<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR410100_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening behandeling bezwaarschriften 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schagen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schagen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-88168.html">Gemeenteblad 4 juli 2016, nr. 88168</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening behandeling bezwaarschriften Schagen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=149&amp;g=2016-07-04">Gemeentewet art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-06-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016-16</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Behandeling bezwaarschriften</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening behandeling bezwaarschriften 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Intitulé</vet></al><al>De raad van de gemeente Schagen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26
                        april 2016; </al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; </al><al>gezien het advies van de commissie bestuur 8 juni 2016 ;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al><vet>Verordening behandeling bezwaarschriften 2016</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a: Awb: Algemene wet bestuursrecht;</al><al>b: belanghebbende: belanghebbende in de zin van 1:2 van de Awb;</al><al>c: bezwaarschrift: bezwaar in de zin van hoofdstuk 7 van de Awb;</al><al>d: college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                        Schagen;</al><al>e: commissie: adviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Awb;</al><al>f: gemeente: gemeente Schagen</al><al>g: verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen;
                    </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                            tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>die zijn ingediend tegen besluiten op grond van een wettelijk
                                    voorschrift inzake belastingen of de Wet waardering onroerende
                                    zaken;</al></li><li nr="b."><al>die zijn gericht tegen een functiewaardering van medewerkers van
                                    de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>die kennelijk niet-ontvankelijk zijn;</al></li><li nr="d."><al>die kennelijk ongegrond zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester
                            kunnen, elk voor wat betreft zijn eigen bevoegdheid, besluiten om voor
                            bepaalde categorieën bezwaarschriften het horen ambtelijk te laten
                            plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden worden door het college benoemd, geschorst en
                            ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de commissie maken geen deel uit van of zijn niet werkzaam
                            onder verantwoordelijkheid van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college benoemt een aantal plaatsvervangende leden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De commissie regelt vervanging van de voorzitter.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris van de commissie wordt door het college aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de secretaris
                            aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een
                            termijn van vier jaar. Het is mogelijk één keer herbenoemd te worden.
                        </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment ontslag
                            nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het college. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aftredende of ontslag nemende voorzitter of leden van de commissie
                            blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                            aangetekend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een afschrift van het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken
                            wordt binnen zeven werkdagen in handen van de secretaris gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                            inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie
                            bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig
                            uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan
                            kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college vereist.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                            waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid
                            worden gesteld zich door de commissie te laten horen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 aanhef en onder
                            c, d en e van de Awb. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien van
                            het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het
                            verwerend orgaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten
                            minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie dagen na verzending van de uitnodiging kunnen de
                            belanghebbenden of het verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de
                            secretaris verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing op het verzoek als bedoeld in het tweede lid wordt
                            uiterlijk één week voor het tijdstip van de zitting aan de
                            belanghebbenden en het verwerend orgaan meegedeeld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of
                            afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het eerste
                            tot en met het derde lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het aantal
                        leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger,
                        aanwezig is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                        behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het
                        geding kan zijn. Zij laten zich zo nodig vervangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zitting van de commissie is openbaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de commissie
                            of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een
                            belanghebbende daartoe een verzoek doet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig
                            zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de
                            zitting plaats achter gesloten deuren. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verslag van de hoorzitting als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb
                            bestaat uit een digitale geluidsopname, die op verzoek aan de
                            belanghebbende(n) ter beschikking wordt gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris maakt op basis van de geluidsopname een schriftelijk
                            verslag wanneer:</al><lijst><li nr="-"><al>het bestuursorgaan dat nodig acht voor zijn besluitvorming,
                                    of</al></li><li nr="-"><al>een belanghebbende daar om verzoekt, of</al></li><li nr="-"><al>een gerechtelijke instantie daar om verzoekt in geval van een
                                    (hoger) beroepsprocedure.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het schriftelijke verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun
                            hoedanigheid. Houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het schriftelijke verslag wordt, nadat de voorzitter heeft ingestemd met
                            de inhoud, ondertekend door de secretaris van de commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien na afloop van de zitting, maar voordat het advies wordt
                            opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter
                            uit eigen beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit
                            onderzoek houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan
                            de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            toegezonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            kunnen binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de
                            voorzitter van de commissie een verzoek richten tot het beleggen van een
                            nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist op dit verzoek. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                            betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                            overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het
                            door haar uit te brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen
                            advies. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                            voorzitter. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt indien
                            die minderheid dat verlangt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                            beslissing op het bezwaarschrift. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het advies wordt door de secretaris ondertekend, nadat de commissie
                            heeft ingestemd met de inhoud hiervan</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het advies en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en
                            nader verslag, wordt binnen drie weken uitgebracht aan het
                            bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het schriftelijke verslag, zoals bedoeld in artikel 13 lid 2, wordt
                            tegelijk met het advies meegezonden aan het bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de termijn
                            van 12 weken, genoemd in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb,
                            ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies en
                            het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend orgaan tijdig
                            de beslissing te verdagen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                            belanghebbenden een afschrift. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><al>De commissie informeert jaarlijks de verwerende organen, voor zover het hun
                        besluiten betreft, over haar werkzaamheden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Bezwaarschriften die zijn ingediend voor het inwerkingtreden van deze
                        verordening, worden overeenkomstig de verordeningen als bedoeld in artikel
                        19, tweede lid behandeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking een dag na bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening behandeling bezwaarschriften 2015 wordt ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening behandeling
                        bezwaarschriften Schagen 2016 ”.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 juni 2016, </ondertekening><ondertekening>De raad van de gemeente Schagen,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>griffier</ondertekening><ondertekening>Mevrouw E. Zwagerman</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Voorzitter</ondertekening><ondertekening>Mevrouw M.J.P. van Kampen-Nouwen</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>·Deze verordening geeft een uitwerking van de behandeling van bezwaarschriften
                    door een adviescommissie. Om een volledig beeld te krijgen van de procedure die
                    moet worden gevolgd bij de behandeling van een bezwaarschrift is het
                    noodzakelijk om de bepalingen uit de Awb en de verordening naast elkaar te
                    plaatsen. In de artikelsgewijze toelichting bij het model zijn zo veel mogelijk
                    onderdelen uit de Awb opgenomen die van belang zijn in de
                    behandelingsprocedure.</al><al><cursief>Bestuursorgaan</cursief></al><al>Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 19 maart
                    2003, (LJN AF6023) is duidelijk dat de bezwaarschriftencommissie niet alleen een
                    adviescommissie is, maar ook een bestuursorgaan kan zijn. In deze verordening
                    zijn regels opgenomen met betrekking tot de adviestaak van de commissie. De
                    raad, het college en de burgemeester stellen de commissie in en hebben daarmee
                    zeggenschap over de wijze waarop de commissie haar adviestaak uitoefent. Zo
                    kunnen afspraken met de commissie worden gemaakt over de termijnen waarbinnen de
                    bezwaarschriftencommissie advies uitbrengt. In het kader van de Wet dwangsom en
                    beroep is het van belang dat de commissie op tijd adviseert, zodat ook tijdig
                    een beslissing op het bezwaar kan worden genomen.</al><al>De raad, het college en de burgemeester hebben geen zeggenschap over de
                    uitoefening van de bevoegdheden door de commissie als bestuursorgaan.</al><al>Er zijn een aantal mogelijkheden denkbaar waarbij de commissie als
                    bestuursorgaan optreedt. Dit is het geval als er een verzoek op grond van de Wet
                    openbaarheid bestuur (Wob) of Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt
                    ingediend of indien er een klacht wordt ingediend.</al><al>Op grond van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in
                    documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan
                    of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling,
                    dienst of bedrijf.</al><al>De commissie dient te beslissen op Wob-verzoeken om documenten die onder haar
                    berusten. Het gaat dan om alle documenten die vanuit de commissie worden
                    verzonden en om alle documenten die aan de commissie zijn gericht.</al><al>Ook is de bezwaarschriftencommissie verantwoordelijk voor de verwerking van
                    persoonsgegevens in de zin van de Wbp. De verwerking van persoonsgegevens in het
                    kader van de behandeling van bezwaarschriften vindt plaats onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie. Voor het recht op inzage en het recht op
                    verbetering, aanvulling, verwijdering en afscherming (artikel 35 en 36 Wbp) zal
                    de belanghebbende zich tot de commissie moeten richten.</al><al>Op basis van artikel 9:1 Awb kan een ieder een klacht indienen over de wijze
                    waarop het bestuursorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van dat orgaan
                    werkzame persoon zich in een concrete situatie jegens de klager of iemand anders
                    heeft gedragen. Dit betekent dat niet alleen klachten over de commissie als
                    geheel, over een commissielid maar ook klachten over de secretaris moeten worden
                    afgedaan door de commissie zelf.</al><al>Eveneens kan een klacht over de commissie worden ingediend bij de Nationale
                    Ombudsman.</al><al>Het is mogelijk dat de commissie zelf een regeling opstelt voor de werkwijze en
                    besluitvorming in die gevallen dat zij optreedt als bestuursorgaan. Omdat dit
                    relatief weinig voorkomt is het ook mogelijk om tijdens een vergadering van de
                    gehele commissie hierover afspraken te maken.</al><al><cursief>Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen</cursief></al><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen,
                    onderdeel van de Awb, in werking getreden. Voor de bezwaarschriftencommissie is
                    deze wet op 2 punten van belang.</al><al>Allereerst is met de inwerkingtreding van deze wet de beslistermijn voor een
                    bezwaarschrift verruimd. De termijn begint nu niet meer te lopen vanaf het
                    moment dat een bezwaar wordt ingediend maar vanaf het moment dat de
                    bezwaartermijn van het besluit is afgelopen. Deze regeling ziet op die gevallen
                    waarbij er meerdere bezwaren tegen 1 besluit worden ingediend, het is nu
                    mogelijk om deze gelijk te behandelen. Voorheen was het mogelijk dat er ruim 5
                    weken zat tussen het eerste ingediende bezwaarschrift en het laatste waardoor
                    het lastig was om tijdig het 1e bezwaarschrift af te handelen.</al><al>Daarnaast is de beslistermijn indien er een commissie is, verlengd van 10 naar
                    12 weken en de mogelijkheid om te verdagen van 4 naar 6 weken.</al><al>Wordt er niet op tijd een besluit genomen door het bestuursorgaan dan is het
                    mogelijk dat de bezwaarde een dwangsom aanvraagt. Dit proces wordt gestart door
                    het sturen van een ingebrekestelling. Dan heeft het bestuursorgaan nog twee
                    weken de tijd om het besluit te nemen. Gebeurt dit niet dan gaat automatisch de
                    dwangsom lopen, per dag, met een maximum van 42 dagen wat staat voor een bedrag
                    van €1260, -. Tegelijk met de ingebrekestelling kan er beroep worden ingesteld
                    bij de rechter. De rechter kan ook een passende dwangsom opleggen.</al><al>De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen zorgt ervoor dat
                    bestuursorganen hun interne processen goed inrichten zodat op tijd besluiten
                    genomen kunnen worden. De bezwaarschriftencommissie maakt onderdeel uit van het
                    proces om tot een beslissing op bezwaar te komen. Het ligt voor de hand dat er
                    afspraken worden gemaakt tussen bestuursorgaan en commissie. Voor de commissie
                    is het belangrijk dat zij zo snel mogelijk de dossiers behorende bij het
                    bezwaarschrift ontvangt van het bestuursorgaan, voor het bestuursorgaan is het
                    van belang dat de commissie rekening houdt met de vergadercyclus van het orgaan
                    en dat adviezen op tijd worden aangeleverd.</al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening behandeling
                        bezwaarschriften</vet></al><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente: de raad, het college en de burgemeester, ieder voorzover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordenende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot het instellen van de
                    commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die in de verordening
                        voorkomen. Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt
                        in de verordening aangeduid als 'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad
                        betreffen, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester of
                        een commissie waaraan via delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor
                        genoemde bestuursorganen zijn overgedragen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><al>In de algemene toelichting is de keuze ver(ant)woord voor het horen en
                        adviseren door een gemeentelijke commissie. Deze commissie wordt via deze
                        inleidende bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is
                        omschreven wat onder het maken van bezwaar dient te worden verstaan.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal zaken die niet door de
                        bezwaarschriftencommissie worden behandeld. Over belastingzaken en WOZ-zaken
                        dient opgemerkt te worden dat de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de
                        WOZ afwijkende of aanvullende bepalingen bevatten over beslistermijnen, het
                        horen en de geheimhouding. In verband hiermee is ervoor gekozen ze in elk
                        geval uit te zonderen. Verder zijn bezwaarschriften tegen een
                        functiewaardering uitgesloten. Hiervoor gelden meestal afzonderlijke
                        bepalingen.</al><al>Op grond van artikel 7:3 Awb kan van horen worden afgezien indien het
                        bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk dan wel het bezwaar kennelijk ongegrond
                        is. In de huidige praktijk worden belanghebbenden, indien sprake is van een
                        bezwaarschrift dat geacht wordt kennelijk niet-ontvankelijk (bijvoorbeeld
                        het bezwaar is te laat ingediend en er zijn geen verschoningsgronden
                        aanwezig) dan wel kennelijk ongegrond (bijvoorbeeld bij een gebonden
                        beschikking), niet gehoord Het horen van belanghebbenden is een van de
                        belangrijkste taken van de commissie. Nu in deze genoemde gevallen het horen
                        achterwege blijft, bepaalt het derde lid dat de commissie evenmin bevoegd is
                        ten aanzien van bezwaarschriften die kennelijk niet-ontvankelijk dan wel
                        kennelijk ongegrond zijn. Immers er is hierin dan geen taak weggelegd voor
                        de commissie. Deze bezwaarschriften worden dus zonder tussenkomst van een
                        commissie afgedaan.</al><al><cursief>Ambtelijke commissie</cursief></al><al>Niet elke gemeente kiest voor behandeling van bezwaarschriften door een
                        externe commissie. Mogelijk is dat voor bepaalde categorieën besluiten
                        gekozen wordt voor een ambtelijke commissie. Een ambtelijke commissie hoeft
                        zich niet te houden aan de vereisten uit artikel 7:13 Awb (specifieke
                        bepalingen indien sprake is van een externe commissie). Voor het horen door
                        een ambtelijke commissie gelden de bepalingen uit artikel 7:5 Awb. Hierin is
                        onder andere bepaald dat het (ambtelijk) horen zal gebeuren door een persoon
                        die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is
                        geweest.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel
                        7:13 Awb.</al><al>De wet stelt als minimale eisen aan de samenstelling van een
                        adviescommissie:</al><lijst><li nr="o"><al>de commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden
                                (artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb); </al></li><li nr="o"><al>de voorzitter maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder
                                verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste
                                lid, onder b van de Awb). </al></li></lijst><al>Op grond van artikel 84, tweede lid van de Gemeentewet is het niet langer
                        toegestaan dat raadsleden lid zijn van een commissie die adviseert over de
                        beslissing op ingediende bezwaarschriften of een commissie die belast is met
                        de behandeling van en advisering over klachten (Wetswijziging 1 februari
                        2016). </al><al>In artikel 3, derde lid, van de verordening is opgenomen dat, naast de
                        voorzitter, ook overige leden geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder
                        verantwoordelijkheid van de gemeente. </al><al>Door de bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van
                        commissieleden aan het college. Het college is hiermee ook het orgaan dat
                        indien nodig het functioneren van de leden van de commissie evalueert.
                        Indien een lid van de commissie niet naar behoren functioneert is het in
                        eerste instantie de commissie die hierop actie zal ondernemen. De voorzitter
                        zal hierbij een rol spelen. Mocht een commissielid niet zelf ontslag nemen
                        dan is het uiteindelijk aan het college om op te treden. Het ligt voor de
                        hand dat voordat een dergelijke stap wordt genomen er diverse gesprekken
                        hebben plaatsgehad en dat er een dossier is gevormd. Bij de bevoegdheid van
                        het college om een lid te schorsen kan gedacht worden aan een situatie
                        waarbij het functioneren van een commissielid wordt onderzocht en deze,
                        hangende het overleg hierover, wordt geschorst.</al><al>Op 22 juli 2009 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het ontslag
                        door het college van leden van een bezwaarschriftencommissie. Aanleiding was
                        een vertrouwensbreuk (gepubliceerd in JB 2009, 216). Met name in de
                        uitspraak van de Rechtbank, minder in die van de Afdeling, wordt ingegaan op
                        de bevoegdheid van het college om leden van de bezwaarschriftencommissie te
                        ontslaan wegens een vertrouwensbreuk. De commissie heeft als adviseur in
                        zekere mate een onafhankelijke rol ten opzichte van het college en daarom
                        dient aan de commissie ruimte te worden gelaten om op verantwoorde wijze
                        invulling aan haar onderzoeksbevoegdheden te geven. Het college mag daarom
                        niet te lichtvaardig met de ontslagbevoegdheid omspringen omdat anders de
                        schijn zou kunnen ontstaan dat een commissie(lid) aan de kant wordt
                        geschoven vanwege een voor het bestuursorgaan onwelgevallig standpunt.
                        Tegelijkertijd is de commissie een adviserend orgaan en ligt de
                        eindverantwoordelijkheid voor de beslissing op het bezwaar bij het
                        bestuursorgaan. In verband hiermee achtte de Rechtbank en ook de Afdeling
                        het ontoelaatbaar dat de commissie het initiatief nam tot een
                        bemiddelingspoging door een derde, terwijl verweerder al had laten blijken
                        niets te voelen voor een dergelijke oplossing. Het feit dat de
                        commissieleden voor een periode van vier jaar worden benoemd doet niet ter
                        zake; indien sprake is van een vertrouwensbreuk is ontslag mogelijk.</al><al><cursief>Instelling kamers</cursief></al><al>Als, bijvoorbeeld gelet op het grote aantal te behandelen geschriften of in
                        verband met een wenselijke splitsing naar onderwerp daaraan behoefte
                        bestaat, kan de commissie worden opgesplitst in kamers.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Secretaris</titel></kop><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                        gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter
                        ondersteuning van de werkzaamheden. De secretaris kan zowel intern als
                        extern zijn en wordt aangewezen door het college. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><al>Gekozen is om de leden te benoemen voor de duur van 4 jaar, met de
                        mogelijkheid om ze één keer te herbenoemen. </al><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het
                        kan ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de
                        afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het
                        derde lid is van orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook
                        feitelijk de functie te blijven vervullen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                        bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                        ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke
                        onderwerpen in de Awb aan de orde komen:</al><lijst><li nr="o"><al>vereisten aan het bezwaarschrift (artikel 6:5); </al></li><li nr="o"><al>de indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12): </al><lijst><li nr="§"><al>de indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7); </al></li><li nr="§"><al>de indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die
                                        waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is
                                        gemaakt (artikel 6:8); </al></li><li nr="§"><al>de ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een
                                        combinatie van de verzend- en ontvangsttheorie is van
                                        toepassing (artikel 6:9, tweede lid); </al></li><li nr="§"><al>regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat
                                        ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11);</al></li><li nr="§"><al>bezwaar dat gericht is tegen het niet tijdig nemen van een
                                        besluit, is niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12);
                                    </al></li></lijst></li><li nr="o"><al>de procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot
                                en met 6:15): </al><lijst><li nr="§"><al>schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan
                                        waarbij het bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden
                                        vermeld dat een commissie over het bezwaar zal adviseren.
                                        Dit kan ook in een later stadium: zie ook de opmerkingen in
                                        paragraaf 3 onder ambtelijke commissie (artikel 6:14);</al></li><li nr="§"><al>doorzendplicht (artikel 6:15). </al></li></lijst></li></lijst><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per
                        post ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het
                        ontvangstbewijs kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in
                        de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig
                        na de ontvangst van het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum
                        van ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te
                        bewaren. Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter
                        voorkoming van onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9
                        Awb). Een per fax verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de
                        laatste dag van de termijn te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie
                        moet het faxen zijn aangevangen vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in
                        zowel de zendende als de ontvangende faxapparatuur is voor de verzender
                        (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een bezwaarschrift verzenden per e-mail is
                        ook mogelijk. Wel is het zo dat het bestuursorgaan de elektronische weg
                        expliciet moet openstellen (art.2:15 Awb). Dit geeft de gemeente ook de
                        mogelijkheid om een apart e-mail adres in te richten voor de ontvangst van
                        bezwaarschriften. Indien een bezwaarde per e-mail een bezwaarschrift heeft
                        ingediend terwijl het bestuursorgaan deze mogelijkheid niet heeft
                        toegestaan, dan dient het bestuursorgaan de verzender op de hoogte te
                        brengen dat deze manier niet mogelijk is en de verzender te verzoeken het
                        bezwaarschrift alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per
                        e-mail ingediend bezwaarschrift kan niet automatisch niet-ontvankelijk
                        worden verklaard.</al><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                        uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij
                        een onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit
                        heeft betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde
                        instantie is ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient
                        namelijk de bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig
                        ingediend te beschouwen indien de indiening bij de onbevoegde instantie
                        tijdig is geschied, tenzij belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt
                        van zijn procesrecht (derde lid, zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet
                        Awb, in werking getreden op 1 april 2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake
                        als belanghebbende bij herhaling willens en wetens een bezwaarschrift bij
                        het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer het derde lid geen toepassing
                        vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan beslissend. Er zal dan meestal
                        sprake zijn van verwijtbaar handelen van de indiener die daarvoor zelf het
                        risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen twee weken plaatsvinden.
                        Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van belanghebbende.</al><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                        bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de
                        afhandeling geldende termijn verdient het aanbeveling aan het in lid 2
                        gestelde (binnen zeven werkdagen) ook daadwerkelijk te voldoen. </al><al>De in artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over het
                        bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn van zes
                        weken wordt verlengd tot twaalf weken met een verdagingsmogelijkheid van zes
                        weken (artikel 7:10). Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt dat het
                        aanbeveling verdient indieners al in een zo vroeg mogelijk stadium op de
                        hoogte te brengen van de te volgen procedure.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient
                        te dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                        bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                        gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen
                        - als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de bezwaarde in contact te
                        treden om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                        niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                        trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van
                        de te behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij vallen
                        gewone en bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te
                        denken aan bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van
                        externe deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. Deze kosten
                        komen ten laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de
                        begroting voorzien in de normale kosten van een commissie. Dat ligt anders
                        als het om bijzondere kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                        voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat het college
                        de gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze
                        reden is in onderhavige bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen
                        een machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het
                        college door zo'n toetsing het werk van de commissie frustreert en haar
                        onafhankelijke positie daardoor aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat
                        het bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek,
                        de gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een
                        goede vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                        bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het
                        advies van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak
                        betrekking hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen
                        afgewogen oordeel kunnen uitbrengen indien gegevens worden
                        achtergehouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                        belanghebbenden kan worden afgezien. Nu de commissie niet meer bevoegd is
                        ten aanzien van bezwaarschriften die kennelijk niet-ontvankelijk dan wel die
                        kennelijk ongegrond zijn (artikel 2), regelt artikel 8 lid 2 dat de
                        voorzitter nog kan besluiten tot het afzien van horen in de volgende
                        gevallen: </al><al>* de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                        recht te worden gehoord (artikel 7:3 aanhef en onder c Awb), of </al><al>* de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde
                        redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te
                        worden gehoord (artikel 7:3 aanhef en onder d Awb), of</al><al>* aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden
                        daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad (artikel 7:3 aanhef en
                        onder e Awb).</al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                        appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                        voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook
                        gewezen op artikel 6:19 Awb. In artikel 6:19 is bepaald dat het bezwaar of
                        beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking,
                        wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij
                        onvoldoende belang hebben. </al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening
                        toegekend aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing in de
                        aangegeven gevallen is dus niet aan het bestuursorgaan dat het
                        bezwaarschrift heeft ontvangen. Het bepaalde in het derde lid spreekt voor
                        zich. Daarnaast zal in het uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals
                        op teruggekomen moeten worden. Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel
                        7:12 Awb bij de beslissing op een bezwaarschrift, indien van het horen is
                        afgezien, aangegeven moet worden op welke grond dat is geschied.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                        uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook
                        ter zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er,
                        vanwege de inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is
                        het voor een externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te
                        vernemen hoe een beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de
                        commissie moeilijk worden om een goede afweging te maken.</al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                        oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een
                        zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende
                        gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden.
                        Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun verweer op
                        schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd.</al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn
                        van 12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn
                        beslist (zie artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie
                        hierna).</al><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het
                        tijdstip van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden
                        verleend. Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om
                        uitstel te krijgen. Met de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep
                        bij niet tijdig beslissen is het verstandig om indien een bezwaarde verzoekt
                        om uitstel en hiermee ingestemd wordt, af te spreken dat daarmee de
                        beslistermijn met eenzelfde periode wordt opgeschort, en dit op schrift te
                        bevestigen. </al><al>Van de artikelen 7:4 en 7:8 Awb wordt bij de uitnodiging van de hoorzitting
                        mededeling geda </al><al>Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de
                        tekst ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij artikel
                        8).</al><al>Artikel 7:4 Awb</al><lijst><li nr="1."><al>tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                                indienen. </al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het
                                bezwaarschrift/beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking
                                hebbende stukken, voorafgaand aan het horen, gedurende ten minste
                                één week voor belanghebbenden ter inzage. </al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op
                                het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter
                                inzage zullen liggen. </al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten
                                hoogste de kosten afschriften verkrijgen. </al></li><li nr="5."><al>Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van
                                het tweede lid achterwege worden gelaten. </al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                                belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege
                                laten, voorzover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van
                                de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan. </al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voorzover
                                ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat
                                een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.
                            </al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan
                                de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende,
                                kan inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                                gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is. </al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                        geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de
                        WOB opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996,
                        Awb katern 1996, 43).</al><al>In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding van
                        stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                        oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).]</al><al>Artikel 7:8 Awb</al><al>Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen en
                        deskundigen worden gehoord. De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor
                        rekening van de belanghebbende die hen heeft meegebracht. </al><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                        bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG
                        2000/122).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                        bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie,
                        terwijl advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2
                        maart 2000, GS 2000/ 7119, 5). In de Gemeentestem 2008, nr. 101 is een
                        artikel verschenen van mr. H. Piefers : “Horen en adviseren door een
                        onvolledige bezwaarschriftencommissie”.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>Zie ook artikel 2:4 Awb.</al><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet
                        vast dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid
                        sprake is (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voorzover
                        niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het
                        openbaar plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid
                        aan de commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige bepaling is vastgelegd dat de hoorzitting in principe in
                        het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft mogelijk,
                        bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire, medische of
                        financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan de orde
                        komen.</al><al>De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de
                        commissie, die ingevolge artikel 16 van de verordening achter gesloten
                        deuren plaatsheeft.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verslaglegging</titel></kop><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag
                        wordt gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijke vereisten aan het verslag
                        worden niet door de Awb geregeld. Aan de plicht tot verslaglegging kan op
                        verschillende wijzen vorm worden gegeven.</al><al>Er is ervoor gekozen voor audioverslag en deze wordt dan alleen nog op
                        verzoek toegezonden aan de belanghebbende(n). Slechts in de volgende
                        situaties wordt nog een afzonderlijk schriftelijk verslag gemaakt:</al><lijst><li nr="·"><al>Als het bestuurorgaan het nodig acht voor de besluitvorming;</al></li><li nr="·"><al>Als een belanghebbende daar om verzoekt;</al></li><li nr="·"><al>Als een gerechtelijke instantie daar om verzoekt in geval van een
                                (hoger)beroepsprocedure.</al></li></lijst><al>Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als een
                        lid afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de
                        adviescommissie, dan hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie
                        niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23). Er kan dan
                        gebruik worden gemaakt van het audioverslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die
                        op het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn
                        om belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                        bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                        nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in
                        het hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op
                        bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan
                        belanghebbenden wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden
                        gesteld te worden gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe
                        informatie niet van aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de
                        belanghebbenden in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de
                        hoorzitting gehouden telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader
                        onderzoek (Nationale ombudsman 9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige
                        procedure houdt ook in dat het bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de
                        adviescommissie kan wenden zonder dat de andere belanghebbenden in de
                        gelegenheid worden gesteld om hun standpunt dienaangaande kenbaar te maken
                        (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB, 1999/311).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 12. De hoorzitting is in principe
                        openbaar; de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren
                        plaats.</al><al>Het tweede lid is opgenomen voor die gevallen waarin het vergaderquorum wel
                        aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of meer leden dan
                        wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van artikel 11)
                        tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder
                        10); de advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan
                        de eisen van artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb. Hoe het advies
                        tot stand komt, is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is
                        mogelijk (CRvB 21 oktober 1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001,
                        ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620 en 00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de commissie is in strijd met
                        artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                        bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit
                        artikel (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de
                        voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                        verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele
                        advisering kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                        beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                        06-01-1997).</al><al>In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking getreden.
                        Deze wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten die een
                        belanghebbende maakt bij de behandeling van een door hem ingediend bezwaar-
                        of administratief beroepschrift. De bepalingen zijn opgenomen in art. 7:15,
                        7:28 en 8:75 Awb. Een verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan
                        voordat het bestuursorgaan op het bezwaar of administratief beroep heeft
                        beslist. Doorgaans zal een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of
                        mondeling tijdens de hoorzitting worden gedaan. De bezwaarschriftencommissie
                        adviseert in dat geval ook over dit verzoek en zal aangeven of er recht is
                        op een vergoeding en zo ja over de hoogte van het vergoedingsbedrag. Dit
                        laatste kan worden ontleend aan het Besluit proceskosten bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                        verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt
                        het schriftelijk uitgebracht. Hiermee heeft de wetgever willen waarborgen
                        dat belanghebbende(n) kennis kunnen nemen van wat tijdens de hoorzitting
                        naar voren is gebracht. </al><al>Op grond van artikel 7:7 Awb is het echter ook mogelijk om te kiezen voor
                        een audioverslag. Dit is geregeld in artikel 13 van deze Verordening. Nu op
                        verzoek van de belanghebbende(n) het audioverslag beschikbaar wordt gesteld
                        dan wel een schriftelijk verslag wordt opgesteld, wordt voldaan aan de
                        vereisten zoals bedoeld in artikel 7:13 lid 6 Awb. </al><al>Het schriftelijke verslag en advies worden uiterlijk binnen drie weken aan
                        het bestuursorgaan verzonden. De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel
                        7:10 van de Awb 12 weken, behoudens in het geval van opschorting of met
                        gebruikmaking van de mogelijkheid van verdaging. De onderhavige bepaling
                        verlangt van de voorzitter van de commissie dat indien hij voorziet dat die
                        termijn niet wordt gehaald, hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de
                        beslissing op het bezwaar te verdagen.</al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb
                        zijn artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en
                        mededeling van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel
                        3:40 Awb is wel van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in
                        werking treedt voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in
                        verband hiermee ook belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit
                        toe te zenden.</al><al><cursief>Afronding van de procedure</cursief></al><al>De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en
                        eindigt er in feite mee - zie artikel 16 - dat door de commissie
                        schriftelijk advies wordt uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het
                        bezwaarschrift dient te beslissen.</al><al>In de artikelen 7:11 (bezwaarschrift) Awb is geregeld wat er daarna dient te
                        gebeuren. Indien het bezwaar ontvankelijk is, dient op grondslag daarvan een
                        heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. Is een
                        bezwaarschrift niet ontvankelijk, dan wordt aan heroverweging niet
                        toegekomen. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept
                        het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in
                        plaats daarvan een nieuw besluit. Dit nieuwe besluit treedt daarmee in de
                        plaats van het oorspronkelijke (bestreden) besluit.</al><al>In het eerste lid van art 7:11 Awb is vastgelegd dat het om een
                        heroverweging gaat. Dat betekent dat de toetsing niet beperkt moet blijven
                        tot vragen van rechtmatigheid, maar binnen de grenzen van de wet zich ook
                        dient uit te strekken tot beleidsmatige en bestuurlijke aspecten.</al><al>De heroverweging dient ex nunc plaats te vinden, dat wil zeggen dat rekening
                        moet worden gehouden met inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. De
                        feiten en omstandigheden van het moment waarop het nieuwe besluit wordt
                        genomen zijn van belang.</al><al>Daarnaast dient de heroverweging op grondslag van het bezwaar te geschieden.
                        Hieruit vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die geheel los van
                        de aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het
                        bestuursorgaan zal daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim
                        naar hun strekking moeten opvatten. Indien bijvoorbeeld tijdens de
                        hoorzitting blijkt dat deze, ondanks een beperkte omschrijving in het
                        bezwaarschrift, ruimer bedoeld zijn, dan zal daarmee rekening moeten worden
                        gehouden.</al><al>Verder is het de bedoeling van deze bepaling dat er geen verslechtering van
                        de positie van degene die het bezwaarschrift indient tijdens de
                        bezwaarschriftenprocedure mag optreden (verbod van reformatio in peius).
                        Natuurlijk staat dit er niet aan in de weg dat als een derde bezwaar maakt
                        tegen bijvoorbeeld een afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd kunnen
                        worden. Dit is het wezen van de bezwaarschriftenprocedure en niet in strijd
                        met genoemd beginsel.</al><al>In artikel 7:12 Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het
                        bezwaarschrift dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de
                        bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat
                        indien van het advies van de commissie wordt afgeweken in de beslissing de
                        reden van die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt
                        meegezonden.</al><al>Tenslotte wordt verwezen naar artikel 6:23 Awb waarin wordt voorgeschreven
                        dat indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar,
                        daarvan bij de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt. Daarbij
                        moet worden aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan
                        beroep kan worden ingesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><al>De commissie informeert de betreffende bestuursorganen over de behandelde
                        bezwaarschriften. De invulling wordt aan de commissie gelaten. Voor de hand
                        ligt dat wordt aangegeven welke aantallen bezwaren zijn ingediend, wat de
                        werkvoorraad was bij aanvang van het kalenderjaar, hoeveel adviezen zijn
                        uitgebracht en wat de adviezen inhielden (niet-ontvankelijk, (deels) gegrond
                        etc.).</al><al>In geval er een klacht is ingediend tegen de bezwaarschriftencommissie wordt
                        dit in het verslag vermeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Bezwaarschriften die zijn ingediend voordat de verordening is vastgesteld,
                        worden behandeld onder het oude recht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                        inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften
                        inhouden geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van
                        besluiten zoals opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing op
                        algemeen verbindende voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft dat op
                        besluiten, die algemeen verbindende voorschriften inhouden, van dat
                        hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en met 4A van toepassing zijn en wel
                        voorzover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet). Besluiten
                        van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden,
                        verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt zijn. De bekendmaking geschiedt
                        door plaatsing in het Gemeenteblad. De uitgifte van het gemeenteblad
                        geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze. Na de uitgifte
                        blijft het gemeenteblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze
                        beschikbaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening behandeling
                        bezwaarschriften Schagen 2016”</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>