<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR407818_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-3183.html">Provinciaal blad, 2016, 3183</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 5.4, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 5.5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 145</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 152, lid 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-05-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-03-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1889287</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuurlijke organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gedeputeerde Staten van Flevoland maken overeenkomstig artikel 136 van de
                        Provinciewet bekend dat Provinciale Staten van Flevoland op 25 mei 2016
                        onder nummer 1888460 het volgende besluit hebben genomen:</al><al/><al>Provinciale Staten van Flevoland,</al><al/><al>overwegende dat gemeenten, provincies en de gemeenschappelijke diensten die
                        in hun opdracht werken, zich bij de zorg voor een gezonde en veilige fysieke
                        leefomgeving met oog voor de maatschappelijke functies daarvan, waar die
                        zorg gestalte krijgt in de vergunningverlening, het toezicht en de
                        handhaving van het omgevingsrecht, voor de gezamenlijke opgave gesteld zien
                        om in landelijk verband de kwaliteit van deze uitvoering en handhaving te
                        bevorderen, te borgen en te beoordelen;</al><al/><al>overwegende dat het met het oog daarop wenselijk is om regels vast te
                        stellen, in onderlinge afstemming op het niveau van de Omgevingsdienst
                        Noordzeekanaalgebied en de Omgevingsdienst Flevoland &amp; Gooi en
                        Vechtstreek, door de deelnemende gemeenten Almere, Blaricum, Dronten, Gooise
                        Meren, Hilversum, Huizen, Laren, Lelystad, Noordoostpolder, Urk, Weesp,
                        Wijdemeren, Zeewolde en provincies Flevoland en Noord-Holland;</al><al/><al>overwegende dat het uitgangspunt voor de kwaliteitsbevordering in ieder
                        geval de in landelijke samenwerking opgestelde kwaliteitscriteria
                        vergunningverlening, toezicht en handhaving 2.1 zijn, die op basis van
                        technische en maatschappelijke ontwikkelingen indien daartoe aanleiding is
                        met betrokken partijen in landelijke afstemming zullen worden
                        aangepast;</al><al> gelezen het voorstel van het college van Gedeputeerde Staten van 29 maart
                        2016 met kenmerk 1887096;</al><al/><al>gelet op de artikelen 5.4, eerste lid, en 5.5 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht en de artikelen 145 en 152, derde lid, van de
                        Provinciewet;</al><al/><al>gehoord de Minister van Infrastructuur en Milieu en het College van
                        Procureurs-Generaal;</al><al/><al><vet>besluiten</vet>:</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving
                            omgevingsrecht provincie Flevoland</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1. Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder: betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van
                            de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat
                            hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is;</al><al> kwaliteitscriteria: de door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                            kwaliteitscriteria gegrond op de in landelijke samenwerking tussen
                            bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria
                            voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de
                            beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de
                            uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast;</al><al> wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2. Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de
                            betrokken wetten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2. Kwaliteit</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3. Betrokkenheid van de raad</titel></kop><al>Provinciale Staten zien toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de
                            kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het
                            licht van de voor de provincie vastgestelde beleidskaders voor de
                            fysieke leefomgeving.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Kwaliteitsdoelen</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en
                            handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen
                            krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht
                            gestelde doelen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Kwaliteitsborging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen kwaliteitscriteria vast bij nadere
                                regels.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in
                                opdracht van Gedeputeerde Staten als bedoeld in artikel 2 zijn de
                                kwaliteitscriteria van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen Gedeputeerde Staten
                                jaarlijks mededeling aan Provinciale Staten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden
                                nageleefd, doen Gedeputeerde Staten daarvan gemotiveerd opgave.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het vierde lid is niet van toepassing op de kwaliteitscriteria ten
                                aanzien van de uitvoering en handhaving van het Besluit risico’s
                                zware ongevallen 2015 of bijlage I, categorie 4, van richtlijn
                                2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november
                                2010 inzake industriële emissies (PbEU L334).</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3. Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2016.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit
                                vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie
                                Flevoland.</al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van Provinciale Staten van 25
                        mei 2016.</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING BIJ DE VERORDENING KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN
                        HANDHAVING OMGEVINGSRECHT PROVINCIE FLEVOLAND</titel></kop><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al/><al>Deze verordening regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het college
                    van Gedeputeerde Staten uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en handhaving
                    (VTH) van het omgevingsrecht. Het algemeen deel van deze toelichting beschrijft
                    de achtergrond en aanleiding van deze verordening en schetst de hoofdlijnen van
                    de inhoud van de verordening.</al><al/><al><vet>1. Achtergrond en aanleiding</vet></al><al/><al>Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van de
                    uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over de verbetering
                    staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008) waarin het kabinet
                    reageert op de analyses en voorstellen van de commissie Mans, Oosting, Lodders,
                    d’Hondt en de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De
                    verbeterpunten zijn terug te brengen tot drie hoofdpunten:</al><lijst><li nr="1."><al> De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken;</al></li><li nr="2."><al> Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht;</al></li><li nr="3."><al> en de bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en
                            bestuurlijke drukte.</al></li></lijst><al>Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij
                    gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze punten. Deze
                    afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29 september 2009). Hiertoe
                    is een gezamenlijk programma (PumA, programma uitvoering met ambitie) opgezet,
                    dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu onder meer een landelijk stelsel van
                    omgevingsdiensten, zijn de kwaliteitscriteria VTH 2.1 voor de uitvoering van de
                    Wabo in brede samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld, bestuurlijk
                    vastgesteld (in juni 2012) en beschikbaar gesteld en is er een landelijke
                    handhavingsstrategie voor bestuurs- en strafrecht .</al><al/><al>Bij het verankeren van de afspraken in de wet zijn door de VNG en het IPO nieuwe
                    afspraken gemaakt met het kabinet. Het nieuwe wetsvoorstel is geschreven vanuit
                    een stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en decentralisatie. Dit betekent dat
                    een belangrijk deel van de besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering
                    decentraal plaatsvindt door de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin
                    is de afspraak met het kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet worden
                    gerealiseerd en behouden. In de praktijk blijkt dat de kwaliteit van de
                    uitvoering en handhaving afhankelijk is van de wijze waarop alle betrokken
                    partijen bij de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving zich daarvoor
                    inzetten door samenwerking. Hier geldt dat de ketting zo sterk is als de zwakste
                    schakel. Dit gegeven laat onverlet dat op dit moment verschillende snelheden
                    bestaan in het bereiken van kwaliteit, bijvoorbeeld waar het de beschikbaarheid
                    en deskundigheid van de betrokken organisaties betreft. Dit geldt overigens niet
                    alleen voor de diensten van gemeenten en provincies, maar ook voor
                    omgevingsdiensten. De eisen die deze verordening aan de organisaties van
                    gemeentebesturen en provinciebesturen en in hun opdracht de omgevingsdiensten
                    stelt, berusten daarom op het vertrekpunt van de Kwaliteitscriteria VTH 2.1 die
                    door de betrokken organisaties toegepast dienen te worden volgens de regel
                    “comply or explain” (zie daarover verder de artikelsgewijze toelichting bij
                    artikel 5).</al><al> In alle gevallen zullen de colleges van burgemeester en wethouders en van
                    Gedeputeerde Staten, als Wabo-bevoegd gezag, op grond van artikel 7.2, eerste
                    lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) beleid moeten voeren over uitvoering
                    en handhaving. Deze verordening regelt bovendien dat de verrichtingen van de
                    organisaties van gemeentelijke, provinciale en omgevingsdiensten, waar het de
                    VTH-taken betreft, in het licht van de in het beleid geformuleerde doelen worden
                    beoordeeld. Tot slot regelt het dat de gemeenteraad en Provinciale Staten, elk
                    in het kader van horizontale verantwoording, inhoudelijk debat voeren over de
                    hoofdlijnen van het meerjarige kwaliteitsbeleid dat door hun colleges wordt
                    gevoerd. Deze verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande
                    rapportage en informatiestromen op basis van het Bor en de organieke wetgeving
                    en introduceert geen nieuwe rapportageverplichtingen. Het vereist wel extra
                    input over kwaliteit voor bestaande rapportages. Wel is het van groot belang dat
                    een tijdige en transparante uitvoering van bestaande verplichtingen bijdragen
                    aan de mogelijkheid voor de ambtelijke diensten, de bevoegde colleges en de
                    politiek-bestuurlijke gemeenteraden en Provinciale Staten om ieders rol in de
                    kwaliteitsketen te kunnen spelen. De verordening is vanuit deze bestaande
                    competentieverdeling gericht op horizontale verantwoording.</al><al/><al><vet>2. Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening</vet></al><al/><al>De verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving
                    omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de Wabo-taken bij de
                    provincie en in opdracht daarvan handelende (omgevings)diensten. Met de
                    verordening binden Provinciale Staten het college van Gedeputeerde Staten, en de
                    in opdracht daarvan handelende omgevingsdiensten, aan een uniforme ambitie voor
                    kwaliteit. Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria VTH (die zijn verankerd in
                    artikel 1 en artikel 5, zie ook de artikelsgewijze toelichting) en andere
                    standaarden en methoden die door het bevoegde gezag al veel worden gehanteerd.
                    Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als doel de kwaliteit van
                    vergunningverlening, toezicht en handhaving te waarborgen en te bevorderen. Of
                    dat het geval is, moet jaarlijks worden beoordeeld door het college van
                    Gedeputeerde Staten. Hiervoor is input nodig van de omgevingsdiensten en de
                    interne provinciale organisatie. Gedeputeerde Staten zullen beoordelen "of het
                    goed gaat" op basis van de door henzelf geformuleerde beleidsdoelen.</al><al/><al>Uiteindelijk legt het college hierover verantwoording af in Provinciale Staten
                    (horizontale verantwoording). Provinciale Staten vormen immers een eigen oordeel
                    "of het goed gaat” in het licht van de kwaliteit van de leefomgeving. De
                    politiek-bestuurlijke overwegingen van Provinciale Staten zullen betrekking
                    hebben op de meerjarige hoofdlijnen van het beleid, niet op de organisatorische
                    kwesties van bezetting die tot de competentie van de directeuren van de diensten
                    behoort. Daarbij zal ook het verband gelegd kunnen worden tussen de strategische
                    plannen en visies over de hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de
                    provincie, zoals een milieubeleidsplan, een structuurvisie of omgevingsvisies.
                    Provinciale Staten oefenen invloed uit op de formulering van doelen en
                    indicatoren door het college van Gedeputeerde Staten en op de bijstelling
                    daarvan zoals bijvoorbeeld welke informatie zij willen terug zien in de
                    verantwoordingsrapportages van het college. In die zin worden de kaders voor de
                    beoordeling van Provinciale Staten overgelaten aan het politieke debat over
                    kwaliteit.</al><al/><al>Zo ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders
                    competentie:</al><lijst><li nr="-"><al> De organisaties werken onder leiding van hun directie overeenkomstig de
                            kwaliteitscriteria VTH met betrekking tot deskundigheid en
                            beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan het college van
                            Gedeputeerde Staten die hiervoor verantwoording aflegt aan Provinciale
                            Staten.</al></li><li nr="-"><al> Het college is, als bevoegde bestuursorgaan, belast met het stellen van
                            beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en
                            handhaving, overeenkomstig de procesregels van het Besluit
                            omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht.</al></li><li nr="-"><al> Provinciale Staten oefenen horizontaal toezicht uit op “hun” college en
                            gebruiken waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan hun
                            toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de
                            continuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk
                            onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving.</al></li></lijst><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJS</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Als betrokken wetten worden aangemerkt de Wabo zelf, en de wetten bedoeld in
                    artikel 5.1 van de Wabo, voor zover bij of krachtens die wetten is bepaald dat
                    Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is. De wetten waar het - thans - om gaat
                    zijn: de Flora- en faunawet, de Kernenergiewet, de Monumentenwet 1998, de
                    Natuurbeschermingswet 1998, de Ontgrondingenwet, de Wet bescherming Antarctica,
                    de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet inzake de
                    luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening, de
                    Waterwet en de Woningwet. Een belangrijk begrip in deze verordening is
                    kwaliteitscriteria. De kwaliteitscriteria waar het hier om gaat zijn de door
                    Gedeputeerde Staten vastgestelde kwaliteitscriteria gegrond op de bekende
                    Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in brede samenwerking door de bevoegde
                    gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de kwaliteit van
                    vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied van de
                    beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisaties. Deze
                    liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede dat van deze
                    kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en geactualiseerde versies
                    beschikbaar zullen worden gemaakt om de versie 2.1 op te volgen. Als er sprake
                    is van een nieuwe/aangepaste set dan zal het college in het kader van
                    besluitvorming over de vaststelling ervan als nadere regel zorgdragen voor
                    afstemming op het niveau van de omgevingsdienst.</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al/><al>De reikwijdte van de verordening heeft een inhoudelijke afbakening en een
                    afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of
                    handhaving van de betrokken wetten. De terminologie “uitvoering en handhaving”
                    is overgenomen uit het wetsvoorstel en wordt ook gehanteerd in het Bor zoals dat
                    op grond van het wetsvoorstel zal worden gewijzigd. “Uitvoering en handhaving”
                    betekent dan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle
                    taken tot uitvoering of handhaving van de Wabo en van de wetten, bedoeld in
                    artikel 5.1 van de Wabo. Zie daarover de toelichting bij artikel 1. Ten tweede
                    moet het gaan om de uitvoering of handhaving door of in opdracht van
                    Gedeputeerde Staten. De verordening is dus van toepassing als het gaat om de
                    uitvoering van de betrokken wetten door Gedeputeerde Staten zelf of in opdracht
                    van Gedeputeerde Staten door een omgevingsdienst. Uitvoering van wetten die
                    genoemd zijn in artikel 5.1 van de Wabo of van de Wabo zelf door andere bevoegde
                    gezagen, valt buiten het bereik van deze verordening. Waar hier wordt gesproken
                    over de uitvoering of handhaving van taken door of in opdracht van het bevoegd
                    gezag wordt gedoeld op de uitvoering door provinciale diensten en
                    omgevingsdiensten.</al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al/><al>Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen Provinciale
                    Staten en Gedeputeerde Staten. Ingevolge de systematiek van het Bor, is de
                    jaarlijkse beoordeling van en rapportage over uitvoering en handhaving een taak
                    voor het bevoegd gezag. Dat wil zeggen: Gedeputeerde Staten. Bezien vanuit de
                    Provinciewet is kaderstelling juist de taak van Provinciale Staten. De
                    kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van deze
                    verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang met het
                    Bor, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat Provinciale Staten vooral
                    vanuit de hoofdlijnen betrokken is bij het beleid en zal toezien op de
                    continuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren. De horizontale verantwoording
                    van het college aan Provinciale Staten op het uitvoerings- en handhavingsbeleid
                    zal daarom plaatsvinden in het licht van het strategische beleid dat op
                    hoofdlijnen wordt gevoerd voor de fysieke leefomgeving, zoals omgevingsvisies,
                    milieubeleidsplannen en structuurvisies.</al><al> Artikel 3 richt zich tot Provinciale Staten. Indirect is het eveneens van
                    belang voor Gedeputeerde Staten, en de omgevingsdiensten die in hun opdracht
                    werken, omdat de rol van Provinciale Staten zich juist bij de
                    meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken van deze
                    rol, beschikken Provinciale Staten reeds over de mogelijkheden die de organieke
                    wetgeving haar biedt en de kaders die zij op strategisch niveau voor de fysieke
                    leefomgeving in plannen en visies heeft vastgelegd. Om deze rol waar te kunnen
                    maken is het vanzelfsprekend van belang dat het college haar daartoe door
                    tijdige informatieverstrekking in staat stelt. Dat daarvoor eveneens informatie
                    van de omgevingsdienst van belang kan zijn, spreekt voor zich en is op grond van
                    de Wet gemeenschappelijke regelingen en de opdrachten aan de omgevingsdiensten
                    voldoende gewaarborgd.</al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al/><al>Artikel 7.2, eerste lid, van het Bor verplicht het bevoegd gezag (lees:
                    Gedeputeerde Staten) om beleid te formuleren voor de uitvoering en handhaving
                    van de VTH-taken. De grondslag van deze bepaling (art. 5.3 Wabo) zag voorheen op
                    een doelmatige en programmatische handhaving, maar is op grond van de wijziging
                    van de Wabo en het Bor door de wet VTH, ook gaan gelden voor uitvoering
                    (vergunningverlening). Daarmee is sprake van een uitvoeringsbeleid en
                    handhavingsbeleid, waarover onderlinge afstemming plaats dient te vinden tussen
                    de bevoegde gezagen op het niveau van de omgevingsdienst. Welk beleid moet
                    worden geformuleerd laat het Bor inhoudelijk open. Dit artikel strekt ertoe een
                    inhoudelijke ambitie te geven aan de procesverplichting om kwaliteitsbeleid te
                    vormen. Ten eerste door voor te schrijven dat Gedeputeerde Staten naar de
                    kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het
                    geformuleerde regionale beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking
                    moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er
                    daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die
                    daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van de prestaties en
                    kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisatie. Er is voor gekozen in deze
                    verordening geen voorschriften te geven over de te gebruiken indicatoren. Dat is
                    in de eerste plaats een taak voor het bevoegde gezag, dat daarmee in de praktijk
                    al ruime ervaring heeft.</al><al/><al><vet>Artikel 5</vet></al><al/><al>Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria (zie ook de
                    toelichting bij artikel 1, waarin een begripsbepaling voor kwaliteitscriteria is
                    opgenomen). Hiervoor wordt directief aan Gedeputeerde Staten opgedragen de
                    kwaliteitscriteria vast te stellen in de juridische vorm van nadere regels. Dit
                    betekent dat het college allereerst de set kwaliteitscriteria VTH 2.1 wordt
                    geacht vast te stellen. Daarna zal het college als de landelijke set gewijzigd
                    wordt vastgesteld door het Bestuurlijk Omgevingsberaad (overleg op landelijk
                    niveau tussen IPO, VNG en Rijk) die nieuwe c.q. aangepaste set ook kunnen
                    vaststellen als nadere regels. Als er sprake is van een nieuwe/aangepaste
                    landelijke set dan zal het college in het kader van besluitvorming over de
                    vaststelling ervan als nadere regels zorgdragen voor afstemming op het niveau
                    van de omgevingsdienst.</al><al/><al>Met dit artikel wordt beoogd te regelen dat van die kwaliteitscriteria voor de
                    uitvoering van VTH-taken in de praktijk gebruik gemaakt wordt. Het gaat immers
                    om criteria waaraan zorgvuldig en met grote deskundigheid is gewerkt door de
                    betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat deze criteria relevante input
                    leveren voor de kwaliteit. Dat geeft vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen
                    die door het college zijn gesteld in het uitvoerings- en handhavingsbeleid ook
                    zonder meer in alle gevallen worden gehaald. Het bereiken van deze doelen zal
                    immers niet alleen afhankelijk zijn van de goede verrichtingen van de
                    uitvoerende organisaties. Van de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom
                    jaarlijks mededeling gedaan moeten worden aan Provinciale Staten. Het gaat hier
                    om een belangrijke inhoudelijke mededelingsplicht die kan worden meegenomen in
                    bestaande jaarlijkse rapportages, in de op grond van het Bor op te stellen
                    documenten. Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in
                    alle relevante taken worden toegepast, de kwaliteit per definitie te wensen zal
                    overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten worden waarom de
                    criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor de gestelde
                    kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria VTH zijn derhalve een cruciaal
                    richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “comply or explain”.</al><al/><al>In het vijfde lid is een uitzondering gemaakt op de “comply of explain-regel”.
                    Deze uitzondering ziet op de criteria voor de kritieke massa voor de uitvoering
                    en handhaving voor Brzo-inrichtingen en RIE 4-bedrijven. Voor de meest
                    risicovolle bedrijven in Nederland geldt dat de vereiste, geschoolde en ervaren
                    menskracht altijd op het niveau van de kwaliteitscriteria 2.1 moet zijn. Per 1
                    januari 2016 zijn de colleges van Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag voor
                    alle Brzo-inrichtingen en RIE 4–bedrijven in Nederland. De Minister van
                    Infrastructuur en Milieu is interbestuurlijk toezichthouder voor al deze
                    inrichtingen. De vergunningverlening, het toezicht en de handhaving is
                    opgedragen aan de zes Brzo-omgevingsdiensten in Nederland. Voor het grondgebied
                    van de Provincie Flevoland is dit de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.</al><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>