<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR410463_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-07-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad d.d. 28-12-2015, nr. 129005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Erfgoedwet, art. 3.16 en 9.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1, 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-04-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B15.001443</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>culturele aangelegenheden, sport en recreatie, stads- en natuurschoon, emancipatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dronten,</al><al>gelezen het voorstel van het college van 27 oktober 2015, No.
                        B15.001443;</al><al>gelet op artikel 149 Gemeentewet, de artikelen 3.16 en 9.1 Erfgoedwet en
                        de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al><al>gezien het advies van de raadscommissie van december 2015;</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>vast te stellen de volgende <vet>Erfgoedverordening 2016</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen monument, dat deel
                                    uitmaakt van het cultureel erfgoed van de gemeente en van
                                    bijzonder belang is door de cultuurhistorische of
                                    wetenschappelijke betekenis;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijk erfgoedregister: de lijst waarop zijn geregistreerd
                                    de overeenkomstig deze verordening aangewezen gemeentelijke
                                    monumenten;</al></li><li nr="c."><al>beschermd rijksmonument: monument, dat is ingeschreven in het
                                    rijksmonumentenregister;</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van deze verordening ingestelde
                                    commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen
                                    beweging te adviseren over de toepassing van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="e."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3.1 Erfgoedwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen drie weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies
                                van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 12 weken na
                                de adviesaanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in het eerste lid genoemde termijn wordt
                                de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie in het gemeentelijk erfgoedregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument in het
                                gemeentelijk erfgoedregister.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gemeentelijk erfgoedregister bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het gemeentelijk erfgoedregister kan door eenieder worden
                                geraadpleegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, evenals artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in het tweede lid, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden in het gemeentelijk
                                erfgoedregister geregistreerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikelen 4, 5 en 6 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er naar het oordeel van het college bijzondere omstandigheden
                                spelen, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in het eerste
                                lid, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3.1 Erfgoedwet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De intrekking wordt in het gemeentelijk erfgoedregister
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig
                                        opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een
                                        dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag en doorzending</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 10, tweede lid en
                                artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht en de daarbij te overleggen
                                gegevens en bescheiden moet in tweevoud worden ingediend bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer een ander bevoegd gezag dan het college een beslissing moet
                                nemen over de aanvraag, dan zal het college de aanvraag, inclusief
                                gegevens en bescheiden, doorzenden naar het juiste bevoegd
                                gezag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de
                                monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag
                                tot het verlenen van een vergunning, waarbij deze termijn, onder
                                mededeling van verlenging van de termijn aan de aanvrager, met ten
                                hoogste zes weken kan worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Een vergunning als bedoeld in artikel 10, tweede lid wordt niet verleend
                            wanneer het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in
                                    artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen 52 weken van de vergunning gebruik wordt
                                    gemaakt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen drie weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar billijkheid
                            te bepalen schadevergoeding toe, wanneer de schade een gevolg is
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het college verbonden aan een vergunning
                                    als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met artikel 10 van deze verordening, wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van
                            ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, gelet op de situatie van een
                            belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze verordening, voor
                            zover toepassing van deze verordening leidt tot een onbillijkheid van
                            overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt, onder gelijktijdige intrekking van de
                                    Erfgoedverordening 2010, in werking op de dag dat de Erfgoedwet
                                    in werking treedt.</al></li><li nr="2."><al>De op grond van de Erfgoedverordening 2010 aangewezen en
                                    geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht te zijn
                                    aangewezen en geregistreerd in overeenstemming met de bepalingen
                                    uit deze verordening.</al></li><li nr="3"><al>Aanvragen tot het verlenen van een vergunning die zijn ingediend voor
                            de inwerkingtreding van deze verordening worden behandeld met in
                            achtneming van de Erfgoedverordening 2010.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening 2016.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Dronten, 17 december 2015</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de raad van Dronten,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>D.Petrusma MMC mr. A.B.L. de Jonge</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet> A. Algemene toelichting</vet></al><al>Cultureel erfgoed is overal aanwezig. In musea, in de bodem, maar ook in
                            onze gebouwde omgeving. Het erfgoed maakt het verleden zichtbaar en is
                            een bron van inspiratie voor nieuwe ontwikkelingen. Daarom is het
                            belangrijk dat het cultureel erfgoed behouden blijft.</al><al>Verschillende wetten en regels voor de omgang met ons erfgoed worden met
                            ingang van 1 januari 2016 vervangen door de Erfgoedwet. Hierdoor
                            vermindert de versnippering in de regelgeving en komt er meer structuur
                            in de bescherming van waardevol erfgoed. Samen met de Omgevingswet, die
                            naar verwachting in 2018 in werking treedt, vormt de Erfgoedwet het
                            fundament voor de bescherming van monumenten. De Erfgoedwet bevat de
                            algemene regels voor het behoud van cultureel erfgoed. In de
                            Omgevingswet komen de meer specifieke regels over de instandhouding van
                            monumenten, de omgang met de fysieke leefomgeving en de verlening van
                            vergunningen.</al><al>In de verordening zijn geen instandhoudingsbepalingen opgenomen met
                            betrekking tot archeologische terreinen en ruimtelijke structuren. De
                            archeologische terreinen worden beschermd via het archeologiebeleid en
                            de bestemmingsplanprocedures. Ruimtelijke structuren worden beschermd
                            via bestemmingsplannen en welstandsnota’s.</al><al/><al><vet>B. Artikelsgewijze toelichting</vet></al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is
                            aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument in de
                            Erfgoedwet. De Erfgoedwet definieert monument als “een onroerende zaak
                            die deel uitmaakt van cultureel erfgoed”. En cultureel erfgoed wordt
                            weer omschreven als “uit het verleden geërfde materiële en immateriële
                            bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of
                            ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen,
                            onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling
                            en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden,
                            overtuigingen, kennis en tradities en die aan hen en toekomstige
                            generaties een referentiekader bieden.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘monument’
                            alleen onroerende zaken worden verstaan. Bij roerende zaken is
                            bescherming lastig, want roerende zaken kunnen meestal eenvoudig worden
                            verplaatst en over de gemeentegrens worden gebracht, waardoor ze buiten
                            de werking van de verordening vallen. </al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft het register waarin de gemeente de monumenten registreert
                            die conform de verordening zijn aangewezen. Het opnemen in het register
                            heeft geen rechtsgevolg, want het is niet meer dan een administratieve
                            handeling. De aanwijzing tot gemeentelijk monument, die vooraf gaat aan
                            opneming in het register, heeft wel rechtsgevolgen, omdat het iets
                            betekent voor de rechten en plichten van burgers of bedrijven. De
                            aanwijzing als monument en het opnemen in het register zijn dus twee
                            verschillende handelingen.</al><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Naast gemeentelijke monumenten bestaan er ook provinciale monumenten en
                            rijksmonumenten. Een begripsomschrijving van een 'beschermd
                            rijksmonument' moet in de gemeentelijke erfgoedverordening worden
                            opgenomen, want door deze verordening krijgt het college de bevoegdheid
                            om vergunningen te verlenen voor de wijziging of sloop van
                            rijksmonumenten. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten blijven
                            tot de komst van de Omgevingswet de artikelen 11 tot en met 21 van de
                            Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Artikel 9.1 van de Erfgoedwet bepaalt dat de artikelen van de
                            Monumentenwet 1988 over de inschakeling van een monumentencommissie van
                            kracht blijven tot de komst van de Omgevingswet. De wetgever heeft dus
                            bepaalt dat het college niet vrij is om al dan niet een
                            monumentencommissie in het leven te roepen. De monumentencommissie
                            adviseert het college over de aanwijzing van gemeentelijke
                            monumenten.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van een monument</titel></kop><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar of
                            gebruiker aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de
                            constructie en de ligging van het object, maar ook op het feitelijke
                            gebruik van het object. Het specifieke gebruik van kerkelijke monumenten
                            (erediensten) kan op grond van deze bepaling worden gewaarborgd, zodat
                            geen afzonderlijke regeling voor gemeentelijke kerkelijke monumenten
                            nodig is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het opnemen in een
                            gemeentelijk erfgoedregister zijn twee verschillende dingen. De
                            aanwijzing heeft rechtsgevolg, het registreren in een erfgoedregister is
                            slechts een administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                            college. Na afweging van alle belangen kan tot aanwijzing worden
                            besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbenden ten opzichte
                            van de te beschermen monumentale waarden moet gemotiveerd in het besluit
                            worden beschreven. </al><al>De aanwijzing op zich geeft geen recht op schadevergoeding. De
                            aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande
                            gebruik van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden van het
                            toekomstige gebruik van een monument. Immers, de als monument aangewezen
                            onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie artikel 10, tweede lid)
                            of op grond van de nadere regels (zie artikel 10, derde lid) worden
                            gewijzigd. Een schadevergoeding kan dan wel aan de orde zijn (zie ook
                            artikel 16 en de toelichting bij artikel 16). </al><al>Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij
                            wanneer ook geen omgevingsvergunning is vereist. Het is daarom nodig om
                            bij de aanwijzing van een monument duidelijk te zijn over welke
                            onderdelen worden aangewezen als beschermd monument.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als
                            bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan
                            bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Het is aan het college om de
                            taken en de werkwijze van de monumentencommissie vast te leggen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het rijk of de provincie
                            al in een monumentenregister zijn opgenomen, komen niet voor aanwijzing
                            als gemeentelijk monument in aanmerking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                            monumenten zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in
                            de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een
                            monument in het gemeentelijk erfgoedregister op te nemen tot het
                            daadwerkelijke aanwijzingsbesluit, de artikelen 10 tot en met 14 van
                            deze verordening van toepassing zijn. Een toekomstig monument mag
                            tijdens de aanwijzingsprocedure niet worden afgebroken, gewijzigd,
                            verplaatst, enzovoorts, zonder een gemeentelijke omgevingsvergunning
                            voor monumenten. Alleen wanneer de eventuele nadere regels (artikel 10,
                            derde lid) dat toestaan, is wijziging zonder vergunning mogelijk. </al><al>Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan de
                            motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar of gebruiker
                            financiële consequenties zijn verbonden. </al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een
                            publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van
                            artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet
                            kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is
                            ook onder meer artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de
                            aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet de
                            gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de
                            voorbescherming.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de
                            monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing
                            moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden,
                            weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. Wanneer de
                            monumentencommissie niet of niet binnen de termijn adviseert, dan kan
                            het college toch een besluit nemen (lid 2 en lid 3). </al><al>Artikel 5 bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat
                            de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat afdoende regelt (afdeling 3.6
                            Awb).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De ontvangst van de mededeling van het college is voor alle bij het
                            monument betrokken belanghebbenden relevant. Dit artikel regelt
                            overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de
                            eigenaar van het monument of de aanvrager van de aanwijzing, omdat de
                            Awb dat al bepaalt (afdeling 3.6 Awb).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie in het gemeentelijk erfgoedregister</titel></kop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling, geen
                            besluit. De bedoeling van het erfgoedregister is om een ieder snel
                            inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn
                            aangewezen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van
                            gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                            voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                            wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                            aanwijzing worden doorgevoerd in het gemeentelijk erfgoedregister (lid
                            4).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                            monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is
                            het advies van de monumentencommissie nodig, tenzij sprake is van
                            bijzondere gevallen, bijvoorbeeld spoedeisende gevallen. Monumenten
                            waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of
                            anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college uit het
                            register verwijderd. Daarnaast regelt lid 3 dat monumenten niet dubbel
                            aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het geval dat het object ook
                            als rijksmonument of provinciaal monument is aangewezen en
                            geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en
                            registratie als monument.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>Artikel 10 gaat alleen over de instandhouding van gemeentelijke
                            monumenten. De vergunningverlening door het college voor de wijziging
                            van rijksmonumenten is immers geregeld in de artikelen van de
                            Monumentenwet die in het overgangsrecht van de Erfgoedwet (artikel 9.1
                            Erfgoedwet) van kracht blijven tot de komst van de Omgevingswet. Ook
                            geldt artikel 15 van deze verordening. Het is verstandig de
                            vergunningverlening voor rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten
                            procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.</al><al>Voor een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor
                            gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens
                            en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2
                            respectievelijk 4:5 en 4:15 Awb).</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt voor het college de mogelijkheid geschapen
                            om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen komen van het verbod
                            uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De
                            bepaling over het stellen van nadere regels valt buiten de Wabo, want de
                            Wabo gaat alleen over vergunningen en ontheffingen. Voor de nadere
                            regels blijft het college het bevoegde gezag. Het zal hierbij vooral
                            gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van
                            ingrijpende aard zijn. Het reguliere onderhoud kan bijvoorbeeld in
                            nadere regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief
                            eenvoudige wijzigen een vergunningprocedure moeten starten. In de nadere
                            regels kunnen expliciet de situaties worden benoemd waarin een burger of
                            bedrijf geen vergunning hoeft aan te vragen. </al><al>Wanneer duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet
                            reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in
                            algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder
                            administratieve lasten krijgen. In de nadere regels
                            (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                            uitgangspunten, functionele toetsing en aanwijzingen in het kader van de
                            monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en
                            monumentale kwaliteit (behoud van het monument) voorop te staan. Voorts
                            staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat
                            maatwerk kan worden geleverd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag en doorzending</titel></kop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Besluit
                            omgevingsrecht (Bor) zowel digitaal als op papier worden ingediend.
                            Bedrijven kunnen echter in beginsel uitsluitend een aanvraag langs
                            elektronische weg indienen. Voor kleine bedrijven kan hiervoor een
                            uitzondering worden gemaakt. Het Bor bepaalt dat in het kader van de
                            vermindering van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven het
                            bevoegd gezag bij een schriftelijke aanvraag maar maximaal 4 exemplaren
                            van de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden mag opvragen. In
                            bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van artikel 4.2 Bor
                            hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of meer</al><al>adviezen of verklaringen van geen bezwaar.</al><al>Soms is niet het college, maar de provincie of het rijk het bevoegd
                            gezag voor het nemen van een beslissing over de aanvraag voor een
                            omgevingsvergunning. In dat geval stuurt het college de aanvraag door
                            naar het juiste bevoegd gezag (lid 2).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is bij de voorbereiding van een
                            omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing.
                            De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan
                            bij titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                            ontvangstbevestiging na het ontvangen van een aanvraag. Indien de
                            verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling
                            van de aanvraag, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid de
                            aanvraag binnen de door et college gestelde termijn aan te vullen. Het
                            college geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum
                            kennis in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een
                            andere geschikte wijze. Het college moet op grond van artikel 3.9 Wabo
                            binnen acht weken een beslissing op de aanvraag nemen. De termijn van
                            acht weken kan met maximaal zes weken worden verlengd. In deze periode
                            moet het college eventuele derdebelanghebbenden de mogelijkheid geven om
                            zienswijzen in te brengen.</al><al>Het college kan ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid
                            worden gesteld advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht
                            worden aan de monumentencommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is voor de monumentencommissie een
                            termijn van drie weken opgenomen. Van belang is dat de adviseur in de
                            gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is echter
                            aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil
                            maken. Het uitblijven van een advies staat het nemen van een besluit
                            niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven
                            dan kan het college de procedure vervolgen.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale
                            beslistermijn opgenomen (lex silencio positivo). Deze positieve fatale
                            beslistermijn houdt in dat de overschrijding van de beslistermijn leidt
                            tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De omgevingsvergunning wordt
                            conform de aanvraag verleend.</al><al>De omgevingsvergunning treedt in werking met ingang van de dag na haar
                            bekendmaking.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage
                            gelegd en opengesteld voor bezwaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>De vergunning kan worden geweigerd wanneer er een strijdigheid is met
                            het belang van de monumentenzorg.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>Dit artikel bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken.
                            Wanneer de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het
                            monument wijzigen (onder c), dan zou bij een nieuwe belangenafweging, de
                            belangen van het monument voor kunnen gaan. In dat geval moet het
                            college mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                            rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Monumentenwet
                            1988 (die conform het overgangsrecht in artikel 9.1 Erfgoedwet van
                            kracht blijft tot de komst van de Omgevingswet), paragraaf 3.3 van de
                            Wabo en afdeling 3.4 van de Awb. Bij de vergunning voor rijksmonumenten
                            is de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing.
                            Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten van de
                            omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning
                            als bedoeld in artikel 10 (gemeentelijk monument) dient namelijk de
                            reguliere procedure gevolgd te worden. </al><al>Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                            omgevingsvergunningen niet gelijk. Door de komst van de Wabo wordt de
                            kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn van
                            terinzagelegging kan iedereen een zienswijze indienen. Voorheen konden
                            alleen belanghebbenden zienswijzen indienen.</al><al><cursief>Lid 2 en lid 3</cursief></al><al>De monumentencommissie moet bij de aanvragen om vergunning voor
                            rijksmonumenten worden ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit wettelijke
                            vereiste door het ontbreken van het advies van de monumentencommissie
                            tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in lid 3
                            bepaald dat de monumentencommissie geacht wordt te hebben geadviseerd na
                            het verstrijken van de in lid 2 gestelde adviestermijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat een
                            erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is
                            (BR 86,604). Het principe ‘de veroorzaker betaalt’, zoals dat in de
                            memorie van toelichting van de Wet op de archeologische monumentenzorg
                            is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding
                            voorop en geldt voor alle in dit artikel genoemde onderdelen (a t/m c).
                            De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat redelijk en billijk
                            is. In deze verordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling
                            waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het
                            college mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende kan
                            toekennen.</al><al>Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van een vergoeding.
                            De procedure op grond van afdeling 6.1 Wro juncto afdeling 6.1 Bro kan
                            worden toegepast, maar voordat daartoe wordt besloten is het zinvol een
                            inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang
                            van deze procedure.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing
                            op de nadere regels die het college kan stellen op grond van artikel 10,
                            derde lid. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor
                            gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten
                            (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met
                            de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als personen die
                            bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van
                            toezicht op de naleving van een wettelijk voorschrift. Daarom is de
                            mogelijkheid om toezichthouders aan te wijzen opgenomen in de
                            erfgoedverordening.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat
                            inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen
                            voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak
                            noodzakelijk is. Een toezichthouder kan daarom niet te allen tijde
                            gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                            toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten
                            worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
                            noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de
                            naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats
                            te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de
                            bewoner. 'Plaats' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven
                            en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij
                            hier vermeld dat het college op grond van dit artikel niet zelf
                            opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering.
                            Dat kan en hoeft het college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid
                            1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen
                            toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone
                            opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid voor
                            een beperkt aantal strafbare feiten.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het opnemen van een hardheidsclausule in deze verordening opent de
                            mogelijkheid voor het college om, in gevallen waarin toepassing van een
                            artikel van de verordening een onbillijkheid van overwegende aard zou
                            opleveren, dat artikel buiten toepassing te laten of daarvan af te
                            wijken. Het afwijkende besluit van het college moet altijd binnen de
                            doelstellingen van de verordening passen. De toepassing van de
                            hardheidsclausule moet beperkt blijven tot individuele gevallen. Het
                            gebruik van dit artikel is slechts in uitzonderlijke gevallen
                            mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><al>De Erfgoedverordening 2016 treedt in werking op de dag dat de Erfgoedwet
                            in werking treedt. Vanaf die dag is sprake van de Erfgoedverordening
                            2016. Het artikel regelt tevens het overgangsrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>