<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR406725_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Huisvestingsverordening Diemen 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 30-12-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Huisvestingsverordening Diemen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Huisvestingswet 2014</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-05-25</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Huisvestingsverordening Diemen 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Huisvestingsverordening Diemen 2016</al><al>Versie 22 oktober 2015</al><al/><al><vet>Afdeling</vet></al><al/><al><vet>Ruimtelijke Ontwikkeling</vet></al><al/><al/><al/><al/><al><vet>Versie 22 oktober 2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1 Definities</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Aanbodinstrument: een aanbodinstrument als bedoeld in artikel
                                    2.2.3, eerste lid, waarop door corporaties woonruimte,
                                    aangewezen in artikel 2.1.1 te huur wordt aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>Basisadministratie: de basisadministratie bedoeld in artikel 1.2
                                    van de Wet basisregistratie personen;</al></li><li nr="c."><al>Bezettingsnormen: de in artikel 2.3.3 vastgestelde
                                    voorrangsregels;</al></li><li nr="d."><al>Bindingscriterium: bindingscriterium op grond van artikel 2.4.5
                                    gesteld aan woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor
                                    voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="e."><al>Burgemeester en wethouders: het College van burgemeester en
                                    wethouders;</al></li><li nr="f."><al>Complex: een aaneengesloten groep woonruimten die door
                                    burgemeester en wethouders is aangewezen;</al></li><li nr="g."><al>COA-voorziening: als bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal
                                    orgaan opvang asielzoekers;</al></li><li nr="h."><al>Corporaties: toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 70,
                                    eerste lid van de Woningwet die werkzaam zijn in één of meer
                                    gemeenten binnen de woningmarktregio;</al></li><li nr="i."><al>DAEB-norm: het in artikel 4, eerste lid aanhef en onder a, van
                                    de Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang
                                    toegelaten instellingen volkshuisvesting genoemde bedrag, of,
                                    als Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting
                                    (kamerstuk dossiernummer 32769) in werking is getreden: de
                                    inkomensgrens bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de
                                    Woningwet;</al></li><li nr="j."><al>Directe bemiddeling: het rechtstreeks aan een woningzoekende
                                    aanbieden van woonruimte zonder dat die woonruimte via het
                                    aanbodinstrument te huur is aangeboden;</al></li><li nr="k."><al>Huishouden: een alleenstaande dan wel twee personen met of
                                    zonder kinderen, die een gemeenschappelijke huishouding voeren
                                    of wensen te voeren;</al></li><li nr="l."><al>Huisvestingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 7,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="m."><al>Huurprijs: de prijs die bij huur of verhuur is verschuldigd voor
                                    het enkele gebruik van een woonruimte of standplaats voor een
                                    woonwagen, uitgedrukt in een bedrag per maand berekend volgens
                                    het woningwaarderingstelsel behorende bij het Besluit
                                    huurprijzen woonruimte;</al></li><li nr="n."><al>Indicatie: een beoordeling van de mate van zelfredzaamheid van
                                    een woningzoekende, gemaakt door burgemeester en wethouders of
                                    een door hen aan te wijzen adviseur, ter voorbereiding van een
                                    door hen te nemen beslissing op een aanvraag om een
                                    huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="o."><al>Inkomen: rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder
                                    i van de Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="p."><al>Inschrijfduur: de inschrijfduur bedoeld in artikel 2.2.4, tweede
                                    lid;</al></li><li nr="q."><al>Inschrijving: het ingeschreven staan als woningzoekende;</al></li><li nr="r."><al>instelling voor maatschappelijke opvang: een instelling als
                                    bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="s."><al>liberalisatiegrens: het huurbedrag genoemd in artikel 13, eerste
                                    lid, aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="t."><al>mantelzorg: mantelzorg als bedoeld in artikel 1, lid 1,
                                    onderdeel b van de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="u."><al>Onttrekkingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 21
                                    van de wet;</al></li><li nr="v."><al>Ontvangende regiogemeente: de regiogemeente waarnaar een houder
                                    van een urgentieverklaring wil verhuizen, als bedoeld in artikel
                                    2.6.4, derde lid;</al></li><li nr="w."><al>Onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet-zijnde woonruimte
                                    bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft of welke
                                    niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder
                                    dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke
                                    voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke
                                    voorzieningen worden aangemerkt: keuken en toilet.</al></li><li nr="x."><al>passende woonruimte: woonruimte die voldoet aan het in artikel
                                    2.6.3, eerste lid, bedoelde zoekprofiel;</al></li><li nr="y."><al>passendheidscriterium: passendheidscriterium op grond van
                                    artikel 2.4.4, tweede lid of vierde lid gesteld aan
                                    woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor voorrang bij de
                                    verlening van een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="z."><al>peildatum: de door burgemeester en wethouders vast te stellen
                                    datum, bedoeld in artikel 2.6.8, tweede lid;</al></li><li nr="aa."><al>Platform: het Platform Woningcorporaties Noordvleugel
                                    Randstad.</al></li><li nr="bb."><al>rangordecriterium: een rangordecriterium als bedoeld in artikel
                                    2.4.8;</al></li><li nr="cc."><al>regiogemeenten: de gemeenten die deel uitmaken van de
                                    woningmarktregio;</al></li><li nr="dd."><al>Regioraad: het algemeen bestuur van de Stadsregio
                                    Amsterdam.</al></li><li nr="ee."><al>Rekenhuur: de prijs die bij huur en verhuur per maand is
                                    verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte zoals
                                    omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="ff."><al>Splitsingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 22
                                    van de wet;</al></li><li nr="gg."><al>Student: studenten als bedoeld in artikel 7:274 lid 4 van het
                                    Burgerlijk Wetboek alsmede voltijdspromovendi bij binnen het
                                    gebied van de woningmarktregio gevestigde universiteiten;</al></li><li nr="hh."><al>Studentenwoning: woonruimte krachtens de daarop betrekking
                                    hebbende huurovereenkomst bestemd voor studenten indien:</al><lijst><li nr="i."><al>in de huurovereenkomst is bepaald dat de woonruimte na
                                            beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een
                                            student zal worden verhuurd; en,</al></li><li nr="ii."><al>die woonruimte door het college van burgemeester en
                                            wethouders in de regiogemeente waarin de woonruimte is
                                            gelegen na overleg met de eigenaar is erkend als
                                            studentenwoning;</al></li></lijst></li><li nr="ii."><al>Stuurgroep Wonen: het overleg bestaande uit een
                                    vertegenwoordiging van burgemeester en wethouders van de
                                    regiogemeenten en de binnen de woningmarktregio actieve
                                    corporaties;</al></li><li nr="jj."><al>SV-urgentieverklaring: een urgentieverklaring waarmee een
                                    woningzoekende is ingedeeld in de in artikel 2.6.8, eerste lid
                                    aanhef en onder c bedoelde urgentiecategorie;</al></li><li nr="kk."><al>Traditionele doelgroep: de groep (degenen) die volgens de
                                    bepalingen in artikel 18 van de voormalige Woonwagenwet voor een
                                    bewonersverklaring in aanmerking kon</al></li></lijst><al>(konden) komen;</al><lijst><li nr="ll."><al>urgentieverklaring: de beschikking, verleend door burgemeester
                                    en wethouders van een tot de woningmarktregio behorende
                                    gemeente, waarmee een woningzoekenden in een urgentiecategorie
                                    als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet wordt
                                    ingedeeld; </al></li><li nr="mm."><al>vergunninghouders: de vergunninghouders als bedoeld in artikel
                                    28 van de Huisvestingswet 2014; </al></li><li nr="nn."><al>voorliggende voorziening: een voorziening die gelet op haar aard
                                    en doel, wordt geacht voor het oplossen van het
                                    huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te
                                    zijn;</al></li><li nr="oo."><al>Wet: de Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="pp."><al>Woningmarktregio: de woningmarktregio gevormd door de gemeenten
                                    Amsterdam die bestaat uit de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen,
                                    Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer,
                                    Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn,
                                    Waterland, Wormerland, Zaanstad en Zeevang.</al></li><li nr="qq."><al>Woningdelende vergunninghouders: Met een huishouden als bedoeld
                                    in artikel 1, aanhef en onder k, wordt gelijkgesteld: Een groep
                                    van ten hoogste vier vergunninghouders die geen
                                    gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren, maar
                                    gelet op de in artikel 28 van de wet genoemde taakstelling door
                                    het college van burgemeester en wethouders gehuisvest worden of
                                    zijn in één woning.</al></li><li nr="rr."><al>Woning: zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="ss."><al>Woningruil: ruil waarbij twee of meer huishoudens zich
                                    daadwerkelijk vestigen in elkaars woning;</al></li><li nr="tt."><al>Woningtype: de ingevolge het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede
                                    lid, in het zoekprofiel van een urgentieverklaring op te nemen
                                    categorie woonruimte;</al></li><li nr="uu."><al>Woongroep: een samenlevingsverband bestaande uit tenminste drie
                                    personen tussen wie geen familierechtelijke relatie
                                    bestaat.</al></li><li nr="vv."><al>Woonoppervlak: het gezamenlijk oppervlak van de vertrekken zoals
                                    dat wordt berekend volgens het Besluit huurprijzen
                                    woonruimte.</al></li><li nr="ww."><al>Woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of
                                    meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door
                                    een huishouden;</al></li><li nr="xx."><al>Woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op
                                    een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden
                                    verplaatst.</al></li><li nr="yy."><al>Zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft
                                    en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit
                                    huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen
                                    buiten de woonruimte;</al></li><li nr="zz."><al>zelfredzaamheid: het naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders voldoende zelfstandig redzaam zijn om zelfstandig te
                                    kunnen wonen;</al></li><li nr="aaa."><al>Zelfstandige huurwoning: zelfstandige woonruimte, welke verhuurd
                                    wordt;</al></li><li nr="bbb."><al>Zoekgebied: het zoekgebied als bedoeld in artikel 2.6.3, derde
                                    lid en artikel 2.6.4;</al></li><li nr="ccc."><al>Zoekprofiel: het zoekprofiel als bedoeld in artikel 2.6.3,
                                    eerste lid.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Verdeling van woonruimte</titel></kop><structuurtekst><al>AFDELING I WOONRUIMTEVERDELING</al><al>Paragraaf 1 Werkingsgebied</al><al>Artikel 2.1.1 Werkingsgebied</al><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in deze afdeling is van toepassing in de de
                                    gemeente Diemen.</al></li><li nr="2."><al>In het gebied bedoeld in het eerste lid worden als woonruimten
                                    als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de wet aangewezen alle
                                    zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de
                                    liberalisatiegrens.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid is het bepaalde in deze afdeling
                                    niet van toepassing op:</al></li><li nr="a."><al>onzelfstandige woonruimte en woonruimte gebruikt voor
                                    inwoning;</al></li><li nr="b."><al>Woonschepen;</al></li><li nr="c."><al>Woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a tot en
                                    met c, van de Leegstandwet;</al></li><li nr="d."><al>studentenwoningen.</al></li></lijst><al>Artikel 2.1.2 Reikwijdte vergunningplicht</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                    artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te nemen zonder
                                    huisvestingsvergunning.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                    artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon
                                    die niet beschikt over een huisvestingsvergunning.</al></li></lijst></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toelating tot het aangewezen deel van de woningmarkt</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.2.1 Toelatingscriteria</al><al>Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning dient de
                                woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>tenminste één van de leden van het huishouden van de
                                        woningzoekende is niet minderjarig als bedoeld in artikel
                                        1:233 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="b."><al>de leden van het huishouden van de woningzoekende bezitten
                                        de Nederlandse nationaliteit of worden op grond van een
                                        wettelijke bepaling als Nederlander behandeld of zijn
                                        vreemdeling en verblijven rechtmatig in Nederland als
                                        bedoeld in artikel 8, a t/m e en l van de</al></li></lijst><al>Vreemdelingenwet 2000.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Aanvullend toelatingscriterium particuliere
                                    huurvoorraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In aanvulling op de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1 geldt
                                    om toegelaten te worden tot de woonruimten waarop het bepaalde
                                    in paragraaf 4 van toepassing is de volgende voorwaarde: het
                                    inkomen van het huishouden bedraagt maximaal € 43.000.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt bij aanvang van het
                                    kalenderjaar 2016 en elk daarop volgende kalenderjaar geacht te
                                    zijn verhoogd met het percentage waarmee in het daaraan
                                    voorafgaande kalenderjaar het Europees geharmoniseerde
                                    prijsindexcijfer voor consumentenprijzen is gestegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Aanbieden van woonruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Corporaties bieden hun voor verhuur beschikbare woonruimten
                                    eenduidig en transparant te huur aan via een aanbodinstrument of
                                    via meerdere aanbodinstrumenten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het aanbieden van woonruimte wordt vermeld aan welke eisen
                                    de woningzoekende moet voldoen om in aanmerking te komen voor de
                                    aangeboden woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing
                                    op directe bemiddeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Woningzoekenden en inschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen van 18 jaar en ouder kunnen zich als woningzoekenden
                                    inschrijven via een aanbodinstrument. De inschrijving in een in
                                    de woningmarktregio gebruikt aanbodinstrument geldt als
                                    inschrijving in elk in de woningmarktregio gebruikt
                                    aanbodinstrument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als
                                    woningzoekende ingeschreven staat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inschrijving eindigt nadat een woningzoekende als huurder
                                    woonruimte aangewezen in artikel 2.1.1 in gebruik heeft
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde beëindiging van de inschrijving
                                    geldt voor de ingeschreven woningzoekende en de leden van zijn
                                    huishouden, niet-zijnde meeverhuizende inwonende kinderen, wier
                                    medeverhuizing noodzakelijk was voor het verkrijgen van een
                                    huisvestingsvergunning voor de bewoning van de betreffende
                                    woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het derde lid eindigt de
                                    inschrijving niet nadat een woningzoekende als huurder
                                    woonruimte aangewezen is in artikel 2.1.1 in gebruik heeft
                                    genomen, voor zover die woonruimte geen eigendom is van een
                                    corporatie en niet via het aanbodinstrument Woningnet te huur is
                                    aangeboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>Voorwaarden aan inschrijving via het aanbodinstrument</titel></kop><al>Door of namens de corporatie die verantwoordelijk is voor een
                                aanbodinstrument kunnen voorwaarden aan de in het eerste lid
                                bedoelde inschrijving worden verbonden. De voorwaarden zijn openbaar
                                en te raadplegen via de website van het aanbodinstrument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Aanvraag vergunning en in te dienen bescheiden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op een aanvraag om een huisvestingsvergunning beslissen
                                        burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende
                                        bewijsstukken:</al></li><li nr="a."><al>meest recente inkomensgegevens van de woningzoekende,
                                        verstrekt door diens werkgever, uitkeringsinstantie of
                                        pensioeninstantie dan wel de meest recente aanslag
                                        inkomstenbelasting of een accountantsverklaring indien
                                        aanvrager zelfstandig werkzaam is;</al></li><li nr="b."><al>een uittreksel uit de basisadministratie van de woonplaats
                                        van</al></li></lijst><al>aanvrager; en,</al><lijst><li nr="c."><al>een kopie van een geldig verblijfsdocument indien de
                                        woningzoekende en de overige leden van het huishouden waarop
                                        de aanvraag betrekking heeft niet de Nederlandse
                                        nationaliteit bezitten.</al></li><li nr="3."><al>De aanvrager kan gevraagd worden een geldig
                                        identiteitsbewijs van alle leden van het huishouden waarop
                                        de aanvraag betrekking heeft, te tonen.</al></li><li nr="4."><al>Indien aanvrager een huisvestingsvergunning aanvraagt voor
                                        woonruimte als bedoeld in artikel 2.4.4, tweede lid, eerste
                                        kolom, derde rij, dient de aanvraag tevens vergezeld te gaan
                                        van een indicatie op basis waarvan beoordeeld kan worden of
                                        de specifieke eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen
                                        aan de verminderde zelfredzaamheid van één of meerdere leden
                                        van het huishouden.</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere gegevens
                                        te vragen die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.7</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na datum
                                    van indiening op de aanvraag voor een
                                    huisvestingsvergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de beslistermijn
                                    eenmalig te verlengen met vier weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.8</nr><titel>Gegevens op vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De beschikking op de aanvraag bevat tenminste:</al></li><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de samenstelling van het huishouden dat de woonruimte wil
                                        betrekken;</al></li><li nr="c."><al>het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op
                                        heeft;</al></li><li nr="d."><al>het voorschrift houdende dat binnen vier weken na verlening
                                        van de vergunning de woonruimte in gebruik wordt
                                        genomen.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in de beschikking tevens
                                        opnemen dat de vergunning slechts geldig is indien het
                                        gehele huishouden waarvoor de vergunning is verleend, de
                                        woonruimte betrekt.</al></li></lijst><al>Paragraaf 3 Vergunningverlening particuliere huurvoorraad </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Reikwijdte paragraaf 3</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op ingevolge
                                artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is van een
                                corporatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren de huisvestingsvergunning
                                    indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het huishouden niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in
                                    artikel 2.2.1 en artikel 2.2.2;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het huishouden al in het bezit is van een geldige
                                    huisvestingsvergunning;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het huishouden op grond van artikel 2.3.3 niet voor de
                                    huisvestingsvergunning in aanmerking komt; of,</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik
                                    zal nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning
                                    indien geen van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden
                                    zich voordoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3</nr><titel>Bezettingsnormen</titel></kop><al>Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning wordt overeenkomstig
                                het bepaalde in Bijlage 1 voorrang verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                intrekken, indien:</al><al>a.het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen
                                de</al><al>genoemde termijn in gebruik heeft genomen;</al><al>b.de vergunning is verleend op grond van door de houder van de
                                vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs
                                kon vermoeden dat zij onjuist of</al><al>onvolledig waren.</al><al>Paragraaf 4 Toewijzing en vergunningverlening
                                corporatiewoningen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Reikwijdte paragraaf 4</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op
                                ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is van
                                een corporatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders weigeren de
                                        huisvestingsvergunning indien:</al></li><li nr="a."><al>het huishouden niet voldoet aan de toelatingscriteria
                                        genoemd in artikel 2.2.1;</al></li></lijst><al>b.het huishouden al in het bezit is van een
                                huisvestingsvergunning;</al><al>c.het huishouden op grond van het bepaalde in artikel 2.4.6 niet
                                voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komt;</al><al>d.het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in
                                gebruik zal nemen; of,</al><al>e.de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten instelling of
                                haar belang als verhuurder, daaronder mede begrepen haar
                                verantwoordelijkheid voor de bescherming van de belangen van de
                                overige huurders en voor de waarborging van het woongenot,
                                redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst met aanvrager
                                heeft kunnen weigeren.</al><al>2.Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning
                                indien geen van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden zich
                                voordoen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                intrekken, indien:</al><al>a.het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen
                                de</al><al>genoemde termijn in gebruik heeft genomen;</al><al>b.de vergunning is verleend op grond van door de houder van de
                                vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs
                                kan vermoeden dat zij onjuist of</al><al>onvolledig waren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte en
                                    prijs van woonruimte</titel></kop><al>1.Als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet
                                worden aangewezen de categorieën woonruimte beschreven in kolom 1
                                van de in het tweede lid opgenomen tabel.</al><al>2.Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor woonruimte
                                die behoort tot een in kolom 1 genoemde categorie woonruimte wordt
                                voorrang gegeven aan de categorieën woningzoekenden genoemd in kolom
                                2 achter de desbetreffende categorie woonruimte.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="45*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="55*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Kolom 1: Categorie woonruimte
                                                  (labels)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Kolom 2: Categorie woningzoekenden
                                                  (voorrangsgroepen)</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>senioren</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens waarvan één lid tenminste </al><al>de leeftijd van 55 jaar of ouder </al><al>heeft bereikt. Indien er geen huishouden </al><al>dat voldoet aan het in de eerste zin </al><al>bepaalde voor de woonruimte in </al><al>aanmerking komt, wordt voorrang gegeven</al><al>aan het huishouden met een lid dat de</al><al>leeftijd van 55 jaar het dichtst benadert.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>jongeren</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens bestaande uit één </al><al>persoon, zijnde een jongere </al><al>met een leeftijd tot 26 jaar die geen </al><al>student is.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>personen met verminderde </al><al>zelfredzaamheid</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens in het bezit van een indicatie </al><al>waaruit blijkt dat de specifieke </al><al>eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen
                                                  aan de verminderde zelfredzaamheid van één of
                                                  meerdere </al><al>leden van het huishouden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte gelet op de </al><al>huurprijs in het bijzonder geschikt voor </al><al>de huisvesting van huishoudens met </al><al>een laag inkomen</al></entry><entry colname="col2"><al>Huishoudens met een laag inkomen als </al><al>bedoeld in lid 3.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte gelet op de </al><al>huurprijs in het bijzonder geschikt voor </al><al>de huisvesting van huishoudens met </al><al>een hoger inkomen</al></entry><entry colname="col2"><al>Huishoudens met een hoger inkomen </al><al>als bedoeld in lid 3</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3.Huishoudens met een laag inkomen zijn huishoudens met een inkomen
                                tot een nader, bij het te huur aanbieden van woonruimte, door
                                burgemeester en wethouders te bepalen hoogte. Huishoudens met een
                                hoog inkomen zijn huishoudens met een inkomen boven een nader, bij
                                het te huur aanbieden van woonruimte, door burgemeester en
                                wethouders te bepalen hoogte.</al><al>4.Als categorie woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet
                                wordt voorts aangewezen: woonruimte in het bijzonder geschikt voor
                                de huisvesting van grote huishoudens.</al><al>5.Voorts is bij het verlenen het bepaalde in Bijlage 1 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale
                                    binding</titel></kop><al>1.Bij de verlening van huisvestingsvergunningen wordt voor ten
                                hoogste 50 procent van de in artikel 2.1.1 aangewezen categorieën
                                woonruimte, voorrang gegeven aan huishoudens omdat zij economisch of
                                maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio, zoals bedoeld
                                in artikel 14, derde lid, van de wet.</al><al>2.Voor ten hoogste de helft van het in het eerste lid genoemde
                                percentage mag bij de verlening van huisvestingsvergunningen
                                voorrang worden gegeven aan woningzoekenden omdat zij economisch of
                                maatschappelijk gebonden zijn aan een tot de gemeente behorende kern
                                als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Algemene volgordebepaling</titel></kop><al>1.Indien woonruimte te huur wordt aangeboden via een
                                aanbodinstrument wordt de volgorde waarin de woningzoekenden die op
                                het aanbod gereageerd hebben in aanmerking komen voor een
                                huisvestingsvergunning bepaald overeenkomstig het bepaalde in
                                artikel 2.4.6 tot en met 2.4.8.</al><al>2.Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de volgende
                                groepen woningzoekenden in aanmerking:</al><al>a.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke passendheids-
                                en bindingscriteria;</al><al>b.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                passendheidscriteria;</al><al>c.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                bindingscriteria;</al><al>d.de overige woningzoekenden.</al><al>3.Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing als op de te
                                huur aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde lid,
                                opgenomen passendheidscriterium van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6a</nr><titel>Bijzondere volgordebepaling</titel></kop><al>1.Het bepaalde in dit artikel is van toepassing als op te huur
                                aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde lid, opgenomen
                                passendheidscriterium van toepassing is.</al><al>2.Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de volgende
                                negen groepen woningzoekenden in aanmerking:</al><al>a.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria,
                                in het bezit zijn van een urgentieverklaring en wier huishouden mede
                                bestaat uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18 jaar;</al><al>b.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria,
                                in het bezit zijn van een urgentieverklaring en wier huishouden mede
                                bestaat uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al><al>c.woningzoekenden in het bezit van een urgentieverklaring en wier
                                huishouden mede bestaat uit drie of meer inwonende kinderen jonger
                                dan 18 jaar;</al><al>d.woningzoekenden die in het bezit zijn van een urgentieverklaring
                                en wier huishouden mede bestaat uit tenminste één inwonend kind
                                jonger dan 18 jaar;</al><al>e.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria
                                en wier huishouden mede bestaat uit drie of meer inwonende kinderen
                                jonger dan 18 jaar;</al><al>f.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria
                                en wier huishouden mede bestaat uit tenminste één inwonend kind
                                jonger dan 18 jaar;</al><al>g.woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit drie of meer
                                inwonende kinderen jonger dan 18 jaar;</al><al>h.woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit tenminste één
                                inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al><al>i.overige woningzoekenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Volgorde van houders van een urgentieverklaring</titel></kop><al>1.Van de woningzoekenden die zijn ingedeeld in één van de in artikel
                                2.4.6, tweede lid aanhef en onder a tot en met d bedoelde groepen of
                                in één van de in artikel 2.4.6a, tweede lid aanhef en onder a tot en
                                met i bedoelde groepen, komen als eerste in aanmerking voor een
                                huisvestingsvergunning de houders van een urgentieverklaring indien
                                de woonruimte voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen
                                zoekprofiel.</al><al>2.Indien op grond van het eerste lid meerdere houders van een
                                urgentieverklaring als eerste in aanmerking zouden komen voor een
                                huisvestingsvergunning, komt als eerste in aanmerking het huishouden
                                waarvan de urgentieverklaring als eerste is verleend of waarvoor
                                voorziening in de behoefte aan woonruimte naar het oordeel van
                                burgemeester en wethouders het meest dringend noodzakelijk is.</al><al>3.De houders van een urgentieverklaring, verleend ter indeling in
                                één van de in artikel 2.6.6 genoemde gronden, worden geacht te
                                voldoen aan de bindingscriteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Volgorde van de overige woningzoekenden</titel></kop><al>1.De volgorde waarin woningzoekenden, niet zijnde houders van een
                                urgentieverklaring, die behoren tot één van de in artikel 2.4.6,
                                tweede lid, aanhef en onder a tot en met d, bedoelde groepen of tot
                                één van de in artikel 2.4.6a, tweede lid aanhef en onder a tot en
                                met i bedoelde groepen, in aanmerking komen voor een
                                huisvestingsvergunning, wordt bepaald aan de hand van een in de
                                volgende leden beschreven rangordecriterium.</al><al>2.De volgende rangordecriteria kunnen worden toegepast:</al><al>a.Inschrijfduur. De woningzoekende met de langste inschrijfduur komt
                                als eerste in aanmerking voor de huisvestingsvergunning.</al><al>b.Loting. Bij loting wordt door de corporatie op elektronische of
                                andere geschikte wijze bepaald in welke volgorde de aan de loting
                                deelnemende woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in
                                aanmerking komen. Daarbij heeft elk deelnemende woningzoekende een
                                gelijke kans op elke plek in de totale rangorde.</al><al>3.Per kalenderjaar wordt in de gehele woningmarktregio op ten
                                hoogste 15 % en per gemeente op ten hoogste 20 % van door
                                corporaties te huur aangeboden woonruimten het rangordecriterium
                                loting toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Directe bemiddeling</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2.3, eerste lid, kan de
                                woonruimte via directe bemiddeling worden aangeboden indien het
                                betreft de huisvesting van woningzoekenden voor wie geldt dat het
                                naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet doelmatig is om
                                hen via een aanbodinstrument naar woonruimte te laten zoeken. Dit
                                betreft in ieder geval:</al><al>a.vergunninghouders;</al><al>b.houders van een urgentieverklaring; en,</al><al>c.huishoudens bedoeld in artikel 2.4.10.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Bijzondere gevallen</titel></kop><al>Op verzoek van corporaties kan bij de huisvesting van huishoudens in
                                bijzondere gevallen die voldoen aan de volgende voorwaarden, direct
                                bemiddeld worden:</al><al>a.het betreft de huisvesting van huishoudens wier specifieke
                                situatie vraagt om een oplossing op maat, welke niet kan worden
                                geboden met toepassing van het bepaalde in deze verordening;</al><al>b.het aantal huisvestingen op grond van dit artikel bedraagt per
                                regiogemeente per kalenderjaar ten hoogste vijf procent van de met
                                toepassing van het bepaalde in deze verordening te verhuren
                                woonruimte;</al><al>c.de huisvestingen op grond van dit artikel worden geregistreerd en
                                jaarlijks gerapporteerd aan de Stuurgroep Wonen. Daarbij wordt de
                                Stuurgroep Wonen in ieder geval medegedeeld hoeveel gevallen het per
                                regiogemeente betrof.</al><al>Paragraaf 5 Experimenten woonruimteverdeling</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>1.Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een wijze van
                                in gebruik geven van woonruimte, welke niet in of op grond van deze
                                verordening is geregeld maar wel in een op grond van de
                                Huisvestingswet 2014 vast te stellen verordening geregeld zou kunnen
                                worden.</al><al>2.De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in het
                                eerste lid staat ten dienste van een rechtvaardige, doelmatige,
                                evenwichtige en transparante verdeling van woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Experimenten met woonruimten van corporaties</titel></kop><al>1.Corporaties en één of meer regiogemeenten kunnen een experiment
                                organiseren. Zij stellen daartoe de opzet van het experiment vast,
                                welke tenminste het volgende bevat:</al><al>a.een beschrijving van het doel en de inhoud van het experiment;
                                en,</al><al>b.het toepassingsbereik van het experiment; en,</al><al>c.de tijdsduur van het experiment; en,</al><al>d.de wijze van begeleiding van het experiment gedurende de duur van
                                het experiment; en,</al><al>e.de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd wordt.</al><al>2.Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en betreft
                                per jaar maximaal tien procent van de in dat jaar toe te wijzen
                                woonruimten van de corporaties die bij het experiment betrokken
                                zijn.</al><al>3.Een experiment vangt pas aan nadat de Stuurgroep Wonen de
                                experimentenopzet heeft goedgekeurd. Bij zijn beslissing tot goed-
                                dan wel afkeuring van de experimentenovereenkomst neemt de
                                Stuurgroep Wonen de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige,
                                doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Experiment met overige aangewezen woonruimten</titel></kop><al>1.Andere verhuurders dan corporaties kunnen in samenwerking met één
                                of meer regiogemeenten een experiment organiseren. Het bepaalde in
                                artikel 2.5.2, eerste lid, is hierop van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al>2.Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en vangt pas
                                aan nadat burgemeester en wethouders, na raadpleging van de
                                Stuurgroep Wonen, de de experimentenopzet hebben goedgekeurd. Bij
                                hun beslissing omtrent goedkeuring nemen zij de belangen van een
                                evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling
                                van woonruimte in acht.</al><al>Paragraaf 6 Urgentie </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een
                                    urgentieverklaring</titel></kop><al>Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslissen burgemeester en
                                wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.6.2, eerste lid,
                                aangevraagd moet worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanvraag om een urgentieverklaring</titel></kop><al>1.Een urgentieverklaring wordt aangevraagd:</al><al>a.bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de
                                aanvrager blijkens diens inschrijving in de basisregistratie zijn
                                woonadres heeft; of,</al><al>b.bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de
                                aanvrager wil gaan wonen, als de aanvrager niet in de
                                woningmarktregio woont.</al><al>2.Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de datum
                                van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn eenmaal
                                verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun besluit daartoe
                                bekend binnen de in de vorige zin genoemde termijn.</al><al>3.De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende gegevens
                                en bescheiden:</al><al>a.stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is
                                ingeschreven in een aanbodinstrument;</al><al>b.informatie over de aard en de oorsprong van het
                                huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten grondslag ligt; en</al><al>c.informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van
                                aanvrager.</al><al>4.Het bepaalde in het vorige lid, aanhef en onder a, is niet van
                                toepassing op een aanvraag die een verzoek om indeling in een
                                urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.6.6 inhoudt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Inhoud van de urgentieverklaring</titel></kop><al>1.De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor woonruimte.</al><al>2.Het zoekprofiel bevat het qua ligging, grootte, en aard meest
                                sobere woningtype of de meest sobere woningtypen, naar het oordeel
                                van burgemeester en wethouders noodzakelijk voor het oplossen van
                                het huisvestingsprobleem.</al><al>3.Het zoekprofiel bevat voorts het zoekgebied waarvoor de
                                urgentieverklaring geldig is.</al><al>4.De urgentieverklaring bevat verder de volgende informatie:</al><al>a.de naam, het adres en de woonplaats van aanvrager;</al><al>b.de geboortedatum van aanvrager;</al><al>c.het dossiernummer van de aanvraag;</al><al>d.de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Het zoekgebied</titel></kop><al>1.Het zoekgebied omvat de gemeente van burgemeester en wethouders
                                die de urgentieverklaring hebben verleend.</al><al>2.Het bepaalde in de volgende leden is uitsluitend van toepassing op
                                een urgentieverklaring waarmee de woningzoekende is ingedeeld in een
                                in artikel 2.6.8 genoemde urgentiecategorie.</al><al>3.Indien de houder van de urgentieverklaring wil verhuizen naar een
                                andere regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is
                                afgegeven, kunnen burgemeester en wethouders van de ontvangende
                                regiogemeente:</al><al>a.het zoekgebied wijzigen zodat het hun gemeente omvat. Met de
                                wijziging van het zoekgebied komt een eerder in het zoekprofiel
                                opgenomen zoekgebied te vervallen; en,</al><al>b.de in het zoekprofiel opgenomen woningtypen wijzigen in het voor
                                de ontvangende gemeente, gelet op de toepasselijke
                                urgentiecategorie, met inachtneming van het bepaalde in artikel
                                2.6.3, tweede lid, gangbare woningtype of woningtypen.</al><al>4.Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede lid bedoelde
                                wijziging van het zoekgebied weigeren indien naar hun oordeel de
                                onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan
                                goedkope woonruimte daartoe nopen.</al><al>5.Burgemeester en wethouders beslissen binnen een termijn van vier
                                weken op een verzoek om wijziging van het zoekgebied, bedoeld in het
                                tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien
                                naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende
                                omstandigheden:</al><al>a.het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel
                                2.2.1 genoemde eisen;</al><al>b.er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;</al><al>c.de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen
                                of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze
                                oplossen;</al><al>d.het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden
                                opgelost door gebruik te maken van een voorliggende
                                voorziening;</al><al>e.het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is
                                ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van
                                aanvrager of een lid van zijn huishouden;</al><al>f.het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem
                                kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar
                                zelfstandige woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;</al><al>g.de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan
                                aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende
                                urgentieverklaring is ingetrokken met toepassing van artikel 2.6.10,
                                eerste lid, aanhef en onder a en d;</al><al>h.de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten
                                van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien;</al><al>i.de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan het indienen van
                                de aanvraag blijkens diens inschrijving in de basisadministratie
                                niet tenminste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de
                                urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was;</al><al>j.het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt.</al><al>2.Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een
                                urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.6.8, eerste lid, kunnen
                                burgemeester en wethouders vervolgens het aangevraagde weigeren
                                indien de aanvrager gedurende de in het vorige lid, onder i,
                                bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige en krachtens
                                een besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening voor permanente
                                bewoning bestemde woonruimte.</al><al>3.Burgemeester en wethouders weigeren vervolgens het aangevraagde
                                indien de aanvrager niet valt onder één van de in artikel 2.6.6 tot
                                en met 2.6.8 opgenomen urgentiecategorieën.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Wettelijke urgentiecategorieën</titel></kop><al>1.Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de
                                in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h en j
                                genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één
                                van de volgende urgentiecategorieën behoort:</al><al>a.woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke
                                opvang van personen, die in verband met problemen van relationele
                                aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten en waarvan de
                                uitstroom uit die voorziening aanstaande is, indien de behoefte aan
                                in de desbetreffende regiogemeente gelegen woonruimte als gevolg van
                                die uitstroom naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                dringend noodzakelijk is;</al><al>b.woningzoekenden waarvan de voorziening in de behoefte aan
                                woonruimte als gevolg van het verlenen of ontvangen van mantelzorg
                                naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor aanvrager
                                dringend noodzakelijk is.</al><al>2.Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een
                                vergunninghouder die, gelet op de in artikel 28 van de wet genoemde
                                taakstelling, gehuisvest moet worden door het college van
                                burgemeester en wethouders waar de urgentieverklaring wordt
                                aangevraagd indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><al>a.de woningzoekende is niet door het Centraal Orgaan opvang
                                asielzoekers als bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal orgaan
                                opvang asielzoekers bij een andere gemeente voorgedragen voor
                                huisvesting; en,</al><al>b.de woningzoekende heeft niet eerder aangeboden woonruimte
                                geweigerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Regionale urgentiecategorie: uitstroom</titel></kop><al>1.Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een woningzoekende
                                die moet omzien naar woonruimte aansluitend op verblijf in een
                                instelling voor maatschappelijke opvang, een psychiatrische
                                instelling of een erkende hulp- of dienstverleningsinstelling,
                                indien:</al><al>a.de aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand
                                aan het verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de
                                basisadministratie woonachtig was in de woningmarktregio;</al><al>b.geen van de in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a, c, d,
                                f, h of j genoemde omstandigheden zich voordoet; en,</al><al>c.de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                voldoende zelfredzaam is.</al><al>2.Indien een urgentieverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt
                                aangevraagd door een woningzoekende die verblijft in een in de
                                woningmarktregio gelegen instelling als bedoeld in het eerste lid,
                                zijn de volgende leden van toepassing.</al><al>3.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.1. en artikel 2.6.2,
                                eerste lid, wordt op een aanvraag om een urgentieverklaring waarmee
                                een woningzoekende wordt ingedeeld in een urgentiecategorie als
                                bedoeld in het vorige lid, besloten door burgemeester en wethouders
                                van de regiogemeente waar de locatie van de opvanginstelling waar de
                                woningzoekende verblijft resideert.</al><al>4.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.4, eerste lid, omvat
                                het in de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied e regiogemeente
                                waarin aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand
                                aan het verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de
                                basisadministratie woonachtig was, tenzij burgemeester en wethouders
                                gelet op de problematiek van aanvrager een andere regiogemeente in
                                het zoekgebied opnemen.</al><al>5.Het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente
                                die tot het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied behoort,
                                stelt het in de urgentieverklaring op te nemen woningtype vast,
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Overige regionale urgentiecategorieën</titel></kop><al>1.Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de
                                in artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden
                                voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de volgende
                                urgentiecategorieën behoort:</al><al>a.woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren;</al><al>b.woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen
                                dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel
                                2.6.7 bedoelde urgentiecategorie;</al><al>c.woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte behoort tot een door
                                burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid aangewezen
                                complex.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen complexen aanwijzen waarvan de
                                bewoners in verband met sloop of ingrijpende renovatie of
                                herstructurering van het gebied waarin de complexen zijn gelegen,
                                redelijkerwijs binnen twee jaar niet meer in hun huidige woonruimte
                                kunnen blijven wonen. Burgemeester en wethouders stellen daarbij een
                                datum vast met ingang waarvan de bewoners van de aangewezen
                                complexen een SV-urgentieverklaring kunnen aanvragen.</al><al>3.Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, aanhef en
                                onder a en c, is het bepaalde in artikel 2.6.5, eerste lid aanhef en
                                onder j en het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede lid, niet van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Geldigheid van de urgentieverklaring</titel></kop><al>1.Het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder b, en in het derde
                                en vierde lid van dit artikel is niet van toepassing op de
                                SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaringen waarmee een
                                woningzoekende is ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in
                                artikel 2.6.6, tweede lid, of artikel 2.6.7, eerste lid.</al><al>2.De urgentieverklaring vervalt:</al><al>a.nadat de houder ervan niet meer behoort tot de urgentiecategorie
                                welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring;
                                of,</al><al>b.na verloop van een termijn van 26 weken na verlening van de
                                urgentieverklaring.</al><al>3.Burgemeester en wethouders van de gemeente die tot het in de
                                urgentieverklaring vermelde zoekgebied behoort kunnen besluiten dat
                                de urgentieverklaring een langere termijn dan die bedoeld in het
                                tweede lid geldig blijft indien:</al><al>a.de omstandigheden bedoeld in artikel 2.6.5, eerste lid, zich niet
                                voordoen;</al><al>b.de houder van de urgentieverklaring nog steeds valt in de
                                urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                                urgentieverklaring.</al><al>4.Met inbegrip van de in het vorige lid bedoelde verlenging vervalt
                                een urgentieverklaring na het verstrijken van een periode van 52
                                weken na het moment waarop zij verleend is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Wijzigen en intrekken van de urgentieverklaring</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in
                                indien:</al><al>a.bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en
                                er, indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn
                                geweest, de urgentieverklaring zou zijn geweigerd;</al><al>b.de houder van de urgentieverklaring niet meer behoort tot de
                                urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                                urgentieverklaring of zich één of meer toepasselijke, in artikel
                                2.6.5, eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende
                                urgentiecategorie toepasselijke weigeringsgronden voordoen;</al><al>c.de houder van de urgentieverklaring daartoe verzoekt; of,</al><al>d.de houder van de urgentieverklaring passende woonruimte heeft
                                geweigerd of zich anderszins onvoldoende heeft ingespannen om zijn
                                huisvestingsprobleem op te lossen.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring wijzigen
                                indien:</al><al>a.bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en
                                er, indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn
                                geweest, de urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar anders
                                op de aanvraag zou zijn besloten; of</al><al>b.de houder van de urgentieverklaring behoort tot een andere
                                urgentiecategorie dan die welke aanleiding was voor verlening van de
                                urgentieverklaring.</al><al>3.Ter voorbereiding van een besluit tot intrekking of wijziging van
                                de urgentieverklaring kunnen burgemeester en wethouders zich laten
                                adviseren door een ter zake deskundig persoon.</al><al>4.Indien burgemeester en wethouders een voorwaarde aan de
                                urgentieverklaring hebben verbonden, treedt de urgentieverklaring
                                pas in werking als aan de voorwaarde is voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze
                                verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring,
                                bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:</al><al>a.weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende
                                situatie; en,</al><al>b.sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening
                                onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening
                                redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een
                                urgentieverklaring zouden kunnen zijn.</al><al>2.Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met
                                toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring
                                wordt verleend. De registratie bevat tenminste de datum waarop de
                                urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden
                                van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring.
                                De registraties worden tenminste eenmaal per jaar besproken in de
                                Stuurgroep Wonen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Overgangsrecht urgentieverklaringen</titel></kop><al>Urgentieverklaringen die zijn verleend op grond van de Regionale
                                Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 zoals deze luidt
                                onmiddellijk vóór 1 januari 2016 of daarmee gelijkgesteld is, worden
                                gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.6.1 van deze verordening
                                te verlenen urgentieverklaringen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aanvullende regels over de huisvesting van
                                vergunninghouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Reikwijdte paragraaf 7</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op
                                ingevolge artikel 2.7.2 aangewezen woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte</titel></kop><al>In de gemeente Diemen worden voorts als woonruimten als bedoeld in
                                artikel 7, eerste lid, van de wet aangewezen alle zelfstandige
                                huurwoningen met een maximum huur van de rekenhuur tot de
                                liberalisatiegrens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>De huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                    artikel 2.7.2 voor bewoning in gebruik te nemen zonder
                                    huisvestingsvergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                    artikel 2.7.2 voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon
                                    die niet beschikt over een huisvestingsvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Volgorde waarin aanvragers voor de huisvestingsvergunning in
                                    aanmerking komen</titel></kop><al>Voor een huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen en geven
                                van een krachtens artikel 2.7.1 aangewezen woonruimte komen
                                achtereenvolgens in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>een vergunninghouder of een groep van ten hoogste vier
                                        vergunninghouders; en voorts,</al></li><li nr="b."><al>de door de verhuurder voorgedragen woningzoekende.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren de huisvestingsvergunning
                                    indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het huishouden niet voldoet aan de toelatingseisen genoemd in
                                    artikel 2.2.1;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het huishouden al in het bezit is van een
                                    huisvestingsvergunning;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het huishouden op grond van het bepaalde in 2.7.4 niet voor de
                                    huisvestingsvergunning in aanmerking komt; of,</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in
                                    gebruik zal nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning
                                    indien zich geen van de in het eerste lid genoemde
                                    weigeringsgronden voordoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.4.3 is van overeenkomstige toepassing op
                                het intrekken van een op grond van het bepaalde in deze paragraaf
                                verleende huisvestingsvergunning.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Wijziging van de woonruimtevoorraad</titel></kop><structuurtekst><al>(gereserveerd)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Verdere bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Wijzigingen</al><al>Artikel 4.1.1 Overleg bij wijziging</al><al>Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van deze verordening
                            plegen burgemeester en wethouders overleg met burgemeester en wethouders
                            van de andere regiogemeenten, met de in de woningmarktregio werkzame
                            corporaties en met andere daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking
                            komende organisaties die binnen de woningmarktregio werkzaam zijn op het
                            gebied van de volkshuisvesting.</al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Verslaglegging en monitoring</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4.2.1 Verstrekken van inlichtingen</al><al>Burgemeester en wethouders verstrekken het
                                portefeuillehoudersoverleg de v inlichtingen, die nodig zijn voor
                                een juiste afstemming over de wijze waarop burgemeester en
                                wethouders deze verordening uitvoeren.</al><al>Paragraaf 3 Handhaving en toezicht </al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Handelen zonder of in strijd met een vergunning</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen
                                bij overtreding van de verboden bedoeld in artikel 8, 21 of 22 van
                                de wet of handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften,
                                bedoeld in artikel 24 van de wet.</al><al>2.De bestuurlijke boete voor overtreding van het verbod, bedoeld in
                                artikel 8, eerste lid, van de wet bedraagt:</al><al>a.voor de eerste overtreding en voor een herhaalde overtreding na
                                een periode van 12 maanden: € 405,-;</al><al>b.voor een herhaalde overtreding binnen een periode van 12 maanden:
                                € 405,-.</al><al>3.De bestuurlijke boete voor overtreding van het verbod, bedoeld in
                                artikel 8, tweede lid, van de wet bedraagt:</al><al>a.voor de eerste overtreding en voor een herhaalde overtreding na
                                een periode van 12 maanden: € 3.250,-;</al><al>b.voor een herhaalde overtreding binnen een periode van 12 maanden:
                                € 5.000,-.</al><al>Paragraaf 4 Restbepalingen</al><al>Artikel 4.4.1 Hardheidsclausule</al><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de
                                toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere
                                hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze
                                verordening.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5.1 Overgangsbepalingen beschikkingen</al><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen, met inbegrip
                                    van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften vóór het
                                    tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige verordening
                                    verleend, gelden als vergunningen, toestemmingen,
                                    urgentieverklaringen en indicaties, met inbegrip van daaraan
                                    verbonden voorwaarden en voorschriften als bedoeld in deze
                                    verordening.</al></li><li nr="2."><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2016 blijft
                                    van toepassing op een huisvestingsvergunning, een
                                    onttrekkingsvergunning of een splitsingsvergunning of een
                                    beschikking tot weigering, wijziging of intrekking daarvan, die
                                    nog niet onherroepelijk is.</al></li><li nr="3."><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2016 blijft
                                    van toepassing op een beschikking tot toepassing van een
                                    bestuurlijke sanctie, genomen wegens de overtreding van het
                                    bepaalde bij of krachtens de Huisvestingswet, of een beschikking
                                    tot weigering, wijziging of intrekking daarvan, die nog niet
                                    onherroepelijk is.</al></li><li nr="4."><al>De voor inwerkingtreding van deze verordening vastgestelde
                                    beleidsregels blijven onverkort van toepassing indien ze door de
                                    inwerkingtreding van deze verordening niet worden
                                    gewijzigd.</al></li></lijst><al>Artikel 5.2 Overgangsbepalingen en coulanceregeling omzetten woonduur
                            naar inschrijfduur</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een woningzoekende zich in de periode van 1 januari 2016
                                    tot 1 juli 2019 als zodanig inschrijft, wordt de woonduur die
                                    hij heeft opgebouwd onmiddellijk voorafgaand aan 31 december
                                    2015, omgezet naar inschrijfduur indien de woningzoekende bij of
                                    na die inschrijving bij de beheerder van het aanbodinstrument of
                                    bij een corporatie aangegeven heeft dat bedoelde woonduur
                                    omgezet moet worden naar inschrijfduur.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde omzetting van woonduur
                                    naar inschrijfduur vindt plaats in een verhouding van 1:1.</al></li><li nr="3."><al>De inschrijfduur die met toepassing van de vorige leden is
                                    ontstaan door omzetting van woonduur vervalt op 1 juli
                                    2030.</al></li></lijst><al>Artikel 5.3 Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als Huisvestingsverordening Diemen
                            2016.</al><al>Artikel 5.4 Inwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016 en vervalt op 1
                            januari 2020.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage 1</titel></kop><al><vet>Behorende bij artikel 2.3.3</vet></al><al>Gemeente Diemen</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="45*"/><colspec colname="col2" colwidth="55*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Woning met aantal kamers</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Huishouden met minimaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2 personen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3 personen</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>