<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR410139_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-07-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wolder Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/2015-01-01/1#Hoofdstuk3_Paragraaf3.4_Artikel34">Artikel 34 Partcipatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/2015-01-01/1#Hoofdstuk4_Paragraaf4.1_Artikel35">Artikel 35 particpatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/2015-01-01/1#Hoofdstuk6_Paragraaf6.1_Artikel50">Artikel 50 Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/2015-01-01/1#Hoofdstuk6_Paragraaf6.1_Artikel51">Artikel 51 Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2014-04-01/1#Hoofdstuk4_Titeldeel4.3_Artikel4:84">Artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-05-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2085</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels bijzondere bijstand en minimabeleid 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Beleidsuitvoeringsplan bijzondere bijstand en minimabeleid
                        2016</vet></al><al>Het college van de gemeente De Wolden;</al><al/><al>gelet op de artikelen 34, 35, 50 en 51 van de Participatiewet alsmede
                        artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al/><al> overwegende dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen omtrent
                        de aan het college toekomende bevoegdheid om bijzondere bijstand toe te
                        kennen indien sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende
                        noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het
                        college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele
                        inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen
                        voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de volgende</al><al/><al><vet>‘Beleidsuitvoeringsplan bijzondere bijstand en minimabeleid
                        2016’</vet></al><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al/><al>Het Beleidsuitvoeringsplan bijzondere bijstand en minimabeleid beschrijven
                        op welke wijze het college van burgemeester en wethouders invulling geeft
                        aan haar bevoegdheid om bijzondere bijstand toe te kennen op grond van de
                        Participatiewet. De meest voorkomende kostensoorten waarvoor bijzondere
                        bijstand kan worden aangevraagd worden benoemd in deze beleidsregels. Op
                        grond van artikel 35 Participatiewet kan altijd bijzondere bijstand worden
                        gevraagd voor dergelijke kosten. </al><al>De beleidsregels zijn zodanig opgesteld dat deze de kaders weergeven
                        waarbinnen het cluster sociale zaken aanvragen dient te behandelen,
                        daarnaast zijn de beleidsregels ook bedoeld als informatiebron voor de
                        (bijzondere) bijstandsgerechtigden.</al><al/><al>De beleidsregels bestaan uit vier delen:</al><al>1. Algemeen</al><al>Wie behoort tot de doelgroep? Welke inkomens- en vermogensgrenzen zijn er?
                        Hoe wordt de draagkracht berekend? Hoe gaan we om met bewijsstukken? Moet de
                        klant de kosten eerst zelf betalen? Deel 1 geeft antwoorden op deze vragen.
                        Daarnaast zetten we in deel 1 uiteen hoe we de administratieve lasten van
                        bijstandsgerechtigden gaan verlagen, de kwaliteit gaan verbeteren en de
                        doorlooptijden omlaag gaan. </al><al/><al>2. Bijzondere bijstand en de vastgestelde regelingen</al><al>Het college en de raad hebben meerdere regelingen vastgesteld op grond van
                        artikel 35 van de Participatiewet om specifieke groepen in bepaalde
                        kostensoorten tegemoet te komen. In deel 2 en in de inhoudsopgave kunt u
                        terugvinden welke gemeentelijke regelingen zijn vastgesteld.</al><al/><al>3. Participatiewet - overige</al><al>Naast de in deel 2 genoemde regelingen zijn voor de veel gevraagde
                        kostensoorten ook beleidsregels vastgelegd. Dit bevordert een eenduidige
                        uitvoering en is ook transparant voor de burger.</al><al/><al>4. Afsluiting</al><al>Beleidsregels dienen vastgesteld te worden door het college. De
                        hardheidsclausule en de bepalingen met betrekking tot de inwerkingtreding
                        ondertekening zijn opgenomen in het afsluitende vierde deel.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>1</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel>Inleiding</titel></kop><al><vet>Inleiding</vet></al><al>In dit beleidsuitvoeringsplan worden de beleidsregels bijzondere
                            bijstand en minimabeleid inzichtelijk gemaakt. Raad en college erkennen
                            dat het niet altijd even gemakkelijk is om rond te komen van een
                            minimuminkomen. Het is echter in ieders belang dat elke burger in onze
                            gemeente mee kan doen aan de samenleving. De maatregelen op het gebied
                            van armoedebestrijding hebben allereerst betrekking op re-integratie en
                            inkomensondersteuning. Mensen aan werk helpen staat voorop: het
                            verdienen van een eigen inkomen is de beste manier om armoede te
                            bestrijden. Het is echter niet in alle gevallen toereikend. Zeker niet
                            voor hen die moeilijk in staat zijn om aan voldoende betaald werk te
                            komen, chronisch ziek of gehandicapt zijn, nauwelijks pensioen hebben of
                            in een schuldenspiraal terecht zijn gekomen. Om sociale uitsluiting van
                            inwoners afhankelijk van een inkomen om en nabij het sociaal minimum te
                            voorkomen, is sociaal beleid ontwikkeld. </al><al>Om in aanmerking te komen voor deze voorzieningen moet eerst vastgesteld
                            worden of voldaan wordt aan de doelgroep eisen, daarom worden deze
                            randvoorwaarden als eerste behandeld.</al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>Onder het gemeentelijk minimabeleid vallen inwoners van de gemeente De
                            Wolden (BRP inschrijving is doorslaggevend) van 21 jaar en ouder, die
                            zelfstandig een huishouden voeren en voldoen aan de gestelde inkomens-
                            en vermogenseisen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Inkomenseisen</titel></kop><al>Het inkomen en/of de uitkering moet op het moment van aanvraag gelijk
                            zijn aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum.</al><al/><al>Voor gehuwden/samenwonenden worden de inkomsten van beide partners
                            opgeteld.</al><al/><al>Onder inkomen wordt ook verstaan de (voorlopige) heffingskortingen die
                            worden ontvangen van de belastingdienst. Tegemoetkomingen in de zin van
                            de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals de huurtoeslag,
                            zorgtoeslag, kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag worden niet
                            tot de inkomsten gerekend.</al><al/><al>Wisselende inkomsten</al><al>Bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van het gemiddeld inkomen over
                            de afgelopen drie maanden. Ook kwartaal uitkeringen worden herrekend
                            naar een maandinkomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Vermogenseisen</titel></kop><al>In het kader van het gemeentelijke minimabeleid wordt ook rekening
                            gehouden met vermogen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de
                            Participatiewet. Naast het inkomen mag het spaargeld en/of het andere
                            vermogen niet meer bedragen dan de in artikel 34 Participatiewet
                            gestelde vermogensgrenzen. Deze grenzen zijn afhankelijk van de
                            gezinssamenstelling.</al><al/><al>De bestanddelen van het vermogen (kunnen) zijn:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Bank- en/of girosaldi c.q. spaargelden, spaarbrieven of andere
                                    waardepapieren</al></li><li nr="-"><al>Aandelen en/of effecten</al></li><li nr="-"><al>Sieraden, kunst of andere waardevolle bezittingen</al></li><li nr="-"><al>Voertuigen, caravans, aanhangwagens en dergelijke waarvan de
                                    waarde (gezamenlijk) boven de € 7.000,00 ligt. De waarde kan
                                    worden bepaald aan de hand van bijvoorbeeld de ANWB/BOVAG
                                    koerswaarde, internet of de ProMOtor Advieslijn 070 – 314 50
                                    78). </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Bij de waardebepaling van de eigen woning wordt uitgegaan van de
                                    geldende WOZ-waarde minus het saldo van de hypotheek die op de
                                    woning rust.</al></li><li nr="-"><al>Vorderingen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Toetsingskader doelgroep</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Onder het gemeentelijk minimabeleid vallen inwoners van de
                                    gemeente De Wolden (BRP inschrijving is doorslaggevend) van 21
                                    jaar en ouder, die zelfstandig een huishouden voeren en voldoen
                                    aan de gestelde inkomens- en vermogenseisen.</al></li><li nr="2."><al>Het inkomen en/of uitkering moet op het moment van aanvragen
                                    gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende sociaal
                                    minimum.</al></li><li nr="3."><al>Het vermogen mag niet hoger zijn dan de van toepassing zijn de
                                    vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet.</al></li><li nr="4."><al>Voertuigen, caravans, aanhangwagens etc. worden niet tot het
                                    vermogen gerekend indien de (gezamenlijke) waarde hiervan niet
                                    meer bedraagt dan € 7.000,00.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Draagkracht en vermogen/inkomen</titel></kop><al>Bij de verlening van bijzondere bijstand dient, op grond van artikel 35
                            lid 1 Participatiewet en de toelichting hierop, rekening te worden
                            gehouden met de draagkracht van belanghebbende. Daarbij dient geheel of
                            gedeeltelijk in beschouwing te worden genomen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>het in aanmerking te nemen vermogen</al></li><li nr="-"><al>het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de van toepassing
                                    zijnde bijstandsnorm</al></li></lijst><al/><al>De duur en de aanvang van de draagkrachtperiode dient vastgesteld te
                            worden door het college. De belanghebbende dient hiervan in de
                            beschikking in kennis te worden gesteld. In de volgende paragrafen zal
                            uiteengezet worden in welke situaties de draagkracht van toepassing is
                            en op welke wijze hiermee rekening wordt gehouden bij aanvragen om
                            bijzondere bijstand</al><al/><al><cursief>Draagkrachtberekening en draagkrachtperiode</cursief></al><al>Bij de bepaling van de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand
                            is van belang in hoeverre een belanghebbende een inkomen boven
                            bijstandsniveau heeft en over een vermogen beschikt dat groter is dan
                            het vrij te laten vermogen. Indien daar sprake van is, wordt verwacht
                            dat iemand zelf (voor een deel) kan bijdragen in de bijzondere kosten.
                            Om de eigen draagkracht vast te stellen is derhalve een
                            draagkrachtberekening noodzakelijk.</al><al/><al><onderstreept>Iemand die een Participatiewet uitkering ontvangt, heeft
                                geen inkomen of vermogen boven bijstandsniveau. Er behoeft dan ook
                                geen draagkracht en draagkrachtperiode te worden bepaald. Het
                                college houdt bij de bepaling van de draagkracht geen rekening met
                                de kostendelersnorm.</onderstreept></al><al/><al><cursief>Overige minima</cursief></al><al>Voor overige minima wordt bij een aanvraag bijzondere bijstand de
                            draagkracht en de draagkrachtperiode vastgesteld. Na afloop van de
                            draagkrachtperiode wordt het inkomen en vermogen opnieuw opgevraagd en
                            de draagkracht en de draagkrachtperiode opnieuw vastgesteld.</al><al/><al><cursief>Vaststellen draagkrachtperiode</cursief></al><al>Voor aanvragers tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd
                            wordt de</al><al>draagkracht voor de periode van een jaar vastgesteld. Voor mensen die
                            de</al><al>pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt wordt de draagkracht voor de
                            periode van vijf jaar vastgesteld, waarbij periodiek het BRP (wijziging
                            woon- en/of gezinssituatie) en Suwinet (wijzigingen m.b.t. de inkomsten)
                            worden gecontroleerd. Wanneer er aanleiding voor bestaat kan een kortere
                            draagkrachtperiode worden vastgesteld (bijvoorbeeld indien de hoogte van
                            het pensioen op korte termijn kan wijzigen).</al><al/><al>De reden om voor mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben
                            bereikt een andere werkwijze te hanteren is het feit dat hun inkomens-
                            en vermogenssituatie veel stabieler is. Bovendien vermindert dit de
                            regeldruk.</al><al/><al>Om zo efficiënt mogelijk te kunnen werken wordt voor overige minima bij
                            een eerste aanvraag de draagkracht en de draagkrachtperiode vastgesteld.
                            Bij nieuwe aanvragen bijzondere bijstand of minimaregelingen, die vallen
                            binnen een lopende draagkrachtperiode, kan worden volstaan met een
                            verkorte aanvraag, waarbij niet opnieuw alle gegevens opgevraagd hoeven
                            te worden. Ten behoeve van voortzetting van bijzondere bijstand worden
                            na afloop van de draagkrachtperiode de inkomens- en vermogensgegevens
                            opnieuw beoordeeld.</al><al/><al>Ook voor overige minima geldt de inlichtingenplicht (art. 17
                            Participatiewet). Deze inlichtingenplicht wordt opgenomen in de
                            toekenningsbeschikking.</al><al/><al><vet>Artikel 31 </vet><vet>Participatiewet</vet></al><al>Sommige inkomens- en vermogensbestanddelen worden niet meegeteld bij
                            de</al><al>draagkrachtvaststelling. De inkomsten worden <onderstreept>netto,
                                exclusief vakantietoeslag</onderstreept>, in de berekening
                            betrokken. </al><al>Bepaalde kosten die de belanghebbende maakt, worden van zijn inkomen
                            afgetrokken bij de draagkrachtberekening. Dit zijn de zogenaamde
                                <onderstreept>buitengewone uitgaven</onderstreept>.</al><al>Hieronder vallen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>noodzakelijke extra uitgaven i.v.m. de uitoefening van eigen
                                    bedrijf of zelfstandig beroep;</al></li><li nr="-"><al>alimentatie voor niet in het gezin levende kinderen of
                                    ex-echtgeno(o)t(e).</al></li></lijst><al/><al>De draagkracht wordt in principe voor een heel jaar vastgesteld. De
                            draagkrachtperiode begint te lopen op de eerste dag van de maand waarin
                            de bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Een nieuwe draagkrachtperiode
                            hoeft dus niet aan te sluiten op een vorige draagkrachtperiode.</al><al>Wanneer de omstandigheden dat vragen kan ook een andere aanvangsdatum
                            worden gekozen als startpunt van de draagkrachtperiode. Dit kan het
                            geval zijn als de kosten eerder gemaakt zijn dan de aanvraag is
                            ingediend en de draagkracht in deze periode aanmerkelijk hoger ligt dan
                            ten tijde van de aanvraagdatum. </al><al>Wanneer de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd betrekking
                            hebben op een kortere of een langere periode dan een jaar, dan wordt de
                            draagkracht over die kortere of langere periode in aanmerking
                            genomen.</al><al>Niet de gehele draagkrachtruimte hoeft als draagkracht te worden
                            aangewend om voor bijstand in aanmerking te komen.</al><al/><al>De draagkracht bestaat uit de volgende componenten:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>100% van het meer vermogen, zoals bedoeld in artikel 34
                                    Participatiewet</al></li><li nr="-"><al>35% van het inkomen boven 110% van de van toepassing zijnde
                                    bijstandsnorm</al></li></lijst><al/><al>Deze percentages gelden in principe voor alle bijzondere kosten van het
                            bestaan, tenzij in het gemeentelijk beleid ten aanzien van specifiek
                            genoemde bijzondere kosten nadrukkelijk anders is vastgesteld. Dit is
                            bijv. het geval bij de woonkostentoeslag.</al><al/><al>Als de vastgestelde draagkracht lager is dan € 25,00 per jaar dan wordt
                            deze niet toegepast.</al><al/><al><cursief>Draagkracht en WSNP</cursief></al><al>De Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) maakt het mogelijk
                            dat</al><al>schuldeisers verplicht kunnen worden mee te werken aan een
                            schuldsanering. Voor de schuldenaar betekent dit dat het inkomen boven
                            de van toepassing zijnde bijstandsnorm, aangewend wordt ten behoeve van
                            de aflossing van de schuldeisers. Hierdoor komt het netto besteedbaar
                            inkomen van de schuldenaar op (of beneden) bijstandsniveau. Bij
                            aanvragen om bijzondere bijstand moet bij berekening van de draagkracht
                            van het <onderstreept>werkelijk netto besteedbaar inkomen</onderstreept>
                            worden uitgegaan en niet van het inkomen voor aftrek van de door de
                            bewindvoerder opgelegde bijdrage in de sanering.</al><al>Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling
                            op grond van de WSNP is uitgesproken, geldt dat het college enkel de
                            draagkracht kan berekenen over middelen waarover belanghebbende
                            daadwerkelijk de beschikking heeft.</al><al>Verder is het uiteraard van belang dat wordt nagegaan in hoeverre de
                            bijzondere kosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere
                            omstandigheden.</al><al/><al>Van bijzondere omstandigheden kan worden gesproken als iemand een</al><al>schuldsaneringstraject volgt in het kader van de WSNP. Deze trajecten
                            duren 3 of 5 jaar, waarbij moet worden aangetekend dat voorafgaand aan
                            de schuldsanering in het kader van de WSNP er vaak al enkele jaren zijn
                            verstreken waarin het netto besteedbaar inkomen op of rond de 90%
                            (bescherming beslagvrije voet) van het minimum heeft gelegen. Hieruit
                            vloeit direct voort dat van reservering geen enkele sprake is geweest en
                            dat de aflossingscapaciteit volledig is opgesoupeerd door de aflossing
                            van schulden. Door bijstand te verlenen in schuldsituaties wordt
                            indirect bijstand voor schulden gegeven, hetgeen ingevolge artikel 13
                            lid 1 sub g Participatiewet in principe niet mogelijk is. In het
                            WSNP-traject is het echter niet toegestaan om nieuwe schulden te maken,
                            hetgeen voor een belanghebbende betekent dat hij en op de armoedegrens
                            leeft en aangewezen kan zijn op bijzondere bijstand indien er zich uit
                            bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten voordoen. Deze situatie
                            is niet wenselijk, ongeacht de oorzaken van de schulden, waardoor een
                            belanghebbende in de WSNP terecht is gekomen. De gemeente kan onder
                            toepassing van artikel 49 sub b Participatiewet een dringende reden
                            aannemen, en uit praktisch en sociaal oogpunt uitgaan van het netto
                            besteedbaar inkomen.</al><al/><al><cursief>Draagkracht en minnelijk traject</cursief></al><al>Voorafgaand aan een WSNP-traject, zoals onder het vorige kopje
                            beschreven, wordt een minnelijk traject doorlopen door de
                            belanghebbende. In dit minnelijke traject wordt met de schuldeisers
                            getracht tot overeenstemming te komen over de aflossing en terugbetaling
                            van schulden. Belanghebbenden worden in deze fase vaak geconfronteerd
                            met deurwaarders en beslagleggingen op loon of uitkering. Met hulp van
                            de GKB kan een verzoek worden gedaan tot een minnelijke schuldregeling,
                            waarbij getracht wordt overeenstemming te krijgen met de schuldeisers
                            over een algehele aflossing van (een deel van) de schulden. Indien het
                            minnelijke traject is mislukt, wegens ontbreken van medewerking van alle
                            schuldeisers, dan wel van de schuldenaar, kan eventueel het WSNP-traject
                            worden opgestart. Het is alleszins redelijk om in de fase van het
                            minnelijke traject ten aanzien van draagkrachtbepalingen uit te gaan van
                            het werkelijk netto besteedbaar inkomen, conform de werkwijze zoals in
                            de situatie van een bewindvoering in het kader van de WSNP.</al><al/><al/><al/><al><vet>Toetsingskader draagkracht</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Voor aanvragers tot de pensioengerechtigde leeftijd wordt de
                                    draagkracht voor de periode van een jaar vastgesteld. Voor
                                    mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt wordt
                                    de draagkracht voor de periode van vijf jaar vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>De draagkrachtperiode begint te lopen op de eerste dag van de
                                    maand waarin de bijzondere bijstand wordt aangevraagd.</al></li><li nr="3."><al>De draagkracht bestaat uit de volgende componenten:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van het meer vermogen, zoals bedoeld in artikel 34
                                            Participatiewet</al></li><li nr="b."><al>35% van het inkomen boven 110% van de van toepassing
                                            zijnde bijstandsnorm</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Als de vastgestelde draagkracht lager is dan € 25,00 per jaar
                                    dan wordt deze niet toegepast.</al></li><li nr="5."><al>In een WSNP-traject, en in het minnelijke traject daaraan
                                    voorafgaand, neemt het college onder toepassing van artikel 49
                                    sub b Participatiewet een dringende reden aan, en gaat uit een
                                    praktisch en sociaal oogpunt uit van het netto besteedbaar
                                    inkomen.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Procedureel</titel></kop><al><cursief>De aanvraag</cursief></al><al>Om voor vergoedingen in het kader van het gemeentelijke minimabeleid in
                            aanmerking te komen, moet in ieder geval een keer een schriftelijke
                            aanvraag worden ingediend. De gemeente De Wolden heeft voor de diverse
                            regelingen (verkorte) aanvraagformulieren gemaakt.</al><al/><al>De doelgroep wordt onderverdeeld in twee groepen:</al><al>I huishoudens met een Participatiewet /IOAZ/IOAW/Bbz-uitkering die
                            automatisch voldoen aan de geldende inkomens- en vermogensgrenzen. II
                            overige minima; huishoudens met een inkomen en vermogen dat beneden de
                            voor hen geldende normen ligt.</al><al/><al>Doelgroep I hoeft maar een maal een aanvraag in te dienen. Zolang men
                            tot de doelgroep behoort bestaat er immers recht op eerder verstrekte
                            regelingen (inkomen en vermogen liggen namelijk beneden de geldende
                            grenzen), en worden deze ambtshalve verstrekt op basis van de eerste
                            aanvraag.</al><al/><al>Huishoudens, die tot doelgroep II behoren hoeven in principe ook maar
                            een keer een aanvraag in te dienen. Vervolgens wordt periodiek (jonger
                            dan de pensioengerechtigde leeftijd, jaarlijks en die de
                            pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, een keer per vijf jaar) een
                            heronderzoek gehouden. Wanneer uit dit heronderzoek blijkt dat nog aan
                            de geldende voorwaarden wordt voldaan, dan kunnen de bijdragen behorende
                            bij de eerder toegekende regelingen weer uitbetaald worden.</al><al/><al><cursief>Bewijsstukken</cursief></al><al>Het aanvraagformulier moet volledig worden ingevuld en ondertekend.</al><al>Tevens is het noodzakelijk dat bij het aanvraagformulier de gevraagde
                            bewijsstukken worden gevoegd. Personen die een bijstandsuitkering
                            ontvangen of personen bij wie de draagkrachtperiode nog loopt hoeven de
                            bewijsstukken die betrekking hebben op inkomen en vermogen niet in te
                            leveren.</al><al/><al>Wanneer de verplichting geldt dat er bewijsstukken moeten worden
                            verstrekt met betrekking tot het inkomen en vermogen, dan hoeft voor wat
                            betreft de bankrekening(en) in principe alleen het afschrift van de
                            laatste maand te worden verstrekt. In geval van
                            kwartaalinkomsten/eenmalige afkoop pensioenen of iets dergelijks kan het
                            nodig zijn om hiervan de relevante bewijsstukken op te vragen.</al><al/><al><cursief>Beslistermijnen</cursief></al><al>Voor aanvragen voor vergoedingen in het kader van het gemeentelijk
                            minimabeleid geldt overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht een
                            beslistermijn van 8 weken. De processen zijn echter zodanig aangepast
                            dat op bijna alle aanvragen in principe binnen een werkweek een besluit
                            wordt genomen. Voorwaarde is dat de formulieren volledig zijn ingevuld
                            en zijn voorzien van de gevraagde bewijsstukken.</al><al/><al><cursief>Uitbetaling bijstand</cursief></al><al>De bijzondere bijstand wordt (indien mogelijk) direct betaalbaar gesteld
                            aan de klant waarbij de klant pas in een later stadium de verstrekte
                            bijstand moet verantwoorden. Voorbeeld: In geval een wasmachine kapot is
                            gegaan en moet worden vervangen, wordt na de aanvraag direct de geldende
                            norm voor een wasmachine aan de klant betaalbaar gesteld. Hierdoor kan
                            hij/zij direct tot aanschaf over gaan en hoeft niet eerst met offertes
                            en dergelijke te komen. Door in een later stadium de nota en/of het
                            betaalbewijs te overleggen is de rechtmatigheid aangetoond. Verstrekt de
                            klant geen bewijsstukken achteraf, dan kan worden besloten bij
                            toekomstige aanvragen pas bijstand betaalbaar te stellen wanneer de nota
                            en/of het betaalbewijs is verstrekt aan de gemeente of over te gaan tot
                            terugvordering van het verstrekte bedrag (niet besteed voor het doel
                            waar het voor verstrekt is).Terugvordering is hierbij het
                            uitgangspunt.</al><al/><al><cursief>Het opsparen van diverse geringe kosten</cursief></al><al>Een aanvraag om bijstand moet in beginsel vooraf worden ingediend,
                            voordat de kosten zijn gemaakt. Een uitzondering geldt voor zogenoemde
                            kleine kosten. Met de inkomensconsulent moet hierover vooraf contact
                            zijn geweest voor toestemming (om te voorkomen dat de gemeente achteraf
                            wordt geconfronteerd met aanvragen die al door de cliënt zijn voldaan en
                            waarvan de noodzaak niet meer is vast te stellen). Deze kosten kunnen
                            achteraf met bewijsstukken worden ingediend tot een jaar nadat de kosten
                            daadwerkelijk zijn gemaakt (om elk misverstand te voorkomen: derhalve
                            geldt hier niet het betalingstijdstip, doch het tijdstip dat de kosten
                            betaald hadden moeten worden). De totale opgespaarde kosten mogen een
                            bedrag van €500,00 perkalenderjaar niet te boven gaan.</al><al/><al><vet>Toetsingskader aanvraag procedureel</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag op grond van het minimabeleid hoeft in principe
                                    slechts eenmaal ingediend te worden.</al></li><li nr="2."><al>De niet-uitkeringsgerechtigden krijgen ieder jaar een
                                    heronderzoek indien ze de pensioengerechtigde leeftijd nog niet
                                    hebben bereikt. Heeft de uitkeringsgerechtigde de
                                    pensioengerechtigde leeftijd bereikt dan wordt dat heronderzoek
                                    eens in de 5 jaar uitgevoerd.</al></li><li nr="3."><al>Het aanvraagformulier dient ondertekend en voorzien van de
                                    nodige bewijsstukken te worden ingediend, indien dit niet het
                                    geval is dan wordt conform de Algemene wet bestuursrecht
                                    gehandeld.</al></li><li nr="4."><al>De bijzondere bijstand wordt (indien mogelijk) direct betaalbaar
                                    gesteld aan de klant waarbij de klant pas in een later stadium
                                    de verstrekte bijstand moet verantwoorden.</al></li><li nr="5."><al>Verstrekt de klant geen bewijsstukken achteraf, dan kan worden
                                    besloten bij toekomstige aanvragen pas bijstand betaalbaar te
                                    stellen wanneer de nota en/of het betaalbewijs is verstrekt aan
                                    de gemeente of over te gaan tot terugvordering van het
                                    verstrekte bedrag.</al></li><li nr="6."><al>Een aanvraag om bijstand moet in beginsel vooraf worden
                                    ingediend, voordat de kosten zijn gemaakt. Een uitzondering
                                    geldt voor zogenoemde kleine kosten, mits hierover vooraf
                                    contact is geweest met de inkomensconsulent. De totale
                                    opgespaarde kosten mogen een bedrag van € 500,00 per
                                    kalenderjaar niet te boven gaan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>2</nr><titel>BIJZONDERE BIJSTAND EN DE VASTGESTELDE REGELINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel>Inleiding</titel></kop><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Bijzondere bijstand is een voorziening voor inwoners van gemeente De
                            Wolden met een inkomen dat beneden de vastgestelde inkomens- en
                            vermogensgrenzen ligt. Wanneer deze mensen in <onderstreept>bijzondere
                                omstandigheden, noodzakelijke kosten</onderstreept> moeten maken die
                            zij zelf niet kunnen betalen, kan de gemeente bijzondere bijstand
                            verlenen. Elkegemeente stelt zelf haar regels vast omtrent toekenning
                            van bijzondere bijstand en dit kan dan ook per gemeente
                            verschillen.</al><al/><al>Gemeente De Wolden biedt een regeling aan op de volgende gebieden:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Studiekosten (= participatie schoolgaande kinderen);</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Aanschaf van een computer en de kosten van het gebruik ervan (=
                                    participatie schoolgaande kinderen);</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Een aantal duurzame gebruiksgoederen;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Sociaal participatiefonds;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Collectieve ziektekostenverzekering.</al></li></lijst><al/><al>Tegemoetkomingen in het kader van bijzondere bijstand en minimabeleid
                            zijn onbelast en hebben geen gevolgen voor de hoogte van toeslagen zoals
                            huurtoeslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Verordening participatie schoolgaande kinderen 2012: Studiekosten
                                regeling 2015/2016</titel></kop><al><cursief>Aanleiding</cursief></al><al>Met de Verordening participatie schoolgaande kinderen 2012 hebben
                            burgemeester en wethouders een regeling vastgesteld voor inwoners met
                            een laag inkomen, die kosten hebben in verband met het naar school gaan
                            van hun kinderen. Hierdoor zien ouders/verzorgers zich vaak gesteld voor
                            extra uitgaven, zoals schoolreisjes en schoolbenodigdheden. Omdat het
                            niet wenselijk is dat kinderen de negatieve gevolgen van beperkte
                            financiële middelen ondervinden, is deze regeling ingesteld om
                            ouders/verzorgers extra te ondersteunen.</al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>Gezinnen die;</al><al>- ten laste komende kinderen hebben in de leeftijd van 12 tot 18 jaar,
                            die het</al><al>voortgezet of beroepsonderwijs bezoeken. </al><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming wordt
                            onderscheid gemaakt tussen kinderen, die voor het eerst het voortgezet
                            onderwijs bezoeken, kinderen die het voortgezet onderwijs al langer
                            bezoeken en kinderen die naar het middelbaar of hoger onderwijs
                            gaan.</al><al/><al><cursief>Bijzonderheden</cursief></al><al>De tegemoetkoming kan niet met terugwerkende kracht worden aangevraagd.
                            Het schooljaar waarin de tegemoetkoming wordt gevraagd is leidend.
                            Wanneer in de ‘grote vakantie’ (zomervakantie) de tegemoetkoming wordt
                            gevraagd, geldt deze voor het komende schooljaar. Voor het schooljaar
                            2015/2016 kan een financiële tegemoetkoming voor de studiekosten op
                            grond van de Verordening participatie schoolgaande kinderen 2012
                            worden</al><al>aangevraagd.</al><al/><al><vet>Toetsingskader studiekosten</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het inkomen en/of uitkering van de ouders moet op het moment van
                                    aanvragen gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende
                                    sociaal minimum</al></li><li nr="2."><al>De doelgroep is beperkt tot gezinnen die ten laste komende
                                    kinderen hebben in de leeftijd van 12 tot 18 jaar die het
                                    voortgezet of middelbaar/hoger onderwijs bezoeken.</al></li><li nr="3."><al>De tegemoetkoming kan niet met terugwerkende kracht worden
                                    aangevraagd. Het schooljaar waarin de aanvraag wordt gedaan is
                                    leidend.</al></li><li nr="4."><al>De tegemoetkoming bedraagt per jaar:</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>€ 381,00 indien het kind voor het eerst naar het voortgezet
                                    onderwijs gaat </al></li><li nr="-"><al>€ 156,00 indien het kind naar het voortgezet onderwijs gaat</al></li><li nr="-"><al>€ 314,00 indien het kind naar het middelbaar/hoger onderwijs
                                    gaat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Verordening participatie schoolgaande kinderen: Kosten computer
                                en het gebruik ervan</titel></kop><al><cursief>Aanleiding</cursief></al><al>De verordening participatie schoolgaande kinderen dient ter ondervanging
                            van</al><al>toenemende kosten, als gevolg van het hebben van naar school gaande
                            kinderen. Hiermee wordt getracht te voorkomen dat kinderen de negatieve
                            gevolgen van de beperkte financiële middelen van hun ouders/verzorgers
                            ervaren. De praktijk leert ons dat kinderen vanaf ongeveer 8 jaar les
                            krijgen waarbij het gebruik van een computer aan de orde komt. Daarom is
                            de leeftijd voor het aanvragen van een vergoeding voor de kosten van de
                            computer en het gebruik ervan verlaagd van 12 jaar (voortgezet
                            onderwijs) naar 8 jaar.</al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>Gezinnen die:</al><al>- ten laste komende kinderen hebben in de leeftijd van 8 tot 18 jaar die
                            naar</al><al>school gaan.</al><al/><al><cursief>Bijzonderheden</cursief></al><al>Met het begrip ‘computer’ worden de synoniemen ‘laptop’, ‘notebook’ en
                            een ‘PC’ verstaan inclusief toetsenbord, muis en beeldscherm. Voor het
                            vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt verwezen naar
                            de Prijzengids van het Nibud waarbij uitgegaan wordt van de goedkoopste
                            voorziening. Een computer wordt maximaal eenmaal in de vijf jaar
                            toegekend (afschrijftermijn conform Nibud). Een tegemoetkoming in de
                            kosten van het gebruik van een computer wordt toegekend voor de duur dat
                            betrokkene aan de gestelde voorwaarden voldoet. Wanneer het jongste kind
                            de leeftijd van 18 jaar bereikt wordt de tegemoetkoming beëindigd. Onder
                            gebruikskosten valt: internetverbinding, inktcartridge, papier. Wanneer
                            men beschikt over een internetabonnement is dit voldoende ‘bewijslast’
                            om de bijstand voor de bovengenoemde periode ‘rechtmatig’ te
                            betalen.</al><al/><al><onderstreept> In principe wordt per huishouden voor maximaal 1 computer
                                en printer bijzondere bijstand verstrekt.</onderstreept></al><al/><al><vet>Toetsingskader kosten computer en gebruik ervan</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het inkomen en/of uitkering van de ouders moet op het moment van
                                    aanvragen gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende
                                    sociaal minimum</al></li><li nr="2."><al>De doelgroep is beperkt tot gezinnen die ten laste komende
                                    kinderen hebben in de leeftijd van 8 tot 18 jaar die naar school
                                    gaan.</al></li><li nr="3."><al>De tegemoetkoming voor een computer (laptop is goedkoopst
                                    adequate voorziening) bedraagt maximaal € 450,00 </al></li><li nr="4."><al>De tegemoetkoming voor een printer bedraagt maximaal €
                                    70,00</al></li><li nr="5."><al>De tegemoetkoming voor de gebruikskosten bedragen maximaal €
                                    24,00 per maand</al></li><li nr="6."><al>Er wordt per huishouden maximaal voor 1 computer en printer
                                    bijzondere bijstand verstrekt</al></li><li nr="7."><al>Een computer wordt in principe maximaal eenmaal in de vijf jaar
                                    toegekend</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Richtlijn duurzame gebruiksgoederen</titel></kop><al><cursief>Aanleiding</cursief></al><al>Wanneer een huishouden moet rondkomen van een minimum inkomen is
                            het</al><al>(noodzakelijk) vervangen van duurzame gebruiksgoederen zoals
                            bijvoorbeeld een wasmachine of een koelkast een financiële tegenvaller.
                            Om te voorkomen dat dergelijke huishoudens in de financiële problemen
                            terecht komen heeft het college de Richtlijn duurzame gebruiksgoederen
                            vastgesteld. Deze richtlijn is een uitwerking van de artikelen 35, lid 1
                            en 51 van de Participatiewet. Het hebben van een inkomen en een vermogen
                            dat beneden de vastgestelde grenzen ligt is voldoende. Dit beperkt het
                            administratieve onderzoek en de uitvraag van veel bewijsstukken bij de
                            klant. Hierdoor kan sneller worden gehandeld wat de dienstverlening ten
                            goede komt.</al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De regeling is bedoeld voor inwoners van gemeente De Wolden van 21 jaar
                            of ouder met een inkomen tot en met 110% van de voor hen geldende
                            bijstandsnorm waarbij het vermogen beneden de voor hen geldende
                            vermogensgrens ligt.</al><al/><al><onderstreept>Uitzondering</onderstreept>: Wanneer men voor de eerste
                            keer zelfstandig gaat wonen en/of verhuist na echtscheiding moet men
                            gebruik maken van de Gemeentelijke kredietbank (GKB). In deze situaties
                            heeft men kunnen reserveren voor deze aanschaf (als inwonende) of heeft
                            men al duurzame gebruiksgoederen vanuit de vorige woonsituatie mee
                            kunnen nemen (boedelverdeling).</al><al/><al><cursief>Normbedragen en hoogte bijzondere bijstand</cursief></al><al>Ten behoeve van de kosten van aanschaf van, en vervanging van
                            duurzame</al><al>gebruiksgoederen worden de normbedragen gehanteerd zoals deze zijn
                            opgenomen in de Prijzengids van het Nibud. Het gaat om de meest recente
                            Prijzengids. Deze is ook terug te vinden op www.nibud.nl. Deze
                            bijzondere bijstand wordt ‘om niet’ verstrekt.</al><al/><al><cursief>Bijzonderheden</cursief></al><al>Het moet gaan om de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen
                            die als ‘noodzakelijk’ worden beschouwd. Daarom is de regeling
                            gelimiteerd tot 4 gebruiksgoederen. Door (achteraf) nota’s te overleggen
                            moet de cliënt aantonen dat de kosten daadwerkelijk worden gemaakt. Zie
                            ook 1.4. Bij vervanging van duurzame gebruiksgoederen wordt rekening
                            gehouden met de afschrijftermijnen zoals deze gehanteerd worden volgens
                            het Nibud. Als noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen (met daarachter
                            de gebruikelijke minimale levensduur volgens Nibud) kunnen in deze
                            regeling worden aangemerkt;</al><al/><lijst><li nr="-"><al>wasmachine 10 jaar</al></li><li nr="-"><al>koelkast 10 jaar</al></li><li nr="-"><al>televisie 10 jaar</al></li><li nr="-"><al>gastoestel 10 jaar</al></li></lijst><al>De overige inboedel/duurzame gebruiksgoederen vallen onder
                            herinrichtingskosten. Zie hiervoor punt 3.1.</al><al/><al><vet>Toetsingskader duurzame gebruiksgoederen</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet op het moment
                                    van aanvragen gelijk zijn aan of lager dan 110% van het geldende
                                    sociaal minimum en het vermogen moet beneden de toepasselijke
                                    vermogensgrens liggen (tenzij eerste keer zelfstandig wonen of
                                    verhuizen na echtscheiding)</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het moet gaan om de aanschaf of vervanging van noodzakelijke,
                                    duurzame gebruiksgoederen. Hiertoe worden gerekend:</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>wasmachine,</al></li><li nr="-"><al>koelkast,</al></li><li nr="-"><al>televisie en</al></li><li nr="-"><al>gastoestel</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Bij vervanging wordt uitgegaan van de afschrijftermijnen die het
                                    Nibud hanteert</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>De bijzondere bijstand wordt ‘om niet’ verstrekt en </al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aansluiting
                                    gezocht bij normbedragen zoals opgenomen in de Prijzengids van
                                    het Nibud.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel> Collectieve ziektekostenverzekering</titel></kop><al><cursief>A</cursief><cursief>anleiding</cursief></al><al>Huishoudens met een laag inkomen kunnen via de gemeente De Wolden een
                            collectieve ziektekostenverzekering afsluiten. De gemeente heeft
                            hiervoor een overeenkomst afgesloten met Zilveren Kruis. Door het
                            collectief afsluiten van deze verzekering kan een lagere premie bedongen
                            worden en betere voorwaarden voor wat betreft de aanvullende
                            verzekering. Deze voordelen komen direct ten goede aan de minima in de
                            vorm van betere zorg, betere toegang tot zorg en een reductie van de
                            premie.</al><al>De premiebijdrage is een vorm van categoriale bijzondere bijstand
                            (artikel 35 lid 3 Participatiewet). Let wel: de inkomensbeperking tot en
                            met 110% van de toepasselijke bijstandsnorm blijft voor categoriale
                            bijzondere bijstand (voorlopig) gewoon bestaan.</al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De regeling is bedoeld voor inwoners van gemeente De Wolden van 21 jaar
                            of ouder met een inkomen tot en met 110% van de voor hen geldende
                            bijstandsnorm waarbij het vermogen beneden de voor hen geldende
                            vermogensgrens ligt.</al><al>Om deel te kunnen nemen kunnen cliënten vanaf 1 januari 2016 kiezen uit
                            drie zorgverzekeringen bij Zilveren Kruis. Te weten:</al><al>Basis Zeker, Optimaal Aanvullend 1, Aanvullend Tand 1 ster </al><al>Basis Zeker, Optimaal Aanvullend 2, Aanvullend Tand 1 ster</al><al>Basis Zeker, Optimaal Aanvullend 3, Aanvullend Tand 2 sterren</al><al>De tandartsverzekering is verplicht behalve voor klanten die een
                            volledige gebitsprothese hebben (boven- en onder prothese).</al><al>Uitgesloten voor deelname aan de collectieve ziektekostenregeling
                            zijn:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Studenten met een uitkering op grond van de Wet
                                    studiefinanciering 2000. Dit geldt ook voor degenen die
                                    zelfstandig een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van
                                    de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS)
                                    ontvangen.</al></li><li nr="2."><al>Zelfstandigen met een Bbz-uitkering levensonderhoud, niet zijnde
                                    een lening.</al></li><li nr="3."><al>Vreemdelingen (inwoners die niet voldoen aan het gestelde in
                                    artikel 11, lid 2 en 3 van de Participatiewet, samengevat
                                    vreemdelingen die niet onder de werking van de Participatiewet
                                    vallen).</al></li></lijst><al/><al><cursief>Aanvragen deelname aan de collectieve
                                ziektekostenregeling.</cursief></al><al>Er zijn 2 mogelijkheden. Of u bent al verzekerd bij Zilveren Kruis, of u
                            bent</al><al>verzekerd bij een andere zorgverzekeraar. Beide situaties worden
                            hieronder beschreven.</al><al/><al><cursief>Belanghebbende is al verzekerd bij Zilveren Kruis en wil
                                gebruik maken van de collectieve verzekering.</cursief>Wanneer
                            betrokkene tot de doelgroep behoort wordt de huidige verzekering bij
                            Zilveren Kruis omgezet in een collectieve verzekering. Aanvrager
                            machtigt Zilveren Kruis voor automatische incasso van de premie van
                            zijn/haar bank- of girorekening.</al><al/><al><cursief>Belanghebbende is nog niet verzekerd bij Zilveren Kruis en wil
                                gebruik maken van de collectieve verzekering.</cursief></al><al>Om deel te kunnen nemen aan de collectieve verzekering moet
                            belanghebbende van zorgverzekeraar wisselen. Indien belanghebbende
                            besluit om over te stappen naar een andere ziektekostenverzekeraar dan
                            kan dat elk jaar per 1 januari. Het is van belang dat belanghebbende de
                            aanvraag tijdig indient bij de gemeente, wanneer hij per 1 januari deel
                            wil nemen aan de collectieve ziektekostenverzekering. De aanvraag moet
                            voor een bepaalde datum in een lopend jaar zijn ontvangen (meestal is
                            dat begin december). Anders kan er niet per 1 januari van het komende
                            jaar worden overgestapt. Als belanghebbende aan de voorwaarden voldoet,
                            stuurt de gemeente vervolgens de aanvraagformulieren door naar Zilveren
                            Kruis.</al><al/><al><cursief>Reiskosten</cursief></al><al>Vergoeding is mogelijk, uitgaande van het dichtstbijzijnde ziekenhuis.
                            Slechts in zeer bijzondere gevallen is een reiskostenvergoeding naar
                            andere ziekenhuizen mogelijk.</al><al>Dit geldt uiteraard alleen voor consulten en niet voor
                            ziekenbezoek.</al><al>Om de reiskosten aan te kunnen tonen moeten bewijsstukken worden
                            overlegd. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn afsprakenkaart, nota’s enz.</al><al>Vergoeding vindt plaats conform het openbaar vervoer tarief of bij eigen
                            auto het vrijgesteld bedrag door de belastingdienst, thans € 0,19 per
                            kilometer.</al><al/><al><cursief>Ziektekosten – eigen risico</cursief></al><al>Voor de kosten van het wettelijk vastgestelde eigen risico (voor 2016 €
                            385,00 per jaar per persoon) wordt geen bijzondere bijstand
                            verstrekt.</al><al/><al><vet>Toetsingskader collectieve ziektekostenverzekering</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet gelijk zijn
                                    aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum en het
                                    vermogen moet beneden de toepasselijke vermogensgrens
                                    liggen.</al></li><li nr="2."><al>Vergoedt de collectieve ziektekostenverzekering de gedeclareerde
                                    kosten niet, dan worden de kosten geacht niet noodzakelijk te
                                    zijn en wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.</al></li><li nr="3."><al>Heeft de klant geen collectieve ziektekostenverzekering
                                    afgesloten dan wordt beoordeeld of er sprake is van verzekering
                                    conform het niveau van onze collectieve ziektekostenverzekering
                                    en wordt bezien of bijzondere bijstand toegekend kan
                                    worden.</al></li><li nr="4."><al>Heeft de klant een hoger eigen risico dan het wettelijk
                                    vastgestelde eigen risico dan wordt verwacht dat de klant daar
                                    ook voor reserveert. Bijzondere bijstand voor eigen risico wordt
                                    niet toegekend.</al></li><li nr="5."><al>Bijzondere bijstand voor reiskosten in bepaalde gevallen
                                    mogelijk.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>3</nr><titel>PARTICIPATIEWET- OVERIGE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Verhuizing, herinrichting en woninginrichting</titel></kop><al><cursief>Hoofdregel</cursief></al><al>Bijzondere bijstand is op grond van artikel 35 lid 1 Participatiewet
                            slechts mogelijk voor de uit <cursief><onderstreept>bijzondere
                                </onderstreept></cursief>omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke
                            kosten van het bestaan. De kosten, die verband houden met een verhuizing
                            of (her)inrichting behoren tot de
                                    <cursief><onderstreept>incidenteel</onderstreept></cursief>
                            voorkomende <cursief><onderstreept>algemeen</onderstreept></cursief>
                            noodzakelijke kosten van het bestaan. Dergelijke kosten moeten worden
                            voldaan uit de bijstandsuitkering of het daarmee in hoogte vergelijkbaar
                            inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door gespreide
                            betaling achteraf. Hieruit volgt dat er in beginsel geen bijzondere
                            bijstand verstrekt wordt voor de kosten van verhuizing, herinrichting en
                            woninginrichting.</al><al/><al>In paragraaf <vet>2.1 Duurzame Gebruiksgoederen </vet>staan enkele
                            goederen vermeld welke ‘om niet’ onder voorwaarden worden verstrekt,
                            deze verstrekking vindt plaats onder toepassing van de richtlijn
                            duurzame gebruiksgoederen.</al><al/><al>Bij de beoordeling van een aanvraag voor vergoeding van de kosten van
                            verhuizing, herinrichting en woninginrichting wordt de onderstaande
                            volgorde voor toekenning aangehouden:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Welke mogelijkheden heeft cliënt zelf om te voorzien in deze
                                    kosten? (bescheiden vermogen hoger dan € 2.000,00)</al></li><li nr="2."><al>Lening GKB</al></li><li nr="3."><al>Borgstelling GKB</al></li><li nr="4."><al>Bijstand in de vorm van een lening (leenbijstand)</al></li><li nr="5."><al>Bijstand om niet</al></li></lijst><al/><al><cursief>Bijzonderheden</cursief></al><al>Als de behandelingsduur van een aanvraag om een voorliggende voorziening
                            zodanig veel tijd vergt dat daardoor de verhuizing op losse schroeven
                            komt te staan, kan bijstand worden verleend voor een noodzakelijke
                            verhuizing. De cliënt moet dan overigens aan de voorwaarden tot
                            bijstandsverlening voldoen. Als voorwaarde dient gesteld te worden, dat
                            cliënt een beroep doet op de betreffende voorliggende voorziening en de
                            eventueel toe te kennen uitkering aan het college van B&amp;W
                            cedeert.</al><al/><al><cursief>Statushouders</cursief></al><al>Bij vestiging van statushouders in de gemeente De Wolden wordt de
                            woning, in samenwerking met Vluchtelingenwerk Noord Nederland en de
                            statushouders, ingericht. Voor de inrichtingskosten, die op grond van de
                            Prijzengids van het Nibud wordt vastgesteld, wordt via de gemeente een
                            lening verstrekt.</al><al/><al><vet>Verhuizing en begripsbepaling</vet></al><al><cursief>Kosten woninginrichting</cursief></al><al>Deze kunnen worden onderscheiden in:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>aanschaf huisraad en andere duurzame gebruiksgoederen (geen
                                    vervanging);</al></li><li nr="2."><al>de mogelijkheid van overname van goederen van de vorige
                                    bewoner;</al></li><li nr="3."><al>het bedrag dat cliënt(e) ontvangt uit de goederen die kunnen
                                    worden overgedaan aan de nieuwe bewoner van de woning die
                                    voorheen werd bewoond;</al></li><li nr="4."><al>stoffering die kan worden overgenomen.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Belangrijk</cursief></al><al>Bij het behandelen van een aanvraag wordt onder meer rekening gehouden
                            met:</al><al/><lijst><li nr="-"><al><cursief>Eerste woninginrichting</cursief></al><al>Voor een eerste woninginrichting kan in het kader van de
                                    Participatiewet <vet>nooit </vet>bijstand worden verstrekt. Dus
                                    ook geen borgstelling. In deze situatie wordt men geacht door
                                    reservering c.q. gespreide betaling achteraf, hierin te
                                    voorzien;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al><cursief>vermogen</cursief></al><al>Bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand voor verhuis-
                                    en/of herinrichtingskosten dient het zgn. bescheiden vermogen
                                    tot € 2.000,-- te worden vrijgelaten;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al><cursief>verhuizing naar andere gemeente</cursief></al><al>Bij verhuizing naar een andere gemeente beslist de gemeente waar
                                    men zich gaat vestigen op de bijstandsaanvraag voor de kosten
                                    van (her)inrichting en de indirecte verhuiskosten (waarborgsom,
                                    aansluitkosten e.d.).</al></li></lijst><al/><al>Als bijstand wordt gevraagd door een weggelopen minderjarige wordt
                            nagegaan of de ouders bereid en in staat geacht kunnen worden de kosten
                            voor hun rekening te nemen. Wanneer sprake is van echtscheiding c.q. een
                            procedure tot echtscheiding wordt aangedrongen op de totstandkoming van
                            een boedelscheiding waarmee rekening kan worden gehouden bij de
                            vaststelling van de noodzakelijke kosten.</al><al/><al><vet>Verhuizing en vaststelling noodzaak van verhuizing</vet></al><al><cursief>Uitgangspunten</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Als de noodzaak ontbreekt dan wordt de aanvraag direct
                                    afgewezen. In dit verband wordt behalve de noodzaak van
                                    verhuizing ook de voorzienbaarheid en uitstelbaarheid van
                                    verhuizing onderzocht en in de rapportage vastgelegd.</al></li><li nr="-"><al>Ook als een verhuizing/herinrichting noodzakelijk is, kan in het
                                    algemeen geen bijstand worden verleend in verhuis- en
                                    herinrichtingskosten, omdat deze kosten behoren tot de algemeen
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan, die uit het ter
                                    beschikking staande inkomen dienen te worden bestreden. Zie het
                                    rijtje van beoordelingsvolgorde op pagina 14.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Bijzonderheden</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Alleen bij bijzondere, zich onverwacht voordoende omstandigheden
                                    (waarbij de WMO ook geen vergoeding kan bieden) kan er
                                    aanleiding zijn bijstand te verlenen wanneer geen of onvoldoende
                                    reserveringscapaciteit aanwezig is. Voor het bepalen van de
                                    voorzienbaarheid van de verhuizing is onder andere de
                                    inschrijvingsdatum als woningzoekende van belang.</al></li><li nr="-"><al>In zeer bijzondere situaties (acute noodsituaties) kan er een
                                    urgentieverklaring bij de Woningbouwvereniging aanwezig zijn en
                                    hierbij een rol spelen. Als met name medische factoren in het
                                    geding zijn kan een medische indicatie bij een indicatiestellend
                                    orgaan (bijv. Zenit) worden aangevraagd. Hierbij dient er
                                    rekening mee te worden gehouden dat de aanwezigheid van een
                                    sociale of medische indicatie op zich geen reden kan vormen om
                                    bijstand te verlenen (ook dan behandelingsvolgorde van pagina 20
                                    toepassen).</al></li><li nr="-"><al>Bijstandsverlening voor een verhuizing enkel op grond van een
                                    sociale of medische indicatie is in het algemeen niet
                                    mogelijk.</al></li><li nr="-"><al>In de rapportage dienen alle feiten en omstandigheden die tot de
                                    verhuizing hebben geleid (zowel medisch als sociale) te worden
                                    vermeld, teneinde de noodzaak van de verhuizing te kunnen
                                    vaststellen.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><al>Een jeugdig echtpaar dat bijvoorbeeld in verband met de komst van een
                            kind naar een eengezinswoning wenst te verhuizen of een wat ouder
                            echtpaar dat een kleinere woning wenst te betrekken zal in verband met
                            de voorzienbaarheid van de verhuizing zelf in de verhuis- en
                            herinrichtingskosten dienen te voorzien. Bijvoorbeeld door middel van
                            het aangaan van een lening bij de geëigende kredietverlenende
                            instelling, respectievelijk de verhuizing moet uitstellen totdat
                            voldoende is gereserveerd.</al><al/><al>N.B.: </al><al>Als het gebruikelijke onderzoek (naar de voorzienbaarheid en
                            uitstelbaarheid) niet kan plaatsvinden omdat cliënt direct een
                            beslissing op zijn aanvraag wenst, respectievelijk nodig heeft, dan
                            wordt daar in het algemeen niet op ingegaan (evenmin voor de betaling
                            van de waarborgsom). Dit geldt temeer als betrokkene al over
                            zelfstandige huisvesting beschikt. Het college van B&amp;W heeft een
                            redelijke termijn nodig voor het afhandelen van de aanvraag.</al><al/><al><cursief>Berekening reserveringscapaciteit, verhuizing of
                                (her)inrichting</cursief></al><al>Als regel zal het bij een verhuizing om voorzienbare kosten gaan. Vanaf
                            het moment, dat men op de hoogte is van de noodzaak tot verhuizen, wordt
                            men geacht om hiervoor van zijn inkomen, ook van een bijstandsuitkering
                            te reserveren. Het moment, waarop men geacht wordt een aanvang te maken
                            met reserveren kan, gelet op voorgaande, gelegen zijn voor de datum van
                            inschrijving als woningzoekende. Men dient echter tenminste vanaf de
                            datum van inschrijving te reserveren. Daarom dient aan deze
                            inschrijvingsdatum geen doorslaggevende betekenis te worden gehecht bij
                            de bepaling van de reserveringscapaciteit.</al><al/><al><cursief>Voorbeelden:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Iemand woont al vele jaren op een bepaald adres. Sinds geruime
                                    tijd zijn er problemen met de verhuurder wegens achterstallig
                                    onderhoud. Men heeft last van ongedierte in de woning. Client
                                    besluit uiteindelijk zich te laten inschrijven als
                                    woningzoekende, waarna op zeer korte termijn een
                                    woningtoewijzing volgt. In casu is sprake van een voorzienbare
                                    verhuizing vanaf een moment ruimschoots gelegen voor de
                                    inschrijvingsdatum bij de Woningbouwvereniging. Vanaf dat moment
                                    wordt cliënt geacht te reserveren.</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Voor een inwonend gezin geldt in zijn algemeenheid, dat men
                                    vanaf de datum van inwoning al bezig is met de verkrijging van
                                    andere, zelfstandige woonruimte. Als basis voor het te
                                    reserveren bedrag kan in ieder geval worden aangehouden de
                                    aflossingsbedragen bij een lening (bij verblijf in een pension
                                    zal dit gewoonlijk niet haalbaar zijn). Bij inwoning ligt het
                                    reserveringsbedrag in zijn algemeenheid hoger. Potentiele
                                    cliënten voor verhuis- en/of (her)inrichtingskosten zullen in
                                    bepaalde gevallen bij deze afdeling bekend kunnen zijn. Al in
                                    het beginstadium moeten deze cliënten ook met betrekking tot
                                    eventuele herinrichtingskosten worden gewezen op de werkwijze in
                                    deze en op de spelregels die hiervoor gelden. Niet betaalde
                                    woonkosten in verband met inwoning kunnen als extra reserve
                                    voorverhuizing en (her)inrichting worden aangemerkt.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Verhuizing of (her)inrichting en eigen
                                verantwoordelijkheid</cursief></al><al>De manier waarop de huishouding is gevoerd en/of bijvoorbeeld de hoogte
                            van het kostgeld dat men heeft betaald, kan van belang zijn om de
                            reserveringsmogelijkheid in redelijkheid te kunnen bepalen. De
                            rapportage zal hierop het antwoord moeten geven. Als er niet is
                            gereserveerd terwijl hiertoe wel de mogelijkheid was, kan gelet op
                            voorgaande geen bijstand worden verleend. Slechts in uitzonderlijke
                            schrijnende situaties kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Wegens
                            een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid dient dan een
                            verlaging van de te verlenen bijstand tot een absoluut minimum en/of een
                            verlenging van de aflossingsduur te worden overwogen.</al><al/><al><cursief>Verhuizing of (her)inrichting en vermogen c.q.
                                reservering</cursief></al><al>Als cliënt eigen vermogen heeft c.q. heeft gereserveerd komt de vraag op
                            waarvoor het vermogen c.q. de reservering moet worden gebruikt. Omdat de
                            Participatiewet een aanvullend karakter draagt en volstaan dient te
                            worden met een passende goedkope voorziening dient de te verlenen
                            bijstand zoveel mogelijk in de vorm van een geldlening te worden
                            verstrekt. Hierbij moet rekening worden gehouden met de
                            draagkrachtregels zoals deze gelden voor duurzame gebruiksgoederen (zie
                            draagkracht en vermogen/ inkomen).</al><al/><al><cursief>Verhuizing en wijze van aflossing</cursief></al><al>Voor verstrekking van leenbijstand dient er een concrete, reële, direct
                            ingaande aflossingsregeling te zijn getroffen, die in het algemeen
                            gebaseerd dient te zijn op de geldende aflossingsbedragen. Door de GKB
                            kan normaliter een lening verstrekt worden ter hoogte van de
                            aflossingsbedragen over een termijn van 3 jaar. Bij een hoger inkomen
                            dan bijstand zal dit bedrag hoger zijn. Voor zover de noodzakelijke
                            kosten hoger zijn dan dat bedrag, zal aanvullend bijstand "om niet"
                            verstrekt kunnen worden.</al><al/><al/><al><cursief>Verhuizing en borgstelling</cursief></al><al>De GKB kan soms wel bereid zijn een lening te verstrekken, maar alleen
                            onder</al><al>borgstelling van de gemeente. Het verlenen van borgstelling is een vorm
                            van</al><al>bijstandsverlening, die aan dezelfde wettelijke regels is gebonden als
                            andere vormen van bijzondere bijstand.</al><al/><al><cursief>Verhuizing en leenbijstand</cursief></al><al>Als kredietverlening door de GKB niet kan plaatsvinden (ook niet onder
                            borgstelling), kan in de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen
                            leenbijstand worden verstrekt, eventueel met aanvullende bijstand ‘om
                            niet’, zie hierna.</al><al/><al><vet>Verhuizing en waarborgsom</vet></al><al>Voor de waarborgsom kan geen bijstand worden verleend. Een waarborgsom
                            behoort niet tot de bijzondere kosten, maar tot de incidenteel
                            voorkomende algemene kosten van het bestaan. Men wordt geacht hier zelf
                            voor te reserveren.</al><al/><al><cursief>Bijzondere omstandigheden/maatwerk</cursief></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Mochten er op grond van bijzondere omstandigheden toch redenen
                                    zijn om hiervoor bijstand te verstrekken dan dient dit in de
                                    vorm van een geldlening te geschieden.</al></li><li nr="2."><al>Uitgangspunt is dat de bijstand direct wordt terugbetaald. Mocht
                                    er echter bijvoorbeeld naast de waarborgsom ook bijstand zijn
                                    verleend voor inrichtingskosten (eventueel onder borgstelling)
                                    dan dient die aflossing aansluitend plaats te vinden.</al></li><li nr="3."><al>Het enkele feit dat de cliënt al 3 jaar moet aflossen voor de
                                    terugbetaling van duurzame goederen is nadrukkelijk geen reden
                                    de waarborgsom ‘om niet’ te verstrekken.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Verhuizing en mogelijkheden bijstand ‘om niet’</cursief></al><al>De directe kosten van de verhuizing, zoals de (dubbele) huur,
                            kosten</al><al>verhuisbusje/boedelbak tot maximaal € 100,00 (staat niet in Nibud), verf
                            en behang kunnen ’om niet‘ verstrekt worden. In (echt) bijzondere
                            situaties kan ook in de kosten van (her)inrichting bijstand ’om niet‘
                            worden verleend. Hierbij valt te denken aan een gedwongen verhuizing op
                            medische gronden binnen een periode van 5 jaar. Het zou niet verantwoord
                            zijn betrokkene dan nogmaals met een lening te belasten.</al><al/><al><cursief>Richtprijzen verhuiskosten en
                            herinrichtingskosten</cursief></al><al>Voor de richtprijzen voor verhuiskosten en herinrichting wordt verwezen
                            naar de Prijzengids van het Nibud. Van deze richtprijzen kunnen goederen
                            van een redelijke kwaliteit en uitvoering worden aangeschaft. Hierbij
                            wordt uitdrukkelijk gesteld, dat deze prijzen in zijn algemeenheid als
                            maximum prijzen dienen te worden gehanteerd. Is cliënt in staat om de
                            noodzakelijke goederen voor een lager bedrag aan te schaffen, bv via
                            internet of een kringloopwinkel, dan wordt de hoogte van de bijstand
                            hierop afgestemd. Hierbij geldt dat een lager bedrag bij een lening ook
                            in het belang van de cliënt is. Verantwoordelijkheid ligt hiervoor bij
                            cliënt.</al><al>De Prijzengids van het Nibud dient als hulpmiddel bij de vaststelling
                            van een eventuele maximale bijstand. Vooraf dient te worden vastgesteld,
                            welke verstrekkingen als noodzakelijk in de zin van de Participatiewet
                            dienen te worden aangemerkt. Als bij een totaalinrichting bepaalde
                            goederen al aanwezig zijn, kan de Prijzengids een indicatie geven met
                            welke bedragen het totaalbedrag dient te worden verminderd.</al><al/><al><vet>Toetsingskader bijzondere bijstand voor verhuizing, her- en
                                woninginrichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet gelijk zijn
                                    aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum en het
                                    vermogen moet beneden de toepasselijke vermogensgrens
                                    liggen.</al></li><li nr="2."><al>De kosten, die verband houden met een verhuizing of
                                    (her)inrichting behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan. Dergelijke kosten moeten
                                    in beginsel worden voldaan uit de bijstandsuitkering of het
                                    daarmee in hoogte vergelijkbare inkomen, hetzij door middel van
                                    reservering vooraf, hetzij door gespreide betaling
                                    achteraf.</al></li><li nr="3."><al>Ontbreekt de noodzaak voor de verhuizing, is de verhuizing
                                    voorzienbaar of uit te stellen dan wordt de aanvraag afgewezen.
                                    Slechts in zeer bijzondere situaties kan er aanleiding zijn
                                    bijzondere bijstand toe te kennen.</al></li><li nr="4."><al>Bij de berekening van het vast te stellen bedrag wordt slechts
                                    rekening gehouden met noodzakelijk aan te schaffen
                                    goederen.</al></li><li nr="5."><al>Voor de richtprijzen van verhuizing en herinrichting wordt
                                    aansluiting gezocht bij de Prijzengids van het Nibud, dit zijn
                                    maximale richtprijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Aflossing leningen en bijzondere bijstand</titel></kop><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Ten aanzien van het verstrekken van leningen hanteert de gemeente een
                            voorliggende voorziening. In principe is de Gemeentelijke Kredietbank
                            (GKB) de aangewezen instantie om leningen te verstrekken aan
                            bijstandsgerechtigden. Dit speelt met name bij leningen voor
                            inrichtingskosten. Door de GKB wordt getoetst of een lening
                            realiseerbaar is. Veelal zal een verzoek aan de gemeente volgen om de
                            aflossingsruimte in de bijstand aan te wenden en zal worden verzocht om
                            het vastgestelde aflossingsbedrag in te houden op de Participatiewet
                            -uitkering.</al><al/><al><cursief>Bijzondere bijstand</cursief></al><al>De gemeente hanteert voor inhouding voor aflossingen op leningen het
                            volgende beleid: Maximaal 5% van de van toepassing zijnde
                            Participatiewet -norm inclusief vakantietoeslag wordt aangewend voor de
                            maandelijkse aflossing van een lening afgesloten via de GKB of via de
                            gemeente. De 5%-norm wordt aangehouden vanwege een veronderstelde
                            reserveringscapaciteit voor duurzame gebruiksgoederen in de norm. Indien
                            de gewenste aflossingsbedragen door de GKB uitstijgen boven de 5%-norm,
                            dan wordt voor het meerdere <onderstreept>bijzondere bijstand ‘om
                                niet’</onderstreept> verleend <cursief>(voor zover het gaat
                                om</cursief><cursief>bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan
                                ). </cursief>Centrale gedachte hierbij is dat een gerechtigde op een
                            Participatiewet -uitkering niet in staat moet worden geacht om langdurig
                            een deel van een toch al minimaal inkomen te moeten besteden aan de
                            aflossing van schulden of een lening. De aanpassing van de normen per
                            (half) jaar en de daaruit voortvloeiende wijziging van de aflossing en
                            de bijzondere bijstand geschiedt door de administratie.</al><al>NB: Wanneer men niet heeft afgelost conform bovenstaand beleid en er
                            moet worden teruggevorderd, dan geldt het op dat moment geldende
                            gemeentelijke terugvorderingsbeleid.</al><al/><al><cursief>Beslaglegging</cursief></al><al>Indien er beslag wordt gelegd op de uitkering, dan zal, afhankelijk van
                            de preferentie van de beslaglegging, de aflossing tijdelijk moeten
                            worden beëindigd, omdat de gerechtigde op een Participatiewet -uitkering
                            immers de bescherming heeft van de beslagvrije voet. Daardoor ontvangt
                            hij altijd minimaal een bedrag van 90% van de voor hem geldende norm. In
                            De Wolden is de aflossingsruimte vastgesteld op 5%. Hierdoor blijft er
                            ruimte over voor beslaglegging en wordt de aflossing niet beëindigd bij
                            beslaglegging.</al><al/><al>Als al beslag is gelegd op de uitkering op het moment van toekenning
                            van</al><al>leenbijstand, dan wordt de beslaglegging voortgezet en vindt aflossing
                            van de lening pas plaats als het beslag is opgeheven. Dit geldt echter
                            niet als er sprake is van terugvordering van bijstand. Terugvordering is
                            een bevoorrechte vordering en zal tot gevolg hebben dat de meeste
                            beslagleggingen door derden moeten worden opgeschort.</al><al/><al><cursief>Maatregel of boete</cursief></al><al>Indien aan een belanghebbende een maatregel op grond van de
                            Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ De Wolden is
                            opgelegd of de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive,
                            dient de aflossing te worden stopgezet en achtereenvolgens eerst de
                            boete en daarna de maatregel te worden verrekend. Dit gebeurt in
                            principe in overleg met de belanghebbende, doch zijn/ haar medewerking
                            is niet vereist. De aflossing van de schulden wordt hervat nadat de
                            boete en/ of de maatregel zijn voldaan. De bijzondere bijstand wordt dan
                            eveneens weer voortgezet.</al><al/><al><vet>Toetsingskader aflossing leningen en bijzondere bijstand</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Maximaal 5% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief
                                    vakantietoeslag wordt aangewend voor de aflossing van een lening
                                    bij de GKB of de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Bedraagt het aflossingsbedrag meer dan de 5%-norm zoals onder 1.
                                    vermeld dan wordt voor het meerdere bijzondere bijstand ‘om
                                    niet’ verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Inkomsten zelfstandige korten</titel></kop><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Indien sprake is van een zelfstandige in de zin van het Bijstandsbesluit
                            zelfstandigen 2004 dan is de wijze van inkomsten korten zoals vroeger
                            bedoeld in artikel 45 lid 2 ABW sub b en artikel 6 lid 2 huidig Bbz van
                            toepassing. De zogenaamde loonheffing bij zelfstandigen wijzigt per
                            (belasting)jaar. Voor 2013 bedraagt de loonheffing 23%, voor 2014 21% en
                            voor 2015 en 2016 20%. </al><al/><al>Door deze forfaitaire vaststelling zijn voor zelfstandigen eventuele
                            toekomstige belasting- en premieteruggaven of –naheffingen niet van
                            belang en blijven buiten beschouwing als inkomen.</al><al/><al><cursief>Uitzondering – inkomsten uit marginale zelfstandige
                                activiteiten</cursief></al><al>Inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten kunnen op aanvraag
                            door alle in de bijstand te onderscheiden categorieën van
                            bijstandsgerechtigden worden verworven. </al><al>Hierbij moet worden gedacht aan productieve activiteiten van geringe
                            omvang, die bescheiden inkomsten opleveren en die voor eigen rekening en
                            risico worden uitgevoerd door uitkeringsgerechtigden met een grote
                            afstand tot de arbeidsmarkt vanwege oorzaken als sociaal-culturele
                            achtergronden, het ontbreken van opleiding, het gebrek aan ervaring met
                            werken in loondienst, of de lange werkloosheidsduur. Kenmerkend voor
                            deze activiteiten is dat deze naar verwachting ook op termijn, niet
                            zullen leiden tot voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van
                            het levensonderhoud te voorzien.</al><al/><al>De werkcoaches bepalen of de bedrijfs- of beroepsmatige activiteiten van
                            bescheiden omvang zijn of niet. De werkcoaches bepalen of er toestemming
                            wordt verleend voor deze activiteiten. Als richtlijn geldt dat de tijd
                            die aan deze activiteiten wordt besteed, zich beperkt tot maximaal 20
                            uur per week. Wanneer de activiteiten van meer dan bescheiden omvang
                            zijn, kan de belanghebbende voor de keus worden gesteld om:</al><lijst><li nr="-"><al>of de activiteiten terug te brengen tot een bescheiden omvang
                                    (marginale inkomsten)</al></li><li nr="-"><al>of de activiteiten uit te bouwen tot een volwaardig bedrijf of
                                    beroep, eventueel met behulp van het Bbz 2004.</al></li><li nr="-"><al>of voor deze zakelijke activiteiten een zakelijke rekening te
                                    openen.</al></li></lijst><al/><al>Indien de zelfstandige niet voldoet aan de eisen die het
                            Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 stelt, dan is de wijze van korten
                            volgens forfaitaire vaststelling niet aan de orde. In de situatie dat er
                            sprake is van marginale werkzaamheden als zelfstandige, wordt de
                            bijstand achteraf op jaarbasis berekend. De bijstand wordt per maand
                            voorlopig berekend onder aftrek van de opgegeven inkomsten (aan de hand
                            van het ingeleverde Wufje). Na afloop van een kalenderjaar vindt de
                            definitieve berekening van de bijstand plaats op basis van de
                            jaarstukken. Overigens dient opgemerkt dat er in een dergelijke situatie
                            slechts bijstand kan worden verleend met als uitgangspunt dat de
                            belanghebbende arbeid in dienstbetrekking gaat zoeken.</al><al>Om die reden worden gevestigde en startende zelfstandigen en
                            bijstandsgerechtigden die aangemerkt worden als pre-starters (art 2 lid
                            3 Bbz 2004), ook al ligt het eigen inkomen beneden de bijstandsgrens,
                            niet als marginaal zelfstandigen aangemerkt. Voor hen gelden de regels
                            voor bijstandsverlening aan zelfstandigen.</al><al/><al><cursief>Korten inkomsten</cursief></al><al>De inkomsten van de zelfstandige die</al><al/><lijst><li nr="-"><al>algemene bijstand ontvangt en;</al></li><li nr="-"><al>inkomsten uit (zelfstandige) arbeid geniet,</al></li><li nr="-"><al>dienen bruto gekort te worden. </al></li></lijst><al/><al>De inkomsten worden in beginsel voor 100% in mindering gebracht op de
                            van</al><al>toepassing zijnde bijstandsnorm. De vrijlatingsbepalingen van artikel
                            31, tweede lid Participatiewet, zijn – voor zover aan de overige
                            voorwaarden is voldaan – onverkort van toepassing. Dit geldt ook voor de
                            vrijlating van inkomsten Participatiewet, Ioaw en Ioaz.</al><al/><al><cursief>Bijstand voor belasting(aanslag)</cursief></al><al>Indien een belanghebbende achteraf na korting van de inkomsten op grond
                            van de Participatiewet een belastingaanslag ontvangt, dan kan algemene
                            bijstand verstrekt worden voor de kosten die deze belastingaanslag met
                            zich mee brengt en die betrekking hebben op de marginale werkzaamheden
                            als zelfstandige.</al><al/><al><vet>Toetsingskader korten inkomsten zelfstandige</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Indien sprake is van een zelfstandige in de zin van het
                                    Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 dan wordt voor de
                                    inkomstenkorting uiteraard aansluiting gezocht bij de
                                    toepasselijke wetgeving.</al></li><li nr="2."><al>Inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten zijn
                                    toegestaan, mits:</al><lijst><li nr="-"><al>productieve activiteiten van bescheiden omvang (maximaal
                                            20 uur/week),</al></li><li nr="-"><al>die bescheiden inkomsten opleveren en</al></li><li nr="-"><al>die voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd
                                            door,</al></li><li nr="-"><al>uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de
                                            arbeidsmarkt</al></li><li nr="-"><al>kenmerkend voor deze activiteiten is dat deze naar
                                            verwachting ook op termijn, niet zullen leiden tot
                                            voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van het
                                            levensonderhoud te voorzien,</al></li><li nr="-"><al>bovendien blijft de sollicitatieplicht bestaan.</al></li><li nr="-"><al>voor de activiteiten dient er sprake te zijn van een
                                            zakelijke rekening.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De inkomsten uit marginale zelfstandige activiteiten worden
                                    maandelijks voor 100% (bruto) in mindering gebracht op de
                                    uitkering, na afloop van een kalenderjaar. Betrokkene moet zich
                                    uitschrijven bij de Kamer van Koophandel en de aangifte is niet
                                    als zelfstandige maar als overige werkzaamheden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Woonkostentoeslag</titel></kop><al><cursief>Hoofdregel</cursief></al><al>In de Participatiewet -norm zit een bedrag begrepen voor woonkosten. Bij
                            hogere woonkosten dan het bedrag dat in de norm is begrepen, kan
                            huurtoeslag worden aangevraagd. Slechts in die situaties waarin nog geen
                            aanspraak op huurtoeslag bestaat of er wel aanspraak bestaat, maar de
                            huurtoeslag ontoereikend is, kan een woonkostentoeslag worden
                            verstrekt.</al><al/><al><cursief>Periode van toekenning</cursief></al><al>De woonkostentoeslag wordt toegekend voor maximaal 1 jaar en de
                            verhuisplicht wordt expliciet opgelegd in de
                            toekenningsbeschikking.</al><al>Verlenging van de woonkostentoeslag (nadat een nieuwe aanvraag is
                            ingediend door belanghebbende) is mogelijk indien belanghebbende aan kan
                            tonen dat hij in redelijkheid zijn eigen woning niet heeft kunnen
                            verkopen en geen goedkopere woonruimte heeft kunnen verkrijgen. Ingeval
                            van een nieuwe aanvraag dient belanghebbende aan te geven waarom de
                            woning nog niet is verkocht en welke acties door belanghebbende en zijn
                            makelaar zijn ondernomen om de woning te verkopen en/of waarom het nog
                            niet is gelukt om goedkopere woonruimte te vinden. Denk hierbij
                            aan:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>hoeveel bezichtigingen er zijn geweest,</al></li><li nr="-"><al>is er geadverteerd met de woning en hoe vaak,</al></li><li nr="-"><al>hoeveel biedingen zijn gedaan en waarom zijn deze
                                    afgewezen,</al></li><li nr="-"><al>hoe vaak is gereageerd op passende huurwoningen,</al></li><li nr="-"><al>hoe vaak is een bod uitgebracht op een goedkopere
                                    koopwoning,</al></li><li nr="-"><al>is de verkoopprijs gedaald tijdens verkooppogingen,</al></li><li nr="-"><al>is er sprake van NHG, dan mogelijkheden bezien of de woning
                                    verkocht kan worden.</al><al/></li></lijst><al> Als tijdens de nieuwe aanvraag blijkt dat belanghebbende geen of in
                            onvoldoende mate tracht zijn woning te verkopen en andere goedkopere
                            huisvesting te verkrijgen wordt de nieuwe aanvraag afgewezen.</al><al/><al><cursief>Verhuisplicht</cursief></al><al>De invulling van de verhuisplicht is als volgt:</al><al>Binnen 10 dagen na verzending van het toekenningsbesluit </al><lijst><li nr="-"><al>woning te koop aanbieden via een erkende makelaar tegen een
                                    reële prijs</al></li><li nr="-"><al>reële prijs is niet hoger dan de WOZ-waarde van de woning</al></li><li nr="-"><al>inschrijving bij tenminste 2 woningcorporaties (Actium en
                                    Woonconcept)</al></li><li nr="-"><al>bij zoektocht naar goedkopere woonruimte niet beperken tot de
                                    gemeente De Wolden</al></li></lijst><al/><al><cursief>Uitzonderingen verhuisplicht</cursief></al><al>De verhuisplicht wordt niet opgelegd indien er sprake is van een
                            aangepaste woning en verhuizing op problemen stuit. Dit zou ook het
                            geval kunnen zijn indien de bewoners van de woning een zodanig hoge
                            leeftijd hebben bereikt dat verhuizing niet meer verwacht kan worden,
                            denk hierbij aan het wegvallen van sociale contacten, mantelzorg etc.
                            Afweging hiervan is aan de consulent op individuele gronden.</al><al/><al>Deze beleidsregels dienen zowel op koop- als op huurwoningen hetzelfde
                            effect te hebben.</al><al/><al><vet>Woonkostentoeslag bij recreatiewoningen</vet></al><al>Dit geldt echter niet voor recreatiewoningen. Onder de tot 1 januari
                            2006 geldende Huursubsidiewet moest er sprake zijn van woningen bestemd
                            voor permanente bewoning. Een recreatiewoning is niet bestemd voor
                            permanente bewoning en viel daarmee niet onder de huursubsidiewet.
                            Hoewel er ten aanzien van de huurtoeslag niets is geregeld over
                            recreatiewoningen moet er vanuit worden gegaan dat de wetgever niet de
                            bedoeling heeft gehad hierin iets te veranderen. Bij twijfel of een
                            woning een recreatiewoning is, kan dit worden gecheckt bij de afdeling
                            VROM, cluster Ruimtelijke Ontwikkeling. Zij kunnen in het
                            bestemmingsplan nakijken of een adres een recreatiewoning of een woning
                            voor permanente bewoning betreft.</al><al/><al>De huurtoeslag moet worden gezien als een passende en toereikende
                            voorliggende voorziening, die gezien aard en doel toereikend moet worden
                            geacht (art. 15 Participatiewet). Slechts als er sprake is van zeer
                            dringende redenen, kan worden afgeweken van de regel dat geen bijstand
                            wordt verstrekt als er een passende en toereikende voorliggende
                            voorziening aanwezig is (art. 16, lid 1 Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Zeer dringende redenen</cursief></al><al>Wat moet nu onder zeer dringende redenen worden volstaan? Volgens de
                            jurisprudentie moet het dan gaan om (levensbedreigende) noodsituaties.
                            Het gaat dan om zeer extreme situaties.</al><al/><al>Slechts als aan die voorwaarde is voldaan kan worden gesproken van een
                            noodsituatie. In een dergelijke situatie kan bijzondere bijstand, zoals
                            een woonkostentoeslag, worden verstrekt.</al><al/><al><cursief>Noodsituatie</cursief></al><al>Als er sprake is van een noodsituatie kan de woonkostentoeslag beperkt
                            worden tot toekenning voor maximaal een halfjaar. Na dit halfjaar wordt
                            in principe de bijstand beëindigd. Als er nog steeds sprake is van een
                            levensbedreigende situatie, dan moet opnieuw een aanvraag worden
                            ingediend.</al><al/><al><vet>Kamerbewoners en woonkostentoeslag</vet></al><al>Aan kamerbewoners kan in het algemeen geen woonkostentoeslag worden
                            verleend.</al><al/><al><vet>Eigen woning/nog geen recht op huurtoeslag</vet></al><al>In bepaalde gevallen kan echter een woonkostentoeslag, als bijzondere
                            bijstand, worden</al><al>verleend, te weten:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>er bestaat (nog) geen (volledig) recht op huurtoeslag</al></li><li nr="2."><al>woonkosten eigen woning boven minimale norm huur</al></li></lijst><al/><al>Ook in gevallen waarin men geen bijstand ontvangt en waarbij het inkomen
                            van de aanvrager en diens partner (iets) hoger is dan het
                            bijstandsniveau, kan een woonkostentoeslag worden verstrekt. Dit geldt
                            zowel voor huur- als</al><al>eigendomswoningen. De ruimte in het inkomen boven het bijstandsniveau
                            dient dan helemaal te worden besteed aan de woonkosten. Het meerdere van
                            de woonkosten kan opgevangen worden met een woonkostenvergoeding.</al><al/><al><vet>Woonkostentoeslag en huurwoning.</vet></al><al>Voor situaties, waarin (nog) geen huurtoeslag wordt ontvangen, dan wel
                            deze uit een oogpunt van bijstandsverlening ontoereikend moet worden
                            geacht, kan een (tijdelijke) woonkostentoeslag toegekend worden.</al><al>Alleen in de hierna weergegeven situaties kan een woonkostentoeslag
                            worden</al><al>toegekend.</al><al/><al>Als een beroep op bijstand moet worden gedaan, kunnen zich de volgende
                            situaties voordoen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al><cursief>Er bestaat voor betrokkene nog geen aanspraak op
                                        huurtoeslag</cursief></al><al>In dat geval kan tijdelijk een woonkostentoeslag worden
                                    toegekend ter vervanging van en overbrugging naar
                                    huurtoeslag.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Er bestaat wel aanspraak, maar de huurtoeslag is
                                        ontoereikend</cursief></al><al>In sommige situaties biedt de huurtoeslag niet een voldoende
                                    oplossing. Dit kan het geval zijn wanneer na toekenning van de
                                    huurtoeslag het inkomen sterk zou dalen. De daling van het
                                    inkomen moet worden doorgeven aan de belastingdienst. De
                                    belastingdienst maakt dan een herberekening, waardoor recht op
                                    een hogere huurtoeslag zou kunnen ontstaan. Ondanks een hogere
                                    huurtoeslag kan in zo’n situatie mogelijk recht op een
                                    aanvullende woonkostentoeslag bestaan.</al></li></lijst><al/><al>Bij verandering in de persoonlijke situatie moet de wijziging worden
                            doorgegeven. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat het inkomen verandert of
                            omdat de huurkosten veranderen. Na elke wijziging die van invloed is op
                            de hoogte van de toeslag wordt een bericht ontvangen met het nieuwe
                            toeslagbedrag. Als recht bestaat op een huurtoeslag bestaat er over het
                            algemeen ook recht op een zorgtoeslag.</al><al/><al><vet>Woonkosten boven de maximaal subsidiabele huur</vet></al><al>Bij de verstrekking van een vergoeding voor woonkosten, die meer
                            bedragen dan de maximaal subsidiabele huur, dient in ieder geval
                            rekening te worden gehouden met eventuele draagkracht. De
                            woonkostentoeslag wordt gedurende een jaar verleend, waarbij zo nodig
                            een verhuisplicht wordt opgelegd. De termijn kan telkens met hoogstens
                            een jaar worden verlengd, wanneer cliënt al het mogelijke heeft gedaan
                            en er desondanks niet in is geslaagd te beschikken over goedkopere
                            huisvesting (er is dan sprake van een</al><al>uitzonderlijke situatie). </al><al>In het algemeen is een bedrag aan woonkosten boven de maximale
                            huurtoeslag-grens niet aanvaardbaar; daarom wordt aan de
                            bijstandsverlening steeds de voorwaarde verbonden dat betrokkene dient
                            om te zien naar goedkopere huisvesting. Als tijdens het heronderzoek
                            blijkt dat cliënt geen of in onvoldoende mate tracht andere huisvesting
                            te verkrijgen, zal betrokkene schriftelijk op de consequenties worden
                            gewezen. Bij verder in gebreke blijven, zal in het algemeen de
                            woonkostentoeslag worden beëindigd. </al><al>De woonkostentoeslag fixeren op de maximum huurtoeslag grens om aldus de
                            hiervoor genoemde voorwaarde te omzeilen is niet toegestaan. Dit geldt
                            ook als cliënt bereid zou zijn het meerdere boven de maximale
                            huursubsidiegrens voor zijn rekening te nemen. Kosten boven de maximale
                            huurgrens worden 100% vergoed.In sommige situaties biedt de huurtoeslag
                            niet een voldoende oplossing. Dit kan het geval zijn wanneer na
                            toekenning van de huurtoeslag het inkomen sterk zou dalen. De daling van
                            het inkomen moet worden doorgeven aan de belastingdienst. De
                            belastingdienst maakt dan een herberekening, waardoor recht op een
                            hogere huurtoeslag zou kunnen ontstaan. Ondanks een hogere huurtoeslag
                            kan in zo’n situatie mogelijk recht op een aanvullende woonkostentoeslag
                            bestaan.</al><al/><al><cursief>Belangrijk:</cursief></al><al>Op de woonkosten dienen de kosten in mindering te worden gebracht in
                            verband met:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>een tot de woning of wooneenheid behorende garage, parkeer- of
                                    bedrijfsruimte;</al></li><li nr="2."><al>het gebruik van meubelen of stoffering en de levering van water
                                    en gas, elektriciteit en andere energie;</al></li><li nr="3."><al>een centrale antenne-installatie;</al></li><li nr="4."><al>de levering van warmte.</al></li></lijst><al/><al><vet>Tijdelijke woonkostentoeslag en eigen woning.</vet></al><al>Door voor de eigenaar-bewoners aan te sluiten bij de bedragen en grenzen
                            van de huurtoeslag, wordt bereikt dat de ontvangers van een
                            Participatiewet -uitkering met een eigen huis dezelfde bedragen voor
                            woonkosten uit hun uitkering moeten voldoen als huurders.</al><al/><al><cursief>Berekening van de woonkosten bij eigen woning (maandbedragen
                                aanhouden)</cursief></al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>a. </al></entry><entry><al>Rente hypothecaire geldlening (zie hieronder NB
                                                1)</al></entry><entry><al>€</al></entry></row><row><entry><al>b. </al></entry><entry><al>Waterschapslasten</al></entry><entry><al>€</al></entry></row><row><entry><al>c. </al></entry><entry><al>Onroerende zaakbelasting (eigenaarsdeel)</al><al>Let op: in bepaalde gevallen kan kwijtschelding
                                                verkregen worden</al></entry><entry><al>€</al></entry></row><row><entry><al>d. </al></entry><entry><al>Brand/opstalverzekering (geen
                                                inboedelverzekering)</al></entry><entry><al>€</al></entry></row><row><entry><al>e. </al></entry><entry><al>Erfpachtkanon</al></entry><entry><al>€</al></entry></row><row><entry><al>f. </al></entry><entry><al>Kosten voor onderhoud tot bedrag dat maximaal geldt
                                                voor:</al><al/><al>Vooroorlogse woning</al><al/></entry><entry><al>€</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Naoorlogse woning</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>---------</al><al>+</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Totale lasten</al></entry><entry><al>€</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Af: rijkssubsidie woningbouw</al></entry><entry><al>€</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Woonlasten = rekenhuur</al></entry><entry><al>€</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Belangrijk:</vet></al><al><vet>Voorlopige teruggaaf in verband met aftrekposten eigen
                                woning.</vet></al><al>Vanaf 1 januari 1999 kan iedereen met een eigen woning die
                            hypotheekrente betaalt een voorlopige teruggaaf verkrijgen, die
                            maandelijks door de belastingdienst aan betrokkene wordt betaald. Ook
                            personen met een uitkering op grond van de Participatiewet kunnen
                            hiervoor in aanmerking komen. Deze regeling wordt beschouwd als
                            voorwaarde voor de woonkostentoeslag. Dit betekent dat de
                            woonkostentoeslag nog slechts een aanvullend karakter kan hebben op deze
                            voorlopige teruggaaf. Uiteraard zal bijstelling plaats kunnen vinden,
                            wanneer bij de definitieve teruggaaf bijbetaald moet worden vanwege een
                            te hoog bedrag aan voorlopige teruggaaf. Bij teruggave ingeval van
                            verleende bijstand kan tot terugvordering besloten worden.</al><al/><al><vet>N.B. 1:</vet></al><al><vet>Aftrek hypotheeklasten</vet></al><al>Geen rekening wordt gehouden met de aflossingen en met de premie
                            levensverzekering, die vaak gekoppeld is aan een hypothecaire
                            geldlening.</al><al>Het is van belang -vooral bij aanwezigheid van een tweede hypotheek- na
                            te gaan voor welke doeleinden een hypotheek is bestemd.</al><al/><al>Blijkt de hypothecaire lening te zijn afgesloten voor andere doeleinden
                            dan de aankoop van een huis, bijv. voor financiering van een auto,
                            caravan, woninginrichting of verbouwing, dan dient op basis van
                            individualisering te worden beoordeeld of in de volledige
                            hypotheeklasten een woonkostentoeslag kan worden toegekend. De hypotheek
                            is dan voor een deel te vergelijken met een consumptief krediet.</al><al/><al><vet>N.B. 2:</vet></al><al><vet>Nationale hypotheekgarantie uitzoeken</vet></al><al>In sommige situaties is er een nationale hypotheekgarantie afgegeven
                            voor de</al><al>hypothecaire lening. Deze garantie houdt in, dat het ontbrekende bedrag
                            aangevuld wordt ten behoeve van de hypotheeknemer (= de bank) als uit de
                            opbrengst van de gedwongen verkoop van de woning de hypothecaire schuld
                            niet afgelost kan worden. Toekenning c.q. verlenging van een
                            woonkostentoeslag of andersoortige bijstand kan er niet toe leiden een
                            gedwongen verkoop te voorkomen c.q. uit te stellen als toekenning c.q.
                            verlenging van die bijstand volgens het hiervoor beschreven
                            bijstandsbeleid niet mogelijk is.</al><al>In die gevallen waarin door het gedurende korte tijd verlenen van
                            woonkostentoeslag een gedwongen woningverkoop kan worden voorkomen,
                            dient een beleidsbeslissing te worden getroffen.</al><al/><al><vet>N.B. 3:</vet></al><al><vet>Hoge woonkosten</vet></al><al>Verstrekking van bijstand voor woonkosten komt overeen met huurtoeslag
                            bij</al><al>huurwoningen. Ook bij hoge huur krijgt men niet alle kosten via de
                            huurtoeslag vergoed.</al><al/><al><vet>Berekeningswijze van de woonkostentoeslag</vet></al><al>De woonkostentoeslag wordt gelijk aan de huurtoeslag uitgevoerd.</al><al/><al><vet>Toetsingskader woonkostentoeslag</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>In de Participatiewet -norm zit een bedrag begrepen voor
                                    woonkosten. Bij hogere woonkosten dan het bedrag dat in de norm
                                    is begrepen, kan huurtoeslag worden aangevraagd. Slechts in die
                                    situaties waarin nog geen aanspraak op huurtoeslag bestaat of er
                                    wel aanspraak bestaat, maar de huurtoeslag ontoereikend is, kan
                                    een woonkostentoeslag worden verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>De hoofdregel zoals vermeld onder 1. geldt niet voor
                                    recreatiewoningen. Slechts in zeer dringende gevallen (=
                                    levensbedreigend) kan voor de duur van een half jaar
                                    woonkostentoeslag worden toegekend.</al></li><li nr="3."><al>De hoofdregel zoals vermeld onder 1. geldt ook niet voor
                                    kamerbewoners.</al></li><li nr="4."><al>Huurwoning:</al><lijst><li nr="-"><al>woonkostentoeslag mogelijk ter vervanging van en ter
                                            overbrugging naar huurtoeslag;</al></li><li nr="-"><al>woonkostentoeslag mogelijk indien huurtoeslag
                                            ontoereikend is;</al></li><li nr="-"><al>tijdelijk (= max. 1 jaar) woonkostentoeslag mogelijk
                                            indien sprake is van huur boven de maximaal subsidiabele
                                            huur, onder de voorwaarde dat wordt omgezien naar
                                            goedkopere woonruimte.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Eigen woning:</al><lijst><li nr="-"><al>voor woonkostentoeslag wordt aangesloten bij de bedragen
                                            en grenzen van de huurtoeslag;</al></li><li nr="-"><al>de woonkostentoeslag heeft een aanvullend karakter op de
                                            maandelijkse voorlopige teruggaaf in verband met
                                            aftrekposten van een eigen woning;</al></li><li nr="-"><al>bij de berekening van de woonkostentoeslag wordt geen
                                            rekening gehouden met aflossingen en premie
                                            levensverzekeringen, noch met hypothecaire leningen ten
                                            behoeve van de aanschaf van bijv.
                                            auto/caravan/verbouwing.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Krediethypotheek</titel></kop><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Indien een belanghebbende een eigen woning heeft, dient bij de
                            beoordeling van het recht op bijstand bekeken te worden of er een
                            krediethypotheek gevestigd kan worden. Voor de beoordeling of er een
                            krediethypotheek gevestigd kan worden wordt verwezen naar de
                                <onderstreept>artikelen 34 en 50 van de
                                Participatiewet</onderstreept>.</al><al/><al>(NB: Uiteraard moet er ook gekeken worden op welk moment de cliënt
                            eigenaar is geworden van de eigen woning. Er kan namelijk sprake zijn
                            van een tekortschietend besef in de verantwoordelijkheid van het
                            bestaan. Wel een woning kopen, maar geld niet gebruiken voor
                            bestaansvoorziening)</al><al/><al><cursief>Besluit vestiging krediethypotheek bijstand</cursief></al><al>Bij de beoordeling of een belanghebbende aanspraak kan maken op een</al><al>bijstandsuitkering moet de vraag gesteld worden of belanghebbende in
                            zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken, dat hij niet over
                            de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
                            voorzien. Ook bij een zelf bewoonde eigen woning/woonschip kunnen
                            dergelijke omstandigheden zich voordoen. Een eigen woning
                            vertegenwoordigt echter, na aftrek van de daarop rustende schulden, een
                            bepaald vermogen. De belanghebbende beschikt dan over middelen die in
                            aanmerking moeten worden genomen. Eigenlijk is er geen aanleiding om
                            bijstand te verlenen. De belanghebbende heeft immers de mogelijkheid om
                            of zijn huis verder te bezwaren of zijn huis te verkopen. Het eerste is
                            niet altijd realiseerbaar omdat de bank ook naar het inkomen kijkt en
                            bij het verkopen van het huis dient vervangende woonruimte aanwezig te
                            zijn. Bovendien is het in een aantal gevallen niet redelijk dat de zelf
                            bewoonde woning wordt verkocht of verder te gelde wordt gemaakt. </al><al/><al>Voor deze situatie is de mogelijkheid ingevoerd om, als verkoop of
                            (verdere) bezwaring niet in redelijkheid kan worden verlangd, de
                            bijstandsuitkering in de vorm van een geldlening onder verband van
                            hypotheek te verstrekken. Ook wel krediethypotheek</al><al>genoemd.</al><al/><al><cursief>Opnieuw bijstand na krediethypotheek</cursief></al><al>Als binnen 2 jaar na beëindiging van de bijstand onder verband van
                            krediethypotheek opnieuw recht bestaat op bijstand wordt deze verstrekt
                            met toepassing van de "oude" krediethypotheek. De 2 jaar termijn
                            waarbinnen wordt afgezien van het opnieuw taxeren van een woning geldt
                            dus niet wanneer, vanwege de geringe overwaarde, in de vorige
                            uitkeringsperiode geen krediethypotheek is gevestigd.</al><al/><al><cursief>Vaststelling van de krediethypotheek</cursief></al><al>Als de eigenaar/bewoner een aanvraag om bijstand indient, moet bekeken
                            worden of er een krediethypotheek gevestigd moet worden. Een aantal
                            criteria is van belang:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de belanghebbende moet eigenaar en bewoner van de woning of het
                                    woonschip zijn;</al></li><li nr="-"><al>van de belanghebbende kan niet in redelijkheid worden verlangd
                                    dat hij de woning verkoopt of (verder) te gelde maakt;</al></li><li nr="-"><al>de algemene bijstand moet op jaarbasis naar verwachting meer
                                    bedragen dan het nettominimumloon per maand, bedoeld in artikel
                                    37 eerste lid Participatiewet. De kosten van een eventuele
                                    taxatie etc. worden ook begrepen in de algemene bijstand,
                                    behalve als er uitsluitend bijzondere bijstand wordt
                                    aangevraagd;</al></li><li nr="-"><al>en het vermogen in de woning moet meer bedragen dan het vrij te
                                    laten vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d,
                                    Participatiewet.</al></li><li nr="-"><al><onderstreept>alvorens tot toekenning over te gaan, dient de
                                        belanghebbende een bereidverklaring tot vestiging
                                        krediethypotheek te ondertekenen</onderstreept></al></li></lijst><al/><al>Is er geen ander over vermogen, dan komt de vraag aan de orde of de
                            krediethypotheek kan worden gevestigd en tot welk maximum bedrag.</al><al/><al>Uitgangspunt van de berekening is de taxatiewaarde van de woning bij
                            vrije oplevering. Hierbij wordt uitgegaan van de taxatiewaarde zoals
                            vastgesteld in het kader van de Wet Onroerende Zaakbelasting. Deze
                            gegevens zijn bij de gemeente bekend en worden jaarlijks geactualiseerd.
                            Op de waarde van het huis moeten in mindering worden gebracht de
                            hypotheekschuld en/of de overige reële schulden die verband houden met
                            het huis en eventueel de contante waarde van de zakelijke rechten, zoals
                            het recht van gebruik en bewoning. Bij een leven- of spaarhypotheek
                            dient op de hypotheekschuld de contante waarde van deze verzekering in
                            mindering te worden gebracht. Deze contante waarde kan worden opgevraagd
                            bij de betreffende bank of verzekeringsmaatschappij.</al><al>Vervolgens wordt de extra vrijlating afgetrokken (= vast bedrag volgens
                            artikel 34 lid 2, sub d Participatiewet). Het vermogen in de woning moet
                            los worden gezien van het overige vermogen. Beide onderdelen moeten dus
                            apart worden berekend.</al><al/><al>De eventuele bijstand moet worden verstrekt in de vorm van een
                            geldlening. Vestiging van een krediethypotheek is niet meer verplicht.
                            Bij bedragen boven de € 10.000,00 geldt in De Wolden het beleid dat een
                            krediethypotheek via de notaris wordt gevestigd. Onderstaand een tweetal
                            voorbeelden ter verduidelijking:</al><al/><al><vet>Voorbeeld I:</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Waarde woning</al></entry><entry><al>€100.000</al></entry></row><row><entry><al>Hypotheek</al></entry><entry><al>-/- €50.000</al></entry></row><row><entry><al>Vermogen</al></entry><entry><al>€50.000</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Af: vast vrij te laten bedrag art. 34 lid 2 sub
                                                d</al></entry><entry><al>-/- €49.900</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> =</al></entry></row><row><entry><al>Restvermogen</al></entry><entry><al>+ €100,-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Er kan een lening ten bedrage van € 100,00 worden
                                gevestigd.</cursief></al><al/><al><vet>Voorbeeld II:</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Waarde woning</al></entry><entry><al>€150.000</al></entry></row><row><entry><al>Hypotheek</al></entry><entry><al>-/- €50.000</al></entry></row><row><entry><al>Vermogen in de woning</al></entry><entry><al>€100.000</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Af: vast vrij te laten bedrag art. 34 lid 2 sub
                                                d</al></entry><entry><al>-/-€49.900</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>=</al></entry></row><row><entry><al>Restvermogen</al></entry><entry><al>+ €50.100,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Nu er vermogen overblijft hoger dan € 10.000,00 dient er een
                                krediethypotheek te</cursief><cursief>worden gevestigd (bedragen
                                gebaseerd op 1-1-2016).</cursief></al><al/><al>Dit laatste betekent niet dat geen rekening wordt gehouden met dit
                            vermogen indien het huis (op een later tijdstip dan bij aanvang van de
                            bijstand) wordt verkocht. Ook kan een hertaxatie plaatsvinden indien de
                            belanghebbende <cursief>langer dan 2 jaar </cursief>geen recht op
                            bijstand heeft gehad, er geldt dan immers een nieuwe
                            vermogensvaststelling en geen “herleving” van oud recht.</al><al/><al>In de situatie dat een krediethypotheek gevestigd is en de
                            bijstandsuitkering</al><al>onafgebroken wordt voortgezet, vindt tussentijds geen hertaxatie plaats,
                            ook niet in de situatie dat er sprake is van een tussentijdse
                            aanzienlijke waardevermeerdering. Een aanzienlijke waardestijging van de
                            woning als gevolg van normale marktontwikkelingen is op zichzelf niet
                            voldoende om tot verhoging van het bijstandskredietplafond over te gaan.
                            Ook met een waardedaling van de woning wordt immers geen rekening
                            gehouden.</al><al/><al><cursief>Taxatie woonschepen</cursief></al><al>Voor de taxatie van woonschepen wordt gebruik gemaakt van de daartoe
                            aangewezen taxateur. Bij woonschepen wordt uitgegaan van een taxatie op
                            zicht. Wanneer de hoogte van de taxatie wordt bestreden dan kan na
                            instemming van de belanghebbende worden overgegaan tot een verdere
                            taxatie incl. drooglegging van het woonschip. De kosten van de tweede
                            taxatie worden bij een te vestigen krediethypotheek opgeteld, tenzij de
                            belanghebbende in het gelijk wordt gesteld. Dan worden de kosten van de
                            tweede taxatie om niet verstrekt.</al><al/><al>Intussen kan voorlopig bijstand worden toegekend, indien daaraan de
                            verplichting (artikel 55 Participatiewet) wordt verbonden tot
                            medewerking aan de vestiging van een krediethypotheek. Laat de
                            belanghebbende al bij de aanvraag weten geen medewerking te willen
                            verlenen aan het vestigen van een krediethypotheek, dan is bijstand niet
                            mogelijk. Wordt hieraan in een later stadium geen medewerking verleend,
                            dan is de verleende bijstand terstond opeisbaar, wegens het niet nakomen
                            van de bovengenoemde verplichting.</al><al/><al><cursief>Intering ander vermogen</cursief></al><al>Is er sprake van over vermogen, dan dient eerst te worden bekeken of er
                            kan worden ingeteerd op ander vermogen (vermogen niet in de woning minus
                            niet op het huis drukkende schulden) dat hoger is dan het bescheiden
                            vermogen.</al><al/><al><cursief>Kosten vestiging krediethypotheek</cursief></al><al>De kosten van eventuele taxatie, de hypotheekakte, de inschrijving van
                            de hypotheek en de bijkomende kosten komen ten laste van de
                            belanghebbende. Voor deze kosten kan bijstand worden verstrekt, als
                            onderdeel van de in totaal te verstrekken geldlening. Deze kosten worden
                            als bijzondere bijstand aangemerkt. Als na de taxatie blijkt, dat er
                            niet voldoende overwaarde is om een krediethypotheek te vestigen, wordt
                            voor de gemaakte taxatiekosten bijzondere bijstand ‘om niet’
                            verleend.</al><al/><al><cursief>Aflossing, looptijd en beëindiging
                            krediethypotheek</cursief></al><al>De aflossing van de geldlening vindt over maximaal tien jaar plaats. Na
                            beëindiging van de bijstandsuitkering moet de geldlening maandelijks
                            worden terugbetaald. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor
                            de periode van een jaar vastgesteld. Als het inkomen de van toepassing
                            zijnde bijstandsnorm niet overschrijdt, hoeft er niet te worden
                            afgelost. Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt de
                            gemeente, zo nodig tussentijds, de aflossing hoger/lager vast. Hierbij
                            wordt onder andere rekening gehouden met de eventuele bijzondere kosten
                            van de belanghebbende. </al><al/><al>Als de belanghebbende gedurende de periode van aflossing nalatig is in
                            het maandelijks betalen van de aflossing, wordt het nog niet afgeloste
                            deel van de lening direct opeisbaar en is daarover ook de wettelijke
                            rente verschuldigd. De geldlening is niet rentedragend over de periode
                            waarin bijstand werd genoten. Als na afloop van de tienjarige
                            aflossingsperiode een deel van de geldlening nog niet is afgelost, moet
                            wel de wettelijke rente minus 3% worden betaald over het nog niet
                            afgeloste deel van de geldlening.</al><al/><al>Als belanghebbende de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen,
                                <cursief>maar niet kan aflossen,</cursief> wordt dit bedrag tot ten
                            hoogste de verschuldigde maandrente, aangemerkt als aflossing. De rente
                            die daardoor niet betaald wordt, wordt bijgeschreven bij het nog niet
                            afgeloste deel van de geldlening. Over dit bijgeschreven gedeelte van de
                            rente hoeft geen rente te worden betaald.</al><al/><al><cursief>Verkoop van de woning</cursief></al><al>Bij verkoop of vererving van de woning wordt het nog niet afgeloste
                            gedeelte van de geldlening en de bijgeschreven rente direct
                            afgelost.</al><al>Het is in beginsel niet toegestaan om -met overschrijving van de
                            krediethypotheek– een andere woning te kopen! Het vrijgekomen vermogen
                            moet dan (zonder extra vrijlatingen) worden ingeteerd.</al><al/><al>Dit geldt ook in die gevallen dat geen krediethypotheek is gevestigd
                            wegens het ontbreken van over vermogen. Indien de belanghebbende het
                            huis verkoopt, moet de opbrengst volledig worden ingeteerd. De speciale
                            regeling voor vermogen in de door de belanghebbende zelf bewoonde eigen
                            woning is alleen bedoeld om te voorkomen dat men de bij aanvang van de
                            bijstand bewoonde woning moet verkopen en ‘opeten’.</al><al/><al><cursief>Krediethypotheek bijstand en aankoop andere
                            woning</cursief></al><al>Wegens bijzondere omstandigheden van sociale of medische aard of
                            werkaanvaarding elders, kan de gemeente toestemming geven om een andere
                            woning te kopen, waarbij een nieuwe lening onder verband van
                            krediethypotheek wordt verleend tot ten hoogste het bedrag van de
                            afgeloste krediethypotheek. Een en ander wel onder voorwaarde dat het
                            vrijgekomen vermogen geheel wordt ingezet voor de aankoop van de andere
                            woning (zo niet, dan moet het meerdere worden ingeteerd). Een voorbeeld
                            van een sociale reden kan zijn onteigening door de gemeente van de eigen
                            woning die de belanghebbende bij aanvang van de bijstand bewoont. </al><al/><al>Als de woning wordt verkocht tegen een prijs die normaal is in het
                            economisch verkeer en de opbrengst lager is dan het restant bedrag van
                            de geldlening en rentevordering, wordt het verschil
                            kwijtgescholden.</al><al/><al><cursief>Eigendom woning is in handen van belanghebbende én
                                niet-belanghebbende</cursief></al><al>Het komt soms voor dat de belanghebbende een woning in eigendom heeft en
                            deze eigendom deelt met een persoon die geen belanghebbende is in de zin
                            van de Participatiewet. Een krediethypotheek kan alleen dan worden
                            gevestigd indien de niet-belanghebbende mee wil werken aan de vestiging
                            ervan. De krediethypotheek dient dan gevestigd te worden voor het
                            vermogensaandeel van de belanghebbende.</al><al/><al>Indien de niet-belanghebbende niet wil meewerken aan de vestiging van
                            een</al><al>krediethypotheek dan wordt bijstand ‘om niet’ verstrekt en dienen B. en
                            W., op hetmoment dat belanghebbende over dit vermogen kan beschikken,
                            een terugvorderingsbesluit te nemen.</al><al/><al>Het is raadzaam om in de toekenningsbeschikking mede op te nemen dat er
                            sprake is van:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>middelen waarover nog niet kan worden beschikt en dat daarom
                                    bijstand wordt verleend;</al></li><li nr="-"><al>de verplichting dat belanghebbende de gemeente op de hoogte
                                    houdt van het tijdstip waarop de betreffende middelen
                                    beschikbaar komen;</al></li><li nr="-"><al>terugvordering zodra de middelen ter beschikking (kunnen) komen
                                    (deze laatste opmerking is een mededeling en dus geen besluit in
                                    de zin van de Algemene wet bestuursrecht).</al></li></lijst><al/><al><cursief>Afhandelingstermijn</cursief></al><al>De gemeente dient de aanvraag binnen acht weken af te handelen.</al><al/><al><cursief>Opgave stand krediethypotheek aan belanghebbende</cursief></al><al>Na afloop van een kalenderjaar wordt jaarlijks aan belanghebbende opgave
                            gedaan van de stand van de geldlening en de rentevordering. Ook bij de
                            beëindiging van de bijstand wordt een dergelijke opgave verstrekt.</al><al/><al><vet>Toetsingskader krediethypotheek</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende een eigen woning heeft, dient bij de
                                    beoordeling van het recht op bijstand bekeken te worden of er
                                    een krediethypotheek gevestigd kan worden. Voor de beoordeling
                                    of er een krediethypotheek gevestigd kan worden wordt verwezen
                                    naar de artikelen 34 en 50 van de Participatiewet.</al></li><li nr="2."><al>Criteria vaststelling krediethypotheek:</al><lijst><li nr="-"><al>verkoop of (verdere) bezwaring kan in redelijkheid niet
                                            worden verlangd van de woningeigenaar,</al></li><li nr="-"><al>belanghebbende moet eigenaar en bewoner zijn,</al></li><li nr="-"><al>de algemene bijstand moet op jaarbasis meer bedragen dan
                                            het netto minimumloon per maand,</al></li><li nr="-"><al>het vermogen in de woning moet meer bedragen dan het
                                            vrij te laten vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede
                                            lid, onder d, Participatiewet en,</al></li><li nr="-"><al>tenslotte dient er een bereidverklaring krediethypotheek
                                            ondertekend te worden.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij de berekening van het bedrag van de krediethypotheek wordt
                                    voor de waarde van de woning aansluiting gezocht bij de
                                    WOZ-waarde.</al></li><li nr="4."><al>Indien het vermogen in de woning (na aftrek van het vrij te
                                    laten vermogen) meer bedraagt dan € 10.000,00 wordt een
                                    krediethypotheek gevestigd. Bedraagt het vermogen in de woning €
                                    10.000,00 of minder dan wordt er een lening gevestigd voor dat
                                    bedrag.</al></li><li nr="5."><al>Gedurende de looptijd van de krediethypotheek vindt geen
                                    hertaxatie van de waarde plaats (niet bij waardevermeerdering en
                                    ook niet bij waardevermindering).</al></li><li nr="6."><al>Na beëindiging van de bijstandsuitkering moet de geldlening
                                    maandelijks worden terugbetaald. Het maandbedrag van de
                                    aflossing wordt telkens voor de periode van een jaar
                                    vastgesteld. Als het inkomen de van toepassing zijnde
                                    bijstandsnorm niet overschrijdt, hoeft er niet te worden
                                    afgelost. De aflossing van de geldlening vindt over maximaal
                                    tien jaar plaats.</al></li><li nr="7."><al>De kosten van vestiging van de krediethypotheek komen voor
                                    rekening van belanghebbende.</al></li><li nr="8."><al>Bij verkoop of vererving van de woning wordt het nog niet
                                    afgeloste gedeelte van de geldlening en de bijgeschreven rente
                                    direct afgelost. Het is in het algemeen niet toegestaan om - met
                                    overschrijving van de krediethypotheek – een andere woning te
                                    kopen!</al></li><li nr="9."><al>Is de woning in eigendom van een belanghebbende en een niet
                                    belanghebbende, dan dient de niet-belanghebbende in te stemmen
                                    met de vestiging van de krediethypotheek. De krediethypotheek
                                    kan slechts gevestigd worden voor het waarde aandeel van de
                                    belanghebbende. Stemt de niet-belanghebbende niet in, dan wordt
                                    bijstand ‘om niet’ toegekend en volgt terugvordering van de
                                    bijstand zodra belanghebbende over het vermogen kan
                                    beschikken.</al></li><li nr="10."><al>Na afloop van ieder kalenderjaar en bij einde van de bijstand
                                    volgt een opgave van de stand van de krediethypotheek (aflossing
                                    en rente).</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Buitengewone verwervingskosten en reiskosten</titel></kop><al><vet>Buitengewone verwervingskosten</vet></al><al>Buitengewone verwervingskosten zijn kosten die in het individuele
                            geval</al><al>noodzakelijkerwijs moeten worden gemaakt om de betreffende inkomsten te
                            kunnen verwerven. Het moet gaan om werkelijk gemaakte, aantoonbare
                            onkosten, zoals reiskosten woon-werkverkeer. Met reiskosten
                            woon-werkverkeer wordt alleen rekening gehouden indien het afstanden
                            betreft van meer dan 8 km enkele reis. In dat geval worden alle kosten
                            vergoed (voor zover daarin niet via een voorliggende voorziening wordt
                            voorzien, bijvoorbeeld via de werkgever of een
                            re-integratietraject).</al><al/><al><vet>Draagkracht</vet></al><al>Voor inkomsten boven het voor de belanghebbende geldende bijstandsniveau
                            gelden de draagkrachtregels van pag. 4 en 5.</al><al/><al><vet>Voorliggende voorzieningen</vet></al><al>Als voor buitengewone verwervingskosten bijzondere bijstand wordt
                            gegeven vindt in het algemeen geen belastingteruggave plaats omdat de
                            belastingdienst uitgaat van de werkelijk door de belastingplichtige
                            gedragen kosten. Als er bijzondere bijstand wordt verleend, worden geen
                            kosten gedragen. Aan de verlening van bijstand wegens buitengewone
                            verwervingskosten wordt dus niet de voorwaarde tot het vragen van
                            belastingteruggave of -vermindering (de voorlopige teruggaaf) verbonden.
                            Reële vergoedingen van de werkgever voor buitengewone verwervingskosten
                            worden niet tot het inkomen gerekend (art. 31, lid 2 sub f
                            Participatiewet). Zodra er voor dezelfde kosten bijzondere bijstand
                            wordt verstrekt, dient de gemeente vanzelfsprekend bij de vaststelling
                            van hoogte van de bijzondere bijstand rekening te houden met de
                            ontvangen vergoedingen of tegemoetkomingen. Een reële vergoeding van de
                            werkgever moet op de loonspecificatie als zodanig vermeld</al><al>staan.</al><al/><al><vet>Vergoeding reiskosten</vet></al><al>De vergoedingen welke kunnen worden toegekend in verband met
                            noodzakelijke reiskosten woon-werkverkeer, bezoek ziekenhuis, huis van
                            bewaring, gerechtelijke procedures enz. bedragen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>bij reiskosten op basis van openbaar vervoer, de werkelijke
                                    gemaakte kosten</al></li><li nr="-"><al>bij reiskosten met de auto het maximaal belastingvrije
                                    toegestane tarief van de belastingdienst, thans € 0,19 per
                                    kilometer.</al></li></lijst><al/><al><vet>Toetsingskader buitengewone verwervingskosten en
                            reiskosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet gelijk zijn
                                    aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum en het
                                    vermogen moet beneden de toepasselijke vermogensgrens
                                    liggen.</al></li><li nr="2."><al>Het moet altijd gaan om kosten die noodzakelijkerwijs moeten
                                    worden gemaakt en aantoonbaar gemaakt zijn</al></li><li nr="3."><al>Met reiskosten woon-werkverkeer wordt alleen rekening gehouden
                                    als het gaat om een afstand van meer dan 8 km enkele reis.</al></li><li nr="4."><al>Bij de vaststelling van de bijstand wordt rekening gehouden met
                                    voorliggende voorzieningen (zoals bijvoorbeeld door werkgever
                                    ontvangen vergoeding of tegemoetkoming).</al></li><li nr="5."><al>Reiskosten openbaar vervoer: werkelijk gemaakte kosten
                                    Reiskosten eigen auto: € 0,19 per kilometer</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>Legeskosten verblijfsvergunning</titel></kop><al>Hoofdlijnen Vreemdelingenwet 2000 (Vw):</al><al>In deze wet worden in totaal 4 soorten verblijfsvergunningen
                            onderscheiden:</al><al/><al><vet>Verblijfsvergunning asiel</vet></al><al/><lijst><li nr="-"><al>Verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel (art. 28 t/m 32
                                    Vw)</al></li><li nr="-"><al>Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel (art. 33 t/m 35
                                    Vw)</al></li></lijst><al/><al>De verblijfsvergunninghouders asiel kunnen aanspraak maken op een
                            uitkering op grond van de Participatiewet. Zij worden op grond van
                            artikel 11 lid 2 Participatiewet gelijk gesteld met een Nederlander
                                <cursief>(zie ook BRP-codes met verklaring in tekst en toelichting
                                Eiselin of in het handboek van Stimulansz).</cursief></al><al/><al>In principe hebben zij ook de arbeidsverplichting. De
                            verblijfsvergunninghouder voor bepaalde tijd moet een
                            tewerkstellingsvergunning hebben. Daarnaast moeten asielzoekers die
                            nieuw in Nederland zijn toegelaten eerst een inburgeringsprogramma
                            volgen. Wanneer een vreemdeling na een periode van drie jaar nog steeds
                            bescherming in Nederland nodig heeft, kan de vreemdeling een
                            verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd krijgen.</al><al/><al><cursief>Legeskosten:</cursief></al><al>Voor een vergunning op grond van asiel voor bepaalde tijd zijn geen
                            legeskosten verschuldigd.</al><al/><al><vet>Verblijfsvergunning regulier</vet></al><al/><lijst><li nr="-"><al>Verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier (art. 14 t/m 19
                                    Vw)</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier (art. 20 t/m
                                    22 Vw </al></li></lijst><al/><al>Vreemdelingen die op andere grond dan asiel (o.a. in verband met stage,
                            studie, arbeid, au-pair of gezinshereniging) zijn toegelaten kunnen in
                            aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
                            regulier. Aan deze verblijfsvergunning zijn voorwaarden en beperkingen
                            verbonden. Een van de voorwaarden is dat de vreemdeling voldoende
                            middelen van bestaan moet hebben. Bij gebrek aan eigen middelen kunnen
                            deze vreemdelingen aanspraak maken op bijstand. Dit kan echter wel
                            gevolgen hebben voor het verblijfsrecht waaronder beëindiging van het
                            verblijf in Nederland. Het college moet zodra er een beroep wordt gedaan
                            op publieke middelen hiervan melding doen aan de IND en de vreemdeling
                            op de hoogte brengen van de mogelijke gevolgen van het beroep op
                            publieke middelen.</al><al>De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier kan na vijf jaar
                            worden omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
                            regulier.</al><al/><al><cursief>Legeskosten:</cursief></al><al>Voor een reguliere verblijfsvergunning moet betaald worden.</al><al/><al><vet>Hoofdregel</vet></al><al>Voor een vergunning regulier is het uitgangspunt dat geen bijstand
                            mogelijk is (eigen vrije wil, geen noodzakelijkheid).</al><al/><al><vet>Uitzonderingen:</vet></al><al/><lijst><li nr="-"><al>Voor de ex-AMA die niet erkend is als vluchteling maar wel in
                                    Nederland mag verblijven op grond van een reguliere status. De
                                    reden hiervan is dat zij vaak (nog) niet terug kunnen naar het
                                    land van herkomst. Hun verblijf kan daarom ook niet gelijk
                                    gesteld worden met mensen die hier wel vrijwillig
                                    verblijven.</al></li><li nr="-"><al>Voor kinderen van ouders met een asielvergunning of van ex-AMA
                                    met een reguliere verblijfsvergunning (zie punt 1).</al></li><li nr="-"><al>Voor nieuwkomers die hun vergunning regulier bepaalde tijd
                                    moeten verlengen. De reden hiervan is dat het gaat om voormalige
                                    asielzoekers, die nog een inkomen hebben op bijstandsniveau. Men
                                    kan niet kiezen voor een ander, goedkoper document. De kosten
                                    zijn zodanig dat niet verwacht kan worden dat deze uit het
                                    inkomen op bijstandsniveau worden voldaan.</al></li></lijst><al/><al><vet>Hoogte bijzondere bijstand:</vet></al><al>De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil van de
                            kosten voor een identiteitskaart en de kosten van het verlengen en/of
                            wijzigen van de</al><al>verblijfsvergunning. Voor bedragen wordt verwezen naar de gemeentewinkel
                            of afdeling burgerzaken.</al><al/><al>Voor verdere informatie zie: www.ind.nl </al><al/><al><vet>Toetsingskader legeskosten verblijfsvergunning</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn geen
                                    legeskosten verschuldigd.</al></li><li nr="2."><al>Voor een verblijfsvergunning regulier moet betaald worden. Er
                                    wordt in beginsel geen bijstand verstrekt voor de legeskosten.
                                    Uitzonderingen hierop zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de ex-AMA die niet erkend is als vluchtelingen maar wel
                                            in Nederland mag verblijven op grond van een
                                            verblijfsvergunning regulier,</al></li><li nr="-"><al>kinderen van ouders met een verblijfsvergunning
                                            asiel</al></li><li nr="-"><al>nieuwkomers die hun vergunning regulier bepaalde tijd
                                            moeten verlengen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil
                                    van de kosten voor een identiteitskaart en de kosten van het
                                    verlengen en/of wijzigen van de verblijfsvergunning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8</nr><titel>Maaltijdvoorziening</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De kosten van maaltijdvoorziening behoren in principe tot de algemeen
                            noodzakelijke kosten van het bestaan, waarvoor geen bijzondere bijstand
                            kan worden verstrekt. Voor ouderen en hulpbehoevenden kan hierop een
                            uitzondering worden gemaakt, indien zij aangewezen zijn op instanties
                            die maaltijden verzorgen. Hierbij moet worden gedacht aan een situatie
                            waarin een belanghebbende tijdelijk of permanent niet meer in staat is
                            zijn eigen maaltijden te koken.</al><al/><al><vet>Hoofdregel</vet></al><al>Bijzondere bijstand voor een warme maaltijd van een van de officiële
                            maaltijd</al><al>leveranciers is mogelijk indien mensen niet meer in staat zijn zelf hun
                            maaltijden te bereiden en de kosten hiervan niet uit het inkomen kunnen
                            bestrijden. Bij een toekenning van bijzondere bijstand kunnen alleen de
                            meerkosten worden vergoed met als uitgangspunt de feitelijk gemaakte
                            kosten. Maaltijden die op een andere wijze worden betrokken dan via de
                            officiële maaltijdleveranciers komen niet voor vergoeding in aanmerking.
                            Er kunnen max. 7 maaltijden per week worden verstrekt.</al><al/><al><vet>Procedure</vet></al><al>Het aanvragen van (bijzondere) bijstand voor maaltijdvoorzieningen
                            geschiedt via de normale weg, namelijk door het invullen van een
                            (verkort) aanvraagformulier. Voorwaarde voor bijstandsverlening is dat
                            er sprake moet zijn van een indicatie (noodzakelijkheid van de
                            maaltijdvoorziening op grond van een medische of sociale indicatie). De
                            indicatie wordt beoordeeld door de consulent. De indicatie kan ook door
                            de Zenit-arts worden vastgesteld, indien de consulent twijfels heeft
                            over de indicatie die de belanghebbende aangeeft. In de praktijk zal het
                            echter in de meeste gevallen niet noodzakelijk zijn om een uitgebreid
                            onderzoek in te stellen. Uitgangspunt voor de kosten van de maaltijd
                            zijn de feitelijk gemaakte kosten onder aftrek van € 3,25 (fiscale norm
                            warme maaltijd per 1-1-2016) per maaltijd.</al><al/><al><vet>Draagkracht</vet></al><al>Voor de berekening van de bijzondere bijstand gelden de normale
                            draagkrachtregels, zoals opgenomen in paragraaf 1.3.</al><al/><al><vet>Toetsingskader bijzondere bijstand maaltijdvoorziening</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet gelijk zijn
                                    aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum en het
                                    vermogen moet beneden de toepasselijke vermogensgrens
                                    liggen.</al></li><li nr="2."><al>De kosten van maaltijdvoorziening behoren in principe tot de
                                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarvoor geen
                                    bijzondere bijstand kan worden verstrekt.</al></li><li nr="3."><al>Op de hoofdregel zoals vermeld onder 1. kan een uitzondering
                                    worden gemaakt voor ouderen en hulpbehoevenden indien zij
                                    aangewezen zijn op instanties die maaltijden verzorgen. </al></li><li nr="4."><al>Bij een toekenning van bijzondere bijstand kunnen alleen de
                                    meerkosten worden vergoed. Dit zijn de feitelijk gemaakte kosten
                                    onder aftrek van de € 3,25 per maaltijd (fiscale norm warme
                                    maaltijd per 1-1-2016)</al></li><li nr="5."><al>Maaltijden die op een andere wijze worden betrokken dan via de
                                    officiële maaltijdleveranciers komen niet voor vergoeding in
                                    aanmerking.</al></li><li nr="6."><al>Er kunnen maximaal 7 maaltijden per week worden verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.9</nr><titel>Bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand en juridisch
                                loket</titel></kop><al>Als u een juridische vraag of probleem hebt, kunt u voor informatie
                            en/of verwijzing naar de juiste instantie of kortdurend juridisch advies
                            terecht bij het Juridisch Loket(via internet www.hetjl.nl of
                            www.juridischloket.nl of telefonisch via 0900-8020). Het Juridisch Loket
                            geeft gratis advies en/of informatie.</al><al/><al>Wanneer het Juridisch Loket aangeeft dat u gebruik moet maken van een
                            advocaat (een soort van noodzakelijkheidsverklaring) worden de kosten
                            van de eigen bijdrage rechtsbijstand verlaagd met € 53,00 (korting per
                            1-1-2016). De advocaat is dan dus goedkoper dan wanneer men zonder
                            Juridisch Loket gebruik maakt van een advocaat.</al><al/><al>In het kader van bijzondere bijstandsverlening voor eigen bijdrages
                            rechtsbijstand wordt met deze verwijzing en daarmee de korting van €
                            53,00 rekening gehouden. Wij gaan er van uit dat u zich via het
                            Juridisch Loket laat verwijzen naar een advocaat. Alleen het lagere
                            bedrag aan bijzondere bijstand wordt vergoed.</al><al/><al><vet>Toetsingskader bijzondere bijstand kosten rechtsbijstand</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het inkomen en/of uitkering van de aanvrager moet gelijk zijn
                                    aan of lager dan 110% van het geldende sociaal minimum en het
                                    vermogen moet beneden de toepasselijke vermogensgrens
                                    liggen.</al></li><li nr="2."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen
                                    bijdrage in de kosten van rechtsbijstand. </al></li><li nr="3."><al>Wij gaan er van uit dat belanghebbende zich via het Juridisch
                                    Loket laat verwijzen naar een advocaat. Deze verwijzing levert
                                    een korting op van € 53,00. Met deze korting houdt het college
                                    ten allen tijde rekening bij het vaststellen van de hoogte van
                                    de bijzondere bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10</nr><titel>Ingangsdatum wijziging norm na opname en/of bijzondere bijstand
                                voor de vaste lasten</titel></kop><al>Na opname in een inrichting/instelling wordt de norm gewijzigd naar de
                            norm voor verblijf in een inrichting met ingang van de 1e van de maand
                            nadat belanghebbende een volle maand opgenomen is geweest. Het betreft
                            hier over het algemeen een situatie van tijdelijk buiten de gemeente
                            verblijven. </al><al/><al>De situatie kan zich voordoen dat een alleenstaande ouder tezamen met
                            zijn of haar minderjarige kinderen in de inrichting verblijft. In
                            dergelijke gevallen zijn de kosten die de alleenstaande ouder voor het
                            kind moet maken, meestal zodanig dat kinderbijslag en/of kindgebonden
                            budget een toereikende vergoeding bieden. Het normbedrag voor een
                            alleenstaande (art. 23 Participatiewet) is volgens de wetgever
                            toereikend. </al><al/><al>Bij een echtpaar wijzigt de norm voor degene die is opgenomen in de norm
                            zak- en kleedgeld en voor de achterblijvende partner in de norm
                            alleenstaande. </al><al/><al>Bij het verlaten van de inrichting wordt de norm weer gewijzigd naar een
                            zelfstandig wonende met ingang van de dag van ontslag.</al><al/><al>In bijzondere situaties kan bijstandsverlening aan de orde zijn voor
                            doorbetaling van de vaste lasten verbonden aan de woning en in
                            uitzonderlijke situaties eventueel premie zorgverzekering (maatwerk, zie
                            toelichting van artikel 13,15 en 18 Participatiewet en geldende
                            jurisprudentie).</al><al/><al><vet>Toetsingskader bijstand en bijzondere bijstand ingeval van
                                opname</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Wijziging naar de norm voor verblijf in een inrichting vindt
                                    plaats met ingang van de 1e van de maand nadat belanghebbende
                                    een volle maand opgenomen is geweest.</al></li><li nr="2."><al>Verblijft een alleenstaande ouder tezamen met zijn of haar
                                    kinderen in een inrichting dan wordt volstaan met het normbedrag
                                    voor een alleenstaande (artikel 23 Participatiewet).</al></li><li nr="3."><al>Verblijft een partner van een echtpaar in een inrichting dan
                                    wijzigt de norm voor degene die is opgenomen in de norm voor
                                    verblijf in een inrichting en voor de achterblijvende partner in
                                    de norm van een alleenstaande.</al></li><li nr="4."><al>Bij het verlaten van de inrichting wijzigt de norm weer naar een
                                    zelfstandig wonende met ingang van de dag van ontslag uit de
                                    inrichting.</al></li><li nr="5."><al>In bijzondere situaties kan bijzondere bijstand worden toegekend
                                    voor de doorbetaling van de vaste lasten van de woning en
                                    eventueel de premie zorgverzekering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.11</nr><titel>Vermogensbepalingen</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het juridische kader van de vermogensbepalingen is met name bepaald in
                            artikel 34 van de Participatiewet. Uitgangspunt ten aanzien van
                            verificatie van vermogen is dat zoveel mogelijk originele bewijsstukken
                            worden gevraagd. In het onderstaande wordt het beleid beschreven ten
                            aanzien van de hierna aangeduide onderwerpen, waarbij vooral de
                            waardebepaling en interpretatie van de wet een rol spelen ten aanzien
                            van de vermogensvaststelling:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Vermogen en auto of motor</al></li><li nr="2."><al>Vermogen en (antieke) (roerende) goederen of bezittingen</al></li><li nr="3."><al>Vermogen en inkomen in natura</al></li><li nr="4."><al>Vermogen en schenkingen</al></li><li nr="5."><al>Vermogen en immateriële schadevergoeding</al></li><li nr="6."><al>Vermogen en de staffelmethode</al></li><li nr="7."><al>Vermogen en studieschulden</al></li><li nr="8."><al>Vermogen en wijziging gezinssamenstelling</al></li><li nr="9."><al>Vermogen en wijze van intering</al></li><li nr="10."><al>Vermogen en reservering uitvaartkosten</al></li><li nr="11."><al>Vermogen en pensioenreservering/oudedagsvoorziening</al></li></lijst><al/><al><vet>1. Vermogen en auto of motor</vet></al><al>De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld naar de waarde in het
                            economische verkeer.</al><al>De auto als bezitting wordt als algemeen gebruikelijk beoordeeld,
                            onafhankelijk van het doel waarvoor de auto ooit is aangeschaft. Van
                            belanghebbende kan niet worden gevergd dat hij de waarde van de auto of
                            motor te gelde maakt. Wel is de waarde van de auto of motor van belang
                            bij de vermogensvaststelling indien deze een bepaalde waarde
                            vertegenwoordigt. In de gemeente De Wolden wordt de waarde van auto’s
                            en/of motoren tot een bedrag van € 7.000,00 niet als vermogen
                            aangemerkt. Indien de waarde van de auto of motor hierboven uitstijgt
                            wordt de meerwaarde wel tot het vermogen gerekend. Denk hierbij aan het
                            hebben van meerdere motoren en auto’s in een gezin. </al><al>Voor de bepaling van de waarde van de auto dient bij de aanvang van de
                            bijstandsverlening te worden uitgegaan van de inkoopwaarde, zoals deze
                            per kwartaal wordt vastgesteld door de ANWB/Bovag koerslijst. Het is ook
                            een optie om via www.anwb.nl de waarde vast te stellen. Hierbij is een
                            lidmaatschapsnummer vereist en via anwb.nl zijn auto’s met een bouwjaar
                            voor 1996 niet te raadplegen. Voor de bepaling van de waarde van de
                            motor kan ook contact worden opgenomen met ProMotor Advieslijn
                            (070-3145075).</al><al/><al><vet>2. Vermogen en (antieke) (roerende) goederen of
                            bezittingen</vet></al><al>De waarde van bezittingen zoals kunstvoorwerpen, sieraden en antieke
                            klokken wordt vastgesteld naar de waarde in het economische verkeer. In
                            bijzondere gevallen waarbij de waarde niet goed kan worden vastgesteld,
                            kan de waarde getaxeerd worden door een erkende taxateur. De
                            taxatiekosten zijn dan voor de gemeente indien zij twijfelt aan de
                            opgave van de belanghebbende.</al><al>Het college hanteert het volgende beleid:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>antiek, kunst en sieraden behoren tot een bedrag van € 7.000,00
                                    niet tot het vermogen,</al></li><li nr="-"><al>indien zeer aannemelijk is dat deze goederen een emotionele
                                    waarde hebben, dan wordt de “vrijstelling” van het vermogen tot
                                    € 12.000,00 verhoogd.</al></li></lijst><al/><al><vet>3. Vermogen en inkomen in natura</vet></al><al>Indien inkomen in natura van de Participatiewet -er (en gezinsleden) in
                            aanmerking wordt genomen, dan wordt de waarde daarvan vastgesteld op het
                            daarvoor door belanghebbende opgeofferde bedrag (artikel 33, lid 1
                            Participatiewet). Het college betrekt derhalve de inkomsten in natura
                            slechts in de beoordeling voor zover deze inkomsten leiden tot lagere
                            bestaanskosten. Voor het bepalen van de waarde van het inkomen in natura
                            kan worden uitgegaan van de richtprijzen zoals deze staan vermeld in de
                            Prijzengids van het Nibud.</al><al/><al><vet>4. Vermogen en schenkingen</vet></al><al>In artikel 31 Participatiewet, is geregeld dat giften niet worden
                            meegerekend bij de vaststelling van de middelen, voor zover dit uit
                            oogpunt van bijstands- of de inkomensvoorzieningsverlening verantwoord
                            is. Het college heeft dus een bepaalde beleidsvrijheid, waarvoor de
                            volgende regels worden gesteld:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Giften met een periodiek karakter worden als inkomen beschouwd
                                    en derhalve niet vrijgelaten.</al></li><li nr="-"><al>Giften met een eenmalig karakter en niet meer dan 5% van de van
                                    toepassing zijnde bijstandsnorm op jaarbasis worden vrijgelaten.
                                    Onder eenmalig wordt verstaan eenmaal voorkomend in de 24
                                    maanden.</al></li></lijst><al>Voor zover de eenmalige gift hoger is dan de genoemde vrijlating van 5%
                            van de toepasselijke norm, wordt dat deel als vermogen aangemerkt en
                            wordt dit derhalve niet vrijgelaten. Dit deel van de gift moet dan
                            worden opgeteld bij het vastgestelde vermogen. Afhankelijk van de
                            uitkomst moet er dan gehandeld worden. Dat kanbetekenen dat er ingeteerd
                            moet worden. Dit is echter niet aan de orde wanneer het beneden het vrij
                            te laten vermogen blijft.</al><al>Indien de bestemming van de gift betrekking heeft op kosten die in de
                            algemene bijstand zijn begrepen, wordt de gift volledig in aanmerking
                            genomen.</al><al/><al><vet>5. Vermogen en immateriële schadevergoeding</vet></al><al>In artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet, is vastgelegd dat niet als
                            vermogen wordt aangemerkt een uitkering in verband met geleden
                            immateriële schade, ook wel smartengeld genoemd. Hierbij geldt als
                            criterium de aard en doel van het smartengeld. In deze gemeente wordt
                            een bedrag tot € 12.000,00 niet tot het vermogen gerekend. Indien
                            daartoe in een individueel geval aanleiding bestaat, kan eventueel een
                            hoger bedrag worden vrijgelaten, afhankelijk van geldende jurisprudentie
                            en hetgeen als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd.</al><al>Deze restrictie is ingegeven door het feit dat de laatste jaren sneller
                            tot schadevergoeding wordt overgegaan en dat de toegekende bedragen
                            hoger worden. Door de Centrale Raad van Beroep is vastgesteld dat het
                            moment van uitbetaling van deschadevergoeding bepalend is voor de vraag
                            op welke periode de schadevergoeding betrekking heeft. Deze kan derhalve
                            niet aan een voorliggende periode worden toegerekend en kan niet leiden
                            tot intrekking met terugwerkende kracht. Na toekenning boven de grens
                            van € 12.000,00 zal derhalve een periode van intering het gevolg
                            zijn.</al><al/><al><vet>6. Vermogen en de staffelmethode</vet></al><al>Het vermogen wordt slechts bij aanvang van de bijstand vastgesteld. In
                            artikel 34 Participatiewet zijn de vermogensgrenzen vastgelegd. De
                            grenzen gelden uiteraard bij de vaststelling van het vermogen bij de
                            eerste toekenning van een bijstandsuitkering. Volgens de Memorie van
                            Toelichting op de Participatiewet kunnen nieuwe vermogensgrenzen worden
                            gehanteerd op het moment dat er een vermogensaanwas is en derhalve moet
                            worden beoordeeld in hoeverre het vermogen niet uitstijgt boven het vrij
                            te laten vermogen zoals in artikel 34 lid 3 Participatiewet genoemd op
                            het moment van die vermogensaanwas. Het betekent dat met een eventuele
                            vermogensafname wel degelijk rekening moet worden gehouden. </al><al/><al>Bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen valt het
                            begrip “vermogensruimte”, het bedrag waarmee het vermogen kan toenemen
                            zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de bijstand,
                            samen met het begrip vermogensgrens in artikel 34 lid 3 Participatiewet.
                            De resterende vermogensruimte kan nooit groter zijn dan de toepasselijke
                            vermogensgrens van artikel 34 Participatiewet. Dat betekent dat het
                            hebben van een negatief aanvangsvermogen de resterende vermogensruimte
                            niet vergroot. Tijdens een ononderbroken bijstandsperiode kan bij een
                            tussentijdse toename van het vermogen, na een eerdere positieve
                            vermogensvaststelling, slechts het verschil tussen het eerder
                            vastgestelde vermogen en de in acht te nemen vermogensgrens worden
                            vrijgelaten. </al><al/><al><vet>7. Vermogen en studieschulden</vet></al><al>Met schulden in het kader van de Wet op de studiefinanciering wordt bij
                            de beoordeling van de vermogenspositie van de (ex-)student geen rekening
                            gehouden, omdat niet vaststaat of aan de studieschuld daadwerkelijk een
                            verplichting tot terugbetaling is verbonden. De verplichting tot
                            aflossing is gedurende de zogeheten aflosfase (15 jaar of 30 jaar)
                            namelijk afhankelijk van de aanwezige draagkracht, waarbij nihil
                            stelling mogelijk is, en gaat na de aflosfase in elk geval teniet (zie
                            uitspraak CRvB 2-5-2000, JABW 2000/106, LJN: ZB8767). </al><al/><al>Studieschulden aan ouders worden niet in mindering gebracht op het
                            vermogen. Tot de 21-jarige leeftijd van hun kind voldoen ouders
                            rechtstreeks aan de onderhoudsplicht ex artikel 1:395a BW.</al><al>Boven de 21-jarige leeftijd is er hooguit sprake van een natuurlijke,
                            dus rechtens niet afdwingbare verbintenis voor het kind tot
                            terugbetaling.</al><al/><al><vet>8. Vermogen en wijziging gezinssamenstelling</vet></al><al>Bij een wisseling van de gezinssamenstelling gelden de nieuwe
                            vermogensgrenzen ingevolge artikel 34 lid 3, sub a, b of c van de
                            Participatiewet. De gemeente zal naar billijkheid moeten vaststellen
                            wanneer de nieuwe vermogensgrens geldt en hoe deze tot stand komt.
                            Hierbij kan worden gedacht aan de volgende situaties:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>een echtpaar gaat uiteen, waardoor beiden een alleenstaande norm
                                    krijgen. Het resterende vermogensbedrag wordt ieder voor de
                                    helft aan hen beiden toegerekend, voor zover niet anders
                                    wettelijk bepaald.</al></li><li nr="-"><al>Indien twee belanghebbenden gaan samenwonen worden de
                                    vermogensbedragen bij elkaar opgeteld.</al></li><li nr="-"><al>Als bij een alleenstaande ouder het laatste ten laste komende
                                    kind vertrekt, dient het vermogen van de alleenstaande opnieuw
                                    te worden vastgesteld.</al></li></lijst><al>Het vermogen wordt dus opnieuw vastgesteld op het moment dat de
                            wijziging in de gezinssituatie zich voordoet. Het college geeft in alle
                            gevallen waarin de vrijlating grens ingevolge artikel 34 Participatiewet
                            wijzigt (als gevolg van een wisseling van de gezinssamenstelling), een
                            nieuwe beschikking af met daarin de nieuwe vermogensgrenzen en de nog
                            resterende vrijlating.</al><al/><al><vet>9. Vermogen en intering vermogen</vet></al><al>Indien een belanghebbende een vermogen heeft dat uitstijgt boven de voor
                            hem toepasselijke vermogensgrens, dan dient de belanghebbende eerst in
                            te teren op dit vermogen.</al><al>Als regel wordt hierbij een interingsbedrag volgens jurisprudentie
                            gehanteerd. gehanteerd. Hierbij houden we rekening met inkomsten en
                            bijzondere noodzakelijke uitgaven. Dit is het maximale bedrag. Indien
                            belanghebbende sneller inteert en daardoor vroegtijdig een beroep moet
                            doen op de bijstand, beoordeelt het college of er sprake is van
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de kosten van het
                            bestaan. Het opleggen van den maatregel ingevolge artikel 18
                            Participatiewet en de Maatregelenverordening kan dan aan de orde
                            zijn.</al><al/><al><vet>10. Vermogen en reservering uitvaartkosten</vet></al><al>In het verleden kwam het nogal eens voor dat ouderen een vermogen hadden
                            gespaard teneinde de begrafeniskosten te kunnen dekken, wegens
                            onderverzekeringvoor de uitvaart. </al><al>Bij de berekening van de draagkracht wordt in de meeste gevallen het
                            vermogen dat beneden de van toepassing zijnde vermogensgrenzen ingevolge
                            artikel 34 Participatiewet blijft buiten beschouwing gelaten. Er is geen
                            aparte vrijstelling meer op deze vermogensvrijlating ten behoeve van
                            reservering uitvaartkosten. Slechts in individuele en zeer bijzondere
                            omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.</al><al/><al><vet>Toetsingskader vermogen</vet></al><al>Soorten kosten en vrijstelling:</al><lijst><li nr="1."><al>Waarde van auto en motor (obv koerslijst ANWB) vrijlaten tot €
                                    7.000,00</al></li><li nr="2."><al>Antiek, kunst en sieraden vrijlaten tot een bedrag van €
                                    7.000,00</al></li><li nr="3."><al>Antiek, kunst en sieraden met emotionele waarde vrijlaten tot €
                                    12.000,00</al></li><li nr="4."><al>Immateriële schadevergoeding wordt vrijgelaten tot €
                                    12.000,00</al></li><li nr="5."><al>Giften met een eenmalig karakter (eens in de 24 maanden)
                                    vrijlaten tot 5% norm/jr</al></li><li nr="6."><al>Er is geen aparte vrijstelling meer op deze vermogensvrijlating
                                    ten behoeve van reservering uitvaartkosten.</al></li></lijst><al/><al>Overige vermogensbepalingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Inkomsten in natura worden meegenomen in de beoordeling voor
                                    zover deze inkomsten leiden tot lagere bestaanskosten. Voor het
                                    bepalen van de waarde van het inkomen in natura wordt uitgegaan
                                    van de richtprijzen zoals deze staan vermeld in de Prijzengids
                                    van het Nibud.</al></li><li nr="2."><al>Het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. Er
                                    kunnen nieuwe vermogensgrenzen worden gehanteerd op het moment
                                    dat er een vermogensaanwas is.</al></li><li nr="3."><al>Bij de vaststelling van het vermogen wordt geen rekening
                                    gehouden met studieschulden.</al></li><li nr="4."><al>Bij wisseling van de gezinssituatie gelden nieuwe
                                    vermogensgrenzen en wordt het vermogen opnieuw vastgesteld,</al></li><li nr="5."><al>Indien een belanghebbende een vermogen heeft dat uitstijgt boven
                                    de voor hem toepasselijke vermogensgrens, dan dient de
                                    belanghebbende eerst in te teren op dit vermogen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>4</nr><titel>Afsluiting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking met ingang
                            van 1 januari 2016 en worden aangehaald als “Beleidsregels bijzondere
                            bijstand en minimabeleid 2016”. Per deze datum worden de Beleidsregels
                            bijzondere bijstand en minimabeleid 2014 ingetrokken.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten en vastgesteld in de vergadering van</ondertekening><ondertekening>secretaris, burgemeester,</ondertekening><ondertekening>T.N. Kramer R.T. de Groot</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>