<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR409181_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 29 juni 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Participatiewet, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-06-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016-008855</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Maatregelen</vet><vet>verordening Participatiewet, IOAW en
                        IOAZ</vet><vet> 2016</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Lochem;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 10 mei 2016</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen zelfstandigen;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;</al><al/><al>gelet op het Beleidsplan Participatiewet;</al><al/><al>gelet op het advies van de Cliëntenraad; </al><al/><al>besluit vast te stellen de navolgende verordening:</al><al/><al><vet>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ</vet><vet>
                        2016</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Het Plein: de gemeenschappelijke regeling Het Plein;</al></li><li nr="b."><al>bestuur: het bestuur van de gemeenschappelijke regeling Het
                                    Plein;</al></li><li nr="c."><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering of grondslag van de uitkering
                                    waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt
                                    of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="d."><al>bijstandsnorm: </al><lijst><li nr="1°"><al>toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c,
                            van de Participatiewet, of</al></li><li nr="2°"><al>grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake
                            is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een
                            uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, 18, tweede, vijfde en zesde
                            lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging; </al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien
                                            geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
                                            of</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende schriftelijk aangeeft hiervan geen
                                            gebruik te willen maken.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 12 maanden voor constatering daarvan door
                                    het bestuur, heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bestuur kan afzien van een verlaging als het daarvoor
                                    dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Als het bestuur afziet van een verlaging op grond van dringende
                                    redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de
                                    hoogte gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                                over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de
                                uitkering of bijzondere bijstand over de periode waarop de gedraging
                                betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft
                                plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet
                                mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                                als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt
                                de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                                uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn,
                                bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering
                                ontvangt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm of
                                grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet: of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand’. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1°."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen anders dan bedoeld in artikel 18, vierde lid dan wel
                                    voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in
                                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="2°."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren
                                    en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a
                                    van de Participatiewet;</al></li><li nr="3°."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de
                                    artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor
                                    zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar,
                                    gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43,
                                    vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                    verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid,
                                    van de Participatiewet;</al></li><li nr="4°."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
                                    b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft
                                    geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht
                                    voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid,
                                    van de Participatiewet. De maatregel wordt niet opgelegd indien
                                    elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="5°."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het bestuur
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel
                                    9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7a.</nr><titel>Niet meewerken aan taaltoets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende niet meewerkt aan het afleggen van de
                                taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de
                                Participatiewet, wordt een verlaging opgelegd van 10 procent van de
                                bijstandsnorm gedurende 1 maand;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van
                                een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege het niet
                                meewerken aan het afleggen van de taaltoets opnieuw schuldig maakt
                                aan dezelfde verwijtbare gedraging, wordt de duur van de
                                oorspronkelijke verlaging verdubbeld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van
                                het besluit in de zin van artikel 7a, tweede lid van deze
                                verordening, waarmee een verlaging is toegepast vanwege het niet
                                meewerken aan het afleggen van de taaltoets, opnieuw schuldig maakt
                                aan dezelfde verwijtbare gedraging, wordt de duur van de verlaging
                                zoals bedoeld in artikel 7a, tweede lid van deze verordening telkens
                                verdubbeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: </al><lijst><li nr="1°."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig
                                    laten verlengen van de registratie;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1°."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="2°."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="3°."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het bestuur
                                    aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste
                                    lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel
                                    37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
                                    voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of
                                    tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="4°."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel
                                    e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste
                                    lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te
                                    willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                    ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als
                                    bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="5°."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het bestuur
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel
                                    37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of
                                    artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="1°."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het bestuur
                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de
                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                            e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid
                            tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                            voorziening;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>vierde categorie:</al><lijst><li nr="1°."><al>het niet aanvaarden of door eigen toedoen niet behouden van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>Vijf procent van de bijstandsnorm of grondslag van de uitkering
                                    ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de
                                    eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>Tien procent van de bijstandsnorm of grondslag van de uitkering
                                    ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de
                                    tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>Twintig procent van de bijstandsnorm of grondslag van de
                                    uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de
                                    derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>Honderd procent van de grondslag van de uitkering ingevolge de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen gedurende een maand bij gedragingen van de
                                    vierde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één
                            maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt toegepast
                                over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee
                                maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid,
                                onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als
                                bedoeld in het eerste lid plaats. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>Tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag tot € 1000;</al></li><li nr="b."><al>Twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot € 2000;</al></li><li nr="c."><al>Veertig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4000;</al></li><li nr="d."><al>Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        een benadelingsbedrag van € 4000 of hoger.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval begrepen het op
                                onverantwoorde wijze besteden van vermogen, inbegrepen het doen van
                                een schenking, voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening,
                                voor zover bijstandsverlening redelijkerwijs was te voorzien;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12a.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid; Maatregel bij
                                verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening
                                door toepassing van bestuurlijke boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 12 wordt, indien
                                belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende en
                                toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenplicht, een maatregel opgelegd
                                van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende de eerste drie
                                maanden gerekend vanaf de start van de verrekening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, wordt de maatregel
                                in de tweede en derde maand gerekend vanaf de start van de
                                verrekening gematigd tot twintig procent van de bijstandsnorm indien
                                belanghebbende redelijkerwijs niet kan beschikken over gelden ter
                                hoogte van ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet,
                                wordt een verlaging opgelegd van veertig procent van de
                                bijstandsnorm gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                bestuur of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van veertig
                                procent van de bijstandsnorm of grondslag gedurende één maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het bestuur opgelegde verplichting als
                            bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>Tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>Tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband
                                    houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                                    bijstand;</al></li><li nr="c."><al>Twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij
                                    het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken
                                    tot vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="d."><al>Vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij
                                    het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken
                                    tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor het bepalen
                                van de hoogte en de duur uitgegaan van de gedraging waarop de
                                hoogste verlaging is gesteld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen
                                verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke
                                boete wordt opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor het bepalen van
                                de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop
                                de hoogste verlaging is gesteld. Er wordt geen verlaging opgelegd
                                voor zover een bestuurlijke boete wordt opgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, tweede lid, 8, tweede of
                                derde lid, 12, eerste lid, of 14 opnieuw schuldig maakt aan
                                eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de
                                oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, 8, eerste lid
                                opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
                                telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 13, opnieuw schuldig maakt aan
                                eenzelfde verwijtbare gedraging, bedraagt de verlaging telkens
                                honderd procent.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                bijstandsnorm gedurende twee maanden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Met een besluit waarmee een verlaging is toegepast, wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 4 van deze verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het bestuur de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze
                            weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                            verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 wordt
                            ingetrokken met ingang van 1 juli 2016.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 juni 2016.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet</tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al>Wanneer het bestuur tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het bestuur af van een
                    dergelijke verlaging. Het bestuur moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het bestuur kan dan ook van een verlaging afzien
                    als het bestuur daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening de duur van de
                    verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al>Het bestuur beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen. Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar
                    oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van
                    toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten
                    aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en
                    artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas
                    wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan
                    belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de
                    strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch
                    te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een
                    ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer
                    ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet
                    op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al> In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</al><tussenkop>Wet taaleis </tussenkop><al>Sinds 1 januari 2016 is de taaleis als nieuwe verplichting opgenomen in de
                    Participatiewet (artikel 18b van de Participatiewet). Dit artikel bevat een
                    inspanningsverplichting voor bijstandsgerechtigden om de Nederlandse taal te
                    beheersen, voor zover dit noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen,
                    aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Voor schending van
                    deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel trapsgewijs moet worden
                    verlaagd met 20% gedurende 6 maanden in de periode 0-6 maanden na de
                    schriftelijke kennisgeving dat een bijstandsgerechtigde de taal onvoldoende
                    beheerst, 40% gedurende 6 maanden in de periode 6-12 maanden na de schriftelijke
                    kennisgeving en 100% voor onbepaalde tijd na 12 maanden na de schriftelijke
                    kennisgeving (artikel 18b, negende lid, tiende lid en elfde lid, van de
                    Participatiewet). Artikel 18b van de Participatiewet kent een eigen
                    afstemmingsregime waardoor de afstemmingsverordening niet van toepassing is. Op
                    het niveau van de verordening is echter wel geregeld op welke wijze de bijstand
                    wordt verlaagd, indien de medewerking aan het afleggen van een taaltoets
                    geweigerd wordt. Dat is in artikel 7a geregeld. <cursief>Afstemmen in de IOAW en
                        de IOAZ</cursief></al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het bestuur de mogelijkheid een uitkering op grond van
                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te
                    weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van
                    de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening
                    (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een
                    boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al><tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op
                    een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling
                    valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk
                    betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te
                    verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van
                    de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van
                    medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet
                    als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de
                    verlaging van de bijstand.</al><al>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</al><al>De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de
                    bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten hebben daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is mogelijk
                    deze regels onder te brengen in de afstemmingsverordening. De gemeenteraad heeft
                    er echter voor gekozen deze regels niet in deze verordening op te nemen omdat
                    deze verordening een gecombineerde Participatiewet, IOAW en IOAZ
                    afstemmingsverordening is. De regels over de bevoegdheid om de beslagvrije voet
                    tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete zijn
                    neergelegd in de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015
                    (zie artikel 12a)<cursief>. </cursief></al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al> Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening.</al><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief> Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze
                    verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende
                    bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en
                    verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake
                    is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm
                    verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en
                    artikel 5 van de IOAZ.</al><tussenkop>Benadelingsbedrag</tussenkop><al>Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een
                    hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het bepalen
                    van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering,
                    zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de
                    bestuurlijke boete.</al><tussenkop>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit de motiveringsvereiste. Demotiveringsvereiste houdt onder andere in
                    dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien.</al><tussenkop>Artikel 3. Horen van belanghebbende</tussenkop><al>Op Het Plein wordt het uitgangspunt gehanteerd, dat, alvorens een maatregel op
                    te leggen, de belanghebbende in beginsel altijd in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen: dat staat in artikel 3. Dat is primair in
                    het belang van de belanghebbende, het is in lijn met de beginselen van
                    behoorlijk bestuur, alsmede dat het hoort bij een goede dienstverlening. Tot
                    slot is het doel, dat Het Plein zodoende (beter) in staat is om een zorgvuldig
                    tot stand gekomen maatregel op te leggen of daarvan af te zien. Incidenteel kan
                    in overeenstemming met de bepalingen in artikel 3 van deze lijn worden
                    afgeweken. Als dat gebeurt, dient dat goed en schriftelijk te worden
                    vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 4. Afzien van verlaging</tussenkop><tussenkop>Afzien van verlagen</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel
                    20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan het bestuur
                    te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende
                    gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van
                    een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen
                    reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval
                    van recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Om deze reden regelt artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening
                    dat het bestuur geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                    uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag
                    of het bestuur overgaat tot het opleggen van een verlaging. </al><tussenkop>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering. <cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen</cursief> De wet schrijft bij overtreding van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van
                    de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid,
                    van de Participatiewet moet het bestuur een op te leggen maatregel of een
                    opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en
                    diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens het bestuur -
                    dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op
                    grond van bijzondere omstandigheden kan het bestuur besluiten de maatregel op
                    een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen. </al><al><cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief> Het doen van
                    een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het bestuur afziet van het
                    opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een verlaging bij
                    recidive is geregeld in artikel 16.</al><tussenkop>Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de
                    hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm.</al><al>Verlagen met terugwerkende kracht (tweede lid)</al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast. Het
                    afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van
                    herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte
                    uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is
                    verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de
                    IOAZ, worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet
                    altijd mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken
                    en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen duidelijke
                    datum te koppelen aan de gedraging van een belanghebbende of is de verlaging het
                    gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met
                    terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de
                    toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te
                    solliciteren.</al><tussenkop>Artikel 6. BerekeningsgrondslagBijstandsnorm</tussenkop><tussenkop>Bijstandsnorm</tussenkop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken
                    naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de
                    IOAZ. </al><tussenkop>Bijzondere bijstand</tussenkop><al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in
                    dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het bestuur in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als
                    daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. </al><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag.</al><tussenkop>Artikel 7. Gedragingen Participatiewet</tussenkop><al>De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid. De gedragingen in artikel 7, beperken zich tot gedragingen die zijn
                    opgenomen na de leden a en b. De bijbehorende verlagingspercentages ( 5 en 10%)
                    ingevolge artikel 9 doen zowel recht aan de percentages die van toepassing waren
                    in de voorgaande verordening, alsmede aan tijdens in 2014 gehouden consultaties
                    van raadsleden, (maatschappelijke) organisatie en burgers gebleken opvattingen
                    hierover. Dat de lijst van gedragingen relatief kort is, wordt veroorzaakt door
                    de komst per 1 januari 2015 van de zogenaamde geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen. Schending van een aantal van die verplichtingen werd tot
                    1 januari 2015 via toepassing van de (lokale) verordening, gesanctioneerd.
                    Waarbij de betreffende verplichtingen waren opgenomen in de “voorganger” van het
                    huidige artikel 7 in deze verordening.</al><tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het bestuur moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 7
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen. </al><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (onderdeel b)</tussenkop><al>Deze verwijtbare gedraging (10% verlaging) is niet aan de orde voor zover het
                    gaat om het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                    arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending
                    van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime:
                    verlaging van de bijstand met honderd procent gedurende een in de
                    afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een maand en ten hoogste
                    drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). In deze
                    verordening is de duur vastgelegd in artikel 10. </al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 7,
                    onder b, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst><tussenkop>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</tussenkop><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het bestuur onvoldoende, dan
                    verlaagt het bestuur de uitkering. De verlaging kan in principe al worden
                    toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze
                    verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou
                    wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een
                    belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat.
                    Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de
                    herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de
                    afstemmingsverordening (zie artikel 7, tweede lid, onderdeel b).</al><tussenkop>Artikel 7a</tussenkop><al>Bij het bepalen van de hoogte en de duur van de maatregel indien geen
                    medewerking wordt verleend in net geval van het afleggen van de taaltoets is
                    aansluiting gezocht bij de bepalingen in artikel 7, 2<sup>e</sup> lid, i.c. bij
                    de gedragingen tweede categorie. Ontbrekende medewerking in het geval van het
                    afleggen van een taaltoets komt qua strekking overeen met het niet of
                    onvoldoende verlenen van medewerking in het geval van het plan van aanpak, als
                    bedoeld in artikel 7, onder b-2. </al><tussenkop>Artikel 8. Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop><al>De artikelen 8 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8
                    worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                    van betaalde arbeid. De indeling in categorieën in dit artikel komt in beginsel
                    overeen met de indeling in het voorgaande artikel. Als gevolg van het feit, dat
                    de IOAW en IOAZ geen geüniformeerde verplichtingen kennen, hebben de gedragingen
                    bedoeld in de leden c en d een plaats in de verordening gekregen
                    (behouden).</al><tussenkop>Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging</tussenkop><al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 7 en
                    8.</al><al>Er is gekozen voor een afstemmingsregime bij gedragingen zoals bedoeld in de
                    artikelen 7 en 8 dat afwijkt van de maatregel bij schending van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
                    de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in de artikelen 7 en 8
                    genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. </al><tussenkop>Artikel 10. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>De eerste keer dat het bestuur een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                    periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Artikel 11. Verrekenen verlaging</tussenkop><al>Het bestuur heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending
                    van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over
                    de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende
                    maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de
                    verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de
                    Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging
                    stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18,
                    elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier wel om een facultatieve
                    bepaling. </al><al><cursief>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden</cursief>Er is voor
                    gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag
                    van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht
                    aan:</al><lijst><li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li><li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li><li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li></lijst><tussenkop>De maand van oplegging</tussenkop><al>In het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de "maand van
                    oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld:
                    de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend gemaakt. <cursief>Geen
                        verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde
                        arbeid</cursief></al><al>In het tweede lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van
                    artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen verrekening
                    plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid. Het betreft het niet
                    aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is
                    gebaseerd op de zwaarte van de gedraging.</al><al><cursief>Geen verrekening bij recidive</cursief>Is sprake van een
                    tweede of volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen
                    de recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk. Artikel 11
                    bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals
                    bedoeld in artikel 10 van deze verordening én als sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Recidive is niet geregeld in artikel 10, maar in artikel 16,
                    derde lid, van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid,
                    van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk. </al><al><cursief>Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere
                        gedragingen</cursief>Verrekening bij maatregelen voor schendingen
                    van andere gedragingen dan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet
                    mogelijk. Dit volgt uit artikel 11 van deze verordening en artikel 18, vijfde
                    lid, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet
                    worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen
                    9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de
                    Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de
                    regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 10 en 16, derde lid, van
                    deze verordening.</al><al>Op grond van artikel 12 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt
                    gedaan.</al><tussenkop>Bijstand in de vorm van een geldlening</tussenkop><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het bestuur
                    tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit
                    volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het
                    bestuur besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet
                    het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de
                    bijstandsgerechtigde.</al><tussenkop>Artikel 12a. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid; Maatregel
                    bij verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening door
                    toepassing van bestuurlijke boete</tussenkop><al>Hier is de volgende situatie bedoeld: Het door eigen schuld verliezen van de
                    aanspraak op een sociale zekerheidsuitkering of de uitbetaling daarvan, als
                    gevolg van de verrekening van de boete bij het herhaald schenden van de
                    inlichtingenverplichting als gevolg waarvan geen beroep meer kan worden gedaan
                    op een passende en toereikende voorziening.</al><tussenkop>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><tussenkop>Participatiewet (eerste lid)</tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties ( bestuur, SVB
                    en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Met de
                    zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de
                    misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                    Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                    komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
                    Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.</al><tussenkop>IOAW en IOAZ (tweede lid)</tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'. Het bestuur kan alleen een verlaging opleggen als er een verband
                    bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het
                    vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers geen
                    afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het recht
                    op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig
                    misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere)
                    aan de uitkering verbonden verplichting. Vandaar dat in het tweede lid wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van IOAW of
                    IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een
                    (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit
                    eigen beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze
                    gedraging geen sanctie mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 14. Niet nakomen van overige verplichtingen</tussenkop><al>DeParticipatiewet geeft het bestuur de bevoegdheid om personen
                    verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55
                    van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een
                    viertal categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het bestuur op grond van artikel 55 van
                    de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het bestuur zal daarom
                    altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het bestuur de
                    bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit
                    artikel vastgestelde verlaging. </al><al>Indien de belanghebbende de verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling
                    niet of onvoldoende nakomt, moet, alvorens aan lid a toepassing wordt gegeven,
                    worden vastgesteld, dat het niet gaat om (schending van) een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting.;</al><tussenkop>Artikel 15. Samenloop van gedragingen </tussenkop><al><cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                        geschonden</cursief> Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één
                    gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd
                    in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de
                    hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de
                    hoogste verlaging is gesteld.</al><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                        verplichtingen worden geschonden</cursief> Het tweede regelt samenloop als
                    sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere
                    verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid,
                    van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop'
                    genoemd. Ook in dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de
                    hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de
                    hoogste verlaging is gesteld.</al><tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete</tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het bestuur in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het bestuur bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al><al> Ook bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren
                    door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een
                    gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 16. Recidive</tussenkop><tussenkop>Verdubbeling duur verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit
                    hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware
                    verlagingen voor gelden, m.u.v. de “zeer ernstige misdragingen” (artikel 13, zie
                    lid 3: dat is een vast percentage: 100) gekozen voor een verdubbeling van de
                    duur van de maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare
                    gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een
                    verlaging, ook als wegens dringende redenen – op grond van artikel 4, tweede
                    lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet –
                    is afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming
                    op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het
                    opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                    verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij
                    toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de
                    aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                    waarmee de verlaging is opgelegd, bekend is gemaakt: dit is doorgaans de datum
                    van de verzending van het besluit.</al><tussenkop>Verdubbeling hoogte verlaging</tussenkop><al>Voor lichte verlagingen is gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de
                    verlaging.</al><tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot
                    uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor
                    toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van
                    dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                    vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. </al><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste
                    keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke
                    verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging.</al><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen. </al><al>Het derde lid wijkt enigszins af van het bovenstaande. In artikel 16,
                    3<sup>e</sup> lid is namelijk geregeld, dat degene die zich bij herhaling
                    ernstig misdraagt (zie tevens artikel 13) zijn uitkering wordt afgestemd met een
                    maatregel ter hoogte van 100% (gedurende 1 maand). Hiermee wordt het signaal
                    afgegeven dat de hier bedoelde zeer ernstige misdragingen zwaar gesanctioneerd
                    worden: elke vorm van zeer ernstige misdragingen is onaanvaardbaar. zeer
                    ernstige misdragingen</al><tussenkop>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</tussenkop><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid is vereist dat
                    sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor
                    de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting
                    wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging
                    worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een
                    persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een
                    verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als
                    werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, eerste
                    lid), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging"
                    betreft. Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan
                    het opstellen van een plan van aanpak (artikel 7, tweede lid, onderdeel a) en
                    vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, tweede lid,
                    onderdeel d). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee
                    verschillende verplichtingen zijn geschonden. </al><tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende 2
                    maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet
                    gegeven marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet). </al><al>Het vierde lid: Indien om dringende redenen (artikel 4) een maatregel niet ten
                    uitvoer wordt gelegd, telt de gedraging die aanleiding gaf tot deze maatregel
                    mee bij het bepalen of sprake is van recidive.</al><tussenkop>Artikel 17. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</tussenkop><al>Het bestuur is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het bestuur. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het bestuur zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het bestuur concludeert dat van een weigering
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Artikel17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                    voorkomen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>