<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR409376_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Beuningen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://gemeenteblad">Gemeenteblad, 20 juli 2016, nr 98638</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Beuningen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=5.4">artikel 5.4 eerste lid en 5.5 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">artikel 149 Gemeentew</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-06-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-04-14</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW16.00249</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      VERORDENING KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN HANDHAVING
                OMGEVINGSRECHTGEMEENTEBEUNINGEN
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al/>
          <al>De raad van de gemeente Beuningen;</al>
          <al/>
          <al>overwegende dat gemeenten, provincies en de gemeenschappelijke diensten c.q.
                        regionale uitvoeringsdiensten die in hun opdracht werken, zich bij de zorg
                        voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving met oog voor de
                        maatschappelijke functies daarvan, waar die zorg gestalte krijgt in de
                        vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van het omgevingsrecht,
                        voor de gezamenlijke opgave gesteld zien om in landelijk verband de
                        kwaliteit van deze uitvoering en handhaving te bevorderen, te borgen en te
                        beoordelen en dat het met het oog daarop wenselijk is om regels vast te
                        stellen, in onderlinge afstemming op het niveau van
                        OmgevingsdienstRegio Nijmegen, door de deelnemende gemeenten en de
                        provincie Gelderland;</al>
          <al/>
          <al>overwegende dat het uitgangspunt voor de kwaliteitsbevordering in ieder
                        geval de in landelijke samenwerking opgestelde kwaliteitscriteria 2.1 zijn,
                        die op basis van technische en maatschappelijke ontwikkelingen, indien
                        daartoe aanleiding is, met betrokken partijen in landelijke afstemming
                        zullen worden aangepast; </al>
          <al/>
          <al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10
                        mei 2016;</al>
          <al/>
          <al>gelet op artikel 5.4, eerste lid, en artikel 5.5van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 149 van de Gemeentewet;</al>
          <al>gehoord Gedeputeerde Staten;</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>besluit</vet>
            <vet>:</vet>
          </al>
          <al>vast te stellen de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en
                        handhaving omgevingsrecht gemeente Beuningen:</al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1
                                    van de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is
                                    bepaald dat hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is;</al></li>
              <li nr="-"><al>kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen
                                    bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende
                                    kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving
                                    inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties
                                    die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn
                                    belast;</al></li>
              <li nr="-"><al>wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Reikwijdte</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de
                            betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en
                            wethouders:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>voor wat betreft de taken die in het verband van een
                                    omgevingsdienst worden uitgevoerd, en</al></li>
              <li nr="b."><al>voor wat betreft de taken die niet in het verband van een
                                    omgevingsdienst worden uitgevoerd voor zover door burgemeester
                                    en wethouders nader bepaald.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Kwaliteit</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Betrokkenheid van de raad</titel>
            </kop>
            <al>De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de
                            kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het
                            licht van de voor de gemeentevastgestelde beleidskaders voor de
                            fysieke leefomgeving.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Kwaliteitsdoelen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering
                                en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door
                                hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit
                                omgevingsrecht, gestelde doelen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving
                                van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben in ieder geval
                                betrekking op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;</al></li>
                <li nr="b."><al>de dienstverlening;</al></li>
                <li nr="c."><al>de financiën.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Kwaliteitsborging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in
                                opdracht van burgemeester en wethouders zijn de kwaliteitscriteria
                                van toepassing. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en
                                wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden
                                nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd
                                opgave.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op
                                    14 april 2016, zijnde het moment dat de Wet van 9 december 2015
                                    tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving) in
                                    werking is getreden.</al></li>
              <li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit
                                    vergunningverlening, toezicht en handhaving
                                    omgevingsrechtgemeente Beuningen.</al><al/><al/></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </paragraaf>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 14 juni 2016</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De voorzitter, De raadsgriffier,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>TOELICHTING BIJ DE VERORDENING KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN
                        HANDHAVING OMGEVINGSRECHT GEMEENTE BEUNINGEN </titel>
        </kop>
        <tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop>
        <al>Deze verordening regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het college
                    van burgemeester en wethouders uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Het algemeen deel van deze toelichting
                    beschrijft de achtergrond en aanleiding van deze verordening en schetst de
                    hoofdlijnen van de inhoud van de verordening. </al>
        <tussenkop>1.<vet> Achtergrond en aanleiding</vet></tussenkop>
        <al>Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van de
                    uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over de verbetering
                    staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008) waarin het kabinet
                    reageert op de analyses en voorstellen van de commissie Mans, Oosting, Lodders,
                    d’Hondt en de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De
                    verbeterpunten zijn terug te brengen tot drie hoofdpunten: </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken;</al></li>
          <li nr="2."><al>Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht;</al></li>
          <li nr="3."><al>en de bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en
                            bestuurlijke drukte.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij
                    gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze punten. Deze
                    afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29 september 2009). Hiertoe
                    is een gezamenlijk programma (PumA, programma uitvoering met ambitie) opgezet,
                    dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu onder meer een landelijk stelsel van
                    omgevingsdiensten, zijn de kwaliteitscriteria 2.1 voor de uitvoering van de Wabo
                    in brede samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar gesteld
                    en is er een landelijke handhavingsstrategie voor bestuurs- en strafrecht<sup/>. </al>
        <al/>
        <al>Bij het verankeren van de afspraken in de wet zijn door de VNG en het IPO nieuwe
                    afspraken gemaakt met het kabinet. De nieuwe wet is geschreven vanuit een
                    stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en decentralisatie. Dit betekent dat een
                    belangrijk deel van de besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering
                    decentraal plaatsvindt door de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin
                    is de afspraak met het kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet worden
                    gerealiseerd en behouden. In de praktijk blijkt dat de kwaliteit van de
                    uitvoering en handhaving afhankelijk is van de wijze waarop alle betrokken
                    partijen bij de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving zich daarvoor
                    inzetten door samenwerking. Hier geldt dat de ketting zo sterk is als de zwakste
                    schakel.</al>
        <al/>
        <al>Dit gegeven laat onverlet dat op dit moment verschillende snelheden bestaan in
                    het bereiken van kwaliteit, bijvoorbeeld waar het de beschikbaarheid en
                    deskundigheid van de betrokken organisaties betreft. Dit geldt overigens niet
                    alleen voor de diensten van gemeenten en provincies, maar ook voor
                    omgevingsdiensten en voor verschillende Rijksdiensten. De eisen die deze
                    verordening aan de organisaties van gemeentebesturen en provinciebesturen en in
                    hun opdracht de omgevingsdiensten stelt, berusten daarom op het vertrekpunt van
                    de Kwaliteitscriteria 2.1 waarvoor een dynamische begripsbepaling is opgenomen
                    in artikel 1 van de verordening. De betrokken organisaties dienen die toe te
                    passen volgens de regel “<cursief>comply or explain</cursief>” (zie daarover
                    verder de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5. </al>
        <al/>
        <al>In alle gevallen zullen de colleges van burgemeester en wethouders en van
                    Gedeputeerde Staten, als Wabo-bevoegd gezag, op grond van artikel 7.2, eerste
                    lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) beleid moeten voeren over de
                    kwaliteit. Deze verordening regelt waarover de doelen van dit beleid ten minste
                    moeten gaan. Deze verordening regelt bovendien dat de verrichtingen van de
                    organisaties van gemeentelijke, provinciale en omgevingsdiensten, waar het de
                    VTH-taken betreft, in het licht van die doelen worden beoordeeld. </al>
        <al/>
        <al>Tot slot regelt het dat de gemeenteraad en Provinciale Staten, elk in het kader
                    van het horizontale toezicht, inhoudelijk debat voeren over de hoofdlijnen van
                    het meerjarige kwaliteitsbeleid dat door hun colleges wordt gevoerd.</al>
        <al/>
        <al>Deze verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande rapportage
                    en informatiestromen, op basis van het Bor en de organieke wetgeving en
                    introduceert geen nieuwe rapportageverplichtingen maar vereist wel extra input
                    voor bestaande rapportages. Wel is het van groot belang dat een tijdige en
                    transparante uitvoering van bestaande verplichtingen bijdraagt aan de
                    mogelijkheid voor de ambtelijke diensten, de bevoegde colleges en de
                    politiek-bestuurlijke gemeenteraden en Provinciale Statenom ieders rol in
                    de kwaliteitsketen te kunnen spelen. De verordening is vanuit deze bestaande
                    competentieverdeling gericht op horizontaal toezicht.</al>
        <al/>
        <tussenkop>2. Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening</tussenkop>
        <al>De verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving
                    omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de Wabo-taken bij gemeenten
                    en de provincie en in opdracht daarvan handelende (omgevings)diensten. De
                    verordening bindt de gemeenteraden en Provinciale Staten hun colleges van
                    burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten, en de in opdracht daarvan
                    handelende omgevingsdiensten, aan een uniforme ambitie voor kwaliteit.
                    Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria 2.1 (die zijn verankerd in artikel 1 en
                    artikel 5, zie voor een toelichting het artikelsgewijs deel) en andere
                    standaarden en methoden die door het bevoegde gezag al veel worden gehanteerd.
                    Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als doel de kwaliteit van
                    vergunningverlening, toezicht en handhaving te waarborgen en te bevorderen.</al>
        <al/>
        <al>Of dat het geval is, moet jaarlijks worden beoordeeld door de colleges van
                    burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten. Hiervoor is input nodig van
                    de omgevingsdiensten en van de interne gemeentelijke of provinciale organisatie.
                    Burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten zullen dus beoordelen "of het
                    goed gaat" op basis van de door henzelf geformuleerde beleidsdoelen voor in
                    ieder geval:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>
              <cursief>de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten</cursief>: de
                            mate waarin een product voldoet aan de juridische doelen (zoals
                            geformuleerd in de relevante wet- en regelgeving en de algemene
                            beginselen van behoorlijk bestuur) en bijdraagt aan de omgevingsdoelen.
                            Ook wel aangeduid als de inhoudelijke kwaliteit.</al></li>
          <li nr="-"><al>
              <cursief>de dienstverlening</cursief>: de manier waarop (in
                            communicatie, snelheid, service) de organisatie met belanghebbenden
                            (aanvragers, omgeving klagers, etc.) omgaat.</al></li>
          <li nr="-"><al>
              <cursief>de financiën</cursief>: de inzet van middelen in relatie tot de
                            kwaliteit van de geleverde diensten/producten. </al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Uiteindelijk zullen de colleges hierover verantwoording afleggen in de
                    gemeenteraad en Provinciale Staten (horizontale verantwoording). De leden van de
                    gemeenteraad en Provinciale Staten vormen immers ook een eigen oordeel "of het
                    goed gaat” in het licht van de kwaliteit van de leefomgeving. De
                    politiek-bestuurlijke overwegingen van de leden van de gemeenteraad en
                    Provinciale Staten zullen betrekking hebben op de meerjarige hoofdlijnen van het
                    beleid, niet op de organisatorische kwesties van bezetting die tot de
                    competentie van de directeuren van de diensten behoort. Daarbij zal ook het
                    verband gelegd kunnen worden tussen de strategische plannen en visies over de
                    hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de gemeente of de provincie, zoals
                    een milieubeleidsplan, een structuurvisie of omgevingsvisies. De gemeenteraad en
                    Provinciale Statenoefenen invloed uit op de formulering van doelen en
                    indicatoren door de colleges van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde
                    Staten en op de bijstelling daarvan zoals bijvoorbeeld welke informatie zij
                    willen terug zien in de verantwoordingsrapportages van het college. In die zin
                    worden de kaders voor de beoordeling van de gemeenteraad en Provinciale
                    Statenovergelaten aan het politieke debat over kwaliteit. </al>
        <al>Zo ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders
                    competentie: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>De organisaties werken onder leiding van hun directie overeenkomstig de
                            kwaliteitscriteria 2.1 met betrekking tot deskundigheid en
                            beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan de colleges van
                            burgemeester en wethouders of Gedeputeerde Staten die hiervoor
                            verantwoording afleggen aan de gemeenteraden en Provinciale Staten.</al></li>
          <li nr="-"><al>De colleges zijn, als bevoegde bestuursorganen, belast met het stellen
                            van beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht
                            en handhaving, overeenkomstig de procesregels van het Besluit
                            omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht, in ieder geval over
                            uitvoeringskwaliteit van diensten en producten, dienstverlening en
                            financiën. </al></li>
          <li nr="-"><al>De gemeenteraad en Provinciale Staten oefenen horizontaal toezicht uit
                            op “hun” colleges en gebruiken waar nodig de krachtens de organieke
                            wetten de aan hun toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen
                            en de continuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk
                            onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving. </al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>
          <vet>ARTIKELSGEWIJS</vet>
        </tussenkop>
        <tussenkop>
          <vet>Artikel 1</vet>
        </tussenkop>
        <al>Als <cursief>betrokken wetten</cursief> worden aangemerkt de Wabo zelf, en de
                    wetten bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo, voor zover bij of krachtens die
                    wetten is bepaald dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is. De wetten waar
                    het - thans - om gaat zijn: de Flora- en faunawet, de Kernenergiewet, de
                    Monumentenwet 1998, de Natuurbeschermingswet 1998, de Ontgrondingenwet, de Wet
                    bescherming Antarctica, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet
                    inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke
                    ordening, de Waterwet en de Woningwet. </al>
        <al/>
        <al>Een belangrijk begrip in deze verordening is
                        <cursief>kwaliteitscriteria</cursief>. De kwaliteitscriteria waar het hier
                    om gaat zijn - thans - de alom bekende Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in
                    brede samenwerking door de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar
                    gesteld voor de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op
                    het gebied van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste
                    organisaties. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede
                    dat van deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en
                    geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt om de versie 2.1 op te
                    volgen. Vanwege deze verdere ontwikkeling van de kwaliteitscriteria is in de
                    begripsbepaling een dynamische verwijzing opgenomen. Met deze begripsbepaling en
                    de verankering in artikel 5 van de verordening liggen de Kwaliteitscriteria 2.1
                    aan de basis van deze verordening.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2</tussenkop>
        <al>De reikwijdte van de verordening heeft een inhoudelijke afbakening en een
                    afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of
                    handhaving van de betrokken wetten. De terminologie “uitvoering en handhaving”
                    is overgenomen uit de wet en wordt ook gehanteerd in het Bor zoals dat op grond
                    van de nieuwe wet zal worden gewijzigd. “Uitvoering en handhaving” betekent dan
                    vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot
                    uitvoering of handhaving van de Wabo en van de wetten, bedoeld in artikel 5.1
                    van de Wabo. Zie daarover de toelichting bij artikel 1. Ten tweede moet het gaan
                    om de uitvoering of handhaving door of in opdracht van burgemeester en
                    wethouders. Op de taken die in het verband van een omgevingsdienst worden
                    uitgevoerd is de inhoud van deze verordening onverkort van toepassing, conform
                    artikel 5.4 van de Wabo. Op de taken die niet in het verband van een
                    omgevingsdienst worden uitgevoerd is de inhoud van deze verordening van
                    toepassing voor zover door burgemeester en wethouders bepaald. Daarmee wordt het
                    bevoegde bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld om een afweging te maken over
                    het kwaliteitsniveau van de betreffende taken. Uitvoering van wetten die genoemd
                    zijn in artikel 5.1 van de Wabo of van de Wabo zelf door andere bevoegde
                    gezagen, valt buiten het bereik van deze verordening. Waar hier wordt gesproken
                    over de uitvoering of handhaving van taken <cursief>door of in opdracht
                        van</cursief> het bevoegd gezag wordt gedoeld op de uitvoering door
                    gemeentelijke diensten en regionale uitvoeringsdiensten. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3</tussenkop>
        <al>Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de gemeenteraad
                    en burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van het Bor, is de
                    jaarlijkse beoordeling van en rapportage over kwaliteit een taak voor het
                    bevoegd gezag. Dat wil zeggen: burgemeester en wethouders. Bezien vanuit de
                    Gemeentewet, is kaderstelling juist de taak van de gemeenteraad. </al>
        <al>De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van deze
                    verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang met het
                    Bor, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat de gemeenteraad vooral
                    vanuit de hoofdlijnen betrokken is bij het beleid en zal toezien op de
                    continuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren. </al>
        <al/>
        <al>Het horizontale toezicht door de gemeenteraad op het regionale uitvoerings- en
                    handhavingsbeleid door burgemeester en wethouders, zal daarom plaatsvinden in
                    het licht van het strategische beleid dat op hoofdlijnen wordt gevoerd voor de
                    fysieke leefomgeving, zoals omgevingsvisies, milieubeleidsplannen en
                    structuurvisies.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 3 richt zich tot de gemeenteraad. Indirect is het eveneens van belang
                    voor burgemeester en wethouders, en de omgevingsdiensten die in hun opdracht
                    werken, omdat de rol van de gemeenteraad zich juist bij de
                    meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken van deze
                    rol, beschikt de gemeenteraad reeds over de mogelijkheden die de organieke
                    wetgeving hem biedt en de kaders die hij op strategisch niveau voor de fysieke
                    leefomgeving in plannen en visies heeft vastgelegd. </al>
        <al/>
        <al>Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat het
                    college de raad daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat stelt. Dat
                    daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van belang kan zijn, spreekt
                    voor zich en is op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de
                    opdrachten aan de omgevingsdiensten voldoende gewaarborgd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4</tussenkop>
        <al>Artikel 7.2, eerste lid, van het Bor verplicht het bevoegd gezag (lees:
                    burgemeester en wethouders) om beleid te formuleren voor de kwaliteit van de
                    uitvoering van de VTH-taken. De grondslag van deze bepaling (art. 5.3 Wabo) zag
                    voorheen op een doelmatige en programmatische handhaving, maar is op grond van
                    de wijziging van de Wabo en het Bor door de wet VTH, ook gaan gelden voor
                    uitvoering (vergunningverlening). Daarmee is sprake van een uitvoeringsbeleid en
                    handhavingsbeleid, waarover onderlinge afstemming plaats dient te vinden tussen
                    de bevoegde gezagen op het niveau van de omgevingsdienst. Welk beleid moet
                    worden geformuleerd laat het Bor inhoudelijk open. Dit artikel strekt ertoe een
                    inhoudelijke ambitie te geven aan de procesverplichting om kwaliteitsbeleid te
                    vormen. </al>
        <al/>
        <al>Ten eerste door voor te schrijven dat burgemeester en wethouders naar de
                    kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het
                    geformuleerde regionale beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking
                    moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er
                    daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die
                    daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van de prestaties en
                    kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisatie. Het gaat dan in ieder
                    geval om de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten, de dienstverlening
                    en de financiën. </al>
        <al/>
        <al>Er is voor gekozen in deze verordening geen voorschriften te geven over de te
                    gebruiken indicatoren. Dat is in de eerste plaats een taak voor het bevoegde
                    gezag, dat daarmee in de praktijk al ruime ervaring heeft. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 5</tussenkop>
        <al>Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria 2.1 en de opvolgers
                    daarvan (zie ook de toelichting bij artikel 1, waarin een begripsbepaling voor
                    kwaliteitscriteria is opgenomen). Het strekt ertoe te regelen dat van die
                    kwaliteitscriteria voor de uitvoering van VTH-taken in de praktijk gebruik
                    gemaakt wordt. Het gaat immers om criteria waaraan zorgvuldig en met grote
                    deskundigheid is gewerkt door de betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat
                    deze criteria relevante input leveren voor de kwaliteit. Dat geeft
                    vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen die door het college zijn gesteld op
                    grond van artikel 3 ook zonder meer in alle gevallen worden gehaald. Het
                    bereiken van deze doelen zal immers niet alleen afhankelijk zijn van de goede
                    verrichtingen van de uitvoerende organisaties. Van de naleving van de
                    kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan moeten worden aan de
                    gemeenteraad. Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijke mededelingsplicht
                    die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages, in de op grond
                    van het Bor op te stellen documenten.</al>
        <al>Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle
                    relevante taken worden toegepast, de kwaliteit per definitie te wensen zal
                    overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten worden waarom de
                    criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor de gestelde
                    kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria 2.1 zijn derhalve een cruciaal
                    richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “<cursief>comply or
                        explain</cursief>”. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 6</tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening. Het is, gelet op de
                    aard van de gestelde regels, niet nodig om deze verordening in overgangsrecht te
                    voorzien. </al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>