<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR407001_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Drank- en Horecaverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad nr. 152335</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Drank- en Horecaverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Drank- en Horecawet, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Drank- en Horecawet, par. 3a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-02-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV GM2016.0016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Drank- en horecaverordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Drank- en Horecaverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Drank- en horecaverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016</vet></al><al>De raad van de gemeente Geldrop-Mierlo;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders (RV GM2015.0605) van
                        15 december 2015 en de aanvulling daarop dd. 19 januari 2016 (RV
                        GM2016.0016), </al><al>Besluit</al><al>Vast te stellen de volgende</al><al>Drank- en horecaverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Toezicht op horecagelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Horecagelegenheid:</vet> de voor het publiek toegankelijke,
                                    besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij
                                    bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt,
                                    dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe
                                    consumptie ter plaatse en/of elders dan ter plaatse, worden
                                    bereid of verstrekt. Onder een horecagelegenheid wordt in ieder
                                    geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                    snackbar, discotheek, afhaalcentrum, buurthuis of clubhuis.
                                    Onder horecagelegenheid wordt tevens verstaan een bij deze
                                    gelegenheid behorend terras en andere aanhorigheden.</al></li><li nr="2."><al><vet>Terras:</vet> een buiten de besloten ruimte van de
                                    horecagelegenheid liggend deel, waar sta- of zitgelegenheid kan
                                    worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden
                                    geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden
                                    bereid of verstrekt.</al></li><li nr="3."><al><vet>Houders:</vet> de natuurlijke persoon of rechtspersoon voor
                                    wiens rekening en risico de horecagelegenheid wordt
                                    geëxploiteerd. </al></li><li nr="4."><al><vet>Leidinggevende:</vet></al><lijst><li nr="1."><al>de natuurlijke persoon of de bestuurders van een
                                            rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens
                                            rekening en risico de horecagelegenheid wordt uitgebaat,
                                            met uitzondering van bestuurders van een rechtspersoon
                                            als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en
                                            horecawet;</al></li><li nr="2."><al>de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan
                                            een onderneming, waarin de horecagelegenheid wordt
                                            uitgebaat;</al></li><li nr="3."><al>de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft
                                            aan de horecagelegenheid. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al><vet>Bezoeker:</vet> een ieder die zich in een inrichting
                                    bevindt, met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>leidinggevenden; </al></li><li nr="2."><al>personen die dienst doen in de inrichting; </al></li><li nr="3."><al>personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                            dringende redenen noodzakelijk is. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Exploitatievergunning horecagelegenheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een horecagelegenheid te exploiteren zonder
                                vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruik gemaakt van een
                                door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in lid 1 is geen vergunning vereist
                                voor een horecagelegenheid dat zich bevindt in</al><lijst><li nr="a."><al>een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet
                                        voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de
                                        winkelactiviteit en voor de horecagelegenheid dezelfde
                                        sluitingstijden gelden als voor de winkel ingevolge de
                                        Winkeltijdenwet.</al></li><li nr="b."><al>een zorginstelling; </al></li><li nr="c."><al>een museum; </al></li><li nr="d."><al>een bedrijfskantine of – restaurant.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester beslist in geval van een vergunningaanvraag die
                                betrekking heeft op een of meer bij de horecagelegenheid behorende
                                terrassen, voor zover deze zich op de weg bevinden, over de
                                ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester beslist op een aanvraag voor een vergunning binnen
                                acht weken na de datum van ontvangst van de ontvankelijke
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken
                                verdagen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Exploiteren van terrassen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder melding aan de burgemeester een terras bij
                                een bedrijf als bedoeld in artikel 1 onder 1 van deze verordening te
                                exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De melding moet geschieden door middel van een door de burgemeester
                                vastgesteld formulier of elektronische informatiedrager. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester beslist in geval van een melding die betrekking
                                heeft op een of meer bij de horecagelegenheid behorende terrassen,
                                voor zover deze zich op de weg bevinden, binnen vier weken na de
                                datum van ontvangst van de melding over de ingebruikneming van die
                                weg ten behoeve van het terras.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot de
                                exploitatie, inrichting en uiterlijke kenmerken van het terras.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de
                                Provinciale wegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een krachtens deze afdeling verleende vergunning of ontheffing
                                kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze
                                voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming
                                van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                ontheffing is vereist. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de aan een exploitatievergunning verbonden
                                voorschriften en beperkingen wijzigen, dan wel nieuwe voorschriften
                                en beperkingen aan een exploitatievergunning verbinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Tenaamstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitatievergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam
                                gezet van de houder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitatievergunning is niet overdraagbaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van beëindiging of overdracht van de horecagelegenheid
                                (inclusief overdracht van aandelen) is de houder verplicht dit
                                binnen één maand schriftelijk aan de burgemeester mee te delen.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het adres, de aard, locatie en omvang van het horecabedrijf worden
                                op de exploitatievergunning vermeld. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De namen van de leidinggevenden worden vermeld op het aanhangsel
                                behorende bij de exploitatievergunning. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vergunning en het daarbij behorende aanhangsel, of afschriften
                                daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag en
                                de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 8 lid 4, of een
                                afschrift daarvan, zijn in de horecagelegenheid aanwezig. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vervallen exploitatievergunning</titel></kop><al>De exploitatievergunning vervalt wanneer: </al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk is beëindigd of
                                    (gedeeltelijk) overgedragen (inclusief overdracht van aandelen);
                                </al></li><li nr="b."><al>zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de
                                    exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is
                                    gemaakt; </al></li><li nr="c."><al>gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is
                                    gemaakt van de exploitatievergunning; </al></li><li nr="d."><al>de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van
                                    eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Melding verandering horecagelegenheid</titel></kop><al>Indien een horecagelegenheid een zodanige verandering ondergaat dat zij
                            niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven
                            omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen
                            één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt,
                            indien wordt voldaan aan de op het moment van de melding geldende eisen
                            gesteld bij of krachtens deze Verordening, een gewijzigde vergunning,
                            waarin de op grond van artikel 5 vereiste omschrijving is aangepast aan
                            de nieuwe situatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Melden leidinggevende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunninghouder meldt aan de burgemeester welke persoon hij
                                verzoekt als leidinggevende bij of af te schrijven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De melding op grond van het eerste lid geldt als aanvraag tot
                                wijziging van het aanhangsel. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag tot wijziging moet geschieden door middel van een door
                                de burgemeester vastgesteld formulier of elektronische
                                informatiedrager. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de
                                ontvangst van de aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Direct na de melding mag de leidinggevende als zodanig werkzaam
                                zijn, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang nog
                                niet op die melding is beslist. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>niet voldaan wordt aan het gestelde in artikel 9, eerste lid
                                        onder b; </al></li><li nr="b."><al>in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3
                                        van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
                                        openbaar bestuur. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven,
                                        kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door
                                        het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde
                                        wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet
                                        worden gevraagd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester verwijdert de leidinggevende uit het aanhangsel
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de leidinggevende hier zelf om verzoekt; </al></li><li nr="b."><al>de vergunninghouder hier om verzoekt; </al></li><li nr="c."><al>de vergunninghouder ter verkrijging van het gewijzigde
                                        aanhangsel onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft
                                        verstrekt; </al></li><li nr="d."><al>niet langer wordt voldaan aan het gestelde in artikel 9,
                                        eerste lid onder b; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De vergunninghouder ontvangt een gewijzigd aanhangsel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester weigert de exploitatievergunning: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de vestiging of exploitatie van de horecagelegenheid
                                        in strijd is met een geldend bestemmingsplan en geen
                                        concreet zicht is op een planologische mutatie die de
                                        vestiging van de horecagelegenheid op die plaats mogelijk
                                        maakt; </al></li><li nr="b."><al>indien de houder en/of leidinggevende van de
                                        horecagelegenheid niet voldoet aan de eisen die worden
                                        gesteld bij of krachtens artikel 8, eerste lid, alsmede
                                        artikel 8, tweede lid van de Drank- en Horecawet; </al></li><li nr="c."><al>indien niet wordt voldaan aan artikel 27, eerste lid, onder
                                        b van de Drank- en Horecawet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk
                                weigeren: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon-
                                        en leefsituatie in de omgeving van de horecagelegenheid of
                                        openbare orde en veiligheid op ontoelaatbare wijze nadelig
                                        wordt beïnvloed; </al></li><li nr="b."><al>bij toepassing van het bepaalde onder a houdt de
                                        burgemeester rekening met het karakter van de straat en de
                                        wijk, waarin de horecagelegenheid is gelegen of zal zijn
                                        gelegen, de aard van de horecagelegenheid en de spanning,
                                        waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot
                                        zal komen te staan door de exploitatie;</al></li><li nr="c."><al>in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3
                                        van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
                                        openbaar bestuur. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven,
                                        kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door
                                        het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde
                                        wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet
                                        worden gevraagd. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Intrekkings- of wijzigingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester trekt de exploitatievergunning in:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de leidinggevende als bedoeld in artikel 1, lid 4
                                        onder 1 van de horecagelegenheid niet meer voldoet aan de
                                        eisen die worden gesteld bij of krachtens artikel 8, eerste
                                        lid, alsmede artikel 8, tweede lid van de Drank- en
                                        Horecawet; </al></li><li nr="b."><al>indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig
                                        onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere
                                        beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan
                                        de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
                                    </al></li><li nr="c."><al>er een persoon leidinggevende is geworden en deze niet op
                                        grond van artikel 8 is gemeld; </al></li><li nr="d."><al>het horecabedrijf is gewijzigd zonder voorafgaande melding
                                        aan de burgemeester als bedoeld in artikel 7;</al></li><li nr="e."><al>indien zich in of vanuit de horecagelegenheid feiten hebben
                                        voorgedaan die de vrees wettigen, dat het geopend blijven
                                        van de horecagelegenheid gevaar oplevert voor de openbare
                                        orde, veiligheid of zedelijkheid en/of een bedreiging vormt
                                        voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de
                                        horecagelegenheid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>als op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning,
                                        moet worden aangenomen, dat intrekking of wijziging wordt
                                        gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                                        waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; </al></li><li nr="b."><al>als de aan de vergunning verbonden voorschriften en
                                        beperkingen niet zijn of worden nagekomen; </al></li><li nr="c."><al>als de houder dit verzoekt; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>een vergunninghouder in een periode van twee jaar tenminste driemaal
                                op grond van artikel 8 om bijschrijving van een persoon op het
                                aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die
                                wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op
                                grond van artikel 8 lid 6. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in
                                artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
                                openbaar bestuur. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het
                                Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                                bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als
                                bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Horecagelegenheden, niet zijnde paracommerciële rechtspersonen, zijn
                                gesloten op maandag tot en met zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Horecagelegenheden, zijnde paracommerciële rechtspersonen, zijn
                                gesloten op maandag tot en met zondag tussen 24.00 uur en 06.00 uur.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er op grond van artikel 19 lid 2 of artikel 19 lid 3 door de
                                burgemeester ontheffing is verleend zijn horecagelegenheden, zijnde
                                paracommerciële rechtspersonen, in afwijking van lid 2, gesloten
                                tussen 01.00 uur en 06.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden een horecagelegenheid voor bezoekers geopend te
                                hebben, of bezoekers in de horecagelegenheid te laten verblijven na
                                sluitingstijd. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>als op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten, opgetreden na het verlenen van de ontheffing,
                                        moet worden aangenomen, dat intrekking of wijziging wordt
                                        gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                                        waarvan de ontheffing is vereist; </al></li><li nr="b."><al>als de aan de ontheffing verbonden voorschriften en
                                        beperkingen niet zijn of worden nagekomen; </al></li><li nr="c."><al>als de houder dit verzoekt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het eerste, tweede, derde en vijfde lid zijn niet van toepassing op
                                situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
                            </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De burgemeester beslist op een aanvraag voor een ontheffing binnen
                                acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken
                                verdagen. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Op het besluit als bedoeld in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de
                                Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                tijdig beslissen) niet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Afwijking sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden
                                voor een of meer horecagelegenheden tijdelijk andere dan de
                                krachtens artikel 11 van deze verordening geldende sluitingstijden
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de
                                Opiumwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden
                                voor een of meer horecagelegenheden tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de
                                Opiumwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorts kan de burgemeester voor een bepaalde tijd sluiting bevelen,
                                indien de inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de
                                vergunning verbonden voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Aanwezigheid leidinggevende</titel></kop><al>Het is verboden een horecagelegenheid voor bezoekers geopend te hebben
                            indien niet in de horecagelegenheid aanwezig is: </al><lijst><li nr="a."><al>een leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij de
                                    vergunning, bedoeld in artikel 5, vijfde lid of;</al></li><li nr="b."><al>een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 8, eerste
                                    lid, is gemeld, mits de ontvangst van die melding is bevestigd,
                                    zolang nog niet op die melding is beslist. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecagelegenheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is bezoekers verboden zich in een horecagelegenheid te bevinden
                                gedurende de tijd dat de gelegenheid bij of krachtens deze
                                verordening gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een horecagelegenheid geopend te hebben, daarin
                                bezoekers te ontvangen, toe te laten of aanwezig te hebben,
                                gedurende de tijd dat de gelegenheid bij of krachtens deze
                                verordening gesloten dient te zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een horecagelegenheid de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank-
                            en horecawet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: Drank- en horecawet;</al></li><li nr="b."><al>vergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de
                                        wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder de overige
                                begrippen verstaan hetgeen de wet daaronder verstaat. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Regulering paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode
                                        beginnende met één uur voor aanvang en eindigende met twee
                                        uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de
                                        statutaire doelomschrijving van de desbetreffende
                                        paracommerciële rechtspersoon.</al></li><li nr="b."><al>in geen geval alcoholhoudende drank op:</al><lijst><li nr="·"><al>maandag tot en met vrijdag voor <vet>16.00 en na
                                                  24.00 uur;</vet></al></li><li nr="·"><al>zaterdag voor <vet>12.00 uur en na 24.00
                                                uur;</vet></al></li><li nr="·"><al>zondag voor <vet>12.00 uur en na
                                                  24.00</vet><vet>uur.</vet></al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien op deze dag(en) sprake is van een officiële, door de
                                sportbond uitgeschreven competitie of sprake is van een onder
                                auspiciën van de desbetreffende sportbond georganiseerd toernooi,
                                kan door de burgemeester op verzoek van de betreffende
                                sportvereniging ontheffing worden verleend van het bepaalde in lid 1
                                sub b tot maximaal 01.00 uur. De sportvereniging(en) overlegt(gen)
                                daartoe aan het begin van de competitie een overzicht van de
                                officiële competitiewedstrijden en toernooien aan de burgemeester.
                                Met betrekking tot de in dit lid omschreven activiteiten is het
                                gestelde in artikel 20 van deze Verordening voor wat betreft het
                                maximaal aantal ontheffingen per jaar niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien op deze (dag)en sprake is van podiumactiviteiten, kan door de
                                burgemeester op verzoek van de betreffende sociaal-culturele
                                accommodatie ontheffing worden verleend van het bepaalde in lid 1
                                sub b tot maximaal 01.00 uur. De sociaal-culturele accommodatie
                                overleg(t) daartoe aan het begin van het (podium)jaar een overzicht
                                van de podiumactiviteiten van dat jaar aan de burgemeester. Met
                                betrekking tot de in dit lid omschreven activiteiten is het gestelde
                                in artikel 20 van deze Verordening voor wat betreft het maximaal
                                aantal onheffingen per jaar niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende
                                drank: </al><lijst><li nr="a."><al>tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals
                                        bruiloften en partijen, of</al></li><li nr="b."><al>tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet
                                        of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende
                                        paracommerciële rechtspersoon zijn betrokken. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is paracommerciële rechtspersonen verboden om de mogelijkheid
                                tot het houden (waaronder inbegrepen de verhuur van het pand en
                                inventaris) van bijeenkomsten van persoonlijke aard, waarbij
                                alcoholhoudende drank wordt verstrekt, openlijk aan te prijzen of
                                onder de aandacht te brengen met bijvoorbeeld posters, brochures,
                                publicaties in kranten of tijdschriften, internet of via social
                                media kenbaar te maken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Verruiming schenktijden</titel></kop><al>In geval op grond van artikel 11 door de burgemeester ontheffing is
                            verleend (max. 5 maal per jaar) van de geldende sluitingstijd voor
                            paracommerciële rechtspersonen mag tot uiterlijk 01.00 uur alcohol
                            verstrekt worden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden voor 09.00 uur bedrijfsmatig of anders dan om niet
                                alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare
                                orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een
                                vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en horecawet
                                voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het
                                verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een
                                door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                        artikel 1 van de Drank- en Horecawet; </al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder
                                        a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de
                                        Drank- en Horecawet. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Straf- overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In bijzondere gevallen kan de burgemeester van het bepaalde in deze
                            afwijken, indien strikte toepassing van het bepaalde voor een of meer
                            belanghebbenden onevenredig zou zijn in verhouding tot de met deze
                            verordening te dienen doelen en met de belangen ter waarborging waarvan
                            deze verordening is opgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecagelegenheid geen gelegenheid is in de zin van artikel
                            174 van de Gemeentewet, worden de in afdeling 1 aan de burgemeester
                            toegekende bevoegdheden uitgeoefend door het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens afdeling 1 van deze
                                verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
                                maanden of een geldboete van de tweede categorie als bedoeld in
                                artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor wat betreft overtredingen van het bepaalde bij of krachtens
                                afdeling 2 van deze verordening zijn de straf- en sanctiebepalingen
                                van de Drank- en horecawet van toepassing </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                afdeling 1 van deze verordening zijn belast de bij besluit van de
                                burgemeester aangewezen ambtenaren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor wat betreft het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens afdeling 2 van deze verordening is paragraaf 7 van de
                                Drank- en horecawet van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.</al></li><li nr="2."><al>Op hetzelfde tijdstip wordt de Drank- en Horecaverordening
                                    Geldrop-Mierlo 2014 ingetrokken. </al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Drank- en
                                    Horecaverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Geldrop-Mierlo d.d. 1 februari 2016</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>G.A.A. van Luijn B.H.M. Link</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><tussenkop>Drank- en horecaverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1 Toezicht op horecagelegenheden</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Deregulering</tussenkop><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in
                    het verleden bekeken of het horeca-exploitatievergunningstelsel in de APV
                    ingevoerd moet worden. In met name kleine gemeenten met een overzichtelijk
                    uitgaansgebied en/of enkele bekende horecaondernemingen, is er niet altijd
                    behoefte aan zo'n stelsel. Anderzijds hebben veel gemeenten toch behoefte aan de
                    horeca-exploitatievergunning. Deze gemeenten zijn namelijk van mening dat deze
                    vergunning noodzakelijk is voor het handhaven van de openbare orde en het
                    tegengaan van de overlast. Gemeente Geldrop-Mierlo heeft ervoor gekozen om het
                    horeca-exploitatievergunningstelsel weer in te voeren. Deze vergunningplicht is
                    nu overgeheveld van de APV naar deze Drank- en horecaverordening. </al><tussenkop>Europese Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van
                    een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De
                    Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir,
                    noodzakelijk en proportioneel is. In bijna alle gevallen gaat het bij horeca om
                    vestiging van een openbare inrichting waarvoor artikel 9 van de richtlijn de
                    bovenstaande criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9 verstaan
                    een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat onder meer de volgende
                    gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in
                    de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde;
                    bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de
                    stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; Zie verder overweging 40 van de
                    richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule of reason’. Mocht het in een
                    enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een horecaondernemer die de
                    grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet artikel 9, maar
                    artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria openbare orde, openbare
                    veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een vergunningstelsel
                    kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8.</al><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door het stellen van vergunningvoorwaarden aan de ondernemer
                    kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het
                    confectiepak voldoet hier niet.</al><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 is er overeenkomstig de rechtspraak van
                    het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een
                    economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt
                    verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde
                    tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de
                    ondernemer zijn activiteiten onderneemt.</al><tussenkop>Bestemmingsplan</tussenkop><al>Een regeling via het bestemmingsplan achten wij minder adequaat. Een
                    bestemmingsplan ordent immers de ruimte en is niet bedoeld voor het handhaven
                    van de openbare orde. Er mogen alleen ruimtelijk relevante factoren worden
                    meegewogen. Het is natuurlijk mogelijk om in een bestemmingsplan een
                    horecafunctie positief te bestemmen of juist uit te sluiten of per plangebied
                    een maximumstelsel in het leven te roepen. En dat gebeurt ook. Maar de
                    burgemeester kan op grond van de huidige regelgeving niet overgaan tot
                    tijdelijke of algehele sluiting van de horecaonderneming in geval van (gevaar
                    voor) verstoring van de openbare orde of om overlast buiten de inrichting tegen
                    te gaan.</al><al>Bovendien is de gemeente “binnen de bebouwde kom” (nog) niet verplicht om een
                    bestemmingsplan vast te stellen. En juist in die gebieden wordt de meeste horeca
                    geëxploiteerd. Vooral in oude binnensteden heerst in veel gemeenten nog een
                    ratjetoe van oude, onvolledige en ontoereikende bestemmingsplannen of zelfs
                    “witte vlekken” met een bestemmingsplanloos gebied.</al><tussenkop>Natte en droge horeca</tussenkop><al>De reikwijdte van de Drank- en Horecawet wordt bepaald door het begrip
                    “horecabedrijf” zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en
                    Horecawet. Bedrijven waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan
                    om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse, hebben een vergunning nodig
                    ex artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Die vergunningplichtige bedrijven
                    duiden we aan met de term natte horeca.</al><al>In artikel 1 wordt de term horecagelegenheid gebruikt. Dit om verwarring met het
                    begrip horecabedrijf uit de Drank- en Horecawet te voorkomen. Onder het begrip
                    horecagelegenheid wordt namelijk ook de droge horeca verstaan. De bepalingen in
                    dit artikel betreffen dus ook de bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt
                    verstrekt: de droge horeca zoals tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook
                    coffeeshops. De term horecagelegenheid is in de begripsomschrijving in artikel 1
                    opgenomen om ook coffeeshops onder de APV te laten vallen. In deze paragraaf
                    worden coffeeshops dan ook als gewone horecabedrijven behandeld en zijn geen
                    bijzondere bepalingen over coffeeshops opgenomen. </al><al>Dat roept de vraag naar de verhouding met de Opiumwet op. De Opiumwet verbiedt
                    immers de handel in drugs. Uitgangspunt is dat de vergunningverlening op grond
                    van de Drank- en horecaverordening daar geen betrekking op heeft, maar wel op de
                    exploitatie van een alcoholvrije inrichting. Dat laat overigens onverlet dat ten
                    aanzien van coffeeshops - vanwege de effecten die met name deze inrichtingen
                    kunnen hebben op de openbare orde - wel degelijk een specifiek beleid kan worden
                    vastgesteld. Meer informatie hierover is te vinden in de publicatie 'De Wet
                    'Damocles', bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet' van het Steun- en
                    informatiepunt drugs en veiligheid (VNG-uitgeverij, Den Haag 1999).</al><al>Daarnaast is het ook mogelijk om voor de exploitatie van bijvoorbeeld een
                    internetcafé een exploitatievergunning van de burgemeester verplicht te stellen
                    indien het internetcafé ook horeca-activiteiten ontplooit, zoals de exploitatie
                    van een koffiehoek. Indien het internetbedrijf alleen internetdiensten aanbiedt,
                    is er geen vergunning nodig. Hierover is een rechterlijke uitspraak die u
                    hieronder kunt vinden onder het kopje “Jurisprudentie APV”.</al><al>Bibob-toets en VOG</al><al>Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is
                    een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Drank-
                    en Horecawet (DHW) jo. artikel 3, van de Wet bevordering
                    integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De DHW geldt niet voor bedrijven waar
                    geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. In het kader van de
                    vergunningsplicht op grond van de Drank- en horecaverordening is het voor
                    gemeenten mogelijk om ook voor de aanvrager van een vergunning voor de
                    exploitatie van bijvoorbeeld een coffeeshop een Verklaring Omtrent het Gedrag
                    (VOG) te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. De horeca-exploitatievergunning
                    is immers op grond van artikel 5 persoonsgebonden.</al><al>Artikel 7 van de Wet BIBOB bepaald dat een gemeentelijke vergunning die op grond
                    van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door
                    het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester kan
                    worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden,
                    bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB. </al><al>Dit zijn in dit geval dus horecagelegenheden zoals gedefinieerd in artikel 1 van
                    de Drank- en horecaverordening. Dit betekent dat voor horecagelegenheden in de
                    zin van de Drank- en horecaverordening een Bibob-onderzoek mag worden gedaan.
                    Zonder de Drank- en horecaverordening is hier geen wettelijke grondslag voor. De
                    Dienstenrichtlijn verzet zich niet tegen een Bibob-onderzoek.</al><al>De exploitant van de inrichting speelt een belangrijke rol in de wijze van
                    exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en
                    leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Daarom kan het raadzaam zijn om een
                    verplichting voor de vergunningaanvrager op te nemen om een recente VOG voor de
                    leidinggevende te overleggen. De leidinggevende kan de aanvrager zelf zijn, maar
                    ook een werknemer. </al><tussenkop>Onbepaaldheid van de duur</tussenkop><al>De exploitatievergunning geldt voor onbepaalde tijd. Indien de gemeente
                    niettemin een tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of
                    tien jaar, dan mag dit slechts op gronden ontleend aan dwingende redenen van
                    algemeen belang. </al><tussenkop>Overige wet- en regelgeving</tussenkop><al>Op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Drank- en Horecawet nog
                    vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer, Wet op de
                    stads- en dorpsvernieuwing, Wet op de kansspelen, Opiumwet, Wet ruimtelijke
                    ordening en Woningwet.</al><tussenkop>Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het
                    Activiteitenbesluit)</tussenkop><al>Op openbare inrichtingen zijn de regels van de Wet milieubeheer (Wm) van
                    toepassing.</al><al>Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit
                    horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Bij dit besluit is een
                    aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van koolzuur
                    en afvalstoffen opgenomen. De tekst van het besluit is te vinden op:
                    www.overheid.nl. Nadere informatie is te vinden op: www.vrom.nl, www.infomil.nl
                    en www.horeca.org.</al><tussenkop>Geluidsnormen</tussenkop><al>Het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als
                    nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische voorschriften
                    stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te voldoen. Daarnaast
                    kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven voor de gehele activiteit
                    of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes. Hierbij kunnen aanvullende
                    eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de activiteit.</al><al>In paragraaf 6.5 van het Activiteitenbesluit zijn overgangsbepalingen
                    opgenomen.</al><al>Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn
                    vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente
                    bij verordening afwijkende regels kan stellen.</al><al>Voor horecaconcentratiegebieden blijft dezelfde mogelijkheid als onder het oude
                    Besluit bestaan, namelijk dat er meer geluid mag worden geproduceerd.</al><tussenkop>Jurisprudentie APV</tussenkop><al>Een gemeentelijke verordening waarin een vergunningstelsel is opgenomen dat
                    specifiek regels stelt ten behoeve van coffeeshops is in strijd met de Opiumwet.
                    Rb Amsterdam 16 januari 1998 en 19 januari 1998, AB 1998, 222 en 223 m.nt. FM;
                    Rb Dordrecht 3 juli 1998, JG 98.0202; Pres. Rb Rotterdam 16 juli 1998, JG
                    98.0203 en Pres. Rb Zutphen 14 september 1998, JG 98.0204 m.nt. W.A.G.
                    Hillenaar.</al><al>Burgemeester is bevoegd tot bestuursdwang, dit vergt wel zorgvuldigheid
                    bewijsvoering. Afvoeren van gedooglijst is geen gedoogbesluit. LJN-nr. AO7469,
                    JG 04.0105 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Weigering om af te wijken van beleidsregels om een nog niet gevestigde
                    coffeeshop te gedogen is een Awb-besluit. Rechtbank Assen, 03/527BESLU, JG
                    04.0104 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Intrekken gedoogverklaring brengt niet-ontvankelijk verklaring met zich mee,
                    zolang niet feitelijk handhavend is opgetreden. LJN-nr. AO6089, JG 04.0079 m.
                    nt. A.L. Esveld.</al><al>Uitoefening bestuursdwangbevoegdheid is mogelijk, het ontbreken van vastgesteld
                    en gepubliceerd coffeeshopbeleid doet daar niet aan af. LJN-nr. AO2883, JG
                    04.0110, m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Exploitant horeca-inrichting verantwoordelijk voor handelingen in zijn
                    inrichting met betrekking tot handel in softdrugs. Inrichting gesloten. LJN-nr.
                    AI0787, JG 03.0168 m. nt. T. van der Reijt.</al><al>Sluiting woning op grond van art. 174a Gemeentewet om andere reden dan
                    drugsoverlast toegestaan. LJN-nr. AF5325, JG. 03.0126, m. nt. T. van der
                    Reijt.</al><al>Verspreiding via internet van cannabismenulijsten is volgens de Opiumwet
                    openbaarmaking . LJN-nr. AO6423, JG 04.0130 m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol bij de vraag of zich een situatie
                    voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. LJN-nr. AP0405, JG 04.
                    september, m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Een hennepkwekerij van 89 planten in een woning leidt niet tot ontbinding van
                    het huurcontract. LJN-nrs. AQ9905 en AQ9850, JG 04.0131, m. nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Gebiedsontzegging i.v.m. met overlast, die te maken heeft met de handel in en
                    het gebruik van verdovende middelen, zijn gerechtvaardigd door het algemeen
                    belang in een democratische samenleving. LJN-nr. AP8138, JG 04.0132 m. nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Het onderverhuren van een kamer in een woning t.b.v. een hennepkwekerij leidt
                    tot ontbinding huurcontract. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, rolnr. C0201144/HE,
                    JG 04.0151, m. nt. A.L. Esveld.</al><al>Aankondiging bevel tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet is geen
                    besluit in de zin van de Awb. Rechtbank Groningen, AWB 03/90 GEMWT VEN, JG.
                    03.0064 m.nt. T. van der Reijt.</al><al>Ook een gedoogbeschikking i.p.v. een gedoogverklaring is geen besluit in de zin
                    van de Awb. LJN-nr. AR2178, JG 04.0162 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Aan het ongegrond verklaren van een bezwaar tegen het schrappen van de lijst met
                    gedoogde coffeeshop komt een gemeente niet toe, de bezwaarmaker is immers
                    volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State niet-ontvankelijk. LJN-nr.
                    AR7067, JG 05.0034 m.nt. A.L. Esveld. Een Kapvergunning voor de exploitatie van
                    een horecabedrijf is persoonsgebonden. Dat tevens een gedoogverklaring voor de
                    exploitatie van een coffeeshop is verstrekt doet hier niet aan af. Na overlijden
                    vervalt de vergunning en gedoogverklaring. LJN-nr. AS5523, JG 05.0050 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Voor de exploitatie van een internetcafé is een exploitatievergunning van de
                    burgemeester nodig indien het ook horeca-activiteiten ontplooit. Pres. Rb.
                    Rotterdam 2 augustus 2000, nr. VGMWET 00/1559-ZWI).</al><tussenkop>Jurisprudentie Drank- en Horecawet</tussenkop><al>Sommige horecaondernemers ondervinden economische last van de
                    horeca-activiteiten van verenigingen, buurthuizen e.d. (zogenoemde
                    paracommerciële inrichtingen). Gemeenten moeten op grond van de Drank- en
                    Horecawet (DHW) voorwaarden stellen om e.e.a. in goede banen te leiden. Op 1
                    januari 2000 is de Stichting Bevordering Eerlijke Mededinging
                    horeca-activiteiten (afgekort: BEM!) gestart met het beteugelen van oneerlijke
                    mededinging vanwege paracommerciële inrichtingen door gemeenten en
                    paracommerciële inrichtingen er op te wijzen dat gemeenten voorwaarden moeten
                    stellen en dat de inrichtingen deze moeten naleven. De horecaondernemers deden
                    dat liever niet zelf omdat zij repercussies vreesden.</al><al>De BEM! was speciaal voor (het uitdelen van waarschuwingen en) het voeren van
                    processen opgericht omdat de ABRS bepaalde (onder meer in de uitspraak van 19
                    februari 1996, R03.93.2171, AB 1996, 241) dat de landelijke vereniging
                    Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf “Horeca
                    Nederland” te Woerden niet ontvankelijk was. De Afdeling oordeelde toen dat met
                    artikel 3a (thans artikel 4) van de (DHW) is beoogd het zogenoemd
                    paracommercialisme te beteugelen ten faveure van reguliere horecaondernemers -
                    een belang dat zich naar zijn aard in beginsel leent voor een collectieve
                    behartiging ervan op plaatselijk of regionaal niveau. De Afdeling achtte dit
                    belang niet zodanig van aard dat Horeca Nederland zich dit als landelijk
                    opererende vereniging - binnen het kader van haar zeer algemene doel - kan
                    aantrekken. De Afdeling constateert nu dat het doel van de BEM! op zichzelf
                    voldoende specifiek is maar dat de belangen die de BEM! wil behartigen toch
                    plaatselijke of hooguit regionale kwesties betreffen. Dat kunnen de
                    horecaondernemers volgens de Afdeling zelf wel doen, ook al vrezen zij eventuele
                    repercussies. De BEM! is volgens de Afdeling daarom terecht niet-ontvankelijk
                    verklaard.</al><al>Terzijde wordt vermeld dat de minister van VWS in de Alcoholnota (TK 2000-2001,
                    27565, nr. 2) aangeeft voornemens te zijn de bepalingen over het
                    paracommercialisme te schrappen vanwege het feit dat bepalingen die zijn
                    ingegeven uit economische overwegingen niet in een volksgezondheidwet als de DHW
                    thuis horen. ABRS 22-05-2002, 200103867/1, LJN-nr. AE2813, JG 02.0129 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Gevolmachtigde als leidinggevende horecabedrijf geaccepteerd, in tegenstelling
                    tot huidige praktijk. LJN-nr. AG1744, JG 04.0078 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Internetcomputers trekken een zelfstandige stroom bezoekers, strijd met de
                    Drank- en Horecawet. LJN-nr.AO 8501, JG 04.0103 m.nt. A.L. Esveld: Gst 2004, 188
                    m. nt. J.L.A. Kessen.</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip "horecagelegenheid” sluit zoveel mogelijk aan bij
                    de Drank- en Horecawet. In de praktijk is gebleken dat in coffeeshops soms
                    uitsluitend cannabisproducten tegen vergoeding worden verstrekt (en genuttigde
                    dranken om niet). Om te voorkomen dat een coffeeshop in dat geval niet zou
                    worden bestreken door de begripsomschrijving "horecagelegenheid", is in het
                    eerste lid de aanduiding "rookwaren" toegevoegd.</al><al>De exploitatievergunning wordt verleend aan de houder. Het moge duidelijk zijn
                    dat hiermee de ondernemer wordt bedoeld. Een onbeperkt gevolmachtigde kan
                    eveneens als houder worden aangemerkt. Een beperkt gevolmachtigde wordt niet als
                    houder beschouwd. Het kan voorkomen dat meerdere personen als houder aangemerkt
                    moeten worden. Dit zou zich kunnen voordoen bij een vennootschap onder firma
                    (VOF). Voor alle duidelijkheid wordt erop gewezen dat een VOF geen rechtspersoon
                    is. De houder is in beginsel altijd verantwoordelijk voor de gang van zaken in
                    en om de horecagelegenheid. </al><al>De omschrijving van het begrip ‘leidinggevende’ sluit zoveel mogelijk aan bij
                    die van het begrip ‘leidinggevende’ in artikel 1 van de Drank- en Horecawet. Het
                    algemene begrip leidinggevende omvat de ondernemer, de beheerder en de
                    bedrijfsleider. De ondernemer is beschreven onder a, de bedrijfsleider en
                    beheerder onder b. Met het aanmerken van de ondernemer als leidinggevende staat
                    buiten twijfel dat deze verantwoordelijk is voor de gang van zaken. Voor alle
                    leidinggevenden gelden de eisen van artikel 9/10 lid 1. Bij een besloten
                    vennootschap zullen alle bestuurders aan de eisen moeten voldoen, aangezien bij
                    hen de algemene leiding van de onderneming berust. In geval de besloten
                    vennootschap een onderdeel is van een holdingstructuur gelden de gestelde eisen
                    op het niveau van de werkmaatschappij, dus niet voor de bestuurders van de
                    ‘holding’. Bij een vennootschap onder firma gelden de eisen voor alle vennoten. </al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Een café is geen discotheek! LJN-nr. AO9751, JG 04.0133 m.nt. A.L. Esveld.</al><tussenkop>Artikel 2 Exploitatievergunning horecagelegenheid</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het eerste lid introduceert de vergunningplicht. Artikel 174 van de Gemeentewet
                    bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor
                    zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande
                    gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester verleend.</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet
                    discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. De richtlijn is van toepassing
                    op horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten van
                    een dienst aan de klant. Voor wat betreft de noodzakelijkheid moet een gemeente
                    afwegen of er dwingende redenen van algemeen belang zijn die een
                    vergunningstelsel rechtvaardigen. Het gaat hier om de ‘rule of reason’, omdat er
                    bijna altijd sprake is van vestiging van een horecaondernemer. Op vestiging van
                    buitenlandse dienstverleners is artikel 9 van toepassing. Nadere uitleg hiervan
                    en van het begrip proportionaliteit vindt u onder het algemeen deel van deze
                    afdeling.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Om een aanvraag om vergunning te kunnen beoordelen is het van belang dat de
                    aanvrager de nodige gegevens en bescheiden verschaft. Zie hiertoe ook de
                    artikelen 4:2 tot en met 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Met het oog
                    hierop is in dit artikel bepaald dat de aanvrager gebruik dient te maken van een
                    aanvraagformulier. Indien niet of niet volledig wordt voldaan aan het bepaalde
                    in dit artikel (alsmede het BIBOB vragenformulier, zie beleidsregel BIBOB), kan
                    de burgemeester, nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de omissie te
                    verhelpen, besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten op grond van
                    artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Voor een aantal categorieën van kleinschalige openbare inrichtingen waar geen
                    alcohol wordt geschonken, en waar de openbare orde evident niet in het geding
                    is, is in de visie van de VNG geen vergunning nodig. Te denken valt aan
                    tearooms, een ontbijthoekje bij de bakker, bedrijfskantines en -restaurants etc.
                    Vooralsnog is gekozen om winkels in de zin van de Winkeltijdenwet, die als
                    nevenactiviteit een horecagedeelte hebben, zorginstellingen, musea en
                    bedrijfskantines en – restaurants uit te sluiten. De gemeente kan – indien
                    gewenst - het toepassingsgebied verder beperken door in het artikel eisen te
                    stellen aan de afmetingen van de ruimte. Bijvoorbeeld deze mag maximaal 20
                    vierkante meter bedragen en niet meer dan 20 % van het vloeroppervlak. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Niet gebleken is dat dit in het algemeen geen haalbare termijn is. Het hanteren
                    van deze termijn betekent overigens niet dat afhandeling van vergunningaanvragen
                    altijd acht weken in beslag neemt. Veelal zal de afhandeling sneller
                    plaatsvinden. De beslistermijn begint te lopen op de dag na die waarop de
                    aanvraag is ontvangen. Deze termijn wordt opgeschort indien de aanvrager wordt
                    verzocht zijn aanvraag aan te vullen (artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht). </al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>Dit artikel valt onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn. Hier is
                    er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de lex silencio
                    niet van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een vergunning voor met name
                    horeca-inrichtingen. Het zou met name vanwege aspecten van openbare orde en
                    milieu onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde
                    vergunning kunnen openen.</al><tussenkop>Artikel 3 Exploiteren van terrassen</tussenkop><al>Het terras is het visitekaartje voor de horecaondernemer. Hij neemt op dit punt
                    dan ook zijn verantwoordelijkheid. De burgemeester kan nadere regels stellen aan
                    het exploiteren, de inrichting en de uiterlijke kenmerken van het terras. Dit
                    doet hij in het terrassenbeleid. </al><al>In afwijking van het bepaalde in dit artikel beslist de burgemeester in geval
                    van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het
                    horecagelegenheid behorende terrassen, voor zover deze zich op de weg bevinden,
                    over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. </al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor het publiek openstaande gebouwen. De acceptatie van de melding wordt
                    daarom door de burgemeester verricht.</al><tussenkop>Artikel 4 Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>In dit artikel is uit oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke
                    twijfel de bevoegdheid om voorschriften en beperkingen aan een vergunning of
                    ontheffing te verbinden uitdrukkelijk vastgelegd. Voorschriften of beperkingen
                    mogen alleen aan de vergunning of ontheffing verbonden worden of in een
                    zelfstandig besluit opgelegd worden indien deze strekken ter bescherming van de
                    belangen die beoogd worden in de Drank- en Horecaverordening. </al><al>Niet nakoming van voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of
                    ontheffing verbonden zijn of in een zelfstandig besluit zijn opgelegd, kan grond
                    opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor een
                    andere toepassing van handhaving. In artikel 10, lid 2 is de
                    intrekkingbevoegdheid voor de exploitatievergunning vastgelegd. Op grond van
                    artikel 23 wordt het overtreden van een voorschrift of beperking met straf
                    bedreigd. </al><tussenkop>Artikel 5 Tenaamstelling</tussenkop><al>Op basis van dit artikel is de vergunning persoonsgebonden. De term
                    persoonsgebonden kan duidelijk op de natuurlijke persoon, maar ook op een
                    rechtspersoon. De vergunning wordt immers verleend en op naam gezet van de
                    houder en uit de definitie van artikel 1, lid 3 volgt dat de houder een
                    natuurlijke persoon of rechtspersoon kan zijn. Dat de vergunning
                    persoonsgebonden is, is niet zonder reden. De houder speelt een belangrijke rol
                    in de wijze van exploitatie en bedrijfsvoering en dus ook in de wijze waarop
                    deze exploitatie de openbare orde, veiligheid, gezondheid, zedelijkheid of het
                    woon- en leefklimaat beïnvloedt. Omdat de vergunning persoonsgebonden is, is
                    deze niet overdraagbaar. </al><al>Bij lid 5 is aangesloten bij de Drank- en Horecawet. Zodoende bestaat ook de
                    exploitatievergunning uit twee delen: het algemene deel en het aanhangsel.
                    Hiervoor is gekozen om de vergunningenprocedure te vergemakkelijken. </al><tussenkop>Artikel 6 Vervallen exploitatievergunning</tussenkop><tussenkop>Onder a</tussenkop><al>Dit hangt samen met de bepaling dat een exploitatievergunning niet overdraagbaar
                    is en voorkomt dat bijvoorbeeld bij overdracht van een horecabedrijf zonder dat
                    hiervoor vergunning is verleend een zware intrekkingprocedure moet worden
                    gevolgd. Het feit dat de exploitatie is beëindigd of overgedragen kan onder
                    andere blijken uit informatie van omwonenden, uit gegevens van de Kamer van
                    Koophandel, het feit dat de op de vergunning vermelde leidinggevenden niet
                    aanwezig zijn, en dergelijke. De exploitatievergunning wordt geacht te zijn
                    vervallen bij een gedeeltelijke overdracht van het horecabedrijf indien zich een
                    wijziging heeft voorgedaan van één of meer ondernemers/vennoten van een VOF. De
                    ondernemingsvorm Vennootschap onder Firma geldt als een natuurlijk persoon.
                    Indien een VOF bestaande uit twee natuurlijke personen van samenstelling
                    verandert, zijn de nieuwe personen niet rechthebbende van de verleende omgeving.
                    Ook is ervoor gekozen om in geval van overdracht van aandelen de vergunning te
                    laten vervallen, ook al blijft in dat geval de rechtspersoon, dus de houder van
                    de vergunning dezelfde. Dit heeft te maken met het feit dat er altijd een
                    natuurlijke persoon achter een BV zit. Het is uiteindelijk de natuurlijke
                    persoon en niet de rechtspersoon die een belangrijke rol in de wijze van
                    exploitatie en bedrijfsvoering speelt en dus ook in de wijze waarop deze
                    exploitatie de openbare orde, veiligheid, gezondheid, zedelijkheid of het woon-
                    en leefklimaat beïnvloedt.</al><tussenkop>Onder b en c</tussenkop><al>Bij beide onderdelen is aangesloten bij de Drank- en Horecawet. Met deze
                    onderdelen wordt de geldigheid van vergunningen waarvan geen gebruik wordt
                    gemaakt beperkt. Onderdeel b ziet op vergunningen waarvan na de verlening in het
                    geheel geen gebruik is gemaakt. Onderdeel c. ziet op vergunningen waarvan na
                    verlening wel gebruik is gemaakt, maar dit gebruik op enig moment wordt
                    gestaakt. </al><tussenkop>Artikel 7 Melding verandering horecagelegenheid</tussenkop><al>Met dit artikel is aansluiting gezocht met de Drank- en Horecawet alsmede met de
                    ervaringen in de praktijk. Het komt nog weleens voor dat de aard van het
                    horecabedrijf wordt gewijzigd, zonder dat het bestuursorgaan hiervan op de
                    hoogte is. Bijvoorbeeld het veranderen van een restaurant in een café. Dit
                    betekent een verzwaring van de categorie. In dat geval is het noodzakelijk de
                    wenselijkheid hiervan te toetsen. Met dit artikel wordt de ondernemer verplicht
                    een dergelijke wijziging te melden bij de burgemeester. Laat hij dit na, dan
                    vormt dit een grond voor intrekking (artikel 10 onder d). </al><tussenkop>Artikel 8 Melden leidinggevende</tussenkop><al>Met dit artikel wordt aangesloten op een nieuw element in de Drank- en
                    Horecawet. Het betreft een versoepeling op het punt van vermelding van nieuwe
                    leidinggevenden, namelijk op een aanhangsel bij de vergunning. Op deze manier
                    hoeft niet bij iedere wijzigign van een leidinggevende een nieuwe vergunning
                    afgegeven te worden. Een logisch complement hiervan is dat vergunninghouders een
                    nieuwe leidinggevende doorgeven aan de burgemeester. Een leidinggevende hoeft
                    inschrijving op het aanhangsel niet af te wachten, hij/zij kan na melding bij
                    het bevoegd gezag aan de slag, zodra de ontvangstbevestiging is ontvangen. De
                    burgemeester is verplicht deze onverwijld te sturen. De mogelijkheid te
                    onderzoeken of een aangemelde leidinggevende voldoet aan de eisen gesteld in
                    artikel 9/10 blijft bestaan. </al><al>De melding kan schriftelijk door middel van een formulier of door middel van een
                    elektronische informatiedrager, vastgesteld door de burgemeester, gescheiden. De
                    burgemeester bevestigt onverwijld de ontvangst, hetzij schriftelijk, hetzij
                    elektronisch. Het staat de burgemeester vrij uit deze varianten de vorm te
                    kiezen die hij wil. </al><tussenkop>Artikel 9 Weigeringsgronden</tussenkop><al>De weigeringsgronden zijn aangescherpt om duidelijkheid te scheppen voor de
                    medewerkers vergunningen. Daarnaast zijn de weigerings- en intrekkingsgronden op
                    elkaar afgestemd. </al><al>Als het bestemmingsplan vestiging van een horecagelegenheid ter plaatse niet
                    toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te
                    verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met
                    het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een
                    dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar
                    brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende
                    bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing
                    van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet
                    of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><al>De exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant
                    speelt immers een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de
                    wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde
                    beïnvloedt. Om die reden kan het raadzaam zijn om de verplichting op te nemen
                    voor de vergunningaanvrager om een recente verklaring omtrent gedrag voor de
                    leidinggevende te overleggen. Leidinggevende kan de aanvrager zelf zijn, maar
                    ook iemand die bij hem in dienst is. </al><al>Een verklaring omtrent het gedrag (VOG) wordt aangevraagd bij de gemeente waar
                    men staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Het Centraal
                    Orgaan VOG geeft de verklaring namens de Minister van Justitie af.</al><al>In lid 1 zijn een aantal vereisten opgenomen waaraan de leidinggevenden dienen
                    te voldoen. Deze eisen zijn opgenomen omdat de persoon van de leidinggevende van
                    belang is voor de wijze van exploitatie van het horecabedrijf. Zo zal een
                    leidinggevende het persoon alsmede de bezoekers moeten kunnen aanspreken op hun
                    gedrag. Hierbij zal het eigen gedrag van de leidinggevende een grote rol spelen.
                    Met de vereisten wordt aansluiting gezocht bij de bestaande jurisprudentie en
                    het Besluit eisen zedelijk gedrag, beiden gebaseerd op de Drank- en Horecawet. </al><al>Indien toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden van de Wet BIBOB, zal de
                    gemeente eerst zelf al het mogelijke moeten doen om de integriteit en
                    achtergrond van de vergunningaanvrager te onderzoeken. Een belangrijk hulpmiddel
                    kan daarbij de verklaring omtrent het gedrag zijn.</al><tussenkop>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</tussenkop><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hier is bepaald dat het om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat.
                    Het begrip openbare orde moet wel binnen de kaders van de dienstenrichtlijn
                    worden geïnterpreteerd. Met andere woorden: de interpretatie mag het kader van
                    de ‘rule of reason’ niet te buiten gaan.</al><al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecagelegenheid
                    zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in
                    welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate
                    de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen
                    aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden, staat
                    omschreven in het tweede lid.</al><al>De weigeringsgrond woon- en leefmilieu valt onder de ‘rule of reason’ en mag
                    daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de
                    Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd.</al><al>Krachtens artikel 4 van deze verordening kunnen voorschriften worden verbonden
                    aan de exploitatievergunning. Deze kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de
                    onderwerpen als hier genoemd, indien daarmee wordt beoogd de openbare orde of de
                    woon- en leefomgeving te beschermen. </al><tussenkop>Maximumstelsel</tussenkop><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden
                    beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als door een veelheid van
                    horecagelegenheden in de straat of de wijk de openbare orde of het woon- en
                    leefmilieu in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of
                    aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake
                    is.</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                    artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                    objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn. </al><al>Het beleid kan worden neergelegd in een horecanota of een vergelijkbaar
                    beleidsstuk, waarin gemotiveerd het maximum aantal te verlenen vergunningen is
                    vermeld, of waarin horecaconcentratie of horecastiltegebieden zijn aangewezen.
                    Uiteraard zal dat beleid moeten overeenstemmen met het voor het gebied van
                    kracht of in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Een maximumstelsel kan ook in
                    het bestemmingsplan zelf worden neergelegd.</al><al>In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen op een aanvraag om een
                    vergunning als daarmee het maximum wordt overschreden. Daarbij zal de
                    burgemeester steeds moeten nagaan, of bijzondere omstandigheden nopen tot het
                    maken van een uitzondering op het beleid: iedere vergunningaanvraag moet immers
                    zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen worden beoordeeld. </al><tussenkop>Artikel 10 Intrekkings- en of wijzigingsgronden</tussenkop><al>De meeste intrekkinggronden spreken voor zich en komen tegemoet aan de eisen van
                    de praktijk. </al><al>Algemene achtergrond is de behoefte om de leidinggevenden van horecagelegenheden
                    meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun verantwoordelijkheid.
                    Behalve dat zij niet van slecht levensgedrag mogen zijn, dienen zij ook te
                    beschikken over het nodige ‘gezag’ en verantwoordelijkheid om de orde in het
                    bedrijf te handhaven. De intrekkinggronden genoemd onder het eerste lid zijn
                    imperatief. De in het tweede lid genoemde intrekkinggronden laten een
                    beoordelingsmarge. </al><tussenkop>Lid 1 onder c</tussenkop><al>De leidinggevende is van groot belang voor het reilen en zeilen van de
                    horecagelegenheid. Dit blijkt ook uit eerdere toelichting. Het spreekt dan ook
                    voor zich dat een intrekkinggrond als deze niet kan ontbreken. Afwezigheid van
                    in de vergunning vermelde leidinggevenden kan daarnaast op schijnbeheer of
                    overname duiden. Dit zijn ongewenste zaken waartegen bestuursrechtelijk
                    maatregelen genomen moeten kunnen worden. </al><tussenkop>Lid 2 onder d</tussenkop><al>Met dit lid wordt aangesloten bij het bepaalde in de Drank- en Horecawet die
                    eenzelfde intrekkinggrond kent. </al><tussenkop>Artikel 11 Sluitingstijden</tussenkop><tussenkop>Eerste, tweede en derde lid</tussenkop><al>Artikel 11 voorziet in een sluitingsregeling. Daarin is geen onderscheid gemaakt
                    tussen de sluitingstijden op werkdagen en de sluitingstijden gedurende het
                    weekeinde. Wel is onderscheid gemaakt tussen reguliere horecagelegenheden en
                    paracommerciële horecagelegenheden. </al><al>Grondslag voor de in de Drank- en horecaverordening opgenomen
                    sluitingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte
                    sluitingstijden voor horecagelegenheden vaststellen in het belang van de
                    openbare orde. Deze bevoegdheid houdt ook in dat een afwijkende sluitingsplicht
                    kan worden vastgesteld voor de zondag. Volgens HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15,
                    belet dit artikel de raad niet om voor de zondag een afwijkende regeling te
                    treffen voor de sluitingstijden van cafés e.d. mits de grond voor de afwijking
                    van de voor de andere dagen geldende regeling niet gelegen is in het bijzondere
                    karakter van de zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de Zondagswet naar haar
                    strekking niet de gemeentelijke wetgever te beperken in zijn bevoegdheid om ter
                    afwering van verstoring van de openbare orde voorzieningen te treffen.</al><al>De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de
                    eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir
                    gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting
                    bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten,
                    clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</al><al>Het besloten karakter van een horecagelegenheid kan de veronderstelling wekken
                    dat de in de Drank- en horecaverordening opgenomen sluitingstijden niet van
                    toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie kan een
                    gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk karakter van
                    openbaarheid missen. Dit kan echter niet worden gezegd van activiteiten die een
                    weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij besloten
                    horecagelegenheden. De sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het
                    bedrijf, maar op de (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving:
                    bijvoorbeeld in de vorm van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en
                    afrijden van auto's, het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid
                    e.d.).</al><al>Sommige gemeenten hebben, bij wijze van of na een experiment, de verplichte
                    sluitingsuren uit de APV geschrapt. Argument daarvoor is meestal, dat daardoor
                    onder meer de verstoring van de openbare orde (nachtrust) aanzienlijk kan worden
                    beperkt: er is sprake van minder geluidsoverlast doordat cafébezoekers niet
                    langer tegelijk maar geleidelijk aan huiswaarts keren en de politie is beter in
                    staat voldoende toezicht uit te oefenen. Zo’n maatregel zal meer vruchten
                    afwerpen naarmate zij tevens van kracht is in gemeenten in de directe omgeving:
                    anders bestaat immers het gevaar dat de liberalere openingstijden een
                    aantrekkingskracht uitoefenen op horecabezoekers uit aangrenzende gemeenten, en
                    dat de kans op verstoring van de openbare orde wordt vergroot.</al><tussenkop>Uitvoering</tussenkop><al>Het onderscheid tussen regelgeving en uitvoering heeft in het kader van de
                    sluitingsuren van inrichtingen aanleiding gegeven tot veel jurisprudentie van de
                    Afdeling rechtspraak van de Raad van State. In de uitspraak van 2 september
                    1983, AB 1984, 245 m.nt. JHvdV (Oploo, Sint Anthonis en Ledeacker) stond de
                    vraag centraal of de burgemeester bevoegd was een permanente ontheffing te
                    verlenen van het verbod uit de APV. De Afdeling heeft over de
                    bevoegdheidsafbakening tussen de raad en burgemeester aangegeven dat de
                    gemeenteraad in het APV artikel in het geheel geen grenzen stelt aan de
                    ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester. Noch uit de tekst van het APV
                    artikel, noch anderszins, blijkt dat de ontheffing bijvoorbeeld slechts in
                    bijzondere omstandigheden of in incidentele gevallen door de burgemeester mag
                    worden verleend.</al><al>De visie van verweerder dat hij zich op het terrein van de gemeentelijke
                    wetgever zou bewegen, zou naar het oordeel van de Afdeling slechts opgaan indien
                    hij aan alle inrichtingen in de gemeente onbeperkt ontheffing van het in het
                    desbetreffende APV-artikel vervatte verbod zou verlenen. In dat geval zou
                    verweerder immers de door de gemeenteraad vastgestelde sluitingsuren als vermeld
                    in artikel 56 (2.3.1.4), eerste lid, APV in feite ter zijde stellen. De Afdeling
                    kan daarom niet inzien waarom de burgemeester de bevoegdheid zou missen het
                    verzoek om ontheffing in te willigen.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>In afwijking van de in dit artikel genoemde sluitingstijden, kan de burgemeester
                    andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke horecagelegenheid. Dat
                    kan neerkomen op een verruiming van de openingstijden, of op een beperking. Het
                    vierde lid geeft de burgemeester de bevoegdheid dat te regelen middels een
                    ontheffing. </al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>Een horecagelegenheid als bedoeld in artikel 1 kan vergunningplichtig zijn
                    ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of onder de werking van het
                    Activiteitenbesluit vallen. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning
                    kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden
                    gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting.</al><al>De sluitingsbepalingen van de Drank- en horecaverordening gelden derhalve niet
                    voor zover de op de Wm gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Wat
                    betekent dit voor de reikwijdte van de Drank- en horecaverordening bepalingen?
                    De Wm beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of beperking van
                    alle nadelige gevolgen van het milieu door het in werking zijn van krachtens die
                    wet aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad is niet bevoegd die regeling bij
                    verordening aan te vullen, indien daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te
                    beschermen.</al><al>De raad kan dus niet aanvullend via de Drank- en horecaverordening gevaar,
                    schade of hinder of andere belangen die onder het begrip "bescherming van het
                    milieu" vallen, tegengaan die wordt veroorzaakt door een inrichting die
                    vergunningplichtig is ingevolge de Wm.</al><tussenkop>Negende lid</tussenkop><al>Dit artikel valt onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn. Hier is
                    er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de lex silencio
                    niet van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een ontheffing voor met name
                    horeca-inrichtingen. Het zou met name vanwege aspecten van openbare orde en
                    milieu onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde
                    ontheffing langer bijvoorbeeld langer kunnen open blijven.</al><tussenkop>Artikel 12 Afwijking sluitingstijd</tussenkop><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen. In
                    afwijking van de in artikel 11 genoemde sluitingstijden, kan de burgemeester
                    tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke
                    horecagelegenheid. Dat kan neerkomen op een verruiming van de openingstijden, of
                    op een beperking. </al><al>Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het
                    belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in bijzondere
                    omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene
                    bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in artikel 11, die een
                    individueel karakter heeft zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot
                    meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de
                    bevoegdheid zich - in tegenstelling tot artikel 11, waarbij het om een
                    permanente afwijking kan gaan - tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende
                    sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.</al><tussenkop>Artikel 13 Tijdelijke sluiting</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk te sluiten.</al><al>Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het
                    belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in bijzondere
                    omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene
                    bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in artikel 11, die een
                    individueel karakter heeft zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot
                    meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de
                    bevoegdheid zich - in tegenstelling tot artikel 11, waarbij het om een
                    permanente afwijking kan gaan - tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende
                    sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet "Damocles" (artikel 13b van de
                    Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat
                    gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid
                    behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt
                    het raadzaam door middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te
                    stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor
                    artikel 13b Opiumwet is bedoeld. Voor meer informatie zie de uitgave van het
                    Steun- en informatiepunt drugs en veiligheid (SIDV) onder de titel "De wet
                    "Damocles", bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet" (VNG-uitgeverij,
                    Den Haag 1999).</al><al>Zie voor meer informatie en jurisprudentie ook de website van het SIDV
                    www.sidv.nl.</al><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348).
                    Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een
                    pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a
                    Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere
                    persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de
                    verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig
                    achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot
                    onteigening.</al><al>In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet
                    en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers.
                    Conform artikel 3:16 BW. Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet
                    voor de sluitingen op grond van de APV.</al><tussenkop>Artikel 14 Aanwezigheid leidinggevende</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen omdat de leidinggevende een belangrijke rol speelt in
                    de exploitatie en de wijze waarop de exploitatie de openbare orde, veiligheid,
                    gezondheid, zedelijkheid of het woon- en leefklimaat beïnvloed. Leidinggevenden
                    worden immers geacht te beschikken over het nodige ‘gezag’ en
                    verantwoordelijkheid om de orde in het bedrijf te handhaven. Het feit dat de
                    houder van de vergunning verantwoordelijk is voor de gang van zaken in het
                    horecabedrijf wordt door deze toezichtverplichting, die overigens geldt voor
                    alle leidinggevenden, nog eens onderstreept. Daarnaast kan door opname van het
                    in dit artikel gestelde verbod effectiever worden opgetreden tegen schijnbeheer. </al><tussenkop>Artikel 15 Aanwezigheid in gesloten horecagelegenheid</tussenkop><al>Sluitingsbepalingen richten zich tot exploitant. Artikel 15 richt zich
                    daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met
                    goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de
                    inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 15. Als hij geen
                    toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat
                    vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk).</al><tussenkop>Artikel 16 Ordeverstoring</tussenkop><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecagelegenheden te verstoren,
                    dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al>Zwarte lijst</al><al>Als op individuele bezoekers gericht instrument ter handhaving van de openbare
                    orde in het algemeen en van de orde in inrichtingen in het bijzonder, heeft
                    enkele malen het verschijnsel "zwarte lijst" de publiciteit gehaald.</al><al>Al uit HR 02-06-1924,NJ 1924, p. 901, AB 1924, p. 410, blijkt dat een verbod om
                    personen in een tapperij te laten verblijven die zich aan alcoholhoudende drank
                    plegen te buiten te gaan, de openbare orde betreft.</al><al>In ARRS 19-06-1984, AB 1985, 215 komt aan de orde hoe het hanteren van de zwarte
                    lijst zich verhoudt tot de internationale verdragen en tot de huishouding van de
                    gemeente. Kort gezegd oordeelde de Afdeling dat, mede gezien de achtergrond van
                    het bestreden besluit en het feit dat het verbod slechts deels betrekking heeft
                    op het verblijf van appellant in het jongerencentrum waar deze als vrijwilliger
                    werkzaam was, het gehanteerde middel evenredig is te achten tot het daarmee
                    beoogde doel, te weten de bescherming van de openbare orde, en dat het genomen
                    besluit noodzakelijk kan worden geacht ter bescherming van dat belang.</al><al>Het instrument van de zwarte lijst wordt weinig toegepast. Indien gewenst, zou
                    in de APV de volgende bepaling kunnen worden opgenomen:</al><al>Het is de houder van een inrichting, als bedoeld in artikel 2:9, eerste lid,
                    verboden in die inrichting toe te laten of te laten verblijven niet tot zijn
                    gezin behorende personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van
                    alcoholhoudende drank plegen te maken en wier namen als zodanig schriftelijk
                    door de burgemeester aan die houder zijn opgegeven. </al><al>Het is aan een persoon wiens naam ingevolge het bepaalde in het eerste lid door
                    de burgemeester aan de houders van inrichtingen, als bedoeld in artikel 2:9,
                    eerste lid, is opgegeven, verboden zich in een dergelijke inrichting te bevinden
                    nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld. </al><al>Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode, die niet langer is
                    dan een jaar. </al><al>Volgens Ktr. Tilburg 22 maart 1989, NJ 1989,- 585, is een toegangsverbod van
                    onbepaalde duur strijdig met artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de
                    rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. </al><tussenkop>Artikel 17 Termijnen</tussenkop><al>De exploitatievergunning geldt voor onbepaalde tijd. Indien de gemeente
                    niettemin een tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of
                    tien jaar, dan is het alleen op gronden ontleend aan dwingende reden van
                    algemeen belang geoorloofd een termijn te stellen. Zie verder onder het algemeen
                    deel bij deze afdeling.</al><tussenkop>Afdeling 2 Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                    Drank- en Horecawet</tussenkop><tussenkop>Artikel 18 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel zijn begripsbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor
                    horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet. </al><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Per 1 januari 2013 zijn een aantal belangrijke wijzigingen in de Drank- en
                    Horecawet in werking getreden. Één van deze wijzigingen is de plicht voor
                    gemeenteraden om uiterlijk 1 januari 2014 een verordening vast te stellen waarin
                    de alcoholverstrekking door paracommerciële rechtspersonen wordt gereguleerd. Er
                    is in navolging van het Nederlands Instituut voor Alcoholbeleid (STAP) gekozen
                    voor een aparte Drank- en Horecaverordening, in tegenstelling tot het door de
                    VNG geadviseerde model waarbij de APV wordt aangepast. Daarbij is gekozen om
                    tegelijkertijd alle horecagerelateerde bepalingen uit de APV over te hevelen
                    naar de Drank- en Horecaverordening. De overwegingen die aan deze keuze ten
                    grondslag liggen zijn zowel praktisch als inhoudelijk. De grondslag voor de APV
                    ligt in de Gemeentewet, terwijl de nieuwe verordende bevoegdheden voortkomen uit
                    de Drank- en Horecawet. Dit betreffen medebewindbepalingen, gericht op
                    bescherming van de volksgezondheid en verantwoorde alcoholverstrekking. Daarbij
                    is het toezicht en het sanctieregime geregeld in de Drank- en Horecawet. Om
                    duidelijkheid te scheppen voor ondernemers en inwoners is besloten alle horeca
                    gerelateerde bepalingen uit de APV te halen en onder te brengen in de nieuwe
                    Drank- en Horecaverordening. Dit betekent dat de grondslag voor de Drank- en
                    Horecaverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016 zowel in de Gemeentewet als in de
                    Drank- en Horecawet ligt. </al><tussenkop>Artikel 19 Regulering paracommerciële rechtspersonen</tussenkop><al>De wetgever verplicht de gemeente om beperkingen te stellen aan de schenktijden
                    in paracommerciële inrichtingen. Hiermee bedoelt men enkel de tijden waarop
                    alcoholhoudende drank wordt geschonken. De motieven voor deze beperking liggen
                    hoofdzakelijk in het in artikel 4 DHW aangegeven voorkomen van oneerlijke
                    concurrentie. Bij het vaststellen van de schenktijden voor paracommerciële
                    rechtspersonen is gezocht naar een wenselijke balans tussen het beoogde doel, de
                    verwachte effecten ten aanzien van dit doel en de bijkomende gevolgen van deze
                    maatregel. De gekozen schenktijden vormen ene proportionele beperking van de
                    mogelijkheid om als inrichting concurrerend te zijn voor de reguliere horeca.
                    Hierbij is gekeken naar de tijden waarop bij de betrokken partijen de
                    hoofdactiviteiten plaatsvinden en de hieraan gekoppelde functie van de kantine.
                    Hierbij wordt het niet wenselijk geacht onderscheid te maken naar soort
                    paracommerciële inrichting. De meeste paracommerciële rechtspersonen beëindigen
                    de hoofdactiviteit voor 23.00 uur. Door de schenktijd te beperken tot 0.00 uur
                    blijft er voor de laatste recreanten of sporters nog ruimte om een laatste
                    drankje te nuttigen in de kantine. Naast vaste schenktijden is ervoor gekozen de
                    schenktijden direct te koppelen aan de hoofdactiviteit, waarbij de tijden lopen
                    van een uur voor tot twee uur na de activiteit die past binnen de statutaire
                    doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. Dit om het
                    karakter van een kantine, als gekoppelde functie met de hoofdactiviteit, te
                    waarborgen. Door het invoeren van een ontheffingsmogelijkheid krijgen
                    paracommerciële rechtspersonen de ruimte die ze nodig hebben om hun reguliere
                    activiteiten die door gaan tot 01.00 uur uit te kunnen voeren. </al><al>Lid 4 van dit artikel is gebaseerd op het uitgangspunt dat kantines bedoeld zijn
                    ter ondersteuning van de verenigingsactiviteiten. </al><al>In het Drank- en Horecabeleid gemeente Geldrop-Mierlo 2014-2018 zijn de regels
                    voor paracommerciële rechtspersonen verder uitgewerkt. </al><tussenkop>Artikel 20 Beperkingen voor horecabedrijven en
                    slijtersbedrijven</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen om de mogelijkheid te verbieden voor kroegen om
                    bijvoorbeeld om 06.00 uur ’s ochtends open te gaan voor uit Eindhoven
                    terugkerende uitgaansbezoekers om deze zo de gelegenheid te geven door te zakken
                    met alcoholische drank. </al><tussenkop>Niet ingevulde verordende bevoegdheden</tussenkop><al>Naast de bovenstaande artikelen biedt de nieuwe Drank- en Horecawet nog
                    additionele mogelijkheden. Deze zijn bewust (nog) niet opgenomen in de
                    voorgestelde verordening. Dit op grond van de dereguleringsvisie van de
                    gemeente. </al><tussenkop>Afdeling 3 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 21 Verboden drankgebruik</tussenkop><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><tussenkop>Omvang gebied</tussenkop><al>Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld
                    gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig
                    overlast veroorzaakt wordt.</al><al>Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet
                    namelijk wel een concrete aanleiding zijn waarom een bepaald gebied aangewezen
                    wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor
                    aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast. Als dat
                    geldt voor het hele grondgebied van de gemeente is het stadium van hinderlijk
                    drankgebruik allang gepasseerd, en heeft de burgemeester zijn noodbevoegdheden
                    uit de Gemeentewet nodig. Daarnaast zou het college bij een algemeen verbod elk
                    alcoholgebruik op de openbare weg, ook van goedwillende personen, verbieden.
                    Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in
                    strijd met artikel 3:4, van de Awb. Dit geldt ook voor een verbod om
                    onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben, waar met enige regelmaat
                    naar wordt gevraagd. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de
                    gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes
                    alcoholhoudende drank bij zich te dragen.</al><al>Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de
                    richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal
                    plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn,
                    omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke
                    karakter mede bepalend voor het verschijnsel zijn. Als er toch verplaatsing
                    optreedt, kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een
                    aanwijzingsbesluit nemen.</al><tussenkop>Verstoring openbare orde</tussenkop><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2
                    en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven. Niet naleving
                    daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van
                    Strafrecht.</al><al>Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal
                    optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van
                    Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de
                    praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel,
                    waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de "voorfase" - dus het bier
                    drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</al><tussenkop>Afdeling 4 Straf- overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Gelet op het belang van effectieve handhaving van de APV-voorschriften en de
                    vraag van gemeenten naar meer informatie op dit punt (zoals bleek uit de enquête
                    van SGBO in 2001), is hier een algemene introductie opgenomen over bestuurlijk
                    toezicht, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving.</al><tussenkop>Handhaving algemeen</tussenkop><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door anderen van
                    rechtsregels te bevorderen. De belangrijkste redenen voor een goede handhaving
                    zijn in het kort de volgende.</al><al>Door een goede handhaving zal de overheid uiteindelijk in steeds grotere mate
                    het door haar beoogde doel bereiken. Door handhaving kan de achteruitgang van de
                    kwaliteit van de samenleving worden tegengegaan. De rechtszekerheid en de
                    gelijke behandeling van burgers dienen te worden gewaarborgd. Dit kan door een
                    goed handhavingsbeleid te voeren. De relatie van rechtszekerheid en
                    rechtsgelijkheid met handhaving wordt verder uitgediept. De geloofwaardigheid,
                    betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders zullen het ambtelijk en
                    maatschappelijk draagvlak vergroten.</al><al>Handhaving kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. Hoofdstuk 5
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van de aan het
                    bestuursorgaan toekomende dwangmiddelen en de regels die bij de toepassing van
                    de dwangmiddelen in acht genomen moeten worden. Hierna worden deze dwangmiddelen
                    en regels toegelicht. Ook is er een korte introductie tot de strafrechtelijke
                    handhaving opgenomen.</al><tussenkop>Strafrechtelijke handhaving</tussenkop><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                    genormeerd. In artikel 1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van toepassing
                    is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op de
                    tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het handelen van
                    strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek van
                    Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende materiële
                    normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene strafvordering
                    afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen, en het Wetboek van
                    Strafvordering, dat algemene regels van strafprocesrecht bevat, bevoegdheden in
                    het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden bepaalt.</al><al>Op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak te
                    zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van
                    hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van deze algemene politietaak, alsmede
                    op grond van de last die in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van
                    Strafvordering aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om strafbare
                    feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek doen. Een opsomming
                    van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt. Algemene opsporingsmethoden zijn
                    niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Er zijn wel bijzondere
                    opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn observatie, infiltratie, de
                    pseudo-koop of pseudo-dienstverlening, het stelselmatig inwinnen van informatie,
                    het onderzoek doen in een besloten plaats zonder toestemming van de
                    rechthebbende, het opnemen van vertrouwelijke communicatie, het onderzoek van
                    telecommunicatie en het stelselmatig volgen of waarnemen.</al><al>Opsporingsambtenaren kunnen, naast dat zij bevoegd zijn opsporingshandelingen te
                    verrichten, ook bevoegd zijn tot het uitoefenen van controlebevoegdheden die in
                    bijzondere wetten worden toegekend. Op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet
                    bijvoorbeeld kan een ambtenaar de bestuurder van een voertuig vorderen zijn
                    voertuig te doen stilhouden, terwijl het vijfde lid van het artikel bepaalt dat
                    de bestuurder op eerste vordering van de opsporingsambtenaar verplicht is
                    medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Als een bevoegde ambtenaar van
                    deze bevoegdheid gebruikmaakt en de ademtest wijst een te hoog alcoholpromillage
                    uit, dan is er een verdenking ontstaan en gaat controle over in opsporing.</al><al>In het bestuursrecht worden de sancties opgelegd door een bestuursorgaan. De
                    rechter speelt in het bestuursrecht pas een rol indien een belanghebbende, na
                    bezwaar of administratief beroep, beroep instelt bij de rechter. De rechter
                    speelt in het strafrecht een centrale rol. Sancties in het strafrecht worden
                    opgelegd door de rechter.</al><tussenkop>Bestuursdwang, dwangsom en gedogen</tussenkop><al>De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene
                    bevoegdheid toe tot het opleggen van een last onder bestuursdwang.</al><al>In artikel 5:21 van de Awb is de last onder bestuursdwang als volgt
                    gedefinieerd: de herstelsanctie, inhoudende:</al><al>een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en</al><al>de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten
                    uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.</al><al>Het feitelijk handelen omvat onder meer: het doen wegnemen, ontruimen, beletten,
                    in de vorige toestand herstellen of het treffen van maatregelen om verdere
                    nadelige gevolgen van een overtreding te voorkomen.</al><al>Het opleggen van een last onder bestuursdwang is dus zuiver gericht op het
                    feitelijk in overeenstemming brengen met de bestuursrechtelijke voorschriften
                    van een onwettige situatie. Dit heeft dus een herstellende werking en heet
                    daarom “reparatoire sanctie” of in termen van de Awb: een herstelsanctie (art
                    5:2, eerste lid onder b).</al><al>Onder overtreding van een voorschrift wordt verstaan: een gedraging die in
                    strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (art 5:1,
                    eerste lid Awb). Daaronder valt dus ook het niet nakomen van voorschriften die
                    aan een vergunning zijn verbonden, zoals bijvoorbeeld geluidsvoorschriften bij
                    een milieuvergunning.</al><al>In artikel 5:32 van de Awb is aangegeven dat een bestuursorgaan dat bevoegd is
                    om een last onder bestuursdwang op te leggen, ook bevoegd is om een dwangsom op
                    te leggen. Het opleggen van een dwangsom is een middel om de overtreder door het
                    opleggen van een last om te betalen, te bewegen de overtreding te beëindigen.
                    Bijna vanzelfsprekend hoort hier de vraag bij welk instrument het geschiktst is
                    om aan de geconstateerde overtreding een einde te maken. Deze vraag zal steeds
                    beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de omstandigheden en de
                    belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier niet over uit. Wel is in
                    artikel 5:6 van de Awb bepaald dat het bestuursorgaan geen herstelsanctie oplegt
                    zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van
                    kracht is.</al><al>Met andere woorden: een combinatie van bestuursdwang met last dwangsom is niet
                    mogelijk.</al><al>De eerste stap in een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding plaatsvindt
                    dan wel gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek moet worden gedaan.
                    Met behulp van de toezichtsbevoegdheden wordt de situatie onderzocht. Hiervan
                    zal de ambtenaar een rapport van bevindingen moeten opmaken. Het is belangrijk
                    dat een dergelijk rapport van foto’s of ander bewijsmateriaal wordt voorzien.
                    Bij de voorbereiding van een besluit moet immers worden voldaan aan het
                    zorgvuldigheidsbeginsel.</al><al>Het kan een keuze zijn van het bestuursorgaan om niet over te gaan tot
                    handhaven. De met de wet strijdige situatie wordt dan gedoogd. Is een
                    bestuursorgaan op de hoogte van de overtreding, maar wordt er geen actie nomen,
                    dan is er sprake van passief gedogen. Het toepassen van bestuursdwang is een
                    bevoegdheid, geen absolute verplichting. Een gemeente heeft dus de mogelijkheid
                    om het belang van de handhaving door middel van bestuursdwang af te wegen tegen
                    andere belangen, zoals de mogelijkheid om een andere bestuursrechtelijke sanctie
                    in te zetten of over te gaan tot het gedogen. Deze vrijheid is echter
                    betrekkelijk. Uit jurisprudentie blijkt dat er een beginselplicht tot handhaving
                    bestaat. Bijvoorbeeld: ABRS 22 maart 2001, BR2001/778, Dwangsom Camping
                    Nunspeet. Enkel in geval van bijzondere omstandigheden kan van handhavend
                    optreden worden afgezien. Het is goed dit te beseffen. Indien er namelijk een
                    veelheid aan regelgeving binnen een gemeente bestaat, en de gemeente wordt op
                    handhaving van die regels aangesproken, is zij in beginsel dus verplicht hier
                    gevolg aan te geven. De handhaafbaarheid speelt dus een grote rol bij het
                    opstellen van regels. Een duidelijk handhavingsbeleid is hierbij eveneens
                    onontbeerlijk. Zeker als er een handhavingsachterstand moet worden ingelopen, is
                    het van groot belang om in het handhavingsbeleid vast te leggen hoe de
                    prioriteiten zijn bepaald.</al><tussenkop>Bestuursrechtelijk instrumentarium gemeenten</tussenkop><al>Gemeenten hebben in het kader van toezicht en handhaving een aantal
                    bestuursrechtelijke instrumenten ter beschikking. Voor de bestuursrechtelijke
                    instrumenten waarover gemeenten beschikken geldt een scheiding in sancties die
                    erop zijn gericht de ontstane situatie in de gewenste situatie te herstellen
                    (herstelsancties) en sancties die primair zijn bedoeld om bestraffend op te
                    treden (punitieve sancties).</al><al>Bij de herstelsancties gaat het om de last onder bestuursdwang [is voor
                    gemeenten geregeld in artikel 125 Gemeentewet juncto artikel 5.21 Awb] en de
                    last onder dwangsom [artikel 5:31d Awb]. Deze sancties kunnen alleen worden
                    ingezet in situaties waarin herstel daadwerkelijk mogelijk is, zoals het
                    terugbrengen van een bouwwerk in de oorspronkelijke staat. Het intrekken van een
                    begunstigend besluit (vergunning, ontheffing, subsidie) is een voorbeeld van een
                    herstelsanctie die vaak gevoeld wordt als een punitieve sanctie. De meeste
                    normen uit de APV die verloederingsfeiten en onveiligheidsgevoelens van burgers
                    moeten tegengaan lenen zich niet voor handhaving via dwangsom of bestuursdwang.
                    Of het herstel is feitelijk niet mogelijk (denk aan geluidsoverlast), óf het
                    herstel zélf, dan wel de controle daarop, leveren problemen op (denk aan een
                    last onder dwangsom tot het niet meer voortijdig plaatsen van vuilniszakken op
                    straat, die wekelijks gecontroleerd zou moeten worden).</al><al>Op 14 januari 2009 zijn de Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte
                    (BBOOR) en het bijbehorende Besluit (AMvB) in werking getreden. De BBOOR is
                    neergelegd in de artikelen 154b en verder van de Gemeentewet. De wet geeft
                    gemeenten een zelfstandige bevoegdheid om op te treden tegen veel voorkomende en
                    overlastveroorzakende, lichte overtredingen van de APV en de
                    Afvalstoffenverordening (Asv). Het is een punitieve sanctie.</al><al>Het betreft een zelfstandige bevoegdheid waarbij de raad bij verordening kan
                    bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van
                    voorschriften uit de APV die strafbaar zijn gesteld en die niet bij AMvB zijn
                    uitgezonderd. Ook overtreding van voorschriften uit de Afvalstoffenverordening
                    die strafbaar zijn gesteld en die zijn genoemd in de AMVB kunnen bestuurlijk
                    worden beboet. Heeft een gemeente de bestuurlijke boete ingevoerd dan kan zij te
                    allen tijde besluiten de bestuurlijke boete weer af te schaffen. Een besluit van
                    de raad tot intrekking van het besluit tot invoering van de bestuurlijke boete
                    treedt echter niet eerder in werking dan na twaalf maanden na de bekendmaking
                    van het intrekkingsbesluit.</al><al>De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt uitgeoefend of
                    door het college, of door de burgemeester, namelijk indien de toepassing van dit
                    middel dient tot handhaving van regels die de burgemeester uitvoert.</al><al>Tegen de boeteoplegging kan conform de rechtsgang van de Awb bezwaar worden
                    gemaakt en beroep worden ingesteld. De boete dient door een bestuurlijk
                    toezichthouder in dienst van de gemeente te worden opgelegd, die tevens
                    buitengewoon opsporingsambtenaar is. Mandateren van deze bevoegdheid aan
                    particuliere toezichthouders is niet toegestaan. Veel overtredingen in het
                    publieke domein worden gepleegd door daders van wie de identiteit niet bekend
                    is. Om een voorziening te treffen voor deze zogenaamde “anonieme
                    daderproblematiek” wordt gekozen voor aansluiting bij het wetsvoorstel Wet op de
                    uitgebreide identificatieplicht: toezichthouders in het publiek domein krijgen
                    de bevoegdheid de identificatie van de betrokkene te vorderen. De eis dat de
                    toezichthouder tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, complementeert het
                    geheel aan bevoegdheden om de bestuurlijke boete te effectueren. Mocht niet
                    voldaan worden aan het verzoek van de toezichthouder om inzage te verlenen in
                    het identiteitsbewijs, dan kan de toezichthouder optreden als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar en hiervan een proces-verbaal opmaken.</al><al>De opbrengsten van de boeten komen toe aan de gemeenten. Gemeenten zijn zelf
                    verantwoordelijk voor de incasso en de registratie van opgelegde boeten (daarbij
                    kunnen ze eventueel externen, zoals het Centraal Justitieel Incassobureau,
                    inschakelen).</al><al>In gemeenten waar gekozen wordt voor invoering van de bestuurlijke boete krijgt
                    het gemeentebestuur voor wat betreft de aanpak van de kleine ergernissen het
                    primaat bij de handhaving in de publieke ruimte en neemt de rol van de politie
                    hierbij af. Daarbij zal de lijn zijn dat waar gekozen is voor bestuurlijke
                    beboeting, de politie niet meer stelselmatig aandacht besteedt aan kleine
                    ergernissen en het bestuur een 24-uurs beschikbaarheid van de bestuurlijke
                    toezichthouders waarborgt. De politie blijft wel bevoegd om, waar nodig,
                    strafrechtelijk op te treden tegen de overtreding van de APV-normen.</al><tussenkop>Strafrechtelijk instrumentarium gemeenten</tussenkop><al>Op 7 juli 2006 is de wet OM-afdoening van kracht geworden. Hiertoe zijn de
                    Wetboeken van Strafvordering en Strafrecht gewijzigd. Vanaf 2009 hebben
                    gemeenten gefaseerd de mogelijkheid gekregen OM strafbeschikkingen uit te
                    vaardigen.</al><al>Het gaat hierbij om zogeheten bestuurlijke strafbeschikkingen waarmee aan
                    personen die overtredingen begaan een geldboete kan worden opgelegd. De te
                    bestraffen overtredingen staan vermeld in de OM- beleidsregels voor de
                    (bestuurlijke)strafbeschikking overlast en zien op lichte (aan de APV en
                    afvalstoffenverordening gerelateerde) overlastfeiten Zij komen in feite overeen
                    met de te beboete feiten op grond van de wet bestuurlijke boete overlast.</al><al>Het ministerie van Justitie kent in overleg met het Openbaar Ministerie deze
                    strafbeschikkingsbevoegdheid toe. Artikel 257b van het WvSv is op dit moment de
                    grondslag voor de gemeentelijke bevoegdheid om (middels een boa) een
                    bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen. Van de bevoegdheid kan gebruik
                    worden gemaakt onder toezicht van en volgens richtlijnen vastgesteld door het
                    College van procureurs-generaal (OM).</al><al>Indien is gekozen voor het instrument van de bestuurlijke strafbeschikking biedt
                    artikel 576a Sv een grondslag om geldbedragen die uit de tenuitvoerlegging van
                    bestuurlijke strafbeschikkingen zijn verkregen deels ten goede te laten komen
                    aan het handhavende bestuursorgaan. De opbrengst van de strafbeschikking gaat
                    naar het Rijk, maar gemeenten ontvangen een vergoeding per uitgeschreven
                    proces-verbaal voor overlast. Op dit moment bedraagt deze vergoeding 40
                    euro.</al><al>Omdat op de strafbeschikking het strafrecht van toepassing is kan een
                    belanghebbende hiertegen geen bezwaar en beroepsprocedure bij de bstuursrechter
                    voeren. Men zal in verzet kunnen gaan bij het OM en uiteindelijk in bij hoger of
                    cassatie kunnen gaan.</al><tussenkop>Artikel 22 Het college als bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>Het begrip "horecagelegenheid" als omschreven in artikel 1 ziet ook op
                    inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de
                    Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde
                    bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met die van artikel 174
                    van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 23 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 380 en
                    van de tweede categorie € 3800. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter
                    die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens
                    van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op
                    grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de
                    verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 3 (artikel
                    23, tweede lid, WvSr).</al><al>De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van
                    verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De
                    gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te
                    maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan wel van
                    de tweede categorie op staat. Uiteraard kan in de verordening ook worden gekozen
                    voor een enkele strafmaat. De gemeente verliest dan echter de mogelijkheid om
                    scheiding aan te brengen tussen lichte en zwaardere overtredingen. Het is niet
                    mogelijk om van de indeling in boetecategorieën af te wijken, bijvoorbeeld door
                    een maximumboete van euro 1000,00 te stellen.</al><al>Gekozen is voor een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van
                    de tweede categorie met de mogelijkheid tot openbaarmaking van de rechterlijke
                    uitspraak.</al><tussenkop>Strafbaarheid rechtspersonen</tussenkop><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                    rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag
                    van de naasthogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie
                    geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr).
                    Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter
                    de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen (€ 4500
                    ).</al><tussenkop>Hechtenis?</tussenkop><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling/drank- en
                    horecaverordening bepaling hechtenis wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd
                    wordt de korte vrijheidsstraf nog meer terug te dringen “ten gunste” van de
                    geldboete. Toch is in het eerste lid van dit artikel de mogelijkheid van
                    hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat in
                    bepaalde (uitzonderings)gevallen (bijvoorbeeld in het geval van recidive) de
                    rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging van een
                    vrijheidsstraf.</al><al>Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel genoemde - in de eerste
                    geldboetecategorie ingedeelde - bepalingen, is echter geen hechtenis gesteld,
                    omdat het hier lichte overtredingen betreft.</al><tussenkop>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                    vergunningsvoorschriften</tussenkop><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van overige
                    krachtens deze verordening gegeven beperkingen en voorschriften bij een
                    vergunning of een ontheffing.</al><al>Formeel levert dit laatste een overtreding op. Hierin is de verplichting
                    opgenomen dat degene aan wie krachtens de Drank- en horecaverordening een
                    vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden
                    voorschriften en beperkingen na te komen.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Aanvullingen op de artikelen 424 (baldadigheid op of aan de weg) en art. 426
                    WvSr (belemmering van een ander in zijn vrijheid van beweging op de weg, zich
                    opdringen aan een ander, hinderlijk volgen) door gemeentelijke voorschriften
                    (artikel 2.4.7 tot en met 2.4.10) zijn toelaatbaar (HR 26 februari 1957, NJ
                    1957, 253 (APV Eindhoven).</al><al>Het staat de gemeentelijke wetgever vrij aanvullende regelen te geven tot het
                    tegengaan van hinderlijke geluiden. Artikel 4.1.7 APV is een toegestane
                    aanvulling op artikel 431 WvSr (rumoer of burengerucht waardoor de nachtrust kan
                    worden verstoord) (HR 26 oktober 1954, NJ 1954, 779 (APV Amsterdam).</al><tussenkop>Artikel 24 Toezicht</tussenkop><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen overeenkomstig aanbeveling
                    60 van de “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever” (VNG, 2011) . De basis
                    voor deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk
                    zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit
                    hoofdstuk geeft regels voor het toezicht. Aangezien buitengewone
                    opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen
                    is een nadere regeling in de verordening niet (meer) nodig. De aanwijzing als
                    toezichthouder in de verordening is de grondslag voor het hebben van
                    opsporingsbevoegdheid. Zie verder de toelichting onder het kopje
                    Opsporingsambtenaren.</al><tussenkop>Aanwijzen toezichthouders</tussenkop><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing van
                    toezichthouders kan derhalve in de APV/drank- en horecaverordening plaatsvinden.
                    Een deel van de toezichthouders wordt in de APV/drank- en horecaverordening zelf
                    aangewezen (dit is noodzakelijk indien een toezichthouder tevens
                    opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Zie de toelichting hierna onder
                    opsporingsambtenaren). Hiernaast kunnen toezichthouders door het college dan wel
                    de burgemeester worden aangewezen.</al><al>Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders voor zover zij
                    bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel 2 van
                    de Politiewet, dat een algemene omschrijving van de politietaak bevat, kan niet
                    worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in de zin van het artikel.</al><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren.</al><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren (artikel
                    5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. Het in artikel 5:12,
                    derde lid, van de Awb genoemde model van het legitimatiebewijs is vastgesteld
                    bij de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131).
                    Deze regeling bevat geen echt model, maar een opsomming van alle elementen die
                    in ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld
                    van een legitimatiebewijs.</al><tussenkop>Het evenredigheidsbeginsel</tussenkop><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een toezichthouder
                    mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de
                    vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet
                    te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                    toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden
                    of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend
                    hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een
                    toezichthouder moet toezien.</al><tussenkop>Bevoegdheden toezichthouder</tussenkop><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders
                    toegekend. In artikel 5:14 is de mogelijkheid opgenomen om aan een
                    toezichthouder minder bevoegdheden toe te kennen. Zo is op voorhand vaak al
                    duidelijk welke bevoegdheden voor het uitoefenen van toezicht niet relevant zijn
                    of per definitie onevenredig.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    “Plaats” is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    (bedrijfs)terreinen, maar ook (bedrijfs)gebouwen. Dat de Awb een uitzondering
                    maakt voor het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit
                    voort uit het in artikel 12 van de Grondwet vastgelegde “huisrecht”. Op grond
                    hiervan is voor het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner
                    steeds een grondslag in een bijzondere wet vereist. Voor de handhaving van
                    gemeentelijke verordeningen is de basis voor het binnentreden zonder toestemming
                    van de bewoner gelegd in artikel 149a van de Gemeentewet. Op grond van dit
                    artikel kan aan toezichthouders deze bevoegdheid worden toegekend, indien het
                    gaat om het toezicht op de naleving van bij verordening gegeven voorschriften
                    die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming
                    van het leven of de gezondheid van personen. In artikel 6.3 van de APV wordt
                    deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend. In de Algemene wet op het
                    binnentreden (Awbi) zijn de vormvoorschriften gegeven die bij het binnentreden
                    van een woning in acht genomen moeten worden. </al><al>De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen houdt niet tevens in de bevoegdheid
                    tot het doorzoeken van die plaatsen. De Awb geeft toezichthouders dus niet de
                    bevoegdheid om willekeurig kasten, laden en andere bergplaatsen te openen. In
                    gevallen waarin die bevoegdheid niettemin noodzakelijk is, dient deze te worden
                    verschaft door de bijzondere wetgever.</al><al>Artikel 5:16 Awb geeft de toezichthouder de bevoegdheid om inlichtingen te
                    vorderen. Op grond van artikel 5:20 Awb is een ieder ook verplicht deze
                    inlichtingen te verstrekken, behoudens een aantal uitzonderingen dat terug te
                    voeren is op het beroepsgeheim.</al><al>In de artikelen 5:17 tot en met 5:19 Awb worden aan toezichthouders de
                    bevoegdheden verleend om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden
                    en om zaken en vervoermiddelen te onderzoeken.</al><tussenkop>Bijzondere wetten</tussenkop><al>Bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het maken van
                    verordeningen, kunnen op het punt van de aanwijzing van toezichthoudende
                    ambtenaren een eigen regeling bevatten. Die aanwijzing heeft doorgaans tot
                    gevolg dat de aangewezen ambtenaar bepaalde (toezicht)bevoegdheden krijgt. </al><al>Zo heeft de aanwijzing als bedoeld in artikel 18.4, derde lid, van de Wet
                    milieubeheer (Wm) tot gevolg dat de aangewezen ambtenaar de bevoegdheid van
                    artikel 18.5 van de Wm het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
                    bewoner met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen verkrijgt. </al><al>Ook in artikel 100 van de Woningwet is aan toezichthouders de bevoegdheid
                    toegekend om een woning binnen te treden zonder toestemming van de
                    bewoners.</al><al>Zo heeft ook de Drank- en horecawet een eigen regeling. Dit wordt in deze
                    verordening tot uitdrukking gebracht in artikel 23, lid 2 en artikel 24, lid 2.
                    In artikel 42 van de Drank- en Horecawet krijgen de toezichthouders die belast
                    zijn met het toezicht op het bepaalde bij en krachtens die wet eveneens de
                    bevoegdheid om een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoners,
                    als daar alcoholhoudende drank wordt verstrekt aan particulieren of als zij
                    vermoeden dat dat daar gebeurt. </al><al>In bijzondere wetten kan van de bepalingen van de Awb worden afgeweken.</al><tussenkop>Toezicht en opsporing</tussenkop><al>De meeste bepalingen van de APV/drank- en horecaverordening bevatten ge- en
                    verboden. Op de naleving hiervan dient te worden toegezien en bij overtreding
                    dient te worden opgetreden. Dit kan op twee manieren gebeuren:
                    bestuursrechtelijk - door onder andere het opleggen van een last onder
                    bestuursdwang of onder dwangsom - en strafrechtelijk. Voor beide vormen van
                    handhaving dienen personen te worden aangewezen met toezichthoudende
                    respectievelijk opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de aanwijzing van de
                    toezichthouders is een bepaling opgenomen in de APV. De opsporingsambtenaren
                    worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering
                    (WvSv).</al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende
                    reactie.</al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen.</al><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende.</al><al>Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot burgers en
                    bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking. Opsporing dient
                    gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening.</al><al>Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd door de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opsporing wordt geregeld in het WvSv.</al><tussenkop>Opsporingsambtenaren</tussenkop><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid).</al><al>Op basis van artikel 142, lid 1, onder c, WvSv hebben de volgende - voor de
                    APV/drank- en horecaverordening relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><al>personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde
                    strafbare feiten worden belast en</al><al>personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving van die
                    verordening, een en ander voor het die feiten betreft en die personen zijn
                    beëdigd.</al><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en woningtoezicht.
                    De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de Woningwet.</al><al>De tweede groep betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke verordeningen
                    als zodanig worden aangewezen. De aanwijzing dient in de APV te geschieden
                    aangezien artikel 142, eerste lid, sub c, WvSv geen delegatie van de
                    aanwijzingsbevoegdheid toestaat. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld milieu en
                    parkeerwachters, belast met het toezicht op de desbetreffende autonome
                    bepalingen in de APV.</al><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                    ontlenen, is een nadere regeling in de APV/drank- en horecaverordening niet
                    mogelijk. De aanwijzing als toezichthouders in de APV/drank- en
                    horecaverordening is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder
                    zijn. De personen die op grond van dit artikel worden aangewezen, dienen op
                    grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan de volgende
                    voorwaarden te voldoen:</al><al>zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid;</al><al>zij dienen te zijn beëdigd door het College van Procureurs Generaal (volgens
                    art. 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar).</al><al>De akte van beëdiging bevat een aantal gegevens met betrekking tot de
                    buitengewoon opsporingsambtenaar, waaronder in ieder geval de feiten tot de
                    opsporing waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. De akte wordt op naam van de
                    desbetreffende ambtenaar gesteld en na de beëdiging aan hem uitgereikt. De akte
                    wordt voor vijf jaar afgegeven. Hierna kan hij worden verlengd, mits de
                    ambtenaar nog voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid.</al><tussenkop>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</tussenkop><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet, met
                    inachtneming van de Awbi, de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen
                    worden verleend (zie verder de toelichting bij artikel 6.3). Hun overige
                    opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De gemeenteraad heeft
                    hiernaast niet de bevoegdheid om andere opsporingsbevoegdheden te creëren.
                    Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij gemeentelijke verordening geen regeling worden
                    gegeven omtrent de opsporing of het bewijs van de in die verordening strafbaar
                    gestelde feiten.</al><al>Ook in een aantal bijzondere wetten worden opsporingsambtenaren aangewezen. Dit
                    is met name van belang voor de medebewindvoorschriften die in deze verordening
                    zijn opgenomen. Een speciale regeling geldt voor de op de artikelen 437 en
                    437ter van het WvSr gebaseerde en in afdeling 2.5 opgenomen bepalingen ter
                    bestrijding van heling van goederen opgenomen voorschriften. De in de artikelen
                    551 en 552 van het WvSv geregelde opsporings- en toezichtbevoegdheden komen
                    reeds toe aan de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv.
                    Gezien de bijzondere materie is het in het algemeen niet zinvol om ook nog eens
                    buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><tussenkop>Toezichthoudende ambtenaren belasten met opsporing?</tussenkop><al>Gezien het voorgaande zijn toezichthoudende ambtenaren vanuit hun aanstelling in
                    hun functie niet automatisch belast met opsporing. Dit zal in veel gevallen ook
                    niet nodig zijn. Veelal kan volstaan worden met toezichthoudende bevoegdheden.
                    De aanwijzing hoeft dan niet direct in de verordening te geschieden (art.6:2,
                    eerste lid), maar kan aan het college worden gedelegeerd (tweede lid). Indien
                    namelijk de handhaving van bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk
                    bestuursrechtelijk geschiedt (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te
                    beschikken over opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men
                    strafrechtelijk wil gaan handhaven. In die situatie is het vaak ook niet
                    noodzakelijk om alle toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan
                    worden volstaan met één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp
                    ingeroepen worden van een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van
                    politie).</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Strijd met het bestemmingsplan is als weigeringsgrond aanvaardbaar. ABRS 24 03
                    1997, AB 1997, 201 m.nt. FM, Gst. 1997, 7058, 4 m.nt. HH, JG 97.0165 m.nt.
                    E.M.H. Franssen.</al><al>Aannemelijk is dat de aantasting van de woon en leefsituatie wordt veroorzaakt
                    door de cumulatieve effecten van het totale aantal inrichtingen. ARRS
                    22-05-1987, AB 1988, 240; ARRS 08 01 1988, AB 1988, 417; ABRS 24 01 1995, Gst.
                    1995, 7011, 3, JG 95.0200.</al><al>Aannemelijk is dat woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed door de
                    uitbreiding van een horeca-inrichting waardoor de bezoekerscapaciteit wordt
                    vergroot. ABRS 20-05-1997, R03.93.1560, JU 982016 (VNG-databank).</al><al>Weigering van vergunning voor coffeeshop die niet voldoet aan de in het beleid
                    gestelde afstandsnorm van 200 (respectievelijk 250) meter van scholen of
                    jongerencentra is terecht. Vz. ABRS 10-06-1997, H01.97.0530, JU 981013
                    (VNG-databank) en Vz. ABRS 20-02-1998, H01.97.1514, JU 981015
                    (VNG-databank).</al><al>Voorschrift in terrasvergunning, waarbij op dagen dat er evenementen zijn aan
                    het gebruik van de weg voor dat doel prioriteit wordt gegeven, dient doelmatig
                    gebruik en beheer van de weg. ABRS 17 06 1997, JG 98.0027 98.0027, Gst. 1998,
                    7067, 2 met noot van HH.</al><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de
                    zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel
                    is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit
                    artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor
                    zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het
                    college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS 05-06-2002, JG
                    02.0128 m.nt. M. Geertsema. In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr.
                    200202419, LJN-nr. AF0269.</al><al>De burgemeester heeft terecht vergunning verleend voor de exploitatie van een
                    terras van bepaalde afmetingen en aan deze vergunning in verband met het belang
                    van de verkeersveiligheid een voorwaarde inzake wijze van bediening verbonden.
                    LJN-nr. AF0274, JG 03.0023 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Het college is niet bevoegd tot het nemen van besluiten op aanvragen om
                    terrasvergunningen. LJN-nr. AF0261, JG 03.0022 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Internetdiensten trekken een zelfstandige stroom bezoekers; internetcafé komt
                    niet in aanmerking voor vergunning op grond van de DHW. JG 04.0193, m. nt. A.L.
                    Esveld, LJN-nr. A08501. Gst. 2004, 188 m.nt. J.L.A. Kessen.</al><al>De vrees voor het niet naleven van vergunningsvoorschriften is geen reden om een
                    vergunning te weigeren. ABRS 24-11-2004, LJN-nr. AR6286, JG 05.0047 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Weigering van een vergunning voor een horeca-inrichting op grond van het feit
                    dat het bestemmingsplan een seksinrichting niet toestaat? ABRS 03-11-2004,
                    LJN-nr. AR5047, JG 05.0006, m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Weigering op grond van gemeentelijk onderzoek als gevolg van de Wet Bibob. Rb
                    Roermond 30-12-2004, JG 05.0035 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Aan het jarenlang niet optreden van het college tegen het verboden gebruik kan
                    niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college niet meer
                    tot handhaving zou overgaan. Het accepteren van verplichte meldingen op grond
                    van de algemeen plaatselijke verordening voor incidentele feesten is daartoe
                    onvoldoende. ABRS 28-10-2004, LJN-nr. AR5063, JG 05.0008 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Een APV vergunning voor de exploitatie van een horecabedrijf is
                    persoonsgebonden. Dat tevens een gedoogverklaring voor de exploitatie van een
                    coffeeshop is verstrekt doet hier niets aan af. Na overlijden vervalt vergunning
                    en gedoogverklaring. LJN-nr. AS5523, JG 05.0050 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Houseparty in horecagelegenheid behoort vanwege de grootschaligheid, de
                    muziekstijl, het publiek dat er komt en de toegestane sluitingstijd niet tot de
                    normale bedrijfsvoering. In aanmerking wordt genomen dat de organisator van het
                    feest een derde. Voorts is in aanmerking genomen dat dit soort feesten vaak
                    gepaard gaat met grootschalig drugsgebruik en dat extra politie-inzet nodig is
                    om de openbare orde te handhaven. Het is een evenement in de zin van art. 2.2.2,
                    van de APV. Het preventief opleggen van een dwangsom is geoorloofd. ABRS
                    11-01-2006, LJN-nr. AU9388.</al><al>Onder verwijzing naar AB 2003, 302 overweegt de Afdeling dat slechts het belang
                    van de aanvrager rechtstreeks betrokken is bij een besluit tot weigering van de
                    horeca-exploitatievergunning. De eigenaar van het betreffende pand en de
                    exploitant van de in dat pand geplaatste speelautomaten zijn geen
                    belanghebbende. ABRS 07-12-2005, AB Kort 2006, 42.</al><al>Voorschrift in terrasvergunning, waarbij op dagen dat er evenementen zijn aan
                    het gebruik van de weg voor dat doel prioriteit wordt gegeven, dient doelmatig
                    gebruik en beheer van de weg. ABRS 17 06 1997, JG 98.0027 98.0027, Gst. 1998,
                    7067, 2 met noot van HH.</al><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de
                    zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel
                    is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit
                    artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor
                    zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het
                    college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS 05-06-2002, JG
                    02.0128 m.nt. M. Geertsema. In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr.
                    200202419, LJN-nr. AF0269.</al><al>De burgemeester heeft terecht vergunning verleend voor de exploitatie van een
                    terras van bepaalde afmetingen en aan deze vergunning in verband met het belang
                    van de verkeersveiligheid een voorwaarde inzake wijze van bediening verbonden.
                    LJN-nr. AF0274, JG 03.0023 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Het college is niet bevoegd tot het nemen van besluiten op aanvragen om
                    terrasvergunningen. LJN-nr. AF0261, JG 03.0022 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Een in naam besloten club die wel in hoge mate voor het publiek toegankelijk is,
                    moet voldoen aan de sluitingstijden van de APV. Vz.ARRS, 21 12 1992, Gst. 1993,
                    6073, 4 m.nt. HH, JG 93.0260.</al><al>Beleid op basis waarvan coffeeshops, in tegenstelling tot andere
                    horecabedrijven, vanaf 20.00 uur gesloten moeten zijn is noch in strijd met de
                    Winkeltijdenwet noch anderszins onredelijk. Een coffeeshop is geen winkel. Hij
                    is immers in hoofdzaak ingericht als een bedrijf waar gekochte waren ter plaatse
                    worden genuttigd. Rb Breda, 03-12-1997, JG 98.0025, AB 1998, 76 m.nt. FM.</al><al>Terughoudend beleid ten aanzien van nachtvergunningen voor horecabedrijven. ABRS
                    08-02-1994, JG 94.0252 , Gst. 1994, 6999, 4 m.nt. HH.</al><al>Verhouding tussen sluitingstijden zoals vastgesteld door de raad op grond van de
                    verordening en door de burgemeester voor het concrete geval. Vz.ARRS 30-03-1993,
                    JG 94.0094 m.nt. A.B. Engberts.</al><al>Sluitingstijden in de APV stellen geen grenzen aan de bevoegdheid van de
                    burgemeester om ontheffing te verlenen. ARRS 02-09-1983, AB 1984, 245 m.nt.
                    JHvdV. De ontheffing van de burgemeester mag geen permanent karakter hebben en
                    niet alle in de gemeente aanwezige inrichtingen betreffen. ARRS 19-01-1984, AB
                    1984, 491 m.nt. JHvdV.</al><al>De in exploitatievergunningen voor een niet-alcoholverstrekkend) horecabedrijf
                    opgenomen mededeling omtrent de openingstijden van het horecabedrijf is geen
                    besluit in de zin van art. 1:3, lid 1, van de Awb. Openingstijden vloeien
                    namelijk rechtstreeks voort uit de APV. LJN-nr. AE8980, JG 03.0024 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>De burgemeester stelde terecht eis aan garderobefunctie café bij ontheffing
                    sluitingstijd. LJN-nr. AF2496, JG 03.0063 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Herhaalde overtreding van sluitingtijd leidt tot onmiddellijke sluiting
                    horecabedrijf. LJN-nr. AM5381, JG 04.0102 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet geeft aan de burgemeester reeds een
                    sluitingsbevoegdheid. Wenselijk om ook in de APV een sluitingsbepaling op te
                    nemen. ARRS 15 06 1984, AB 1985, 96 m.nt. JHvdV.</al><al>Sluitingsmaatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig zwaar.
                    ABRS 23 05 1995, AB 1995, 475 m.nt. LJJR.</al><al>Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221 gemeentewet
                    (oud). Vz.ARRS 26-08-1992, AB 1993, 104, JG 93.0116 , en ABRS 05-07-1996, JG
                    96.0266.</al><al>Terechte sluiting voor onbepaalde tijd van coffeeshop die het nuloptiebeleid
                    overtreedt. Vz.ABRS 05-091997, Gst. 1998, 7069, 4 m.nt. HH.</al><al>Terechte sluiting van horecagelegenheid voor de duur van een jaar wegens handel
                    in harddrugs. Vz.ABRS 22-04-1998, K01.97.0213 (ongepubliceerd). Persoonlijke
                    verwijtbaarheid van de exploitant daarbij (bij handel in harddrugs) is niet van
                    belang. ABRS 29-04-1997, R03.93.4839, JU 982015 (VNG-databank), ABRS 27-06-1997,
                    R03.93.5408, JU 98201 (VNG-databank), en ABRS 04-07-2001, AB 2001, 6 m.nt.
                    JGB/AES.Terechte sluiting van twee horeca-inrichtingen en intrekking van de
                    exploitatievergunningen wegens smokkel van illegalen. Aantasting van de openbare
                    orde. Pres. Rb Rotterdam 5 september 1997, JG 97.0209.</al><al>Bij uitoefening sluitingsbevoegdheid hoeft burgemeester geen strikte
                    strafrechtelijke bewijsregels in acht te nemen. ABRS 06-021997, JG 97.0075.
                    Sluiting is geen "criminal charge" als bedoeld in artikel 6 EVRM. Inzage in
                    geanonimiseerde getuigenverklaringen en politierapporten is dan ook niet
                    strijdig met het "fair trial"-beginsel. ABRS 11-061998, AB 1998, 297 m.nt. FM.
                    In bestuursrechtelijk geding moeten wel de juistheid van de feiten en
                    zorgvuldigheid van het besluit kunnen worden getoetst. Pres. Rb Breda, 27
                    januari 1998, JG 98.0096.</al><al>Terechte sluiting van een discotheek op grond van artikel 2.3.1.5 van de APV van
                    Zaanstad, nu is gebleken dat de situatie rond het gebruik van partydrugs uit een
                    oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen onbeheersbaar is. Pres. Rb Haarlem
                    16 november 2001, LJN-nr. AD5792.</al><al>Het (tijdelijk) sluiten van een horecabedrijf enkele weken nadat een overtreding
                    van de sluitingsuren heeft plaatsgehad, is geen reparatoire maatregel maar een
                    punitieve sanctie, waar de waarborgen van artikel 6 van het EVRM op zien. Rb.
                    Den Haag 10-05-2005, LJN-nr. AT6239, JG 05.00105 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Het intrekken van de horecavergunning (voor een bedrijf dat geen alcohol
                    verkoopt) vanwege het feit dat de aanvrager niet voldoet aan eisen ten aanzien
                    van zedelijk gedrag, is geen punitieve sanctie en daarom niet in strijd met
                    artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden. ABRS 11-05-2005, LJN-nr. AT5345, JG 05.0094 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Aan het jarenlang niet optreden van het college tegen het verboden gebruik kan
                    niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college niet meer
                    tot handhaving zou overgaan. Het accepteren van verplichte meldingen op grond
                    van de algemeen plaatselijke verordening voor incidentele feesten is daartoe
                    onvoldoende. ABRS 28-10-2004, LJN-nr. AR5063, JG 05.0008 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Openlijke geweldpleging vóór het café niet voldoende grond voor sluiting café.
                    LJN-nr. AR6321, JG 05.0036 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Geen geabstraheerde overlast als gevolg van schietincident. Vz Rb Utrecht
                    11-03-2005, LJN-nr. AS9918, JG 05.0060 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Bij een beslissing van de burgemeester om een horeca-inrichting te sluiten
                    toetst de rechter terughoudend. ABRS 09-02-2005, LJN-nr. AS5485, JG 05.0048,
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Het niet voorkomen van overlast in de omgeving van een coffeeshop reden voor
                    tijdelijke sluiting. LJN-nr. AR2177, JG 04.0163 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>De aanwezigheid van cocaïne leidt tot onmiddellijke sluiting en het schrappen
                    van de gedooglijst van een coffeeshop. LJN-nr. AR8730, JG 05.0033 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Eén pistoolschot is nog geen reden tot sluiting LJN-nr. AR6323, JG 05.0049 m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al>Aantreffen van harddrugs leidt tot onmiddellijke sluiting van coffeeshop.
                    Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol. LJN-nr. AT3727, JG 05.0081 m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al>Onder verkoop van drugs moet het totaal aan handelingen worden verstaan dat
                    rechtstreeks tot de overdracht van het verkochte leidt. Handhavingprotocol
                    alcoholvrije inrichtingen kan worden gebruikt, ook al betreft het in casu niet
                    een alcoholvrije inrichting. Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol.
                    LJN-nr. AT4607, JG 05.0082 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Schietincident bij overval is reden voor tijdelijk sluiting. Is een reparatoire
                    maatregel, gericht op herstel van de openbare orde, waarbij de persoon van de
                    coffeeshophouder geen rol speelt. LJN-nr. AT5655, JG 05.juli/augustus m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Sluiting woning voor de duur van één jaar op grond van 174a Gemeentewet wegens
                    overlast. LJN-nr. AT6163, JG 05.0095, m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Instrument van de zwarte lijst wordt toelaatbaar geacht. Wnd. Vz.ARRS 16 09
                    1982, AB 1983, 38, en Wnd. Vz.ARRS 30-03-1983, KG 1983, 195.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>