<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR409678_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Huisvestingsverordening Amstelveen 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-3121.html">Gemeenteblad Jaargang 2017 Nr. 3121</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Huisvestingsverordening Amstelveen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035303">Huisvestingswet 2014, artikel 4, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>1e wijziging naar aanleiding van wijziging van de Huisvestingswet 2014 en de wet Doorstroming Huurmarkt 2015</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z-2016/057107</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Regionale Beleidsregels Woonurgentie, uitwerking Amstelveen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Huisvestingsverordening Amstelveen 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Aanbodinstrument: een aanbodinstrument als bedoeld in artikel
                                    2.2.3, eerste lid, waarop door corporaties woonruimte,
                                    aangewezen in artikel 2.1.1 te huur wordt aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>Basisadministratie: de basisadministratie bedoeld in artikel 1.2
                                    van de Wet basisregistratie personen;</al></li><li nr="c."><al>Bezettingsnormen: de in artikel 2.3.3 vastgestelde
                                    voorrangsregels;</al></li><li nr="d."><al>Bindingscriterium: bindingscriterium op grond van artikel 2.4.5
                                    gesteld aan woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor
                                    voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="e."><al>Burgemeester en wethouders: het College van burgemeester en
                                    wethouders;</al></li><li nr="f."><al>Complex: een aaneengesloten groep woonruimten die door
                                    burgemeester en wethouders is aangewezen;</al></li><li nr="g."><al>COA-voorziening: als bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal
                                    orgaan opvang asielzoekers;</al></li><li nr="h."><al>Corporaties: toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19,
                                    eerste lid van de Woningwet die werkzaam zijn in één of meer
                                    gemeenten van de Woningmarktregio Amsterdam;</al></li><li nr="i."><al>DAEB-norm: het in artikel 4, eerste lid aanhef en onder a, van
                                    de Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang
                                    toegelaten instellingen volkshuisvesting genoemde bedrag, of,
                                    als Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting
                                    (kamerstuk dossiernummer 32769) in werking is getreden: de
                                    inkomensgrens bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de
                                    Woningwet;</al></li><li nr="j."><al>Directe bemiddeling: het rechtstreeks aan een woningzoekende
                                    aanbieden van woonruimte zonder dat die woonruimte via het
                                    aanbodinstrument te huur is aangeboden;</al></li><li nr="k."><al>Gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke,
                                    overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
                                    vormt;</al></li><li nr="l."><al>Huishouden: een alleenstaande dan wel twee personen met of
                                    zonder kinderen, die een gemeenschappelijke huishouding voeren
                                    of wensen te voeren of een woongroep;</al></li><li nr="m."><al>Huisvestingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 7,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="n."><al>Huurprijs: de prijs die bij huur of verhuur is verschuldigd voor
                                    het enkele gebruik van een woonruimte of standplaats voor een
                                    woonwagen, uitgedrukt in een bedrag per maand berekend volgens
                                    het woningwaarderingstelsel behorende bij het Besluit
                                    huurprijzen woonruimte;</al></li><li nr="o."><al>Indicatie: een beoordeling van de mate van medische beperkingen
                                    van een woningzoekende, gemaakt door burgemeester en wethouders
                                    of een door hen aan te wijzen adviseur, ter voorbereiding op een
                                    door hun te nemen beslissing op een aanvraag om een
                                    huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="p."><al>Inkomen: rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder
                                    i van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="q."><al>Inschrijfduur: de inschrijfduur bedoeld in artikel 2.2.4, tweede
                                    lid;</al></li><li nr="r."><al>Inschrijving: het ingeschreven staan als woningzoekende;</al></li><li nr="s."><al>instelling voor maatschappelijke opvang: een instelling als
                                    bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="t."><al>jongere: onder jongere wordt verstaan een volwassene tot een
                                    leeftijd van 28 jaar.</al></li><li nr="u."><al>liberalisatiegrens: het huurbedrag genoemd in artikel 13, eerste
                                    lid, aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="v."><al>mantelzorg: mantelzorg als bedoeld in artikel 1, lid 1,
                                    onderdeel b van de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="w."><al>Onttrekkingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 21
                                    van de wet;</al></li><li nr="x."><al>Ontvangende regiogemeente: de regiogemeente waarnaar een houder
                                    van een urgentieverklaring wil verhuizen, als bedoeld in artikel
                                    2.6.4, derde lid;</al></li><li nr="y."><al>Onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet-zijnde woonruimte
                                    bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft of welke
                                    niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder
                                    dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke
                                    voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke
                                    voorzieningen worden aangemerkt: keuken en toilet.</al></li><li nr="z."><al>passende woonruimte: woonruimte die voldoet aan het in artikel
                                    2.6.3, eerste lid, bedoelde zoekprofiel;</al></li><li nr="aa."><al>passendheidscriterium: passendheidscriterium op grond van
                                    artikel 2.4.4, tweede lid of vierde lid gesteld aan
                                    woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor voorrang bij de
                                    verlening van een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="bb."><al>peildatum: de door burgemeester en wethouders vast te stellen
                                    datum, bedoeld in artikel 2.6.8, tweede lid;</al></li><li nr="cc."><al>Platform: het Platform Woningcorporaties Noordvleugel
                                    Randstad.</al></li><li nr="dd."><al>rangordecriterium: een rangordecriterium als bedoeld in artikel
                                    2.4.8;</al></li><li nr="ee."><al>regiogemeenten: de gemeenten die deel uitmaken van de
                                    woningmarktregio;</al></li><li nr="ff."><al>Regioraad: het algemeen bestuur van de Stadsregio
                                    Amsterdam.</al></li><li nr="gg."><al>Rekenhuur: de prijs die bij huur en verhuur per maand is
                                    verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte zoals
                                    omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="hh."><al>Sociale koopwoning: een koopwoning zoals beschreven in artikel
                                    1.1.1 lid e van het Besluit op de ruimtelijke ordening.</al></li><li nr="ii."><al>Splitsingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 22
                                    van de wet;</al></li><li nr="jj."><al>Standplaats: een standplaats zoals benoemd in artikel 1, eerste
                                    lid onder e van de wet.</al></li><li nr="kk."><al> studenten als bedoeld in artikel 7.274d tweede lid van het
                                    Burgerlijk Wetboek alsmede voltijds promovendi bij
                                    universiteiten die zijn gevestigd binnen de
                                    woningmarktregio;</al></li><li nr="ll."><al>Studentenwoning: woonruimte krachtens de daarop betrekking
                                    hebbende huurovereenkomst bestemd voor studenten indien:</al></li><li nr="mm."><al>in de huurovereenkomst is bepaald dat de woonruimte na
                                    beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student zal
                                    worden verhuurd; en,</al></li><li nr="nn."><al>die woonruimte door het college van burgemeester en wethouders
                                    in de regiogemeente waarin de woonruimte is gelegen na overleg
                                    met de eigenaar is erkend als studentenwoning;</al></li><li nr="oo."><al>Stuurgroep Wonen: het overleg bestaande uit een
                                    vertegenwoordiging van burgemeester en wethouders van de
                                    regiogemeenten en de binnen de woningmarktregio actieve
                                    corporaties;</al></li><li nr="pp."><al>SV-urgentieverklaring: een urgentieverklaring waarmee een
                                    woningzoekende is ingedeeld in de in artikel 2.6.8, eerste lid
                                    aanhef en onder c bedoelde urgentiecategorie;</al></li><li nr="qq."><al>Traditionele doelgroep: de groep (degenen) die volgens de
                                    bepalingen in artikel 18 van de voormalige Woonwagenwet voor een
                                    bewonersverklaring in aanmerking kon(konden) komen;</al></li><li nr="rr."><al>urgentieverklaring: de beschikking, verleend door burgemeester
                                    en wethouders van een tot de woningmarktregio behorende
                                    gemeente, waarmee een woningzoekenden in een urgentiecategorie
                                    als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet wordt
                                    ingedeeld;</al></li><li nr="ss."><al>vergunninghouders: de vergunninghouders als bedoeld in artikel
                                    28 van de Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="tt."><al>voorliggende voorziening: een voorziening die gelet op haar aard
                                    en doel, wordt geacht voor het oplossen van het
                                    huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te
                                    zijn;</al></li><li nr="uu."><al>Wet: de Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="vv."><al>Woningmarktregio: de gemeenten die behoren tot de (voormalige)
                                    Stadsregio Amsterdam; de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen,
                                    Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer,
                                    Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn,
                                    Waterland, Wormerland en Zaanstad;</al></li><li nr="ww."><al>Woning: zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="xx."><al>Woningruil: ruil waarbij twee of meer huishoudens zich
                                    daadwerkelijk vestigen in elkaars woning;</al></li><li nr="yy."><al>Woongroep: een samenlevingsverband bestaande uit drie of meer
                                    personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding voeren
                                    of wensen te voeren;</al></li><li nr="zz."><al>Woonoppervlak: het gezamenlijk oppervlak van de vertrekken zoals
                                    dat wordt berekend volgens het Besluit huurprijzen
                                    woonruimte.</al></li><li nr="aaa."><al>Woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of
                                    meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door
                                    een huishouden;</al></li><li nr="bbb."><al>Woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op
                                    een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden
                                    verplaatst.</al></li><li nr="ccc."><al>Zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft
                                    en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit
                                    huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen
                                    buiten de woonruimte;</al></li><li nr="ddd."><al>zelfredzaamheid: het naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders voldoende zelfstandig redzaam zijn om zelfstandig te
                                    kunnen wonen;</al></li><li nr="eee."><al>Zelfstandige huurwoning: zelfstandige woonruimte, welke verhuurd
                                    wordt;</al></li><li nr="fff."><al>Zoekgebied: het zoekgebied als bedoeld in artikel 2.6.3, derde
                                    lid en artikel 2.6.4;</al></li><li nr="ggg."><al>Zoekprofiel: het zoekprofiel als bedoeld in artikel 2.6.3,
                                    eerste lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>VERDELING VAN WOONRUIMTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Woonruimteverdeling</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in deze afdeling is van toepassing in de
                                        gemeente Amstelveen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het gebied bedoeld in het eerste lid worden als
                                        woonruimten als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de wet
                                        aangewezen alle zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur
                                        tot de liberalisatiegrens.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is het bepaalde in deze
                                        afdeling niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onzelfstandige woonruimte en woonruimte gebruikt
                                                voor inwoning;</al></li><li nr="b."><al>Woonschepen</al></li><li nr="c."><al>Woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid,
                                                onder a tot en met c, van de Leegstandwet;</al></li><li nr="d."><al>Studentenwoningen;</al></li><li nr="e."><al>Bij besluit van besluit van Burgemeester en
                                                Wethouders aan te wijzen complexen.</al></li><li nr="f."><al>Woonwagens en standplaatsen voor woonwagens.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.</nr><titel>Reikwijdte vergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                        artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te nemen zonder
                                        huisvestingsvergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                        artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te geven aan een
                                        persoon die niet beschikt over een
                                        huisvestingsvergunning.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Toelating tot het aangewezen deel van de woningmarkt</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1.</nr><titel>Toelatingscriteria</titel></kop><al>Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning dient
                                    de woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>tenminste één van de leden van het huishouden van de
                                            woningzoekende is niet minderjarig als bedoeld in
                                            artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="b."><al>de leden van het huishouden van de woningzoekende
                                            bezitten de Nederlandse nationaliteit of worden op grond
                                            van een wettelijke bepaling als Nederlander behandeld of
                                            zijn vreemdeling en verblijven rechtmatig in Nederland
                                            als bedoeld in artikel 8, a t/m e en l van de
                                            Vreemdelingenwet 2000.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2.</nr><titel>Aanvullend toelatingscriterium particuliere
                                        huurvoorraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In aanvulling op de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1
                                        geldt om toegelaten te worden tot de woonruimten waarop het
                                        bepaalde in paragraaf 4 van toepassing is de volgende
                                        voorwaarde: het inkomen van het huishouden bedraagt maximaal
                                        € 43.000.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt bij aanvang van
                                        het kalenderjaar 2016 en elk daarop volgende kalenderjaar
                                        geacht te zijn verhoogd met het percentage waarmee in het
                                        daaraan voorafgaande kalenderjaar het Europees
                                        geharmoniseerde prijsindexcijfer voor consumentenprijzen is
                                        gestegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Aanbieden van woonruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Corporaties bieden hun voor verhuur beschikbare woonruimten
                                        eenduidig en transparant te huur aan via een
                                        aanbodinstrument of via meerdere aanbodinstrumenten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het aanbieden van woonruimte wordt vermeld aan welke
                                        eisen de woningzoekende moet voldoen om in aanmerking te
                                        komen voor de aangeboden woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van
                                        toepassing op directe bemiddeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Woningzoekenden en inschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen van 18 jaar en ouder kunnen zich als
                                        woningzoekenden inschrijven via een aanbodinstrument. De
                                        inschrijving in een in de woningmarktregio gebruikt
                                        aanbodinstrument geldt als inschrijving in elk in de
                                        woningmarktregio gebruikt aanbodinstrument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als
                                        woningzoekende ingeschreven staat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inschrijving eindigt nadat een woningzoekende als huurder
                                        woonruimte aangewezen in artikel 2.1.1, tweede lid, die
                                        eigendom is van een corporatie in gebruik heeft genomen in
                                        de woningmarktregio;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De inschrijfduur die per 1 januari 2016 van rechtswege door
                                        omzetting van woonduur in inschrijfduur is verkregen of
                                        nadien is verkregen op grond van artikel 5.2 vervalt, nadat
                                        een woningzoekende een andere woonruimte betrekt;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten dat de
                                        inschrijfduur die door een woningzoekende per 1 januari 2016
                                        van rechtswege door omzetting van woonduur in inschrijfduur
                                        is verkregen of nadien is verkregen op grond van artikel 5.2
                                        vervalt, indien de huurovereenkomst van de woningzoekende
                                        wegens woonfraude wordt beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het derde lid eindigt de
                                        inschrijving niet:</al><al>a. nadat een jongere woonruimte heeft betrokken die
                                        krachtens de huurovereenkomst bestemd is voor jongeren;</al><al>b. nadat een huurder een zelfstandige woonruimte van een
                                        corporatie heeft betrokken met een tijdelijke
                                        huurovereenkomst voor twee of vijf jaar als bedoeld in
                                        artikel 7:271, eerste lid tweede volzin van het Burgerlijk
                                        Wetboek gesloten na 1 juli 2016;</al><al>c. voor meeverhuizende inwonende kinderen die lid zijn van
                                        een huishouden, wier medeverhuizing noodzakelijk was voor
                                        het verkrijgen van een huisvestingsvergunning voor de
                                        bewoning van de betreffende woonruimte.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4.a</nr><titel>Extra inschrijfduur voor aangewezen categorieën
                                        woningzoekenden</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen door hen aan te wijzen
                                    categorieën woningzoekenden extra inschrijfduur toekennen welke
                                    alleen geldt in de gemeente Amstelveen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5.</nr><titel>Voorwaarden aan inschrijving via het
                                        aanbodinstrument</titel></kop><al>Door of namens de corporatie die verantwoordelijk is voor een
                                    aanbodinstrument kunnen voorwaarden aan de in het eerste lid
                                    bedoelde inschrijving worden verbonden. De voorwaarden zijn
                                    openbaar en te raadplegen via de website van het
                                    aanbodinstrument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6.</nr><titel>Aanvraag vergunning en in te dienen bescheiden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op een aanvraag om een huisvestingsvergunning beslissen
                                        burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende
                                        bewijsstukken:</al><lijst><li nr="a."><al>meest recente inkomensgegevens van de
                                                woningzoekende, verstrekt door diens werkgever,
                                                uitkeringsinstantie of pensioeninstantie dan wel de
                                                meest recente aanslag inkomstenbelasting of een
                                                accountantsverklaring indien aanvrager zelfstandig
                                                werkzaam is;</al></li><li nr="b."><al>een uittreksel uit de basisadministratie van de
                                                woonplaats vanaanvrager; en,</al></li><li nr="c."><al>een kopie van een geldig verblijfsdocument indien de
                                                woningzoekende en de overige leden van het
                                                huishouden waarop de aanvraag betrekking heeft niet
                                                de Nederlandse nationaliteit bezitten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvrager kan gevraagd worden een geldig
                                        identiteitsbewijs van alle leden van het huishouden waarop
                                        de aanvraag betrekking heeft, te tonen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aanvrager een huisvestingsvergunning aanvraagt voor
                                        woonruimte als bedoeld in artikel 2.4.4, tweede lid, eerste
                                        kolom, derde rij, dient de aanvraag tevens vergezeld te gaan
                                        van een indicatie op basis waarvan beoordeeld kan worden of
                                        de specifieke eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen
                                        aan de geïndiceerde medische beperkingen van één of meerdere
                                        leden van het huishouden;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere gegevens
                                        te vragen die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.7.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na
                                        datum van indiening op de aanvraag voor een
                                        huisvestingsvergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de beslistermijn
                                        eenmalig te verlengen met vier weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.8.</nr><titel>Gegevens op vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beschikking op de aanvraag bevat tenminste:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de samenstelling van het huishouden dat de
                                                woonruimte wil betrekken;</al></li><li nr="c."><al>het adres van de woonruimte waar de aanvraag
                                                betrekking op heeft;</al></li><li nr="d."><al>het voorschrift houdende dat binnen vier weken na
                                                verlening van de vergunning de woonruimte in gebruik
                                                wordt genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in de beschikking tevens
                                        opnemen dat de vergunning slechts geldig is indien het
                                        gehele huishouden waarvoor de vergunning is verleend, de
                                        woonruimte betrekt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Vergunningverlening particuliere huurvoorraad</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.</nr><titel>Reikwijdte paragraaf 3</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op
                                    ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is
                                    van een corporatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.</nr><titel>Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren de
                                        huisvestingsvergunning indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden niet voldoet aan de voorwaarden
                                                genoemd in artikel 2.2.1 en artikel 2.2.2;</al></li><li nr="b."><al>het huishouden al in het bezit is van een geldige
                                                huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>het huishouden op grond van artikel 2.3.3 niet voor
                                                de huisvestingsvergunning in aanmerking komt;
                                                of,</al></li><li nr="d."><al>niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte
                                                in gebruik zal nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de
                                        huisvestingsvergunning indien geen van de in het eerste lid
                                        genoemde weigeringsgronden zich voordoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.</nr><titel>Bezettingsnormen</titel></kop><al>Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning wordt
                                    overeenkomstig het bepaalde in Bijlage 2 voorrang verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4.</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte
                                            niet binnen de genoemde termijn in gebruik heeft
                                            genomen;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de houder
                                            van de vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Toewijzing en vergunningverlening corporatiewoningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1.</nr><titel>Reikwijdte paragraaf 4</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op
                                    ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is
                                    van een corporatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2.</nr><titel>Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren de
                                        huisvestingsvergunning indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden niet voldoet aan de
                                                toelatingscriteria genoemd in artikel 2.2.1;</al></li><li nr="b."><al>het huishouden al in het bezit is van een
                                                huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>het huishouden op grond van het bepaalde in artikel
                                                2.4.6 niet voor de huisvestingsvergunning in
                                                aanmerking komt;</al></li><li nr="d."><al>het niet aannemelijk is dat het huishouden de
                                                woonruimte in gebruik zal nemen; of,</al></li><li nr="e."><al>de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten
                                                instelling of haar belang als verhuurder, daaronder
                                                mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor de
                                                bescherming van de belangen van de overige huurders
                                                en voor de waarborging van het woongenot,
                                                redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst
                                                met aanvrager heeft kunnen weigeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de
                                        huisvestingsvergunning indien geen van de in het eerste lid
                                        genoemde weigeringsgronden zich voordoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3.</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte
                                            niet binnen de genoemde termijn in gebruik heeft
                                            genomen;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de houder
                                            van de vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4.</nr><titel>Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte
                                        en prijs van woonruimte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van
                                            de wet worden aangewezen de categorieën woonruimte
                                            beschreven in kolom 1 van de in het tweede lid opgenomen
                                            tabel.</al></li><li nr="2."><al>Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor
                                            woonruimte die behoort tot een in kolom 1 genoemde
                                            categorie woonruimte wordt voorrang gegeven aan de
                                            categorieën woningzoekenden genoemd in kolom 2 achter de
                                            desbetreffende categorie woonruimte.</al><al/><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Kolom 1: Categorie woonruimte
                                                  (labels)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Kolom 2: Categorie woningzoekenden
                                                  (voorrangsgroepen)</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de
                                                  huisvesting van senioren (55plus): </al></entry><entry colname="col2"><al>woningzoekenden met een leeftijd van tenminste
                                                  55 jaar, dan wel huishoudens waarvan tenminste één
                                                  lid deze leeftijd heeft bereikt en/of woonruimte
                                                  in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van
                                                  senioren (75plus): woningzoekenden met een
                                                  leeftijd van tenminste 75 jaar, dan wel
                                                  huishoudens waarvan tenminste één lid deze
                                                  leeftijd heeft bereikt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de
                                                  huisvesting van jongeren: </al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens bestaande uit tenminste een
                                                  persoon person met een leeftijd van tenminste 18
                                                  jaar en ten hoogste 22 jaar, die geen student zijn
                                                  (EN/OF) huishoudens bestaande uit personen
                                                  tenminste een persoon met een leeftijd van
                                                  tenminste 23 jaar en ten hoogste 27 jaar, die geen
                                                  student zijn.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder geschikt voor de
                                                  huisvesting van personen met medische
                                                  beperkingen:</al></entry><entry colname="col2"><al>Huishoudens in het bezit van een indicatie
                                                  waaruit blijkt dat de specifieke eigenschappen van
                                                  de woonruimte tegemoetkomen aan medische
                                                  beperkingen van één of meerdere leden van het
                                                  huishouden.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="3."><al> Als categorie woonruimte als bedoeld in artikel 11 van
                                            de wet wordt voorts aangewezen: woonruimte in het
                                            bijzonder geschikt voor de huisvesting van grote
                                            huishoudens;</al></li><li nr="4."><al>Voorts wordt bij het verlenen van een
                                            huisvestingsvergunning overeenkomstig het bepaalde in
                                            Bijlage 2 voorrang verleend;</al></li><li nr="5."><al>Huishoudens met een laag inkomen zijn huishoudens met
                                            een inkomen tot een nader, bij het te huur aanbieden van
                                            woonruimte, door burgemeester en wethouders te bepalen
                                            hoogte. Huishoudens met een hoog inkomen zijn
                                            huishoudens met een inkomen boven een nader, bij het te
                                            huur aanbieden van woonruimte, door burgemeester en
                                            wethouders te bepalen hoogte.</al></li><li nr="6."><al>Als categorie woonruimte als bedoeld in artikel 11 van
                                            de wet wordt voorts aangewezen: woonruimte in het
                                            bijzonder geschikt voor de huisvesting van grote
                                            huishoudens.</al></li><li nr="7."><al>Voorts is bij het verlenen het bepaalde in Bijlage 2 van
                                            overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5.</nr><titel>Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale
                                        binding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de verlening van huisvestingsvergunningen wordt voor ten
                                        hoogste 50 procent van de in artikel 2.1.1 aangewezen
                                        categorieën woonruimte, voorrang gegeven aan huishoudens
                                        omdat zij economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de
                                        woningmarktregio, zoals bedoeld in artikel 14, derde lid,
                                        van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor ten hoogste de helft van het in het eerste lid genoemde
                                        percentage mag bij de verlening van huisvestingsvergunningen
                                        voorrang worden gegeven aan woningzoekenden omdat zij
                                        economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan een tot de
                                        gemeente behorende kern als bedoeld in artikel 14, derde
                                        lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat het in het
                                        eerste en tweede lid bepaalde uitsluitend van toepassing is
                                        op door hen aangewezen delen van de gemeente of door hen
                                        aangewezen categorieën woonruimte;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6.</nr><titel>Algemene volgordebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien woonruimte te huur wordt aangeboden via een
                                        aanbodinstrument wordt de volgorde waarin de woningzoekenden
                                        die op het aanbod gereageerd hebben in aanmerking komen voor
                                        een huisvestingsvergunning bepaald overeenkomstig het
                                        bepaalde in artikel 2.4.6 tot en met 2.4.8.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de
                                        volgende groepen woningzoekenden in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                passendheids- en bindingscriteria;</al></li><li nr="b."><al>de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                passendheidscriteria;</al></li><li nr="c."><al>de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria;</al></li><li nr="d."><al>de overige woningzoekenden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing als op de
                                        te huur aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde
                                        lid, opgenomen passendheidscriterium van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6a.</nr><titel>Bijzondere volgordebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is van toepassing als op te huur
                                        aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde lid,
                                        opgenomen passendheidscriterium van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de
                                        volgende negen groepen woningzoekenden in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria, in het bezit zijn van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="b."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria, in het bezit zijn van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="c."><al>woningzoekenden in het bezit van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="d."><al>woningzoekenden die in het bezit zijn van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="e."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria en wier huishouden mede bestaat uit
                                                drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="f."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria en wier huishouden mede bestaat uit
                                                tenminste één inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al></li><li nr="g."><al>woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit
                                                drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="h."><al>woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit
                                                tenminste één inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al></li><li nr="i."><al>overige woningzoekenden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7.</nr><titel>Volgorde van houders van een urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van de woningzoekenden die zijn ingedeeld in één van de in
                                        artikel 2.4.6, tweede lid aanhef en onder a tot en met d
                                        bedoelde groepen of in één van de in artikel 2.4.6a, tweede
                                        lid aanhef en onder a tot en met i bedoelde groepen, komen
                                        als eerste in aanmerking voor een huisvestingsvergunning de
                                        houders van een urgentieverklaring indien de woonruimte
                                        voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen
                                        zoekprofiel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien op grond van het eerste lid meerdere houders van een
                                        urgentieverklaring als eerste in aanmerking zouden komen
                                        voor een huisvestingsvergunning, komt als eerste in
                                        aanmerking het huishouden waarvan de urgentieverklaring als
                                        eerste is verleend of waarvoor voorziening in de behoefte
                                        aan woonruimte naar het oordeel van burgemeester en
                                        wethouders het meest dringend noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houders van een urgentieverklaring, verleend ter indeling
                                        in één van de in artikel 2.6.6 genoemde gronden, worden
                                        geacht te voldoen aan de bindingscriteria.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is alleen van toepassing
                                        op houders van een SV-urgentieverklaring indien het door
                                        burgemeester en wethouders voor het desbetreffende tijdvak
                                        maximaal te huisvesten aantal houders van een
                                        SV-urgentieverklaring nog niet bereikt is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders stellen het in het vorige lid
                                        bedoelde aantal niet eerder vast dan na overleg met de
                                        overige gemeenten van de Woningmarktregio.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8.</nr><titel>Volgorde van de overige woningzoekenden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De volgorde waarin woningzoekenden, niet zijnde houders van
                                        een urgentieverklaring, die behoren tot één van de in
                                        artikel 2.4.6, tweede lid, aanhef en onder a tot en met d,
                                        bedoelde groepen of tot één van de in artikel 2.4.6a, tweede
                                        lid aanhef en onder a tot en met i bedoelde groepen, in
                                        aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning, wordt
                                        bepaald aan de hand van een in de volgende leden beschreven
                                        rangordecriterium.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgende rangordecriteria kunnen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>Inschrijfduur. De woningzoekende met de langste
                                                inschrijfduur komt als eerste in aanmerking voor de
                                                huisvestingsvergunning.</al></li><li nr="b."><al>Loting. Bij loting wordt door de corporatie op
                                                elektronische of andere geschikte wijze bepaald in
                                                welke volgorde de aan de loting deelnemende
                                                woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in
                                                aanmerking komen. Daarbij heeft elk deelnemende
                                                woningzoekende een gelijke kans op elke plek in de
                                                totale rangorde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Per kalenderjaar wordt ten hoogste 20% van door corporaties
                                        te huur aangeboden woonruimten het rangordecriterium loting
                                        toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9.</nr><titel>Directe bemiddeling</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2.3, eerste lid, kan
                                    de woonruimte via directe bemiddeling worden aangeboden indien
                                    het betreft de huisvesting van woningzoekenden voor wie geldt
                                    dat het naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet
                                    doelmatig is om hen via een aanbodinstrument naar woonruimte te
                                    laten zoeken. Dit betreft in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>vergunninghouders;</al></li><li nr="b."><al>houders van een urgentieverklaring; en,</al></li><li nr="c."><al>huishoudens bedoeld in artikel 2.4.10</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10.</nr><titel>Bijzondere gevallen</titel></kop><al>Op verzoek van corporaties kan bij de huisvesting van
                                    huishoudens in bijzondere gevallen die voldoen aan de volgende
                                    voorwaarden, direct bemiddeld worden:</al><lijst><li nr="a."><al>het betreft de huisvesting van huishoudens wier
                                            specifieke situatie vraagt om een oplossing op maat,
                                            welke niet kan worden geboden met toepassing van het
                                            bepaalde in deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>het aantal huisvestingen op grond van dit artikel
                                            bedraagt per regiogemeente per kalenderjaar ten hoogste
                                            vijf procent van de met toepassing van het bepaalde in
                                            deze verordening te verhuren woonruimte;</al></li><li nr="c."><al>de huisvestingen op grond van dit artikel worden
                                            geregistreerd en jaarlijks gerapporteerd aan de
                                            Stuurgroep Wonen. Daarbij wordt de Stuurgroep Wonen in
                                            ieder geval medegedeeld hoeveel gevallen het per
                                            regiogemeente betrof.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Experimenten woonruimteverdeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een
                                        wijze van in gebruik geven van woonruimte, welke niet in of
                                        op grond van deze verordening is geregeld maar wel in een op
                                        grond van de Huisvestingswet 2014 vast te stellen
                                        verordening geregeld zou kunnen worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in
                                        het eerste lid staat ten dienste van een rechtvaardige,
                                        doelmatige, evenwichtige en transparante verdeling van
                                        woonruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2.</nr><titel>Experimenten met woonruimten van corporaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Corporaties en één of meer regiogemeenten kunnen een
                                        experiment organiseren. Zij stellen daartoe de opzet van het
                                        experiment vast, welke tenminste het volgende bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van het doel en de inhoud van het
                                                experiment; en,</al></li><li nr="b."><al>het toepassingsbereik van het experiment; en,</al></li><li nr="c."><al>de tijdsduur van het experiment; en,</al></li><li nr="d."><al>de wijze van begeleiding van het experiment
                                                gedurende de duur van het experiment; en,</al></li><li nr="e."><al>de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd
                                                wordt</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en
                                        betreft per jaar maximaal tien procent van de in dat jaar
                                        toe te wijzen woonruimten van de corporaties die bij het
                                        experiment betrokken zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een experiment vangt pas aan nadat de Stuurgroep Wonen de
                                        experimentenopzet heeft goedgekeurd. Bij zijn beslissing tot
                                        goed- dan wel afkeuring van de experimentenovereenkomst
                                        neemt de Stuurgroep Wonen de belangen van een evenwichtige,
                                        rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van
                                        woonruimte in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3.</nr><titel>Experiment met overige aangewezen woonruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Andere verhuurders dan corporaties kunnen in samenwerking
                                        met één of meer regiogemeenten een experiment organiseren.
                                        Het bepaalde in artikel 2.5.2, eerste lid, is hierop van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en
                                        vangt pas aan nadat burgemeester en wethouders, na
                                        raadpleging van de Stuurgroep Wonen, de de experimentenopzet
                                        hebben goedgekeurd. Bij hun beslissing omtrent goedkeuring
                                        nemen zij de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige,
                                        doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in
                                        acht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Urgentie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1.</nr><titel>Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een
                                        urgentieverklaring</titel></kop><al>Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslissen burgemeester
                                    en wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.6.2,
                                    eerste lid, wordt ingediend;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2.</nr><titel>Aanvraag om een urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een urgentieverklaring wordt aangevraagd:</al><lijst><li nr="a."><al>bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente
                                                waar de aanvrager blijkens diens inschrijving in de
                                                basisregistratie zijn woonadres heeft; of,</al></li><li nr="b."><al>bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente
                                                waar de aanvrager wil gaan wonen, als de aanvrager
                                                niet in de woningmarktregio woont.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de
                                        datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn
                                        eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun
                                        besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde
                                        termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende
                                        gegevens en bescheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als
                                                woningzoekende is ingeschreven in een
                                                aanbodinstrument;</al></li><li nr="b."><al>informatie over de aard en de oorsprong van het
                                                huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten
                                                grondslag ligt; en</al></li><li nr="c."><al>informatie over het inkomen en het vermogen van het
                                                huishouden van aanvrager.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het vorige lid, aanhef en onder a, is niet
                                        van toepassing op een aanvraag die een verzoek om indeling
                                        in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.6.6
                                        inhoudt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3.</nr><titel>Inhoud van de urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor
                                        woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het zoekprofiel bevat het qua ligging, grootte, en aard
                                        meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen, naar
                                        het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk voor
                                        het oplossen van het huisvestingsprobleem.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het zoekprofiel bevat voorts het zoekgebied waarvoor de
                                        urgentieverklaring geldig is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De urgentieverklaring bevat verder de volgende
                                        informatie:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam, het adres en de woonplaats van
                                                aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum van aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>het dossiernummer van de aanvraag;</al></li><li nr="d."><al>de termijn gedurende welke de urgentieverklaring
                                                geldig is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4.</nr><titel>Het zoekgebied</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het zoekgebied omvat de gemeente van burgemeester en
                                        wethouders die de urgentieverklaring hebben verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in de volgende leden is uitsluitend van
                                        toepassing op een urgentieverklaring waarmee de
                                        woningzoekende is ingedeeld in een in artikel 2.6.8 genoemde
                                        urgentiecategorie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de houder van de urgentieverklaring wil verhuizen
                                        naar een andere regiogemeente dan die waar de
                                        urgentieverklaring is afgegeven, kunnen burgemeester en
                                        wethouders van de ontvangende regiogemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het zoekgebied wijzigen zodat het hun gemeente
                                                omvat. Met de wijziging van het zoekgebied komt een
                                                eerder in het zoekprofiel opgenomen zoekgebied te
                                                vervallen; en,</al></li><li nr="b."><al>de in het zoekprofiel opgenomen woningtypen wijzigen
                                                in het voor de ontvangende gemeente, gelet op de
                                                toepasselijke urgentiecategorie, met inachtneming
                                                van het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede lid,
                                                gangbare woningtype of woningtypen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede lid
                                        bedoelde wijziging van het zoekgebied weigeren indien naar
                                        hun oordeel de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten
                                        van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe nopen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen een termijn van
                                        vier weken op een verzoek om wijziging van het zoekgebied,
                                        bedoeld in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5.</nr><titel>Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring
                                        indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de
                                        volgende omstandigheden:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de
                                                in artikel 2.2.1 genoemde eisen;</al></li><li nr="b."><al>er is geen sprake van een urgent
                                                huisvestingsprobleem;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager kon het huisvestingsprobleem
                                                redelijkerwijs voorkomen of kan het
                                                huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere
                                                wijze oplossen;</al></li><li nr="d."><al>het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan
                                                worden opgelost door gebruik te maken van een
                                                voorliggende voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het aan de aanvraag ten grondslag liggende
                                                huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een
                                                verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid
                                                van zijn huishouden;</al></li><li nr="f."><al>het aan de aanvraag ten grondslag liggende
                                                huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate
                                                opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige
                                                woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="g."><al>De aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een
                                                eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden
                                                verleende urgentieverklaring is vervallen of
                                                ingetrokken met toepassing van artikel 2.6.9 of
                                                2.6.10;</al></li><li nr="h."><al>de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of
                                                in de kosten van bewoning van zelfstandige
                                                woonruimte te voorzien;</al></li><li nr="i."><al>de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan
                                                het indienen van de aanvraag blijkens diens
                                                inschrijving in de basisadministratie niet tenminste
                                                twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de
                                                urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig
                                                was;</al></li><li nr="j."><al>het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een
                                        urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.6.8, eerste lid,
                                        kunnen burgemeester en wethouders vervolgens het
                                        aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in
                                        het vorige lid, onder i, bedoelde termijn niet heeft gewoond
                                        in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de
                                        Wet ruimtelijke ordening voor permanente bewoning bestemde
                                        woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren vervolgens het
                                        aangevraagde indien de aanvrager niet valt onder één van de
                                        in artikel 2.6.6 tot en met 2.6.8 opgenomen
                                        urgentiecategorieën.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6.</nr><titel>Wettelijke urgentiecategorieën en statushouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen
                                        van de in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a tot
                                        en met h en j genoemde omstandigheden voordoet en de
                                        aanvrager tot tenminste één van de volgende
                                        urgentiecategorieën behoort:</al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden die verblijven in een voorziening
                                                voor tijdelijke opvang van personen, die in verband
                                                met problemen van relationele aard of geweld hun
                                                woonruimte hebben verlaten en waarvan de uitstroom
                                                uit die voorziening aanstaande is, indien de
                                                behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente
                                                gelegen woonruimte als gevolg van die uitstroom naar
                                                het oordeel van burgemeester en wethouders dringend
                                                noodzakelijk is;</al></li><li nr="b."><al>woningzoekenden waarvan de voorziening in de
                                                behoefte aan woonruimte als gevolg van het verlenen
                                                of ontvangen van mantelzorg naar het oordeel van
                                                burgemeester en wethouders voor aanvrager dringend
                                                noodzakelijk is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een
                                        vergunninghouder die, gelet op de in artikel 28 van de wet
                                        genoemde taakstelling, gehuisvest moet worden door het
                                        college van burgemeester en wethouders waar de
                                        urgentieverklaring wordt aangevraagd indien wordt voldaan
                                        aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekende is niet door het Centraal Orgaan
                                                opvang asielzoekers als bedoeld in artikel 2 van de
                                                Wet Centraal orgaan opvang asielzoekers bij een
                                                andere gemeente voorgedragen voor huisvesting;
                                                en,</al></li><li nr="b."><al>de woningzoekende heeft niet eerder aangeboden
                                                woonruimte geweigerd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7.</nr><titel>Regionale urgentiecategorie: uitstroom</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een
                                        woningzoekende die moet omzien naar woonruimte aansluitend
                                        op verblijf in een instelling voor maatschappelijke opvang,
                                        een psychiatrische instelling of een erkende hulp- of
                                        dienstverleningsinstelling, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct
                                                voorafgaand aan het verblijf in de instelling
                                                blijkens de inschrijving in de basisadministratie
                                                woonachtig was in de woningmarktregio;</al></li><li nr="b."><al>geen van de in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en
                                                onder a, c, d, f, h of j genoemde omstandigheden
                                                zich voordoet; en,</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en
                                                wethouders voldoende zelfredzaam is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een urgentieverklaring als bedoeld in het eerste lid
                                        wordt aangevraagd door een woningzoekende die verblijft in
                                        een in de woningmarktregio gelegen instelling als bedoeld in
                                        het eerste lid, zijn de volgende leden van toepassing</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.1. en artikel
                                        2.6.2, eerste lid, wordt op een aanvraag om een
                                        urgentieverklaring waarmee een woningzoekende wordt
                                        ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in het vorige
                                        lid, besloten door burgemeester en wethouders van de
                                        regiogemeente waar de locatie van de opvanginstelling waar
                                        de woningzoekende verblijft resideert.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.4, eerste lid,
                                        omvat het in de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied e
                                        regiogemeente waarin aanvrager tenminste twee van de drie
                                        jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling
                                        blijkens de inschrijving in de basisadministratie woonachtig
                                        was, tenzij burgemeester en wethouders gelet op de
                                        problematiek van aanvrager een andere regiogemeente in het
                                        zoekgebied opnemen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders van de
                                        regiogemeente die tot het in de urgentieverklaring opgenomen
                                        zoekgebied behoort, stelt het in de urgentieverklaring op te
                                        nemen woningtype vast, overeenkomstig het bepaalde in
                                        artikel 2.6.3, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8.</nr><titel>Overige regionale urgentiecategorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen
                                        van de in artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, genoemde
                                        omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één
                                        van de volgende urgentiecategorieën behoort:</al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden die in een acute noodsituatie
                                                verkeren;</al></li><li nr="b."><al>Woningzoekenden, met inbegrip van de situatie waarin
                                                dit slechts geldt voor één lid van het huishouden
                                                van een woningzoekende, die op grond van medische of
                                                sociale redenen dringend woonruimte in een
                                                levensontwrichtende woonsituatie verkregen die naar
                                                het oordeel van burgemeester en wethouders alleen
                                                opgelost kan worden door verhuizing naar andere
                                                zelfstandige woonruimte, voor zover zij niet behoren
                                                tot de in artikel 2.6.7 bedoelde
                                                urgentiecategorie;</al></li><li nr="c."><al>woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte
                                                behoort tot een door burgemeester en wethouders op
                                                grond van het tweede lid aangewezen complex.</al></li><li nr="d."><al>Woningzoekenden waarvan de binnen de gemeente
                                                gelegen zelfstandige woonruimte als gevolg van een
                                                calamiteit naar het oordeel van burgemeester en
                                                wethouders duurzaam ongeschikt is voor bewoning</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen complexen aanwijzen
                                        waarvan de bewoners in verband met sloop of ingrijpende
                                        renovatie of herstructurering van het gebied waarin de
                                        complexen zijn gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar niet
                                        meer in hun huidige woonruimte kunnen blijven wonen.
                                        Burgemeester en wethouders stellen daarbij een datum vast
                                        met ingang waarvan de bewoners van de aangewezen complexen
                                        een SV-urgentieverklaring kunnen aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, aanhef
                                        en onder a en c, is het bepaalde in artikel 2.6.5, eerste
                                        lid aanhef en onder j en het bepaalde in artikel 2.6.3,
                                        tweede lid, niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8a.</nr><titel>Sociaal medische urgentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen
                                        van de in artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, genoemde
                                        omstandigheden voordoet en de aanvrager, het huishouden van
                                        aanvrager of een lid van dat huishouden zich naar het
                                        oordeel van burgemeester en wethouders op grond van medische
                                        of sociale omstandigheden in een levens ontwrichtende
                                        woonsituatie bevindt, welke alleen beëindigd kan worden door
                                        verhuizing naar andere zelfstandige woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een leven ontwrichtende woonsituatie als bedoeld in het
                                        eerste lid is sprake:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>indien een of meerdere leden van het huishouden van
                                                aanvrager ernstige medische beperkingen heeft;</al></li><li nr="b."><al>bij dakloosheid of dreigende dakloosheid van een
                                                huishouden waarvan minderjarige kinderen deel
                                                uitmaken;</al></li><li nr="c."><al>indien een of meerdere leden van het huishouden van
                                                aanvrager met geweld bedreigd wordt of het
                                                slachtoffer is van geweld; of,</al></li><li nr="d."><al>indien het huishouden naar het oordeel van
                                                burgemeester en wethouders onevenredig hoge
                                                woonlasten heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9.</nr><titel>Geldigheid van de urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder b, en in het
                                        derde en vierde lid van dit artikel is net van toepassing op
                                        de SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaringen waarmee
                                        een woningzoekende is ingedeeld in een urgentiecategorie als
                                        bedoeld in artikel 2.6.6, tweede lid, of artikel 2.6.7,
                                        eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De urgentieverklaring vervalt:</al><lijst><li nr="a."><al>nadat de houder ervan niet meer behoort tot de
                                                urgentiecategorie welke aanleiding was voor
                                                verlening van de urgentieverklaring; of,</al></li><li nr="b."><al>na verloop van een termijn van 26 weken na verlening
                                                van de urgentieverklaring.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders van de gemeente die tot het in de
                                        urgentieverklaring vermelde zoekgebied behoort kunnen
                                        besluiten dat de urgentieverklaring een langere termijn dan
                                        die bedoeld in het tweede lid geldig blijft indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de omstandigheden bedoeld in artikel 2.6.5, eerste
                                                lid, zich niet voordoen;</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring nog steeds valt
                                                in de urgentiecategorie welke aanleiding was voor
                                                verlening van de urgentieverklaring.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met inbegrip van de in het vorige lid bedoelde verlenging
                                        vervalt een urgentieverklaring na het verstrijken van een
                                        periode van 52 weken na het moment waarop zij verleend
                                        is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10.</nr><titel>Wijzigen en intrekken van de urgentieverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in
                                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                                zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige
                                                gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
                                                urgentieverklaring zou zijn geweigerd;</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring niet meer
                                                behoort tot de urgentiecategorie welke aanleiding
                                                was voor verlening van de urgentieverklaring of zich
                                                één of meer toepasselijke, in artikel 2.6.5, eerste
                                                lid, opgenomen en op de desbetreffende
                                                urgentiecategorie toepasselijke weigeringsgronden
                                                voordoen;</al></li><li nr="c."><al>de houder van de urgentieverklaring daartoe
                                                verzoekt; of,</al></li><li nr="d."><al>de houder van de urgentieverklaring passende
                                                woonruimte heeft geweigerd of zich anderszins
                                                onvoldoende heeft ingespannen om zijn
                                                huisvestingsprobleem op te lossen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring
                                        wijzigen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                                zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige
                                                gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
                                                urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar
                                                anders op de aanvraag zou zijn besloten; of</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring behoort tot een
                                                andere urgentiecategorie dan die welke aanleiding
                                                was voor verlening van de urgentieverklaring.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter voorbereiding van een besluit tot intrekking of
                                        wijziging van de urgentieverklaring kunnen burgemeester en
                                        wethouders zich laten adviseren door een ter zake deskundig
                                        persoon.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders een voorwaarde aan de
                                        urgentieverklaring hebben verbonden, treedt de
                                        urgentieverklaring pas in werking als aan de voorwaarde is
                                        voldaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze
                                        verordening zou leiden tot weigering van een
                                        urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring
                                        toe te kennen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>weigering van een urgentieverklaring leidt tot een
                                                schrijnende situatie; en,</al></li><li nr="b."><al>sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de
                                                verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op
                                                het doel van de verordening redelijkerwijs toch een
                                                grond voor de verlening van een urgentieverklaring
                                                zouden kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin
                                        met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een
                                        urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat
                                        tenminste de datum waarop de urgentieverklaring wordt
                                        verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die
                                        leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De
                                        registraties worden tenminste eenmaal per jaar besproken in
                                        de Stuurgroep Wonen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Overgangsrecht urgentieverklaringen</titel></kop><al>Urgentieverklaringen die zijn verleend op grond van de Regionale
                                    Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 zoals deze
                                    luidt onmiddellijk vóór 1 januari 2016 of daarmee gelijkgesteld
                                    is, worden gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.6.1 van
                                    deze verordening te verlenen urgentieverklaringen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>(Gereserveerd)</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>II.</nr><titel>Verdeling van standplaatsen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8.</nr><titel>Standplaatsen voor woonwagens</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1.</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><al>In de gemeente Amstelveen worden alle standplaatsen aangewezen
                                    als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder e, van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.2.</nr><titel>Reikwijdte vergunningplicht</titel></kop><al>Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een aangewezen
                                    standplaats in gebruik te nemen of te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.3</nr><titel>Het aanbieden van Standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders bieden hun voor verhuur
                                        beschikbare standplaatsen eenduidig en transparant te huur
                                        aan aan de vijf langst ingeschrevenen in het register van
                                        standplaatszoekenden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het aanbieden van een standplaats wordt vermeld aan
                                        welke eisen de standplaatszoekende moet voldoen om in
                                        aanmerking te komen voor de aangeboden standplaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.4.</nr><titel>Standplaatszoekenden en inschrijving register</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders houden een register bij van
                                        standplaatszoekenden. Het register vermeldt de
                                        standplaatszoekenden in volgorde van inschrijvingsdatum.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Om in het eerste lid genoemde register te kunnen worden
                                        ingeschreven moet de standplaatszoekende aantonen dat hij
                                        voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.2.1.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij inschrijving is een inschrijfgeld van € 55,00
                                        verschuldigd. Als datum van inschrijving geldt de datum van
                                        ontvangst van het inschrijfgeld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inschrijving in het register is geldig voor één jaar. De
                                        inschrijving wordt automatisch verlengd tenzij de
                                        inschrijving is beëindigd. De verlengingskosten zijn
                                        jaarlijks € 10,00.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn gerechtigd de in het derde
                                        en vierde lid van dit artikel genoemde bedragen voor
                                        inschrijving en verlenging te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verstrekken aan de
                                        standplaatszoekende een bewijs van inschrijving, waarop in
                                        ieder geval de volgende gegevens zijn vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>inschrijvingsnummer;</al></li><li nr="b."><al>datum van inschrijving;</al></li><li nr="c."><al>naam en adres van aanvrager.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als
                                        standplaatszoekende ingeschreven staat.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders halen een inschrijving door in
                                        het register indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de standplaatszoekende als huurder een standplaats
                                                van de gemeente in gebruik heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al>de standplaatszoekende als medehuurder wordt
                                                aangemerkt voor het huren van een standplaats van de
                                                gemeente;</al></li><li nr="c."><al>de standplaatszoekende daarom verzoekt omdat hij/zij
                                                zelf niet langer ingeschreven wilt staan;</al></li><li nr="d."><al>de standplaatszoekende is overleden;</al></li><li nr="e."><al>de standplaatszoekende niet tijdig de inschrijf- of
                                                verlengingskosten betaalt;</al></li><li nr="f."><al>de standplaatszoekende bij de inschrijving gegevens
                                                heeft verstrekt waarvan deze wist of redelijkerwijs
                                                kan vermoeden dat zij onjuist of onvolledig
                                                waren;</al></li><li nr="g."><al>de standplaatszoekende bij een verandering in
                                                zijn/haar adres niet binnen vier weken deze
                                                wijziging van zijn inschrijving heeft doorgegeven
                                                door inzending van een door burgemeester en
                                                wethouders te verstrekken wijzigingsformulier.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.5.</nr><titel>Voorwaarden aan inschrijving als
                                        standplaatszoekenden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij inschrijving in het register worden de volgende
                                            bescheiden overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een uittreksel uit de Basis Registratie Personen
                                                  van de woonplaats van de inschrijver;</al></li><li nr="b."><al>een geldig identiteitsbewijs;</al></li><li nr="c."><al>een geldig verblijfsdocument indieninschrijver
                                                  niet de Nederlandse nationaliteit bezit;</al></li><li nr="d."><al>het verzamelinkomen waaruit het huidige inkomen
                                                  van het huishouden blijkt;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere gegevens
                                            te vragen die nodig zijn de inschrijving te
                                            beoordelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.6.</nr><titel>Criteria voor vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de
                                        huisvestingsvergunning voor het betrekken van een
                                        standplaats, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden voldoet aan de voorwaarden genoemd in
                                                artikel 2.2.1;</al></li><li nr="b."><al>het huishouden volgens de volgordebepaling bedoeld
                                                in artikel 2.8.8 als eerste voor de standplaats in
                                                aanmerking komt;</al></li><li nr="c."><al>het aannemelijk is dat het huishouden de standplaats
                                                in gebruik zal nemen; en</al></li><li nr="d."><al>de gemeente, gelet op haar taak als exploitant van
                                                de woonwagenlocaties of haar belang als verhuurder,
                                                daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid
                                                voor de bescherming van de belangen van de overige
                                                bewoners en voor de waarborging van het woongenot,
                                                redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst
                                                met aanvrager niet weigert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 2.2.6, 2.2.7 en 2.2.8, eerste lid, zijn van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er kan één huisvestingsvergunning per huishouden worden
                                        verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.7.</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven
                                            van de vergunning geen gebruik meer te willen
                                            maken;</al></li><li nr="b."><al>de vergunninghouder de in de vergunning vermelde
                                            standplaats niet binnen de genoemde termijn in gebruik
                                            heeft genomen;</al></li><li nr="c."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                            vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.8.</nr><titel>Toewijzing standplaatsen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders wijzen een standplaats toe aan de
                                    standplaatszoekende met de langste wachttijd.</al><al>De wachttijd wordt bepaald door de inschrijfduur, die wordt
                                    bepaald door de datum van inschrijving in het register van
                                    standplaatszoekenden.</al></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>WIJZIGING VAN DE WOONRUIMTEVOORRAAD</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Onttrekking, samenvoeging en omzetting</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1.</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><al>Als woonruimte bedoeld in Afdeling I van Hoofdstuk 3 wordt
                                    aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>alle woonruimte onder de huurprijsgrens</al></li><li nr="b."><al>alle woonruimte onder de koopprijsgrens</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2.</nr><titel>Reikwijdte vergunningplicht</titel></kop><al>Het is verboden om woonruimte aangewezen in artikel 26, derde
                                    tot en met zevende lid zonder vergunning aan bestemming tot
                                    bewoning te onttrekken, met andere woonruimte samen te voegen of
                                    van zelfstandig in onzelfstandige woonruimte om te zetten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Procedure aanvraag onttrekkingsvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1.</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag wordt ingediend op een daartoe door burgemeester
                                        en wethouders vastgesteld formulier en gaat ten minste
                                        vergezeld van de in de artikelen 3.2.2 en 3.2.3 vermelde
                                        gegevens en bescheiden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                        door burgemeester en wethouders vastgestelde aantal worden
                                        ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één gebouw betreffen indien zij
                                        betrekking heeft op met elkaar samenhangende gebouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Op te nemen gegevens</titel></kop><al>Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de eigenaar;</al></li><li nr="b."><al>de straat, het huisnummer en de kadastrale ligging van
                                            het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(n)
                                            waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>de namen en de adressen van de bewoners van de
                                            woonruimte(n) waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="e."><al>de koopprijs dan wel de feitelijk betaalde en de
                                            maximaal redelijke huurprijs van de woonruimte(n) waarop
                                            de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="f."><al>in geval van samenvoeging: de naam van de toekomstige
                                            bewoner, de omvang van diens huishouden en de maximaal
                                            redelijke huurprijs van de samen te voegen
                                            woonruimte;</al></li><li nr="g."><al>de motivering van het verzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3.</nr><titel>In te dienen bescheiden</titel></kop><al>Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>één of meer tekeningen van de plattegrond op schaal van
                                            iedere verdieping van het gebouw, alsmede van de
                                            verdieping of verdiepingen waarop de aanvraag betrekking
                                            heeft, met een aanduiding van de beoogde
                                            bestemming;</al></li><li nr="b."><al>een situatietekening, gebaseerd op door of namens
                                            burgemeester en wethouders aangegeven kaartmateriaal
                                            waaruit blijkt de situering van het gebouw ten opzichte
                                            van de in de nabijheid gelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>een compensatievoorstel als bedoeld in artikel 3.3.2,
                                            eerste lid;</al></li><li nr="d."><al>de laatste WOZ-waardebeschikking;</al></li><li nr="e."><al>bescheiden betreffende eventueel verleende subsidies ten
                                            behoeve van woningverbetering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen twaalf weken na de
                                    dag waarop de aanvraag is ingediend. Zij kunnen deze termijn
                                    eenmaal met ten hoogste vierweken verlengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5.</nr><titel>Samenloop onttrekking en bouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien voor het gebouw of de gebouwgedeelten waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft, tevens een omgevingsvergunning is
                                        aangevraagd, kan bij de aanvraag voor overeenkomstige
                                        gegevens en bescheiden worden verwezen naar de
                                        coördinatiebepaling voor vergunningaanvragen uit de
                                        gemeentelijke bouwverordening voor zover die is
                                        opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de situatie als bedoeld in het eerste lid, kunnen
                                        burgemeester en wethouders de beslissing over een aanvraag
                                        voor de onttrekkingsvergunning aanhouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanhouding eindigt uiterlijk twee weken na de beslissing
                                        op de aanvraag voor de omgevingsvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6.</nr><titel>Beschikkingsvereisten</titel></kop><al>De onttrekkingsvergunning bevat tenminste de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonruimte(n) waarop de beschikking betrekking heeft,
                                            aangeduid met de straat, het huisnummer of de kadastrale
                                            ligging, waarbij voor het overige kan worden verwezen
                                            naar de bijgevoegde bescheiden als bedoeld in artikel
                                            30; en</al></li><li nr="b."><al>de geboden reële compensatie als bedoeld in artikel
                                            3.3.2, eerste lid;</al></li><li nr="c."><al>de mededeling dat binnen één jaar nadat de vergunning
                                            onherroepelijk is geworden van de vergunning moet worden
                                            gebruikgemaakt dan wel de termijn in geval van een
                                            tijdelijke vergunning.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Vergunningverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1.</nr><titel>Criteria voor vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het
                                        belang dat met de onttrekking, samenvoeging of omzetting is
                                        gediend even groot is als of groter is dan het belang van
                                        het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad,
                                        wordt de vergunning verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het
                                        belang van het behoud of de samenstelling van de
                                        woonruimtevoorraad groter is dan het met de onttrekking,
                                        samenvoeging of omzetting gediende belang wordt de
                                        vergunning verleend onder voorwaarde van het bepaalde in
                                        artikel 3.3.2, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het
                                        belang van het behoud of de samenstelling van de
                                        woonruimtevoorraad groter is dan het met de onttrekking,
                                        samenvoeging of omzetting gediende belang en dit belang niet
                                        door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende
                                        kan worden gediend, wordt de vergunning geweigerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2.</nr><titel>Reële compensatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het toevoegen van een of
                                        meer naar hun oordeel gelijkwaardige woonruimte aan de
                                        woonruimtevoorraad als voorwaarde aan de vergunning
                                        verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen beslissen tot een gehele
                                        of gedeeltelijke vrijstelling van compensatie zoals bedoeld
                                        in het eerste lid wanneer zij van oordeel zijn dat het
                                        bepaalde in artikel 3.3.1, eerste lid, van toepassing
                                        is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.3.</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een onttrekkingsvergunning
                                    intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk
                                            is geworden, is overgegaan tot onttrekking;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                            vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren;</al></li><li nr="c."><al>niet wordt voldaan aan de bij de vergunning gestelde
                                            voorwaarden en voorschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.4.</nr><titel>Tijdelijke onttrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een tijdelijke
                                        onttrekkingsvergunning verlenen als het belang van de
                                        aanvrager slechts voor een bepaalde tijd aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een tijdelijke onttrekkingsvergunning kan worden verleend
                                        voor ten hoogste vijf jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voor
                                        tijdelijke onttrekking de voorwaarde van financiële
                                        compensatie verbinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze compensatie bedraagt ten hoogste 1,2 % van de
                                        WOZ-waarde van de betreffende woonruimte.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>II.</nr><titel>Splitsing</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5.1.</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><al>Als woonruimte bedoeld in Afdeling II van Hoofdstuk 3 worden
                                    aangewezen huurwoningen onder de huurprijsgrens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5.2.</nr><titel>Reikwijdte vergunningplicht</titel></kop><al>Het is verboden een recht op een gebouw dat behoort tot in
                                    artikel 3.5.1 aangewezen woonruimte zonder vergunning van
                                    burgemeester en wethouders te splitsen in appartementsrechten
                                    als bedoeld in artikel 106, eerste en vierde lid, boek 5 van het
                                    Burgerlijk Wetboek, indien een of meer appartementsrechten de
                                    bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten
                                    van het gebouw als woonruimten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6.</nr><titel>Procedure aanvraag splitsingsvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6.1.</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een splitsingsvergunning moet schriftelijk worden
                                        aangevraagd op een door burgemeester en wethouders
                                        vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één gebouw betreffen als het
                                        aangrenzende gebouwen betreft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6.2.</nr><titel>Op te nemen gegevens</titel></kop><al>Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en (correspondentie)adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de straat, het huisnummer en de kadastrale ligging van
                                            het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft en het
                                            jaar van totstandkoming;</al></li><li nr="c."><al>de aard en het huidige gebruik van de woonruimte(n)
                                            waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>de namen en de adressen van de bewoners van de
                                            woonruimte(n) waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6.3.</nr><titel>In te dienen bescheiden</titel></kop><al>Bij de aanvraag worden tenminste de volgende bescheiden
                                    overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>één of meer tekeningen waaruit blijkt:</al></li><li nr="i."><al>de plattegrond van iedere verdieping van het
                                            gebouw;</al></li><li nr="ii."><al>de lengte- en dwarsdoorsneden;</al></li><li nr="iii."><al>alle gevelaanzichten;</al></li><li nr="iv."><al>details die verband houden met de geluidwering en de
                                            brandveiligheid.</al></li><li nr="b."><al>een situatietekening, gebaseerd op door of namens
                                            burgemeester en wethouders aangegeven kaartmateriaal,
                                            waaruit blijkt de situering van het gebouw ten opzichte
                                            van de in de nabijheid gelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>een splitsingsplan dat voldoet aan de vereisten als
                                            neergelegd in artikel 109 van boek 5 van het Burgerlijk
                                            Wetboek en het krachtens dat artikel vastgestelde
                                            besluit betreffende splitsing in appartementsrechten,
                                            waarin de indeling en de met de splitsing beoogde
                                            eigendomswijzigingen zijn aangegeven op ten minste de
                                            schaal 1 :100 en;</al></li><li nr="d."><al>een bouwkundig rapport waaruit afdoende blijkt dat de
                                            toestand van het gebouw zich uit een oogpunt van
                                            indeling of staat van onderhoud niet tegen splitsing
                                            verzet, dan wel hoe het gebouw hiertoe zal worden
                                            aangepast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6.4.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen dertien weken na
                                        de dag waarop de aanvraag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslistermijn eenmalig
                                        met dertien weken verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6.5.</nr><titel>Beschikkingsvereisten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De splitsingsvergunning bevat in ieder geval de volgende
                                        gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonruimte(n) waarop de beschikking betrekking
                                                heeft, aangeduid met de straat, het huisnummer en/of
                                                de kadastrale ligging, waarbij in ieder geval wordt
                                                verwezen naar het splitsingsplan als bedoeld in
                                                artikel 109 boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.</al></li><li nr="b."><al>de termijn waarbinnen van de splitsingsvergunning
                                                gebruik moet worden gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De splitsingsvergunning heeft een geldigheidsduur van één
                                        jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, tenzij
                                        een langere geldigheidsduur is vermeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7.</nr><titel>Vergunningverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7.1.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning
                                        weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebouw of het gedeelte van het gebouw waarop de
                                                vergunningaanvraag betrekking heeft, één of meer
                                                woonruimten bevat die worden verhuurd of die
                                                laatstelijk verhuurd zijn geweest;</al></li><li nr="b."><al>dan wel het gebouw of gedeelte van een gebouw, voor
                                                zover dit geheel of gedeeltelijk verhuurd is geweest
                                                voor bewoning, in strijd met de voorschriften van
                                                een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.5 dan
                                                wel een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26
                                                of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening of met enig
                                                wettelijk voorschrift, geheel of gedeeltelijk voor
                                                een ander doel dan voor bewoning in gebruik
                                                genomen;</al></li><li nr="c."><al>de maximale huurprijs voor één of meer van die
                                                woonruimte de huurtoeslaggrens niet te boven
                                                gaat;</al></li><li nr="d."><al>niet gewaarborgd is dat die woonruimte(n) na de
                                                voorgenomen splitsing bestemd blijft of blijven voor
                                                verhuur ter bewoning en</al></li><li nr="e."><al>het belang dat de aanvrager heeft bij splitsing niet
                                                opweegt tegen het belang van het behoud van de
                                                woonruimtevoorraad, voor zover die voor verhuur is
                                                bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning
                                        eveneens weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebied waarin het gebouw waarop de aanvraag
                                                betrekking heeft is gelegen, een bestemmingsplan als
                                                bedoeld in artikel 3.5 van de Wet ruimtelijke
                                                ordening van kracht is, dan wel een ontwerp voor een
                                                zodanig plan of zodanige verordening of voor een
                                                herziening daarvan in procedure is;</al></li><li nr="b."><al>het ontwerp voor dat plan of voor die verordening,
                                                dan wel voor de herziening daarvan ter inzage is
                                                gelegd voordat de aanvraag van de
                                                splitsingsvergunning is ingediend, dan wel, indien
                                                de aanvraag krachtens artikel 50 is aangehouden,
                                                voor dat die aanhouding is geëindigd;</al></li><li nr="c."><al>de voorgenomen splitsing naar het oordeel van
                                                burgemeester en wethouders nadelig gevolgen kan
                                                hebben voor de met het plan of die verordening
                                                nagestreefde of na te streven doeleinden, en;</al></li><li nr="d."><al>het belang dat de aanvrager bij splitsing heeft,
                                                niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van
                                                belemmering van de modernisering of vervanging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning
                                        ten slotte weigeren indien;</al><lijst><li nr="a."><al>de toestand van het gebouw waarop de aanvraag
                                                betrekking heeft, zich uit een oogpunt van indeling
                                                of de staat van onderhoud geheel of ten dele verzet,
                                                en</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende gebreken niet door het treffen van
                                                voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen
                                                kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende
                                                verzekerd is, dat die gebreken zullen worden
                                                opgeheven.</al></li><li nr="c."><al>Van gebreken als bedoeld in het voorgaande lid is in
                                                ieder geval sprake, indien een handhavingsbesluit
                                                ingevolge artikel 1b, tweede lid van de Woningwet is
                                                genomen of is aangeschreven ingevolge de artikelen
                                                13 of 13a van de Woningwet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7.2.</nr><titel>Aanhoudingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders houden de beslissing op een
                                        aanvraag aan indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7
                                                van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is met
                                                het oog op de voorbereiding van een
                                                stadsvernieuwingsplan of van een herziening
                                                daarvan;</al></li><li nr="b."><al>dat besluit is genomen voordat de aanvraag om
                                                vergunning werd ingediend;</al></li><li nr="c."><al>redelijkerwijs mag worden verwacht dat de in het
                                                stadsvernieuwingsplan op te nemen maatregelen
                                                nadelig kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen
                                                splitsing, en;</al></li><li nr="d."><al>redelijkerwijs mag worden verwacht dat het belang
                                                dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet
                                                opweegt tegen het belang van het voorkomen van
                                                belemmering van de modernisering of vervanging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanhouding als bedoeld in het eerste lid duurt niet
                                        langer dan tot het moment dat het voorbereidingsbesluit
                                        ingevolge artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening is
                                        vervallen, waarna burgemeester en wethouders binnen vier
                                        weken beslissen op een aanvraag om een
                                        splitsingsvergunning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In verband met de toestand van het gebouw</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders houden de beslissing op een
                                        aanvraag aan indien de aanvrager aannemelijk kan maken dat
                                        hij de gebreken als bedoeld in artikel 49, derde lid met het
                                        oog op de voorgenomen splitsing zal opheffen binnen een
                                        daarvoor door burgemeester en wethouders gestelde
                                        termijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Van gebreken als bedoeld in het voorgaande lid is in ieder
                                        geval sprake, indien een handhavingsbesluit ingevolge
                                        artikel 1b, tweede lid van de Woningwet is genomen of is
                                        aangeschreven ingevolge de artikelen 13 of 13a van de
                                        Woningwet.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In geval van het vierde lid, wordt in het besluit tot
                                        aanhouding met betrekking tot de op te heffen gebreken en de
                                        daarvoor geldende termijn verwezen naar die
                                        aanschrijving.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Nadat door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat de
                                        gebreken als bedoeld in artikel 49 derde en vierde lid zijn
                                        hersteld, dan wel de noodzakelijke voorzieningen zijn
                                        getroffen binnen de daarvoor aangegeven termijn, wordt met
                                        inachtneming van de Bouwverordening van de betreffende
                                        gemeente binnen vier weken de vergunning verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7.4.</nr><titel>Vergunningverlening corporaties</titel></kop><al>Een aanvraag voor een splitsingsvergunning door een corporatie
                                    wordt niet geweigerd, indien wordt voldaan aan de volgende
                                    voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>er geen bezwaar is van de kant van burgemeester en
                                            wethouders op grond van een zwaarwegend
                                            volkshuisvestingsbelang;</al></li><li nr="b."><al>de woningcorporatie voldoet aan de bepalingen van een
                                            tussen burgemeester en wethouders en de corporatie(s)
                                            overeengekomen of overeen te komen convenant inzake
                                            splitsing en verkoop van huurwoningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7.5.</nr><titel>Quotum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeesters en wethouders kunnen per gebiedsdeel een
                                        quotum vaststellen voor het aantal te verlenen vergunningen
                                        per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt genomen voor
                                        1 september van het kalenderjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7.6.</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning
                                    intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk
                                            is geworden, is overgegaan tot overschrijving in
                                            openbare registers van de akte van splitsing in
                                            appartementsrechten, bedoeld in artikel 109 van Boek 5
                                            van het Burgerlijk Wetboek, of tot het verlenen van
                                            deelnemings- of lidmaatschapsrechten;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                            vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>VERDERE BEPALINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Wijzigingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1.</nr><titel>Overleg bij wijziging</titel></kop><al>Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van deze
                                verordening plegen burgemeester en wethouders overleg met
                                burgemeester en wethouders van de andere regiogemeenten, met de in
                                de woningmarktregio werkzame corporaties en met andere daarvoor naar
                                zijn oordeel in aanmerking komende organisaties die binnen de
                                woningmarktregio werkzaam zijn op het gebied van de
                                volkshuisvesting.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Verslaglegging en monitoring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1.</nr><titel>Verstrekken van inlichtingen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verstrekken het
                                portefeuillehoudersoverleg de v inlichtingen, die nodig zijn voor
                                een juiste afstemming over de wijze waarop burgemeester en
                                wethouders deze verordening uitvoeren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Handhaving en toezicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1.</nr><titel>Handelen zonder of in strijd met een vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete
                                    opleggen bij ovrtreding van de verboden bedoeld in artikel 8, 21
                                    of 22 van de wet of handelen in strijd met de voorwaarden of
                                    voorschriften, bedoeld in artikel 24 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtreding van het verbod, bedoeld
                                    in artikel 8, eerste lid, van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de eerste overtreding en voor een herhaalde
                                            overtreding na een periode van 12 maanden: € 405</al></li><li nr="b."><al>voor een herhaalde overtreding binnen een periode van 12
                                            maanden: € 405</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtreding van het verbod, bedoeld
                                    in artikel 8, tweede lid, van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de eerste overtreding en voor een herhaalde
                                            overtreding na een periode van 12 maanden: € 3250</al></li><li nr="b."><al>voor een herhaalde overtreding binnen een periode van 12
                                            maanden: € 10.000</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtreding van het verbod, bedoeld
                                    in artikel 21 of 22 van de wet, of voor handelen in strijd met
                                    de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 24 van de
                                    wet, bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de eerste overtreding en voor een herhaalde
                                            overtreding na een periode van 12 maanden: € 13.500</al></li><li nr="b."><al>voor een herhaalde overtreding binnen een periode van 12
                                            maanden: € 20.250</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Restbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de
                                toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere
                                hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze
                                verordening.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>OVERGANGS EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.</nr><titel>Overgangsbepalingen beschikkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen, met inbegrip van
                                daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften vóór het tijdstip van
                                inwerkingtreding van de onderhavige verordening verleend, gelden als
                                vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen en indicaties, met
                                inbegrip van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften als
                                bedoeld in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2016 blijft van
                                toepassing op een huisvestingsvergunning, een onttrekkingsvergunning
                                of een splitsingsvergunning of een beschikking tot weigering,
                                wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk
                                is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2016 blijft van
                                toepassing op een beschikking tot toepassing van een bestuurlijke
                                sanctie, genomen wegens de overtreding van het bepaalde bij of
                                krachtens de Huisvestingswet, of een beschikking tot weigering,
                                wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk
                                is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voor de inwerkingtreding gedane inschrijvingen van
                                standplaatszoekenden, worden geacht inschrijvingen te zijn als
                                bedoeld in artikel 2.8.3 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De voor inwerkingtreding van deze verordening vastgestelde
                                beleidsregels blijven onverkort van toepassing indien ze door de
                                inwerkingtreding van deze verordening niet worden gewijzigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.</nr><titel>Overgangsbepalingen en coulanceregeling omzetten woonduur naar
                                inschrijfduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een woningzoekende zich in de periode van 1 januari 2016 tot
                                1 juli 2019 als zodanig inschrijft, wordt de woonduur die hij heeft
                                opgebouwd onmiddellijk voorafgaand aan 31 december 2015, omgezet
                                naar inschrijfduur indien de woningzoekende bij of na die
                                inschrijving bij de beheerder van het aanbodinstrument of bij een
                                corporatie aangegeven heeft dat bedoelde woonduur omgezet moet
                                worden naar inschrijfduur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde omzetting van woonduur naar
                                inschrijfduur vindt plaats in een verhouding van 1:1.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inschrijfduur die met toepassing van de vorige leden is ontstaan
                                door omzetting van woonduur vervalt op 1 juli 2030.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Huisvestingsverordening gemeente
                            Amstelveen 2016.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016 en vervalt op 1
                            januari 2020.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de gemeenteraad van Amstelveen d.d.
                        16 december 2015</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1 </titel></kop><al>Behorende bij artikel 2.1.1, derde lid</al><al>Gemeente Amstelveen</al><lijst><li nr="1."><al>Bejaardenwoningen met dienstverlening op indicatie van de Stichting
                            Welzijn Ouderen</al></li><li nr="2."><al>Woonruimten geleden in het complex ‘Aemstelsteijn’ aan de Laan van de
                            Helende Meesters</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2 </titel></kop><al>Behorende bij artikel 2.3.3</al><al>Gemeente Amstelveen</al><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Woning met woonoppervlak of aantal kamers</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Huishouden met minimaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 kamer , 2 kamer en 3 kamerwoningen</al></entry><entry colname="col2"><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 kamerwoning &lt; 60 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 kamerwoning &gt; 60 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>2 personen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 kamerwoning</al></entry><entry colname="col2"><al>5 of meer personen</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>