de spoedprocedure is gedaan. Dat
                    kan een aanvraag voor medegebruik zijn, maar het kan ook een andere aanvraag
                    zijn die wordt afgewezen en waarin door middel van medegebruik wordt voorzien. </al><al>Voorbeeld<cursief>:</cursief> er komt een aanvraag binnen om de uitbreiding van
                    een basisschool op het programma te plaatsen. De bepalingen van artikel 12
                    (regels voor de vaststelling van het programma) zijn van toepassing op die
                    aanvraag. In artikel 12 wordt onder meer verwezen naar bijlage I. In die bijlage
                    is gesteld dat de uitbreiding niet wordt bekostigd als er binnen 2.000 meter
                    hemelsbreed sprake is van leegstand waar medegebruik kan plaatsvinden. Binnen
                    die afstand blijkt geschikte leegstand aanwezig te zijn, hetgeen wordt
                    geconstateerd aan de hand van artikel 30 (omschrijving leegstand). Tevens wordt
                    geconstateerd dat de situatie als bedoeld in artikel 31, lid 1 (de leegstand is
                    al door het bevoegd gezag in medegebruik gegeven aan een andere school) zich
                    niet voordoet. Die constatering kan plaatsvinden aan de hand van de
                    gemeentelijke gegevensadministratie. Burgemeester en wethouders delen in het
                    overleg als bedoeld in artikel 10 (het overleg over het programma) mede dat zij
                    voornemens zijn om de wettelijke weigeringsgrond genoemd in artikel 100, lid 1d
                    WPO toe te passen (de aanvraag wordt geweigerd als er door middel van
                    medegebruik in de huisvestingsbehoefte kan worden voorzien). Over dat voornemen
                    wordt op grond van artikel 32 overleg gevoerd met het bevoegd gezag dat de
                    aanvraag heeft ingediend en met het bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd
                    zal worden. Dat overleg maakt deel uit van het overleg over het programma als
                    bedoeld in artikel 10. Er wordt voorzien in de aanvraag door toepassing te geven
                    aan artikel 31 (volgorde van vorderen) en 32 (overleg en mededeling). De
                    beschikking voor het bevoegd gezag dat de uitbreiding heeft aangevraagd
                    (onderdeel van het programma) luidt als volgt: de aanvraag wordt afgewezen en in
                    plaats daarvan wordt medegebruik in gebouw [.....] toegekend. Het bevoegd gezag
                    waarvan gevorderd wordt krijgt op grond van artikel 32 een
                    vorderingsbeschikking, tenzij in het overleg is aangegeven dat er tegen de
                    vordering geen bezwaar bestaat. </al><al>Wat de verhuur betreft kan de regeling in de verordening beperkt zijn; de wet
                    regelt immers uitputtend wanneer wel en niet sprake kan zijn van verhuur.</al><tussenkop>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden</tussenkop><al>In dit artikel is aangegeven dat er, alvorens het college kan overgaan tot
                    vordering, eerst sprake moet zijn van een aanvraag (op grond van artikel 6 of
                    19) voor een huisvestingsvoorziening voor een school, en dat er bij die school
                    ook een aantoonbaar tekort aan huisvesting is. De leden 1d en e regelen dat er
                    sprake dient te zijn van leegstand.</al><tussenkop>Artikel 30 Omschrijving leegstand</tussenkop><tussenkop>Lid 1a</tussenkop><al>Voor 1 januari 1997 was op grond van de wet- en regelgeving voor het primair
                    onderwijs duidelijk wat er onder leegstand moest worden verstaan. Er werd
                    uitgegaan van een strikt genormeerde benadering: als het aantal vierkante meters
                    van een gebouw ruimte liet voor een extra groep leerlingen was er sprake van
                    genormeerde leegstand. Of die leegstand wel of niet feitelijk aanwezig was of in
                    gebruik was voor andere doeleinden deed niet ter zake. Aangezien de betreffende
                    wet- en regelgeving niet langer van toepassing is, is het van belang een
                    definitie van het begrip leegstand in de verordening op te nemen. Bij de
                    begripsaanduiding is gekozen voor eenzelfde benaderingswijze als voorheen, zij
                    het met de volgende uitzondering.</al><al>Omdat bij de capaciteitsbepaling van een gebouw ingevolge bijlage III, deel A
                    wordt uitgegaan van lokalen, kan het niet meer voorkomen dat er weliswaar een
                    overmaat aan vierkante meters geconstateerd wordt maar dat er geen lokaal over
                    is.</al><al>Bij de capaciteitsbepaling worden ruimten die een bevoegd gezag eventueel voor
                    eigen rekening heeft gerealiseerd en waar geen (rijks)vergoeding voor wordt
                    verstrekt wel geregistreerd, maar niet als beschikbare capaciteit. Het
                    vorderingsrecht strekt zich derhalve niet tot dergelijke ruimten uit. Voor de
                    goede orde: de zogenaamde eigendoms- en huurscholen vallen dus wel onder het
                    vorderingsrecht. Hiervoor wordt immers wel een vergoeding verstrekt. </al><al>In tegenstelling tot de volledig voor eigen rekening gefinancierde ruimten,
                    strekt het vorderingsrecht zich wel uit tot leegstaande ruimten waaraan een
                    bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal)
                    heeft gegeven. Deze handelwijze kan worden afgeleid uit de jurisprudentie onder
                    de oude wetgeving waarin is vastgelegd dat, indien er sprake is van genormeerde
                    leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven, deze
                    bestemming moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik. </al><tussenkop>Lid 1b</tussenkop><al>Voor het voortgezet onderwijs kan niet van een zelfde, strikt genormeerde,
                    benadering worden uitgegaan als bij het primair onderwijs. Het vertrekpunt is
                    wel hetzelfde: door de capaciteit van het gebouw (als bepaald volgens bijlage
                    III, deel A) te relateren aan de behoefte volgens het ruimtebehoeftemodel
                    ingevolge bijlage III, deel B wordt bezien of er een overschot aan ruimte is.
                    Als dat overschot geconstateerd wordt, behoeft dat niet automatisch te betekenen
                    dat er dan ook een geschikte ruimte vrij is op de gewenste tijd. Een bevoegd
                    gezag van een school voor voortgezet onderwijs heeft namelijk het recht, binnen
                    de rijksbekostiging, om meer of minder uren aan bepaalde vakken toe te delen.
                    Deze keuzen hebben consequenties voor het lesrooster en de omvang van de
                    groepen, en daarmee voor de beschikbaarheid van het gebouw. Daarom wordt bij een
                    school voor voortgezet onderwijs vervolgens aan de hand van het lesrooster
                    bekeken of er daadwerkelijk sprake is van leegstand. De verantwoordelijkheid om
                    op basis van lesroosters eventueel aan te tonen dat er geen sprake is van
                    leegstand, ligt bij het schoolbestuur. Achtergrond hiervan is dat gemeenten geen
                    zicht hebben op de lesroosters van scholen.</al><al>Het gaat hier met nadruk om de vrijheid binnen de rijksbekostiging. Indien een
                    bevoegd gezag extra middelen aanwendt en daarmee beslag op leegstand legt, is er
                    sprake van eigen beleid dat dient te wijken voor noodzakelijk
                    onderwijsgebruik.</al><tussenkop>Lid 2a</tussenkop><al>Voor de beoordeling of er ruimte is in een gymlokaal dat gebruikt wordt door het
                    primair onderwijs wordt het aantal klokuren dat voor dat lokaal in gebruik is en
                    waarvoor de gemeente goedkeuring heeft verleend, bij elkaar opgeteld. De
                    capaciteit van het gebouw, verminderd met dit aantal, levert de leegstand op.
                    Voor de capaciteit van het gebouw wordt uitgegaan van het maximum aantal uren
                    dat een gebouw per week voor het onderwijs gebruikt kan worden. Het aantal van
                    40 is dan reëel, gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs die de
                    maximumgrens vormen. Het getal van 40 betekent uiteraard niet dat scholen voor
                    primair onderwijs buiten hun reguliere schooltijden verwezen kunnen worden naar
                    een gymnastiekruimte die nog geen 40 klokuren in gebruik is. Verwijzing kan
                    alleen maar plaatsvinden binnen de voor de betreffende schoolsoort geldende
                    reële schooltijden. </al><tussenkop>Lid 2b</tussenkop><al>De reden van de controle aan de hand van het lesrooster is dezelfde als bij lid
                    1b.</al><tussenkop>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Door opneming van deze bepaling wordt recht gedaan aan de autonomie van scholen.
                    Indien bevoegde gezagsorganen onderling medegebruik overeenkomen, is er geen
                    reden voor de gemeente om dat te doorkruisen. Deze bepaling kan er mogelijk toe
                    leiden dat in een enkel geval alsnog bijvoorbeeld een uitbreiding moet worden
                    toegestaan omdat door de bevoegde gezagsorganen niet de meest optimale situatie
                    is gecreëerd. Aangezien deze situatie waarschijnlijk alleen bij hoge
                    uitzondering zal voorkomen, is dit geen reden om af te zien van deze bepaling. </al><al>Overigens kan deze bepaling uitgebreid worden naargelang de gemeente in het
                    (brede) huisvestingsbeleid bepaalde accenten wil leggen. Als voorbeeld kan
                    genoemd worden het niet vorderen van leegstand indien deze wordt benut als
                    peuterspeelzaal.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Hierin is bepaald dat het onderling overeengekomen medegebruik alleen dan een
                    reden is om niet tot vordering over te gaan, indien de eigen gebouwen van de
                    school die medegebruikt, onvoldoende capaciteit hebben. Uiteraard wordt ook hier
                    uitgegaan van de bepaling van de capaciteit en van het aantal groepen zoals
                    bedoeld in bijlage III. Ook hier geldt dat eigen beleid van bevoegde
                    gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van groepen zodanig dat dit leidt tot
                    een extra huisvestingsbehoefte, moet wijken voor noodzakelijk ander
                    onderwijsgebruik.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Lid 3 wijkt af van de modelverordening van de VNG. Op verzoek van de
                    schoolbesturen is gekozen voor een benadering waarbij het belang van de school,
                    die aangewezen is op leegstaande lokalen bij een andere school, voorop staat. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Deze bepaling voorkomt dat de volgorde zoals opgenomen in het derde lid te
                    rigide gaat werken. Wanneer op lokaal niveau alle bij de vordering betrokken
                    partijen het eens zijn over een oplossing die niet direct voortvloeit uit het
                    derde lid, dan kan van de daarin neergelegde volgorde worden afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 32 Overleg en mededeling</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het voeren van overleg is wettelijk verplicht. Om praktische redenen is ervoor
                    gekozen dit te koppelen aan het overleg over het programma. In het kader van de
                    vaststelling van het programma zal immers in de regel geconstateerd worden of er
                    van medegebruik sprake kan zijn.</al><al>Ten aanzien van het voorgenomen besluit in het kader van het programma (dat is
                    niet het besluit tot vordering maar het besluit om medegebruik toe te staan) is
                    er voor beide bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid een advies van de
                    Onderwijsraad te vragen. Ook hebben zij beide de mogelijkheid om bezwaar en
                    beroep tegen de vaststelling van het programma in te stellen. Dit heeft geen
                    opschortende werking.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Om een bevoegd gezag waarvan gevorderd gaat worden de gelegenheid te geven
                    desgewenst tijdig (organisatorische) maatregelen te nemen, verdient het
                    aanbeveling de termijn zo kort mogelijk te houden. Het bevoegd gezag is
                    overigens op grond van het overleg ook al in de gelegenheid om zich voor te
                    bereiden op het medegebruik. De mededeling dient schriftelijk plaats te vinden.
                    Er is sprake van een beschikking waarop de rechtsbescherming van de Awb van
                    toepassing is. Het instellen van bezwaar en/of beroep heeft geen opschortende
                    werking. </al><al>De laatste volzin is toegevoegd om geen overbodige administratieve handelingen
                    te hoeven uitvoeren indien er in het overleg is komen vast te staan dat er
                    overeenstemming over de vordering bestaat. </al><tussenkop>Leden 3 en 4</tussenkop><al>In geval van een spoedprocedure is het niet goed mogelijk om termijnen op te
                    nemen voor het overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich
                    meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.
                    Uiteraard geldt ook hier dat het ‘ontvangende’ bevoegde gezag redelijkerwijs de
                    gelegenheid moet hebben om de nodige maatregelen te treffen. </al><tussenkop>Lid 5e</tussenkop><al>De vordering geschiedt voor een bepaalde periode, zodat het bevoegd gezag
                    waarvan gevorderd wordt weet waar het aan toe is. Het ligt voor de hand de
                    periode te baseren op de uitkomst van de prognose. De periode van vordering kan
                    verlengd worden indien dat noodzakelijk is. </al><tussenkop>Artikel 33 Vergoeding</tussenkop><al>Voor het primair onderwijs is, als gevolg van de vereenvoudiging van het
                    Londo-stelsel, in de wet bepaald dat een bevoegd gezag dat gebruik maakt van een
                    gebouw van een andere bevoegd gezag, de daarvoor ontvangen vergoeding
                    doorbetaalt. Aangezien ‘de ontvangen’ vergoeding niet eenduidig te definiëren
                    valt – de vergoeding is namelijk mede afhankelijk van de omvang van de school –
                    dient daarover overleg tussen de bevoegde gezagsorganen plaats te vinden. Voor
                    het primair onderwijs geven artikel 119 juncto artikel 114 van de WPO richting
                    aan wat onder de door te betalen vergoeding moet worden verstaan. De WEC bevat
                    een eensluidend artikel. Voor het voortgezet onderwijs geldt niet een dergelijke
                    wettelijke bepaling, daar is overleg dus ook de aangewezen weg. </al><al>Omdat de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot
                    overeenstemming leidt. Omdat er dan geen wettelijk geregelde rechtsbescherming
                    geldt, lijkt het verstandig om in de verordening een bepaling ten aanzien van de
                    vergoedingen op te nemen voor het geval men er onverhoopt niet uitkomt. Een
                    systematiek hiervoor is opgenomen in bijlage IV, deel C, en is afgeleid van de
                    rijksvergoeding voor de materiële instandhouding voor de huisvesting van groepen
                    in het basisonderwijs. Uiteraard kunnen andere bedragen worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</tussenkop><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 30.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>De sportvelden zijn hier opgenomen vanwege de bepaling in artikel 76r WVO dat
                    het vorderingsrecht zich ook daartoe uitstrekt. </al><tussenkop>Artikel 35 Overleg en mededeling</tussenkop><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De reden dat hier expliciet is aangegeven wat in ieder geval in het overleg aan
                    de orde dient te komen is gelegen in het feit dat het gaat om gebruik van een
                    gebouw of terrein waarvoor het gebouw of terrein niet in eerste instantie is
                    bedoeld. Dat betekent dat de positie van het bevoegd gezag met nog meer
                    waarborgen omkleed moet worden dan wanneer het om onderwijsmedegebruik gaat. Het
                    bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld worden zich in het overleg een
                    oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die
                    activiteit op het onderwijsproces. Als gevolg daarvan kan ook afgesproken worden
                    dat bepaalde maatregelen van de zijde van de gemeente of de medegebruiker
                    genomen worden om hinder te voorkomen. Omdat het om verschillende vormen van
                    medegebruik kan gaan is niet eenduidig vast te stellen welke vergoeding
                    daartegenover dient te staan. Wel is het mogelijk om hierbij aan te sluiten op
                    een vergoedingsbedrag in het kader van de programma’s van eisen materiële
                    instandhouding basisonderwijs door middel van een verwijzing naar bijlage IV,
                    deel C. Deze vergoeding dekt de variabele kosten en zal in het algemeen
                    voldoende zijn; het gaat immers niet om huur.</al><al>Er is van afgezien de beoogde gebruiker in het overleg te betrekken. Er wordt
                    van uitgegaan dat deze door het college vertegenwoordigd wordt. Desgewenst kan
                    de beoogde gebruiker natuurlijk wel in het overleg betrokken worden. Het
                    verdient in ieder geval aanbeveling dat het bevoegd gezag en de medegebruiker,
                    voor de aanvang van het medegebruik, schriftelijk een aantal (praktische)
                    afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het
                    besluit tot vordering door het college. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, neemt het college een
                    beslissing inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is gekozen om te
                    voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet
                    geëffectueerd kan worden. De beslissing van het college is een beschikking,
                    waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 36 Toestemming college</tussenkop><tussenkop>Leden 2 en 3</tussenkop><al>De aanduiding van de bestemming van de te verhuren ruimte is van belang voor de
                    toetsing door het college aan de wet- en regelgeving die bepaalde bestemmingen
                    niet toelaat. Zo is het bijvoorbeeld op grond van de onderwijswetgeving niet
                    toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als woon- of
                    bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid en 1624, tweede lid van
                    het Burgerlijk Wetboek. Ook een bestemming die zich niet verdraagt met het
                    onderwijs aan de school is in de onderwijswetgeving uitgesloten. Er is echter
                    voor gekozen die afweging aan het bevoegd gezag te laten. Het college maakt wel
                    de afweging of er een andere school is die ruimte voor het onderwijs nodig
                    heeft, op basis van eventueel binnengekomen verzoeken. In dat verband is gekozen
                    voor een onmiddellijke noodzaak. Indien die noodzaak over enige tijd ontstaat,
                    is dat geen reden voor weigering. Het verdient wel aanbeveling, indien het
                    college een indicatie heeft dat de beoogde ruimte op korte termijn nodig zal
                    zijn voor het onderwijs, dat het dit aan het bevoegd gezag mededeelt. Dat geldt
                    evenzeer als het college voornemens is de ruimte te vorderen voor ander gebruik.
                    Het bevoegd gezag kan dan een verantwoorde afweging maken of het wil overgaan
                    tot verhuur. De risico’s voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat
                    bij voortijdige opzegging van het contract omdat het college gebruik maakt van
                    hun vorderingsrecht ligt ingevolge de wet bij het bevoegd gezag. </al><tussenkop>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</tussenkop><al>De wetgeving voor het primair onderwijs kende tot 1 januari 1997 een bepaling
                    waarin gesteld werd dat het gebruik van een dislocatie diende te worden
                    beëindigd binnen drie maanden na beëindiging van de rijksbekostiging van dat
                    gebouw. De rijksbekostiging werd beëindigd indien een dislocatie kon worden
                    ‘leeggerekend’, dat wil zeggen indien het hoofdgebouw genormeerd zoveel ruimte
                    bevatte dat alle groepen van de school daarin gehuisvest konden worden.
                    Aangezien de rijksbekostiging niet langer gerelateerd is aan de gebouwen, is er
                    geen sprake meer van ‘leegrekenen’ door het rijk. Aan een bepaling omtrent de
                    beëindiging van het gebruik van dislocaties is echter wel behoefte, vooral
                    vanwege het feit dat gemeenten door hergebruik van onderwijsgebouwen een deel
                    van de beoogde efficiency moeten realiseren. Het eindigen van het recht op het
                    gebruik van hoofdgebouwen blijft in de wet gekoppeld aan de beëindiging van de
                    bekostiging van de school, zie bijvoorbeeld artikel 163 WPO. De WVO kent
                    weliswaar niet zo’n bepaling, maar het spreekt voor zich dat het recht op het
                    gebruik van een gebouw eindigt wanneer de school die het gebouw gebruikt wordt
                    opgeheven. </al><al>De artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217 WVO geven aan de gemeente opdracht om
                    in de verordening een termijn op te nemen gedurende welke een gebouw nog ten
                    hoogste kan worden gebruikt nadat, bij een gezamenlijke akte of door
                    gedeputeerde staten, is bepaald dat de school heeft opgehouden of zal ophouden
                    het gebouw te gebruiken. Tevens moet de gemeente een procedure vaststellen voor
                    een eventueel op te maken staat van onderhoud ingeval van beëindiging van het
                    gebruik. </al><al>Artikel 37 van de verordening voorziet in deze wettelijke opdracht. In het
                    artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties. Dat
                    onderscheid is in dit kader ook niet relevant; ten aanzien van alle gebouwen
                    moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden. </al><al>Het opmaken van de staat van onderhoud is gekoppeld aan de beëindiging van het
                    gebruik van een gebouw. De wettelijke bepalingen over de beëindiging van het
                    gebruik hebben alleen betrekking op niet door de gemeente in stand gehouden
                    scholen. In formele zin zijn de bepalingen over het achterstallig onderhoud dus
                    niet van toepassing op de scholen die door de gemeente in stand worden gehouden.
                    Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling is dit uiteraard in materiële zin wel
                    het geval. Het volgen van een zelfde handelwijze ligt dan ook voor de hand. </al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De datum van de beëindiging van het gebruik ligt in formele zin altijd na de
                    datum waarop toepassing is gegeven aan artikel 110 WPO, 108 WEC, 76u of 225 WVO.
                    Aan die artikelen wordt toepassing gegeven doordat het college en het bevoegd
                    gezag in een gezamenlijke akte verklaren dat het gebruik van het gebouw
                    beëindigd wordt of, ingeval van een geschil daarover, indien gedeputeerde staten
                    daar een beslissing over nemen op verzoek van een der partijen. In materiële zin
                    kan uiteraard sprake zijn van een beëindiging van het gebruik op een tijdstip
                    dat ligt voor toepassing van eerder genoemde artikelen. Van belang is dan echter
                    wel dat de eigendomsoverdracht dan nog niet heeft plaatsgevonden en dat het
                    bevoegd gezag als eigenaar nog steeds verantwoordelijk is voor het gebouw. </al><al>Als datum is gekozen de datum die in de akte die bevoegd gezag en gemeente
                    opstellen wordt genoemd. Als er een geschil over de akte ontstaat zullen
                    gedeputeerde staten een beslissing nemen. In de meeste gevallen zal de datum aan
                    het einde van het schooljaar liggen.</al><al>Om een en ander inderdaad aan het einde van het schooljaar te kunnen realiseren,
                    is het nodig dat het college in een vroegtijdig stadium constateert dat een
                    gebouw mogelijk niet meer nodig is voor een school. Die constatering kan in de
                    regel plaatsvinden aan de hand van de leerlingtelling van 1 oktober. Als er
                    sprake is van een voorgenomen fusie of opheffing, moet een bevoegd gezag daarvan
                    mededeling doen aan de gemeente ingevolge artikel 5 van de verordening. Direct
                    na de telling van 1 oktober, of na de mededeling van het bevoegd gezag, kan de
                    procedure voor de vaststelling van een gezamenlijke akte over het einde van het
                    gebruik in gang worden gezet. Mocht daarover een geschil ontstaan, dan kan
                    gedeputeerde staten om een beslissing worden verzocht. De beslissing van
                    gedeputeerde staten is een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb
                    van toepassing is. Of het instellen van beroep in dit geval opschortende werking
                    heeft, is niet eenduidig aan te geven. In het algemeen geldt dat het instellen
                    van beroep geen opschortende werking heeft, tenzij de wet anders bepaalt. De wet
                    bepaalt dat de eigendomsoverdracht, die pas kan plaatsvinden nadat is komen vast
                    te staan dat de school het gebouw blijvend niet meer nodig heeft, niet eerder
                    kan plaatsvinden dan nadat de beslissing van gedeputeerde staten onherroepelijk
                    is geworden of nadat door de rechter in beroep is beslist. Ten aanzien van de
                    eigendomsoverdracht heeft het instellen van beroep dus opschortende werking. Ten
                    aanzien van de beslissing of een school heeft opgehouden het gebouw te gebruiken
                    sec, bepaalt de wet niets. Ten aanzien van een mogelijk beroep tegen die
                    beslissing zou dus gesteld kunnen worden dat het geen opschortende werking
                    heeft. Mocht blijken dat dat wel zo is, dan kan overwogen worden een voorlopige
                    voorziening bij de president van de rechtbank te vragen indien er sprake is van
                    spoedeisende omstandigheden.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Met achterstallig onderhoud wordt in dit verband bedoeld het onderhoud dat, met
                    het oog op de onderhoudsplicht van een bevoegd gezag, al uitgevoerd had moeten
                    zijn. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet
                    krijgen alvorens het buiten gebruik wordt gesteld. Als bijvoorbeeld de
                    meerjarenonderhoudsplanning aangeeft dat er een schilderbeurt gepland is over
                    één jaar, en uit de schouwing van het gebouw blijkt niet dat dit schilderwerk
                    eigenlijk al had moeten plaatsvinden, dan is er geen sprake van achterstallig
                    onderhoud. </al><al>Het is van belang de staat van het onderhoud op te maken, voordat de
                    eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Alleen voor die tijd kan nog eenduidig
                    worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te
                    rekenen. Het spreekt voor zich dat het opmaken van de staat van onderhoud
                    achterwege kan blijven indien er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen
                    dat er sprake is van achterstallig onderhoud dat tot de verantwoordelijkheid van
                    het bevoegd gezag behoort.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college. Hiervoor kan
                    het college een ambtenaar met deskundigheid van bouwzaken aanwijzen of een
                    derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Over de inhoud van de opdracht en over
                    de persoon of instantie die dit uitvoert, heeft het college eerst overleg met
                    het betrokken bevoegd gezag. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige
                    discussie c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en
                    over de keuze van de uitvoerder. De positie van het college is in dit kader
                    vergelijkbaar met die van de verhuurder, die bij de opzegging van de huur een
                    inventarisatie maakt van datgene wat voor rekening van de huurder hersteld moet
                    worden. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd
                    gezag gevraagd worden. Deze inlichtingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben
                    op een meerjarenonderhoudsplanning (indien aanwezig) of uit bewijsstukken dat er
                    geregeld onderhoud is uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat bij het opmaken van
                    de staat van onderhoud overleg plaatsvindt over het tijdstip waarop de schouwing
                    plaatsvindt.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Het college voert overleg met het bevoegd gezag over de uitkomsten van de staat
                    van onderhoud. Het bevoegd gezag kan dan aangeven of men het daar wel of niet
                    mee eens is. Als er achterstallig onderhoud is geconstateerd, geeft het bevoegd
                    gezag in het overleg aan of het bereid is dit alsnog uit te voeren. Er kan ook
                    overeengekomen worden dat het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig
                    onderhoud wordt betaald aan de gemeente. Indien partijen geen overeenstemming
                    bereiken, bespreken ze hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er kan bijvoorbeeld
                    arbitrage overeengekomen worden, waarbij beide partijen afspreken zich te zullen
                    neerleggen bij de uitkomst daarvan. Het college kan zich ook wenden tot de
                    burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het bevoegd gezag een
                    onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan de wettelijke
                    opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te onderhouden. Gelet op de
                    kosten en de moeite die dergelijke procedures voor beide partijen met zich
                    meebrengen, verdient het veruit de voorkeur in gezamenlijk overleg een oplossing
                    te bereiken.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er weliswaar een vermoeden over
                    achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    uitvoeren. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het gebouw gesloopt wordt.</al><tussenkop>Artikelen 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                    inroostering gebruik.</tussenkop><al>In artikelen 38 is het gebruik van gymnastiekruimten voor het primair onderwijs
                    nader geregeld.</al><al>De verlegging per 1 januari 1997 van de geldstroom ‘materiële instandhouding
                    gymnastiek’ voor het primair onderwijs naar de gemeenten via het Gemeentefonds
                    heeft aanvankelijk tot de opdracht aan de gemeenteraad geleid om na overleg met
                    de schoolbesturen voor het onderwijs in lichamelijke opvoeding het aantal
                    klokuren vast te stellen dat ten hoogste per groep leerlingen voor vergoeding in
                    aanmerking komt. In het kader van de wet dualisering medebewindswetgeving is de
                    bevoegdheid tot het vaststellen van het aantal klokuren bij het college gelegd.
                    Dit is nu opgenomen in een door het college vastgestelde beleidsregel. </al><al>Het gebruik door het primair onderwijs van gymnastiekruimten vindt meestal
                    plaats in gemeentelijke accommodaties. Formeel beschouwd gaat het daarbij
                    doorgaans om situaties van medegebruik en daarmee om een voorziening in de
                    huisvesting als bedoeld in artikel 2 van de verordening.</al><al>Aangezien de omvang van dit medegebruik, uitgedrukt in het aantal klokuren,
                    jaarlijks kan fluctueren door de veranderingen in het aantal leerlingen van een
                    school, zou dat jaarlijks kunnen leiden tot aanvragen in het kader van het
                    programma, dan wel spoedprocedure. Beide procedures zijn te zwaar en te
                    omslachtig om jaarlijkse mutaties in het gebruik van gymnastiekaccommodaties aan
                    te vragen. Dit geldt voor die mutaties die binnen de bestaande capaciteit kunnen
                    worden opgevangen en dus niet leiden tot een uitbreiding of nieuwbouw van
                    gymnastiekruimten. Zeker wanneer daarbij wordt bedacht dat de gemeente ingevolge
                    de wet en artikel 38 gehouden is tot bekostiging van het genormeerde
                    gymnastiekgebruik.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 38 voor een benadering gekozen waarbij de
                    huisvestingsprocedures worden ontlast van aanvragen die samenhangen met mutaties
                    in klokuren, voor zover deze mutaties binnen de voorhanden zijnde capaciteit
                    kunnen worden ondergebracht. Formeel worden de jaarlijkse opgaven van
                    schoolbesturen van het gewenste gebruik van de gymnastiekruimten weliswaar
                    beschouwd als een aanvraag in het kader van de spoedprocedure, materieel worden
                    zij echter buiten deze procedure om afgewikkeld. </al><al>In afwijking van de modelverordening is er in Tilburg voor gekozen dat niet het
                    college maar de eigenaren van de sportaccommodaties het rooster van het
                    gymnastiekonderwijs vaststellen. Indien het bevoegd gezag dat eigenaar van de
                    accommodatie is en het bevoegd gezag dat medegebruiker is geen overeenstemming
                    over het rooster kunnen verkrijgen, beslist het college.</al><tussenkop>Artikel 40 Indexering</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat jaarlijks de verordening door de
                    raad moet worden gewijzigd, louter om de ingevolge artikel 4 gehanteerde
                    genormeerde vergoedingen aan de prijsontwikkeling aan te passen. Bijlage IV,
                    deel A, waar deze normen hun basis hebben, vormt namelijk – net als de overige
                    bijlagen – onderdeel van de verordening. Door de prijsbijstelling te delegeren
                    aan burgemeester en wethouders wordt een dergelijke relatief zware procedure via
                    de raad overbodig. Het kan nu via een lichtere procedure door op dit onderdeel
                    burgemeester en wethouders de bevoegdheid tot wijziging te geven. Het wettelijk
                    verplichte overleg met het onderwijsveld dat voorafgaat aan wijzigingen van de
                    verordening, kan plaatsvinden door toezending van de voorgenomen
                    prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop te reageren. </al><al>De prijsbijstelling vindt plaats nadat de VNG hierover aan de gemeente een
                    advies heeft uitgebracht.</al><tussenkop>Artikel 40a Wijziging van de verordening</tussenkop><al>Voor een wijziging van de verordening dient een op overeenstemming gericht
                    overleg plaats te vinden. </al><al>De procedure hiervoor is geregeld in artikel 10.</al><tussenkop>TOELICHTING Bijlage I</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De wet geeft in artikel 100 WPO, 98 WEC, 76k en 215 WVO expliciet aan op grond
                    waarvan een voorziening kan worden geweigerd. Voor toepassing van de
                    weigeringsgronden dienen deze artikelen nog nader te worden uitgewerkt. Dat
                    vindt in deze bijlage plaats door per voorziening de beoordelingscriteria te
                    beschrijven. Ze hebben betrekking op eisen qua aanwezigheid van leerlingen,
                    prognoses, oppervlakten/capaciteit van gebouwen, bouwkundige staat van een
                    gebouw enzovoort. De noodzaak van de aangevraagde voorziening(en) – of van
                    mogelijke alternatieve voorzieningen – voor de desbetreffende school wordt
                    vastgesteld op basis van de beoordelingscriteria. Na toepassing van de
                    beoordelingscriteria kan er antwoord worden gegeven op de vraag: ‘Is de
                    voorziening noodzakelijk?’</al><al>De noodzaak van een voorziening zal in het algemeen afhangen van:</al><al>– de capaciteit van het gebouw of de gebouwen die door de school worden
                    gebruikt;</al><al>– de (onderhouds)staat van het gebouw of de gebouwen;</al><al>– het leerlingaantal nu en op korte en/of lange termijn;</al><al>– de mogelijkheid via andere en eenvoudiger voorzieningen adequaat de noodzaak
                    van de gevraagde voorziening op te heffen.</al><al>Veel voorzieningen vragen een forse investering. Een gebruik gedurende ten
                    minste een bepaalde periode voorkomt dat de investering als desinvestering gaat
                    gelden. De minimaal gewenste termijn van zekerheid over het aantal leerlingen en
                    daarmee het gebruik van de voorziening, is evenredig met de zwaarte van de
                    voorziening in financiële zin. De prognose die wordt gevraagd, dient ertoe het
                    verwachte aantal leerlingen voor een aantal jaren zo nauwkeurig mogelijk te
                    voorspellen. </al><al>Toekenning van huisvestingsvoorzieningen – behalve bij onderwijsleerpakket/leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair, bij medegebruik, bij constructiefouten en bij
                    vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden – kan
                    plaatsvinden, indien volgens de prognose, die voldoet aan de prognosecriteria
                    (in bijlage II), voldoende duidelijkheid bestaat over het voortbestaan van het
                    instituut of de nevenvestiging voor een termijn van minimaal twee jaren. </al><al>Indien de gevraagde voorziening een permanent gebouw (nieuwbouw, uitbreiding,
                    ingebruikneming of aanpassing) betreft, is de termijn voor de prognose in elk
                    geval <cursief>zes jaren</cursief> te rekenen vanaf het gewenste jaar van
                    bekostiging.</al><al>Voor nieuwbouw en voor uitbreiding kan de voorziening – afhankelijk van de
                    verwachte duur van het gebruik en de mogelijkheden van medegebruik of
                    ingebruikname van een bestaand gebouw – in tijdelijke vorm (noodbouw en
                    dergelijke) of in permanente vorm worden gerealiseerd. Nieuwbouw is slechts aan
                    de orde indien het gaat om een nieuw instituut of om een nieuwe afdeling. In
                    alle andere gevallen gaat het om vervangende bouw, voor het hele instituut of
                    voor een deel daarvan, of om uitbreiding, bijvoorbeeld ter vervanging van een
                    bouwkundig slecht gebouw.</al><al>Indien het huidige leerlingaantal niet kan worden ondergebracht in de school
                    (eventueel gehuisvest in meerdere gebouwen), ontstaat er in principe aanspraak
                    op een voorziening waarmee het tekort aan huisvestingscapaciteit kan worden
                    opgeheven.</al><al>In welke vorm de extra capaciteit voor het desbetreffende instituut ter
                    beschikking komt, hangt af van de mogelijkheden van burgemeester en wethouders
                    om gebruik te maken van beschikbare capaciteit bij andere scholen. Dit beperkt
                    zich in principe tot de gebouwen in gebruik bij het primair onderwijs en het
                    voortgezet onderwijs. Bij medegebruik is geen lange-termijnprognose nodig. Voor
                    inzicht in de periode van medegebruik is wel een indicatie van de duur nodig
                    alsmede inzicht in de eventuele ontwikkeling van de leegstand in het gebouw van
                    de hoofdgebruiker.</al><al>Bij medegebruik van leegstand elders verdient het de voorkeur zoveel mogelijk de
                    leerlingen naar één ander gebouw te verwijzen om te voorkomen dat de school over
                    (te) veel locaties wordt verspreid. Overigens wordt het aantal locaties
                    vrijgelaten.</al><al>De mogelijkheden voor benutting van de beschikbare capaciteit hangen af van de
                    ligging en de geschiktheid van de feitelijke leegstand.</al><al>De verwijsafstand – die de ligging ten opzichte van andere gebouwen aangeeft –
                    is hier vastgelegd door te werken met een vaste straal (een maximale hemelsbrede
                    afstand). Daar waar het verkeer geen verwijzing toelaat, is het aan het
                    aanvragende schoolbestuur daarvoor de argumenten op tafel te leggen. </al><al>De andere mogelijkheid om met de ligging van andere gebouwen rekening te houden,
                    is die van vaststelling van verwijsgebieden. Verwijsgebieden kunnen worden
                    bepaald door te letten op de wijkgebondenheid van scholen. De grenzen van het
                    verwijsgebied moeten – om gemakkelijk een prognose te kunnen maken – samenvallen
                    met de sociaal geografische grenzen. Eventueel kan dit per onderwijssector.
                    Binnen de gebieden kan wel worden verwezen, maar daarbuiten niet.</al><al>Het geschikt zijn van de leegstand blijkt uit de capaciteit van de betreffende
                    onderwijsruimte, zoals in de nulmeting (zie bijlage III, deel A) is aangegeven.
                    Als uitgangspunt kan dienen dat onderwijsruimten (speellokalen, vaklokalen,
                    werkplaatsen, etc., gymnastieklokalen) die niet gedurende de gehele werkweek in
                    gebruik zijn bij de school die (hoofd)gebruiker van het gebouw is, kunnen worden
                    gebruikt door scholen die onvoldoende ruimte hebben in hun eigen huisvesting. </al><al>Voor het primair onderwijs is feitelijke leegstand binnen het primair onderwijs
                    per definitie geschikt. Voor het voortgezet onderwijs is het moeilijker
                    feitelijke leegstand vast te stellen. Voor zover lokalen niet noodzakelijk zijn,
                    kunnen zij worden gebruikt door andere scholen.</al><al>Leegstand die in feite niet aanwezig is, omdat het gebouw minder lokalen telt
                    (zoals in de nulmeting geconstateerd) dan op basis van de normering mag worden
                    aangenomen, telt niet mee voor de mogelijkheden van medegebruik. Dit geldt
                    eveneens voor ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft
                    gerealiseerd en waarvoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten. Hieronder vallen
                    dus niet de zogenaamde eigendoms- en huurscholen.</al><al>Medegebruik is voor gemeenten een belangrijk instrument als het gaat om het
                    realiseren van de benodigde doelmatigheid.</al><al>Indien binnen redelijke termijn een ander geschikt gebouw vrijkomt, kan worden
                    bezien of gebruik maken van het vrijkomende gebouw een goede oplossing biedt
                    voor het huisvestingsprobleem. Ervan uitgaande dat door toepassing van een
                    meerjarenplanning samen met de schoolbesturen er optimaal zicht bestaat op het
                    vrijkomen van (onderwijs)gebouwen, kan hergebruik voor andere scholen worden
                    gekoppeld aan de meerjarenplanning. Overigens kan de gemeente in het kader van
                    ander beleid beslissen dat een vrijkomend schoolgebouw niet opnieuw voor
                    onderwijs wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld voor kinderopvang gaat dienen of
                    wordt afgebroken opdat aan die plaats een andere bestemming kan worden
                    gegeven.</al><al>De minimaal benodigde gebruiksduur om in aanmerking te kunnen komen voor (extra)
                    huisvesting is nu geharmoniseerd tussen primair onderwijs en voortgezet
                    onderwijs. Voor een permanent gebouw is die periode zesjaren. Voor een
                    niet permanent gebouw is deze periode twee<cursief> jaren</cursief> of meer.
                    Voor gebruik van minder dan twee jaren wordt uitgegaan van opvang binnen het
                    bestaande gebouw, bijvoorbeeld in de gemeenschapsruimte. Slechts indien dit
                    onmogelijk is, wordt een andere voorziening goedgekeurd. Daartoe is onder
                    uitbreiding in het basisonderwijs en in het (voortgezet) speciaal onderwijs een
                    beoordelingscriterium opgenomen.</al><tussenkop>Deel A</tussenkop><tussenkop>Lesgebouwen</tussenkop><al>Vervangende bouwkomt in het algemeen voort uit de slechte conditie van
                    een gebouw. Om uitspraken te kunnen doen over de (slechte) bouwkundige staat en
                    om verschillen in de bouwkundige toestand van verschillende gebouwen in een
                    volgorde te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk één techniek van schouwing voor
                    alle gebouwen te hebben, waaruit subjectieve factoren zo veel mogelijk zijn
                    geëlimineerd. Deze techniek, kan worden vastgesteld door burgemeester en
                    wethouders.</al><al>Vervangende bouw om andere dan bouwkundige redenen kan betrekking hebben op een
                    budgettair neutrale oplossing, een herschikkingsoperatie of verband houden met
                    ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. </al><al>Budgettair neutrale vervanging van een gebouw betekent dat daarvoor geen extra
                    kosten worden gemaakt. De kosten voor de gemeente mogen niet hoger zijn dan de
                    huidige kosten. Daarnaast kunnen – in overeenstemming met het aanvragende
                    schoolbestuur – eventuele gelden voor exploitatie van het schoolbestuur worden
                    ingezet.</al><al>Fusies kunnen aanleiding geven tot een herschikkingsoperatie, maar ook
                    bijvoorbeeld een flink overschot aan gymnastiekruimten. Doel van een
                    herschikkingsplan is in elk geval het realiseren van een optimale
                    huisvestingssituatie en een grotere doelmatigheid.</al><al>Bij de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening valt bijvoorbeeld te denken aan
                    stadsvernieuwing en het realiseren van een centrumplan, waarvoor het
                    noodzakelijk is dat het gebouw vervangen wordt.</al><al>Uit de nulmeting kan naar voren komen dat de feitelijke oppervlakte groter is
                    dan de genormeerde oppervlakte voor het aantal leerlingen dat in het gebouw kan
                    worden gehuisvest. In zo’n geval is er sprake van een zogenaamde
                    verschiloppervlakte. Bij een aanvraag voor uitbreiding zal in dat geval worden
                    bezien of de verschiloppervlakte niet kan worden betrokken bij de omvang van de
                    uitbreiding, met andere woorden, of niet (deels) inpandig de benodigde extra
                    capaciteit is te realiseren. Indien dit te duur is ten opzichte van uitbreiding,
                    dan wordt er van uitgegaan dat uitbreiding wordt gerealiseerd (zie ook bijlage
                    III, deel A).</al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas de noodzaak de capaciteit uit te
                    breiden, als ook met een 10% hogere gebruiksduur van de bestaande capaciteit er
                    onvoldoende capaciteit voor de school aanwezig is.</al><al>De wijze waarop de voorziening – na goedkeuring – wordt gerealiseerd, hangt af
                    van de normering die in bijlage III, deel C, is uitgewerkt. </al><al>De uitbreiding met een tweede speellokaal in het basisonderwijs is geen
                    afzonderlijke voorziening meer, maar is verdisconteerd in de
                    bruto-vloeroppervlakte per leerling. Op het punt van afstand heeft harmonisatie
                    met het speciaal onderwijs plaatsgevonden.</al><al>De mogelijkheid om een speciale school voor basisonderwijs uit te breiden met
                    een speellokaal is het gevolg van de invoering van de WPO. De schoolsoorten
                    so-lom en so-mlk zijn hierdoor opgegaan in de speciale scholen voor
                    basisonderwijs (sbo). Dit geldt ook voor een groot deel van de voormalige
                    afdelingen voor onderwijs aan in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk).
                    Circa 80% van deze afdelingen was verbonden aan een lom- of mlk-school. Aan lom-
                    of mlk-scholen zonder een dergelijke afdeling konden onder de ISOVSO alleen
                    kinderen vanaf zes jaar worden toegelaten. Onder de WPO is dit veranderd.
                    Evenals het geval is bij reguliere basisscholen kunnen tot een sbo kinderen
                    vanaf vier jaar worden toegelaten; dit voorzover de binnen het desbetreffende
                    samenwerkingsverband primair onderwijs werkzame ‘permanente commissie
                    leerlingenzorg’ heeft vastgesteld dat plaatsing van het jonge kind op een sbo
                    noodzakelijk is. Onder de WPO kan het dan ook voorkomen dat kinderen jonger dan
                    zes jaar worden geplaatst op een sbo die bouwkundig niet is berekend op
                    onderwijs aan de jongste kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een
                    speellokaal, maar ook om het realiseren van bouwkundige integratievoorzieningen
                    (het vervangen van hoge toiletpotten door kleine; het maken van een zgn. natte
                    hoek in de ruimten bestemd voor de jongste kinderen; zie de wijziging onder
                    ‘1.10 Aanpassing’).</al><al>Aangezien het om relatief dure voorzieningen gaat, dient uit oogpunt van een
                    verantwoorde besteding van de middelen een drempel te worden gesteld. Dit om te
                    voorkomen dat de voorzieningen moeten worden getroffen voor een zeer gering
                    aantal leerlingen. Deze drempel bestaat uit twee elementen:</al><al>– De sbo moet bezocht worden door minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar. Dit
                    aantal leerlingen is afgeleid van de groepsgrootte zoals die gold voor
                    iobk-leerlingen.</al><al>– Aan de hand van een prognose moet aannemelijk worden gemaakt dat de sbo
                    waarvoor de voorziening wordt getroffen, voor minimaal 6 jaar levensvatbaar
                    is.</al><al>De gemeente kan bij de toetsing van een aanvraag van een sbo ook nadrukkelijk
                    kijken naar de bepalingen over de opvang van de jonge risico leerlingen in het
                    zorgplan van het samenwerkingsverband wsns. De samenwerkingsverbanden hebben in
                    hun zorgplan namelijk opgenomen waar welke zorg noodzakelijk wordt geacht. In
                    aanvulling hierop kan gemeente over de gebouwlijke consequenties van de WPO
                    afstemming zoeken met de schoolbesturen uit het samenwerkingsverband. </al><al>Bij een sbo waaraan voor de inwerkingtreding van de WPO een iobk-afdeling was
                    verbonden, doet de noodzaak voor het treffen van bovengenoemde voorzieningen
                    zich niet voor. Het gebouw van een dergelijke school is immers al berekend op de
                    opvang van de jongste kinderen. </al><al>Bij mogelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan
                    spelen bij de toekenning, naast de ligging, ook de omvang en de kwaliteit een
                    belangrijke rol. Voor de ligging zij verwezen naar hetgeen hiervoor is gesteld.
                    De omvang maakt een nauwkeurige beoordeling van de noodzakelijke aanpassingen
                    nodig (tenzij het een gebouw betreft dat reeds voor onderwijs geschikt is).
                    Indien de kosten samen met de (eventuele) verwervingskosten te hoog zijn (het
                    ministerie van OCenW hield daarvoor 70 procent van de kosten van nieuwbouw aan),
                    is de vraag gerechtvaardigd of vervangende bouw niet een betere optie is.
                    Natuurlijk staat het de gemeente vrij hiertoe te besluiten (en daarmee af te
                    wijken van dit percentage), bijvoorbeeld in verband met de locatie, het
                    (monumentale) gebouw of het ontbreken van alternatieve mogelijkheden voor
                    huisvesting binnen de wijk. Ook ontstaat hier – evenals bijvoorbeeld bij het
                    bijbouwen van noodlokalen – een onderhandelingssituatie, waarbij alternatieven
                    worden bezien en gewaardeerd.</al><al>Ingebruikneming is ook mogelijk bij de situaties waarbij vervanging van een
                    bestaand gebouw aan de orde is, namelijk als: </al><al>– dit per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al><al>– er sprake is van een herschikkingsoperatie; </al><al>– dit noodzakelijk is in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                    ordening.</al><al>Daarnaast is een ingebruikneming mogelijk als er uitbreiding van het huidige
                    schoolgebouw aan de orde is.</al><al>Het automatisme bij de toewijzing van terrein in het primair onderwijs is
                    verlaten. Indien terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele
                    toestemming voor een andere huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden. </al><al>Met ingang van 2009 is – zoals al eerder voor het voortgezet onderwijs - voor
                    het primair onderwijs de eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
                    gekoppeld aan het toekennen van een huisvestingsvoorziening. </al><al>De voorwaarde hierbij is dat voor de toegekende huisvestingsvoorziening niet
                    eerder bekostiging van de inrichting heeft plaatsgevonden.</al><al>Indien artikel 7, vierde lid, van de verordening ook van toepassing is verklaard
                    op eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair, dan is de passage ‘de
                    laatste teldatum voorafgaande aan de indiening van de aanvraag’ vervangen door:
                    ‘de meest recente teldatum’.</al><al>In bijlage III wordt de omvang van de toeslag bepaald (bij de wijzigingen in
                    ‘Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling, Deel C de bepaling van de
                    omvang van de toekenning’ wordt ook een rekenvoorbeeld voor toekenning van de
                    toeslag beschreven) en in bijlage IV wordt een financiële normering van de
                    toeslag weergegeven.</al><al>De mogelijkheid om een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs
                    geschikt te maken voor kinderen jonger dan 6 jaar is het gevolg van de invoering
                    van de WPO. Onder de WPO kan het voorkomen dat kinderen jonger dan zes jaar
                    worden geplaatst op een sbo die bouwkundig niet is berekend op onderwijs aan de
                    jongste kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een speellokaal, maar
                    ook om het realiseren van bouwkundige integratievoorzieningen. Onder 1.3.2b
                    wordt de mogelijkheid geboden om een sbo uit te breiden met een speellokaal. Met
                    deze wijziging wordt voorzien in de mogelijkheid om het gebouw geschikt te maken
                    voor kinderen jonger dan 6 jaar. Het gaat hierbij om de volgende aanpassingen:
                    het vervangen van hoge toiletpotten door kleine, het maken van een zgn. natte
                    hoek in de ruimten bestemd voor de jongste kinderen. In het voorkomende geval
                    dient het gebouw hierop te worden aangepast. De hoogte van de noodzakelijke
                    investering is sterk afhankelijk van het gebouw en de noodzakelijke
                    aanpassingen. Gezien de verscheidenheid aan mogelijke aanpassingen is een
                    normvergoeding niet aan te geven; deze aanpassing wordt (net als de overige
                    soorten aanpassingen) bekostigd op basis van de feitelijke kosten. </al><al>Ook hier dient uit oogpunt van een verantwoorde besteding van de middelen een
                    drempel te worden gesteld. Dit om te voorkomen dat de voorzieningen moeten
                    worden getroffen voor een zeer gering aantal leerlingen. De gestelde drempel is
                    vergelijkbaar met de drempel voor het toekennen van een speellokaal aan een
                    sbo.</al><al>Bij herstel van constructiefouten is het van (groot) belang daadwerkelijk vast
                    te stellen dat het gaat om een constructiefout. </al><al>Vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>Bij bepaling van de omvang van de vervanging of het herstel van schade in geval
                    van bijzondere omstandigheden kan rekening worden gehouden met de situatie van
                    de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school
                    met acht lokalen worden vervangen door een kleiner gebouw met zes lokalen, omdat
                    de school zes groepen leerlingen telt, terwijl uit de prognose blijkt dat het
                    onwaarschijnlijk is dat de school de eerste zes jaren meer dan zes groepen zal
                    krijgen. Indien de schade is verzekerd, doet de gemeente er verstandig aan eerst
                    na te gaan op welke basis de verzekeraar tot uitkering overgaat.</al><tussenkop>Deel B</tussenkop><tussenkop>Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Bij de voorzieningen voor de lichamelijke oefening is steeds sprake van
                    gymnastiekruimte. De definitie van gymnastiekruimte omvat niet enkel het
                    traditionele gymnastieklokaal bij het schoolgebouw maar ook het gebruik van de
                    (gemeentelijke) sporthal. De verwijzing strekt zich niet enkel uit over de
                    aanwezige ruimten, maar ook over de ruimten die binnenkort worden gerealiseerd.
                    Zo kan bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk het aanvragende schoolbestuur voor het
                    bewegingsonderwijs worden verwezen naar de sporthal die de gemeente daar op
                    korte termijn gaat bouwen. Op deze wijze kan optimaal gebruik worden gemaakt van
                    de aanwezige ruimte. In feite wordt voorafgaand aan elke beslissing – nieuwbouw,
                    uitbreiding en ingebruikneming – bezien of niet door medegebruik de gevraagde
                    voorziening overbodig is. Overigens laat de praktijk zien dat eventueel vervoer
                    naar een verder weg gelegen gymnastiekruimte een goed alternatief kan zijn.
                    Uiteraard is hiervoor overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk.</al><al>Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt met gymnastiekruimte tevens
                    bedoeld een lokaal voor motorische therapie en een schoolbad (watergewenningsbad
                    of hydrotherapiebad). Vanzelfsprekend deze laatste twee enkel voor de
                    onderwijssoorten waarvoor een dergelijke ruimte verplicht is.</al><al>Een hydrotherapiebad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs ten behoeve van lichamelijk gehandicapte kinderen en voor een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig gehandicapte
                    kinderen met een lichamelijke handicap. </al><al>Een watergewenningsbad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs ten behoeve van zeer moeilijk lerende kinderen en een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig gehandicapten
                    met zeer moeilijk lerende kinderen.</al><al>Bij andere vormen van (voortgezet) speciaal onderwijs worden deze baden niet
                    noodzakelijk geacht en komen ze niet voor.</al><al>Om vast te stellen of er daadwerkelijk medegebruik mogelijk is, wordt gekeken
                    naar de klokuurnorm zoals de gemeenteraad die voor het primair onderwijs heeft
                    vastgesteld en naar het rooster. Voor het voortgezet onderwijs is enkel het
                    rooster van belang. </al><al>In tegenstelling tot de situatie voor 1997 wordt het maken van was- en
                    kleedgelegenheden in gymnastiekruimten niet meer als uitbreiding gezien maar als
                    aanpassing. Dit ondanks het feit dat het maken van deze ruimtes fysiek meestal
                    een uitbreiding van het gebouw tot gevolg heeft.</al><al>Het maken van douches in plaats van wasbakken in gymnastiekruimten behoort ook
                    tot de aanpassingen, met name tot het voldoen aan wet- en regelgeving (eisen met
                    betrekking tot hygiëne).</al><al>Aanvullend meubilairvoor het bewegingsonderwijs kan als eerste
                    inrichting worden verstrekt, wanneer men gaat van een kleine zaal (oefenvloer)
                    naar een grote en wanneer nog niet eerder het complete meubilair is
                    verstrekt.</al><tussenkop>TOELICHTING Bijlage II</tussenkop><al>In veel gevallen dient ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag voor een
                    huisvestingsvoorziening een prognose van leerlingenaantallen te worden overlegd.
                    Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de noodzaak van een
                    aangevraagde voorziening. De verordening geeft de verordening het college de
                    bevoegdheid nadere regels vast te stellen. </al><tussenkop>TOELICHTING Bijlage III</tussenkop><tussenkop>Deel A De bepaling van de capaciteit</tussenkop><tussenkop>School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>Capaciteit van de gebouwen</tussenkop><al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de nulmeting
                    en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar
                    ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in een aantal vierkante meter bruto
                    vloeroppervlakte. Omdat de bestaande bruto vloeroppervlakte bepaalt of bij groei
                    wel of niet een uitbreiding zal plaatsvinden wordt van alle gebouwen de bruto
                    vloeroppervlakte vastgelegd.</al><al>Lang niet alle gebouwen voldoen aan de voor de decentralisatie gehanteerde
                    oppervlaktenormering. Vooral veel oudere gebouwen hebben meer m² BVO dan de
                    genormeerde bruto vloeroppervlakte die bij het aantal lokalen behoort waarover
                    het gebouw beschikt. In die gevallen moet bekeken worden of de vaststelling van
                    een gecorrigeerde oppervlakte noodzakelijk is. Wel moet bij een uitbreiding van
                    een gebouw worden bekeken of een gedeelte van de overdimensionering kan worden
                    gebruikt voor de uitbreiding.</al><al>Door de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school kan bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden
                    wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te
                    zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Een dergelijke
                    vermindering van de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar komende
                    ruimten kan alleen in overeenstemming met het schoolbestuur worden doorgevoerd.
                    Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch eigenaar van het
                    schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande lokalen worden
                    ingezet.</al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    ‘eigen gebruik voor medegebruik’ veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd
                    optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school. Overigens
                    betekent een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking
                    kan komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of
                    te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen
                    elders.</al><tussenkop>Rangordebepaling</tussenkop><al>Indien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en
                    dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het
                    leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en zo
                    ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen
                    het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden
                    afgestoten dan grotere gebouwen. Er zijn redenen denkbaar om voor een andere
                    rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld een kleinere dislocatie kan structureel
                    voldoende huisvesting bieden en door de rangorde aan te passen kan de grotere
                    dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk geval stelt het college, na
                    overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde van de dislocaties vast.</al><tussenkop>Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de eerste keer
                    geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                    registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet
                    overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het openbaar
                    onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen en
                    andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd. </al><tussenkop>Inventaris</tussenkop><al>De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat
                    uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Er wordt van uitgegaan dat inventaris is
                    verstrekt voor het aantal (gecorrigeerde) vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                    van het schoolgebouw op 1 januari 2015.</al><tussenkop>Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van
                    een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    basisonderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt. Een school voor het
                    basisonderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan 26
                    klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan
                    behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten
                    behoeve van de betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze
                    gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor
                    de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een
                    andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van
                    de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden. </al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding
                    van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                    terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd. </al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de
                    invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar
                    medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het
                    meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in
                    gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><tussenkop>(Voortgezet) speciaal onderwijs </tussenkop><tussenkop>Capaciteit van de gebouwen</tussenkop><al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de nulmeting
                    en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar
                    ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in een aantal vierkante meter bruto
                    vloeroppervlakte. Omdat de bestaande bruto vloeroppervlakte bepaalt of bij groei
                    wel of niet een uitbreiding zal plaatsvinden wordt van alle gebouwen de bruto
                    vloeroppervlakte vastgelegd.</al><al>Lang niet alle gebouwen voldoen aan de voor de decentralisatie gehanteerde
                    oppervlaktenormering. Vooral veel oudere gebouwen hebben meer m² BVO dan de
                    genormeerde bruto vloeroppervlakte die bij het aantal lokalen behoort waarover
                    het gebouw beschikt. In die gevallen moet bekeken worden of de vaststelling van
                    een gecorrigeerde oppervlakte noodzakelijk is. Wel moet bij een uitbreiding van
                    een gebouw worden bekeken of een gedeelte van de overdimensionering kan worden
                    gebruikt voor de uitbreiding.</al><al>Door de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school kunnen bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar
                    beneden wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten
                    in te zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Een dergelijke
                    vermindering van de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar komende
                    ruimten kan alleen in overeenstemming met het schoolbestuur worden doorgevoerd.
                    Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch eigenaar van het
                    schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande lokalen worden
                    ingezet.</al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    ‘eigen gebruik voor medegebruik’ veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd
                    optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school. Overigens
                    betekent een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking
                    kan komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of
                    te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen
                    elders.</al><tussenkop>Rangordebepaling</tussenkop><al>Indien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en
                    dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het
                    leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en zo
                    ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen
                    het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden
                    afgestoten dan grotere gebouwen. Er zijn redenen denkbaar om voor een andere
                    rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld: kan een kleinere dislocatie structureel
                    voldoende huisvesting bieden en kan door de rangorde aan te passen de grotere
                    dislocatie worden afgestoten? In een dergelijk geval stelt het college, na
                    overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde vast.</al><tussenkop>Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte in het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt voor de
                    eerste keer geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                    kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                    niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het
                    openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd. </al><tussenkop>Inventaris</tussenkop><al>De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat
                    uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Er wordt van uitgegaan dat inventaris is
                    verstrekt voor het aantal (gecorrigeerde) vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                    van het schoolgebouw op 1 januari 2015.</al><tussenkop>Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Het is van belang de capaciteit van de gymnastiekruimten vast te stellen vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren gebruik van een
                    gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt. Een school voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs kan gezien de schooltijden van de school
                    echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien
                    een school aanspraak maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere
                    gymnastiekruimte dan behorende bij de school wordt de capaciteit van deze
                    gymnastiekruimte ten behoeve van de desbetreffende school bepaald door het
                    aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden
                    van de school waarvoor de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft een
                    gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair of voortgezet
                    onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een accommodatie beheerd
                    door derden. </al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte betreft de oppervlakte zoals deze
                    is geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte
                    gelegen zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op
                    een afzonderlijk terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw,
                    wordt de terreinoppervlakte geregistreerd. </al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de
                    invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar
                    medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het
                    meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in
                    gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><tussenkop>Voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw voor het voortgezet onderwijs
                    wordt bepaald aan de hand van III-2, de ‘Meetinstructie voor het vaststellen van
                    de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’.
                    Door de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school kan bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden
                    wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te
                    zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Een dergelijke
                    vermindering van de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar komende
                    ruimten kan alleen in overeenstemming met het schoolbestuur worden doorgevoerd.
                    Schoolbesturen zijn immers – over het algemeen – juridisch eigenaar van het
                    schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande lokalen worden
                    ingezet.</al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    ‘eigen gebruik voor medegebruik’ veroorzaakt dat het – vaak al geruime tijd
                    optredende – medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school. Overigens
                    betekent een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking
                    kan komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of
                    te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen
                    elders.</al><al>In het voortgezet onderwijs kan de belangstelling van leerlingen voor de
                    verschillende onderwijssoorten/studierichtingen binnen instellingen sterk
                    variëren, ook zonder dat het totale volume wijzigt. Dat heeft van tijd tot tijd
                    wijzigingen van de functies van ruimten tot gevolg. </al><al>Een momentopname van gebouwgegevens op een niveau van afzonderlijke (les)ruimten
                    is, gelet op deze eigen verantwoordelijkheid van schoolbesturen, niet
                    zinvol.</al><tussenkop>Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de registratie in de
                    kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                    niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het
                    openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd. </al><tussenkop>Inventaris</tussenkop><al>De toekenning van inventaris is in het voortgezet onderwijs vanaf de
                    invoeringsdatum van de decentralisatie gekoppeld aan de toekenning van een
                    voorziening in de huisvesting. Er wordt van uitgegaan dat inventaris is
                    verstrekt voor het aantal (gecorrigeerde) vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                    van het schoolgebouw op 1 januari 2015.</al><tussenkop>Gymnastieklokalen</tussenkop><al>Het gegeven ‘aantal gymnastieklokalen in eigendom’ heeft de gemeente nodig om
                    bij een aanvraag voor toewijzing van klokuren gymnastiek door een VO-instelling
                    te kunnen beoordelen hoeveel uren de school in de eigen huisvesting kan
                    verzorgen.</al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van
                    een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal lesuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    voortgezet onderwijs kan 40 lesuren worden gebruikt. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) gedurende een aantal lesuren op het gebruik van een andere
                    gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze
                    gymnastiekruimte het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is
                    gedurende de schooltijden van de school waarvoor de lesuren noodzakelijk zijn.
                    Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair
                    of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een
                    sportaccommodatie beheerd door derden. </al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding
                    van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                    terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd. </al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling
                    van het noodzakelijke aantal lesuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik
                    van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair
                    niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik
                    gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><tussenkop>Deel B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</tussenkop><tussenkop>School voor basisonderwijs</tussenkop><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een basisschool houdt in dat wordt bezien
                    hoe groot de capaciteitsbehoefte van de desbetreffende school is in relatie tot
                    de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de noodzakelijke
                    capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt uitgedrukt in vierkante meter
                    bruto vloeroppervlakte. Hierbij wordt ook de huisvestingsbehoefte als gevolg van
                    de weging meegenomen. Er wordt dus - ook voor de behoefte op lange termijn -
                    gerekend met de gewogen leerlingen. Afhankelijk van de termijn waarvoor de
                    huisvesting nodig is, wordt uitgegaan van een niet permanent gebouw (2-5 jaren)
                    of een permanent gebouw (6 jaren of meer).</al><al>Zowel voor een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs bestaat
                    de ruimtebehoefte uit een basisruimtebehoefte en een aantal m² per leerling.
                    Voor een basisschool is er vervolgens nog een toeslag voor de weging. </al><tussenkop>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs houdt in dat wordt bezien hoe groot de capaciteitsbehoefte van de
                    desbetreffende school is in relatie tot de eventueel reeds aanwezige capaciteit.
                    De omvang van de noodzakelijke capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt
                    uitgedrukt in vierkante meter bruto vloeroppervlakte.</al><al>Ook bij het (voortgezet) speciaal onderwijs is sprake van een
                    basisruimtebehoefte en een aantal m² per leerling. De schoolsoorten zijn
                    ingedeeld in drie categorieën, waarvan een voor het zmlk onderwijs. In het
                    vso-zmlk is in 2008 de n-factor voor de berekening van de formatie verlaagd naar
                    7. De effecten hiervan voor de huisvesting zijn door het rijk slechts
                    gedeeltelijk gecompenseerd. Daarom is voor het vso-zmlk aan afwijkende normering
                    opgenomen.</al><tussenkop>School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte in het voortgezet onderwijs gaat aan de hand
                    van het ruimtebehoeftemodel. In dit model wordt op basis van een tweetal
                    componenten de ruimtebehoefte bepaald. De ruimtebehoefte is enerzijds
                    afhankelijk van het aantal leerlingen dat de school bezoekt en anderzijds
                    afhankelijk van kenmerken van de school (zoals de aard van de vestiging en het
                    onderwijsaanbod).</al><al>Met behulp van tabel 7.1.a kan op basis van het aantal leerlingen per
                    onderwijssoort de zogenaamde leerlinggebonden component worden bepaald. </al><al>Een voorbeeld: Het Lokale Lyceum</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="18*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="12*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Ruimtesoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>BVO/II</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>aantal II</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>BVO</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>onderbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>–</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al> 618</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>avo/vwo</al></entry><entry colname="col2"><al>–</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry><entry colname="col5"><al>200</al></entry><entry colname="col6"><al> 1170</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>totaal</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemene ruimte</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al><cursief>300</cursief></al></entry><entry colname="col6"><al><cursief> 1788</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Daarna wordt de vaste voet van de instelling berekend aan de hand van tabel
                    7.1.b. </al><al>De school uit het voorbeeld, Het Lokale Lyceum is een hoofdvestiging en heeft
                    geen afdeling waarin de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden. De vaste voet
                    van Het Lokale Lyceum bedraagt dus 980 vierkante meter Algemene Ruimte. Het
                    totale ruimtebeslag van Het Lokale Lyceum komt dus op 2768 m² bruto
                    vloeroppervlakte Algemene Ruimte.</al><al>Een school komt in aanmerking voor een vaste voet per afdeling als op deze
                    school de beroepsgerichte leerweg voor deze afdeling wordt aangeboden.
                    Uitgangspunt daarbij is dat de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg wordt
                    aangeboden zo veel mogelijk wordt gefaciliteerd ten behoeve van het
                    beroepsgericht onderwijs. Pas als op de instelling de beroepsgerichte leerweg
                    van een bepaalde afdeling of sector wordt aangeboden, mag voor die afdeling of
                    sector ook de leerwegondersteunende of de gemengde leerweg worden
                    aangeboden.</al><tussenkop>Deel C De bepaling van de omvang van de toekenning</tussenkop><tussenkop>School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>Permanente en niet permanente gebouwen</tussenkop><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal leerlingen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                    voorzieningen. Hierin wordt dus ook de weging meegenomen. Voor een permanent
                    gebouw dient sprake te zijn van een huisvestingsbehoefte van tenminste 6 jaren.
                    Indien extra huisvesting nodig is voor een periode van twee tot zes jaar, dan
                    wordt uitgegaan van een niet-permanente bouwwijze. </al><al>De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal
                    leerlingen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                    voorzieningen. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig
                    dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is.</al><al>Bij uitbreiding, ingebruikneming en medegebruik moet er sprake zijn van de
                    uitbreiding van de capaciteit met een minimum aantal vierkante meter.</al><tussenkop>Overige voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D,
                    gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen.
                    De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de
                    terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw. </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket of de uitbreiding
                    hiervan voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald door de omvang in
                    vierkante meter van de goedgekeurde voorziening.</al><al>In plaats van de teldatum voorafgaande aan de indiening van de aanvraag, is ook
                    mogelijk om de meest recente teldatum te hanteren voor het toetsen welke omvang
                    de toekenning dient te hebben. Voor een toelichting op deze mogelijkheid wordt
                    verwezen naar de toelichting bij bijlage I, onderdeel a lesgebouwen.</al><tussenkop>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>Permanente en niet permanente gebouwen</tussenkop><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal leerlingen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                    voorzieningen. Voor een permanent gebouw dient sprake te zijn van een
                    huisvestingsbehoefte van tenminste 6 jaren. Indien extra huisvesting nodig is
                    voor een periode van twee tot zes jaar, dan wordt uitgegaan van een
                    niet-permanente bouwwijze. </al><al>De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal
                    leerlingen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                    voorzieningen. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig
                    dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is.</al><al>Bij uitbreiding, ingebruikneming en medegebruik moet er sprake zijn van de
                    uitbreiding van de capaciteit met een minimum aantal vierkante meter.</al><tussenkop>Overige voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D,
                    gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen.
                    De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de
                    terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw. </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket of de uitbreiding
                    hiervan voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald door
                    de omvang in vierkante meter van de goedgekeurde voorziening.</al><tussenkop>School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>Permanent gebouw</tussenkop><al>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald met
                    behulp van het Ruimtebehoeftemodel, dat staat beschreven in deel B van deze
                    bijlage en het bijbehorende gedeelte van de toelichting.</al><al>In de toekenningscriteria (Bijlage I) is bepaald, dat voor de beoordeling of een
                    instelling voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening in aanmerking
                    komt de beschikbare capaciteit met tien procent wordt verhoogd. Vervolgens wordt
                    bezien of de ruimtebehoefte op basis van de leerlingprognose voor langer dan zes
                    jaar deze verhoogde capaciteit overschrijdt.</al><al>Indien zulks het geval is wordt de omvang van de voorziening bepaald door
                    vaststelling van het verschil tussen de werkelijk beschikbare capaciteit (100%)
                    en de uitkomst van het ruimtebehoeftemodel (tabellen 7.1.a en 7.1.b).</al><al>Met behulp van het RBM kan geen normatief lokalenplan worden opgesteld. Om te
                    bepalen wat de leegstand binnen de onderwijsruimten is, zal een toets moeten
                    plaatsvinden of er binnen het huidige lesrooster sprake is van onderbezetting.
                    In geval van medegebruik door een andere school voor voortgezet onderwijs moet
                    bekeken worden of de lesroosters van de scholen zo op elkaar kunnen worden
                    afgestemd dat overschotten en tekorten elkaar opheffen. In geval van medegebruik
                    door een school voor primair onderwijs zal gekeken moeten worden of binnen het
                    lesrooster een of meer lokalen leeggeroosterd kunnen worden.</al><al>Het lesrooster en het feitelijke lokalenplan zijn bepalend bij de bepaling van
                    de leegstand. Het is nu van belang om enerzijds te toetsen of het lesrooster
                    redelijk is. Is het aantal ingeroosterde lessen bijvoorbeeld niet hoog in
                    verhouding tot het aantal leerlingen? Aan de hand van een aantal criteria kan
                    het lesrooster getoetst worden, bijvoorbeeld dat het gemiddeld aantal lessen in
                    de week niet boven de 29 uur uitkomt en dat een theorielokaal minimaal voor 32
                    uur in de week ingeroosterd kan worden. Aan de hand van het lokalenplan (bij
                    voorkeur een plattegrond van de school) kan bepaald worden of alle lokalen wel
                    ingeroosterd zijn of waarom in bepaalde lokalen de bezetting maximaal 16 is in
                    plaats van 26 leerlingen.</al><al>Om nu te bezien of het feitelijk lesrooster redelijk is, in verhouding tot de
                    bepaling van de ruimtebehoefte van de instelling, wordt het aan de hand van de
                    volgende criteria getoetst:</al><al>– aantal lessen per week komt niet boven de 29 lesuur per week (excl. gym);</al><al>– het aantal lessen lichamelijke oefening komt niet boven de 3 lesuur per
                    week;</al><al>– de gemiddelde groepsgrootte is 26 leerlingen. Uitzondering vormen het
                    praktijkonderwijs (14 leerlingen en het leerwegondersteunend onderwijs 16
                    leerlingen);</al><al>– het normatieve gebruik per week ligt voor algemene ruimten op 32 uur per week.
                    Voor specifieke lokalen en werkplaatsen ligt het normatieve gebruik op 24 uur
                    per week;</al><al>– gemiddeld past een hele groep (klas) in een onderwijsruimte. Alleen ruimten
                    voor machinale houtbewerking en de lasserij zijn geschikt voor maximaal 8
                    leerlingen;</al><al>– een lesuur duurt 50 minuten. Wordt uitgegaan van lesuren van 45 minuten dan
                    wordt het aantal lessen per week naar rato verhoogd.</al><al>Voor de bepaling van de omvang voorziening ingebruikneming en medegebruik wordt
                    de beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent.</al><tussenkop>Niet permanent gebouw</tussenkop><al>Met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (tabel 7.1) wordt op basis van het
                    leerlingenaantal, dat voortvloeit uit de leerlingprognose voor een periode
                    langer dan twee jaar en korter dan zes jaar de ruimtebehoefte bepaald.
                    Vergelijking van deze ruimtebehoefte met de met tien procent verhoogde
                    beschikbare capaciteit geeft als resultaat de omvang van de goedgekeurde
                    tijdelijke voorziening, uitgedrukt in m² bruto vloeroppervlakte. </al><al>Voor tijdelijke voorzieningen wordt deze oppervlakte niet naar lokaalsoort
                    toegedeeld. De toekenning vindt plaats op het niveau bruto m² lesruimte per
                    instelling. Voor de bepaling van de voorziening ingebruikneming, medegebruik en
                    verplaatsing van noodlokalen wordt de beschikbare capaciteit verhoogd met tien
                    procent.</al><tussenkop>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen is rechtstreeks
                    gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting, die een
                    vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben (zie ook bijlage I,
                    paragraaf 3.7).</al><tussenkop>Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De bepaling van de omvang van de verschillende voorzieningen in de huisvesting,
                    die gymnastiekruimte betreffen, verloopt, onder toepassing van het
                    Ruimtebehoeftemodel, analoog aan de bepaling van de omvang van toekenningen voor
                    lesgebouwen.</al><al>Voor de bepaling van het aantal in medegebruik te geven lessen gymnastiek is het
                    lesrooster maatgevend. Het maximale aantal lestijden gymnastiek kan met de in
                    paragraaf 3.4 gegeven formule worden berekend.</al><tussenkop>Deel D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</tussenkop><al>De wet geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te
                    nemen met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen. In de
                    modelverordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen. Enerzijds omdat
                    op die wijze de autonomie van een schoolbestuur zo groot mogelijk is, anderzijds
                    omdat naar aanleiding van het Bouwbesluit reeds een aantal centrale eisen aan
                    schoolgebouwen gesteld worden.</al><tussenkop>TOELICHTING BIJLAGE IV</tussenkop><al>In deze bijlage is de systematiek opgenomen op basis waarvan toegekende
                    voorzieningen worden bekostigd. De bijlage valt uiteen in twee mogelijke
                    vergoedingsmethoden, namelijk:</al><al>– vergoeding op basis van normbedragen (deel A);</al><al>– vergoeding op basis van feitelijke kosten (deel B).</al><al>In deel C is vervolgens de systematiek weergegeven op basis waarvan
                    medegebruikstarieven kunnen worden vastgesteld.</al><al>De keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis van
                    feitelijke kosten dient vooraf te worden vastgelegd in artikel 4 van de
                    verordening. In deze verordening zijn zoveel mogelijk vergoedingen genormeerd.
                    Slechts indien normering niet mogelijk is, dan wel tot irreële uitkomsten leidt,
                    is afgezien van normering.</al><tussenkop>Deel A Vergoeding op basis van normbedragen</tussenkop><tussenkop>Procentuele normvergoeding voor bouwvoorbereiding</tussenkop><al>In de artikelen 3, 4 en 25 t/m 28 van de modelverordening is een aantal regels
                    gegeven voor het toekennen van een vergoeding voor bouwvoorbereiding. In de
                    toelichting bij deze artikelen is aangegeven dat de vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding is opgenomen in de genormeerde bedragen in Deel A van Bijlage
                    IV. Dit betekent dat, indien een genormeerde vergoeding voor bouwvoorbereiding
                    (uitgedrukt in een percentage van de bouwkosten) wordt verstrekt, deze
                    vergoeding in mindering moet worden gebracht op de genormeerde vergoeding voor
                    de uiteindelijke realisering van de voorziening. Het hiervoor genoemde
                    percentage is gebaseerd op de veronderstelling dat de aanvrager de bouw
                    voorbereidt tot aan het moment van aanbesteding (dus inclusief de opstelling van
                    het bestek, bouwvoorbereidingstekeningen en de begroting).</al><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke
                    voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair, onderhoud en
                    gymnastiek genormeerde bedragen opgenomen. De betreffende bedragen worden
                    jaarlijks geïndexeerd.</al><tussenkop>Nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><al>Voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw is zoveel mogelijk
                    genormeerd op een startbedrag (vaste voet) en een bedrag per vierkante meter.
                    Hiernaast kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen worden gegeven voor
                    het realiseren van een speellokaal bij een speciale school voor basisonderwijs,
                    lift, sloopkosten en verhuiskosten.</al><al>In de modelverordening van de VNG is alleen voorzien in verhuiskosten bij
                    vervangende nieuwbouw. Uit de ervaringen uit het verleden is gebleken dat er ook
                    andere situaties zijn, waarbij een verhuizing van de het onderwijsleerpakket en
                    het meubilair aan de orde kan zijn. Te denken valt aan verhuizing van een of
                    meer groepen naar een tijdelijke locatie, ingebruikneming van een ander gebouw.
                    De regeling heeft dus alleen betrekking op onderwijsleerpakket en meubilair
                    (inclusief schoolborden) in het schoolgebouw. Of bij een tijdelijke locatie ook
                    voorzieningen als zandbak en speeltoestel verplaatst moeten worden zal van geval
                    tot geval bekeken moeten worden in het kader van de besluitvorming over de
                    tijdelijke voorziening.</al><al>Op grond van een wijziging van het bouwbesluit dient een gehandicapte persoon
                    zelfstandig van een gebouw gebruik te kunnen maken. Bij nieuwbouw of uitbreiding
                    is een liftinstallatie voortaan voorgeschreven. Afhankelijk van de te verwachten
                    gebruiksintensiviteit wordt bezien wat voor liftinstallatie noodzakelijk is. Op
                    basis hiervan wordt de hoogte van de toeslag bepaald.</al><al>Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze
                    kosten met de ligging sterk kunnen variëren. </al><tussenkop>Niet permanent gebouw</tussenkop><al>Op basis van de in 2002 door het college vastgestelde nota Ambitie en Beleid
                    wordt bij een niet permanent gebouw uitgegaan van een gebruiksduur van tenminste
                    twee jaren en maximaal vijf jaren.</al><al>Een tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                    noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door
                    middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging
                    tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte
                    gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol
                    spelen.</al><al>Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen
                    tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een
                    permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een
                    bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is er
                    geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er een extra toeslag moet worden
                    gegeven om voorzieningen als directieruimten, lerarenkamer, conciërgeruimte en
                    dergelijke (toeslag hoofdlocatie) te kunnen realiseren. Indien er wel een
                    permanent hoofdgebouw aanwezig is, maar nog geen tijdelijke voorziening, komt de
                    aanvrager bij plaatsing van het eerste tijdelijke lokaal in aanmerking voor een
                    toeslag t.b.v. een entree en een garderobe (toeslag eerste lokaal). Indien er
                    reeds een tijdelijke accommodatie aanwezig is, die moet worden uitgebreid, kan
                    worden volstaan met de toekenning van de bedragen (gebaseerd op 80 m²) exclusief
                    de toeslagen.</al><al>Indien tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                    aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                    noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                    schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw huren.
                    Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel
                    B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><tussenkop>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De vergoeding voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt
                    vanaf 2009 bepaald door een vast bedrag en een bedrag per vierkante meter.
                    Inrichting voor een tweede speellokaal voor een basisschool wordt geacht in de
                    vergoeding verdisconteerd te zitten. Een speciale school voor basisonderwijs
                    komt wel voor bekostiging van de inrichting van een speellokaal in
                    aanmerking.</al><tussenkop>Gymnastiek</tussenkop><al>De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en
                    uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie en eerste inrichting met
                    onderwijsleerpakket/meubilair. Daarnaast zijn in een door het college
                    vastgestelde beleidsregel bedragen opgenomen voor de klokuurvergoeding
                    (materiële exploitatie), welke van toepassing zijn bij gebruik van een ‘eigen’
                    gymnastiekzaal en bij medegebruik/huur van een gymnastiekaccommodatie. </al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke
                    voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair en gymnastiek
                    genormeerde bedragen opgenomen. De bedragen worden jaarlijks geïndexeerd.</al><tussenkop>Nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><al>Voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw is zoveel mogelijk
                    genormeerd op een startbedrag (vaste voet) voor een vaste voet en een bedrag per
                    vierkante meter. Hiernaast kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen
                    worden gegeven voor fundering, het realiseren van een speellokaal, sloopkosten
                    en verhuiskosten. Voor een nadere toelichting ten aanzien van verhuiskosten
                    wordt verwezen naar de toelichting bij het basisonderwijs. Kosten voor de
                    verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de
                    ligging sterk kunnen variëren. </al><tussenkop>Niet permanent gebouw</tussenkop><al>Op basis van de in 2002 door het college vastgestelde nota Ambitie en Beleid
                    wordt voor een tijdelijke voorziening uitgegaan van een gebruiksduur van
                    minimaal 2 jaar en maximaal vijf jaar.</al><al>Tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                    noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door
                    middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging
                    tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte
                    gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol
                    spelen.</al><al>Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen
                    tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een
                    permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een
                    bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is er
                    geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er een extra toeslag moet worden
                    gegeven om voorzieningen als directieruimten, lerarenkamer, conciërgeruimte en
                    dergelijke te kunnen realiseren. Indien er wel een permanent hoofdgebouw
                    aanwezig is, maar nog geen tijdelijke voorziening, komt de aanvrager bij
                    plaatsing van het eerste noodlokaal in aanmerking voor een toeslag t.b.v. een
                    entree en een garderobe (toeslag eerste lokaal). </al><al>Indien tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                    aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                    noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                    schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw huren.
                    Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel
                    B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><tussenkop>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De vergoeding voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt
                    vanaf 2009 bepaald door een vast bedrag en een bedrag per vierkante meter.
                    Daarnaast kan een vergoeding voor de inrichting van een speellokaal worden
                    toegekend. </al><tussenkop>Gymnastiek</tussenkop><al>De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en
                    uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie en eerste inrichting met
                    onderwijsleerpakket/meubilair. Voor LG- en MG-scholen is er een extra toeslag
                    voor het vergroten van de entree en de was- en kleedruimte. Bij de voorziening
                    ‘bad voor watergewenning en bewegingstherapie’ is slechts medegebruik van
                    toepassing. Indien nieuwbouw van een dergelijke voorziening noodzakelijk is
                    vindt vergoeding op basis van feitelijke kosten plaats (zie deel B).</al><al>Voorts heeft het college een beleidsregel vastgesteld waarin bedragen zijn
                    opgenomen voor de klokuurvergoeding (materiële exploitatie), welke van
                    toepassing zijn bij gebruik van een ‘eigen’ gymnastiekzaal en bij
                    medegebruik/huur van een gymnastiekaccommodatie. </al><tussenkop>Vervoer</tussenkop><al>De verordening voorziet in vervoer naar een gymnastiekaccommodatie indien de
                    loopafstand van de school naar de gymnastiekaccommodatie meer dan 600 meter
                    bedraagt.</al><tussenkop>3 Voortgezet onderwijs</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke
                    voorziening, eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair en gymnastiek
                    genormeerde bedragen opgenomen. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd.</al><tussenkop>Nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><al>De kosten voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw zijn
                    genormeerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ruimte-afhankelijke kosten
                    (lokaalspecifiek) en sectie-afhankelijke kosten (sectie-specifiek). Hiernaast
                    kan, afhankelijk van de beoordeling, een vergoeding voor aanvullende normkosten
                    (fundering en bemaling) worden gegeven. Kosten voor de verwerving van een
                    terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen
                    variëren. </al><al>De regeling voorziet tevens in een vergoeding voor verhuiskosten.</al><tussenkop>Niet permanent gebouw</tussenkop><al>Op basis van de in 2002 door het college vastgestelde nota Ambitie en Beleid
                    wordt bij een tijdelijke voorziening uitgegaan van een gebruiksduur van minimaal
                    twee jaar en maximaal 5 jaar.</al><al>Een tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                    noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door
                    middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging
                    tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte
                    gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol
                    spelen.</al><al>Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt geen onderscheid gemaakt tussen
                    nieuwbouw van tijdelijke lokalen als eerste voorziening en uitbreiding van een
                    bestaande noodaccommodatie. Met de op basis van bijlage III goedgekeurde
                    oppervlakte kan door middel van de formule het investeringsbedrag worden
                    berekend. Dit investeringsbedrag omvat tevens alle bijkomende kosten, zoals
                    eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en
                    dergelijke.</al><al>Indien een tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                    aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                    noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                    schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw huren.
                    Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel
                    B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><tussenkop>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</tussenkop><al>De normvergoeding voor inventaris wordt berekend per ruimtesoort die wordt
                    gerealiseerd.</al><tussenkop>Gymnastiek</tussenkop><al>Voor gymnastiek wordt een aparte vergelijking gemaakt tussen het aantal gymzalen
                    waar normatief recht op bestaat. </al><tussenkop>Indexering</tussenkop><al>Op grond van artikel 102, derde lid WPO; artikel 100, derde lid WEC en artikel
                    76m, derde lid, en 217, derde lid WVO, is de gemeente verplicht normen vast te
                    stellen aan de hand waarvan bedragen kunnen worden vastgesteld voor de
                    toegekende voorzieningen in de huisvesting. Een aantal voorzieningen zal worden
                    bekostigd nadat een offerte is uitgebracht en beoordeeld. Deze voorzieningen
                    zijn gezien de enorme verscheidenheid niet of nauwelijks zinvol te normeren.
                    Voorzieningen als nieuwbouw en uitbreiding kunnen op basis van normbedragen
                    worden bekostigd. De vastgestelde normbedragen zullen jaarlijks moeten worden
                    aangepast aan het geldende prijspeil. </al><al>Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een
                    actueel prijspeil gebracht. Ten behoeve van bijvoorbeeld de
                    begrotingsvoorbereiding kan dan worden uitgegaan van vaststaande cijfers in het
                    volgende jaar door met behulp van zogenaamde MEV-cijfers het prijspeil voor een
                    volgend jaar te prognosticeren. Door deze methodiek van toepassing te verklaren,
                    liggen de vergoedingen voor de voorzieningen vast. Het vorenstaande betreft de
                    methodiek die momenteel wordt gehanteerd in het primair onderwijs. Jaarlijks
                    wordt het prijsniveau gepubliceerd van het daaropvolgende jaar. Voor iedere
                    volgende prijsbijstelling zal het gepubliceerde prijsniveau eerst moeten worden
                    herleid naar het werkelijk prijspeil, dus een ‘terugcorrectie’ met het
                    MEV-cijfer.</al><al>De indexcijfers worden jaarlijks door de VNG gepubliceerd.</al><tussenkop>Deel B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</tussenkop><al>In deze verordening is getracht zoveel mogelijk vergoedingen te normeren (deel
                    A). Voor een beperkt aantal voorzieningen is echter geen genormeerde vergoeding
                    opgenomen. Deze voorzieningen dienen derhalve op basis van feitelijke kosten te
                    worden vergoed. </al><al>In aanvulling op deel A is vergoeding op basis van feitelijke kosten, volgens
                    deze verordening, van toepassing op o.a. de volgende voorzieningen:</al><al>– verplaatsing van noodlokalen c.q. sloop van noodlokalen;</al><al>– nieuwbouw van een bad voor watergewenning of bewegingstherapie (V)SO;</al><al>– herstel van constructiefouten;</al><al>– herstel van schade;</al><lijst><li nr="–"><al>kosten van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="–"><al>huur van tijdelijke voorzieningen</al></li><li nr="–"><al>liftinstallatie</al></li><li nr="–"><al>verhuiskosten</al></li><li nr="–"><al>sloopkosten</al></li></lijst><al>alsmede</al><al>– gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;</al><al>– aankoop van terreinen;</al><al>– huur van gymnastiekruimten van derden;</al><al>– huur van bestaande gebouwen.</al><al>Bij vergoeding op basis van feitelijke kosten zijn de aanbestedingsregels, zoals
                    vastgelegd in deze verordening, van toepassing. Dit geldt uiteraard niet voor
                    aankoop c.q. huur van gebouwen en terreinen. Voor deze voorzieningen worden de
                    overeengekomen aankoop- of huurprijs vergoed.</al><tussenkop>Procedure vergoeding op basis van feitelijke kosten</tussenkop><al>Vergoeding op basis van feitelijke kosten betekent dat de hoogte van de
                    vergoeding wordt gebaseerd op de daadwerkelijke geoffreerde prijs van de uit te
                    voeren voorziening. Omdat offertes over het algemeen een beperkte
                    geldigheidsduur hebben moet in de procedure voor de vaststelling van het
                    programma worden gewerkt met een kostenraming. In eerste instantie dient de
                    aanvrager deze kostenraming bij de aanvraag te voegen. Ten behoeve van de
                    vaststelling van het bedrag en het programma wordt deze kostenraming beoordeeld
                    en zonodig door de gemeente bijgesteld c.q. geactualiseerd. Dit bedrag wordt na
                    vaststelling van het programma in de beschikking voor de aanvrager vermeld. Dit
                    bedrag is echter geen taakstellend budget (er kunnen derhalve geen rechten aan
                    worden ontleend). De daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt bepaald aan
                    de hand van de laagste geoffreerde prijs. Dat kan derhalve leiden tot meer- of
                    minderkosten ten opzichte van de raming. </al><tussenkop>Aanbestedingsregels</tussenkop><al>Aangezien de daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt gebaseerd op de
                    laagst geoffreerde prijs is het van belang dat het vragen van offertes door
                    middel van een aanbestedingsprocedure op zeer zorgvuldige wijze gebeurt.
                    Alhoewel het schoolbestuur in principe bouwheer is, mag de gemeente, met het oog
                    op de gewenste zorgvuldigheid en de prijsvorming, eisen stellen aan de te volgen
                    aanbestedingsprocedure. In de verordening is daarom opgenomen dat de
                    aanbestedingsregels die de gemeente Tilburg zelf hanteert en die door de
                    gemeenteraad zijn vastgesteld, van toepassing zijn.</al><tussenkop>Deel C Bepaling medegebruikstarieven</tussenkop><al>Medegebruik is in eerste instantie de competentie van de schoolbesturen. Indien
                    medegebruik plaatsvindt maken de schoolbesturen onderling afspraken over een
                    aantal zaken, waaronder de vergoeding die de medegebruikende school aan de
                    eigenaar geeft. Mocht hierover geen overeenstemming ontstaan, kan de gemeente de
                    hoogte van de vergoeding bepalen.</al><al>Het medegebruikstarief voorziet in een vergoeding voor de gebouwafhankelijke
                    kosten, zoals gas, water, licht, schoonmaak, onderhoud en dergelijke. In het
                    bekostigingsstelsel voor de materiële instandhouding voor het basisonderwijs is
                    dit bedrag vormgegeven in het bedrag dat voor elke groep meer dan zes groepen
                    ter beschikking wordt gesteld. Dit bedrag is tevens van toepassing voor
                    medegebruik in het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet
                    onderwijs.</al><tussenkop>TOELICHTING BIJLAGE V</tussenkop><al>Voor de vaststelling van het programma moet in de situatie dat het beschikbaar
                    gestelde of beschikbaar te stellen budget onvoldoende is voor alle potentiële
                    toekenningen – alle aanvragen voor voorzieningen die voldoen aan de
                    beoordelingscriteria en die niet een spoedeisend zijn – een nadere en eenduidige
                    volgorde worden vastgesteld. De urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen
                    welke voorzieningen achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor
                    bekostiging. Indien het budget ruim genoeg is, behoeven de urgentiecriteria niet
                    te worden toegepast en volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de
                    toekenning van een bedrag, dus de beschreven regels in de bijlagen I tot en met
                    IV.</al><al>Indien het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt de gemeente
                    niet aan toepassing van de urgentiecriteria. Exacte en daarmee correcte
                    toepassing is zeer belangrijk, omdat de aandacht van de gemeenteraad zeker zal
                    uitgaan naar de voorzieningen waarvoor geen budget meer is.</al><al>Voor het staande houden van een budgettaire afwijzing in beroep is het nodig de
                    criteria die de volgorde bepalen, eenduidig vast te leggen en in de uitvoering
                    daaraan strikt de hand te houden. Met de gehanteerde indeling in prioriteiten is
                    dit mogelijk.</al><al>De zorg voor adequate huisvesting volgens de wet betekent concreet dat het
                    vastgestelde bedrag voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat:</al><al>a elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden
                    (medegebruik/nieuwbouw/uitbreiding; </al><al>b maatregelen in geval van bouwkundige calamiteiten, constructiefouten, herstel
                    en vervanging van schade in verband met bijzondere omstandigheden absoluut
                    noodzakelijk zijn om de voortgang van het onderwijs niet in gevaar te brengen,
                    worden vergoed;</al><al>c voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van onderwijsleerpakket/leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair wordt vergoed.</al><al>Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of het
                    budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan invloed hebben op het budget
                    voor de volgende programma’s en op de mogelijkheden andere, minder urgente
                    voorzieningen toe te kennen</al></bijlage></regeling></body></cvdr>