<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR410097_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de warenmarkt(en) voor de gemeente Almere 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-07-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Almere, nr. 130, 23-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Marktverordening Almere 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging art. 7</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV-65/2014</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de warenmarkt(en) voor de gemeente Almere 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Marktverordening Almere 2012</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Almere;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        Almere;</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid, alsmede artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>overwegende dat het wenselijk is regels te stellen voor een ordelijk
                        verloop van de markt(en);</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>vast te stellen de volgende Verordening op de warenmarkt(en) voor de
                        gemeente Almere 2012.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Brancheindeling de indeling in (sub-)branches en het aantal
                                    marktkooplieden per branche;</al></li><li nr="b."><al>Dagplaats de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt
                                    gesteld aan een meeloper, omdat deze niet als vaste standplaats
                                    is toegewezen dan wel ingenomen;</al></li><li nr="c."><al>Eigen materiaal onder eigen materiaal wordt verstaan een
                                    verkoopwagen of markavan (incl. een bijbehorende parasol);</al></li><li nr="d."><al>Markt de door het college ingestelde warenmarkt;</al></li><li nr="e."><al>Marktmeester de persoon die als zodanig is aangewezen door het
                                    college;</al></li><li nr="f."><al>Marktterrein de gehele openbare of publiek toegankelijke
                                    oppervlakte grond, die bij artikel 2 is aangewezen voor het
                                    uitoefenen van de markthandel;. </al></li><li nr="g."><al>Standplaats de ruimte die voor de duur van de markt is
                                    aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;</al></li><li nr="h."><al>Vergunninghouder de natuurlijke persoon aan wie door het college
                                    vergunning is verleend voor het innemen van een vaste
                                    standplaats;</al></li><li nr="i."><al>Vaste standplaats de standplaats die na één jaar van rechtswege
                                    wordt verlengd.</al></li><li nr="j."><al>Meeloper de natuurlijke persoon die in aanmerking wenst te komen
                                    voor de toewijzing van een dagplaats, en niet over een
                                    vergunning voor een vaste standplaats of standwerkerpas
                                    beschikt;</al></li><li nr="k."><al>Standwerker de natuurlijke persoon die in aanmerking wenst te
                                    komen voor een standwerkerplaats en niet over een vergunning
                                    voor een vaste standplaats of meeloperspas beschikt;</al></li><li nr="l."><al>Standwerken de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om
                                    zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende
                                    uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een
                                    artikel;</al></li><li nr="m."><al>Standwerkerplaats de standplaats die per marktdag ter
                                    beschikking wordt gesteld om te standwerken;</al></li><li nr="n."><al>Waarnemer degene die op basis van een ontheffing een standplaats
                                    inneemt voor een vergunninghouder van een vaste
                                    standplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inrichting van de markt</titel></kop><al>Het college bepaalt ten aanzien van de markt:</al><lijst><li nr="a."><al>de dagen en openingstijden;</al></li><li nr="b."><al>het aantal standplaatsen;</al></li><li nr="c."><al>de afmetingen van de standplaatsen;</al></li><li nr="d."><al>de opstelling en indeling van de markt;</al></li><li nr="e."><al>welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats,
                                    standwerkerplaats, dagplaats, bakplaats en voor eigen
                                    materiaal;</al></li><li nr="f."><al>een lijst met branches en subbranches;</al></li><li nr="g."><al>een maximum aantal vergunninghouders per subbranche.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Instellen, afschaffen of veranderen van markten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd markten in te stellen, af te schaffen of te
                                veranderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op grond van dringende redenen, in afwijking van het
                                eerste lid, besluiten dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden op een
                                andere dag, een ander tijdstip of op een andere plaats in overleg
                                met Centrale Vereniging Ambulante Handel, bewoners en ondernemers
                                vertegenwoordigd in de marktcommissie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is bevoegd te besluiten dat de markt niet zal
                                plaatsvinden indien het daartoe dringende redenen aanwezig
                                acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde
                            in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
                                krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter
                                bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen in acht te nemen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Bepalingen over standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Standplaats</titel></kop><al>Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder
                            toewijzing daarvan door het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Toewijzing standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een standplaats wordt toegewezen als vaste standplaats,
                                standwerkerplaats of dagplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toewijzing van een vaste standplaats geschiedt door middel van
                                het verlenen van een vergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vereisten innemen standplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking
                                een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar
                                heeft bereikt en die tevens aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan
                                de publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van
                                bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie Hoofdbedrijfschap
                                Detailhandel en die een legale verblijfsstatus heeft. Voor zover het
                                gaat om toewijzing van een vaste standplaats dient voor de
                                toewijzing bovendien een aanvraag voor een vergunning te zijn
                                ingediend bij het college, tenzij het gaat om een omzetting van een
                                tijdelijke vergunning naar een vergunning voor onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een persoon, zoals genoemd in het eerste lid, zijn
                                bedrijfsactiviteiten heeft georganiseerd in een rechtspersoon, wordt
                                een standplaatsvergunning, meeloperpas of standwerkerpas op naam
                                gesteld van deze persoon of een andere bij deze rechtspersoon
                                betrokken persoon. Een standplaatsvergunning, meeloperpas of
                                standwerkerpas wordt echter niet uitgegeven indien al een
                                standplaatsvergunning, meeloperpas of standwerkerpas op naam is
                                gesteld van een andere bij dezelfde rechtspersoon betrokken persoon.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon die zich in de periode van een jaar voorafgaande aan de
                                indiening van de aanvraag om een vergunning aantoonbaar schuldig
                                heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog op de markt komt niet in
                                aanmerking voor een vergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekking van een vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college trekt een vergunning voor een vaste standplaats in:</al><lijst><li nr="a."><al>op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van
                                        artikel 10 van het Marktreglement van de gemeente Almere de
                                        vergunning wordt overgeschreven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een vergunning voor een vaste standplaats
                                intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>bij arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder, 12
                                        maanden na de dag waarop de periode is begonnen die verband
                                        houdt met de arbeidsongeschiktheid, tenzij op grond van
                                        artikel 10 van het Marktreglement de vergunning wordt
                                        overgeschreven;</al></li><li nr="b."><al>indien een vergunninghouder zijn vaste standplaats voor een
                                        periode van 12 maanden of meer heeft laten vervangen in het
                                        kader van de regeling als bedoeld in artikel 11van het
                                        Marktreglement.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een vergunning voor een vaste standplaats
                                intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in
                                        artikel 8 genoemde vereisten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 10 van het
                                Marktreglement van de gemeente Almere is overgeschreven, reeds
                                vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde
                                markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9 kan het college een vergunning
                            voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan
                            wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen,
                            indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat dan wel
                            waarneemt:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening, de nadere regels
                                    of de voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>de aanwijzingen van de marktmeester niet opvolgt; of</al></li><li nr="d."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder en standwerker</titel></kop><al>Het college kan een meeloper of standwerker van de toewijzing van een
                            dagplaats of standwerkerplaats voor 5 jaar uitsluiten, danwel in het
                            geval van een meeloper voor ten hoogste 4 marktdagen of in het geval van
                            een standwerker voor ten hoogste 1 jaar, indien deze:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening en de nadere
                                    regels overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>de aanwijzingen van de marktmeester niet opvolgt; of</al></li><li nr="d."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het
                            college een standplaatshouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te
                            verwijderen indien hij:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                            bestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden en kan bovendien worden bestraft met openbaarmaking
                            van de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het
                            college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De “Marktverordening Almere 2005”, vastgesteld op 14 april 2005, wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de
                                Marktverordening Almere 2005 gelden als besluiten genomen krachtens
                                deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de Marktverordening 2005 is
                                ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening niet op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze
                                verordening toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is
                            bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Marktverordening Almere
                            2012.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad
                        d.d.</ondertekening><ondertekening>10 januari 2013</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.D. Pruim A. Jorritsma-Lebbink</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Toelichting Marktverordening Almere 2012</titel></kop><al/><al>De Marktverordening Almere 2012 is net als de voorgaande Marktverordening Almere
                    2005 gebaseerd op een Modelverordening van de VNG, in casu de versie uit 2008.
                    Deze is in overleg met het Centraal Overleg Marktaangelegenheden opgesteld. In
                    deze Modelverordening was rekening gehouden met de mogelijkheid de markt te
                    laten exploiteren (organiseren en beheren) door een organisatie, welke niet
                    noodzakelijkerwijs deel uitmaakt van de gemeentelijke organisatie. </al><al/><al>De raad heeft er echter voor gekozen de organisatie en het beheer van de markten
                    in de gemeente Almere vooralsnog onderdeel te laten blijven van de gemeentelijke
                    ambtelijke organisatie. Ofschoon de structuur van het VNG-model min of meer is
                    behouden, is er voor gekozen om op een aantal onderdelen voor afwijkende regels
                    te kiezen, welke hierna verder zullen worden toegelicht. In de toekomst zal
                    worden onderzocht of de huidige wijze van Marktbeheer nog past bij de kerntaken
                    van de gemeentelijke organisatie. </al><al/><tussenkop>Grondslag verordening </tussenkop><al/><al>Artikel 147 Gemeentewet geeft aan de raad de bevoegdheid verordeningen vast te
                    stellen. In artikel 149 Gemeentewet is vervolgens vastgelegd dat de raad kan
                    bepalen welke onderwerpen zij in het belang van de gemeente acht, en waarvoor
                    zij verordeningen vaststelt.</al><al/><al>De Marktverordening beoogt de belangen van openbare orde, zedelijkheid en
                    gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en
                    de (verkeers-)veiligheid binnen de gemeente te beschermen.</al><al/><tussenkop>Inhoud</tussenkop><al/><al>In de Marktverordening zijn algemene bepalingen opgenomen, alsmede bepalingen
                    die zien op de standplaatsvergunningen. Tot slot zijn bepalingen opgenomen met
                    betrekking tot sancties en de overgangsbepalingen.</al><al/><al>Samenhang met andere verordeningen en wetgeving.</al><al/><tussenkop>Andere ambulante handel</tussenkop><al/><al>In de gemeente Almere is de regulering van ander ambulante handel opgenomen in
                    de Algemene Plaatselijke Verordening, terwijl de weekmarkten worden geregeld in
                    de Marktverordening. Door middel van een evenementenvergunning kunnen braderieën
                    e.d worden vergund.</al><al/><al>In de APV is opgenomen dat geen vergunning wordt verleend wanneer een vergunning
                    is vereist op basis van de Marktverordening. Op deze wijze wordt voorkomen dat
                    een met de marktverordening conflicterende vergunning op basis van de APV moet
                    worden verleend, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een ventvergunning,
                    terrasvergunning of een standplaatsvergunning.</al><al/><tussenkop>Vrijhouden van het marktterrein</tussenkop><al/><al>In de Wegsleepverordening Almere is onder andere bepaald dat op de door middel
                    van een verkeersbesluit aangewezen terreinen (zoals nader geregeld in het
                    Besluit wegslepen van voertuigen) een parkeerverbod geldt, op grond waarvan tot
                    verwijdering van voertuigen kan worden overgegaan. De kosten hiervan zijn voor
                    rekening van de overtreder. </al><al/><al>In de APV is een artikel opgenomen dat de burgemeester de bevoegdheid geeft op
                    de marktterreinen aanwezige fietsen en bromfietsen te verwijderen.</al><al/><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al/><al>[Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december
                    2006 betreffende diensten op de interne markt, PB L376/36, 27 december
                    2006]</al><al/><al>De Europese Dienstenrichtlijn is op 28 december 2006 in werking getreden met als
                    doel de nog bestaande belemmeringen van het vrije verkeer van diensten op te
                    heffen. Zo is over de vrijheid van vestiging (hoofdstuk 3) bepaald dat lidstaten
                    de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in beginsel niet
                    afhankelijk mag stellen van een vergunningstelsel (artikel 9).</al><al/><al>Ook voor gemeenten heeft dit gevolgen: zij moeten binnen 3 jaar door middel van
                    een screening nagaan of hun regelgeving in overeenstemming is met de bepaling
                    van de richtlijn en deze zonodig aanpassen. Voor de Modelmarktverordening 2008,
                    welke als basis dient voor deze Marktverordening Almere 2011 heeft de VNG de
                    screening gedaan.</al><al/><al>Allereerst is gekeken of de verordening een dienst regelt, die onder de
                    reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt. Het begrip ‘dienst’ moet worden
                    uitgelegd als ‘dienstverrichting welke gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt’ en
                    sluit hiermee aan bij artikel 50 EG en de interpretatie van het EG Hof van
                    Jusititie. De modelmarktverordening 2008 (individuele vergunning) regelt de
                    warenmarkt; het gaat dus om de verkoop van goederen. Derhalve bevat dit model
                    geen bepalingen omtrent de toegang tot of de uitoefening van een dienst. Daarmee
                    valt dit model buiten de werkingsfeer van de Dienstenrichtlijn en hoeft er niet
                    verder te worden gescreend. Dit oordeel werd in de uitspraak van de
                    Voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam d.d. 1 december 2010 bevestigd,
                    ook deze concludeerde dat goederen werden verkocht, en geen diensten
                    (LJN:BO6007.</al><al/><tussenkop>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</tussenkop><al/><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Bij de vergunningverlening met betrekking tot de
                    markt dient een gemeente hier rekening mee te houden.</al><al/><tussenkop>Aandachtspunten</tussenkop><al/><al>In de Marktverordening en het Marktreglement is gekozen voor een belangrijke
                    wijziging in de verlening van de vaste standplaatsvergunningen. Vaste
                    standplaatsvergunningen zullen niet direct voor onbepaalde tijd worden verleend.
                    Dit geldt eens te meer voor nieuwe aanvragers, zij zullen in eerste instantie
                    een standplaatsvergunning voor 1 jaar krijgen, welke vervolgens wordt verlengd
                    voor onbepaalde tijd wanneer er geen sprake is van opgelegde sancties. Hiermee
                    kan worden bereikt dat marktkooplieden na bovengenoemde periode kunnen worden
                    beoordeeld op in hoeverre zij nog goed meedraaien op de markt.</al><al/><al>De toekenning van een vaste standplaats vindt plaats zonder dat er sprake is van
                    voorrang op basis van anciënniteit, alleen branchevreemde producten kunnen met
                    voorrang worden vergund. Hiermee kan worden voorzien in de constante vernieuwing
                    van het aanbod op de weekmarkten. Dit zal geschieden op basis van een
                    vastgesteld protocol.</al><al/><al>De dagplaatsen zijn nu bestemd voor de meelopers die over een meeloperspas
                    beschikken. Ook deze meeloperspas dient jaarlijks te worden verlengd, en
                    daarvoor zijn leges verschuldigd. </al><al/><al>Er is nadrukkelijk gekozen voor een beperkte Marktverordening, waardoor een
                    aantal zaken nu is opgenomen in het Marktreglement in plaats van voorheen in de
                    Marktverordening. Belangrijk onderdeel daarvan is een sanctietabel, zodat zoveel
                    mogelijk duidelijk is wat de consequenties zijn van overtredingen van bepalingen
                    uit de Marktverordening, het Marktreglement en andere regels.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Hierin zijn een aantal in de verordening en reglement gebruikte begrippen
                    gedefinieerd. De meest opvallende zijn de introductie van de meeloper en de
                    waarnemer. </al><al/><tussenkop>Artikel 2 Inrichting</tussenkop><al>De bevoegdheid van het college om de dagen, terreinen, indeling en verdeling van
                    de weekmarkten vast te stellen, is in dit artikel neergelegd.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>Naast de regeling van artikel 2 heeft het college de bevoegdheid om nieuwe
                    markten in te stellen, markten af te schaffen of te veranderen. Als redenen
                    hiervoor kan gedacht worden aan veranderde economische omstandigheden of
                    ruimtelijke ontwikkelingen.</al><al>Daarnaast kunnen dringende redenen, zoals de viering van Koninginnedag of de
                    uitvoering van werkzaamheden op het marktterrein, het noodzakelijk maken dat het
                    college voor de markt een andere dag, tijd of plaats vaststelt.</al><al>Tenslotte kan in het geval van dringende redenen, met uitzondering van acute
                    calamiteiten welke zijn geregeld in het Marktreglement, door het college worden
                    besloten de markt niet te laten plaatsvinden</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Hierin is de bevoegdheid tot het vaststellen van nadere regels vastgelegd. Deze
                    bevoegdheid maakt de vaststelling van het Marktreglement mogelijk, net als de
                    vaststelling van beleidsregels.</al><al/><tussenkop>Beleidsregels versus nadere regels</tussenkop><al/><al>Aangezien vaak onduidelijkheid bestaat over het verschil tussen beide soorten
                    regels volgt hieronder een korte uiteenzetting van beleidsregels en nadere
                    regels. Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van de gekregen
                    bevoegdheden. Verder kan het college nadere regels stellen op grond van art. 3
                    van de modelmarktverordening. Voor alle duidelijkheid: beleidsregels zijn
                    algemene regels omtrent de toepassing van bevoegdheden (zie de definitie in art.
                    1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Nadere regels zijn algemene
                    regels die te karakteriseren zijn als algemeen verbindende voorschriften.
                    Beleidsregels kennen een inherente afwijkingsbevoegdheid in tegenstelling tot
                    nadere regels. Op grond van artikel 4:84 van de Awb dient een bestuursorgaan een
                    uitzondering op een beleidsregel te maken indien bijzondere omstandigheden
                    daartoe nopen. Dit wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid van de beleidsregel
                    genoemd. Hierdoor zijn beleidsregels flexibeler dan nadere regels (algemeen
                    verbindende voorschriften). Immers, van nadere regels is geen afwijking
                    mogelijk.</al><al/><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al/><al>Nadere regels worden opgevat als algemeen verbindende voorschriften. Zie
                    bijvoorbeeld ABRS 4 juli 1994, JG 95.0133, m.nt. A.B. Engberts, AB (1994) 698
                    m.nt. R.M. van Male.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te verbinden,
                    kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De in het
                    eerste lid genoemde belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is
                    vereist, zijn de gemeentelijke belangen van openbare orde, zedelijkheid en
                    gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en
                    de veiligheid binnen de gemeente. Zie ook de inleiding bij deze toelichting
                    onder Grondslag.</al><al/><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor
                    toepassing van andere bestuursrechtelijke sancties. De strafbepaling van artikel
                    13 is eveneens van toepassing.</al><al/><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>De toewijzing geeft het recht om een standplaats op de markt in te nemen. De
                    standplaatshouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de
                    toewijzing zijn verbonden (artikel 5). De toewijzing is persoonlijk en niet
                    overdraagbaar.</al><al/><al>De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door degenen
                    aan wie door het college een standplaats is toegewezen. Iedere andere wijze van
                    verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden
                    gemaakt voor degenen, die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke
                    voorzien.</al><al/><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al/><al>Met de verplichting de standplaats persoonlijk in te nemen strookt niet de
                    gebruikmaking van een ontheffing om rond te gaan met koffie en dergelijke op het
                    marktterrein. (ABRS 20 januari 1998, jbMarkten bladzijde 9)</al><al/><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>In dit artikel wordt omschreven welke typen standplaats kunnen worden
                    toegewezen. De manier van toewijzing verschilt per type standplaats, hetgeen is
                    uitgewerkt in het Marktreglement. De toewijzing van een vaste standplaats
                    geschiedt in elk geval door het verlenen van een vergunning door het college. </al><al/><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Voor toewijzing van een standplaats is het vereiste van een handelingsbekwaam
                    natuurlijke persoon opgenomen, die de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
                    Hiermee is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt
                    worden toegelaten en wordt voorkomen dat rechtspersonen een overheersende
                    positie op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een
                    natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle
                    marktstandplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de
                    natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook
                    dan wordt de natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als
                    vergunninghouder. Het is echter niet mogelijk de vergunning op naam van de
                    rechtspersoon te stellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Als de in het eerste lid genoemde gronden zich voor doen, wordt altijd tot
                    intrekking van de vaste standplaatsvergunning overgegaan. In het tweede lid
                    worden mogelijkheden tot intrekking (‘kan’ betekent: is bevoegd, dat wil zeggen
                    is niet verplicht) genoemd ten aanzien van de vergunning.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 </tussenkop><al>In artikel 10 worden de gronden genoemd op basis waarvan een vergunning voor een
                    vaste standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. De zinsnede ‘Onverminderd
                    het bepaalde in artikel 9 geeft aan dat ook de intrekking op grond van artikel 9
                    een punitieve sanctie is.</al><al/><al>Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af
                    of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan.</al><al/><al>In onderdeel d wordt ervan uitgegaan dat het niet betalen van marktgeld een
                    grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning voor
                    de markt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    van 29 juli 1999 (JG 99.0184 m.nt. M. Geertsema) inzake het hoger beroep van S.
                    Gonesh tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6 november 1998, vormt
                    naar ons inzicht voldoende basis om deze intrekkings- of schorsingsgrond in het
                    model op te nemen. De Afdeling overwoog in deze zaak dat ingevolge de
                    Verordening op de straathandel van de gemeente Amsterdam een vergunning voor een
                    vaste standplaats kan worden ingetrokken ‘wegens het niet voldoen aan
                    verplichtingen die voor de vergunninghouder voortvloeien uit de voor die markt
                    geldende heffingsverordening’. Het stond tussen partijen vast dat Gonesh ten
                    tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar reeds gedurende langere tijd
                    niet aan zijn uit de geldende heffingsverordening voortvloeiende
                    betalingsverplichtingen had voldaan. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel
                    Zuidoost van de gemeente Amsterdam kon de aan Gonesh verleende vergunning
                    derhalve intrekken.</al><al/><al>Het moge duidelijk zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet
                    lichtvaardig mag worden gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor
                    (notoire) ‘wanbetalers’. Voor alle duidelijkheid wijzen wij erop dat deze
                    uitspraak zich naar ons inzicht alleen uitstrekt tot betalingsverplichtingen op
                    basis van publiekrechtelijke regelingen. De vraag of intrekking of schorsing ook
                    mogelijk is bij het niet nakomen van privaatrechtelijke betalingsverplichtingen
                    (huur of pacht) blijft in deze uitspraak onbeantwoord.</al><al/><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al/><lijst><li nr="·"><al>ABRS 15 augustus 2001, JU 021011. Terechte voorwaardelijke tijdelijke
                            schorsing van marktstandplaats wegens overtreding van Reglement
                            weekmarkten Den Haag. Standplaatshouder is tevoren diverse malen
                            gewaarschuwd. Opgelegde sanctie is niet onevenredig zwaar.
                            Schorsingsregime is niet onverbindend wegens strijd met art. 156
                            Gemeentewet.</al></li><li nr="·"><al>Vz. Rb.‘s-Gravenhage 28 maart 2007, LJN: BA2568, AWB07/2195. Schorsing
                            van de marktvergunning in verband met vermeende bedreiging van een
                            medewerker van de Dienst Stadsbeheer. Van in een telefoongesprek
                            gebruikte bedreiging kan niet worden gezegd dat het belang van de
                            openbare orde van de makrt in het geding was. In casu staat de schorsing
                            niet in redelijke verhouding tot de gedane uitlatingen.</al></li><li nr="·"><al>ABRS 30 maart 2001, AB 2001, 189 m.nt. L.D. De intrekking van een
                            standplaatsvergunning op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam voor een week
                            is een maatregel met een punitief karakter die door de rechter op zijn
                            evenredigheid dient te worden getoetst, doch de enkele omstandigheid dat
                            de strafrechter betrokkene een taakstraf heeft opgelegd, leidt niet tot
                            het oordeel dat het bestuursorgaan reeds daarom niet tot het opleggen
                            van een maatregel mocht overgaan. De opgelegde maatregel moet
                            zelfstandig op evenredigheid worden beoordeeld. De Afdeling neemt voor
                            dat oordeel mede in aanmerking dat het bestuursorgaan een eigen taak
                            heeft bij het handhaven van de rust en orde op de markt. Niet kan worden
                            gezegd dat deze maatregel niet in een redelijke verhouding staat tot het
                            wangedrag. Het geven van slechts een waarschuwing staat niet alleen niet
                            in verhouding tot de ernst van de overtreding, maar maakt ook de
                            handhaving van de verordening illusoir.</al></li><li nr="·"><al>Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning in te trekken of te
                            schorsen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in artikel 4:8 van
                            de Algemene wet bestuursrecht. Zie Rechtbank Amsterdam 17 februari 1994,
                            JB (1994) 58, inzake intrekken zonder horen ex artikel 4:8 Awb.</al></li><li nr="·"><al>Rb. Middelburg 1 september 2005, LJN: AU5267, AWB 04/932. Schorsing kan
                            als een punitieve sanctie worden aangemerkt. Dit brengt met zich mee dat
                            ten aanzien van de relevante feiten die aan de waarschuwingen ten
                            grondslag liggen hoge eisen worden gesteld, zoals een deugdelijk
                            sanctiebeleid.</al></li><li nr="·"><al>ABRS 8 september 2004, LJN: AQ9962, rolnr: 200308336/1. Waarschuwingen
                            al dan niet mondeling, gebaseerd op een op schrift gesteld en bekend
                            gemaakt sanctiesysteem, worden aangemerkt als besluiten in de zin van de
                            Awb.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>In artikel 10 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste
                    standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de hand
                    bij de andere typen standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang
                    gebleken om naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 12) ook
                    een vergunninghouder van een dagplaats langduriger van de markt te kunnen
                    verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een vergunninghouder voor
                    een vaste standplaats op de vuist gaat met een dagplaatshouder.</al><al/><al>In dit artikel 11 is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin genoemde
                    gevallen de vergunninghouder voor maximaal vier marktdagen uit te sluiten van de
                    toewijzing van een dagplaats. In de beschikking tot uitsluiting moet worden
                    aangegeven om hoeveel dagen het gaat (maximaal vier) en om welke concrete
                    dagen.</al><al/><al>Het in onderdeel d genoemde wordt opgenomen ter bestraffing van niet-betalende
                    dagplaatshouders. Zie verder de toelichting onder artikel 10, onderdeel d.</al><al/><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten,
                    algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen
                    het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit
                    artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te
                    passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde
                    voorschriften. In de artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de Awb worden regels
                    over de besluitvorming omtrent en de toepassing van bestuursdwang (en dwangsom)
                    gegeven. De in artikel 12 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm van
                    bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24, zesde
                    lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf dient dan het besluit tot het
                    toepassen van bestuursdwang op papier te worden gesteld. Overigens is in artikel
                    5:23 van de Awb geregeld dat de bepalingen over bestuursdwang niet van
                    toepassing zijn indien wordt opgetreden ter onmiddellijke handhaving van de
                    openbare orde.</al><al/><al>Op grond van artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij toepassing van
                    artikel 12 in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld hun zienswijze
                    (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11 Awb bepaalt dat
                    dit horen niet nodig is in spoedeisende situaties.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 </tussenkop><al>Ten aanzien van de in artikel 13 opgenomen strafbepaling geldt dat van
                    overtreding alleen sprake kan zijn indien de verordening een ge- of verbodsnorm
                    (een verplichtende norm) inhoudt. Tegen overtredingen van de in deze verordening
                    opgenomen bepalingen, alsmede tegen handelingen die de orde op de markt op
                    enigerlei wijze kunnen verstoren, verdient voor wat de organisatie betreft een
                    administratieve afhandeling de voorkeur.</al><al/><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><al>In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder toezichthouder wordt
                    verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift
                    is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift. Een persoon die aangewezen is als
                    toezichthouder beschikt in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Awb
                    opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze
                    bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het college worden beperkt. In
                    dit verband is tevens artikel 5:16a van de Awb van belang. Hierin staat
                    beschreven dat een toezichthouder bevoegd is van personen inzage te vorderen van
                    een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                    identificatieplicht.</al><al/><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al>In dit artikel is de intrekking van de oude Marktverordening Almere 2005
                    geregeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 16 Overgangsbepalingen</tussenkop><al>Een overgangsregeling als hier opgenomen, achten wij noodzakelijk voor de
                    rechtszekerheid van de betrokkenen. Verder is in artikel 9 van de verordening
                    van 2005 opgenomen, dat inschrijving op een wachtlijst niet meer mogelijk is.
                    Dit betekende een bevriezing van de wachtlijst en vanaf 2005 is de wachtlijst
                    niet meer geactualiseerd. Met de nieuwe verordening kan deze wachtlijst dan ook
                    komen te vervallen en is er gelet op de belangen geen overgangsrecht op dit
                    onderdeel noodzakelijk. Het CVAH heeft in voorkomende gevallen een termijn van 5
                    jaar aangehouden waarna de wachtlijst kwam te vervallen. </al><al/><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><al>De inwerkingtreding wordt in dit artikel vastgesteld.</al><al/><tussenkop>Artikel 18</tussenkop><al>De citeertitel zal zijn Marktverordening Almere 2012.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>