<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR409444_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362&amp;artikel=2.1.3">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147 en 156">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>69949</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>sociaal domein</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Eemnes;</al><al>in vergadering bijeen op …oktober 2014, </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 september 2014; </al><al>gelet op de artikel 2.1.3, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en
                        de artikelen 147 en 156 van de Gemeentewet.</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>Vast te stellen de navolgende:</al><al><vet>VERORDENING SOCIAAL DOMEIN GEMEENTE EEMNES 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>1. Aanvraag: </al><al>a. een aanvraag zoals bedoeld in artikel 41 van de Participatiewet;</al><al>b. een verzoek om toekenning van een voorziening in het kader van de Wet
                            gemeentelijke schuldhulpverlening; </al><al>c. een aanvraag zoals bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning.</al><al>2. Cliënt: </al><al>a. een persoon zoals bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet; </al><al>b. een inwoner die zich tot het college heeft gewend voor
                            schuldhulpverlening, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke
                            schuldhulpverlening; </al><al>c. een persoon zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning.</al><al>3. Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie,
                            advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de
                            zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal
                            mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke
                            ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn,
                            wonen, werk en inkomen. </al><al>4. College: Het college van burgemeester en wethouders.</al><al>5. Melding: </al><al>a. een melding zoals bedoeld in artikel 44 van de Participatiewet;</al><al>b. een verzoek van een cliënt om hulp of toekenning van een voorziening
                            in het kader van de </al><al>de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; </al><al>c. een melding zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning. </al><al>6. Onderzoek: </al><al>a. het onderzoek zoals bedoeld in artikel 53a van de Participatiewet; </al><al>b. een onderzoek naar aanleiding van een melding in het kader van de Wet
                            gemeentelijke schuldhulpverlening;</al><al>c. het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning.</al><al>7. Sociaal domein: de wetten binnen het toepassingsbereik van deze
                            verordening: </al><al>a. de Participatiewet; </al><al>b. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;</al><al>c. de Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al>8. Vertegenwoordiger: een persoon of rechtspersoon die een cliënt
                            vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke
                            waardering van zijn belangen. </al><al>9. Voorziening: </al><al>a. ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het verlenen van bijstand
                            zoals bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet; </al><al>b. schuldhulpverlening zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet
                            gemeentelijke schuldhulpverlening;</al><al>c. een voorziening zoals bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Het proces in het sociaal domein</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Toepassingsbereik Verordening sociaal domein gemeente
                                Eemnes</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op de procedures op grond van de
                            Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De verantwoordelijkheid van het college</titel></kop><al>1. Het college ondersteunt cliënten in de uitvoering van artikel 7 van
                            de Participatiewet, artikel 3 van de Wet gemeentelijke
                            schuldhulpverlening en artikel 2.1.1 van de Wet maatschappelijke
                            ondersteuning bij het nemen van eigen verantwoordelijkheid en beoordeelt
                            cliënten, in samenspraak met cliënten en/of hun vertegenwoordigers, op
                            hun mogelijkheden. </al><al>2. Het college bevordert bij de uitvoering van de in het eerste lid
                            genoemde wettelijke taken een effectieve samenwerking met partijen die
                            bij de uitvoering van die taken betrokken en nodig zijn.</al><al>3. Het college stemt bij de uitvoering van haar verantwoordelijkheden af
                            op de individuele situatie van de cliënt/de gezinssituatie van cliënt en
                            stemt deze voor zover daartoe aanleiding bestaat, af op de domeinen
                            jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en
                            inkomen en politie en justitie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>melding</titel></kop><al>1. Een melding zoals bedoeld in artikel 1 lid 5 van deze verordening kan
                            schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal worden gedaan bij de
                            gemeente Eemnes. Indien er sprake is van een melding in het kader van
                            artikel 44 van de Participatiewet kan de melding (ook) digitaal worden
                            gedaan bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</al><al>2. De melding wordt in samenspraak met de cliënt, eventueel diens
                            mantelzorger(s) en/of diens vertegenwoordiger onderzocht. </al><al>3. Na de melding volgt een onderzoek.</al><al>4. Het college informeert de cliënt, en/of diens vertegenwoordiger en
                            eventueel diens mantelzorger(s) voorafgaand aan het onderzoek over de
                            mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.</al><al>5. Zo nodig maakt het college afspraken met het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen over een uitvoering conform deze verordening. </al><al>6. Het college bevestigt de ontvangst van een melding en de afspraak
                            voor het gesprek, naar voorkeur van de cliënt en afhankelijk van de
                            urgentie, mondeling/telefonisch, schriftelijk of per e-mail. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het onderzoek</titel></kop><al>1. Het onderzoek zoals bedoeld in artikel 1 lid 6 van deze verordening
                            start met het voeren van een gesprek met cliënt en/of diens
                            vertegenwoordiger: </al><al>a. Het gesprek is voor het college een middel om haar wettelijke
                            verantwoordelijkheden en de verantwoordelijkheden zoals genoemd in
                            artikel 3 van deze verordening, ten uitvoer te brengen. </al><al>b. De vraag van cliënt is leidend in hoe uitgebreid het gesprek is.</al><al>c. Indien door cliënt gewenst, worden de mantelzorger en/of andere
                            personen/deskundigen bij het gesprek betrokken.</al><al>d. Op basis van het gesprek wordt bepaald of nader onderzoek nodig is en
                            hoe het onderzoek invulling krijgt.</al><al>2. Tijdens het gesprek informeert het college de cliënt en/of diens
                            vertegenwoordiger over de vervolgprocedure en vraagt het college om
                            toestemming de persoonsgegevens van cliënt te verwerken.</al><al>3. Het college onderzoekt voor zover nodig: </al><al>a. de behoefte die voorkomt uit de wensen, persoonskenmerken,
                            veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie en mogelijkheden van cliënt; </al><al>b. de draagkracht en steunbehoefte van de eventuele mantelzorger van
                            cliënt en de belasting die deze ervaart bij de zorg voor de cliënt;</al><al>c. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;</al><al>d. de mogelijkheden om op eigen kracht en/of met behulp van anderen in
                            eigen oplossingen te voorzien; </al><al>e. de mogelijkheid om door middel van (algemene)voorzieningen het
                            gewenste resultaat te bereiken; </al><al>f. de mogelijkheden die er bestaan om voorzieningen af te nemen en de
                            gevolgen daarvan;</al><al>g. in hoeverre een mogelijk toe te kennen voorziening kan worden
                            afgestemd op andere voorzieningen en/of behoeften van cliënt op het
                            gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning
                            en/of werk en inkomen;</al><al>h. indien van toepassing: of er sprake is van een bijdrage in de kosten
                            voor het gebruik van een voorziening en (een inschatting van) de hoogte
                            van de verschuldigde bijdrage;</al><al>i. indien aan het college overhandigd: het persoonlijk plan als bedoeld
                            in artikel 2.3.2 van de Wmo; </al><al>j. andere aspecten die in het kader van het onderzoek noodzakelijk
                            zijn.</al><al>4. Voor het verzamelen van gegevens, noodzakelijk voor het in kaart
                            brengen van het (functionerings)probleem of het beoordelen van een
                            aanvraag zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 van deze verordening, kan
                            naast het gesprek gebruik worden gemaakt van (een combinatie van) de
                            volgende onderzoeksmethoden:</al><al>a) dossieronderzoek;</al><al>b) een aanvullend gesprek;</al><al>c) telefonisch onderzoek;</al><al>d) het inschakelen externe deskundigheid;</al><al>e) het inwinnen informatie bij behandelaars, zorgverleners, familie
                            en/of overige externe partijen;</al><al>f) een huisbezoek of een aanvullend huisbezoek;</al><al>g) overige onderzoeksmethoden waartoe het college (wettelijk) bevoegd
                            is. </al><al>5. Het college is bevoegd om in het kader van het onderzoek cliënt en/of
                            diens vertegenwoordiger op te roepen in persoon te verschijnen op een
                            door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen,
                            rekening houdend met de in de persoon gelegen mogelijkheden en/of
                            beperkingen.</al><al>6. Cliënt of diens vertegenwoordiger is verplicht om aan het college of
                            de door haar aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of
                            te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het
                            onderzoek en/of de beoordeling van de melding/aanvraag.</al><al>7. Het college borgt bij het verrichten van het onderzoek een integrale
                            aanpak ten aanzien van de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg,
                            maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en
                            justitie.</al><al>8. Bij het onderzoek wordt aan de cliënt medegedeeld welke mogelijkheden
                            er bestaan t.a.v. de oplossingsrichting, inclusief de wijze van
                            bekostiging.</al><al>9. Wanneer er sprake is van een situatie waarin de veiligheid van cliënt
                            en/of zijn/haar gezinsleden in het geding is, en/of wanneer een
                            gerechtelijke uitspraak dit voorschrijft, kan dit artikel buiten
                            toepassing worden gelaten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>De vastlegging van het onderzoek</titel></kop><al>1. Het college verstrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger een
                            weergave van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij de cliënt of diens
                            vertegenwoordiger heeft medegedeeld dit niet te wensen. </al><al>2. Cliënt of diens vertegenwoordiger kan feitelijk onjuiste en/of
                            onvolledige gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen bij het
                            onderzoeksverslag kenbaar maken. Correcties en opmerkingen worden aan
                            het onderzoeksverslag toegevoegd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><al>1. De aanvraag zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 moet schriftelijk
                            plaatsvinden. Hiertoe wordt een vastgesteld aanvraagformulier
                            beschikbaar gesteld.</al><al>2. In afwijking van het gestelde in lid 1 kan een aanspraak op grond van
                            de Participatiewet, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is,
                            ambtshalve worden vastgesteld. </al><al>3. Het college beoordeelt de aanvraag op basis van het in artikel 5
                            omschreven onderzoek.</al><al>4. Het besluit op de aanvraag is zo nodig afgestemd op de domeinen
                            jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en
                            inkomen en politie en justitie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Bij het treffen van een voorziening legt het college in ieder geval de
                            volgende onderdelen bij beschikking vast: </al><al>a. de conclusies uit het onderzoek;</al><al>b. de resultaten die cliënt wenst te bereiken op grond van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet en de Wet
                            gemeentelijke schuldhulpverlening;</al><al>c. welke voorziening(en) het college treft om het resultaat te
                            bereiken;</al><al>d. de hoogte van een eventueel budget;</al><al>e. de looptijd van de voorziening(en); </al><al>f. in welke vorm de voorziening(en) word(en)t verstrekt;</al><al>g. of er sprake is van een tussentijdse evaluatie en de wijze waarop die
                            plaatsvindt;</al><al>h. de voorwaarden waaronder de voorziening(en) is (zijn) verstrekt;</al><al>i. de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen de beschikking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Monitoring</titel></kop><al>1. Het college verzamelt, ter bevordering van de kwaliteit en de
                            continuïteit van voorzieningen, systematisch informatie over:</al><al>a. de ervaringen van cliënten bij de toegekende voorzieningen; </al><al>b. de mate waarop de toegekende voorzieningen bijdragen aan de
                            (sociale/economische) zelfredzaamheid en participatie van cliënten;</al><al>c. in hoeverre de resultaten uit de beschikkingen daadwerkelijk worden
                            bereikt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Melding klachten</titel></kop><al>1. Voor de afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben
                            op gedragingen jegens cliënt van het college of personen die namens haar
                            meldingen en aanvragen behandelt, hanteert het college de
                            Klachtenregeling gemeente Eemnes c.q. de Klachtenregeling BEL
                            Combinatie.</al><al>2. Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie
                            subsidie is verleend, stellen een effectieve en laagdrempelige regeling
                            vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van
                            gedragingen jegens een cliënt en de uitvoering/levering van de
                            voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Wijziging situatie</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wet maatschappelijke ondersteuning,
                            artikel 17 van de Participatiewet en artikel 6 van de Wet gemeentelijke
                            schuldhulpverlening, doet cliënt of diens vertegenwoordiger uit eigen
                            beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden
                            waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
                            zijn op een beslissing van het college op een aanvraag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Heronderzoek</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.3.9 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en
                            artikel 53a van de Participatiewet, kan het college een heronderzoek
                            instellen om vast te stellen of er aanleiding bestaat om een beslissing
                            op een aanvraag te heroverwegen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Intrekking en beëindiging</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en
                            artikel 54.3 van de Participatiewet, kan het college een beslissing
                            aangaande een voorziening, geheel of gedeeltelijk intrekken en
                            beëindigen indien:</al><al>a. niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of
                            krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet en
                            de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. </al><al>b. blijkt dat de beschikking op grond van onjuiste gegevens is afgegeven
                            en, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou
                            zijn genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.4.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en
                            artikel 58 van de Participatiewet, kan indien het recht op een
                            voorziening is ingetrokken, op basis daarvan geheel of gedeeltelijk de
                            geldswaarde van de ten onrechte genoten voorziening in natura of het ten
                            onrechte genoten geldbedrag worden teruggevorderd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3:</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Wijziging van de verordening door het college</titel></kop><al>Het college is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, mits het
                            betreft een wijziging van ondergeschikte aard die:</al><al>a. van zuiver redactionele aard is, of</al><al>b. voortvloeit uit onvoorziene omstandigheden of nadere inzichten met
                            betrekking tot de uitvoeringspraktijk, of</al><al>c. een gevolg is van nieuwe of gewijzigde rijksregelgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al><al>2. Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening sociaal domein
                            gemeente Eemnes 2015”.</al><al><vet>*************************************************************</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>TOELICHTING</label><nr/><titel/></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Met ingang van 2015 is er veel veranderd in het sociaal domein. Met de invoering
                    van de Jeugdwet, Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning is de
                    gemeente Eemnes verantwoordelijk voor de ondersteuning en dienstverlening aan
                    een grote groep inwoners. Deze verantwoordelijkheid biedt grote kansen voor de
                    gemeente en haar inwoners. Kansen om echt tot een aanpak op maat te komen en
                    hierbij af te stemmen op het huishouden van de inwoner. Doordat de
                    verantwoordelijkheid in het sociaal domein meer eenduidig is komen te liggen bij
                    de inwoner en de gemeente, kunnen we immers beter met de inwoner de juiste
                    prioriteiten stellen en diverse terreinen in het sociaal domein beter aan elkaar
                    verbinden. Hierdoor zijn er kansen voor minder bureaucratie, korte lijnen,
                    duurzame oplossingen en tijdig ingrijpen bij knelpunten en/of problemen.</al><al>Bij het invullen van haar verantwoordelijkheden, gaat de gemeente Eemnes uit van
                    een vraaggestuurde dienstverlening. Dit betekent dat onze dienstverlening maar
                    ook de voorzieningen die we ter ondersteuning van inwoners inzetten, aansluiten
                    bij de wensen, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie en
                    mogelijkheden van onze inwoner. Niet voorzieningen, maar de resultaten die de
                    inwoner wilt bereiken staan centraal. De voorzieningen of oplossingen die nodig
                    zijn om het resultaat te bereiken zijn ondergeschikt aan het resultaat. Het
                    ‘doen wat nodig is’ om de zelfredzaamheid en participatie van onze inwoners te
                    ondersteunen en/of versterken is het centraal vertrekpunt van onze uitvoering.
                    Hierbij gaan we uit van de mogelijkheden van mensen. De focus ligt op wat iemand
                    wél kan in plaats op wat iemand niet kan. We vinden het in dit kader belangrijk
                    dat mensen primair zelf de verantwoordelijkheid dragen voor het oplossen van hun
                    eigen belemmeringen, zo mogelijk samen met het (sociale) netwerk. Daar waar
                    iemand daartoe niet (volledig) in staat is, ondersteunt de gemeente hierbij. Dit
                    kan bijvoorbeeld zijn door sterk in te zetten op het (versterken van) vermogen
                    van inwoners en hun omgeving om zelf oplossingen te formuleren en te realiseren.
                    Dit alles betekent dat de gemeente in het sociaal domein: </al><al/><lijst><li nr="1."><al>niet overneemt maar aanvult;</al></li><li nr="2."><al>mensen de kans geeft om inderdaad hun eigen kracht te vinden en in te
                            zetten; </al></li><li nr="3."><al>niet uitgaat van vaststaande, vooraf beschreven producten en diensten
                            maar maatwerk;</al></li><li nr="4."><al>uitgaat van een nadrukkelijke vrije handelingsruimte en mandaat voor de
                            consulent om ontschot ‘te doen wat nodig is’;</al></li><li nr="5."><al>uitgaat van variëteit als norm in plaats van de te beargumenteren
                            uitzondering;</al></li><li nr="6."><al>niet beslist over mensen maar in gesprek gaat met mensen; </al></li><li nr="7."><al>uitgaat van het huishouden en het huishouden betrekt in de
                            oplossingen;</al></li><li nr="8."><al>ernaar streeft mensen zo veel mogelijk onafhankelijk te maken/houden van
                            gemeentelijke ondersteuning;</al></li><li nr="9."><al>de tijd neemt om de persoon en zijn netwerk te kennen, de specifieke
                            situatie te onderzoeken en de ondersteuning daaraan aan te passen;</al></li></lijst><al/><al>Om aan de bovenstaande uitgangspunten invulling te geven en om op het niveau van
                    de inwoner optimaal verbinding te leggen in het sociaal domein, is de
                    Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2015 ontwikkeld. Deze Verordening
                    gaat over de procedures die gelden binnen het sociaal domein, behalve die in het
                    kader van de Jeugdwet, waarvan de uitvoering binnen de regio Eemland plaatsvindt
                    op basis van een specifieke procedure, vastgelegd in de Verordening Jeugd en de
                    daarop gebaseerde nadere regelgeving). Zodra er sprake is van zorg voor jongeren
                    en opvoeders wordt de coördinatie van zorg belegd bij de toegang voor Jeugdhulp
                    in de gemeente Eemnes (bijv. via een wijkteam). </al><al>De Verordening sociaal domein maakt de procedures voor de geldende wetgeving in
                    het sociaal domein (m.u.v. de Jeugdwet) zoveel mogelijk generiek, zodat bij de
                    inwoner geen twijfel bestaat over de aanpak van de gemeente met betrekking tot
                    zijn/haar vraag. Maatwerk betekent weliswaar dat voor gelijke vragen van mensen,
                    verschillende uitkomsten mogelijk zijn, maar dankzij de verordening sociaal
                    domein zijn de geldende procedures zoveel mogelijk gelijk getrokken. De
                    Verordening geeft invulling aan één integraal proces in het sociaal domein met
                    ‘één huishouden, één plan’ als vertrekpunt. Ongeacht de vraag van de inwoner en
                    ongeacht het terrein waarbinnen de vraag valt: gerekend kan worden op één proces
                    dat uitgaat van de vraag centraal, maatwerk én verbinding in het sociaal domein.
                    Inwoners die zich met een hulpvraag bij de gemeente melden, kunnen van de
                    gemeente verwachten dat zij goed onderzoek verricht en dat dit onderzoek in
                    goede samenspraak met de mensen om wie het gaat, uitgevoerd wordt. De gemeente
                    beoogt zo, samen met betrokkenen, tot een zo goed mogelijk afgestemde
                    dienstverlening en eventuele inzet van ondersteuning te komen. </al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJS</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen </vet></al><al/><al><vet>1. Aanvraag:</vet></al><al>Het verzoek van een cliënt om in aanmerking te komen voor één of meerdere
                    voorzieningen op grond van de de Participatiewet, de Wet gemeentelijke
                    schuldhulpverlening en de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna Wmo
                    2015).</al><al/><al>In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden regels gesteld omtrent de
                    aanvraag. In de Awb is de aanvraag: “<cursief>een verzoek van een
                        belanghebbende, een besluit te nemen.</cursief>” De aanvraag kan om een
                    geheel nieuwe beschikking gaan, maar ook bijvoorbeeld het verzoek tot het
                    wijzigen van een reeds bestaande beschikking betreffen. De Verordening sociaal
                    domein gemeente Eemnes 2015 wijkt hier niet vanaf. Op grond van artikel 41 van
                    de Awb moet een aanvraag schriftelijk worden ingediend bij het bestuursorgaan
                    dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen. Dit tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald. De Participatiewet en de Wmo 2015 stellen specifieke eisen
                    aan de aanvraag. Zo moet een aanvraag op grond van de Participatiewet, enkele
                    uitzonderingen daargelaten, worden ingediend bij het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen, waarna het college de aanvraag verder behandelt. Het
                    UWV neemt hierbij enkel de aanvraag in ontvangst. De bevoegdheid om de aanvraag
                    te onderzoeken en daar een besluit over te nemen ligt bij het college. Om,
                    ongeacht waar de melding of aanvraag in het sociaal domein gedaan wordt, een
                    uniforme aanpak te borgen, maakt het college afspraken met het UWV over een
                    uitvoering conform hetgeen in de Verordening sociaal domein bepaald is. </al><al/><al>Op grond van de Wmo 2015 (artikel 2.3.2, zesde lid) kan een aanvraag niet worden
                    gedaan dan nadat er (naar aanleiding van de melding) onderzoek is verricht. Dit
                    geldt niet wanneer het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes
                    weken en indien er sprake is van uitzonderingssituaties/spoedgevallen. </al><al/><al>Tegen een besluit op een aanvraag staat bezwaar en beroep open.</al><al/><al><vet>2. Cliënt: </vet></al><al>Voor de toekenning van schuldhulpverlening wordt met ‘cliënt’ diegene bedoeld
                    die zich tot het college wendt met een hulpvraag of een aanvraag in het kader
                    van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. In de Wet gemeentelijke
                    schuldhulpverlening wordt de cliënt ‘verzoeker’ genoemd. </al><al/><al>De Wmo 2015 en de Participatiewet bevatten een uitgebreide omschrijving van de
                    personen die uit hoofde van deze wetten onder de verantwoordelijkheid van het
                    college vallen. Deze personen worden in de Verordening sociaal domein geduid met
                    het begrip ‘cliënt’. Bij de Participatiewet gaat het om:</al><lijst><li nr="1."><al>personen die (algemene en bijzondere) bijstand ontvangen;</al></li><li nr="2."><al>personen die recht hebben op ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst><al>Bij de definiëring van de term cliënt, gaat de Wmo 2015 uit van personen die een
                    melding doen of namens wie een melding wordt gedaan en personen die gebruik
                    maken van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of
                    persoonsgebonden budget is verstrekt. </al><al/><al><vet>3. Cliëntondersteuning: </vet></al><al>Cliëntondersteuning houdt in: onafhankelijke ondersteuning met informatie,
                    advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de
                    zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke
                    dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve
                    zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Het college
                    moet ervoor zorg dragen dat cliëntondersteuning beschikbaar is en dat bij de
                    cliëntondersteuning het belang van cliënt uitgangspunt is.</al><al/><al><vet>4. College:</vet> Deze bepaling spreekt voor zich. </al><al/><al><vet>5. Melding: </vet></al><al>De melding is een verzoek van een cliënt of diens vertegenwoordiger om hulp of
                    toekenning van een voorziening in het kader van de Wmo 2015, de Participatiewet
                    en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. De melding kan niet altijd worden
                    gezien als een aanvraag voor een voorziening. De melding kan resulteren in de
                    aanvraag van een voorziening. </al><al/><al>De melding is in principe vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling
                    of telefonisch worden gedaan. In artikel 2.15 van de Awb is bepaald dat een
                    aanvraag elektronisch (onder meer per e-mail) kan worden gedaan, indien het
                    bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Met uitzondering
                    van de melding op grond van de Participatiewet, kan de melding ‘door of namens
                    de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan
                    bijvoorbeeld diens mantelzorger, partner, familielid of andere betrokkene de
                    melding doen.</al><al/><al>Meldingen worden formeel bij het college gedaan, met uitzondering van die op
                    grond van de Participatiewet. Het in ontvangstnemen van deze melding gebeurt in
                    beginsel door het UWV. </al><al>De Participatiewet omschrijft de melding als het moment waarop cliënt zich bij
                    het UWV heeft gemeld en zijn naam, adres en woonplaats aldaar zijn
                    geregistreerd. </al><al/><al>Het UWV moet een bijstandsaanvraag aan de gemeente overdragen zodra de
                    verstrekte gegevens en bewijsstukken naar haar oordeel juist, volledig en
                    consistent zijn (<extref doc="http://www.gripopwwb.nl/regeling/onderdeel/toon/15342">artikel 30c lid
                        5 Wet SUWI</extref>). De aanvraag is ingediend wanneer het door cliënt
                    ondertekend aanvraagformulier door het UWV in ontvangst is genomen. Het UWV is
                    verplicht de overdracht (aan de gemeente) schriftelijk te melden aan cliënt
                        (<extref doc="http://www.gripopwwb.nl/regeling/onderdeel/toon/15342">artikel
                        30c lid 5 Wet SUWI</extref>).Nadat de aanvraag is overgedragen naar het
                    college, onderzoekt het college de aanvraag. </al><al/><al>In sommige gevallen is op grond van de Participatiewet een melding bij het UWV
                    niet voorgeschreven en kan cliënt zich direct tot het college wenden. Het gaat
                    hier om:</al><al>- aanvragen bijzondere bijstand; </al><al>- aanvragen algemene bijstand voor personen die in een inrichting
                    verblijven;</al><al>- aanvragen algemene bijstand voor personen die niet staan ingeschreven in de
                    BRP (Zij moeten zich wenden tot het college van de centrumgemeente).</al><al/><al>Aanvragen algemene bijstand voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd
                    hebben bereikt moeten worden ingediend bij de Sociale verzekeringsbank
                    (SVB).</al><al>Het college moet overeenkomsten sluiten met het UWV over de overdracht van de
                    aanvraag. In dat kader kunnen afspraken worden gemaakt over de taakverdeling en
                    de termijn waarbinnen een aanvraag wordt overgedragen. Ook kan voor bepaalde
                    categorieën van aanvragen een andere taakverdeling tussen het college en het UWV
                    worden vastgesteld (<extref doc="http://www.gripopwwb.nl/regeling/onderdeel/toon/15342">artikel 30c lid
                        6 Wet SUWI</extref>). </al><al/><al>Om in het sociaal domein een uniforme aanpak te borgen rondom de melding en de
                    aanvraag, maakt het college hierover afspraken met het UWV. De afspraken gaan
                    over een aanpak conform de uitgangspunten uit de Verordening sociaal domein.
                    Deze afspraken kunnen bijvoorbeeld worden ingevuld door een constructie waarbij
                    de consulent van de gemeente, onder verantwoordelijkheid van het UWV, de melding
                    in ontvangst neemt. </al><al/><al>In de Wmo 2015 (artikel 2.3.2, negende lid) is bepaald dat een aanvraag niet kan
                    worden gedaan dan nadat er onderzoek is ingesteld naar de melding. Dit geldt
                    niet wanneer het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken en
                    indien er sprake is van uitzonderingssituaties/spoedgevallen. Daar waar er
                    sprake is van spoedeisendheid is het college verplicht om een passende en
                    tijdelijke voorziening te verstrekken, in afwachting van de uitkomsten van het
                    onderzoek dat volgt na de melding. </al><al/><al>In het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening wordt anders dan in de
                    Wmo 2015 en Participatiewet geen nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de
                    melding en de aanvraag. Voor deze wet kan de melding voorafgaand aan de aanvraag
                    plaatsvinden (het melden van een hulpvraag bij het college), maar ook de
                    aanvraag van een voorziening zelf zijn.</al><al/><al>Ongeacht het moment: Voor alle wetten binnen het toepassingsbereik van de
                    Verordening sociaal domein geldt dat de melding aanleiding vormt voor het
                    instellen van onderzoek.</al><al/><al><vet>6. Onderzoek:</vet></al><al>Een onderzoek naar aanleiding van een melding in kader van de Participatiewet,
                    de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Wmo 2015.</al><al/><al>De melding wordt in samenspraak met cliënt, eventueel diens mantelzorger en/of
                    diens vertegenwoordiger onderzocht. Dit onderzoek vindt zorgvuldig plaats. Het
                    onderzoek is afhankelijk van de melding/de hulpvraag van cliënt meer of minder
                    uitgebreid. In de toelichting op artikel 5 van de Verordening sociaal domein
                    wordt het onderzoek nader omschreven. </al><al/><al><vet>7. Sociaal domein:</vet> Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>8. Vertegenwoordiger:</vet></al><al>Personen of rechtspersonen die als vertegenwoordiger kunnen optreden zijn de
                    curator, de mentor of de gevolmachtigde van de cliënt. Indien een dergelijke
                    persoon of rechtspersoon ontbreekt: diens echtgenoot, de geregistreerde partner
                    of andere levensgezel van de cliënt. Indien deze persoon dat niet wenst of
                    indien ook zodanige persoon ontbreekt: de ouder, het kind, de broer of zus van
                    cliënt, tenzij deze persoon dat niet wenst. </al><al/><al><vet>9. Voorziening:</vet></al><al>Ondersteuning die wordt ingezet op grond van de Participatiewet, de Wet
                    gemeentelijke schuldhulpverlening en de Wmo 2015. De voorziening wordt via een
                    beschikking toegekend. Tegen een besluit, zoals geformuleerd in de beschikking,
                    staat bezwaar en beroep open. Het besluit op de aanvraag van een voorziening is
                    afgestemd op de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke
                    ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie.</al><al/><al>Een voorziening op grond van de Participatiewet kan bestaan uit ondersteuning in
                    het kader van arbeidsinschakeling en het verlenen van (algemene en bijzondere)
                    bijstand. Bij arbeidsinschakeling valt te denken aan re-integratietrajecten
                    (ondersteuning bij het vinden van werk) en sociale activeringstrajecten
                    (ondersteuning bij het aanbrengen van structuur in het leven van mensen).</al><al/><al>In het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening wordt onder een
                    voorziening verstaan: ondersteuning bij het vinden van een adequate oplossing
                    gericht op de aflossing van schulden en de nazorg hierbij.</al><al/><al>Een voorziening op grond van de Wmo 2015 is een op de behoeften,
                    persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van
                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:</al><al>1) ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in
                    een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke
                    vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen;</al><al>2) ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke
                    vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen;</al><al>3) ten behoeve van beschermd wonen en opvang.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Het proces in het sociaal domein</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2. Toepassingsbereik Verordening sociaal domein gemeente Eemnes
                        2015</vet></al><al>In dit artikel wordt ingegaan op het bereik van de Verordening sociaal domein.
                    Vanaf het moment dat cliënt zich bij de gemeente meldt met een verzoek om hulp
                    of toekenning van een voorziening in het kader van de:</al><al>Participatiewet;</al><al>Wet gemeentelijke schuldhulpverlening,</al><al>Wet maatschappelijke ondersteuning;</al><al>gelden de regels zoals gesteld in deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 3. De verantwoordelijkheid van het college</vet></al><al>In lid 1 van artikel 3 van de Verordening sociaal domein zijn artikel 7 van de
                    Participatiewet, artikel 3 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en
                    artikel 2.1.1 van de Wmo 2015 genoemd. In deze artikelen staan de
                    verantwoordelijkheden van het college bij de uitvoering van die wetten
                    omschreven. </al><al/><al>De Participatiewet geeft het college de verantwoordelijkheid te ondersteunen bij
                    arbeidsinschakeling (het toeleiden naar werk) en re-integratie. Daarnaast heeft
                    het college de plicht bijstand te verlenen aan personen die in zodanige
                    omstandigheden verkeren of dreigen te verkeren dat zij niet over de middelen
                    beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Tenslotte
                    is het college, grond van artikel 7 van de Participatiewet, verplicht beleid te
                    ontwikkelen ten behoeve van het verrichten van een tegenprestatie. De
                    tegenprestatie dient te bestaan uit onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden en mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. </al><al/><al>De Wmo 2015 geeft het college de opdracht de zelfredzaamheid en participatie van
                    personen met een beperking te ondersteunen. Dit zoveel mogelijk in de eigen
                    leefomgeving van mensen. In dit verband heeft het college op grond van de Wmo
                    2015 de op opdracht om zorg te dragen voor maatschappelijke ondersteuning en om
                    hierbij kwaliteit en continuïteit van voorzieningen te realiseren. Onder
                    maatschappelijke ondersteuning wordt verstaan: </al><lijst><li nr="1."><al>Het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en
                            vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en
                            ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in
                            de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld.</al></li><li nr="2."><al>Het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen
                            met een beperking of met chronische psychische of psychosociale
                            problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving. </al></li><li nr="3."><al>Het bieden van beschermd wonen en opvang. </al></li></lijst><al/><al>Op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening heeft het college de
                    plicht om integrale ondersteuning en nazorg te bieden bij het vinden van een
                    adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden. Dit doet het college
                    wanneer redelijkerwijs is te voorzien dat een persoon niet zal kunnen voortgaan
                    met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij
                    heeft opgehouden te betalen. </al><al/><al>In lid 1 van dit artikel is bepaald dat wanneer cliënt hulp nodig heeft bij het
                    zelf organiseren van oplossingen en het nemen van eigen verantwoordelijkheid,
                    het college hierin ondersteunt. De ondersteuning is er primair op gericht
                    cliënten in staat te stellen in eigen oplossingen te voorzien.</al><al/><al>Het college gaat ervan uit dat mensen primair zelf verantwoordelijk zijn voor
                    het oplossen van hun eigen belemmeringen, zo mogelijk samen met het (sociale)
                    netwerk. Wanneer cliënt zich tot de gemeente wendt met een hulpvraag, wordt
                    eerst onderzocht in hoeverre cliënt, eventueel samen met zijn (sociale) netwerk,
                    eigen oplossingen kan realiseren. Eigen oplossingen gaan dan ook voor op
                    gemeentelijke ondersteuning. Daar waar de cliënt hulp nodig heeft bij het zelf
                    realiseren van oplossingen, kan het college hem/haar hierin ondersteunen. De
                    mogelijkheden om eigen oplossingen te realiseren en het eventueel organiseren
                    van oplossingen met behulp van het sociale netwerkt, staan tijdens het gesprek
                    met de consulent centraal en krijgen tijdens het onderzoek naar de melding
                    afdoende aandacht. </al><al/><al>Het college gaat bij de uitvoering van haar verantwoordelijkheden uit van de
                    mogelijkheden van cliënt. Het college onderzoekt actief en in samenspraak met
                    cliënten wat zij, ondanks hun beperkingen/problemen, nog (wel) kunnen om actief
                    deel te nemen aan de maatschappij en (economisch) zelfredzaam te zijn. Bij het
                    beoordelen van de melding ligt de focus niet op wat iemand niet kan, maar vooral
                    wel op wat iemand wél kan.</al><al/><al>Lid 2: Het college heeft, met het oog op een doeltreffende en doelmatige
                    uitvoering van haar taken, de verantwoordelijkheid om een samenwerking met
                    daarvoor relevante partijen te organiseren. Hierdoor kan dienstverlening, zorg
                    en ondersteuning op elkaar worden afgestemd, waardoor de samenhang, kwaliteit en
                    de effectiviteit voor de cliënt zo goed mogelijk wordt geborgd. Het bevorderen
                    van de zelfredzaamheid en de (maatschappelijke)participatie van cliënten is
                    hierbij het voornaamste uitgangspunt. </al><al/><al>De samenwerking zoals bedoeld in lid 2 kan een samenwerking tussen gemeenten
                    zijn, maar ook een samenwerking met partijen zoals aanbieders van zorg en
                    ondersteuning, woningcorporaties, zorgverzekeraars, huisartsen en het UWV zijn. </al><al/><al>Lid 3: Het college neemt een integrale benadering van specifieke situaties van
                    cliënten als vertrekpunt. Dit is mogelijk omdat het college een brede
                    verantwoordelijkheid draagt in het sociaal domein. Hierdoor is het college in
                    staat om vroegtijdig en adequaat verbindingen te leggen met de verschillende
                    terreinen in het sociaal domein. Dit alles met het hoofddoel de kwaliteit en
                    effectiviteit van dienstverlening en ondersteuning zo groot mogelijk te maken.
                    Immers, in een huishouden kan er een belangrijke relatie bestaan tussen de
                    beleidsterreinen jeugd, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen,
                    (passend) onderwijs en politie en justitie. Door binnen deze domeinen het
                    beleid, de (gemeentelijke) dienstverlening en de voorzieningen af te stemmen,
                    kunnen hulpvragen van cliënten integraal worden behandeld en kan de
                    dienstverlening en ondersteuning optimaal worden afgestemd op de
                    persoonskenmerken en het huishouden van de cliënt.</al><al/><al><vet>Artikel 4 melding </vet></al><al>Lid 1 van artikel 4 omschrijft de wijzen waarop de melding kan worden gedaan. De
                    melding kan schriftelijk plaatsvinden via een daarvoor bestemd
                    (contact/aanvraag)formulier. Het contactformulier is als e-formulier beschikbaar
                    op de website van de gemeente Eemnes. Ook is een mondelinge, of een melding per
                    e-mail mogelijk. </al><al/><al>Daar waar er sprake is van een melding in het kader van de Participatiewet, kan
                    de melding digitaal worden gedaan bij UWV. Het voorschrift de melding te doen
                    bij het UWV geldt niet voor meldingen in het kader van:</al><al>- een verzoek voor toekenning van bijzondere bijstand </al><al>- een verzoek voor toekenning van algemene bijstand aan een persoon die de
                    pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en in een inrichting
                    verblijft of die niet is ingeschreven in de basisregistratie personen.</al><al>Deze meldingen kunnen direct aan het college worden gericht.</al><al/><al>Lid 2: het college onderzoekt de melding in samenspraak met de cliënt, eventueel
                    diens mantelzorger(s) en/of diens vertegenwoordiger. Dit betekent dat het
                    college zoveel mogelijk op grond van gelijkwaardigheid en in tweespraak met de
                    cliënt of diens vertegenwoordiger bepaalt hoe het onderzoek wordt ingericht en
                    welke aspecten daarin belangrijk zijn. De handelswijze na de melding is
                    afhankelijk van de vraag van cliënt en zijn wensen, persoonskenmerken,
                    veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie en mogelijkheden. Het college
                    onderzoekt tijdens of na de melding of cliënt een wettelijk vertegenwoordiger
                    heeft. Wanneer hier sprake van is, vraagt het college de cliënt om toestemming
                    zijn/haar wettelijk vertegenwoordiger te betrekken bij het onderzoek.</al><al/><al>In lid 3 wordt aangegeven dat er na de melding een onderzoek plaatsvindt. Het
                    onderzoek wordt bij de toelichting op artikel 5 nader omschreven. </al><al/><al>In lid 4 van artikel 4 is overeenkomstig artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, bepaald
                    dat het college de cliënt of diens vertegenwoordiger na de melding van de
                    hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van kosteloze onafhankelijke
                    cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning houdt in: ondersteuning met informatie,
                    advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de
                    zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke
                    dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve
                    zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Het college
                    moet ervoor zorg dragen dat onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar is en
                    dat bij de cliëntondersteuning het belang van betrokkene uitgangspunt is.</al><al/><al>Clientondersteuning heeft een bredere reikwijdte dan alleen de Wmo 2015. De Wmo
                    2015 biedt het kader voor het maken van beleid voor cliëntondersteuning. Daarmee
                    is in één wet de cliëntondersteuning voor het gehele sociale domein (dus ook
                    Jeugdwet en Participatiewet) en andere levensdomeinen (zoals de zorg) geregeld. </al><al/><al>Lid 5: In hoofdstuk 1 van deze toelichting zijn de melding en de aanvraag
                    toegelicht. Formeel geldt dat het UWV de melding, nadat de melding een aanvraag
                    geworden is, overdraagt aan het college. Na deze overdracht volgt het onderzoek. </al><al/><al>Om in het sociaal domein een uniforme aanpak te borgen rondom de melding en de
                    aanvraag, maakt het college hierover afspraken met het UWV. Dit om een aanpak
                    conform de uitgangspunten uit de Verordening sociaal domein te realiseren. Deze
                    afspraken kunnen bijvoorbeeld worden ingevuld door een constructie waarbij de
                    consulent van de gemeente, onder verantwoordelijkheid van het UWV, de melding in
                    ontvangst neemt. </al><al/><al>In lid 6 is een verplichte ontvangst en afspraakbevestiging verankerd. Dat kan
                    dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of
                    telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. De voorkeur en
                    situatie van de cliënt is leidend in de wijze waarop de afspraak bevestigd
                    wordt. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Het onderzoek</vet></al><al>In dit artikel wordt bepaald op welke wijze de melding in samenspraak met de
                    cliënt en/of diens vertegenwoordiger wordt onderzocht. Vastgesteld wordt wat de
                    vraag is, in hoeverre er ondersteuning nodig is en in hoeverre er een aanspraak
                    op een voorziening bestaat. In lid 1 wordt aangegeven dat, in het kader van
                    zorgvuldig onderzoek, het onderzoek start met een gesprek. Daar waar cliënt of
                    diens vertegenwoordiger zich tot het college wendt met een melding, wordt in
                    eerste instantie een gesprek gevoerd met een consulent. De consulent is werkzaam
                    bij de gemeente en is door het college aangewezen om de melding in ontvangst te
                    nemen en om het onderzoek te verrichten. Tijdens het gesprek wordt samen
                    (eventueel met aanwezige mantelzorger(s) en/of een vertegenwoordiger)
                    geïnventariseerd waar cliënt en zijn mantelzorger(s) beperkingen ondervinden in
                    de (economische)zelfredzaamheid en/of (maatschappelijke) participatie. Ook wordt
                    besproken welke oplossingen de effecten van de beperkingen weg kunnen nemen en
                    in hoeverre cliënt zelf of met hulp van anderen in eigen oplossingen kan
                    voorzien. </al><al/><al>Om vanuit een integrale benadering met de hulpvraag van cliënt om te gaan en
                    optimaal maatwerk te kunnen bieden, wordt tijdens het gesprek ingegaan op de
                    domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en
                    inkomen en politie en justitie. Het doel is om middels het gesprek verbinding te
                    maken met deze domeinen. Daarnaast wordt tijdens het gesprek zoveel mogelijk
                    ingegaan op de aspecten die onder lid 3 van dit artikel genoemd zijn.</al><al/><al>Zoals in onderdeel a van lid 1 aangegeven staat: het gesprek is een middel om
                    cliënt zo goed mogelijk te ondersteunen. Het gesprek is geen doel op zich. Het
                    gesprek is onderdeel van het onderzoek en vormt een belangrijk middel om
                    invulling te geven aan de verantwoordelijkheden van het college. Zonder na een
                    melding persoonlijk contact te hebben met de cliënt, acht het college het niet
                    mogelijk optimaal invulling te geven aan haar verantwoordelijkheden ten aanzien
                    van het bieden van maatwerk, het hanteren van een integrale benadering en het
                    afstemmen van het onderzoek op de wensen, persoonskenmerken, en de
                    gezinssituatie van de cliënt. </al><al/><al>Hoe breed het gesprek is verschilt van situatie tot situatie (onderdeel b van
                    lid 1). De melding/ hulpvraag van cliënt of diens vertegenwoordiger is hierin
                    leidend. Het staat de cliënt vrij om zijn/haar mantelzorger (of andere voor
                    hem/haar relevante personen) te betrekken bij het gesprek (onderdeel c van lid
                    1). </al><al/><al>Van belang is dat het college er waarde aan hecht om na de melding op basis van
                    enige vorm van persoonlijk contact met cliënt verder invulling te geven aan het
                    onderzoek. Soms voldoet een kort (telefoon)gesprek van een aantal minuten. In
                    andere gevallen is meer tijd nodig of moeten er meerdere gesprekken worden
                    gevoerd om een adequaat totaalbeeld van de cliënt en zijn/haar situatie te
                    verkrijgen. Wanneer er meer tijd nodig is voor het gesprek, hanteert het college
                    het uitgangspunt dat het gesprek zoveel mogelijk bij de cliënt thuis wordt
                    gevoerd.</al><al/><al>Het is geenszins de bedoeling dat het gesprek leidt tot onnodige bureaucratische
                    processen. Daar waar het college veronderstelt dat het om eenvoudige
                    ‘vervolgvraag’ gaat en de situatie van cliënt helder is, verifieert het college
                    deze aanname door ter toetsing contact op te nemen met cliënt. Dit
                    verificatiemoment valt onder de opvatting van het gesprek zoals bedoeld in het
                    eerste lid van dit artikel. </al><al/><al>Lid 2: Voorafgaand aan het gesprek informeert het college de cliënt en/of diens
                    vertegenwoordiger over het doel van het gesprek en ondersteunt het college
                    eventueel in de voorbereiding daarop. Tijdens het gesprek informeert het college
                    de cliënt en/of diens vertegenwoordiger over de vervolgprocedure en vraagt zij
                    toestemming aan de cliënt of diens vertegenwoordiger voor het verwerken van zijn
                    persoonsgegevens. </al><al/><al>In lid 3 wordt weergegeven welke aspecten het college, indien van toepassing en
                    noodzakelijk, meeneemt in het onderzoek. </al><al>De essentie van het onderzoek is:</al><al>te achterhalen wat de vraag/behoefte van de cliënt is en hoe de vraag/behoefte
                    is ontstaan;</al><al>na te gaan in hoeverre de cliënt zelf, of met hulp van anderen in eigen
                    oplossingen kan voorzien. Hierbij wordt de draagkracht en steunbehoefte van een
                    eventuele mantelzorger, meegenomen;</al><al>te onderzoeken welke oplossingen passen bij de hulpvraag van de cliënt, hoe deze
                    oplossingen kunnen worden afgestemd op de domeinen jeugdhulp, zorg, onderwijs,
                    maatschappelijke ondersteuning en/of werk en inkomen, en wie de oplossingen
                    inzet.</al><al>De aspecten die in lid 3 staan genoemd zijn niet uitputtend. Daar waar het
                    college en/of cliënt van mening is/zijn dat aanvullende aspecten onderdeel
                    moeten uitmaken van het onderzoek, kan het onderzoek worden uitgebreid met
                    aanvullende aspecten (onderdeel j van lid 3). Welke (aanvullende) aspecten
                    onderwerp van onderzoek zijn en/of in het onderzoek worden uitgediept, hangt af
                    van de vraag van cliënt en zijn/haar persoonlijke situatie. De invulling van het
                    onderzoek blijft altijd maatwerk. </al><al/><al>Indien de cliënt al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal onderdelen
                    zoals genoemd in lid 3, niet meer uitgediept hoeven te worden. Het college kan
                    in die gevallen bijvoorbeeld alleen (het bestaan van) nieuwe ontwikkelingen
                    onderzoeken. Komt de cliënt voor het eerst bij de gemeente, dan zal het
                    onderzoek er vooral toe dienen een totaalbeeld van de cliënt en zijn
                    persoonlijke situatie te verkrijgen.</al><al/><al>Bij de gegevensverzameling ten behoeve van de in dit lid genoemde
                    onderzoekonderdelen, worden de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens
                    in acht genomen.</al><al/><al>In onderdeel i van lid 3 wordt het persoonlijk plan genoemd. Op grond van
                    artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 kan de cliënt, voordat het onderzoek van start
                    gaat, het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de volgende
                    aspecten omschrijft:</al><lijst><li nr="1."><al>zijn behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren;</al></li><li nr="2."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn
                            zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in
                            zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;</al></li><li nr="3."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn
                            sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of
                            zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of
                            opvang;</al></li><li nr="4."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van zijn
                            mantelzorger;</al></li><li nr="5."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of
                            door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen
                            tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie,
                            onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                            voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of
                            opvang;</al></li><li nr="6."><al>de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en
                            zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het
                            gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen,
                            werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde
                            dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn
                            zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of
                            opvang;</al></li><li nr="7."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn.</al></li></lijst><al>De hierboven genoemde aspecten komen overeen met de onderdelen die het college
                    op grond van lid van 3 van artikel 5 van de Verordening sociaal domein, meeneemt
                    in het onderzoek. </al><al/><al>Wanner het een melding in het kader van de Wmo 2015 betreft, brengt het college
                    cliënt op de hoogte van de mogelijkheid van het persoonlijk plan en stelt
                    hem/haar gedurende zeven dagen na de melding, in de gelegenheid het plan te
                    overhandigen. Het opstellen van een persoonlijk plan is voor cliënt niet
                    verplicht.</al><al/><al>Lid 4 gaat in op de onderzoeksmethoden die het college kan hanteren om de in lid
                    3 van artikel 5 genoemde aspecten te onderzoeken. De onderzoeksmethodieken
                    worden in samenspraak met cliënt toegepast en kunnen in combinatie worden
                    ingezet. Naast de in dit lid genoemde onderzoeksmethodieken kan het college
                    binnen de voor haar beschikbare (wettelijke) mogelijkheden, andere, niet in dit
                    lid genoemde methodieken toepassen. Vooraan staat bij het toepassen van
                    onderzoeksmethodieken dat dit binnen de grenzen van de Wet bescherming
                    persoonsgegevens en in samenspraak met cliënt gebeurt. </al><al/><al>In lid 5 is bepaald dat het college cliënt op kan roepen op een bepaalde plaats
                    en tijd te verschijnen om daar vragen te beantwoorden die nodig zijn om tot een
                    zorgvuldig besluit te komen. Uiteraard wordt hierbij rekening gehouden met de in
                    de persoon gelegen mogelijkheden en/of beperkingen. </al><al/><al>Lid 6 bepaalt dat cliënt of zijn wettelijke vertegenwoordiger verplicht is aan
                    het college of de door haar aangewezen adviesinstantie die gegevens te (laten)
                    verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de melding/aanvraag.
                    Wanneer het college op medische gronden een besluit neemt ten aanzien van het
                    wel/niet treffen van een voorziening, kan het college een beroep doen op een
                    (medisch) adviseur. Het opvragen van medische gegevens gebeurt uitsluitend met
                    toestemming van cliënt.</al><al/><al>Als cliënt of zijn vertegenwoordiger geen medewerking verleent aan hetgeen in
                    lid 6 van dit artikel bepaald is, kan de melding/aanvraag buiten behandeling
                    worden geplaatst, omdat het college mogelijkerwijs niet in staat wordt gesteld
                    om (op basis van gedegen onderzoek) een besluit te nemen. Als dit aan de orde
                    is, wordt altijd eerst onderzocht of de alternatieve onderzoeksmethodieken een
                    antwoord bieden en/of het onderwerp van onderzoek op een andere manier vast te
                    stellen is. </al><al/><al>Lid 7 brengt voor het college een afstemmingsplicht met zich mee. In dit lid
                    wordt bepaald dat het college bij het verrichten van onderzoek, daar waar nodig,
                    afstemt met de terreinen jeugd, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en
                    inkomen, (passend) onderwijs en politie en justitie. Door vroegtijdig en
                    adequaat deze terreinen aan elkaar te verbinden, wordt het uiteindelijke besluit
                    optimaal afgestemd op de persoonskenmerken en gezinssituatie van de cliënt.
                    Hierdoor is de kwaliteit en effectiviteit van dienstverlening en ondersteuning
                    zo groot mogelijk. Immers, in een huishouden kan er een belangrijke relatie
                    bestaan tussen de beleidsterreinen jeugd, zorg, maatschappelijke ondersteuning,
                    werk en inkomen, (passend) onderwijs en politie en justitie. Door in het
                    onderzoek actief verbindingen te leggen met verschillende terreinen in het
                    sociaal domein en hierin zoveel mogelijk afstemming te zoeken met het
                    huishouden, beoogt het college een integrale dienstverlening te realiseren en te
                    borgen dat oplossingen optimaal aansluiten bij de cliënt en zijn/haar
                    gezin(ssituatie). </al><al/><al>Lid 8 van artikel 5 omschrijft dat het college cliënt, tijdens of na afronding
                    van het onderzoek, informeert over de mogelijke oplossingsrichtingen en in
                    hoeverre het college hierin ondersteunt. Dit doet het college zo vroeg mogelijk
                    in het proces. Hierbij gaat het college in op welke manier de ondersteuning
                    wordt betaald/ingekocht (bijvoorbeeld via een persoonsgebonden of
                    persoonsvolgend budget). </al><al/><al>Lid 9 bepaalt dat hetgeen in artikel 5 bepaald is niet van toepassing is op
                    situaties waarin de veiligheid van cliënt en/of zijn/haar gezinsleden in het
                    geding is. </al><al/><al><vet>Artikel 6 De vastlegging van het onderzoek </vet></al><al>Nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden worden de uitkomsten vastgelegd. Dit in
                    het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. </al><al/><al>Het eerste lid borgt dat altijd een verslag wordt gemaakt en dat aan de cliënt
                    of diens vertegenwoordiger een weergave van de uitkomsten van het onderzoek
                    verstrekt wordt. De weergave van de uitkomsten van het onderzoek zal variëren
                    met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek
                    bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn bij eenvoudige vragen en een kort
                    onderzoek. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere
                    weergave noodzakelijk zijn. </al><al/><al>Daar waar cliënt het onderzoeksverslag ontvangt en feitelijke onjuistheden
                    ontdekt, dan kan cliënt of diens vertegenwoordiger deze onjuistheden corrigeren
                    (lid 2). De correcties worden aan het verslag toegevoegd. Wanneer cliënt of
                    diens vertegenwoordiger opmerkingen heeft bij het verslag dan kan hij/zij dit
                    kenbaar maken en worden de opmerkingen aan het onderzoeksverslag toegevoegd. </al><al/><al><vet>Artikel 7. De aanvraag</vet></al><al>In lid 1 is geregeld dat de aanvraag van een voorziening altijd schriftelijk
                    moet plaatsvinden, waarbij digitaal een vorm van schriftelijk is. Het
                    aanvraagformulier kent vaste vormvereisten. In de regel zal de digitale aanvraag
                    inhouden dat een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier digitaal
                    (bijvoorbeeld gescand als pdf bestand) naar het college wordt verzonden. De
                    verplichting van een schriftelijke aanvraag is er één op grond van artikel 4.1
                    van de Awb. Hierin is bepaald dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders
                    bepaalt, een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk moet worden
                    ingediend. De aanvraag mag naast door de cliënt, alleen worden ingediend door
                    een door hem gemachtigd persoon of vertegenwoordiger. Ook de eis van machtiging
                    of vertegenwoordiging is in de Awb gesteld. </al><al/><al>Lid 2: Het kan voorkomen dat een aanvraag op grond van duidelijke omstandigheden
                    niet schriftelijk gedaan kan worden. In zo’n geval kan, op grond van de
                    Participatiewet, ambtshalve worden bepaald of er aanspraak op bijstand bestaat. </al><al/><al>De aanvraag wordt, zoals lid 3 voorschrijft, beoordeeld aan de hand van de
                    uitkomsten van het (integrale) onderzoek na de melding. In de toelichting op
                    artikel 5 wordt het onderzoek nader omschreven. .</al><al/><al>Lid 4: omdat het college het onderzoek integraal uitvoert en het besluit op de
                    aanvraag beoordeeld wordt aan de hand van de uitkomsten uit het onderzoek, is
                    het besluit op de aanvraag, daar waar nodig afgestemd op de domeinen jeugdhulp,
                    onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en
                    justitie.</al><al/><al><vet>Artikel 8. De inhoud van de beschikking</vet></al><al>Het college dient haar besluit op de aanvraag van cliënt, aan cliënt kenbaar te
                    maken. Dit doet het college via een beschikking. Het college kan een positief of
                    negatief besluit nemen, maar kan ook bij beschikking besluiten de aanvraag niet
                    te behandelen. De regels die hiervoor gelden zijn vastgelegd in de Awb. </al><al/><al>Artikel 8 van de Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2015 omschrijft
                    welke aspecten bij het verstrekken van een voorziening minimaal in de
                    beschikking moeten worden vastgelegd. Hier wordt dus alleen ingegaan op de
                    inhoud van de beschikking bij een positief besluit. Uiteraard blijven de
                    mogelijkheden een aanvraag af te wijzen (hier negatief op te besluiten) of
                    buiten behandeling te laten, onverkort gelden voor aanvragen binnen het
                    toepassingsbereik van deze Verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 9. Monitoring</vet></al><al>In dit artikel is bepaald dat het college systematisch de ervaringen over de
                    toegekende voorzieningen monitort en systematisch informatie verzamelt over de
                    mate waarop de toegekende voorzieningen bijdragen aan de (sociale/economische)
                    zelfredzaamheid en participatie van cliënten. Daarnaast onderzoekt het college
                    structureel in hoeverre de resultaten uit de beschikkingen daadwerkelijk worden
                    bereikt. Het hoofddoel van de monitoring is het toezicht houden op en het
                    bevorderen van kwaliteit. </al><al/><al>Ten behoeve van de in artikel 9 genoemde informatieverzameling hanteert het
                    college verschillende instrumenten. Zo kunnen cliënten op vaste momenten na het
                    onderzoek worden bevraagd over hun tevredenheid en ervaringen. Dit kan
                    telefonisch en/of schriftelijk plaatsvinden. </al><al/><al><vet>Artikel 10. Melding klachten</vet></al><al>Cliënten of hun vertegenwoordigers moeten in beginsel kunnen klagen over alles
                    wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. Dit geldt
                    ook ten aanzien van het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de
                    wijze waarop de melding is onderzocht of een gesprek is gevoerd. </al><al/><al>In het eerste lid van dit artikel is een bepaling opgenomen over het
                    gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is op grond van de Awb verplicht tot een
                    behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over
                    gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid
                    werkzaam zijn. De regels zoals gesteld in de bestaande klachtenregelingen zijn
                    dan van kracht.</al><al/><al>Het gaat in casu niet om de reguliere bestuursrechtelijke rechtsbescherming van
                    de Awb. Een cliënt, die het niet eens is met een beslissing van het college op
                    zijn aanvraag voor ondersteuning, kan daartegen bezwaar (volledige heroverweging
                    door de gemeente) en beroep (bij de rechtbank) aantekenen. De cliënt kan ingeval
                    van een spoedeisend belang ook een voorlopige voorziening vragen. Wanneer er
                    sprake is van klachten of wanneer cliënt het niet eens is met een beslissing van
                    het college op zijn/haar aanvraag, kan de gemeente bezien of vormen van
                    mediation kunnen bijdragen aan het voorkomen van conflicten.</al><al/><al>Lid 2: Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie
                    subsidie is verleend, stellen een effectieve en laagdrempelige regeling vast
                    voor de afhandeling van klachten van cliënten. Het kan hierbij gaan om een
                    gedraging van de aanbieder maar bijvoorbeeld ook de kwaliteit van de geleverde
                    ondersteuning. </al><al/><al>Het college informeert cliënten en of hun vertegenwoordigers over de
                    mogelijkheden om klachten in te dienen en de daarvoor geldende procedures. </al><al/><al><vet>Artikel 11. Wijziging situatie</vet></al><al>Cliënt of diens vertegenwoordiger is verplicht om het college direct op de
                    hoogte te stellen van een wijzigingen in zijn situatie waarvan redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op een beslissing van het
                    college op een aanvraag.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Heronderzoek</vet></al><al>Het college kan een heronderzoek instellen naar de noodzaak om een voorziening
                    te treffen en de mate waarin cliënt in eigen oplossingen kan voorzien. Het
                    college is hierbij bevoegd om onderzoek in te stellen naar de juistheid en
                    volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig andere gegevens op te vragen
                    die noodzakelijk zijn voor de toekenning dan wel de voortzetting van de
                    voorziening. Op grond van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 is een periodiek
                    (her)onderzoek verplicht. Het betreft een heronderzoek naar een beslissing
                    aangaande alle maatwerkvoorzieningen (dus zowel pgb´s als voorzieningen in
                    natura). </al><al/><al>Daar waar er een heronderzoek wordt ingesteld, is hetgeen gesteld is in artikel
                    5 (aspecten rondom het onderzoek) overeenkomstig van toepassing. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Intrekking en beëindiging </vet></al><al>Een besluit, genomen op grond van het toepassingsbereik van deze verordening,
                    kan in bepaalde omstandigheden geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken. Dit
                    kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer de voorzienig niet of onvoldoende leidt tot
                    het te bereiken resultaat of wanneer de voorziening niet gebruikt wordt voor de
                    doelstellingen waarvoor het is verstrekt. </al><al/><al>Wanneer er bij het inzetten van de voorziening voorwaarden zijn gesteld en daar
                    op enig moment niet of niet meer aan is voldaan, kan dit reden zijn om de
                    voorziening in te trekken. De Wmo 2015 en de Participatiewet omschrijven de
                    gronden op basis waarvan een besluit kan worden ingetrokken of beëindigd.</al><al/><al>Zo kan op grond van artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 kan het college een
                    beslissing aangaande een maatwerkvoorziening herzien dan wel intrekken als het
                    college vaststelt dat:</al><al>a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking
                    van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben
                    geleid;</al><al>b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                    aangewezen;</al><al>c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend kan worden
                    geacht;</al><al>d. de cliënt niet (meer) voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb
                    verbonden voorwaarden;</al><al>e. de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel
                    gebruikt.</al><al/><al>Op grond van de Participatiewet herziet het college een besluit tot toekenning
                    van bijstand, of trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in,
                    als het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen gesteld bij de
                    Participatiewet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                    verlenen van bijstand of indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een
                    te hoog bedrag is verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Terugvordering</vet></al><al>Indien het college een beslissing op grond van artikel 13 heeft ingetrokken of
                    beëindigd, kan het college van de cliënt geheel of gedeeltelijk de geldswaarde
                    terugvorderen van de ten onrechte genoten voorziening.</al><al/><al>Op grond van artikel 58 van de Participatiewet kan het college de kosten van
                    bijstand terugvorderen voor zover de bijstand: </al><al>a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; </al><al>b. in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende
                    verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen; </al><al>c. voortvloeit uit gestelde borgtocht; </al><al>d. er bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen
                    recht op bijstand bestaat; </al><al>e. er anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit
                    redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of </al><al>f. anderszins onverschuldigd is betaald.</al><al/><al>De Wmo 2015 bepaalt in artikel 2.4.1 dat er sprake kan zijn van terugvordering
                    indien het college het besluit heeft ingetrokken en de verstrekking van de
                    onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft
                    plaatsgevonden. Hierbij levert het besluit tot terugvordering een executoriale
                    titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke
                    Rechtsvordering.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Wijziging van de verordening door het college</vet></al><al>Met dit artikel wordt voorzien in een beperkte overdracht van
                    wijzigingsbevoegdheid aan het college voor wijzigingen van ondergeschikte
                    aard.</al><al>Het gaat hier niet om de inhoudelijke kant van de procesverordening, maar om het
                    voorkomen van onnodige bestuurlijke drukte en het inbouwen van flexibiliteit
                    voor de situatie dat de uitvoeringspraktijk of wetswijzigingen weliswaar geringe
                    maar wel noodzakelijke aanpassingen van de verordening vereisen.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Inwerkingtreding</vet><vet> en citeertitel</vet></al><al>In artikel 15 lid 1 is bepaald dat de Verordening sociaal domein per 1 januari
                    2015 in werking treedt.</al><al/><al>Lid 2 bepaalt dat de verordening kan worden aangehaald als: ’Verordening sociaal
                    domein gemeente Eemnes 2015’.</al><al/><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van 27 oktober 2014,</al><al/><al>de griffier, de voorzitter,</al><al/><al>J.A. de Bruijn R. van Benthem RA</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>