<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR40953_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-09-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekend Totaal, 2008-04-23</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2004 (versie 2)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-12-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>gewijzigde regeling, artt. 17 en 18</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>raadsvoorstel 124-2007</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>MAATREGELENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al>gelezen het voorstel van het college d.d. 5 oktober 2004, nr. 95-2004;</al><al>gelet op artikel 18 Wet werk en bijstand;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de navolgende Maatregelenverordening Wet werk en
                        bijstand.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet werk en bijstand; </al></li><li nr="b."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Apeldoorn; </al></li><li nr="c."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    b, van de wet; </al></li><li nr="d."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de wet; </al></li><li nr="e."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand; </al></li><li nr="f."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de wet; </al></li><li nr="g."><al>langdurigheidstoeslag: de toeslag bedoeld in artikel 5,
                                    onderdeel e, van de wet; </al></li><li nr="h."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van
                                    de wet; </al></li><li nr="i."><al>belanghebbende: persoon voor wie een maatregel wordt overwogen
                                    dan wel aan wie een maatregel wordt opgelegd; </al></li><li nr="j."><al>recidive: herhaling van een voor sanctionering vatbare gedraging
                                    binnen twaalf maanden. De verwijtbare gedraging betreft dezelfde
                                    of een hogere categorie in het kader van hetzelfde artikel;
                                </al></li><li nr="k."><al>bijlage bij het toekennings- of voorzettingsbesluit: het
                                    trajectplan horende bij het desbetreffende besluit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder het zich jegens het college
                                zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een
                                maatregel opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De oplegging van een maatregel houdt in de verlaging van de bijstand
                                en/of de langdurigheidstoeslag met een bepaald percentage daarvan
                                dan wel het korten van een bepaald bedrag op de uitkering; in beide
                                situaties gedurende een bepaalde periode. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet, of </al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het hiermede
                            corresponderende bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van
                            de uitkeringsnorm, het door toepassing van artikel 9, vijfde lid te
                            korten bedrag en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van
                            een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit kan
                                zowel schriftelijk door middel van een verklaring als mondeling.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; </al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet, of </al></li><li nr="d."><al>in bijzondere situaties geen enkele twijfel bestaat over het
                                        vaststellen van de ernst van de gedraging en/of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of </al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan zes maanden vóór constatering van die
                                        gedraging heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een
                                        schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg
                                        daarvan ten onrechte bijstand is verleend; </al></li><li nr="c."><al>vijf jaren zijn verstreken nadat de gedraging betreffende
                                        een schending van de inlichtingenplicht heeft
                                        plaatsgevonden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan
                                van de voor die maand geldende bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de
                                langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de opgelegde maatregel niet of niet geheel kan worden
                                uitgevoerd omdat de bijstand wordt beëindigd, kan het nog niet
                                uitgevoerde deel van de maatregel alsnog ten uitvoer worden gelegd
                                indien de belanghebbende binnen een termijn van zes maanden opnieuw
                                bijstand ontvangt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                binnen drie maanden nadat het besluit is genomen heroverwogen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende
                                gedragingen, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                                maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is
                                gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van samenloop van gedragingen als de dienst twee of
                                meer gedragingen tegelijkertijd constateert en de gedragingen binnen
                                een periode van 30 dagen plaats hebben gevonden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet
                                            tijdig laten verlengen van de registratie; </al></li><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan het college
                                            verstrekken van de bijlage bij het besluit tot
                                            toekenning of voorzetting van de bijstand. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
                                        </al></li><li nr="c."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om,
                                            in verband met de inschakeling in de arbeid, op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;
                                        </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid, onderdeel b, en artikel 10, eerste lid, van de wet.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
                                        </al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid; </al></li><li nr="c."><al>het niet meewerken aan een vastgesteld trajectplan.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Vijfde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            deeltijdarbeid; </al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde deeltijdarbeid; </al></li><li nr="c."><al>het niet meewerken aan een vastgesteld trajectplan.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op: </al><lijst><li nr="a."><al>5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                        van de eerste categorie; </al></li><li nr="b."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                        van de tweede categorie; </al></li><li nr="c."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                        van de derde categorie; </al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij
                                        gedragingen van de vierde categorie; </al></li><li nr="e."><al>een éénmalig bedrag ter hoogte van de laatste twee maanden
                                        gederfde inkomsten dan wel het gemiddelde van de te
                                        verwachten inkomsten bij gedragingen van de vijfde
                                        categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onder a t/m
                                c en de duur van de maatregel als bedoeld onder d en e worden
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Rekening houdend met de bepaling van artikel 7, vierde lid, wordt de
                                duur van de maatregel als bedoeld in de tweede lid verdubbeld,
                                indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij de hoogte of de duur van de maatregel reeds
                                is verdubbeld opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                van dezelfde of hogere categorie. Bij een overtreding die binnen een
                                hogere categorie valt, wordt de zwaarste van de twee sancties
                                opgelegd waarbij de periode wordt verdubbeld. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17
                                van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor
                                de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de
                                door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt –
                                met inachtneming van het bepaalde in artikel 54 van de wet - een
                                maatregel opgelegd van 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand,
                                onverminderd artikel 2, derde lid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel wordt verdubbeld, indien de
                                belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt
                                aan dezelfde als verwijtbare aan te merken gedraging. Met een
                                besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het
                                besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Rekening houdend met de bepaling van artikel 7, vierde lid, wordt de
                                duur van de maatregel als bedoeld in de tweede lid verdubbeld,
                                indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij de hoogte van de maatregel reeds is
                                verdubbeld, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan
                                te merken gedraging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel
                                afgestemd op de hoogte van het netto benadelingsbedrag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                volgende wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 500,=: 5 % van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand; </al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 500,= tot € 1.000,=: 10 %
                                        van de bijstandsnorm gedurende een maand; </al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,= tot € 2.000,=: 20 %
                                        van de bijstandsnorm gedurende een maand; </al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,= tot € 4.000,=: 40 %
                                        van de bijstandsnorm gedurende een maand; </al></li><li nr="e."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,= tot € 6.000,=: 60 %
                                        van de bijstandsnorm gedurende een maand; </al></li><li nr="f."><al>bij een benadelingsbedrag van € 6.000,= of meer: 100 % van
                                        de bijstandsnorm gedurende een maand. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging binnen dezelfde
                                benadelingscategorie of een hogere benadelingscategorie. Bij een
                                overtreding die binnen een hogere categorie valt, wordt de hoogte
                                van de twee sancties verdubbeld opgelegd. Met een besluit waarmee
                                een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6,
                                tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Rekening houdend met de bepaling van artikel 7, vierde lid, wordt de
                                duur van de maatregel als oeld in de derde lid nogmaals verdubbeld,
                                indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij de duur van de maatregel reeds is
                                verdubbeld, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                binnen dezelfde of hogere benadelingscategorie. Bij een overtreding
                                die binnen een hogere categorie valt, wordt de zwaarste van de twee
                                sancties opgelegd waarbij de periode wordt verdubbeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt
                                de maatregel, onverminderd artikel 2, derde lid, 5% van de
                                bijstandsnorm gedurende een maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een zelfde verwijtbare gedraging. Met een
                                besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het
                                besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Rekening houdend met de bepaling van artikel 7, vierde lid, wordt de
                                duur van de maatregel als bedoeld in de tweede lid verdubbeld,
                                indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij de hoogte van de maatregel reeds is
                                verdubbeld, opnieuw schuldig maakt aan een zelfde verwijtbare
                                gedraging.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Betonen van een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt,
                                met uitzondering van het bepaalde in lid 2, sub a, van dit artikel,
                                een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingsbedrag, met inbegrip van het onverantwoord bestede
                                vermogen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, derde lid, wordt de maatregel op de volgende
                                wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,=: 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand; </al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,= tot € 2.000,=: 20%
                                        van de bijstandsnorm gedurende een maand; </al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,= tot € 4.000,=: 40%
                                        van de bijstandsnorm gedurende een maand; </al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,= of meer: 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebben de zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging binnen dezelfde
                                benadelingscategorie of een hogere benadelingscategorie. Bij een
                                overtreding die binnen een hogere categorie valt, wordt de hoogste
                                van de twee sancties verdubbeld opgelegd. Met een besluit waarmee
                                een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6,
                                tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Rekening houdend met de bepaling van artikel 7, vierde lid, wordt de
                                duur van de maatregel als bedoeld in de derde lid nogmaals
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij de duur van de maatregel reeds
                                is verdubbeld, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                binnen dezelfde of hogere benadelingscategorie. Bij een overtreding
                                die binnen een hogere categorie valt, wordt de zwaarste van de twee
                                sancties opgelegd waarbij de periode wordt verdubbeld. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college, zijn ambtenaren of medewerkers van andere organisaties die
                                belast zijn met de uitvoering van de wet, onder omstandigheden die
                                rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als
                                bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt een maatregel
                                opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, derde lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op: </al><lijst><li nr="a."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het
                                        uitoefenen van fysiek geweld tegen personen en/of materiële
                                        zaken; </al></li><li nr="b."><al>75% procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        bedreigingen geuit aan personen zoals bedoeld in het eerste
                                        lid; </al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het
                                        uitoefenen van verbaal geweld, mondeling dan wel
                                        schriftelijk. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de opgelegde maatregel als bedoeld in het tweede lid
                                wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                opgelegd, opnieuw zeer ernstig misdraagt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het derde lid wordt nogmaals
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij de duur van de maatregel reeds
                                is verdubbeld, opnieuw zeer ernstig misdraagt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Beleidskader WWB en uitvoeringsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt ter nadere toelichting op deze verordening en in
                                aanmerking genomen het bepaalde in artikel 8a van de Wet werk en
                                bijstand een beleidskader WWB vast, waarin prioriteiten worden
                                aangegeven in het te voeren beleid op het gebied van handhaving,
                                bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit kader omvat in elk geval: </al><lijst><li nr="·"><al>de prioriteiten in de handhaving; </al></li><li nr="·"><al>de acties in de handhaving; </al></li><li nr="·"><al>de prioriteiten in de fraudebestrijding; </al></li><li nr="·"><al>de acties in de fraudebestrijding. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt op basis van het beleidskader WWB jaarlijks een
                                uitvoeringsplan Handhaving vast en zendt dit plan ter kennisname aan
                                de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>SVB maatregelenbeleid</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen in de hoofdstukken 1 t/m 5 van deze
                            verordening is op de uitkeringsgerechtigden die op grond van de Regeling
                            mandaatverstrekking, machtiging en volmachtverlening aan de SVB - die
                            met ingang van 1 januari 2008 in werking treedt - een uitkering
                            ingevolge de WWB ontvangen, met ingang van die datum het
                            maatregelenbeleid van de SVB (Staatscourant 2006, 121) van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 december 2004.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Maatregelenverordening Wet werk
                            en bijstand’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 18 november 2004</ondertekening><ondertekening>Gepubliceerd in Weekend Totaal d.d. 3 december 2004</ondertekening><ondertekening>Inwerking getreden d.d. 1 december 2004</ondertekening><ondertekening>Gewijzigd bij besluit d.d. 22 december 2007 (nieuw art. 17 ingevoegd; artt.
                        17 en 18 vernummerd)</ondertekening><ondertekening>Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad d.d. 23 april 2008</ondertekening><ondertekening>Inwerking getreden d.d. 1 januari 2008</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING MAATREGELENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>De regeling in de Wet werk en bijstand</tussenkop><al>Met de volledige inwerkingtreding van de WWB komt het systeem van boeten en
                    maatregelen van de Algemene bijstandswet (de artikelen 14 tot en met 14f, nader
                    uitgewerkt in het Maatregelenbesluit en Boetebesluit) te vervallen. De WWB kent
                    slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering.</al><al>De boete als sanctie voor uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht
                    hebben geschonden, verdwijnt. </al><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in een
                    verordening vast te leggen. Dit artikel luidt: </al><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af
                            op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen
                            28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur
                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                            niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                            college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de
                            verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand
                            of de langdurigheidstoeslag. Van een verlaging wordt afgezien indien
                            elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                            binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                            bedraagt.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
                            verstaan het gezin.</al></li></lijst><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                    recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                    van uitkeringsgerechtigden. In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd
                    tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college
                    tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Alleen wanneer iedere vorm
                    van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging.</al><al>Deze verlaging van de uitkering kan alleen plaatsvinden overeenkomstig een door
                    de raad vast te stellen verordening. Dit is de maatregelenverordening.</al><al/><tussenkop>De term ‘maatregel’</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate
                    waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met de begrip
                    ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten en plichten
                    één kant van dezelfde medaille vormen.</al><al/><al>Zonder dat uitgangspunt los te laten, is er voor gekozen om het verlagen van de
                    bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aan te
                    duiden als het opleggen van een maatregel. Daarmee wordt niet alleen aangesloten
                    bij het spraakgebruik dat sinds de Wet boeten en maatregelen gangbaar is, maar
                    wordt ook het sanctionerende karakter ervan benadrukt.</al><al>Wat voortdurend voor ogen moet worden gehouden is dat het opleggen van een
                    maatregel géén punitieve sanctie is, waarbij het leedtoevoegend karakter voorop
                    staat, máár een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht op
                    het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate
                    waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen
                    nakomt.</al><al/><tussenkop>Het verlagen van de bijstand</tussenkop><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan zowel de bijstand (dat wil zeggen:
                    algemene bijstand en bijzondere bijstand) als de langdurigheidstoeslag worden
                    verlaagd.</al><al>In de verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel worden opgelegd
                    over de bijstandsnorm (de op belanghebbende van toepassing zijnde norm plus
                    eventuele toeslagen). De uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor
                    jongeren van 18 tot 21 jaar. Deze groep ontvangt een lage algemene
                    bijstandsuitkering die wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                    bijstand in de kosten van levensonderhoud en valt dus buiten het toeslag
                    systeem. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou
                    dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen en ouder.</al><al>In de verordening wordt tevens mogelijk gemaakt om in incidentele gevallen een
                    maatregel toe te passen op de langdurigheidstoeslag.</al><al/><al>De keuze om niet in zijn algemeenheid maatregelen toe te passen op de
                    langdurigheidstoeslag houdt verband met artikel 36, eerste lid sub c. Op grond
                    van deze bepaling moet het college de langdurigheidstoeslag weigeren als iemand
                    gedurende 60 maanden (= vijf jaar) naar het oordeel van het college onvoldoende
                    heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden. De
                    verplichting om de langdurigheidstoeslag te weigeren verhoudt zich niet met een
                    eventuele verplichting deze toeslag te verlagen. Het is niet mogelijk
                    niet-bijstandsgerechtigden die in aanmerking komen voor een
                    langdurigheidstoeslag een maatregel op te leggen. De enige verplichting die zij
                    kunnen schenden in verband met de langdurigheidstoeslag is het verstrekken van
                    geen of onvoldoende gegevens waardoor het college de rechtmatigheid van het
                    verlenen van deze uitkering niet kan vaststellen. De sanctie die hierop rust is
                    niet een verlaging van de langdurigheidstoeslag, maar het weigeren van deze
                    toeslag.</al><al>Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het
                    uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen ook niet in
                    rede. Wel kan bij de beoordeling of iemand al dan niet in aanmerking komt voor
                    bijzondere bijstand het feit dat iemand zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate is nagekomen een rol spelen. Dit geldt dan vooral voor de
                    plicht voldoende besef van verantwoordelijkheid tonen voor de voorziening in het
                    bestaan.</al><tussenkop>ARTIKELGEWIJS</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving </tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de Wet werk en bijstand.</al><lijst><li nr="a."><al>De wet: de Wet werk en bijstand (WWB) van 9 oktober 2003, Staatsblad
                            375. </al></li><li nr="b."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                            Apeldoorn. </al></li><li nr="c."><al>Algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen
                            noodzakelijke kosten van het bestaan. </al></li><li nr="d."><al>Bijzondere bijstand: de bijstand ter voorziening in de uit bijzondere
                            omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.
                        </al></li><li nr="e."><al>Bijstand: zowel algemene als bijzondere bijstand. </al></li><li nr="f."><al>Bijstandsnorm: de bijstandsnorm zoals omschreven in paragraaf 3.2 van de
                            wet. </al></li><li nr="g."><al>Langdurigheidstoeslag: de toeslag zoals omschreven in paragraaf 4.1 van
                            de wet. </al></li><li nr="h."><al>Maatregel: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag als
                            gevolg van gedragingen zoals omschreven in artikel 18 van de wet. </al></li><li nr="i."><al>Belanghebbende: persoon die door eigen toedoen in aanmerking komt voor
                            de oplegging van een maatregel. </al></li><li nr="j."><al>Recidive: herhaling van een voor sanctionering vatbare gedraging binnen
                            twaalf maanden. De verwijtbare gedraging betreft dezelfde of een hogere
                            categorie in het kader van hetzelfde artikel. </al></li><li nr="k."><al>Bijlage bij het toekennings- of voortzettingsbesluit: het trajectplan
                            als verplicht onderdeel van het besluit tot toekenning of voortzetting
                            van de bijstand.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen: </al><lijst><li nr="1."><al>het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al></li><li nr="2."><al>de plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                            twee soorten verplichtingen: </al><lijst><li nr="·"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden, en </al></li><li nr="·"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                </al></li></lijst><al>Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                            verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                            de bijstandsgerechtigde. De reïntegratieverordening die elke gemeente
                            moet opstellen, vormt de juridische basis voor opleggen van deze
                            specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot
                            het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd. </al></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en recht op
                            bijstand. </al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals: </al><lijst><li nr="·"><al>het toestaan van huisbezoek; </al></li><li nr="·"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                    de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen’. </al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale
                    organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing
                    door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op
                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te
                    delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand,
                    het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de
                    bijstand. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De maatregelen worden in het algemeen vastgesteld in de vorm van een vaste
                    (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm gedurende een bepaalde periode. De
                    enige uitzondering hierop is artikel 9, vijfde lid van de verordening. In lid 4
                    en 5 van dit artikel wordt, bij het niet behouden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid, een splitsing gemaakt tussen full-time arbeid en deeltijdarbeid. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het derde lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen
                    maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende
                    en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van
                    de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                    Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging
                    betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: </al><lijst><li nr="·"><al>stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging; </al></li><li nr="·"><al>stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid; </al></li><li nr="·"><al>stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;
                        </al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden; </al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3 De berekeningsgrondslag</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke verhoging of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                    noodzakelijk wordt aangevuld tot de norm 21-jarige dan wel de WSF-norm, door
                    middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud.
                    Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm ad € 196,92 (peildatum
                    01-07-2003) wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte
                    van de 21-jarigen.</al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                    gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging
                    van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag.</al><tussenkop>Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een maatregel</tussenkop><al> verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats door
                    middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende uitkering wordt
                    opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op grond
                    van artikel 45 WWB genomen. </al><al>Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot
                    herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid). Tegen beide
                    besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend.</al><al/><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                    vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb) en dan met het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder
                    andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt
                    voorzien. </al><al>In het besluit dient tot uitdrukking te komen het percentage met het
                    corresponderende bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd, dan wel het - door
                    toepassing van artikel 9, vijfde lid, opgelegde maatregel - bedrag dat gekort
                    wordt, alsmede de duur van de maatregel.</al><tussenkop>Artikel 5 Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in een
                    aantal gevallen het horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding
                    van beschikkingen.</al><al>In artikel 5 van de verordening wordt het horen van de belanghebbende voordat
                    een maatregel wordt opgelegd in beginsel verplicht gesteld. </al><al>Daar in bepaalde situaties het ‘werkelijk’ horen enigszins bezwaarlijk kan zijn
                    voor belanghebbende, is het mogelijk om hem zijn zienswijze schriftelijk naar
                    voren te laten brengen. Artikel 4:9 van de Awb laat dit toe. De keuze omtrent de
                    wijze van horen is een bevoegdheid van de dienst en kan derhalve niet aan de
                    belanghebbende worden overgelaten. </al><al>In de volgende situaties kan de dienst volstaan met een verzoek aan
                    belanghebbende een schriftelijke verklaring (wel dan niet d.m.v. een voorgedrukt
                    formulier) in te dienen: </al><lijst><li nr="·"><al>het niet dan wel niet tijdig indienen van het mutatieformulier; </al></li><li nr="·"><al>het niet dan wel niet tijdig indienen van het statusformulier; </al></li><li nr="·"><al>het niet dan wel niet tijdig indienen van documenten die nodig zijn voor
                            de bepaling van het recht of dan wel de voortzetting van bijstand, zoals
                            bankafschriften, salarisbewijzen, enz. </al></li></lijst><al>Het bovenstaande betekent niet dat de dienst in situaties zoals hierboven
                    genoemd belanghebbende altijd schriftelijk dient te horen. Er dient per geval
                    elke keer een afweging plaats te vinden omtrent de wijze van horen; daarom wordt
                    er gekozen voor een systeem waarbij de keuze over de wijze van horen aan de
                    dienst wordt overgelaten en niet aan belanghebbende.</al><al/><al> tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. </al><al>De onderdelen a en b zijn in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen
                    van de Awb.</al><al>Met de in onderdeel c genoemde ‘derde’ wordt bedoeld een van de
                    reïntegratiebedrijven aan wie het college bepaalde werkzaamheden ter
                    inschakeling van personen in de arbeid heeft uitbesteed.</al><al>Tenslotte voor wat onderdeel d betreft, kan het zijn dat in zeer bijzondere
                    situaties waarin voor de dienst de ernst van de gedraging, maar vooral de mate
                    van verwijtbaarheid absoluut duidelijk is, van het horen kan worden
                    afgezien.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. fzien van het opleggen van een maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid’ ontbreekt, is reeds geregeld in artikel 18, tweede lid,
                            WWB. Rekening houdend met het feit dat het moeilijk is aan te geven
                            welke specifieke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden
                            geacht en welke gedragingen in beginsel nooit, wordt aan de dienst
                            overgelaten door middel van individualiserings-overwegingen, de
                            verwijtbaarheid vast te stellen. Hiermee wordt tevens het risico van een
                            gelimiteerde opsomming van situaties (waarbuiten de dienst niet kan
                            opereren) vermeden. </al></li><li nr="b."><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                            van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel
                            spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze
                            reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt
                            voor gedragingen die langer dan zes maanden eerder hebben
                            plaatsgevonden. </al></li><li nr="c."><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en
                            als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand
                            is verleend, geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn
                            wordt aangesloten bij de termijn die staat in artikel 14e van de
                            toenmalig Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een
                            boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf
                            jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en
                            gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de
                            omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd. Er kunnen bijvoorbeeld omstandigheden zich voordoen
                    waarbij de financiële situatie van de belanghebbende en/of zijn (geestelijke dan
                    wel lichamelijke) gezondheid in het geding zijn en naar aanleiding hiervan
                    duidelijk is dat het opleggen van de maatregel onevenredig nadeel teweeg zou
                    brengen dan wel geen enkel corrigerend effect zou hebben.</al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel dient in een beschikking te worden
                    vastgelegd.</al><al>Ten eerste omdat belanghebbende van deze beschikking kennis moet kunnen nemen en
                    ten tweede omdat de toepassing van recidive mede gebaseerd moet zijn op een
                    eerder afgegeven beschikking.</al><tussenkop>Artikel 7 Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: 1) door middel van
                    verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en) en 2) met
                    terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering.</al><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    meest gehanteerde methode.</al><al>In dat geval behoeft niet te worden overgegaan tot herziening en evenmin tot
                    terugvordering van de bijstand. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een
                    maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij
                    wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstand.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In de situatie dat de uitkering nog niet (volledig) is uitbetaald aan de
                    uitkeringsgerechtigde, kan een maatregel worden opgelegd, zonder dat een bedrag
                    moet worden teruggevorderd. Het tweede lid geeft de bevoegdheid aan het college
                    om in een dergelijk geval wél een maatregel met terug-werkende kracht op te
                    leggen.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Een maatregel die over een toekomstige uitkering wordt opgelegd, kan niet worden
                    toegepast in de situatie dat de bijstand wordt beëindigd. Om bij beëindiging een
                    maatregel toch te kunnen effectueren is het derde lid opgenomen.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                    maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde
                    die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. </al><al>Het college is bevoegd na afloop van de periode waarvoor de maatregel is
                    getroffen opnieuw een maatregel op te leggen. Hiervoor is dan wel weer een apart
                    besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan moet
                    het college de maatregel aan een herbeoordeling onderwerpen. Dit is
                    voorgeschreven in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>De herbeoordeling vindt plaats voordat de termijn van drie maanden is
                    verstreken. </al><al>Het spreekt voor zich dat de heroverweging moet uitmonden in een nieuw, voor
                    bezwaar en beroep, vatbaar besluit.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Samenloop van gedragingen </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een belanghebbende die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden.
                    In een dergelijke situatie wordt de hoogte en duur van de maatregel opgelegd die
                    correspondeert met de gedraging waartegen de zwaarste maatregel is gesteld. Een
                    optelling van maatregelen is niet mogelijk.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Of er sprake is van samenloop is afhankelijk van twee factoren, t.w.: </al><lijst><li nr="·"><al>de gedragingen hebben plaats gevonden binnen een periode van dertig
                            dagen, en </al></li><li nr="·"><al>het college heeft de twee (of meerdere) verwijtbare gedragingen
                            tegelijkertijd geconstateerd.</al></li></lijst><al>Als het college binnen de periode van dertig dagen constateert dat er sprake is
                    van twee (of meer) verwijtbare gedragingen, maar de constatering hiervan niet
                    tegelijkertijd plaats vindt, is er geen sprake van samenloop maar van recidive.
                    Immers reeds na het constateren van de eerste overtreding dient een besluit te
                    worden genomen. Hetgeen hierna – binnen een periode van twaalf maanden – zich
                    voordoet valt onder recidive; in ieder geval niet onder samenloop.</al><al/><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Het hanteren van het begrip samenloop wordt afzonderlijk toegepast, t.w. in het
                    kader van verwijtbare gedragingen t.a.v. doelmatigheid en in het kader van
                    gedragingen t.a.v. rechtmatigheid.</al><tussenkop>Sub a. </tussenkop><al>Er is sprake van samenloop van gedragingen in het kader van doelmatigheid, als
                    de verwijtbare handelingen de plicht tot arbeidsinschakeling betreffen. Het gaat
                    dan ook om gedragingen zoals weergegeven in artikel 9 van de verordening.</al><tussenkop>Sub b. </tussenkop><al>Er is sprake van samenloop van gedragingen i.h.k. van rechtmatigheid als die
                    handelingen in strijd zijn met alle andere verplichtingen die in de wet zijn
                    gesteld. Hieronder vallen het tonen van een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid, verzuim van de inlichtingenverplichting en/of het zich
                    ernstig misdragen jegens het college dan wel de ambtenaren.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Als gedragingen in het kader van zowel doelmatigheid als rechtmatigheid binnen
                    een periode van 30 dagen tegelijkertijd worden geconstateerd is er geen sprake
                    van samenloop van gedragingen en dienen twee verschillende maatregelen te worden
                    opgelegd d.m.v. twee afzonderlijke besluiten.</al><tussenkop>Artikel 9 Indeling in categorieën</tussenkop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vijf categorieën onderscheiden. </al><al>Bij elke categorie is de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium.
                    Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen
                    heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al>De WWB volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel
                    mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                    bijstandsgerechtigde.</al><al/><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als
                    werkzoekende te laten registreren bij het CWI en geregistreerd te blijven.</al><al>Onderdeel b betreft de verplichting om het individuele activeringsplan, het
                    (standaard) trajectplan, te ondertekenen.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, zoals de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld voldoende te solliciteren naar algemeen aanvaarde arbeid. Hieronder
                    valt ook het niet nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, lid 1,
                    sub a en b, van de Reïntegratieverordening.</al><tussenkop>Sub c. </tussenkop><al>Het gaat hierbij om niet verantwoorde beperkingen die de belanghebbende stelt
                    ten aanzien van de mogelijke kansen op arbeidsinschakeling. Negatieve
                    gedragingen kunnen onder meer tot uitdrukking komen in de wijze waarop
                    belanghebbende zich op stelt bij een verzoek om, in verband met de inschakeling
                    in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><tussenkop>Sub a. </tussenkop><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het
                    gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Binnen deze categorie vallen bijvoorbeeld negatieve gedragingen bij
                    sollicitaties. </al><tussenkop>Sub b. </tussenkop><al>Hieronder vallen de door het college aangeboden voorzieningen die gericht zijn
                    op het mogelijk maken van deelname aan de arbeidsmarkt zoals bijv. de verwijzing
                    van de belanghebbende naar reïntegratie bedrijven, het verplicht stellen van
                    deelname aan (om)scholing waaronder het regelmatig verschijnen op school, en
                    alles wat betrekking heeft op de begeleiding van belanghebbende naar werk,
                    waaronder ook begrepen sociale activering.</al><tussenkop>Vierde lid </tussenkop><tussenkop>Sub a en b. </tussenkop><al>De gedragingen die onder de vierde categorie vallen, betreffen zowel het niet
                    aanvaarden als het niet behouden van algemeen geaccepteerde full-time arbeid.
                    Het betreft hier derhalve uitsluitend situaties waarbij een full-time baan in
                    het geding is.</al><tussenkop>Sub c. </tussenkop><al>Het toerekenbaar in het geheel niet meewerken aan het voor de belanghebbende
                    opgestelde trajectplan wordt gesanctioneerd met een maatregel van honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. Hierbij wordt uitdrukking
                    gegeven aan het belang dat gehecht wordt aan het trajectplan waarin o.a. de
                    verantwoordelijkheid van de burger centraal staat. Bovendien wordt bij de
                    opstelling van het desbetreffende plan rekening gehouden met de persoonlijke
                    omstandigheden van de belanghebbende ten einde de weg naar betaalde arbeid te
                    vergemakkelijken.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Deze categorie betreft situaties waarbij de belanghebbende deeltijd arbeid
                    verricht dan wel weigert deeltijd werk te aanvaarden. Het sanctioneren van
                    gedragingen in het kader van deeltijdarbeid met een maatregel van 100% zoals bij
                    full-time arbeid het geval is, brengt onevenredig zwaar nadeel met zich
                    mee.</al><al>Aansluitend op de praktijk wordt derhalve bij verwijtbare gedragingen waarbij
                    een deeltijd arbeid in het geding is een andere methode toegepast ten einde de
                    bijstand naar evenredigheid te verlagen. Deze methode wordt ook gehanteerd
                    ingeval niet wordt meegewerkt aan de uitvoering van een vastgesteld
                    trajectplan.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vijf categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging of het begaan van een zwaardere
                    overtreding, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht
                    in een verdubbeling van de hoogte (a t/m c) of de duur (d en e) van de
                    maatregel. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                    verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel
                    wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang
                    van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee
                    de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Op basis van bovenstaande bepaling kan – binnen een periode van twaalf maanden -
                    een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. </al><al>Indien belanghebbende na recidive binnen twaalf maanden wederom hetzelfde of
                    zwaarder verwijtbaar gedrag vertoont is er sprake van volharding en dient de
                    duur van de reeds verhoogde of in duur verlengde maatregel verdubbeld te
                    worden.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 3 Niet nakomen van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de informatieplicht
                    onderscheiden:</al><al>Artikel 11: het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In
                    deze situatie kan het college het recht op bijstand opschorten. Belanghebbende
                    dient dan in de gelegenheid worden gesteld binnen een door het college te
                    stellen termijn het verzuim te herstellen.</al><al>Artikel 12: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan de
                    gemeente, waardoor er ten onrechte een uitkering is verstrekt of een te hoog
                    bedrag aan bijstand is verstrekt. In deze situatie heeft de
                    uitkeringsgerechtigde niet voldaan aan de inlichtingenplicht van artikel 17 WWB.
                    Het opzettelijk verzwijgen van relevante informatie tegenover de gemeente, met
                    het oogmerk een (hogere) uitkering te krijgen (fraude) vormt een schending van
                    de informatieplicht van artikel 17 WWB.</al><al/><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens <cursief>niet</cursief>
                    aan de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid
                    van de uitkering niet vaststellen. </al><al>De bijstand moet dan worden geweigerd (in de situatie dat een uitkering wordt
                    aangevraagd) of het besluit tot toekenning van de bijstand moet worden
                    ingetrokken (bij een lopende uitkering). Het opleggen van een maatregel is dus
                    bij het niet-verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen
                    van de rechtmatigheid van de uitkering niet aan de orde. </al><al/><tussenkop>Artikel 11 Te laat verstrekken van gegevens</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het
                    recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB). Het college geeft de
                    cliënt vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de
                    hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                    verstrekt, dan kan het college de bijstand stopzetten (het intrekken van het
                    besluit tot toekenning van de bijstand). Worden de gevraagde gegevens wél binnen
                    de hersteltermijn verstrekt, wordt de bijstand voortgezet, maar wordt tevens een
                    maatregel opgelegd.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van dezelfde verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte van
                    de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                    verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel
                    wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang
                    van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee
                    de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Op basis van bovenstaande bepaling kan – binnen een periode van twaalf maanden -
                    een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. </al><al>Indien belanghebbende na recidive binnen twaalf maanden wederom hetzelfde of
                    zwaarder verwijtbaar gedrag vertoont is er sprake van volharding en dient de
                    duur van de reeds verhoogde maatregel verdubbeld te worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                    gevolgen voor de bijstand</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het netto
                    benadelingsbedrag.</al><al/><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><tussenkop>Sub a tot en met e. </tussenkop><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk gesteld
                    van de hoogte van het netto bedrag aan bijstand dat als gevolg van de schending
                    van die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald.
                    De hoogte van de maatregelen loopt vanaf vijf procent tot en met zestig procent
                    en is gerelateerd aan benadelingsbedragen die lopen vanaf € 1,= (theoretisch)
                    tot € 6.000,=.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                    een herhaling van de verwijtbare gedraging of het begaan van een overtreding
                    waarmee een hoger benadelingsbedrag mee gemoeid is, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                    dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Op basis van bovenstaande bepaling kan – binnen een periode van twaalf maanden -
                    een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. </al><al>Indien belanghebbende na recidive binnen twaalf maanden wederom hetzelfde of
                    zwaarder verwijtbaar gedrag vertoont, is er sprake van volharding en wordt
                    nogmaals de duur van de reeds in duur verlengde maatregel verdubbeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                    gevolgen voor de bijstand </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven
                    van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van
                    vrijwilligerswerk. </al><al>De hoogte van de maatregel bedraagt 5 % van de bijstandsnorm.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                    een herhaling van dezelfde verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte van
                    de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                    verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel
                    wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang
                    van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Op basis van bovenstaande bepaling kan – binnen een periode van twaalf maanden -
                    een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. Indien belanghebbende
                    na recidive binnen twaalf maanden wederom hetzelfde of zwaarder verwijtbaar
                    gedrag vertoont is er sprake van volharding en dient de duur van de reeds
                    verhoogde maatregel verdubbeld te worden.</al><tussenkop>Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De hoogte van de maatregel wordt afgestemd op de hoogte van het netto
                    benadelingsbedrag.</al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging of het begaan van een zwaardere
                    overtreding, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht
                    in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met de eerste verwijtbare
                    gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een
                    maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                    geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de ter-mijn van twaalf
                    maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd,
                    bekend is gemaakt. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Op basis van bovenstaande bepaling kan – binnen een periode van twaalf maanden -
                    een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. </al><al>Indien belanghebbende na recidive binnen twaalf maanden wederom hetzelfde of
                    zwaarder verwijtbaar gedrag vertoont is er sprake van volharding en wordt
                    nogmaals de duur van de reeds in duur verlengde maatregel verdubbeld.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 5 Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het betreft hier bepaalde agressieve handelingen c.q. gedragingen van
                    belanghebbenden tegenover het college en tegenover de ambtenaren en/of
                    medewerkers van instellingen/bedrijven die op grond van wettelijke bepalingen
                    respectievelijk contractuele basis zich bezig houden met bepaalde facetten van
                    de uitvoering van de WWB.</al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale maatschappelijk verkeer in alle gevallen als
                    onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al>De ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die
                    rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB. </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, dient gekeken te worden naar
                    de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de maatregel wordt onderscheid gemaakt
                    tussen: </al><lijst><li nr="·"><al>fysiek geweld tegen personen en/of tegen materiële zaken; </al></li><li nr="·"><al>bedreigingen geuit tegen leden van het college en/of ambtenaren c.q.
                            functionarissen; </al></li><li nr="·"><al>verbaal geweld (zowel mondeling als schriftelijk). </al></li></lijst><tussenkop>Sub a. </tussenkop><al>Bij fysiek geweld tegen personen of materiële zaken, ongeacht of er sprake is
                    van toegebracht letsel respectievelijk schade, wordt een maatregel opgelegd van
                    honderd procent gedurende een maand. Dit soort geweld wordt als de zwaarste vorm
                    van agressie beschouwd en derhalve het zwaarst (in relatie tot andere vormen van
                    geweld) gesanctioneerd. </al><tussenkop>Sub b. </tussenkop><al>Bedreigingen gericht tegen het college en/of ambtenaren/functionarissen bij de
                    uitoefening van hun functie in het kader van de uitvoering van de WWB worden met
                    vijf en zeventig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                    gesanctioneerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de geestelijke schade die
                    een bepaalde bedreiging kan toebrengen. </al><tussenkop>Sub c. </tussenkop><al>Bij verbaal geweld - in al zijn vormen - wordt een maatregel opgelegd van
                    vijftig procent eveneens gedurende een maand.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (waarbij schriftelijk, maar ook mondeling); </al></li><li nr="b."><al>discriminerende opmerkingen; </al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk); </al></li><li nr="d."><al>mensgericht fysiek geweld; </al></li><li nr="e."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); </al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                    ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging of het begaan van een zwaardere
                        overtreding<onderstreept>,</onderstreept> wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                    verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel
                    wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang
                    van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee
                    de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Op basis van bovenstaande bepaling kan – binnen een periode van twaalf maanden -
                    een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. </al><al>Indien belanghebbende na recidive binnen twaalf maanden wederom hetzelfde of
                    zwaarder verwijtbaar gedrag vertoont is er sprake van volharding en wordt
                    nogmaals de duur van de reeds in duur verlengde maatregel verdubbeld. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 6 Handhavingsbeleid</tussenkop><tussenkop>Artikel 16 Het beleidskader WWB en uitvoeringsplan </tussenkop><al>Op grond van artikel 212 Gemeentewet en artikel 8a van de WWB dient de
                    gemeenteraad bij verordening vast te stellen welke uitgangspunten worden
                    gehanteerd voor het financiële beleid en beheer.</al><al>Daarbij dient te worden gewaarborgd dat aan de eisen van de rechtmatigheid wordt
                    voldaan. Een goed beheer brengt bovendien met zich mee dat ook voortdurend
                    aandacht bestaat voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het
                    ontmoet geen bezwaren deze bepaling in te lijven bij deze verordening. Op deze
                    wijze wordt immers ook voldaan aan de verplichting de bestrijding van misbruik
                    en oneigenlijk gebruik bij verordening vast te leggen.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 7 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 17 SVB Maatregelenbeleid</tussenkop><al>Het uitvoeren van de (aanvullende) bijstand voor personen van 65 jaar en ouder
                    met een onvolledige uitkering op grond van de AOW en leden van hun gezin vindt
                    vanaf 1 januari 2008 plaats door de Sociale verzekeringsbank (SVB). Bij het niet
                    of onvoldoende nakomen van de verplichtingen in het kader van de WWB geldt voor
                    deze doelgroep het maatregelenbeleid, zoals neergelegd in de “SVB Beleidsregels
                    inzake het opleggen van een maatregel ingevolge de WWB”. Daartoe heeft de
                    gemeenteraad van Apeldoorn d.d 20 december 2007 besloten.</al><tussenkop>Artikel 18 De inwerkingtreding </tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 december 2004.</al><tussenkop>Artikel 19 Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Maatregelenverordening Wet werk en
                    bijstand’.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>