<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR409839_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Participatieverordening gemeente Smallingerland 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-07-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-87960.html">Gemeenteblad, 01-07-2016, nr. 87960</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Participatieverordening gemeente Smallingerland 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, art. 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=6">Participatiewet, art. 6, tweede lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8a">Participatiewet, art. 8a, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=108">Gemeentewet, art. 108, tweede lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-06-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-05-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>21-06-2016, volgnr. 7</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Participatieverordening gemeente Smallingerland 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Smallingerland;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12
                        mei 2016;</al><al/><al>gelet op artikel 108, tweede lid jo. artikel 147, eerste lid van de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>gelet op artikel 6, tweede lid van de Participatiewet;</al><al/><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdelen a, c, d en e van de
                        Participatiewet;</al><al/><al>B E S L U I T </al><al/><al>vast te stellen de volgende PARTICIPATIEVERORDENING GEMEENTE SMALLINGERLAND
                        2016</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al><vet>Begrippen</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="5*"/><colspec colname="col3" colwidth="27*"/><colspec colname="col4" colwidth="3*"/><colspec colname="col5" colwidth="61*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al>Alle begrippen die in deze verordening worden
                                                gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben
                                                dezelfde betekenis als in de Participatiewet ,in de
                                                Algemene wet bestuursrecht of overige in deze
                                                verordening aangehaalde wetten.;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet </al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>de Participatiewet ;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>Ioaw</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte werknemers;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>Ioaz</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte zelfstandigen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d.</al></entry><entry colname="col3"><al>doelgroep</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>personen als bedoeld in artikel 7 , eerste lid onder
                                                a van deze wet , met uitzondering van personen als
                                                bedoeld in artikel 7 , derde lid van deze wet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>e.</al></entry><entry colname="col3"><al>gemeente</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>gemeente Smallingerland;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>f.</al></entry><entry colname="col3"><al>college</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>het college van burgemeester en wethouders van de
                                                Gemeente Smallingerland;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>g.</al></entry><entry colname="col3"><al>gemeenteraad</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>de gemeenteraad van de gemeente Smallingerland;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>h.</al></entry><entry colname="col3"><al>uitkeringsgerechtigde</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>de persoon met een periodieke uitkering voor
                                                levensonderhoud o.g.v. de wet, Ioaw of de Ioaz;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>j.</al></entry><entry colname="col3"><al>belanghebbende</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>een persoon die tot de doelgroep van deze
                                                verordening behoort;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>k.</al></entry><entry colname="col3"><al>werknemer</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>belanghebbende die een dienstverband heeft met een
                                                werkgever die een loonkostensubsidie ontvangt op
                                                grond van deze verordening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>l.</al></entry><entry colname="col3"><al>dienstverband</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of een
                                                ambtelijke aanstelling;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>m.</al></entry><entry colname="col3"><al>traject</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>een traject dat het college aanbiedt ter
                                                ondersteuning als bedoeld in artikel 7 eerste lid
                                                aanhef en in artikel 44a van de wet en bestaat uit
                                                één of meerdere voorzieningen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>n.</al></entry><entry colname="col3"><al>Voorzieningen</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>voorzieningen bedoeld in artikel 7, lid 1 onder a
                                                van de wet en als onderdeel van een traject
                                                beschreven in deze verordening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>o.</al></entry><entry colname="col3"><al>algemeen geaccepteerde arbeid</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>iedere vorm van betaalde arbeid met uitzondering van
                                                betaalde arbeid die gewetensbezwaren oproept;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>p.</al></entry><entry colname="col3"><al>vrijwilligerswerk</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>een voorziening waarbij met behoud van uitkering
                                                onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten
                                                worden verricht als eerste stap in de voorbereiding
                                                op arbeidsinschakeling;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>q.</al></entry><entry colname="col3"><al>werkoriëntatie</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>een voorziening waarbij het met behoud van uitkering
                                                praktisch leren en het opdoen van bepaalde
                                                beroepsvaardigheden of oriëntatie op de arbeidsmarkt
                                                centraal staan en de belanghebbende voor te bereiden
                                                op arbeidsinschakeling;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>r.</al></entry><entry colname="col3"><al>gesubsidieerd werk</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>een arbeidsplaats waarvoor een loonkostensubsidie
                                                wordt gegeven waarbij het opdoen van
                                                arbeidsvaardigheden en/of het opdoen van voor
                                                arbeidsinschakeling noodzakelijke kennis centraal
                                                staan met als doel de belanghebbende voor te
                                                bereiden op arbeidsinschakeling;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>s.</al></entry><entry colname="col3"><al>loonkostensubsidie</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>een subsidie voor een deel van de loonkosten die de
                                                werkgever maakt ten behoeve van zijn werknemer voor
                                                een dienstverband dat onderdeel uitmaakt van een
                                                traject;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>t.</al></entry><entry colname="col3"><al>wettelijk minimumloon</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>het geldende minimumloon en de vakantiebijslag als
                                                bedoeld in de Wet minimumloon en
                                                minimumvakantietoeslag exclusief
                                                werkgeverslasten;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>u.</al></entry><entry colname="col3"><al>participatieplaats</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in
                                                artikel 10a van de wet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>w.</al></entry><entry colname="col3"><al>Participatie;</al></entry><entry colname="col4"><al>: </al></entry><entry colname="col5"><al>alle activiteiten waaraan de belanghebbende in de
                                                samenleving deelneemt, onderverdeeld in arbeid,
                                                onderwijs en maatschappelijke participatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>x.</al></entry><entry colname="col3"><al>nugger</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>niet-uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 6,
                                                eerste lid, onderdeel a van deze wet, die niet of
                                                minder dan 12 uur per week werkt en meer dan 12 uur
                                                per week wil werken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>y.</al></entry><entry colname="col3"><al>ondersteuning</al></entry><entry colname="col4"><al>:</al></entry><entry colname="col5"><al>ondersteuning als bedoeld in artikel 7 , eerste lid,
                                                onderdeel a van deze wet , inclusief het bepalen en
                                                aanbieden van door het college noodzakelijk </al><al> geachte voorzieningen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al><vet>Toepassingsberei</vet><vet>k</vet></al><al>Deze verordening richt zich op het bieden van ondersteuning aan
                            belanghebbenden die tot de doelgroep behoren bij het participeren op het
                            voor de individuele belanghebbende hoogst haalbare niveau</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel/></kop><al><vet>Opdracht aan het college</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college doet, voor zover het college dat noodzakelijk acht,
                                    belanghebbenden alsmede aan personen als bedoeld in artikel 10 ,
                                    tweede lid van de wet, een aanbod voor ondersteuning bij
                                    participatie dat in overeenstemming is met de bepalingen van
                                    deze verordening en de op deze verordening gebaseerde
                                    beleidsregels.</al></li><li nr="2."><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning wordt door
                                    het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de
                                    ondersteuning, gelet op de mogelijk-heden en capaciteiten van de
                                    belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op de
                                    participatie. Het college draagt zorg voor een voldoende
                                    gevarieerd aanbod van voorzieningen.</al></li><li nr="3."><al>Bij het aanbieden van ondersteuning als bedoeld in lid 1 van dit
                                    artikel heeft het college aandacht voor een evenwichtige aanpak
                                    van groepen belanghebbenden als bedoeld in artikel 7, lid 1,
                                    onder a, van de wet. Binnen de primaire doelgroepen van de wet
                                    kan het college extra aandacht geven aan specifieke categorieën
                                    belanghebbenden.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan tijdelijk afzien van het aanbieden van
                                    ondersteuning als bedoeld in lid 1 van dit artikel , wanneer
                                    daar in individuele gevallen dringende redenen voor zijn.</al></li><li nr="5."><al>Het college besteedt in ieder geval aandacht aan de afstand tot
                                    de arbeidsmarkt en de wijze waarop rekening wordt gehouden met
                                    de zorgtaken , waaronder begrepen de opvang van ten laste
                                    komende kinderen tot 5 jaar en het noodzakelijkerwijs verrichten
                                    van mantelzorg.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan , bij het bepalen van de wijze waarop de
                                    ondersteuning wordt vormgegeven prioriteiten stellen in verband
                                    met de financiële mogelijkheden en maatschappelijke ,
                                    economische en conjuncturele ontwikkelingen</al></li><li nr="7."><al>Ter uitvoering van de zorgplicht als bedoeld in lid 1 van dit
                                    artikel stelt het college jaarlijks een nota op waarin op basis
                                    van het beschikbare budget wordt aangeven op welke wijze het
                                    komende jaar wordt voorzien in de ondersteuning bij participatie
                                    voor de doelgroep van de wet .</al></li><li nr="8."><al>Het college zendt eenmaal per jaar aan de gemeenteraad een
                                    verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid.
                                </al></li><li nr="9."><al>De nota als bedoeld in lid 7 van dit artikel alsmede het verslag
                                    als bedoeld in lid 8 van dit artikel bevat de mening van de
                                    Cliëntenraad. </al></li><li nr="10."><al>Het college kan, voor zover het college dat noodzakelijk acht,
                                    een voorziening als bedoeld in deze verordening aanbieden aan
                                    personen aan wie het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt indien het
                                    college en het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen
                                    daarover een overeenkomst hebben gesloten.</al></li><li nr="11."><al>Het college kan , voor zover het college dat noodzakelijk acht ,
                                    een voorziening als bedoeld in deze verordening aanbieden aan
                                    personen die behoren tot de doelgroep als beschreven in artikel
                                    1, sub 1, 2 en 3 van de Wet Participatiebudget.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al><vet>Aanspraak op en vormen van ondersteuning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ondersteuning bij participatie wordt geboden door het aanbieden
                                    van een traject of door het geven van advies of doorverwijzing
                                    naar andere instanties.</al></li><li nr="2."><al>De componenten waaruit het traject bestaat worden nader
                                    uitgewerkt in een op de specifieke situatie van de
                                    belanghebbende toegespitst persoonlijk actieplan. </al></li><li nr="3."><al>Het persoonlijk actieplan als bedoeld in lid 2 van dit artikel
                                    wordt samen met de belanghebbende opgesteld en wanneer van
                                    toepassing en voor zover dat mogelijk is, afgestemd met zijn
                                    gezin en/of netwerk vanuit het kader : één gezin , één plan ,
                                    één regisseur.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Het persoonlijke actieplan bedoeld in lid 2 van dit artikel
                                    wordt afgestemd, voor zover van toepassing en voor zover dat
                                    mogelijk is, met de ondersteuning die wordt geboden bijvoorbeeld
                                    op grond van de wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of op
                                    grond van de Jeugdwet met als doel het verkrijgen van een zo
                                    integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van
                                    maatschappelijke ondersteuning , preventieve zorg , zorg ,
                                    jeugdzorg , onderwijs , welzijn, wonen , werk en inkomen ;</al></li><li nr="5."><al>Bij de inzet van voorzieningen wordt gekozen voor die
                                    voorziening die beschikbaar is en die adequaat en toereikend is
                                    voor het doel dat beoogd wordt.</al></li><li nr="6."><al>Voorzieningen die gericht zijn op arbeidsinschakeling worden
                                    alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid niet mogelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al><vet>Beperkingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Geen recht op ondersteuning in de vorm van een traject bestaat
                                    indien sprake is van een voorliggende voorziening welke naar de
                                    mening van het College in voldoende mate bijdraagt aan de
                                    participatie van de belanghebbende of welke naar het oordeel van
                                    het college voldoende bijdraagt aan het behalen van de voor
                                    belanghebbende hoogst haalbare participatietrede..</al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op een traject bedoeld in artikel 4 lid 1 van deze
                                    verordening kan door het college worden geweigerd indien naar
                                    het oordeel van het college een dergelijk traject voor de
                                    belanghebbende niet noodzakelijk is, of wanneer met het
                                    aanbieden van een dergelijk traject het subsidieplafond bedoeld
                                    in artikel 15 wordt overschreden. </al></li><li nr="3."><al>Belanghebbenden bedoeld in artikel 1, lid 2 onder x van deze
                                    verordening dienen een bijdrage te leveren in de kosten van het
                                    traject indien het inkomen van het gezin hoger is dan 115% van
                                    het wettelijk minimumloon. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al><vet>Sluitende aanpak</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Elke uitkeringsgerechtigde krijgt zo snel mogelijk, doch
                                    uiterlijk binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op de
                                    uitkering is ontstaan, zoals bedoeld in artikel 44 lid 1 van de
                                    wet , met in achtneming van het bepaalde in artikel 3 lid 6 en
                                    artikel 20 van deze verordening een traject aangeboden gericht
                                    op arbeidsinschakeling. </al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien het
                                    College heeft bepaald dat voor deze persoon een volledige
                                    ontheffing van de arbeidsverplichting geldt. </al></li><li nr="3."><al>Het college kan in individuele gevallen afwijken van het
                                    gestelde in het eerste lid van dit artikel.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan in individuele gevallen aan de belanghebbende
                                    een budget beschikbaar stellen waarmee een belanghebbende zijn
                                    eigen participatie kan regelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al><vet>Verplichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De belanghebbende is verplicht naar vermogen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden.</al></li><li nr="2."><al>Een belanghebbende aan wie een traject zoals bedoeld in artikel
                                    9 lid 1 van deze verordening wordt aangeboden, is verplicht
                                    hiervan gebruik te maken.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd andere verplichtingen, voortvloeiend uit wet- of
                                    regelgeving, geldt voor een belanghebbende die deelneemt aan een
                                    traject de verplichting:</al><lijst><li nr="a."><al>alle inlichtingen te verstrekken aan het College over de
                                            passendheid en de voortgang van het traject en
                                            wijzigingen in zijn persoonlijke situatie die van belang
                                            kunnen zijn voor de beoordeling van de aanspraak op
                                            ondersteuning en de noodzaak van voortzetting van een
                                            traject, daaronder in ieder geval begrepen wijzigingen
                                            in woonplaats, wijzigingen met betrekking tot
                                            gezondheidssituatie of arbeidshandicaps en wijzigingen
                                            met betrekking tot nevenwerkzaamheden of
                                            neveninkomsten;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken over de
                                            inhoud, passendheid, voortgang en uitvoering van het
                                            traject ;</al></li><li nr="c."><al>naar vermogen uitvoering te geven dan wel mee te werken
                                            aan de onderdelen van het traject;</al></li><li nr="d."><al>na te laten alles dat de realisatie van het doel van het
                                            traject belemmert.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Als een belanghebbende zijn verplichtingen krachtens het tweede,
                                    het derde of het vierde lid van dit artikel niet nakomt, kan het
                                    College beslissen dat zijn aanspraak op ondersteuning vervalt
                                    gedurende maximaal 2 jaar. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al><vet>Criteria ontheffing arbeidsplicht</vet>.</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan met inachtneming van artikel 9, tweede lid, van
                                    de wet onderscheidenlijk artikel 37a van de loaw en de loaz
                                    bepalen dat aan belanghebbende tijdelijk, geheel of
                                    gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de in artikel 7, lid
                                    1 van deze verordening genoemde verplichting, onder meer:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de belanghebbende een alleenstaande ouder betreft
                                            die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last
                                            komend kind tot 5 jaar;</al></li><li nr="b."><al>indien belanghebbende om medische redenen niet in staat
                                            is om te werken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In opdracht van het college kan het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen advies uitbrengen over de
                                    arbeidsmedische situatie van belanghebbende, zoals bedoeld in
                                    artikel 8, eerste lid, onderdeel b van deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Ontheffing van de arbeidsplicht wordt slechts verleend voor een
                                    door het College vast te stellen periode.</al></li><li nr="4."><al>Op basis van een herbeoordeling kan het College besluiten een
                                    ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te
                                    verlengen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al><vet>Voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het College kan een persoon behorende tot de doelgroep door het
                                    aanbieden van een traject (laten) ondersteunen bij het zoeken
                                    naar en verwerven van algemeen geaccepteerde arbeid, alsmede bij
                                    het wegnemen van belemmeringen voor het zoeken en verwerven van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid of anderszins ondersteunen bij
                                    maatschappelijke participatie . </al></li><li nr="2."><al>Het traject kan bestaan uit de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwilligerswerk: een voorziening zoals omschreven in
                                            artikel 1 lid 2 sub p van deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>werkoriëntatie: een voorziening zoals omschreven artikel
                                            1 lid 2 sub q van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>gesubsidieerd werk : een voorziening zoals omschreven in
                                            artikel 1 lid 2 sub r van deze verordening; </al></li><li nr="d."><al>scholing; </al></li><li nr="e."><al>kinderopvang; </al></li><li nr="f."><al>het verstrekken van een premie per kalenderjaar aan de
                                            uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de
                                            arbeidsmarkt en alleenstaande ouders en
                                            arbeidsgehandicapten, die zich hebben ingespannen
                                            richting arbeidsmarkt door bijvoorbeeld een traject te
                                            doorlopen en in voltijd en/of in deeltijd zijn gaan
                                            werken;het verstrekken van een premie voor de
                                            uitkeringsgerechtigde ouder dan 26 jaar die zes maanden
                                            onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in
                                            artikel 10a , zesde lid van de wet heeft verricht en
                                            naar het oordeel van het College in die zes maanden
                                            voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn
                                            kans op arbeidsinschakeling in het arbeidsproces.</al></li><li nr="g."><al>nazorg: activiteiten die er op gericht zijn uitstroom te
                                            continueren ten einde hier een duurzaam karakter aan te
                                            geven;</al></li><li nr="h."><al>activiteiten in het kader van schuldhulpverlening :
                                            activiteiten zoals schuldbemiddeling en schuldsanering
                                            indien de schuldsituatie een belemmering vormt voor de
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="i."><al>een participatieplaats;</al></li><li nr="j."><al>een participatievoorziening beschut werk als bedoeld in
                                            artikel 11 van deze verordening</al></li><li nr="k."><al>een no-risk polis als bedoeld in artikel 12 van deze
                                            verordening;</al></li><li nr="l."><al>ondersteuning bij leerwerktraject als bedoeld in artikel
                                            13 van deze verordening;</al></li><li nr="m."><al>persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 14 van
                                            deze verordening;</al><al/><lijst><li nr="3."><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over
                                                  een startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na
                                                  aanvang van de onbeloonde additionele
                                                  werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a van de
                                                  wet door het College beoordeeld in hoeverre
                                                  scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting
                                                  van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.
                                                  Het college betrekt bij deze beoordeling: </al><lijst><li nr="a."><al>in hoeverre belanghebbende de krachten en
                                                  bekwaamheden bezit om scholing of opleiding te
                                                  volgen;</al></li><li nr="b."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de
                                                  belanghebbende de werkzaamheden uitvoert;</al></li><li nr="c."><al>de scholingswens van belanghebbende.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr=""><al/><lijst><li nr="4."><al>Het College kan voor de uitvoering van het
                                                  traject, bedoeld in het tweede lid van dit
                                                  artikel, afspraken maken met derden, waaronder
                                                  werkgevers en re-integratiebedrijven. </al></li><li nr="5."><al>Bij uitvoeringsbesluit stelt het College ten
                                                  aanzien van de voorzieningen, genoemd in het
                                                  tweede lid van dit artikel, nadere regels. </al></li><li nr="6."><al>Voor het bepalen van de vorm en inhoud van het
                                                  plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet
                                                  , gelden de volgende regels:</al><lijst><li nr="a."><al>het college stemt de ondersteuning af op de
                                                  individuele omstandigheden van de belanghebbende.
                                                  De ondersteuning kan bestaan uit de voorzieningen,
                                                  bedoeld in artikel 9 lid 2 van deze verordening
                                                  met uitzondering van de voorzieningen, bedoeld in
                                                  artikel 10a van de wet en in artikel 31, vijfde
                                                  lid van de wet.</al></li><li nr="b."><al>het college bepaalt de wijze waarop en de mate
                                                  waarin de evaluatie van het plan van aanpak als
                                                  bedoeld in artikel 44a plaatsvindt. </al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al><vet>Afweging</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij de afweging welk traject en welke voorziening het meest
                                    adequaat is voor de belanghebbende worden de mogelijkheden en
                                    belemmeringen van de persoon en het belang van de gemeente tegen
                                    elkaar afgewogen. Daarnaast speelt de situatie op de
                                    arbeidsmarkt een rol.</al></li><li nr="2."><al>Het College kan, voordat besloten wordt tot een traject en tot
                                    de inzet van voorzieningen zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 van
                                    deze verordening, een gericht onderzoek (laten) doen naar de
                                    mogelijkheden van de belanghebbende en naar de geschiktheid van
                                    de in te zetten voorzieningen. </al></li><li nr="3."><al>Het College houdt bij de inzet van een traject rekening met de
                                    zorgtaken van alleen-staande ouders voor hun kinderen tot 5
                                    jaar. </al></li><li nr="4."><al>Voorts kan een alleenstaande ouder pas deelnemen aan een traject
                                    zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 van deze verordening indien een
                                    kinderopvangvoorziening beschikbaar is.</al></li><li nr="5."><al>Indien de alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor
                                    een tot zijn last komend kind tot vijf jaar een verzoek om
                                    ontheffing van de arbeidsverplichting indient, verleent het
                                    College op grond van artikel 9a algehele ontheffing van de
                                    verplichting tot het verkrijgen en aanvaarden van algemene
                                    geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 9, eerste lid
                                    onderdeel a, van de wet.</al></li><li nr="6."><al>Indien aan een alleenstaande ouder ontheffing is verleend als
                                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid van de wet en die beschikt
                                    niet over een startkwalificatie, beoordeelt het College in
                                    hoeverre scholing of opleiding de toegang tot de arbeidsmarkt
                                    bevordert. Ten aanzien van een alleenstaande ouder die al
                                    beschikt over een startkwalificatie kan het College na overleg
                                    met belanghebbende beoordelen of scholing of opleiding die leidt
                                    tot een hoger kwalificatieniveau de toegang tot de arbeidsmarkt
                                    verder bevordert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al><vet>Beschut werk</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een belanghebbende met een lichamelijke, verstandelijke of
                                    psychische beperking, dan wel een combinatie van genoemde
                                    beperkingen, die een zodanige mate van begeleiding op en
                                    aanpassingen van de werkplek vereist dat van een reguliere
                                    werkgever in redelijk-heid niet mag worden verwacht dat hij deze
                                    klant in dienst neemt, kan door het college de
                                    participatievoorziening beschut werk als bedoeld in artikel 10b
                                    van de Participatiewet worden aangeboden.</al></li><li nr="2."><al>Het college maakt ter uitvoering van het eerste lid van dit
                                    artikel een voorselectie uit de groep belanghebbenden met een
                                    grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="3."><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het
                                    college overeenkomstig artikel 10b, tweede lid van de
                                    Participatiewet in verband met de beoordeling of een klant
                                    slechts mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie in een
                                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden.</al></li><li nr="4."><al>Het college biedt de volgende op arbeidsinschakeling gerichte
                                    voorzieningen aan om de in artikel 10b, eerste lid van de
                                    Participatiewet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken:</al><lijst><li nr="a."><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                            werkomgeving;</al></li><li nr="b."><al>uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                                            werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de
                                    gemeente beschikbaar stelt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al><vet>De no-riskpolis</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een werkgever die een uitkeringsgerechtigde een dienstbetrekking
                                    aanbiedt komt in aanmerking voor een no-riskpolis op basis van
                                    nader door het college nader vast te stellen regels. </al></li><li nr="2."><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken , sluit
                                    de gemeente een verzekering af met een verzekeraar die een
                                    dergelijke verzekering aanbiedt en treedt op als
                                    verzekeringsnemer. De begunstigde is de werkgever. De
                                    verzekering heeft betrekking op het verstrekken van een
                                    vergoeding van de loonschade gedurende de ziekteperiode van de
                                    werknemer tot het einde van de dekkingsduur.</al></li><li nr="3."><al>Bij gelijktijdige toepassing van de voorziening
                                    loonkostensubsidie en de no-risk polis gaat, in geval van
                                    arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte, toepassing van de
                                    no-risk polis voor.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al><vet>Ondersteuning bij leer-werktraject</vet></al><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><al><vet>Persoonlijke ondersteuning</vet></al><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al><vet>Handhaving</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende die deelneemt of heeft deelgenomen aan
                                    traject zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 7 van deze
                                    verordening niet nakomt of niet is nagekomen, kan het College de
                                    kosten van het traject alsmede de kosten van de in het kader van
                                    het traject ten behoeve van de belanghebbende ingezette
                                    voorzieningen geheel of gedeeltelijk terugvorderen.</al></li><li nr="2."><al>Als een uitkeringsgerechtigde zijn verplichtingen als bedoeld in
                                    artikel 7 van deze verordening niet is nagekomen of niet nakomt,
                                    kan het College de uitkering verlagen, conform hetgeen hierover
                                    is bepaald in de Afstemmingsverordening Participatiewet, loaw en
                                    loaz.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al><vet>Beëindiging</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het College kan een traject of een specifieke voorziening
                                    beëindigen:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>als de belanghebbende zijn verplichtingen als bedoeld in
                                            artikel 7 van deze verordening, dan wel zijn
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de wet, niet
                                            nakomt;</al></li><li nr="b."><al>als een persoon die deelneemt aan een traject niet meer
                                            tot de doelgroep van deze verordening behoort;</al></li><li nr="c."><al>indien het College aan de belanghebbende een ander
                                            traject aanbiedt;</al></li><li nr="d."><al>als een persoon die deelneemt aan een traject,
                                            neveninkomsten heeft die naaroordeel van het College
                                            betekenen dat hij in staat is zonder voorziening een
                                            plaats te vinden of te behouden op de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="e."><al>indien naar het oordeel van het College het traject
                                            onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Wanneer een traject beëindigd is en niet het beoogde doel heeft
                                    gehad, kan het College besluiten gedurende een door het College
                                    te bepalen periode geen traject aan te bieden aan de betreffende
                                    belanghebbende.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al><vet>Budget- en subsidieplafonds</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het College kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of
                                    budgetplafonds vaststellen voor de uitvoering van een traject of
                                    voor de verstrekking van loonkostensubsidies. Een door het
                                    college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                                    weigeringsgrond bij de aanspraak op een traject of een
                                    loonkostensubsidie.</al></li><li nr="2."><al>Het College kan bij uitvoeringsbesluit een plafond instellen
                                    voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een traject
                                    of een loonkostensubsidie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al><vet>Uitvoering dienstbetrekkingen Wet inschakeling werkzoekenden
                            </vet>.</al><lijst><li nr="1."><al>Het College draagt zorg voor de uitvoering van de
                                    dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 4 van de Wet
                                    inschakeling werkzoekenden (Wiw), zoals dit luidde op 31
                                    december 2003.</al></li><li nr="2."><al>Het College draagt zorg voor de subsidiëring van de
                                    dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de
                                    Wiw, zoals dit luidde op 31 december 2003, en stimuleert de
                                    uitstroom. .</al></li><li nr="3."><al>De dienstbetrekkingen genoemd in eerste en tweede lid, zijn
                                    vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet voorzieningen
                                    in de zin van de wet. Het College stelt bij uitvoeringsbesluit
                                    nadere voorwaarden aan de subsidieverstrekking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al><vet>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist
                                    het College.</al></li><li nr="2."><al>Het College kan in bijzondere gevallen afwijken van de
                                    bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot
                                    onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><al><vet>Nadere regels</vet></al><al>Het College is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de
                            uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr></kop><al><vet>Uitvoering</vet></al><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het College.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr></kop><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De Participatieverordening gemeente Smallingerland 2016 treedt
                                    in werking op 1 juli 2016.</al></li><li nr="2."><al>De Participatieverordening gemeente Smallingerland 2015
                                    vastgesteld door de gemeenteraad in zijn vergadering van 9
                                    december 2014 wordt ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel/></kop><al><vet>Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald: Participatieverordening gemeente
                            Smallingerland 2016.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>in zijn vergadering van 21 juni 2016.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING </titel></kop><tussenkop><vet>Algemene toelichting</vet></tussenkop><al/><al>Per 1 januari 2015 is de Participatiewet ) in werking getreden en is de Wet werk
                    en bijstand (WWB) ingetrokken.. De bepalingen van de Participatiewet komen voor
                    het overgrote deel overeen met de bepalingen en de uitgangspunten van de oude
                    WWB.</al><al/><al>Toch is er sprake van een verandering. De Participatiewet maakt deel uit van een
                    groter decentralisatieproces, waarbij taken verschuiven van het rijk naar de
                    gemeenten. Het Rijk heeft vanaf 2015 taken op het gebied van Jeugdzorg, AWBZ-Wmo
                    en Participatie overgeheveld naar gemeenten. Zelfredzaamheid, eigen kracht en
                    het meer inzetten van sociale netwerken zijn begrippen die in elk van de
                    decentralisaties centraal staan. Om onze inwoners optimale zorg en ondersteuning
                    te kunnen bieden kunnen we de verschillende decentralisaties niet los van elkaar
                    zien. We staan voor de uitdaging om de samenhang tussen de verschillende
                    decentralisaties te bezien en deze vanuit een integrale visie op het sociale
                    domein vorm te geven en uit te voeren.</al><al/><al>Participatie is onlosmakelijk verbonden met de visie op het Sociaal Domein van
                    de gemeente Smallingerland. De gemeenteraad heeft de visie op het Sociaal Domein
                    in de nota "Samen voor elkaar" vastgelegd en deze visie is ook van toepassing op
                    uitvoering van de Participatiewet. Hierbij worden de volgende uitgangspunten
                    gehanteerd.</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Wij willen dat iedereen die een beroep doet op de gemeenschap zich naar
                            vermogen inzet om weer zelf in het levensonderhoud te kunnen voorzien.
                            Duurzame sociaal economische zelfredzaamheid in de vorm van werk is het
                            hoogste doel. Als dat (langdurig) niet meer mogelijk is, motiveren wij
                            mensen om hun talenten naar vermogen in te zetten voor de eigen
                            ontwikkeling of de gemeenschap. </al></li><li nr="-"><al>We zetten het beschikbare budget in om mensen met een uitkering weer zo
                            snel mogelijk aan het werk te krijgen. </al></li><li nr="-"><al>We werken lokaal en regionaal samen met werkgevers om te komen tot een
                            goede match van vraag en aanbod van arbeid. </al></li><li nr="-"><al>We gaan nog meer een beroep doen op de eigen kracht van mensen en alleen
                            diegenen die het echt nodig hebben ondersteuning op maat bieden naar
                            werk en maatschappelijke participatie. Hoe hoger de zelfredzaamheid hoe
                            meer de nadruk ligt op een collectief ondersteuningsaanbod. Hoe
                            beperkter de zelfredzaamheid, hoe meer ruimte voor individuele
                            ondersteuning (op maat). Door zoveel mogelijk op collectieve
                            ondersteuning in te zetten en individueel maatwerk te bieden waar nodig,
                            kunnen we met beperkte middelen meer mensen ondersteunen richting werk
                            en maatschappelijke participatie.</al></li><li nr="-"><al>In het gebiedsteam wordt vanuit een integrale blik vanuit meerdere
                            levensgebieden gekeken op welke wijze de bijstandsgerechtigde het beste
                            kan participeren. In eerste instantie richting werk. Mocht dit (nog)
                            niet mogelijk zijn dan naar andere vormen van maatschappelijke
                            participatie. Deze integrale aanpak biedt kansen om de uitvoering op het
                            gebied van participatie en re-integratie effectiever en efficiënter in
                            te richten vanuit de aanpak één gezin, één plan en één regisseur. </al></li><li nr="-"><al>We zoeken naar nieuwe verbindingen en innovatie, werken samen met
                            partners in Smallingerland en sluiten aan op het particulier initiatief
                            om de (maatschappelijke) participatie te vergroten. Wijkgericht waar
                            gewenst, gemeentebreed waar nodig. We maken afspraken met
                            maatschappelijke partners in de stad over de wijze waarop zij binnen de
                            bestaande subsidieafspraken bijdragen in het laten participeren van
                            cliënten die zich op de onderste trede van de participatieladder
                            bevinden.</al></li><li nr="-"><al>Iedere uitkeringsgerechtigde met een arbeidsverplichting krijgt een
                            persoonlijk actieplan waarbij invulling wordt gegeven aan de eigen
                            verantwoordelijkheid en de eigen mogelijkheden en talenten centraal
                            staan.</al></li></lijst><al>Met de Participatiewet is er één regeling gekomen voor iedereen die in staat is
                    om te werken. Ook de mensen met een arbeidsbeperking die niet volledig en
                    duurzaam arbeidsongeschikt zijn behoren tot de doelgroep van
                    Participatiewet.</al><al/><al>In de Participatiewet wordt een aantal nieuwe instrumenten opgenomen. Het gaat
                    om de voorziening beschut werk , het instrument loonkostensubsidie op basis van
                    de vastgestelde loonwaarde , ondersteuning bij leer-werktrajecten , persoonlijke
                    ondersteuning bij het verrichten van aan een persoon opgedragen taken en een
                    studieregeling voor jongeren met een beperking. Hierna wordt kort ingegaan om
                    deze nieuwe instrumenten.</al><al/><tussenkop><cursief>-voorziening beschut werk </cursief></tussenkop><al>Beschut werk onder de Participatiewet is een nieuwe voorziening die niet verward
                    moet worden met de huidige voorziening in de SW bedrijven. De voorziening
                    beschut werk is bedoeld voor mensen die door lichamelijke, verstandelijke of
                    psychische beperkingen </al><al>een zodanige mate van begeleiding en aanpassing van de werkplek nodig hebben dat
                    van een reguliere werkgever niet verwacht kan worden dat hij deze mensen in
                    dienst neemt als de werkgever geen extra faciliteiten geboden worden. Gemeenten
                    hebben beleidsvrijheid of en hoe zij de voorziening voor beschut werken exact
                    willen invullen. </al><al/><al>Landelijk wordt uitgegaan van uiteindelijk 30.000 plekken beschut werk maar dat
                    aantal wordt pas rond 2024 bereikt. In onderstaande tabel is het volume beschut
                    werk nieuwe stijl voor de gemeente Smallingerland toegerekend op basis van de
                    SW-taakstelling 2014. </al><al/><tussenkop>Volume beschut werk nieuwe stijl (fte)</tussenkop><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colwidth="15*"/><colspec colname="col5" colwidth="15*"/><colspec colname="col6" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>2015</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2016</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2017</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>2018</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>Structureel</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Landelijk</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>800</al></entry><entry colname="col3"><al>2500</al></entry><entry colname="col4"><al>4200</al></entry><entry colname="col5"><al>5800</al></entry><entry colname="col6"><al>30.000</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Smallingerland</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3.88</al></entry><entry colname="col3"><al>12.13</al></entry><entry colname="col4"><al>20.37</al></entry><entry colname="col5"><al>28.13</al></entry><entry colname="col6"><al>146.98</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bij beschut werk nieuwe stijl moet er sprake zijn van een arbeidsovereenkomst en
                    de beloning moet minimaal het wettelijk minimumloon zijn , aansluitend bij de
                    cao van de werkgever. Om het voor werkgevers aantrekkelijk te maken om iemand
                    met een arbeidsbeperking in dienst te nemen, krijgt de gemeente de mogelijkheid
                    om een loonkostensubsidie te verstrekken (zie ook hierna). </al><al/><al>-<cursief>instrument loonkostensubsidie op basis van de vastgestelde
                        loonwaarde</cursief></al><al/><al>Een substantieel deel van de doelgroep Participatiebudget is niet in staat 100%
                    van het wettelijk minimumloon te verdienen. Dit kan worden veroorzaakt doordat
                    iemand fystieke , verstandelijke en/of psychische beperkingen heeft ( zie
                    hiervoor ), maar het kan ook gaan om mensen die langdurig niet hebben gewerkt en
                    al lange tijd in de bijstand zitten. Voor personen die niet in staat zijn het
                    wettelijk minimumloon te verdienen kan de gemeente dus loonkostensubsidie
                    inzetten. Dit moet helpen om de kansen op de arbeidsmarkt voor deze personen te
                    vergroten De hoogte van de loonkostensubsidie is afhankelijk van de loon-waarde
                    van de werknemer. De loonwaarde wordt op de werkplek vastgesteld en wordt elk
                    jaar opnieuw vastgesteld. In het geval van de voorziening beschut werk wordt de
                    loonwaarde elke drie jaar opnieuw vastgesteld. De loonkostensubsidie is het
                    verschil tussen het wettelijk minimumloon en de loonwaarde van de werknemer.
                    Hierbij is de loonkostensubsidie maximaal 70% van het wettelijk
                    minimumloon.</al><al/><al>-<cursief>ondersteuning bij leerwerktrajecten</cursief></al><al/><al>De voorziening "ondersteuning bij leer-werktrajecten" is inzetbaar voor jongeren
                    van 16 of 17 jaar die dreigen uit te vallen uit school , maar door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Deze voorziening
                    kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van 18 tot
                    27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen
                    behalen. </al><al/><al>-<cursief>persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van een persoon
                        opgedragen taken</cursief></al><al>Deze voorziening persoonlijke ondersteuning heeft als doel dat een werknemer
                    wordt begeleid naar een situatie dat hij of zij uiteindelijk zonder begeleiding
                    bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. Bij deze ondersteuning gaat het
                    om systematische ondersteuning op de werkplek door bijvoorbeeld een jobcoach. </al><al/><al>-<cursief>No-risk polis</cursief></al><al>De no-risk polis is een belangrijke voorziening om aarzelingen bij werkgevers
                    weg te nemen bij het in dienst nemen van mensen met een arbeidsbeperking. Het is
                    een verzekering waarbij de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten ,
                    wanneer een werknemer met een arbeids-beperking ziek wordt. Dit is bijvoorbeeld
                    aan de orde bij ziekte van een werknemer die structurele arbeidsbeperkingen
                    heeft en/of voor wie de werkgever een structurele loonkostensubsidie ontvangt.
                    In de verordening moet worden vastgesteld voor welke vergoedingen een werkgever
                    in aanmerking komt bij ziekte van een werknemer.</al><al/><al>-<cursief>Individuele studietoeslag </cursief><cursief>voor
                        </cursief><cursief>mensen </cursief><cursief>met een
                    beperking</cursief></al><al>De Participatiewet introduceert in artikel 36b een studieregeling, voor mensen
                    met een beperking: de individuele studietoeslag. Deze regeling is bedoeld voor
                    mensen die recht hebben op studiefinanciering of een tegemoetkoming op grond van
                    de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS), geen vermogen
                    hebben, minimaal 18 jaar zijn en waarbij het met voltijdse arbeid niet lukt om
                    het wettelijk minimumloon te verdienen.. </al><al/><al> Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Mensen met
                    een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in de rug
                    nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een stuk
                    hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling stimuleert
                    mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie te gaan
                    volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze
                    groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan (TK 2013-2014,
                    33 161, nr. 125, p. 2). </al><al/><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere
                    bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De individuele
                    studietoeslag is niet gerela-teerd aan bepaalde kosten. Het is een
                    inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet
                    in staat zijn het minimumloon te verdienen. </al><al>De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op in een
                    verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele
                    studietoeslag. </al><al>Deze verplichting is neergelegd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet. De regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de hoogte
                    en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag (artikel 8,
                    derde lid, van de Participatiewet).</al><al/><al>Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep
                    aanspraak hebben op ondersteuning bij de participatie ( met name gericht op
                    arbeidsinschakeling) en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening.</al><al/><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>persoonlijke ondersteuning (artikelen 8a, onderdeel a, en 10, eerste
                            lid, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al><al/></li></lijst><al>Ook op grond van de Participatiewet staat zoals hiervoor ook aangegeven de eigen
                    verant-woordelijkheid centraal om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het
                    bestaan door middel van het verrichten van arbeid. Pas als mensen niet in staat
                    blijken te zijn in het eigen bestaan te voorzien hebben zij aanspraak op
                    ondersteuning door de gemeente. </al><al>De gemeente krijgt hiertoe de volledige verantwoordelijkheid, de middelen en de
                    ruimte voor het voeren van een actief re-integratiebeleid. </al><al/><al>De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers
                    (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                    gewezen zelfstandigen (Ioaz) zijn niet ingetrokken. De artikelen uit de
                    Participatiewet die betrekking hebben op de re-integratie zijn ook van
                    toepassing op de Ioaw/z .Deze verordening is ook hiervoor geldend.</al><al/><al>De doelgroep van de Participatiewet wordt groter aangezien per 1 januari 2015 de
                    instroom in de Wet sociale werkvoorziening niet meer mogelijk is en de Wajong
                    per 1 januari 2015 uitsluitend van toepassing is voor jongeren die duurzaam
                    volledig arbeidsongeschikt zijn . </al><al>De rechten van degenen die op 31 december een Wsw dienstverband hadden of een
                    uitkering op grond van de Wajong behouden wel hun rechten.</al><al/><al>In de Participatieverordening gemeente Smallingerland 2015 is ook vastgelegd op
                    welke wijze het beleid bepaald wordt, hoe de verhouding tussen Raad en College
                    is en bevat enkele algemene artikelen over de opdracht aan het College, de
                    aanspraak op ondersteuning, de inzet van een traject specifieke voorzieningen en
                    de rechten en plichten van de belanghebbende. In de beleidsnota Participatiewet
                        <cursief>201</cursief><cursief>5</cursief><cursief>-201</cursief><cursief>8</cursief>
                    zijn de kaders voor het re-integratiebeleid aangegeven. Met deze verordening en
                    het participatiebesluit, waarin de verdere uitwerking van de re-integratie wordt
                    vastgelegd, wordt uitvoering gegeven aan de beleidsnota
                        <cursief>201</cursief><cursief>5</cursief><cursief>-201</cursief><cursief>8</cursief><cursief>.</cursief></al><al/><al>Doel van het participatiebeleid is daar waar mogelijk personen die tot de
                    doelgroep behoren te helpen regulier werk te vinden en daar waar dat (nog) niet
                    kan alles in het werk te stellen om belemmeringen weg te nemen, problemen op te
                    lossen, uitstroomkansen te vergroten en (ondertussen) sociaal isolement te
                    voorkomen. De gemeente is verantwoordelijk voor het aanbieden van ondersteuning
                    voor de tot de doelgroep behorende burgers die niet op eigen kracht aan de slag
                    kunnen komen. Op grond van de Participatiewet hebben deze personen aanspraak op
                    deze ondersteuning. Het is echter aan de gemeente te beoordelen of de
                    ondersteuning noodzakelijk is voor de participatie en op welke wijze de
                    ondersteuning wordt ingezet. </al><al/><al>Naast de participatieverordening geeft de wet de gemeenteraad ook opdracht een
                    afstemmingsverordening vast te stellen , een verordening tegenprestatie , een
                    verordenring inkomenstoeslag , een verordening loonkostensubsidie en
                    vaststelling loonwaarde , een verordening individuele studietoeslag ,
                    verordening handhaving alsmede een verordening cliëntparticipatie.. De
                    re-integratieverordening en de afstemmingsverordening zijn nauw met elkaar
                    verbonden. Immers, aan de plicht tot meewerken aan een traject kunnen sancties
                    worden verbonden die gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Dit
                    sanctiebeleid wordt geregeld in de afstemmingsverordening. </al><al/><tussenkop><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 2. Toepassingsbereik</vet></tussenkop><al>Dit artikel verwijst naar de doelgroep genoemd in artikel 7 eerste lid onder a)
                    van de wet namelijk :</al><lijst><li nr="1."><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="2."><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, van
                            de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35,
                            vierde lid onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid,
                            onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                            in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="3."><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="4."><al>personen met een nabestaanden- of wezen uitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet</al></li><li nr="5."><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al></li><li nr="6."><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. </al></li><li nr="7."><al>Niet-uitkeringsgerechtigden </al></li></lijst><al/><al>Voorts behoren tot de doelgroep die behoren tot de doelgroep als beschreven in
                    artikel 1 , sub 1 ,2 en 3 van de Wet Participatiebudget. De ondersteuning is
                    niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7 lid 3 van de wet . In
                    artikel 7 lid 3 sub c van de wet is opgenomen dat de ( verplichte )
                    ondersteuning niet gericht is op personen die een uitkering ontvangen van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tenzij het betreft een persoon uit
                    de doelgroep loonkostensubsidie of een persoon als bedoeld in artikel 7 eerste
                    lid , onderdeel a , onder 2 ( hiervoor genoemd bij 2) </al><al/><al>De ondersteuning is er op gericht ondersteuning te bieden bij het participeren
                    op het voor de belanghebbende hoogst haalbare niveau.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 3. Opdracht aan het College</vet></tussenkop><al>In lid 1 van artikel 3 wordt de doelgroep die onder de wet valt en aanspraak
                    kunnen maken op ondersteuning van de gemeente bij de arbeidsinschakeling
                    expliciet benoemd.</al><al>Hiermee wordt ook een duidelijk onderscheid gemaakt tussen deze doelgroep en de
                    personen die een uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    (UWV) ontvangen en personen die onder de doelgroep van de Wet participatiebudget
                    vallen.</al><al>De leden 2 t/m 4 behoeven geen nadere toelichting.</al><al/><al>Uitkeringsgerechtigden hebben de verplichting om naar vermogen algemeen
                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen, de verplichting om gebruik te maken van een
                    door het College aangeboden traject gericht op arbeidsinschakeling en de
                    verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden
                    tot arbeidsinschakeling.</al><al>In lid 5 wordt expliciet aangegeven dat bij het aanbieden van ondersteuning
                    rekening wordt gehouden met de zorgtaken zoals de opvang van ten laste komende
                    kinderen tot 5 jaar en het noodzakelijkerwijs verrichten van mantelzorg. In lid
                    6 wordt expliciet opgenomen dat het college prioriteiten kan stellen bij het
                    bepalen van de wijze waarop de ondersteuning wordt vormgegeven. </al><al/><al>Het College heeft de opdracht de ondersteuning uit te voeren. De ondersteuning
                    kan in opdracht van het College worden uitgevoerd door één of meer externe
                    opdrachtnemers of kan door de gemeente zelf worden uitgevoerd. </al><al>Binnen de door de gemeenteraad vastgestelde kaders zal het College jaarlijks een
                    uitvoeringsplan opstellen waarin op basis van het beschikbare budget wordt
                    aangegeven welke re-integratie en participatieactiviteiten plaatsvinden in dat
                    jaar en op welke wijze deze activiteiten uitgevoerd worden. </al><al/><al>Over de uitvoering wordt de gemeenteraad jaarlijks geïnformeerd. De wet geeft
                    aan dat het College elk jaar een voorlopig en een definitief verslag over de
                    uitvoering naar het rijk zendt. Het definitief verslag dient gepaard te gaan met
                    een verklaring van de gemeenteraad. </al><al>Daarom is lid 8 van dit artikel expliciet opgenomen dat er een beleidsverslag
                    aan de raad moet worden gezonden. </al><al>In lid 9 van dit artikel is geregeld dat de Cliëntenraad nadrukkelijk wordt
                    betrokken bij de wijze van uitvoering en de verantwoording over het beleid. Hier
                    is ook een relatie gelegd met de verordening cliëntenparticipatie.</al><al/><al>In lid 10 van artikel 3 is opgenomen dat het College re-integratievoorzieningen
                    kan aanbieden ( is niet verplicht op grond van de wet ) aan personen die van het
                    UWV een uitkering ontvangen bijvoorbeeld personen met een WW uitkering of met
                    een Wajong uitkering . Het UWV en de personen die van het UWV een uitkering
                    ontvangen kunnen echter alleen aanspraak maken op re-integratievoorzieningen van
                    de gemeente indien er een overeenkomst tussen het College en het UWV is gesloten
                    over het aanbieden van re-integratievoorzieningen aan personen met een uitkering
                    van het UWV. Het is aan de gemeente om te beoordelen, mede met behulp van het
                    advies van het UWV, of betrokkene op eigen kracht in staat is algemeen
                    geaccepteerde arbeid te aanvaarden of dat betrokkene ondersteuning nodig heeft
                    bij arbeidsinschakeling. In dat laatste geval is de gemeente verantwoordelijk
                    voor het leveren van deze ondersteuning in de vorm van trajecten. </al><al>een traject.</al><al/><al>In lid 11 van artikel 3 is opgenomen dat het College ook
                    re-integratievoorzieningen kan aanbieden aan personen die onder de doelgroep van
                    de Wet participatiebudgetvallen. De doelgroep van de Wet participatiebudget
                    waaruit re-integratievoorzieningen gefinancierd worden is ruimer dan de
                    doelgroep van de wet voor wie de gemeente verplicht is ondersteuning aan te
                    bieden bij de inschakeling naar arbeid. De doelgroep van de Wet
                    participatiebudget is in grote lijnen alle personen van 18 jaar en ouder, die
                    rechtmatig in Nederland verblijven. De doelgroepomschrijving is benoemd in de
                    Wet participatiebudget. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 4. Aanspraak op en vormen van
                    ondersteuning.</vet></tussenkop><al>Ondersteuning vindt primair plaats in de vorm van het aanbieden van een traject.
                    Hieronder valt ook het plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet
                    .</al><al>De componenten waaruit het traject bestaat worden nader uitgewerkt in een op de
                    specifieke situatie van de belanghebbende toegespitst persoonlijk actieplan. Het
                    persoonlijk actieplan als bedoeld in lid 2 van dit artikel wordt samen met de
                    belanghebbende opgesteld en wanneer van toepassing en voor zover dat mogelijk
                    is, afgestemd met zijn gezin en/of netwerk vanuit het kader : één gezin , één
                    plan , één regisseur.</al><al/><al>Het persoonlijke actieplan bedoeld in lid 2 van dit artikel wordt afgestemd,
                    voor zover van toepassing en voor zover dat mogelijk is, met de ondersteuning
                    die wordt geboden bijvoorbeeld op grond van de wet maatschappelijke
                    ondersteuning 2015 of op grond van de Jeugdwet met als doel het verkrijgen van
                    een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke
                    ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdzorg, onderwijs, welzijn, wonen,
                    werk en inkomen;</al><al/><al>De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij
                    het College, die immers ook verantwoordelijk is voor de effectieve en doelmatige
                    inzet van de middelen. Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid wordt
                    rekening gehouden met de wensen van de belanghebbende. Voor het slagen van het
                    traject is de motivatie van de belanghebbende belangrijk. De inhoud van het
                    trajectplan dat ten grondslag ligt aan het traject wordt met de belanghebbende
                    besproken. </al><al>Nadat de gemeente, de belanghebbende en het re-integratiebedrijf met het
                    trajectplan schriftelijk hebben ingestemd wordt het traject in uitvoering
                    genomen.</al><al/><al>Naast de verantwoordelijkheid van gemeenten om ondersteuning te bieden bij de
                    arbeids-inschakeling, is in artikel 10 van de wet opgenomen dat de
                    belanghebbende ook aanspraak kan maken op deze ondersteuning door de gemeente.
                    Het gaat daarbij om een recht om door de gemeente geholpen te worden bij de
                    participatie en moet ertoe bijdragen dat gemeenten niet ten onrechte
                    belanghebbenden negeren of over het hoofd zien bij het aanbieden van
                    ondersteuning Het is aan het college om te beoordelen op welke wijze het verzoek
                    van de belanghebbende wordt gehonoreerd. </al><al/><al>Ondersteuning hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uitgevoerde
                    diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere
                    voorzieningen. Soms kan worden volstaan met advies of doorverwijzing naar andere
                    instanties. Er wordt alleen een traject ingezet als zonder die inzet het vinden
                    van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is of erg moeizaam te verkrijgen
                    is. Bovendien worden de voorzieningen alleen ingezet als aan de hand van
                    onderzoek is gebleken dat door de inzet van die voorziening het vinden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid binnen afzienbare tijd mogelijk wordt. </al><al>De inzet van een voorziening moet indien mogelijk de kortste weg naar arbeid
                    zijn. Daarmee wordt niet alleen de tijd tussen inzet van het instrument en de
                    werkaanvaarding bedoeld, maar ook de inspanningen die het kost om dat doel te
                    bereiken. </al><tussenkop><vet>Artikel 5. Beperkingen</vet></tussenkop><al>Indien gebruik gemaakt kan worden van een voorliggende "voorziening"
                    (bijvoorbeeld studiefinanciering) vindt geen ondersteuning op basis van deze wet
                    plaats. Indien het college een aanvraag om ondersteuning afwijst zal zij dit met
                    redenen omkleed moeten doen. </al><al>Het College zal altijd een individuele afweging moeten maken of zij een
                    aanspraak wil en kan honoreren. Tegen deze beslissing staat bezwaar en beroep
                    open voor belanghebbende. </al><al>Aan de andere kant is het uitdrukkelijk aan de gemeente om te beoordelen of er
                    onder-steuning noodzakelijk is en welke vorm deze moet krijgen, gelet op het te
                    bereiken doel.</al><al>De aanspraak op een traject kan worden geweigerd wanneer als gevolg van het
                    aanbieden van dit traject het vastgestelde subsidieplafond als bedoeld in
                    artikel 15 van deze verordening wordt overschreden.</al><al/><al>In het derde lid van artikel 5 van deze verordening is bepaald dat van de
                    doelgroep Nuggers en Anw-ers een eigen bijdrage wordt gevraagd voor de kosten
                    van het ingekochte traject of voor de kosten van de ingezette voorziening indien
                    het netto inkomen van hoger is dan 115 % van het wettelijk minimumloon. Voor de
                    vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage worden in het
                    re-integratiebesluit nadere regels gesteld.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 6. Sluitende aanpak</vet></tussenkop><al>Uitgangspunt is dat elke uitkeringsgerechtigde met een arbeidsverplichting in
                    aanmerking komt voor een traject gericht op arbeidsinschakeling. De volledige
                    ontheffing van de arbeids-verplichting is gebaseerd op artikel 8 van deze
                    verordening. Het recht om in aanmerking te komen voor een IRO is niet in de wet
                    opgenomen maar kan wel in de praktijk voor individuele situaties incidenteel
                    worden toegepast. Kenmerk van een IRO is dat de cliënt een budget ontvangt
                    waarmee de cliënt zijn ( of haar ) eigen re-integratie kan regelen en
                    financieren. De cliënt kiest dan zelf een re-integratiebedrijf en stelt samen
                    met dat bedrijf een plan op om weer aan het werk te gaan.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 7. Verplichtingen</vet></tussenkop><al>Deelname aan participatie is niet vrijblijvend. Uitkeringsgerechtigden zijn
                    reeds door het ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen gehouden.
                    Voor diegenen zonder uitkering moeten voorwaarden aan het traject gekoppeld
                    worden. </al><al>Het niet nakomen van de verplichtingen geeft de mogelijkheid om een traject af
                    te breken of gevraagde ondersteuning te weigeren, bijvoorbeeld als iemand niet
                    mee wil werken aan een onderzoek. Als het traject van een uitkeringsgerechtigde
                    door verwijtbaar handelen niet tot het gewenste resultaat leidt, wordt de
                    uitkering afgestemd conform hetgeen hierover is bepaald in de
                    afstemmingsverordening Participatiewet ,Ioaw en Ioaz. </al><al>De belanghebbende kan voor een periode van maximaal 2 jaar worden uitgesloten
                    van verdere trajectdeelname. Voor deelname aan een traject worden de
                    verplichtingen schriftelijk opgelegd aan de belanghebbende, zodat deze vooraf
                    bekend zijn. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 8. Criteria ontheffing arbeidsverplichting</vet></tussenkop><al>De in het eerste lid onder a opgenomen situatie vloeit voort uit artikel 9a ,
                    lid 1 van de wet waarin is opgenomen dat het college een alleenstaande ouder met
                    een ten laste komend kind tot 5 jaar op diens verzoek een ontheffing kan
                    verlenen van de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                    deze te aanvaarden en te behouden. </al><al/><al>De in het eerste lid onder b genoemde situatie vloeit voort uit jurisprudentie
                    over artikel 9, lid 2 van de wet. In dit artikel is bepaald dat het college in
                    individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan verlenen van de verplichting om
                    naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, als hiervoor
                    dringende redenen aanwezig zijn. Van dringende redenen is onder meer sprake als
                    iemand op grond van objectiveerbare medische (psychische, fysieke)
                    omstandigheden niet in staat is om te werken..</al><al/><al>De in het tweede lid opgenomen bepaling biedt het college de mogelijkheid om het
                    uitbrengen van arbeidsmedische adviezen op te dragen aan het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Op grond van artikel 2.24,
                    onderdeel a, van de Aanbestedingswet 2012 hoeft in dat geval geen
                    aanbestedingsprocedure te worden gevolgd voor de gevraagde diensten. Het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is namelijk een aanbestedende
                    dienst in de zin van het genoemde artikel. Voorwaarde is wel dat de
                    aanbestedende dienst het uitsluitend recht heeft verkregen om die diensten te
                    verrichten. Het uitsluitend recht moet blijken uit bekendgemaakte wettelijke of
                    bestuursrechtelijke bepalingen, bijvoorbeeld een gemeentelijke verordening of
                    een collegebesluit.</al><al/><al>In de wet is bepaald dat een ontheffing slechts tijdelijk wordt verleend. Het
                    derde lid van dit artikel sluit hierbij aan. In het vierde lid van dit artikel
                    is bepaald dat het College deze periode kan verlengen nadat een herbeoordeling
                    heeft plaatsgevonden. </al><al>Dit is aan de orde als na afloop van de ontheffingsperiode de omstandigheden
                    ongewijzigd zijn of er nieuwe zwaarwegende factoren voor een nieuwe ontheffing
                    aanwezig zijn.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 9. Voorzieningen</vet></tussenkop><al>In dit artikel wordt bepaald dat het college de belanghebbende ondersteuning in
                    de vorm van een traject kan bieden en als onderdeel daarvan voorzieningen kan
                    aanbieden.</al><al>Bij uitvoeringsbesluit stelt het College nadere regels voor de toepassing van de
                    voor-zieningen die in lid 2 van artikel 9 zijn genoemd (zie ook de toelichting
                    bij artikel 3 )</al><al>Van belang is te vermelden dat de Europese regelgeving voorwaarden stelt aan
                    gesubsi-dieerd werk. Er is geen sprake van verboden staatssteun in de zin van
                    artikel 87 lid 1 EG indien de subsidieregeling als een generieke
                    subsidiemaatregel kan worden aangemerkt die in zijn uitwerking
                    non-discriminatoir is voor alle ondernemingen, in alle sectoren van de economie
                    in heel Nederland of indien de subsidieontvanger geen economische activiteit
                    uitvoert. De voorzieningen gesubsidieerd werk en loonkostensubsidie die in deze
                    verordening zijn opgenomen voldoen aan deze criteria. </al><al/><al>Het College stelt samen met de belanghebbende vast wat de beste manier is om
                    verdere ondersteuning te bieden. Het persoonlijk actieplan als bedoeld in lid 2
                    van artikel 4 van deze verordening wordt , ook wanneer van toepassing en voor
                    zover dat mogelijk is, afgestemd met zijn gezin en/of netwerk vanuit het kader :
                    één gezin , één plan , één regisseur.</al><al>Eén van de voorzieningen die kunnen worden ingezet is de voorziening
                    werkoriëntatie. Dit is een voorziening waarbij met behoud van uitkering het
                    praktisch leren en het leren van bepaalde beroepsvaardigheden en/of oriëntatie
                    op de arbeidsmarkt centraal staan.</al><al/><al>Het spreekt vanzelf dat werken met behoud van uitkering nooit mag dienen als een
                    budget-vriendelijke oplossing voor het doen verrichten van maatschappelijk
                    nuttige activiteiten waar-voor geen of onvoldoende publieke financiering voor
                    handen is. </al><al>Hieruit volgt dat de verplichting om mee te werken aan werken met behoud van
                    uitkering alleen mag worden opgelegd indien de te verrichten werkzaamheden
                    noodzakelijk zijn om uit te stromen naar regulier werk. Tenslotte dient
                    uiteraard rekening gehouden te worden met de grenzen van het arbeidsrecht.</al><al/><al>Een uitkeringsgerechtigde die met behoud van uitkering werkzaamheden verricht in
                    het kader van een participatieplaats, iedere 6 maanden in aanmerking voor een
                    premie. Dit vloeit voort uit artikel 10a zesde lid van de wet. De hoogte van de
                    premie is vastgesteld door het College en is vastgelegd in het
                    Participatiebesluit. Deze mogelijkheid is opgenomen in </al><al>artikel 9 lid 2 onder f tweede zin.</al><al>Het derde Iid van artikel 9 van de verordening is een uitwerking van artikel 8,
                    eerste lid, aanhef en onderdeel e en van artikel 10a, vijfde lid van de wet.
                    Wanneer een uitkerings-gerechtigde ( in dit geval de persoon die algemene
                    bijstand ontvangt ) niet over een startkwalificatie beschikt, dient de gemeente
                    nadat deze persoon 6 maanden werkzaamheden op een participatieplaats heeft
                    verricht, scholing aan te bieden die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert,
                    tenzij een dergelijke scholing of opleiding de krachten en bekwaamheden van deze
                    persoon te boven gaat of naar het oordeel van het College niet bijdraagt aan
                    vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces</al><al/><al>In artikel 31, vijfde lid van de wet is opgenomen dat de inkomstenvrijlating, de
                    speciale inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders , een ( uitstroom)
                    premie, een vergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk tot de middelen
                    worden gerekend voor de personen die jongeren zijn dan 27 jaar. Het ligt dus
                    voor de hand dat deze instrumenten dan ook niet worden ingezet voor jongeren.
                    Immers deze "incentives" moeten worden gekort op de uitkering. Dit is opgenomen
                    in artikel 9 lid 6 van deze verordening.</al><al/><al>In artikel 44 lid 4 van de wet is bepaald dat ten aanzien van jongeren "een plan
                    van aanpak" verplicht wordt gesteld. Bij een besluit tot toekenning van algemene
                    bijstand wordt in een bijlage, een plan van aanpak opgenomen. Dat plan van
                    aanpak bevat een uitwerking van de ondersteuning van de gemeente (als die wordt
                    verleend) en de verplichtingen die de jongere heeft, gericht op de
                    arbeidsinschakeling. </al><al/><al>In artikel 9 lid 6 van deze verordening is een bepaling opgenomen ten aanzien
                    van vorm en inhoud van het plan van aanpak. Het college stemt de ondersteuning
                    af op de individuele omstandigheden van de belanghebbende Voorts is dit lid
                    opgenomen dat het college de wijze waarop en de mate waarin de evaluatie van het
                    plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de WWB plaatsvindt bepaalt. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 10. Afweging</vet></tussenkop><al>Over de afwegingen is in toelichting bij artikel 4 van deze verordening reeds
                    ingegaan. </al><al>Van belang is dat in lid 4 van artikel 10 van deze verordening is bepaald dat de
                    alleenstaande ouder pas verplicht kan worden deel te nemen aan een voorziening
                    indien een kinder-opvangvoorziening beschikbaar is. </al><al>De leden 5 en 6 van artikel 10 vloeit uit artikel 9a van de wet ( bekend onder
                    de naam Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders). In dit
                    artikel is geregeld dat alleenstaande ouders om een ontheffing van de
                    arbeidsplicht kunnen verzoeken, waarbij dan gelijktijdig een scholings- of
                    re-integratieaanbod geldt. </al><al>Het doel van dit artikel is alleenstaande ouders keuzemogelijkheden te bieden in
                    de combinatie van werken en zorgen. Door middel van maatwerk zullen gemeenten
                    alleen-staande ouders hierin begeleiden. Alleenstaande ouders die de volledige
                    zorg hebben voor een of meer kinderen onder de vijf jaar hebben de keuze te gaan
                    werken of te werken aan betere kwalificaties door scholing. Wanneer de
                    alleenstaande ouder kiest voor scholing kunnen zij ontheffing krijgen van de
                    arbeidsverplichting voor een maximale duur van vijf jaar. </al><al/><al>De arbeidsverplichting wordt omgezet in een scholingsverplichting. Artikel 38
                    van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte
                    werkloze werknemers (loaw) en artikel 38 van de Wet Inkomensvoorziening oudere
                    en gedeeltelijke arbeids-ongeschikte gewezen zelfstandigen (loaz) is identiek
                    aan artikel 9 a van de wet en geldt derhalve voor uitkeringsgerechtigden die een
                    uitkering ontvangen op grond van de loaw/loaz.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 11. Participatievoorziening beschut werk</vet></tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                    persoon in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><al>Lid 2 en lid 3 </al><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren.<sup>1</sup> Daarom
                    is in het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met een grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in
                    een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit
                    criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al/><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al/><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep "beschut werk" behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.<sup>2</sup></al><al/><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking "beschut werk"</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep "beschut werk" behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). </al><al>Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke
                    dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet).
                    Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van
                    gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een
                    gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering)
                    in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken.<sup>3</sup></al><al/><al>Lid 4 </al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het
                    werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf
                    zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere
                    werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.<sup>4</sup></al><al/><tussenkop>Lid 5 Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                    Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod
                    te kunnen bepalen.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 12. No-riskpolis</vet></tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie ontvangt in aanmerking komt
                    voor de no-riskpolis.</al><al/><tussenkop>Voorwaarden</tussenkop><al>Voor de inzet van de no-riskpolis is vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep van deze verordening) en hij een structurele functionele of andere
                    beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een loonkostensubsidie als
                    bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt. Ook ligt voor de hand
                    dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de gemeente. </al><al/><tussenkop>Contract met verzekeraar</tussenkop><al>De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering afsluiten met een verzekeraar . De gemeente treedt op als
                    verzekeringsnemer. </al><al>De werkgever is de begunstigde (tweede lid).</al><al/><tussenkop>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk</tussenkop><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen en kan artikel 29b van de
                    Ziektewet van toepassing zijn.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 13. Ondersteuning bij leer-werktraject</vet></tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al/><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt.<sup>5</sup>
                    In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent
                    dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan
                    bieden. </al><al/><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat
                    het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan
                    het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 14. Persoonlijke ondersteuning</vet></tussenkop><al>In artikel 14 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                    zijn.<sup>6</sup></al><al/><tussenkop><vet>Artikel 15 en 16. Handhaving en Beëindiging</vet></tussenkop><al>In artikel 15 zijn bepalingen opgenomen wanneer de belanghebbende niet aan de
                    opgelegde verplichtingen voldoet. Er ligt hier een relatie met de bepalingen in
                    de afstemmings-</al><al>verordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz. Bij deze maatregelen zal het College
                    er zich van vergewissen dat de afstemming in verhouding is tot de gepleegde
                    feiten. </al><al>Voor de uitkeringsgerechtigden hebben de benoemde gedragingen tevens gevolgen in
                    het kader van de afstemming van de uitkering conform de afstemmingsverordening. </al><al>Het College is bevoegd om bij niet nakomen van de verplichtingen de kosten van
                    de voorziening terug te vorderen. In artikel 16 wordt aangegeven in welke
                    situaties het College het traject kan beëindigen.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 17. Budget- en subsidieplafonds</vet></tussenkop><al>Het College kan, om financiële risico's te beheersen, een verdeling maken van de
                    middelen ten behoeve van de verschillende trajecten/voorzieningen. Dit kan in de
                    in artikel 3 genoemde nota gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan
                    echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat
                    wel mogelijk te maken kan het College een subsidie- en budgetplafonds instellen
                    voor de uitvoering van re-integratie-trajecten of voor de verstrekking van
                    loonkostensubsidies.</al><al>De wet stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. Het College dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven beschikbaar zijn. </al><al>Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wel kan voor
                    de toepassing van trajecten of voor de verstrekking van een loonkostensubsidie
                    een plafond worden ingebouwd.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 18. Uitvoering Wet Inschakeling werkzoekeneden.
                    </vet></tussenkop><al>Omdat de WIW- regelgeving per 1 januari 2004 is vervallen is het noodzakelijk de
                    huidige afspraken met WIW-ers , inleners te herzien. Dit is geregeld in artikel
                    19 van de verordening. Het College stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels
                    vast voor wat betreft de hoogte, duur en voorwaarden van de
                    subsidievaststelling.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 19. Hardheidsclausule</vet></tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 20. Nadere regels</vet></tussenkop><al>Voor de juiste uitvoering van de verordening is het College bevoegd nadere
                    uitvoerings-regels vast te stellen. Dit artikel geeft het College de bevoegdheid
                    om dergelijke regels vast te stellen.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 21. Uitvoering</vet></tussenkop><al>Evenals de uitvoering van de wet ligt de uitvoering van deze verordening bij het
                    College.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 22. Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al>Deze verordening treedt op 1 juli 2016 in werking getreden.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 23. Citeertitel</vet></tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al/><al/><al><sup>1 </sup><sup>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113, blz. 3.</sup></al><al><sup>2 </sup><sup>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113.</sup></al><al><sup>3</sup><sup> Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 66.</sup></al><al><sup>4</sup><sup> Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 115-116.</sup></al><al><sup>5 </sup><sup>Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, blz. 49.</sup></al><al><sup>6</sup><sup> Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz. 115.</sup></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>