<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR408861_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Archeologieverordening Almere 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Almere, nr. 326, 28-04-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Archeologieverordening Almere 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV-11/2016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Archeologieverordening Almere 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet><cursief>Archeologieverordening
                        Almere</cursief></vet><vet><cursief>2016</cursief></vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Almere,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 38
                        van</al><al> de Monumentenwet 1988 en artikel 149 van de Gemeentewet; overwegende dat
                        het wenselijk is om regels vast te stellen ter bescherming van het
                        archeologisch bodemarchief;</al><al/><al><vet>Besluit </vet></al><al/><al><vet>vast te stellen:</vet></al><al/><al><vet><cursief>De Archeologieverordening
                        Almere</cursief></vet><vet><cursief>2016</cursief></vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Archeologisch waardevolle terreinen</titel></kop><al>Het college wijst archeologisch waardevolle terreinen aan waarbinnen zich
                        behoudenswaardige archeologische waarden bevinden of worden verwacht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vaststelling Archeologische Beleidskaart Almere (ABA)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een archeologische beleidskaart vast, waarop op een
                            topografische ondergrond de archeologisch waardevolle terreinen bedoeld
                            in artikel 1 zijn aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de onder lid 1 bedoelde beleidskaart wordt de archeologische waarde
                            van de terreinen aangeduid met waarden 1 tot en met 6, welke waarden als
                            volgt worden gedefinieerd:</al><lijst><li nr="a."><al>waarde 1: terrein met mogelijke archeologische waarden (dekzand
                                    en Oude Getijden) op een diepte vanaf 150 cm onder maaiveld ;
                                </al></li><li nr="b."><al>waarde 2: terrein met mogelijke archeologische waarden (dekzand)
                                    op een diepte vanaf 100 cm onder maaiveld;</al></li><li nr="c."><al>waarde 3: terrein met mogelijke archeologische waarden (dekzand)
                                    op een diepte vanaf 50 cm onder maaiveld;</al></li><li nr="d."><al>waarde 4: terrein met mogelijke archeologische waarden
                                    (oeverwallen) op een diepte vanaf 50 cm onder maaiveld;</al></li><li nr="e."><al>waarde 5: terrein met door het college vastgestelde
                                    archeologische waarde;</al></li><li nr="f."><al>waarde 6: terrein met mogelijke archeologische waarden
                                    (prehistorie, scheeps- en vliegtuigwrakken buitendijks).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onder lid 1 bedoelde beleidskaart dient integraal in alle toekomstige
                            bestemmingsplannen, omgevingsplannen en beheersverordeningen te worden
                            overgenomen, met een met deze verordening overeenkomende
                            bescherming.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Archeologievergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college of in strijd met bij
                            zodanige vergunning verbonden voorschriften bouwactiviteiten of de
                            volgende werkzaamheden uit te voeren op of in de krachtens artikel 1
                            aangewezen terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>Het verlagen van de bodem, het uitvoeren van grondwerkzaamheden
                                    of het afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning
                                    nodig is;</al></li><li nr="b."><al>Het ophogen van de bodem met meer dan 50 cm;</al></li><li nr="c."><al>Het aanleggen van bos of boomgaard bestaande uit meer dan 10
                                    bomen;</al></li><li nr="d."><al>Het verlagen van het waterpeil;</al></li><li nr="e."><al>Het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of
                                    parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere
                                    oppervlakteverharding;</al></li><li nr="f."><al>Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of
                                    telecommunicatie- of andere leidingen en daarmee verband
                                    houdende constructies;</al></li><li nr="g."><al>Het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere
                                    wateren;</al></li><li nr="h."><al>Alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen
                                    aantasten en die niet aan te merken zijn als het normale gebruik
                                    van het terrein. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing voor bouw- en
                            aanlegactiviteiten: </al><lijst><li nr="a."><al>in terreinen die op de beleidskaart in waarde 1 vallen, voor
                                    zover de activiteiten een oppervlakte van minder dan 500
                                    m<sup>2</sup> beslaan en niet dieper zijn dan 1,5 meter onder
                                    maaiveld;</al></li><li nr="b."><al>in terreinen die op de beleidskaart in waarde 2 vallen, voor
                                    zover de activiteiten een oppervlakte van minder dan 500
                                    m<sup>2</sup> beslaan en niet dieper zijn dan 1 meter onder
                                    maaiveld;</al></li><li nr="c."><al>in terreinen die op de beleidskaart in waarde 3 vallen, voor
                                    zover de activiteiten een oppervlakte van minder dan 500
                                    m<sup>2</sup> beslaan en niet dieper zijn dan 0,5 meter onder
                                    maaiveld;</al></li><li nr="d."><al>in terreinen die op de beleidskaart in waarde 4 vallen, voor
                                    zover de activiteiten een oppervlakte van minder dan 100
                                    m<sup>2</sup> beslaan en niet dieper zijn dan 0,5 meter onder
                                    maaiveld;</al></li><li nr="e."><al>in terreinen die op de beleidskaart in waarde 6 vallen, voor
                                    zover de activiteiten een oppervlakte van minder dan 25.000
                                    m<sup>2</sup> beslaan</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is ook niet van toepassing indien de
                            werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>het normale onderhoud van de gronden betreffen;</al></li><li nr="b."><al>onderdeel zijn van een reeds vergund initiatief op het tijdstip
                                    van het van kracht worden van het bestemmingsplan, omgevingsplan
                                    of beheersverordening;</al></li><li nr="c."><al>worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek,
                                    zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse
                                    Archeologie (KNA).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing bij door het college in
                            nadere regels vastgestelde situaties.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een uitzondering op het verbod zoals genoemd in lid 2 is niet van
                            toepassing als gedurende de periode van 36 maanden voor verstrekking van
                            de omgevingsvergunning een uitzondering op het verbod in lid 2 van
                            toepassing is geweest op bouw- en aanlegactiviteiten zoals genoemd in
                            lid 1 in terreinen op een afstand van minder dan 50 m van het
                            onderhavige terrein, voor zover de voorgenomen activiteiten in het
                            onderhavige terrein een oppervlakte hebben van meer dan 100
                            m<sup>2</sup>. De afstand van 50 meter wordt gemeten over de kortste
                            afstand tot de eerder gebouwde of aangelegde structuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanvraag archeologievergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om vergunning wordt met de daarbij behorende bescheiden
                            ingediend bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de indieningsvereisten vast voor de aanvraag om
                            vergunning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is bevoegd nadere gegevens van de aanvrager te verlangen. In
                            het belang van de archeologische monumentenzorg kan worden bepaald dat
                            de aanvrager van een vergunning een rapport overlegt waarin de (te
                            verwachten) archeologische waarde die blijkens de aanvraag zal worden
                            verstoord in voldoende mate is vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Archeologisch onderzoek in het kader van de
                            vergunningaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in het kader van vergunningverlening een rapport moet worden
                            overgelegd waarvoor archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd,
                            voldoet dit onderzoek aan de meest recente versie van de Kwaliteitsnorm
                            Nederlandse Archeologie (KNA).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het kader van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid</al><lijst><li nr="a."><al>dient het plan van aanpak en het programma van eisen door het
                                    college te worden goedgekeurd;</al></li><li nr="b."><al>dient toezicht en handhaving op de uitvoering van het plan van
                                    aanpak en het programma van eisen te worden georganiseerd op
                                    aanwijzing van het college;</al></li><li nr="c."><al>dienen aanwijzingen van het college tijdens het onderzoek in
                                    acht te worden genomen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen 8 weken nadat de aanvraag om vergunning is
                            ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn van 8 weken met
                            ten hoogste 6 weken verlengen mits het de aanvrager daarvan in kennis
                            stelt binnen de in het eerste lid genoemde termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college niet voldoet aan het eerste of tweede lid wordt de
                            vergunning geacht te zijn verleend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een verleende vergunning, al dan niet van rechtswege, wordt binnen
                            twee weken na vergunningverlening door het college kennis gegeven in een
                            van gemeentewege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huis
                            blad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Voorschriften vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan
                            een vergunning voorschriften verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de vergunning een bepaalde geldigheidsduur
                            verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toetsingscriteria</titel></kop><al>De vergunning wordt geweigerd indien de activiteiten of het object waarvoor
                        vergunning wordt gevraagd leidt tot aantasting van archeologische
                        waarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Het college kan de vergunning intrekken indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is
                                verleend;</al></li><li nr="2."><al>de vergunninghouder de aan de vergunning verbonden voorschriften
                                niet naleeft;</al></li><li nr="3."><al>niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning
                                daarvan gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="4."><al>de vergunninghouder daartoe verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Niet van toepassing zijn van verordening en verbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is niet van toepassing op een bestemmingsplan waarin
                            bepalingen zijn opgenomen omtrent de archeologische monumentenzorg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening is eveneens niet van toepassing indien de activiteiten
                            of werkzaamheden een verstoring of wijziging betreffen van een wettelijk
                            beschermd archeologisch monument als bedoeld in de Monumentenwet
                            1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                        verordening is belast de stadsarcheoloog en overige door het college
                        aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene die handelt in strijd met artikel 4 van deze verordening, kan worden
                        gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van
                        de tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Archeologieverordening, in werking getreden op 12 juli 2009, wordt
                        ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Op aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van
                        deze verordening is de in artikel 13 bedoelde verordening van
                        toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking
                        ervan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Archeologieverordening Almere
                        2016.</al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeenteraad Almere
                        d.d. 21 april 2016</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.D. Pruim F.M. Weerwind</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Archeologieverordening Almere 2016</titel></kop><tussenkop><cursief><onderstreept><vet>Algemene toelichting
                        </vet></onderstreept></cursief></tussenkop><al>De Archeologieverordening Almere 2016 geeft uitwerking aan de in de Nota
                    Archeologische Monumentenzorg 2016 van de gemeente Almere genoemde
                    uitgangspunten voor archeologisch waardevolle terreinen en gebieden van
                    mogelijke archeologische waarde, rekening houdend met:</al><lijst><li nr="·"><al>de Algemene wet bestuursrecht (Awb);</al></li><li nr="·"><al>de herziene Monumentenwet 1988 (herziening 1 september 2007) met name
                            artikelen 38, 38a, en artikelen 39, 40 en 41; </al></li><li nr="·"><al>de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) artikel 2.1, </al></li><li nr="·"><al>de Wet ruimtelijke ordening (Wro) artikel 3.1,de Gemeentewet in het
                            bijzonder artikel 149.</al></li><li nr="·"><al>Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6. </al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>Toelichting per artikel</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Archeologisch waardevolle terreinen</tussenkop><al>Artikel 1 en 2 regelen de aanwijzing van archeologisch terreinen.</al><al/><al>Een archeologisch terrein met waarde 5 is een terrein waarvoor is vastgesteld
                    dat er behoudenswaardige waarden aanwezig zijn. In dat terrein zijn sporen uit
                    het verleden aanwezig die bijzonder, gaaf, uniek, van groot wetenschappelijk
                    belang, van landelijk en/of internationaal belang zijn en die daarom behouden
                    worden. Het gaat dus om zeer hoogwaardige archeologische resten. Deze terreinen
                    worden behouden voor toekomstig wetenschappelijk archeologisch onderzoek en
                    ingericht, conform de daartoe vastgestelde normen en richtlijnen binnen de
                    gemeente Almere, en opgenomen op de Archeologische Beleidskaart Almere (ABA). </al><al>Archeologisch waardevolle terreinen zijn in de Nota Archeologische
                    Monumentenzorg 2016 gedefinieerd. De aanwijzing daarvan geschiedt middels een
                    aanwijzingsbesluit en door opname op de ABA en heeft slechts betrekking op een
                    locatie waarvan is vastgesteld dat deze behoudenswaardig is. Daartoe worden
                    vaste criteria gehanteerd vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse
                    Archeologie (KNA), en in het vigerend Almeers archeologiebeleid. </al><al/><al>Indien een behoudenswaardige vindplaats wordt aangetroffen in gebieden met
                    waarde 1 t/m 4 of waarde 6 dan dient deze altijd behouden te blijven, bij
                    voorkeur door planinpassing met een specifieke terreininrichting die ten dienste
                    staat van verder onderzoek - waaronder de monitoring van de kwaliteit van de
                    vindplaats - en van de herkenbaarheid en beleefbaarheid van de vindplaats. Als
                    dat behoud ter plekke (<cursief>in situ</cursief>) en de specifieke inrichting
                    van de behoudenswaardige vindplaats niet kunnen worden gerealiseerd, dan dient
                    de behoudenswaardige vindplaats behouden te worden behouden door middel van een
                    professionele opgraving (<cursief>ex situ</cursief>).</al><al/><al>Het is van belang dat een behoudenswaardige vindplaats voor iedereen kenbaar is
                    (ook digitaal). Het aanwijzingsbesluit heeft daarom plaats in directe samenhang
                    met de waardestelling (behoudenswaardige vindplaats). Een behoudenswaardige
                    vindplaats is immers per definitie een (archeologisch waardevol) terrein dat
                    behouden wordt en waartoe deze verordening strekt. </al><al/><al>Wanneer er plannen zijn om de bestaande inrichting van een dergelijk terrein te
                    wijzigen is het raadzaam om naast het raadplegen van de ABA tijdig nader
                    informatief contact op te nemen met de accounthouder archeologie voor
                    desbetreffende stadsdeel. Dit, omdat soms bijvoorbeeld het vooronderzoek of de
                    verwerking van de gegevens daarvan nog niet zijn afgerond. Door het contact te
                    leggen geraakt men op de hoogte van de laatste stand van zaken.</al><al>Zodra uit een onderzoek binnen een gebied van mogelijke archeologische waarde
                    blijkt dat een terrein behoudenswaardig is, dient deze vindplaats zo spoedig
                    mogelijk de kwalificaties van behoudenswaardige vindplaats, en in samenhang
                    daarmee ‘waarde 5’ te krijgen. Om dit besluit te markeren wordt dit door de
                    stadsarcheoloog of namens het college in een aanwijzingsbesluit vastgelegd
                    (archeologisch selectiebesluit), waarbij het terrein op de ABA aangegeven moet
                    worden. De inhoudelijke onderbouwing van de kwalificatie wordt verschaft door of
                    namens de stadsarcheoloog, op basis van archeologisch onderzoek en op grond van
                    criteria zoals vastgelegd in door de KNA, geformuleerd is in de Nota
                    Archeologische Monumentenzorg 2016, aangevuld met de provinciale beleidsregels
                    en -verordeningen en de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA).</al><al/><al>Uit archeologisch onderzoek kan naar voren komen dat een archeologisch waardevol
                    terrein geen behoudenswaardige archeologische waarde(n) (meer) vertegenwoordigt.
                    In deze gevallen kan het college besluiten om een terrein vrij te geven. </al><al/><al>Alle gebieden die niet zijn bestempeld tot “waarde 1 t/m 6” , zijn per definitie
                    vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De onderbouwing voor deze vrijgegeven
                    gebieden is gegeven in de Nota Archeologische Monumentenzorg 2016. Het is van
                    belang te realiseren dat in deze gebieden nog steeds rekening gehouden moet
                    worden met toevalsvondsten zoals scheepswrakken en steentijdnederzettingen.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 2: Archeologische Beleidskaart Almere
                    (ABA)</vet></tussenkop><al>De Archeologische Beleidskaart Almere (ABA) is een topografische kaart waarop
                    zijn weergegeven: </al><lijst><li nr="·"><al>de wettelijk beschermde archeologische monumenten;</al></li><li nr="·"><al>de archeologisch waardevolle terreinen (waarde 1 t/m 6).</al><al/></li></lijst><al>De meest actuele versie is beschikbaar via de website van Almere In Kaart. </al><al/><al>De Archeologische Beleidskaart Almere (ABA) dient in alle toekomstige
                    ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, omgevingsplannen of
                    beheersverordeningen) te worden overgenomen. In bestemmingsplannen dienen
                    archeologisch waardevolle terreinen en gebieden van mogelijke archeologische
                    waarde te worden beschermd door middel van stelsels van omgevingsvergunningen
                    voor de activiteit “aanleggen” en bouwverboden.</al><al/><al>De Archeologische Beleidskaart Almere (ABA) moet worden overgenomen in de
                    vergunningdossiers. Onder vergunningendossiers worden verstaan de dossiers bij
                    bouwaanvragen, sloop, bomenkap, ontgronding, omgevingsvergunning etc.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Archeologievergunning</tussenkop><al>Artikel 3 regelt waar en in welke gevallen al dan niet een vergunning
                    noodzakelijk is voor verstoring of wijziging van een archeologisch waardevol
                    terrein of van een gebied van mogelijke archeologische waarde. </al><al/><al>Op de Archeologische beleidskaart Almere (ABA) is aangegeven welke gebieden
                    archeologische waarden bevatten (waarde 5) of voor nader onderzoek zijn
                    aangemerkt (waarde 1 t/m 4 en waarde 6). Voor iedere waardecategorie staat
                    aangegeven onder welke omstandigheden een archeologievergunning nodig is.
                    Betreft het een wettelijk beschermd archeologisch monument, dan is op grond van
                    de Monumentenwet 1988, artikel 11 een reguliere monumentenvergunning vereist.
                    Een archeologievergunning zoals bedoeld in deze verordening is in dat laatste
                    geval niet nodig omdat deze verordening niet van toepassing is op de wettelijke
                    beschermde monumenten.</al><al/><al>In lid 2 van dit artikel is bepaald in welke situaties geen
                    archeologievergunning vereist is. Of een project in aanmerking komt voor een
                    vrijstelling hangt hoofdzakelijk af van de locatie, omvang en diepte van de
                    werkzaamheden. </al><al/><al>Een onbedoeld negatieve uitwerking van de uitzonderingen op het verbod in lid 2
                    kan zijn dat telkens een klein stukje van (nog onbekende) vindplaatsen verloren
                    gaat totdat er van die vindplaatsen niets meer over is. Bijvoorbeeld omdat een
                    project door de geringe afmeting is vrijgesteld van onderzoek. Dit wordt ook wel
                    het “salami-effect” genoemd: plakjes van de worst afsnijden tot die op is. Het
                    kan ook een bewuste keuze zijn projecten op te knippen in vergunningsvrije
                    onderdelen, met als doel mogelijk kostbaar onderzoek te vermijden. Dit wordt ook
                    wel “salamitactiek” genoemd. </al><al/><al>Salami-effecten en/of -tactieken worden ondervangen door lid 5. Bij de
                    beoordeling of bouwactiviteiten of werkzaamheden in aanmerking komt voor een
                    uitzondering in lid 2, wordt altijd gekeken of op aangrenzende gronden
                    recentelijk een vrijstelling van toepassing is geweest. De afstand van 50 meter
                    heeft betrekking op gronden waarin bouw- of aanlegactiviteiten zijn uitgevoerd
                    (bij bouwwerken gaat het om de zogenaamde footprint). Voor het bepalen van de
                    volgorde in tijd van de bouw- of aanlegactiviteiten, is de datum van indiening
                    van de aanvraag archeologievergunning of aanvraag omgevingsvergunning
                    leidend.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Aanvraag archeologievergunning</tussenkop><al>In dit artikel is vastgelegd hoe een archeologievergunning moet worden
                    aangevraagd en welke gegevens moeten worden overgelegd. Afhankelijk van het type
                    aanvraag kan het college nadere gegevens eisen. Voor de aanlevering van
                    ontbrekende gegevens en de daarvoor geldende termijnen is het standaardartikel
                    4:5 uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.</al><al/><al>Indien de activiteit(-en) waarvoor vergunning wordt aangevraagd tot aantasting
                    van (verwachte) archeologische waarden (kan / kunnen) leiden, worden aan de
                    vergunning nadere eisen gesteld.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Archeologisch onderzoek in het kader van de
                    vergunningaanvraag</tussenkop><al>In dit artikel zijn voorwaarden opgenomen die enerzijds gericht zijn op het
                    verkrijgen van inzicht in de locatie door archeologisch onderzoek en anderzijds
                    op eventuele planaanpassing teneinde de archeologische waarden <cursief>in
                        situ</cursief> te behouden. </al><al/><al>In de aangewezen gebieden met een archeologische waarde 1 t/m 4 of waarde 6 moet
                    worden afgewogen of vergunningsplichtige wijzigingen of ingrepen vooraf gegaan
                    moeten worden door archeologisch onderzoek. Daarin verschilt de
                    archeologievergunning voor deze gebieden niet van die gebieden met waarde 5. Het
                    verschil is dat gebieden met waarde 1 t/m 4 en 6 bedoeld zijn om een
                    archeologisch vooronderzoek te kunnen uitvoeren ter bepaling van de aanwezigheid
                    of afwezigheid van behoudenswaardige archeologische waarden. Een terrein met
                    waarde 5 heeft een al bekende hoge archeologische waarde en wordt daarom
                    behouden. Behoud wordt bij voorkeur gerealiseerd door inpassing en het
                    realiseren van een beleefbare inrichting, zodanig dat archeologisch onderzoek en
                    monitoring mogelijk zijn (i.e. behoud <cursief>in situ</cursief>). Indien andere
                    belangen zwaarder mogen wegen dan wordt het behoud gerealiseerd door middel van
                    een veiligstellende opgraving.</al><al/><al>Archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een organisatie die daartoe
                    gekwalificeerd is. Volgens de Monumentenwet 1988, artikel 45, is het verboden
                    een archeologisch onderzoek uit te voeren zonder een opgravingsvergunning
                    (bevoegdheid). Dat wil zeggen dat alleen archeologisch onderzoek kan worden
                    uitgevoerd door partijen met een opgravingsvergunning. Vanaf 1 januari 2016
                    zullen dat, zoals voorgeschreven in de nieuwe Erfgoedwet, partijen zijn die
                    gecertificeerd zijn op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse
                    Archeologie (KNA).</al><al/><al>Bij archeologisch onderzoek worden de volgende stappen doorlopen:</al><lijst><li nr="1."><al>bureauonderzoek;</al></li><li nr="2."><al>non-destructief vooronderzoek in de vorm van boringen en/of
                            veldverkenning en/of geofysisch onderzoek;</al></li><li nr="3."><al>destructief onderzoek in de vorm van proefsleuven of proefputten;</al></li><li nr="4."><al>opgraven en/of fysiek beschermen en/of archeologische begeleiding van
                            vindplaats, of vrijgeven van het terrein.</al></li><li nr="5."><al>Monitoring van beschermde terreinen.</al><al/></li></lijst><al>De KNA stelt regels en normen aan het archeologisch onderzoek (processen,
                    producten en middelen) en de uitvoerders (actoren).. In Almere gelden alle
                    onderdelen van de KNA en de daarmee samenhangende richtlijnen, en wordt de
                    archeologische ethische code van de Nederlandse Vereniging van Archeologen
                    nageleefd.</al><al/><al>Archeologisch booronderzoek vormt een essentiële schakel in de keten van de
                    archeologische monumentenzorg. De gemeente stelt daarom strikte voorschriften
                    aan het archeologisch vooronderzoek. Deze voorschriften hebben onder andere
                    betrekking op de vereiste boormethoden, boorgrids en zeefmaaswijdte. In de KNA
                    zijn de eisen geformuleerd voor het opstellen van een Programma van Eisen (PvE)
                    en een Plan van Aanpak (PvA). Deze modellen worden gehanteerd door gemeente
                    Almere als bevoegde overheid ). Deze worden door of namens de stadsarcheoloog
                    opgesteld en / of getoetst.</al><al/><al>Het opgraven van een archeologische vindplaats is erop gericht om zoveel
                    mogelijk informatie vast te leggen. Dit is de meest nauwkeurige maar ook meest
                    destructieve methode van archeologisch onderzoek. Hiervoor gelden dezelfde
                    regels als voor het booronderzoek.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Beslistermijn</tussenkop><al>Bij de beslistermijn voor de archeologievergunning is aansluiting gezocht met de
                    aanvraag reguliere bouwvergunning. De lengte van deze termijn (cf. lid 1: 8
                    weken) is met name bepaald doordat onderzoek en advies noodzakelijk kunnen zijn. </al><al/><tussenkop>Artikel 7 Voorschriften vergunning</tussenkop><al>Indien de activiteit(-en) waarvoor vergunning wordt aangevraagd tot aantasting
                    (kan) leiden van (verwachte) archeologische waarden worden nadere eisen aan de
                    vergunningverlening gesteld.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Toetsingscriteria </tussenkop><al>De vergunning wordt geweigerd indien de activiteiten of het object waarvoor
                    vergunning wordt gevraagd leidt tot aantasting van archeologische waarden of tot
                    risico’s daarop. </al><al/><tussenkop>Artikel 9 Intrekken vergunning</tussenkop><al>In dit artikel wordt aangegeven op welke gronden een vergunning kan worden
                    ingetrokken. Intrekking van de vergunning houdt in dat op de betreffende locatie
                    geen vergunningsplichtige activiteiten meer mogen worden uitgevoerd. </al><al/><al>Bij de intrekkingstermijn van 26 weken is uniformiteit gezocht met de
                    bouwregelgeving (omgevingsvergunning)</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Niet van toepassing zijn van verordening en verbod </tussenkop><al>In artikel 38 van de Monumentenwet 1988 is onder meer vastgelegd dat de
                    gemeenteraad kan vaststellen in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen
                    afzien van nader archeologisch onderzoek of het opleggen van daartoe strekkende
                    verplichtingen. Dit dient dan of wel in het bestemmingsplan tot uitdrukking te
                    komen, of in een verordening, indien het desbetreffende bestemmingsplan niet is
                    aangepast aan de nieuwe (archeologische) regelgeving en het vigerend Almeerse
                    archeologiebeleid. Met dit artikel 10 van de Archeologieverordening wordt de
                    geldigheid van de Verordening beperkt tot het moment waarop een bestemmingsplan
                    is herzien en het aspect archeologie daarin is vastgelegd in de geest van de
                    Archeologieverordening en het archeologiebeleid. </al><al/><tussenkop>Artikel 11 Toezicht</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid toezichthouders aan te wijzen, die
                    toezicht houden op naleving van de verordening. In dit artikel is de
                    stadsarcheoloog van Almere aangewezen als toezichthouder. </al><al/><tussenkop>Artikel 12 Strafbepaling</tussenkop><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de
                    keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete te stellen
                    van de tweede of de eerste categorie. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 405,- (maart 2015); in de
                    tweede categorie maximaal € 4.050,- (maart 2015). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al/><al> In de Monumentenwet is handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een
                    monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld aan een
                    geldboete van de vijfde categorie (€ 81.000,- (maart 2015).</al><al/><al> Op gemeentelijk niveau in Almere is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de
                    hoogte van de strafmaat met betrekking tot terreinen van archeologische waarde,
                    met betrekking tot gebieden van mogelijke archeologische waarde, en gezien de
                    wens om enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de
                    tweede categorie voor de hand liggend. </al><al/><tussenkop>Artikel 13 Intrekking oude regeling</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Overgangsrecht</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 15 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking door het
                    college in het Gemeenteblad. </al><al/><tussenkop>Artikel 16 Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Archeologieverordening 2016.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>