<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR407365_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Participatiewet 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, nr. 27483</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Participatiewet 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="Participatiewet: art. 8, lid 1, aanhef en onderdeel a en e; art 8b"/><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-03-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 11/2016, d.d. 2 maart 2016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Participatiewet</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Participatiewet 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Nijmegen bijeen in zijn openbare vergadering van 2
                        maart 2016;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 januari 2015, nr.
                        15.0012297;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e en artikel 8b van
                        de Participatiewet,</al><al>besluit vast te stellen de Maatregelenverordening Participatiewet 2016</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening niet worden omschreven hebben
                                dezelfde betekenis als die in de Participatiewet en de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel
                                        18, tweede lid, van de wet.</al></li><li nr="c."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in
                                        artikel 5, onderdeel c van de wet. </al></li><li nr="e."><al>bezit: geldelijke middelen alsmede een auto waarover de
                                        belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken,
                                        met uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf
                                        gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid
                                        Participatiewet. Voor het vaststellen van de geldelijke
                                        middelen blijven de vrijlatingsbepalingen van paragraaf 3.4
                                        van de wet en van de Beleidsregels Inkomen Participatiewet
                                        buiten toepassing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel van de uitkering als
                            bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde
                            lid, van de wet, worden in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Afzien van maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van een maatregel als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan
                                        door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt overeenkomstig artikel 18, tiende lid van de wet
                                een op te leggen of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden
                                van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                                verwerven, indien naar het oordeel van het college gelet op
                                bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college afziet van een maatregel op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de wet, over de
                                kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan een belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd over de periode waarop de gedraging
                                betrekking heeft gehad, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een maatregel niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                                als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, kan de
                                maatregel of dat deel van de maatregel dat nog niet is uitgevoerd,
                                alsnog opgelegd worden als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld
                                in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering
                                ontvangt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand als aan belanghebbende bijzondere bijstand
                                wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4
                                ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op
                                grond van artikel 12 van de wet verleende bijzondere bijstand’.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Categorieën van verwijtbare gedragingen</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a, 17, tweede lid en tevens van artikel 55 van de
                            wet, voor zover gericht op de arbeidsinschakeling, niet wordt nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
                                            het niet tijdig laten verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet naar vermogen verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie als bedoeld in artikel
                                            9, eerste lid, onderdeel c, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>het niet verschijnen op een daartoe aangewezen tijd en
                                            plaats voor het maken van de toets, bedoeld in artikel
                                            18b, tweede lid, van de wet;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit
                                            een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
                                            de wet.</al></li><li nr="b."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de wet niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in
                                            artikel 9a, eerste lid, van de wet;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet voldoen aan de nadere verplichtingen als
                                            bedoeld in artikel 55 van de wet verbonden aan een door
                                            het college aangeboden voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                                            evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                            44a van de wet;</al></li><li nr="c."><al>het door een belanghebbende jonger dan 27 jaar niet
                                            nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid of 55 van de wet gedurende de zoektijd
                                            gelegen tussen de datum melding als bedoeld in artikel
                                            43, vierde en vijfde lid, van de wet en de datum van in
                                            behandeling nemen van de uitkering, voor zover deze
                                            verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde
                                            lid, van de wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in artikel 6, wordt
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>5 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al> 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een maatregel is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 6, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie, wordt telkens de duur
                                en de hoogte van de laatste voor deze categorie gedragingen
                                opgelegde maatregel verdubbeld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een maatregel is toegepast als bedoeld in
                                artikel 6 zich opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                maar dan van een hogere categorie, wordt de duur en de hoogte van de
                                maatregel die bij deze hogere categorie hoort, verdubbeld. Indien
                                een belanghebbende zich opnieuw hieraan schuldig maakt, wordt de
                                telkens de maatregel die als laatste hiervoor is opgelegd verdubbeld
                                in hoogte en duur voor zover de hoogte van 100% niet is bereikt en
                                de maatregel niet langer dan drie maanden duurt. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Duur maatregel bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                                vierde lid, van de wet niet nakomt, bedraagt de maatregel 100
                                procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. Indien de
                                belanghebbende verzoekt de maatregel over meerdere maanden toe te
                                passen is dit mogelijk mits hierbij in de maand van oplegging ten
                                minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend en de
                                rest over de twee volgende maanden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een maatregel is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet,
                                bedraagt de maatregel 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                periode van twee maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich na toepassing van het tweede lid van dit
                                artikel nogmaals binnen twaalf maanden na bekendmaking van dit
                                besluit schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in
                                artikel 18, vierde lid, van de wet bedraagt de maatregel 100 procent
                                van de bijstandsnorm gedurende een periode van drie maanden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich na toepassing van het derde lid van dit
                                artikel nogmaals binnen twaalf maanden na bekendmaking van dit
                                besluit schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in
                                artikel 18, vierde lid, van de wet bedraagt de maatregel 100 procent
                                van de bijstandsnorm gedurende een periode van drie maanden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, in die
                                zin dat het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet
                                onverantwoord is besteed, wordt een maatregel opgelegd. De hoogte
                                van de maatregel is 20 procent. De duur van de maatregel is gelijk
                                aan de periode dat, als gevolg van deze gedraging tot een hoger
                                bedrag, eerder of langer een beroep op bijstand wordt gedaan met een
                                maximum van 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, in die
                                zin dat geen of geen tijdige aanvraag wordt gedaan van een
                                voorliggende voorziening, wordt een maatregel opgelegd van maximaal
                                100% voor de duur van een maand. Onder voorliggende voorziening
                                wordt in dit verband verstaan de voorziening zoals bedoeld in
                                artikel 15 van de wet die voorliggend is voor wat betreft de
                                algemene bijstand. De hoogte van de maatregel wordt afgestemd op de
                                hoogte en de duur van de voorliggende voorziening waarop aanspraak
                                gemaakt had kunnen worden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet in die zin
                                dat voorafgaande aan de bijstandsverlening door eigen toedoen
                                algemeen geaccepteerde arbeid niet is behouden, wordt een maatregel
                                opgelegd van 100%voor de duur van een maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet in die zin
                                dat geen beroep meer kan worden gedaan op een passende en
                                toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenplicht, wordt een maatregel
                                opgelegd van 100 procent gedurende de eerste drie maanden, gerekend
                                vanaf de start van de verrekening. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als een belanghebbende geen bezit heeft, ter hoogte van maximaal
                                drie maal de voor hem geldende bijstandsnorm, kan hij het college
                                verzoeken de maatregel van het vorige lid te matigen. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als de belanghebbende aantoont geen bezit als bedoeld in lid 5 te
                                hebben matigt het college de maatregel door een maatregel op te
                                leggen van 100 procent gedurende de eerste maand en 20 procent
                                gedurende de tweede en derde maand gerekend vanaf de start van de
                                verrekening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover de
                                met de uitvoering van de wet belaste personen en instanties tijdens
                                het verrichten van hun werkzaamheden, als bedoeld in artikel 9,
                                zesde lid van die wet, wordt een maatregel opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid
                                        genoemde personen;</al></li><li nr="b."><al>zeventig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand
                                        bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken
                                        en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht
                                        tegen de in het eerste </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt telkens
                                verdubbeld, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een zeer ernstige misdraging. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Niet nakomen nadere verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een of meerdere nadere verplichtingen niet
                                nakomt, zoals bedoeld in artikel 55, 56 en 57 van de wet en voor
                                zover niet vallend onder artikel 6 van deze verordening, wordt een
                                maatregel opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel zoals bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op
                                tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende de medewerkingsverplichting als bedoeld in
                                artikel 17, tweede lid van de wet niet nakomt voor zover niet
                                vallend onder artikel 6 van deze verordening wordt een maatregel
                                opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De maatregel zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel wordt
                                vastgesteld op vijf procent van de bijstandsnorm gedurende één maand
                                tenzij er sprake is van niet meewerken aan ziekteverzuimbegeleiding
                                of controle van ziekteverzuim waaronder begrepen het zich tijdig op
                                de voorgeschreven wijze ziek melden. Indien er sprake is van niet
                                meewerken aan ziekteverzuimbegeleiding of controle van ziekteverzuim
                                waaronder begrepen het zich tijdig op de voorgeschreven wijze ziek
                                melden, wordt de maatregel als bedoeld in het derde lid van dit
                                artikel vastgesteld op 10 procent van de bijstandsnorm gedurende één
                                maand. Als een belanghebbende zich, binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarmee deze maatregel is toegepast,
                                opnieuw schuldig maakt aan de hier bedoelde verwijtbare gedraging,
                                wordt telkens de duur en de hoogte van de oorspronkelijke maatregel
                                verdubbeld. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde
                                verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van
                                de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging
                                waarop de hoogste maatregel is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de wet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een
                                afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze verlagingen worden
                                gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde
                                verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de wet genoemde
                                verplichting, wordt geen maatregel opgelegd, voor zover voor die
                                schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet
                                genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de wet
                                genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden
                                opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel
                                opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van
                                verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet
                                verantwoord is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Beleidsplan handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het college biedt tenminste eenmaal per vier jaar een
                            handhavingsbeleidsplan aan de raad aan met daarin het te voeren beleid
                            op gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk
                            gebruik van de Wet werk en bijstand, en de te verwachten- en behaalde
                            resultaten. Jaarlijks legt het college verantwoording af aan de raad
                            over de uitvoering van het handhavingsbeleidsplan.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken oude verordeningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Maatregelverordening Participatiewet 2015 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op gedragingen die zijn verricht vóór inwerkingtreding van
                                onderhavige verordening, blijven de in het eerste lid genoemde
                                verordeningen van toepassing mits die gedragingen vóór die datum
                                door het college geconstateerd zijn en niet leiden tot het opleggen
                                van een hogere maatregel dan op basis van onderhavige verordening
                                zou geschieden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking de dag na publicatie in het
                                    gemeenteblad.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening
                                    Participatiewet 2016.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 maart 2016</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. M.A.H. Heffels</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. H.M.F. Bruls</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>De gemeenteraad is verantwoordelijk voor het bij verordening vastleggen van
                    regels over het verlagen van de uitkering indien de verplichtingen uit de
                    Participatiewet niet worden nagekomen (artikel 8 en 8a Participatiewet). Dat is
                    mede met het oog op de rechtszekerheid van de uitkeringsgerechtigden in de wet
                    opgenomen.</al><al>Artikel 18 van de Participatiewet bevat de wettelijke basis voor het afstemmen
                    van het bijstand. Artikel 18 eerste lid luidt: <cursief>Het college stemt de
                        bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden,
                        mogelijkheden en middelen van de belanghebbende</cursief></al><al>In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de
                    uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden
                    maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de
                    persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. </al><al>Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen
                    de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is
                    altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden
                    van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de
                    verplichtingen worden nagekomen. </al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet nakomt, <cursief>wordt</cursief> de uitkering verlaagd. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                        <cursief>verplichting.</cursief> Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging
                    (artikel 18 negende lid Participatiewet). Het college moet bij de vaststelling
                    van de verlaging wel rekening houden met de omstandigheden van de belanghebbende
                    en zijn mogelijkheden om middelen te verwerven. Het college kan dan ook van een
                    verlaging afzien of een verlaging matigen als dat gelet op de bijzondere
                    omstandigheden vanwege een dringende reden noodzakelijk is. Het college is dus
                    bevoegd om in individuele gevallen de maatregel op een lager niveau of zelfs op
                    0 vast te stellen. Dit geldt ook voor de maatregelen die bij het schenden van de
                    geüniformeerde verplichtingen moet worden opgelegd. Wanneer het college heeft
                    afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij bepaling van de hoogte van de
                    maatregel bij recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan telt deze wel mee.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Het gaat hierbij
                    om de volgende verplichtingen: </al><lijst><li nr="·"><al>Het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="·"><al>Het uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om
                            ingeschreven te staan bij een uitzendbureau.</al></li><li nr="·"><al>Het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een
                            andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente
                            te verhuizen.</al></li><li nr="·"><al>Bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3
                            uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen
                            verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al></li><li nr="·"><al>Bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen
                            andere mogelijkheid is voor het naar vermogen, verkrijgen, het
                            aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de
                            belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een
                            jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de
                            belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan.</al></li><li nr="·"><al>Het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor
                            het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van
                            algemeen geaccepteerde arbeid. </al></li><li nr="·"><al>Het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van
                            algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan
                            persoonlijke verzorging of gedrag.</al></li><li nr="·"><al>Het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen,
                            waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en
                            mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling. </al></li></lijst><al>Voor schending van deze geüniformeerde verplichtingen geldt dat de bijstand in
                    beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende minimaal één maand
                    tot maximaal drie maanden. De gemeenteraad moet in de verordening de duur van
                    deze maatregel vastleggen (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). De
                    Nijmeegse gemeenteraad heeft ervoor gekozen om de maatregel gedurende één maand
                    op te leggen. Bij recidive heeft de raad besloten dat de maatregel voor twee
                    maanden dient te worden opgelegd. Naast dat het college op grond van artikel 18
                    moet bezien of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt en er rekening dient te
                    worden gehouden met bijzondere omstandigheden, kan het college op verzoek van de
                    belanghebbende de maatregel herzien. Het college heeft namelijk op basis van
                    artikel 18, elfde lid van de Participatiewet de bevoegdheid de maatregel geheel
                    of gedeeltelijk te herzien zodra uit de houding en de gedragingen van de
                    uitkeringsgerechtigde ondubbelzinnig is gebleken dat hij zijn verplichtingen
                    nakomt. Het college legt in beleidsregels vast hoe zij van deze bevoegdheid
                    gebruik zal gaan maken.</al><al>Er is voor gekozen om niet te spreken over het afstemmen van de uitkering maar
                    over de reeds in het spraakgebruik ingeburgerde term opleggen van een maatregel.
                    Daarom is er ook voor gekozen om te spreken over de maatregelenverordening
                    i.p.v. de afstemmingsverordening. Hiermee wordt ook het sanctionerende karakter
                    benadrukt. Dat betekent niet dat de maatregel een punitieve sanctie is, waarbij
                    het leedtoevoegend karakter voorop staat. Het is een <cursief>reparatoire
                    </cursief>sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht op het (weer) in
                    overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin de
                    bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt. </al><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht </tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij
                    een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging
                    van de bijstand. </al><tussenkop>De verplichting van artikel 8b Participatiewet</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de gemeenteraad in het kader van het financiële beheer
                    bij verordening regel stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen
                    van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Het
                    vaststellen van een separate verordening is overbodig nu de maatregelverordening
                    ook regels stelt over misbruik en oneigenlijk gebruik. Bovendien is in artikel
                    13 geregeld op welke wijze het college verantwoording aflegt aan de raad over
                    het gevoerde en te voeren handhavingsbeleid. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. </al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen </tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op
                    deze verordening. Voor de duidelijkheid wordt kort ingegaan op het begrip
                    belanghebbende. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet
                    bestuursrecht omschreven als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit
                    is betrokken’. Artikel 18, lid 12 Participatiewet voegt daar nog aan toe dat
                    onder belanghebbende bij de toepassing van dit afstemmingsartikel mede wordt
                    verstaan: het gezin. </al><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief><cursief>:</cursief>Onder de
                    ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening verstaan de in de situatie van
                    belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd
                    met toeslagen, en verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. </al><al><cursief>Bezit: </cursief> Het kan gebeuren dat een belanghebbende vanwege een
                    verrekening van een voorliggende voorzieningsuitkering met een bestuurlijke
                    boete een beroep doet op de bijstand. Uitgangspunt is dan dat er, als er recht
                    op bijstand bestaat, een maatregel wordt opgelegd van drie maanden 100%. Zie
                    artikel 9 lid 4. Als een belanghebbende niet over geldelijke middelen beschikt
                    of kan beschikken om een periode van drie maanden zonder bijstand te overbruggen
                    kan hij verzoeken om de maatregel te matigen, zie artikel 9 lid 5. Om te kunnen
                    beoordelen of de maatregel gematigd moet worden moet de belanghebbende aantonen
                    geen bezit te hebben. Onder bezit wordt dan verstaan alle geldelijke middelen
                    waarover hij beschikt of kan beschikken. Een auto valt ook onder het begrip
                    bezit. De waarde van een auto is door verkoop op korte termijn te gelde te
                    maken. Alle vrijlatingsbepalingen van de wet als het gaat om middelen zijn niet
                    van toepassing voor het beoordelen van aanwezige geldelijke middelen. Ook de
                    vrijlatingsbepalingen zoals die opgenomen worden in de Beleidsregels Inkomen
                    Participatiewet blijven buiten toepassing.</al><tussenkop>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien. </al><tussenkop>Artikel 3. Afzien van verlaging </tussenkop><tussenkop>Afzien van een maatregel </tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij
                    evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan het college te beoordelen
                    of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is
                    vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                    maatregel, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><tussenkop>Afzien van een maatregel in verband met dringende redenen </tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    maatregel als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een maatregel voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering. </al><tussenkop>Afzien van het opleggen van een maatregel ook mogelijk bij geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    maatregel voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het
                    college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken,
                    gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan
                    het college besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of
                    op nul vast te stellen. </al><tussenkop>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college
                    afziet van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang
                    in verband met eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Indien dit niet
                    schriftelijk wordt medegedeeld in een beschikking, kan deze maatregel niet
                    meetellen bij het bepalen van de hoogte van de maatregel bij recidive. </al><tussenkop>Artikel 4. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel </tussenkop><al>Uit het oogpunt van rechtszekerheid en ter continuering van het bestaande beleid
                    is er voor gekozen de maatregel niet op te leggen met terugwerkende kracht maar
                    met ingang van de eerst volgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de
                    voor die maand geldende bijstandsnorm. </al><al>Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de
                    voor die maand geldende bijstandsnorm. </al><al>Een uitzondering op het gestelde in het eerste lid wordt gemaakt in het geval
                    een uitkering (nog) niet is uitbetaald. Dit kan zich voordoen bij de start van
                    een uitkering. Een beslissing tot toekenning wordt immers genomen na de datum
                    van ingang. Dit maakt het mogelijk om, voor een verwijtbare gedraging die zich
                    heeft voorgedaan in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening een
                    maatregel met ingang van de datum van ingang van de uitkering op te leggen.
                    Tevens is het mogelijk om bij het hervatten van een eerdere opgeschorte of
                    geblokkeerde uitkering een maatregel ingaande de datum van hervatting op te
                    leggen. </al><al>Een maatregel kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een maatregel is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft. Als een maatregel niet of </al><al>niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of
                    intrekking van de uitkering, is het ook mogelijk om de maatregel of dat deel van
                    de maatregel dat nog niet is uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende
                    binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de uitkering opnieuw een
                    uitkering op grond van de wet ontvangt. Het college moet wel rekening houden met
                    de vervaltermijn voor het opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 3,
                    eerste lid, onderdeel b. </al><al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het
                    recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een
                    maatregel toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat
                    de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open.</al><tussenkop>Artikel 5. Berekeningsgrondslag </tussenkop><tussenkop>Bijstandsnorm </tussenkop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. </al><tussenkop>Bijzondere bijstand </tussenkop><al>In het tweede lid is bepaald dat een maatregel ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een maatregel uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in
                    dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. </al><al>De verordening biedt geen ruimte om een maatregel toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag. </al><tussenkop>Artikel 6. Gedragingen Participatiewet </tussenkop><al>De artikelen 6 en 7 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 8 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaalde arbeid. Er is
                    zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het reeds ten tijde van de Wet werk en
                    bijstand bestaande maatregelenbeleid. </al><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (onderdeel c) </tussenkop><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand
                    met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur
                    van ten minste één maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid,
                    van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 8. </al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 7,
                    onder c, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst><tussenkop>Alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar</tussenkop><al>Artikel 9a van de geeft het college de bevoegdheid om alleenstaande ouders met
                    kinderen tot vijf jaar, op verzoek, te ontheffen van de verplichting als bedoeld
                    in artikel 9 eerste lid onder a. Een ontheffing van de verplichting als bedoeld
                    in artikel 9 eerste lid onder b is niet mogelijk. Als het verzoek wordt
                    gehonoreerd is het college verplicht om binnen zes maanden een plan van aanpak
                    over de invulling van de ondersteuning of een voorziening die geboden wordt, op
                    te stellen. De alleenstaande ouder is verplicht hieraan medewerking te verlenen.
                    Artikel 9a vijfde lid onder d van de wet bepaalt dat het college de ontheffing
                    van de verplichting bedoeld in artikel eerst lid onder a intrekt, indien uit
                    houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij
                    zijn verplichtingen bedoeld in artikel 9 eerste lid onder b niet wil nakomen.
                    Naast deze intrekking schrijft de wet in artikel 9a twaalfde lid voor dat het
                    college de bijstand verlaagd. Om aan deze plicht tegemoet te komen is deze
                    gedraging in deze categorie maatregelwaardige gedragingen opgenomen. </al><tussenkop>Inspanningen jongeren gedurende zoektijd en meewerken aan opstellen,
                    uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak</tussenkop><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    legt het college een maatregel op. Als de jongere wel meewerkt aan de
                    totstandkoming van een uitkering met een plan van aanpak en werkt hij vervolgens
                    niet mee aan de uitvoering en de evaluatie van dit plan van aanpak dan kan het
                    college besluiten in plaats van een maatregel op te leggen, de uitkering en de
                    ondersteuning in te trekken. Gedacht moet worden aan situaties waarbij uit
                    houding en gedrag van de jongere blijkt dat hij de afspraken ook niet zal
                    nakomen. In die gevallen kan er van het college niet gevergd worden dat de
                    ondersteuning en de uitkering in stand blijven. Voordat het college de uitkering
                    en de ondersteuning intrekt zal door maatregeloplegging conform deze categorie
                    getracht worden het gedrag van de jongere te verbeteren. </al><tussenkop>Artikel 7. Hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><al>Zie voor de maatregelwaardige gedragingen de toelichting bij artikel 6. </al><al>Er is gekozen voor een afstemmingsregime dat afwijkt van de maatregel bij
                    schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in de artikel
                    6 genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen.
                    Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het reeds ten tijde van de Wet
                    werk en bijstand bestaande beleid. M.b.t. maatregel voor het niet naar vermogen
                    verrichten van de door het college opgelegde tegenprestatie is er gekozen voor
                    de indeling in de laagste categorie omdat de gemeenteraad gekozen heeft voor het
                    opleggen van een minimale tegenprestatie. Het zou niet in verhouding hiermee
                    staan, als voor het weigeren van de tegenprestatie dan een zware maatregel zou
                    worden opgelegd. </al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van een verwijtbare gedraging en die gedraging valt in dezelfde
                    categorie, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in
                    een verdubbeling van de duur en de hoogte van de maatregel. Met eerste
                    verwijtbare gedraging wordt die gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot
                    het opleggen van een maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende reden
                    niet geëffectueerd is. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12
                    maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd,
                    bekend is gemaakt. Indien er na de eerste recidive opnieuw sprake is van
                    recidive (de tweede en eventuele volgende recidive) is het mogelijk om met
                    gebruik making van deze bepaling een zwaardere maatregel op te leggen. Bij deze
                    maatregel wordt de hoogte en de duur van de vorige maatregel die wegens
                    schending van een verplichting die in dezelfde categorie is ingedeeld,
                    verdubbeld. Is er sprake van een gedraging die in een hogere categorie valt, dan
                    wordt bij het opleggen van de sanctie bij recidive uitgegaan van de sanctie die
                    bij deze hogere categorie hoort. Het percentage en de duur die bij deze hogere
                    categorie wordt verdubbeld. Bij een tweede recidive en verder wordt de laatste
                    maatregel die hiervoor is opgelegd verdubbeld waarbij niet meer dan 100% van de
                    bijstandsnorm per maand kan worden opgelegd en de duur niet langer kan zijn dan
                    drie maanden. Hiervoor is aansluiting gezocht bij het regime van de
                    geüniformeerde verplichtingen. </al><tussenkop>Artikel 8 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting </tussenkop><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, waarbij verdeling hiervan over
                    drie maanden mogelijk is en er in de eerste maand tenminste 1/3 deel wordt
                    ingehouden. Bij recidive van een geüniformeerde verplichting wordt de duur van
                    de maatregel verdubbeld. Bij tweede en derde recidive wordt bepaald dat de
                    maatregel 100% gedurende een periode van drie maanden bedraagt. </al><tussenkop>Artikel 9. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </tussenkop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door
                    het opleggen van een maatregel. </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                            voorafgaand aan de bijstandsverlening</al></li><li nr="-"><al>geen beroep meer kan worden gedaan op een passende en toereikende
                            voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een
                            bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de
                            inlichtingenplicht.</al></li></lijst><al>In eerste lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte en de duur van de
                    maatregel en de periode dat tot een hoger bedrag eerder of langer een beroep op
                    bijstand wordt gedaan met een maximum van 24 maanden. In het geval bijvoorbeeld
                    dat een belanghebbende met het aanwezige vermogen nog zes maanden uit de
                    uitkering had moeten blijven wordt een maatregel van 20% voor de duur van zes
                    maanden opgelegd. De hoogte van deze maatregel wordt afgestemd op de hoogte en
                    de duur van de voorliggende voorziening, zoals deze was geweest als zij wel
                    tijdig was aangevraagd. Er is een maximum gesteld van 100% voor de duur van een
                    maand, vanwege de analogie met het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid.</al><al>Als geen beroep meer kan worden gedaan op een passende en toereikende
                    voorliggende voorziening zoals bijvoorbeeld een Ioaw of WW uitkering, omdat deze
                    volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                    herhaling schenden van de inlichtingenplicht, wordt een maatregel opgelegd van
                    100% gedurende de eerste drie maanden, gerekend vanaf de start van de
                    verrekening.</al><al>Als een belanghebbende geen bezit heeft om een periode van drie maanden zonder
                    bijstand te overbruggen kan hij verzoeken om de maatregel te matigen. Voor het
                    begrip bezit zie de toelichting op artikel 1. Als een belanghebbende aantoont
                    geen bezit te hebben matigt het college de maatregel tot één maand 100% en twee
                    maanden 20%</al><tussenkop>Artikel 10. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'. Het gaat bij zeer ernstige misdragingen om gedrag dat in het
                    normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                    beschouwd. </al><al>Zoals bij elke maatregel moet ook bij het opleggen wegens agressief gedrag, de
                    verwijtbaarheid van het gedrag worden beoordeeld. Deze wordt deels bepaald door
                    de omstandigheden waarin zich de misdraging voordeed. Daarbij maakt ons college
                    onderscheid tussen instrumenteel en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld
                    is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald
                    doel te bereiken. Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                    onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met frustratiegeweld. In
                    beginsel zal het college alleen een maatregel opleggen, wanneer er sprake is van
                    instrumenteel geweld. Alleen ook bij instrumenteel geweld zal van een maatregel
                    een preventieve werking uitgaan. </al><al>Het gaat om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de betreffende
                    personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Dus als er
                    uitvoering gegeven wordt aan de betreffende wetten. Het is anders als
                    betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen; dan is alleen het strafrecht van
                    toepassing. </al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting. Deze verplichting staat dus
                    op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB. </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een belanghebbende zich
                    ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de
                    gedraging, de verwijtbaarheid en de bijzondere omstandigheden van de betrokkene.
                    In deze bepaling worden twee categorieën onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>fysiek geweld tegen leden van het college of ambtenaren;</al></li><li nr="b."><al>fysiek geweld tegen materiële zaken en mondelinge of schriftelijke
                            bedreigingen.</al></li></lijst><al>ad a. Hier wordt de hoogste maatregel (100%, voor de duur van een maand)
                    opgelegd omdat deze vorm van geweld gezien wordt als de zwaarste vorm in relatie
                    tot andere vormen van geweld.</al><al>ad b. Hierbij wordt een maatregel van 70% opgelegd onafhankelijk van het feit of
                    daadwerkelijke schade is toegebracht (bij geweld tegen zaken). Bij de tweede
                    groep gevallen wordt rekening gehouden met de geestelijke schade die dergelijke
                    bedreigingen kunnen toebrengen. </al><al>Bij het opleggen van deze maatregel dienen de effecten en belangen van klant en
                    medewerker worden afgewogen. Zo dient onder andere gekeken te worden naar de
                    gevolgen voor afhankelijke leden van het huishouden van de klant. Tegen het
                    opleggen van een maatregel ingevolge artikel 18, bestaat, net als bij de overige
                    maatregelen overigens, de mogelijkheid van bezwaar en beroep. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al>Daarnaast wordt een zogenaamde interventieladder en een agressieprotocol
                    gehanteerd waarin is aangegeven hoe wordt omgegaan met agressieve klanten.
                    Uitgangspunt is dat agressie op geen enkele wijze wordt getolereerd. Indien een
                    belanghebbende zich agressief misdraagt ten opzichte van medewerkers van de
                    gemeente dan wordt hiertegen opgetreden. Afhankelijk van de ernst van de
                    gedraging kan dit leiden tot een waarschuwing of tot een ontzegging om het
                    gebouw te betreden. De interventieladder wordt uitgebreid met een systeem van
                    gele en rode kaarten. De uitwerking daarvan is opgenomen in het
                    agressieprotocol. </al><al>Indien binnen één jaar na de eerste ernstige misdraging een herhaling hiervan
                    volgt wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de duur van de maatregel. De hoogte kan immers niet meer
                    verdubbeld worden. Indien er na de eerste recidive opnieuw sprake is van
                    recidive (de tweede en eventuele volgende recidive is het mogelijk om gebruik
                    makend van deze bepaling een zwaardere maatregel op te leggen. Bij deze
                    maatregel wordt de duur van de maatregel die wegens de eerste recidive is
                    opgelegd, verdubbeld. </al><tussenkop>Artikel 11. Niet nakomen nadere verplichtingen</tussenkop><al>In de artikelen 55, 56 en 57 WWB is de mogelijkheid opgenomen om naast de in
                    hoofdstuk 2 van de wet genoemde verplichtingen nog nadere verplichtingen op te
                    leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering/beëindiging van de
                    bijstand. Hieronder kunnen vallen noodzakelijke behandelingen van medische aard,
                    zo staat in de wet. Indien deze verplichtingen geschonden worden, worden de
                    maatregelen opgelegd die in artikel 11 staan voor zover de gedragingen niet
                    vallen onder artikel 6. Uiteraard dient ook hierbij rekening te worden gehouden
                    met verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden. Ook met betrekking tot de
                    schending van de medewerkingsverplichting als verwoord in artikel 17 tweede lid
                    van de Participatiewet wordt in dit artikel de maatregel vastgelegd. Daarbij
                    wordt met betrekking tot het schenden van medewerking aan de
                    ziekteverzuimvoorschriften een hogere sanctie noodzakelijk geacht. Dit sluit aan
                    bij het beleid gedurende de Wet werk en bijstand. </al><tussenkop>Artikel 12. Samenloop</tussenkop><tussenkop>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                    geschonden</tussenkop><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die
                    schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                    verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de
                    hoogte en de duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de
                    hoogste verlaging is gesteld. </al><tussenkop>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere verplichtingen
                    worden geschonden</tussenkop><al>Het tweede lid regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging
                    die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in
                    deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor
                    iedere gedraging een afzonderlijke maatregel toegepast. Deze maatregelen worden
                    in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is.
                    Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor
                    moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De maatregel
                    wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. </al><tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete </tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een maatregel kan worden opgelegd
                    als sprake is van een maatregelwaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen maatregel
                    meer opgelegd (derde lid). Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de
                    gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor
                    zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit.
                    Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen,
                    waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden
                    met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid). </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 13. Het handhavingsbeleidsplan</tussenkop><al>Zie algemeen gedeelte van de toelichting.</al><tussenkop>Artikel 14 en 15 Intrekking, inwerkingtreding en
                    overgangsrecht</tussenkop><al>De verordening geldt voor alle gedragingen die vanaf datum inwerkingtreding
                    geconstateerd worden. Op gedragingen die na 1 januari en vóór datum
                    inwerkingtreding van de verordening geconstateerd worden geldt, nog de oude
                    verordening. Dit geldt ook voor maatregelwaardige gedragingen die onder de
                    geüniformeerde verplichtingen vallen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>