<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR410165_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-01-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 17 januari 2016, nr.2</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147, eerste en derde lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8 eerste lid en artikel 18 tweede lid Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB15.0117</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Verordening vervangt de Afstemmingsverordening WWB 2013, door de raad laatstelijk vastgesteld in zijn vergadering van 11 dcember 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven hebbendezelfde betekenis als in de Participatiewet
                                en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college : het college van burgemeester en wethouders van
                                        Den Helder;</al></li><li nr="b."><al>de wet : de Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>bijstand : de algemene en bijzondere bijstand als bedoeld in
                                        artikel 5 onderdeel b en d, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>de bijstandsnorm : de bijstandsnorm zoals gedefinieerd in
                                        artikel 5 onder c van de wet;</al></li><li nr="e."><al>afstemming : het verlagen van de bijstand op grond van
                                        artikel 18 tweede lid van de wet;</al></li><li nr="f."><al>participatie- instrumenten : instrumenten die het college
                                        ter beschikking heeft voor het bieden vanondersteuning als
                                        bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                        wet;</al></li><li nr="g."><al>participatietraject : een plan, bestaande uit een geheel van
                                        participatie-instrumenten, dat tot doel heeft om binnen een
                                        bepaald tijdsbestek te komen tot arbeidsinschakeling of
                                        zelfstandige maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="h."><al>zoekperiode : de periode van vier weken na de melding,
                                        waarin de belanghebbende aantoonbare inspanningen heeft
                                        gepleegd om werk te vinden of terug te keren naar
                                        school;</al></li><li nr="i."><al>geüniformeerde : verplichtingen welke opgenomen zijn in
                                        artikel 18, vierde lid, van de wet verplichtingen </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In overeenstemming met deze verordening wordt de bijstand verlaagd
                                indien de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of onvoldoende de verplichtingen voortvloeiende uit de
                                        wet nakomt;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende en
                                kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde
                                verlagingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Duur verlaging</titel></kop><al>Bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 18, vierde lid, van deParticipatiewet, bedraagt de verlaging
                            100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verrekening verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging wordt verrekend over één maand, indien
                                belanghebbende de volgende verplichtingen niet of onvoldoende is
                                nagekomen:</al><lijst><li nr="-"><al>het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde
                                        arbeid</al><al> (artikel 4, onderdeel a, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken
                                        dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen
                                        verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een
                                        arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en
                                        netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de
                                        belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan (artikel
                                        18, vierde lid, onderdeel e, van de wet).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging wordt verrekend in gelijke delen over
                                drie maanden, indien belanghebbende de volgende verplichtingen niet
                                of onvoldoende is nagekomen:</al><lijst><li nr="-"><al>het uitvoering geven aan de door het college opgelegde
                                        verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau
                                        (artikel 18, vierde lid, onderdeel b, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                        arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens
                                        naar die gemeente te verhuizen (artikel 18, vierde lid,
                                        onderdeel c, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale
                                        reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor
                                        het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden
                                        van algemeen geaccepteerde arbeid (artikel 18, vierde lid,
                                        onderdeel d, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden,
                                        noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het
                                        aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                        (artikel 18, vierde lid, onderdeel f, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden
                                        van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door
                                        kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag
                                        (artikel 18, vierde lid, onderdeel g, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>het gebruik maken van door het college aangeboden
                                        voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering,
                                        gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan
                                        onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot
                                        arbeidsinschakeling (artikel 18, vierde lid, onderdeel h,
                                        van de wet).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op grond van bijzondere omstandigheden kan afgeweken worden van de
                                bepaling van lid 1 en kan het bedrag van de verlaging verrekend
                                worden in gelijke delen over drie maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Recidive geüniformeerde verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer binnen twaalf maanden na de eerste als verwijtbaar
                                aangemerkte gedraging voor een tweede maal de verplichtingen als
                                bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of
                                onvoldoende worden nagekomen, bedraagt de verlaging 100% van de
                                bijstandsnorm gedurende twee maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging wordt verrekend over twee maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verzoek om herziening</titel></kop><al>Een verzoek om herziening van de verlaging welke is opgelegd op grond
                            van artikel 18, vijfde, zesde, zevende of achtste lid, van de
                            Participatie kan uitsluitend schriftelijk worden ingediend. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de overige verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Voor de bepaling van de hoogte van de verlagingen bij schending van
                            verplichtingen die niet opgenomen zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                            Participatiewet, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede
                            lid, een categorie-indeling gehanteerd op basis van de verwijtbare
                            gedraging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Eerste categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al> het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als
                                        bedoeld in artikel 55 van de wet;</al></li><li nr="b."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende het
                                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet
                                        tijdig laten verlengen van de registratie;</al></li><li nr="c."><al>het zonder afbericht geen gehoor geven aan een schriftelijke
                                        uitnodiging in verband met</al><al> een gesprek over participatie(mogelijkheden).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 15% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Tweede categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al> gedurende de zoekperiode onvoldoende activiteiten of
                                        inspanningen plegen om algemeen geaccepteerde arbeid te
                                        vinden;</al></li><li nr="b."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                                        evalueren van het plan van aanpak met</al><al> betrekking tot de arbeidsinschakeling in het kader van de
                                        gemeentelijke ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>het niet dan wel onvoldoende meewerken aan het onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot scholing,</al><al> arbeidsinschakeling dan wel maatschappelijke
                                        participatie;</al></li><li nr="d."><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling
                                        van medische aard;</al></li><li nr="e."><al>het niet dan wel onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden participatie-</al><al> instrument, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen
                                        doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging </al><al> van het participatietraject.</al></li><li nr="f."><al>het niet naar vermogen door het college opgedragen
                                        onbeloonde maatschappelijke nuttige</al><al> werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in
                                        aanvulling op reguliere arbeid en </al><al> die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="g."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het</al><al> bestaan door vermogen op onverantwoord snelle wijze in te
                                        teren. </al></li><li nr="h."><al>het niet op komen dagen bij de toets als bedoeld in artikel
                                        18b tweede lid van de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 30% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Derde categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al> het niet nakomen van de afspraken in het plan van aanpak
                                        met betrekking tot de arbeidsinschakeling in het kader van
                                        de gemeentelijke ondersteuning, tenzij het een gedraging
                                        betreft genoemd in artikel 18, lid 4, van de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar
                                        beste vermogen te verrichten;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 50% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vierde categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al> het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan,
                                        waaronder in ieder geval wordt verstaan het niet of te laat
                                        aanvragen van een voorliggende voorziening; </al></li><li nr="c."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met de te
                                        verrichten algemeen geaccepteerdearbeid, die het aanvaarden
                                        of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                        belemmeren;</al></li><li nr="d."><al>het zich niet onthouden van zeer ernstige gedragingen jegens
                                        de met de uitvoering van de wet belastepersonen en
                                        instanties tijdens het verrichten van hun
                                        werkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 100% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Uitvoeringsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de voor de belanghebbende van
                                toepassing zijnde bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien de belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van
                                de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het verlagen van de bijstand aan
                                de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                voor die maand geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij het betreft het onverantwoord interen van het vermogen of het
                                schenden van een verplichting die opgenomen is in artikel 18, vierde
                                lid, van de Participatiewet vindt de verlaging van de bijstand
                                plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de duur van één kalendermaand, wanneer er sprake is van
                                        een eerste verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="b."><al>voor de duur van twee kalendermaanden, wanneer er sprake is
                                        van een tweede verwijtbare gedraging, waarvoor hetzelfde of
                                        een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf maanden
                                        na </al><al> de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij een derde en volgende gedraging, waarvoor
                                hetzelfde of een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf
                                maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de
                                bijstand voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met het
                                bepaalde in artikel 2, tweede lid, van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen de bijstand verlagen voor een
                                langere of voor onbepaalde duur, als de ernst van de gedraging, de
                                mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende
                                daartoe aanleiding geven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Met betrekking tot de duur van de verlaging bij tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
                                door vermogen op onverantwoord snelle wijze in te teren, stelt het
                                college nadere regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot toepassen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het toepassen van een verlaging wordt in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd evenals het
                                    bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd;</al></li><li nr="d."><al>de maand(en) waarin de bijstand wordt verlaagd;</al></li><li nr="e."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Afzien van het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het verlagen van de bijstand indien elke
                                vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>het een eerste verwijtbare gedraging betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan afzien van het uitvoeren van de verlaging van de
                                bijstand indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
                                Omstandigheden die rechtstreeks het gevolg zijn van een als
                                verwijtbaar aan te merken gedraging, zijn geen dringende
                                redenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het college afziet van het toepassen van een verlaging op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt éénmaal een
                                verlaging toegepast. Indien voor schending van die verplichtingen </al><al> verlagingen van verschillende percentages gelden, wordt de
                                verlaging met het hoogste percentage toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt voor
                                iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze </al><al> verlagingen worden gelijktijdig toegepast, tenzij dit gelet op
                                artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college heroverweegt de verlaging van de bijstand bedoeld in
                                artikel 7 onder e en 13 vierde en vijfde lid, als de verlaging wordt
                                toegepast voor een periode van meer dan drie maanden, binnen de
                                termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van het besluit tot
                                verlaging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging
                                beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het
                                gedrag van de belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot
                                beëindiging of voortzetting van het toepassen van de verlaging van
                                de bijstand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij een besluit tot voortzetting van het toepassen
                                van de verlaging van de bijstand het percentage van de verlaging
                                verdubbelen, rekening houdend met het gestelde in artikel 2 tweede
                                lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18 Nadere regels</nr></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening,
                            nadere regels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in individuele bijzondere situaties ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien
                            toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende </al><al>aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20 Overgangsrecht</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor lopende onderzoeken die betrekking hebben op verwijtbare
                                gedragingen vóór 1 januari 2015, geldt dat deze gedragingen zullen
                                worden beoordeeld conform het gestelde in de Afstemmingsverordening
                                WWB 2013, die geldt vanaf 1 januari 2013.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de beoordeling van recidive op grond van deze verordening geldt
                                dat alle al vastgesteldebesluiten tot verlaging van de bijstand op
                                grond van voorgaande afstemmingsverordeningen<vet>, </vet>zoals die
                                van toepassing waren vóór 1 januari 2015, meetellen bij de
                                beoordeling van recidive.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                            Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na haar bekendmaking treedt de verordening in werking op 1 januari
                                2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening is
                                ingetrokken de Afstemmingsverordening WWB 2013, door de raad
                                laatstelijk vastgesteld in zijn vergadering van </al><al> 11 december 2012.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 20 oktober 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>voorzitter, Koen Schuiling</ondertekening><ondertekening>griffier, mr. drs. M. Huisman</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop><cursief><vet>Algemeen</vet></cursief></tussenkop><al>Deze verordening is tot stand gekomen als gevolg van de inwerkingtreding van de
                    Participatiewet en de Wet Maatregelen WWB per 1 januari 2015 (samengevat in de
                    Participatiewet).</al><al>Uit de Wet Maatregelen WWB per 1 januari 2015 vloeit voort dat bij het schenden
                    van een aantal bij wet vastgelegde verplichtingen met betrekking tot
                    arbeidsinschakeling de gemeente niet langer beleidsvrijheid heeft ten aanzien
                    van de hoogte van de verlaging, maar slechts nog de duur van de verlaging en de
                    wijze van verrekening mag bepalen. Dit worden ook wel de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen genoemd. De Afstemmingsverordening is hierop
                    aangepast.</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikelsgewijs</cursief></vet></tussenkop><tussenkop><vet><cursief>Artikel 1 Begripsomschrijving</cursief></vet></tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de Participatiewet. Tevens wordt in de
                    verordening “belanghebbende” gebruikt. Dit begrip is in artikel 1:2 van de
                    Algemene wet bestuursrecht gedefinieerd.</al><al/><al>Met de term zoekperiode wordt bedoeld de in artikel 43 van de wet opgenomen
                    periode van vier weken na melding waarna een jongere (tot 27 jaar) pas een
                    aanvraag in kan indienen. Door het college dient in ogenschouw genomen te worden
                    wat de jongere in de vier weken na de melding heeft gedaan. De gemeente Den
                    Helder maakt ook met aanvragers van 27 jaar en ouder afspraken over welke
                    inspanningen ten aanzien van werk en scholing een belanghebbende gedurende de
                    eerste vier weken na melding moet verrichten. In tegenstelling tot de jongeren
                    wordt wel direct een aanvraag ingenomen. Ook in dit geval wordt gesproken over
                    de term zoekperiode. </al><al/><al>Nieuw is de term geüniformeerde verplichtingen. In artikel 18, vierde lid, van
                    de Participatiewet is een achttal arbeidsverplichtingen opgenomen waarvan de
                    wetgever van mening is dat deze van dien aard zijn dat, bij schending van deze
                    verplichtingen, het wenselijk is dat daar direct krachtdadig en uniform door de
                    gemeente tegen wordt opgetreden. Hiervoor bestaat geen discretionaire
                    bevoegdheid meer. In de wet is vastgesteld dat in beginsel de bijstand moet
                    worden verlaagd met 100% gedurende één tot drie maanden. Alleen met betrekking
                    tot de duur van de verlaging en de wijze van verrekening heeft de gemeente nog
                    beleidsvrijheid. Dat is dan ook in deze verordening bepaald.</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 2 Het toepassen van een
                    verlaging</cursief></vet></tussenkop><tussenkop><vet><cursief>Lid 1</cursief></vet></tussenkop><al>De Wet Suwi en de Participatiewet verbinden aan het recht op uitkering
                    verschillende verplichtingen welke voor deze verordening van belang zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18 tweede lid Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>aanvullende verplichtingen (artikel 55 Participatiewet).</al><al/></li></lijst><al>Uit het oogpunt van de Participatiewet is het recht op bijstand geen
                    basisinkomen voor een belanghebbende maar een voorwaardelijk recht, waaraan bij
                    de toekenning nadrukkelijk vorenstaande verplichtingen zijn verbonden. Wanneer
                    de verplichtingen niet worden nagekomen, wordt de bijstandsnorm verlaagd.</al><tussenkop><vet><cursief>Lid 2</cursief></vet></tussenkop><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat het college de verlaging dient
                    af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate
                    van verwijtbaarheid. </al><al>Behoudens de in deze verordening opgenomen uitzonderingen, brengt deze bepaling
                    met zich mee dat het college bij afstemming zal moeten nagaan of, gelet op de
                    individuele omstandigheden van de belanghebbende, afwijking van de hoogte en de
                    duur van de voorgeschreven standaard verlaging geboden is. Afwijking van de
                    standaard verlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 3 Duur verlaging</cursief></vet></tussenkop><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging 100% van de
                    bijstandsnorm gedurende één maand (artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet).</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 4 Verrekening verlaging</cursief></vet></tussenkop><al>Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens een
                    eerste maal schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, het bedrag
                    van de verlaging te verrekenen of één, twee of drie maanden.</al><al/><al>De verlaging wordt toegepast (verrekend) in gelijke delen over drie maanden, met
                    twee uitzonderingen, namelijk het schenden van de verplichtingen zoals deze in
                    artikel 18, vierde lid, in de onderdelen a en e, van de wet zijn opgenomen. </al><al>Bij het bepalen van de wijze van verrekening is meegenomen of de verwijtbare
                    gedraging van belanghebbende geleid heeft tot het daadwerkelijk onnodig (meer)
                    bijstandsafhankelijk worden of blijven. In geval van de verplichtingen zoals
                    opgenomen in de onderdelen a en e van artikel 18, vierde lid, van de wet is er
                    sprake van het kúnnen krijgen of behouden van arbeid. </al><al>De overige verplichtingen hebben ook met arbeidstoeleiding te maken, maar er is
                    nog geen sprake van het daadwerkelijk kunnen verkrijgen van arbeid. Wanneer de
                    belanghebbende zich niet aan deze verplichtingen houdt, vertraagt hij mogelijk
                    de arbeidsmarkttoeleiding. De gevolgen zijn minder groot, deze gedragingen
                    hebben niet rechtstreeks invloed op de hoogte van het recht op uitkering. Daarom
                    wordt bij deze gedragingen de verlaging verrekend in gelijke delen over drie
                    maanden. Naast het feit dat hierdoor de financiële consequenties iets minder
                    ingrijpend zijn, heeft een belanghebbende ook nog de mogelijkheid om een verzoek
                    om herziening in te dienen (zie ook artikel 6 van deze verordening).</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 5 Recidive geüniformeerde
                        verplichtingen</cursief></vet></tussenkop><tussenkop><vet><cursief>Lid 1</cursief></vet></tussenkop><al>Indien de belanghebbende binnen twaalf maanden nadat een eerste verwijtbare
                    gedraging als dusdanig is aangemerkt, opnieuw niet of onvoldoende de
                    geüniformeerde verplichtingen nakomt, wordt de verlaging verdubbeld naar een
                    verlaging van 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.</al><tussenkop><vet><cursief>Lid 2</cursief></vet></tussenkop><al>Het bedrag van de verlaging wordt in geval van de tweede verwijtbare gedraging
                    volledig verrekend over twee maanden. </al><al/><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging 100% gedurende drie maanden. Dit is wettelijk
                    vastgelegd, reden waarom er geen aparte bepalingen hieromtrent in deze
                    verordening zijn opgenomen. </al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 6 Verzoek om herziening</cursief></vet></tussenkop><al>Indien de uitkering wordt verlaagd vanwege het schenden van de geüniformeerde
                    verplichtingen, kan de belanghebbende een verzoek indien om de verlaging te
                    herzien. In dit artikel is geregeld dat dit verzoek schriftelijk moet worden
                    ingediend. De verlaging kan vervolgens pas herzien worden indien uit houding en
                    gedragingen van belanghebbende ondubbelzinnig blijkt dat hij de betreffende
                    verplichtingen (alsnog) nakomt.</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 7 Indeling in
                    categorieën</cursief></vet></tussenkop><al>De gedragingen die verband houden met het niet nakomen van de aan de
                    arbeidsinschakeling en bijstandsverlening zijn ingedeeld in categorieën op basis
                    van de verwijtbare gedraging. Een gedraging wordt ernstiger naar mate de
                    gedraging concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid dan wel voor het niet bereiken van de doelstelling van een
                    participatietraject. </al><al>Ook hebben de categorieën een bandbreedte. Niet elke gedraging binnen dezelfde
                    categorie is even ernstig of heeft even grote gevolgen. Ook dit aspect zal in de
                    afweging moeten worden betrokken, waarbij nadrukkelijk overwogen dient te worden
                    of de belanghebbende de gevolgen van zijn gedrag redelijkerwijs had kunnen
                    voorzien.</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 8 Eerste categorie</cursief></vet></tussenkop><al>In deze categorie valt de weigering te voldoen aan de op grond van de artikelen
                    55 en 57 van de wet opgelegde nadere verplichtingen. De aanvullende
                    verplichtingen moeten expliciet bij beschikking worden opgelegd. Dat kan zowel
                    plaatsvinden bij aanvang van de bijstand als in een later stadium, zodra de
                    omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het gaat hier om de aanvullende
                    verplichtingen, die niet rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van het
                    recht, maar wel de arbeidsinschakeling en uitstroom bevorderen of verband houden
                    met de aard en het doel van de bijstand (het kan bijvoorbeeld gaan om de
                    verplichting om mee te werken aan een schuldhulpverleningstraject of om een
                    medische behandeling te ondergaan).</al><al>Daarnaast is in deze categorie opgenomen het zonder afbericht geen gehoor geven
                    aan een schriftelijke uitnodiging in verband met een gesprek over
                    participatie(mogelijkheden). Het gaat daarbij om gesprekken welke van belang
                    worden geacht om de mogelijkheden tot participatie te bespreken. Indien de
                    belanghebbende geen gehoor geeft aan deze oproep, kan niet beoordeeld worden óf
                    en zo ja, welk participatietraject kan worden ingezet.</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 9 Tweede categorie</cursief></vet></tussenkop><al>De gedragingen in deze categorie behoren onder andere tot het niet of
                    onvoldoende meewerken in de voorfase van de arbeidsinschakeling dan wel de
                    minder positieve houding met betrekking tot de medewerkingsverplichting. </al><al>De in deze categorie opgenomen gedragingen zullen leiden tot vertraging van de
                    arbeidsinschakeling of het participatietraject. Van onvoldoende medewerking is
                    in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken in het kader van
                    arbeidsinschakeling/gemeentelijke ondersteuning verschijnt welke voor de
                    voorzetting van een reeds ingezet participatietraject noodzakelijk worden
                    geacht, opdrachten in het kader van het plan van aanpak of scholing niet naar
                    behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt ten aanzien van diagnostisch
                    onderzoek. </al><al>Ook het niet of niet voldoende gebruik maken van een reeds aangeboden
                    participatie-instrument zonder dat dit leidt tot het geen doorgang vinden of tot
                    voortijdig beëindigen van het ingezette traject, behoort tot deze categorie.
                    Gedacht kan worden aan veelvuldige ziekmeldingen of afwezigheid tijdens een
                    traject, waarbij nog niet meteen besloten wordt tot beëindiging van het
                    traject.</al><al>In deze categorie is tevens opgenomen het niet naar vermogen door het college
                    opgedragen onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden te verrichten die
                    worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden
                    tot verdringing op de arbeidsmarkt. Omdat het niet nakomen van deze
                    verplichtingen geen belemmering vormen met betrekking tot (het komen tot) het
                    zelfstandig voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, is deze
                    gedraging in een lagere categorie geplaatst dan bijvoorbeeld het weigeren van
                    algemeen geaccepteerde arbeid. </al><al>Een te snelle intering vermogen waardoor (eerder) een beroep op de bijstand
                    gedaan wordt is ook in de tweede categorie opgenomen. Bij de vaststelling of
                    vermogen onverantwoord is ingeteerd dienen de omstandigheden van betrokkene in
                    ogenschouw genomen te worden. Het college stelt aparte regels op over wat
                    verstaan wordt onder onverantwoord interen.</al><al>De Wet Taaleis treedt op 1 januari 2016 in werking en introduceert artikel 18b
                    in de Participatiewet. Dit artikel legt belanghebbende de verplichting op om de
                    Nederlandse taal op minimaal het referentieniveau 1F te beheersen. Als
                    belanghebbende hier niet aan voldoet, verlaagt het college de bijstand.
                    Belanghebbende moet aan de hand van documenten aantonen dat hij voldoet aan de
                    taaleis. Dit kan met bijvoorbeeld een inburgeringsdiploma of een schooldiploma.
                    Kan belanghebbende dit niet, dan moet hij een toets afleggen. Als uit de toets
                    blijkt dat hij voldoet aan de taaleis, dan gebeurt er niets met de bijstand.
                    Volgt uit de toets dat belanghebbende de Nederlandse taal niet voldoende
                    beheerst, dan krijgt hij één maand de tijd om te beginnen met het leren van de
                    Nederlandse taal. Belanghebbende kan met deze inspanning een verlaging van de
                    bijstand voorkomen. De taaleis is immers een zogenaamde inspanningsverplichting.
                    Als hij niet start met het leren van de Nederlandse taal, dan wordt de bijstand
                    verlaagd conform artikel 18b van de wet. De eerste 6 maanden wordt de bijstand
                    verlaagd met 20%. De bijstand wordt de daaropvolgende 6 maanden met 40% verlaagd
                    en daarna wordt de bijstand voor onbepaalde tijd met 100% verlaagd. Indien
                    belanghebbende niet komt opdagen bij de toets dan wordt de bijstand gedurende
                    verlaagd.</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 10 Derde categorie</cursief></vet></tussenkop><al>In deze categorie vallen de gedragingen welke belemmerend werken voor het
                    aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, het niet of onvoldoende meewerken
                    aan het behoud van werk. Het gaat in deze categorie om een negatieve houding en
                    gedrag van de belanghebbende ten aanzien van de arbeidsinschakeling en
                    participatie. Het gaat in deze categorie om dezelfde soort gedragingen als
                    bedoeld in de tweede categorie maar met het belangrijke verschil dat de
                    gedragingen al gevolgen hebben (gehad) zoals bij voorbeeld het geen doorgang
                    vinden of afbreken van een participatietraject of de gemeentelijke
                    ondersteuning, het niet nakomen van gemaakte afspraken zoals opgenomen in het
                    plan van aanpak e.d.</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 11 Vierde categorie</cursief></vet></tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen, is in deze verordening gelijk gesteld aan de geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen zoals die uit de wet voortvloeien en daardoor valt
                            deze gedraging onder de vierde categorie. Bij de beoordeling van de
                            verlaging is het wel van belang of een belanghebbende een reële kans
                            heeft op werk. Onder andere de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt spelen
                            daarbij een belangrijke rol en wegen mee bij de overweging de bijstand
                            te verlagen.</al></li><li nr="b."><al>Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                            in het bestaan wordtin deze verordening verstaan: het nodeloos in
                            bijstandsbehoevende omstandigheden verkeren. Hiertoe wordt in ieder
                            geval (niet limitatief) gerekend:</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>verwijtbaar ontslag uit dienstbetrekking (nemen of krijgen);</al></li><li nr="-"><al>vet niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="-"><al>verkoop woning beneden de waarde;</al></li><li nr="-"><al>onderbedeling bij echtscheiding;</al></li><li nr="-"><al>niet of te laat aanvragen van voorliggende voorziening.</al><lijst><li nr="c."><al>Door deze zeer negatieve houding wordt afgezien van de kans om
                                    geheel of gedeeltelijk uit de bijstand te komen en blijft de
                                    uitkeringsafhankelijkheid voortduren.</al></li><li nr="d."><al>Met zeer ernstig misdragen wordt vooral bedoeld agressief
                                    gedrag. Onder “het college en in zijn opdracht werkende
                                    ambtenaren en medewerkers” wordt niet alleen de consulent
                                    verstaan, maar ook de medewerker van de receptie, de telefonist
                                    en iedere andere medewerker die namens het college met de
                                    belanghebbende in contact treedt.Onder agressief gedrag wordt
                                    verstaan: alle vormen van fysiek geweld, van dreiging met
                                    geweld, van intimidatie, stalking, discriminatie naar geslacht,
                                    geloof of ras, seksuele intimidatie, vernieling en het dragen
                                    van wapens of gevaarlijke voorwerpen. Als er sprake is van
                                    agressief gedrag moet uitvoerig worden gerapporteerd over de
                                    exacte aard van het gedrag en de omstandigheden waarin het zich
                                    heeft voorgedaan. Voor de vaststelling van de ernst van de
                                    gedraging en de mate van verwijtbaarheid (en daarmee dus ook
                                    voor de hoogte van het percentage van de verlaging) vormen de
                                    omschrijvingen van agressief gedrag in het “Veiligheidsprotocol
                                    gemeente Den Helder” het uitgangspunt. In dit protocol worden de
                                    diverse gedragingen omschreven en is een onderverdeling gemaakt
                                    naar ernst van gedragingen. Het toepassen van een verlaging
                                    staat overigens geheel los van het doen van aangifte bij de
                                    politie. Het college besluit tot verlaging, terwijl de
                                    medewerker tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen
                                    bij de politie. Het verlagen van de bijstand wegens ernstig
                                    wangedrag laat de bevoegdheid onverlet om de pleger gedurende
                                    een periode de toegang tot het gebouw te ontzeggen. </al><al/></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet><cursief>Artikel 12 Berekeningsgrondslag</cursief></vet></tussenkop><tussenkop><vet><cursief>Lid 1</cursief></vet></tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat de verlaging plaats vindt op de
                    bijstandsnorm. Mogelijk ten overvloede wordt hierbij nogmaals gesteld dat onder
                    de bijstandsnorm wordt verstaan de van toepassing zijnde wettelijke norm
                    exclusief een eventuele gemeentelijke verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><tussenkop><vet><cursief>Lid 2</cursief></vet></tussenkop><al>De 18 tot 21- jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk
                    wordt aangevuld door middel van bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Indien de verlaging alleen op die lage jongerennorm zou worden
                    opgelegd, zou dat leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. </al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 13 Ingangsdatum en
                    tijdvak</cursief></vet></tussenkop><tussenkop><vet><cursief>Lid 1</cursief></vet></tussenkop><al>Het afstemmen van de bijstand vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlagen van de bijstand kan in beginsel op twee manieren, te weten: met
                    terugwerkende kracht door middel van een herziening van de uitkering of door
                    middel van verlaging van de bijstandsnorm in de eerstvolgende maand(en). In deze
                    verordening is bewust gekozen voor de tweede manier, omdat in dat geval niet
                    overgegaan behoeft te worden tot herziening en terugvordering van bijstand. Om
                    die reden is in dit lid vastgelegd dat de verlaging ingaat per de eerstvolgende
                    kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm. </al><tussenkop><vet><cursief>Lid 2</cursief></vet></tussenkop><al>De verlaging vindt direct plaats in de situatie dat het besluit tot verlaging is
                    genomen (middels beschikking) en de uitkering nog niet is uitbetaald aan
                    belanghebbende. </al><tussenkop><vet><cursief>Lid 3</cursief></vet></tussenkop><al>Voornamelijk met betrekking tot de duur van de verlaging zijn door het college
                    beleidsregels opgesteld die specifiek betrekking hebben op de onverantwoorde
                    wijze van interen vermogen. Deze “categorie” van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan vormt daarom een
                    uitzondering voor wat betreft de duur van de verlaging. Het derde lid regelt de
                    duur van de verlaging bij een eerste gedraging (sub a) en bij recidive binnen
                    twaalf maanden (sub b). Een eerste gedraging kan hoogstens leiden tot een
                    verlaging voor de duur van één kalendermaand, een tweede gedraging tot maximaal
                    twee kalendermaanden. Bepalend voor recidive is de datum waarop de eerste
                    gedraging als verwijtbaar is aangemerkt en de belanghebbende hiervan
                    redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn (dus de verzenddatum van de
                    beschikking naar aanleiding van de eerste gedraging).</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 14 Het besluit tot toepassen van een
                            verlaging</cursief></vet></tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand als gevolg van een verwijtbare gedraging vindt
                    plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in ieder
                    geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en
                    dan in het bijzonder het motiveringsbeginsel. </al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 15 Afzien van het toepassen van een
                            verlaging</cursief></vet></tussenkop><tussenkop><vet><cursief>Lid 1</cursief></vet></tussenkop><al>In artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college van
                    een verlaging afziet indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. </al><tussenkop><vet><cursief>Lid 2</cursief></vet></tussenkop><al>Dit lid regelt de schriftelijke waarschuwing en geeft de mogelijkheid om bij een
                    eerste verwijtbare gedraging met een waarschuwing te volstaan. Uitgangspunt
                    blijft echter dat verwijtbaar gedrag in beginsel tot verlaging van de bijstand
                    leidt. Als wordt overwogen om met een waarschuwing te volstaan, moet dit
                    uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Het zal in vrijwel alle gevallen gaan om
                    relatief onbeduidende gedragingen met geen voor het recht op, of de hoogte van
                    de bijstand directe gevolgen en/of van geringe mate van verwijtbaarheid. De
                    feitelijke gedraging moet wel worden omschreven in een waarschuwingsbeschikking
                    en telt gewoon mee bij recidive. Bij iedere categorie gedragingen kan, met
                    inachtneming van bovenstaande, in beginsel met een waarschuwing worden volstaan. </al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het verlagen van de bijstand is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. In verband met de effectiviteit
                    (lik-op-stuk) is het nodig dat de verlaging spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgevonden, wordt toegepast. Om deze reden is dan ook in dit lid geregeld
                    dat het college geen verlagingen toepast voor gedragingen die langer dan een
                    jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Om de verwijtbare gedraging toch niet als onopgemerkt voorbij te laten gaan,
                    wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing. </al><tussenkop><vet><cursief>Lid 3</cursief></vet></tussenkop><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het toepassen van een
                    verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete (nood)situatie en kan daarom niet
                    op voorhand worden vastgelegd. De (nood)situatie mag echter niet het gevolg zijn
                    van de verwijtbare gedraging. Als de belanghebbende door verwijtbaar ontslag in
                    ernstige financiële nood komt te verkeren, kan dat nooit een reden zijn om van
                    de afstemming van bijstand af te zien. Die omstandigheden zijn immers het gevolg
                    van het verwijtbare gedrag. Om af te zien van een verlaging bij dringende
                    redenen moet onomstotelijk vaststaan dat er sprake is van een dermate acute
                    noodsituatie dat het opleggen van verlaging van de bijstand tot onevenredige
                    omstandigheden leidt. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    toepassen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband
                    met eventuele recidive en in het kader van het motiveringsbeginsel (artikel 3:46
                    Awb). </al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 16 Samenloop van
                    gedragingen</cursief></vet></tussenkop><tussenkop><vet><cursief>Lid 1</cursief></vet></tussenkop><al>Indien door één gedraging meerdere verplichtingen tegelijkertijd worden
                    geschonden, wordt éénmaal een verlaging toegepast. Uitgegaan wordt dan van de
                    verlaging met het hoogste percentage. </al><tussenkop><vet><cursief>Lid 2</cursief></vet></tussenkop><al>Het toepassen van meerdere verlagingen tegelijkertijd is mogelijk. Het dient dan
                    echter wel te gaan om verschillende gedragingen waarvoor een verlaging mogelijk
                    is. Bij samenloop van verschillende verwijtbare gedragingen die schending van
                    één of meerdere verplichtingen tot gevolg hebben, dient het college de
                    percentages bij elkaar op te tellen (de zogenaamde stapeling). Bij de
                    beoordeling van de ernst van het feit en de mate van verwijtbaarheid kunnen de
                    verschillende gedragingen uiteraard wel in onderlinge samenhang worden bezien.
                    Dit kan reden zijn om voor het geheel aan gedragingen een verlaging met een
                    lager percentage toe te passen. </al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 17 Heroverweging</cursief></vet></tussenkop><tussenkop><vet><cursief>Lid 1</cursief></vet></tussenkop><al>Artikel 18, derde lid, Participatiewet bepaalt dat het college de verlaging van
                    de bijstand moet heroverwegen binnen uiterlijk drie maanden. Deze heroverweging
                    kan achterwege blijven als de verlaging voor een periode van ten hoogste drie
                    maanden is opgelegd. </al><al>Binnen drie maanden na het besluit tot verlaging van bijstand voor onbepaalde
                    duur moet het college beginnen met het onderzoek in het kader van de
                    heroverweging. Dit onderzoek kan schriftelijk plaatsvinden, afhankelijk van de
                    aard van de verplichting of gedraging. Zo kan, in de situatie van het niet
                    nakomen van de sollicitatieplicht, worden volstaan met het opvragen van
                    schriftelijke bewijzen waaruit blijkt dat belanghebbende wel voldoende
                    inspanningen heeft gepleegd om werk te vinden. In andere situaties kan het
                    noodzakelijk zijn om de belanghebbende op te roepen. Als de belanghebbende de
                    gevraagde gegevens niet overlegt, of geen gehoor geeft aan oproepen, dan vindt
                    de heroverweging plaats op basis van de dan bekende gegevens, die veelal tot
                    voortzetting van de verlaging zal leiden. De heroverweging resulteert in een
                    beschikking. </al><tussenkop><vet><cursief>Lid 2</cursief></vet></tussenkop><al>Het resultaat van de heroverweging kan tweeledig zijn. Beëindiging van de
                    verlaging na drie maanden vindt plaats als de belanghebbende laat blijken zich
                    inmiddels niet langer schuldig te maken aan de verwijtbare gedraging waarvoor de
                    verlaging was toegepast of aannemelijk maakt dat hij zich voortaan aan de
                    opgelegde verplichtingen zal houden. </al><al>Van voortzetting is sprake als de belanghebbende zich ook ten tijde van de
                    heroverweging nog steeds aan de verwijtbare gedraging schuldig maakt. De
                    voortzetting kan, afhankelijk van de omstandigheden, mate van verwijtbaarheid en
                    ernst van de gedraging, plaatsvinden voor bepaalde of onbepaalde duur. Bij
                    voortzetting voor onbepaalde duur moet binnen uiterlijk drie maanden opnieuw een
                    heroverweging plaatsvinden. Heroverweging kan overigens leiden tot voortzetting
                    met vaststelling van een lager percentage als de belanghebbende blijk geeft zijn
                    gedrag enigszins, maar onvoldoende, te hebben verbeterd. </al><tussenkop><vet><cursief>Lid 3</cursief></vet></tussenkop><al>Deze bepaling biedt de mogelijkheid om bij volharding het percentage van de
                    verlaging te verdubbelen. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld de
                    weigerachtigheid om mee te werken aan een plan van aanpak of
                    participatietraject. Als hiervoor een verlaging is toegepast en belanghebbende
                    blijft medewerking weigeren, ook na een tweede verlaging van bijstand voor twee
                    maanden en na een derde voor onbepaalde duur, dan kan bij voortzetting het
                    percentage worden verdubbeld.</al><al/><tussenkop><vet><cursief>Artikel 18 t/m artikel 22</cursief></vet></tussenkop><al>Behoeven geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>