<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>406721_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Collectieve Arbeidsvoorwaarden en Uitwerkingsovereenkomst</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Castricum</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-08-25</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-113710.html">gmb-2016-113710</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Collectieve Arbeidsvoorwaarden en
                Uitwerkingsovereenkomst</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>personeel en organisatie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-08-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-08-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artt. 2:4, 2:7 en 8:2a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>ledenbrief ECWGO/U201600259</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wijziging CAR n.a.v. Wet flexibel werken en Wet werken na AOW-leeftijd</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>Collectieve Arbeidsvoorwaarden en Uitwerkingsovereenkomst</vet></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders in de
                        vergadering van 5 januari 2016</al><al>Op 5 januari 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Castricum onderstaande, integrale teksten vastgesteld waarmede
                        tevens alle wijzigingen van de CAR-UWO zijn overgenomen in de
                        arbeidsvoorwaardenregeling Castricum met als ingangsdatum 1 januari
                        2016.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld
                                        om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie
                                        een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
                                        aangegaan;</al></li><li nr="b."><al>functie: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar
                                        is te verrichten conform artikel 3:1;</al></li><li nr="c."><al>pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die
                                        gold tot en met 31 december 1995;</al></li><li nr="d."><al>pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement
                                        van de Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="e."><al>arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal
                                        uren in een bepaalde periode gedurende welke door de
                                        ambtenaar arbeid moet worden verricht;</al></li><li nr="f."><al>arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de
                                        ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;</al></li><li nr="g."><al>formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de
                                        aanstelling;</al></li><li nr="h."><al>feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die
                                        voor de ambtenaar voor een bepaalde week is
                                        vastgesteld;</al></li><li nr="i."><al><cursief>vervallen</cursief>;</al></li><li nr="j."><al>arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele
                                        arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;</al></li><li nr="k."><al>dienstverband: een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde
                                        tijd, of een oproepovereenkomst;</al></li><li nr="l."><al>overwerk: werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de
                                        bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht
                                        verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week;</al></li><li nr="m."><al>werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet
                                        verrichten;</al></li><li nr="n."><al>werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen
                                        gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden
                                        verricht;</al></li><li nr="o."><al>uurloon: 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een volledig
                                        dienstverband herberekende - salaris van de ambtenaar per
                                        maand;</al></li><li nr="p."><al>Zvw: de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0018450" struct="BWB">Zorgverzekeringswet</extref></al></li><li nr="q."><al>CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector
                                        gemeenten;</al></li><li nr="r."><al>UWO: Uitwerkingsovereenkomst;</al></li><li nr="u."><al>LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                        Arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="v."><al>WAO: de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering</extref>;</al></li><li nr="w."><al>arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van
                                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002524&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18, eerste lid, van de
                                        WAO</extref>;</al></li><li nr="x."><al>WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;</al></li><li nr="y."><al>WIA: <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">Wet
                                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen</extref>;</al></li><li nr="z."><al>IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig
                                        arbeidsongeschikten;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr></lidnr><al>aa. IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame
                                arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;</al><al>bb. WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                arbeidsgeschikten;</al><al>cc. WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
                                arbeidsgeschikten op grond van de WIA;</al><al>dd. WAJONG: <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">Wet
                                    arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong
                                    gehandicapten</extref>;</al><al>ee. WAZ: <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">Wet
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen</extref>;</al><al>ff. Wazo: <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wet
                                    arbeid en zorg</extref>;</al><al>gg. SUWI: de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013060" struct="BWB">wet
                                    Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen</extref>;</al><al>hh. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in
                                artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen
                                1997;</al><al>ii. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting
                                Pensioenfonds ABP;</al><al>jj. WPA: de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007791" struct="BWB">Wet
                                    privatisering ABP</extref>;</al><al>mm. volledig dienstverband: een dienstverband waarvan de arbeidsduur
                                per jaar 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur
                                bedraagt. Bij een deeltijd dienstverband bedraagt de arbeidsduur
                                minder dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur minder dan 36
                                uur per week</al><al>nn. ZW: de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref>;</al><al>oo. ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW;</al><al>pp. UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als
                                bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013060" struct="BWB">hoofdstuk 5 van de wet SUWI</extref>.</al><al>qq. Salaris: maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de
                                ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele
                                arbeidsduur.</al><al>rr. Salaristoelagen: de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoemde
                                toelagen te weten: de functioneringstoelage, de waarnemingstoelage,
                                de toelage onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de
                                toelage beschikbaarheidsdienst, de inconveniententoelage, de
                                arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan
                                de medewerker zijn toegekend. Deze werden tot 1 januari 2016 tot de
                                bezoldiging gerekend. Voor de medewerker in dienst vóór 1 januari
                                2016, geldt de Toelage Overgangsrecht (TOR) op grond van hoofdstuk 3
                                paragraaf 6, ook als een salaristoelage.</al><al>ss. <cursief>Functieschaal</cursief>: de salarisschaal die bij een
                                functie hoort;</al><al>tt. <cursief>Periodiek</cursief>: het maandbedrag in een
                                salarisschaal;</al><al>uu. <cursief>Salarisschaal</cursief>: een reeks maandbedragen als
                                opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk;</al><al>vv. <cursief>Achterblijvende Partner:</cursief> weduwe, weduwnaar,
                                geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde
                                partner die een samenlevingscontract had met de overleden
                                ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en
                                bedrijven door de gemeente beheerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601371</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Geen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                wordt niet als ambtenaar beschouwd:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar
                                        onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van
                                        openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de
                                        zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c."><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                        zodanig;</al></li><li nr="d."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=231" struct="BWB">artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d
                                            en e van de Gemeentewet</extref>;</al></li><li nr="e."><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is
                                        benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke
                                        belastingen;</al></li><li nr="f."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                        zonder opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="g."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met
                                        opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h."><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening
                                        en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in
                                        dienst is van de gemeente, met uitzondering van de
                                        geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader
                                        van begeleid werken als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008903&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel 7 van de Wet sociale
                                        werkvoorziening</extref>;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder ‘medewerker’,
                                        van de sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is,
                                afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het
                                georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming
                                vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de
                                ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de
                                gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200800390, U200901449, U201001980 en U201002606</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26 en de
                                hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                                wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de
                                hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de
                                hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                                werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen
                                regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling
                                de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die
                                behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de
                                hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200801637, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2:2</nr><titel>Leer-werkbaan</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: U200515875, U200801544, U201401851</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2:3</nr><titel>Instapplan</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: U200515875, U201401851</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2a</nr><titel>Stageplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of
                                onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een
                                stage-overeenkomst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                                uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17 en
                                artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de
                                duur afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de
                                stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de
                                stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate
                                begeleiding.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                                Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Ledenbrief: U201401851</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2b</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats
                                aanbieden op basis van een werkervaringsovereenkomst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                                uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17 en
                                artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                voor een periode van maximaal 6 maanden. De
                                werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een
                                periode van maximaal 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de
                                medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat.
                                Het college zorgt voor adequate begeleiding.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                                Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Ledenbrief: U201401851</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2c</nr><titel>Aanstellingen op grond van de banenafspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college
                                salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op
                                grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0036551" struct="BWB">Wet
                                    banenafspraak</extref> een aanstelling krijgt omdat hij onder de
                                    <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0015703" struct="BWB">Participatiewet</extref> valt en door beperkingen niet het
                                wettelijk minimumloon kan verdienen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college
                                vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0036551" struct="BWB">Wet
                                    banenafspraak</extref> een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger
                                is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan
                                100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald
                                percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde
                                percentage van het salaris lager dan het wettelijk minumumloon, dan
                                is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk
                                minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de
                                eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in de
                                toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde minimumbedrag voor
                                de vakantietoelage.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                artikel 6a:7, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de
                                levensloopbijdrage.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag
                                voor de eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a, eerste lid
                                genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de
                                deeltijdfactor.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag
                                voor de vakantietoelage het in de toelichting op artikel 6:3, tweede
                                lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de
                                deeltijdfactor.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag
                                voor de levensloopbijdrage het in artikel 6a:7 eerste lid genoemde
                                minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar
                                loondispensatie op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">Wajong</extref>
                                ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris
                                en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201501380</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Toepassing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden
                                ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of
                                krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor
                                zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is
                                geregeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze
                                regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op
                                ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden
                                uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de
                                eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het
                                secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen
                                aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: 2002004761 en U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3:1</nr></kop><al>Vervalt</al><al>briefnummer: CvA/200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3a</nr></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de
                            op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4:1</nr><titel>Voorschriften en instructies</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college,
                            indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk
                            is:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                    bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                    functioneren van de dienst;</al></li><li nr="b."><al>instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de
                                    vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4:2</nr><titel>Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze
                                regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen
                                welke ter uitvoering van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001947&amp;artikel=125" struct="BWB">artikel 125 van de Ambtenarenwet</extref> zijn of worden
                                getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het
                                vorige lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a."><al>de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot
                                        het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging
                                        van Nederlandse Gemeenten;</al></li><li nr="b."><al>de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van
                                        gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de
                                        onder a aangeduide centrales;</al></li><li nr="c."><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d."><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                        aanmerking komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor
                                hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter
                                uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of
                                welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te leven,
                                tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke
                                plaats ter inzage liggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als
                                bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk
                                te zijner kennis gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4:4</nr><titel>Voordragen van belangen</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd
                            van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te
                            dragen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Omvang van de betrekking</titel></kop><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van
                            de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een
                            decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.</al><al>briefnummer: ARZ/601519</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Vrijstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen
                                voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan
                                worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor
                                bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van
                                het bepaalde in de hoofdstuk 8 en 10d. In de commissie voor
                                georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de
                                criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies
                                zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is
                                ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze
                                regeling gevoerd bij het opstellen van even genoemde criteria en bij
                                het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste
                                van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van
                                toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die
                                projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te
                                bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen
                                worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate
                                zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de
                                werkzaamheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2008001112</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanstelling en arbeidsovereenkomst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Aanstelling: het bevoegd gezag</titel></kop><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald,
                            geschiedt de aanstelling door het college.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1A</nr><titel>Aanstelling in algemene dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter
                                uitvoering van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is
                                met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene
                                dienst van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201201481</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1B</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang
                                van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een
                                passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in
                                verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem
                                bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de
                                ambtenaar verplicht om:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te
                                        verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te
                                        nemen;</al></li><li nr="b."><al>tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                        vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c."><al>beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde
                                        werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek
                                        verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de
                                        ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten
                                        minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van
                                        twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de
                                        schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid
                                en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden
                                redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij –
                                onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te
                                vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond
                                kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter
                                zake neemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201201481</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Aanstelling: onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na
                                een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd
                                bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij
                                in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten
                                van de hem op te dragen werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de
                                gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde
                                onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in
                                het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de
                                    <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0014194" struct="BWB">Wet
                                    justitiële en strafvorderlijke gegevens</extref>.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vreemdeling, zoals omschreven in de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0011823" struct="BWB">Vreemdelingenwet
                                    2000</extref> kan slechts voor een aanstelling in aanmerking
                                komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij
                                hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007149&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel
                                    3 van de Wet arbeid vreemdelingen</extref>.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: 2004001009, U201100883, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Aanstelling: geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde
                                functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen
                                op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld,
                                aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht
                                op de te vervullen functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen
                                van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het
                                geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n),
                                daartoe aangewezen door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Duur van de aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor
                                bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6
                                maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen
                                inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang van die dag als
                                een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd
                                elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden,
                                geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde
                                tijd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende
                                aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en
                                verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de
                                hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de
                                verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars
                                opvolger te zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt,
                                geldt de aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf de
                                dag waarop:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen
                                        van niet meer dan zes maanden hebben opgevolgd en een
                                        periode van 48 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben
                                        overschreden;</al></li><li nr="b."><al>meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar
                                        hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes
                                        maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal opvolgende
                                aanstellingen is overschreden, worden alleen de aanstellingen in
                                tijdelijke dienst in aanmerking genomen die zijn aangegaan na het
                                bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2001002849, U201401851, U201500231</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4:1</nr><titel>Bericht van aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het
                                bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a
                                        tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993,
                                        635);</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar</al><lijst><li nr="i."><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is
                                                aangesteld:in een tijdelijke aanstelling voor
                                                onbepaalde tijd;</al></li><li nr="ii."><al>voor vervulling van een betrekking bij wijze van
                                                proef;</al></li><li nr="iii."><al>voor een project met een eenmalig en uniek
                                                karakter;</al></li><li nr="iv."><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke
                                                of praktische opleiding of vorming;</al></li><li nr="v."><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="vi."><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het kader
                                                van een door de overheid getroffen regeling, die het
                                                karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling
                                                de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van
                                                personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                                                groepen van werklozen;</al></li><li nr="vii."><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
                                ambtenaar kosteloos meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet
                                van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/U200515875</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4:2</nr><titel>Vacatures</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
                                personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot
                                aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen
                                verzet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van
                                overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens
                                hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U2008001112</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4:3</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Arbeidsovereenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst
                                naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep
                                verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend
                                karakter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud
                                opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001947&amp;artikel=125h" struct="BWB">Artikel 125h van de Ambtenarenwet</extref> is van
                                overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een
                                arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200800453</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:1</nr><titel>Arbeidsovereenkomst</titel></kop><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn
                            de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:2</nr><titel>Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</titel></kop><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een
                            minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van
                            minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per
                            kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer
                            of minder uren wordt gewerkt.</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:3</nr><titel>Inhoud oproepovereenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen
                                    die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen,
                                    het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                    bieden;</al></li><li nr="b."><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na
                                    daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c."><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de
                                    aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht
                                    kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang
                                    van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;</al></li><li nr="d."><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                    vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden
                                    verricht;</al></li><li nr="e."><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                    oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging
                                    respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de
                                    aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij
                                    kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de
                                    termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever
                                    gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk
                                    vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van
                                    twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig
                                    aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f."><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet
                                    heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste
                                    een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de
                                    oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens
                                    ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag
                                    van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:4</nr><titel>Betaling bij ziekte van de oproepkracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) van de oproepkracht te baseren op de minimum
                                afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de oproepkracht
                                geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, worden uitgedrukt in
                                een bedrag per uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge
                                hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan
                                van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het
                                kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is
                                ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in
                                belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand
                                kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende
                                een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde
                                arbeidspatroon van de oproepkracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:5</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:6</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:7</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:8</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:9</nr><titel>Oproepkrachten</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:10</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:11</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:12</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van
                            artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien
                            een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten
                            hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling.</al><al>briefnummer: CvA/2001002849, U201401851</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen
                                of de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uur
                                van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                                dienstbelangen zich hiertegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan, het recht de werktijden aan te passen, tenzij
                                zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                verzetten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is
                                aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan het college verzoeken tot aanpassing van zijn
                                arbeidsplaats.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon met
                                wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan die de AOW-gerechtigde
                                leeftijd heeft bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die
                                is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week,
                                worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een
                                        vooraf te bepalen periode;</al></li><li nr="2."><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="3."><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="4."><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="6."><al>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3,
                                        tweede lidevenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="7."><al>de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a
                                        , eerste lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="8."><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="9."><al>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing
                                        is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het
                                college dit vooraf aan de OR.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over
                                het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar
                                maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan
                                de OR.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ECCVA/U200800305 / U200800645</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Aanstelling na 65 jaar</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2004003238</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Functies en functiewaardering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de
                                    gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke functie wordt beschreven op basis van een
                                    functiewaarderingssysteem.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op
                                    basis van een functiewaarderingssysteem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                                    uitkeringen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op
                                    salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig
                                    dit hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de
                                    ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat
                                    arbeid te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en
                                    de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling
                                    anders is bepaald.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Salaris</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Vaststelling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand
                                    van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid
                                    en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van
                                    een periodiek in de functieschaal.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij
                                    al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van
                                    opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris
                                    overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de
                                    functieschaal worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Salarisverhoging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende
                                    periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende
                                    voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>de ambtenaar functioneert voldoende;</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog
                                            niet bereikt;</al></li><li nr="c."><al>er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling
                                            , zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn
                                            promotie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan toekenning van een periodieke
                                    salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een ambtenaar een extra periodieke
                                    salarisverhoging toekennen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het
                                    college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste
                                    verhogingsdatum vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Verlaging salarisschaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen
                                    salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij
                                    hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een
                                    grond aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn
                                    instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere
                                    schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het
                                    salaris.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door
                                    toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in
                                    een functie met een lager maximumsalaris, met een
                                    overeenkomstige aanpassing van het salaris.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door
                                    toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie
                                    met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige
                                    aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal
                                    plan of sociaal statuut.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Inpassing in hogere schaal</titel></kop><al>De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal
                                overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een
                                hoger salaris.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Uitloopschaal</titel></kop><al>Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31
                                december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De
                                uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale
                                regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing
                                zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Salaristoeslagen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Functioneringstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed
                                    of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties
                                    heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft
                                    bereikt, een functioneringstoelage toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het
                                    voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan
                                    deze opnieuw worden toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Arbeidsmarkttoelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage
                                    toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als
                                    schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in
                                    het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan
                                    personeel</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is
                                    vastgesteld, met een maximum van 3 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Waarnemingstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te
                                    nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode
                                    van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling
                                    geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de
                                    toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de
                                    ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij
                                    de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn
                                    ingedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid
                                    toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de
                                    werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt
                                    uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de
                                    volgende tijdvakken van de week:</al><lijst><li nr="•"><al>maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en
                                            tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20%</al></li><li nr="•"><al>maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en
                                            tussen 22.00 en 24.00 uur: 40%</al></li><li nr="•"><al>zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40%</al></li><li nr="•"><al>zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde
                                            lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65% </al></li></lijst><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal
                                    gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van
                                    salarisschaal 6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een
                                    week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur
                                    in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt
                                    uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding
                                    (artikel 3:18) worden uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Buitendagvenstertoelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de
                                    werktijden en die door het college is aangewezen om te werken
                                    buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op
                                    een buitendagvenstertoelage.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="•"><al>50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte
                                            uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en
                                            vrijdag 24:00 uur;</al></li><li nr="•"><al>75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren
                                            gewerkt op zaterdag;</al></li><li nr="•"><al>100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren
                                            gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel
                                            4:5, derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of
                                    hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Toelage beschikbaarheidsdienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden
                                    beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage
                                    beschikbaarheidsdienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag
                                    tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op
                                    zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5
                                    derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal
                                    gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van
                                    salarisschaal 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Inconveniëntentoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage
                                toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware,
                                onaangename of gevaarlijke arbeid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Garantietoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een
                                lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage
                                toekennen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Afbouwtoelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage
                                    onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of
                                    de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd,
                                    heeft recht op een afbouwtoelage indien</al><lijst><li nr="•"><al>hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee
                                            maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten
                                            én</al></li><li nr="•"><al>met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een
                                            bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn
                                            salaris.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="•"><al>op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk
                                            9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of</al></li><li nr="•"><al>indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in
                                            een sociaal plan.3. De looptijd van de afbouwtoelage is
                                            maximaal drie jaar. De afbouwtoelage bedraagt in het
                                            eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde
                                            jaar 25% van het af te bouwen bedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen
                                    onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het
                                    gemiddelde van de voorgaande 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij
                                    een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is
                                    verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de
                                    salarisverhoging.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Overige vergoedingen en uitkeringen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:17</nr><titel>Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens
                                    werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0010346&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet</extref>,
                                    EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of interventieteam,
                                    ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met
                                    bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:18</nr><titel>Overwerkvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere
                                    regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een
                                    overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding
                                    wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige
                                    dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De overwerkvergoeding bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>verlof gelijk aan het aantal volle uren van het
                                            overwerk,</al></li><li nr="b."><al>het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter
                                            hoogte van het volgende percentage van het uurloon van
                                            de ambtenaar:</al><lijst><li nr="•"><al>100% voor overwerk op een zondag of feestdag
                                                  (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur;</al></li><li nr="•"><al>75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en
                                                  24.00 uur;</al></li><li nr="•"><al>75% voor overwerk op een maandag of de dag
                                                  volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00
                                                  uur;</al></li><li nr="•"><al>50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag,
                                                  donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur;</al></li><li nr="•"><al>50% voor overwerk op een maandag, dinsdag,
                                                  woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en
                                                  24.00 uur;</al></li><li nr="•"><al>25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag,
                                                  donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00
                                                  uur.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo
                                    vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor
                                    zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof
                                    verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde
                                    lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat
                                    bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het
                                    uurloon conform het tweede lid onder b.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden
                                    van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt
                                    opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een
                                    overwerkvergoeding.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of
                                    hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:18a</nr><titel>Eindejaarsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage
                                    van 6,0 % van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris
                                    op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking
                                    minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit
                                    bedrag naar rato vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                                    maand december betaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de
                                    ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een
                                    eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt
                                    betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van
                                    het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                                    geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:19</nr><titel>Ambtsjubileum</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra
                                        hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder
                                        overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is
                                        geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever.</al></li><li nr="2."><al>Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van
                                        het maandsalaris over de maand van jubileren, plus de
                                        vakantietoelage berekend over deze maand en de in deze maand
                                        toegekende salaristoelagen. Bij 40 en 50 jaar
                                        overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris over de
                                        maand van jubileren, plus de vakantietoelage en de
                                        toegekende salaristoelagen.</al></li><li nr="3."><al>Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van
                                        artikel 8:3 of 8:4 CAR:</al></li></lijst><al>en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het
                                bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op
                                een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In
                                dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het
                                ontslag als de maatgevende maand aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:20</nr><titel>Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                                    prestaties</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig
                                een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of
                                geleverde bijzondere prestaties</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:21</nr><titel>Reis- en verblijfkostenvergoeding.</titel></kop><al>Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten
                                voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij
                                gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het
                                2e klasse tarief.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:22</nr><titel>Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</titel></kop><al>Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding
                                woon-werkverkeer toekennen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:23</nr><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende
                                    salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende
                                    partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige
                                    kinderen — een overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal
                                    het laatst genoten salaris vermeerderd met de vakantietoelage en
                                    de toegekende salaristoelagen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het
                                    voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan
                                    de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                    overledene kostwinner was.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:24</nr><titel>Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en
                                    door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een
                                    rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan
                                    wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt.
                                    Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering
                                    verstrekt aan de minderjarige kinderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitkering bedraagt één jaarsalaris, vermeerderd met de
                                    vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen, berekend over
                                    de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van
                                    overlijden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot
                                    uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een
                                    ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking
                                    van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft
                                    verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid
                                    genoemde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste
                                    lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de
                                    meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                    overledene kostwinner was.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:25</nr><titel>Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</titel></kop><al></al></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de
                                    gemeenten Amsterdam en Den Haag)</cursief></al></artikel><artikel><kop><nr></nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of
                                    Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn
                                    Keuze 4 bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een
                                    tegemoetkoming in zijn ziektekosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per
                                    kalenderjaar in de maand december uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar
                                    heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een
                                    tegemoetkoming in de ziektekosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:26</nr><titel>Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</titel></kop><al></al></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de
                                    gemeenten Amsterdam en Den Haag)</cursief></al></artikel><artikel><kop><nr></nr><titel></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het
                                    salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het
                                    bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of
                                    ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten
                                    naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand
                                    december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst
                                    treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid
                                    de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:27</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al><vet>Overgangsrecht hoofdstuk 3 met toelichting per 1 januari
                                    2016</vet></al><al></al><lijst><li nr="1."><al>Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31
                                        december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de
                                        voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.</al></li></lijst><al>Toelichting:</al><al><cursief><onderstreept>1a Bestaande garantietoelage en
                                        afbouwtoelagen.</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen –
                                    ongeacht de benaming – die naast het salaris structureel
                                    onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de betreffende
                                    ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in
                                    salaris of emolumenten en toelagen – niet zijnde
                                    onkostenvergoedingen – op te vangen, niet vervallen bij
                                    invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met andere
                                    woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden
                                    meegenomen in de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals
                                    geregeld in dit overgangsrecht.</cursief></al><al><cursief>Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van
                                    hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 en vinden vanaf dat moment hun
                                    grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de voorwaarden waaronder ze
                                    zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden bij
                                    toekenning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van
                                    toepassing blijven.</cursief></al><al><cursief><onderstreept>1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke
                                        overeengekomen einddatum.</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd
                                    op een rechtsgrond omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een
                                    toelage met een hogere grondslag en die niet te kwalificeren is
                                    als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld, maar die zich
                                    ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens
                                    worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het
                                    moment dat de toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de
                                    toelage tijdelijk is en dat de einddatum of gebeurtenis tijdens
                                    welke de tijdelijke toelage wordt betaald schriftelijk is
                                    vastgelegd in een besluit.</cursief></al><al><cursief>Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage
                                    zoals sommige gemeenten die kennen: in afwachting van een
                                    verwachte stap in de carrière wordt aan een medewerker die kan
                                    doorgroeien naar een managementfunctie een toelage gegeven voor
                                    maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in
                                    de TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde
                                    toelage eeuwig in een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen
                                    met een schriftelijk vastgelegde einddatum lopen gewoon door
                                    conform de afspraken en tot de vastgelegde einddatum.</cursief></al><lijst><li nr="2."><al>Het brandweerpersoneel bij de veiligheidsregio’s wordt
                                        uitgezonderd van het nieuwe beloningshoofdstuk met
                                        uitzondering van het IKB, tenzij in het overleg van de
                                        Brandweerkamer met de vakbonden anders wordt besloten.</al></li><li nr="3."><al>Lokale financiële arbeidsvoorwaarden<noot><cvdr:noot.nr xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"> 1 </cvdr:noot.nr><cvdr:noot.al xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/">Bruto blijft bruto, netto blijft
                                                netto.</cvdr:noot.al></noot>die op al het personeel binnen een gemeente worden
                                        toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de
                                        lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling,
                                        vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in
                                        dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet
                                        in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3
                                        (jaarbedrag) deel 1.</al></li></lijst><al>Toelichting:</al><al><cursief>Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet
                                    terugkeren in hoofdstuk 3, conform de formulering in hoofdstuk
                                    3.</cursief></al><lijst><li nr="4."><al>Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de
                                        lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn
                                        opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog
                                        bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in
                                        hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014
                                        (roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor
                                        elke medewerker die het betreft bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan
                                                toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang
                                                geldende regels voor toelagen/vergoedingen</al></li><li nr="b."><al>hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan
                                                toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe
                                                systematiek.</al></li></lijst></li></lijst><al>Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel
                                2.</al><al>Toelichting:</al><al><cursief>Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de </cursief><cursief><onderstreept>grondslag van de vakantietoelage</onderstreept></cursief><cursief> meer beloningselementen (inclusief emolumenten) omvat dan
                                    het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij het
                                    vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het
                                    daarbij gaat om beloningselementen, die met de introductie van
                                    hoofdstuk 3 komen te vervallen of die worden verlaagd, dienen de
                                    betreffende bedragen bij wijze van nadeelcompensatie vóór opname
                                    in de TOR met 8% te worden verhoogd.</cursief></al><al><cursief>In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode
                                    vastgelegd die recht doet aan het uitgangspunt dat het nieuwe
                                    hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is. Medewerkers worden
                                    gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning.
                                    Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het
                                    overgangsrecht en de tijdelijke toelagen met een schriftelijk
                                    overeengekomen einddatum is daarom afgesproken om medewerkers
                                    die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te compenseren met
                                    een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de
                                    aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het
                                    dienstverband ongewijzigd bestaan.</cursief></al><al><cursief>De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee
                                    verschillende soorten toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn
                                    feitelijk twee stappen die men in de tijd achter elkaar zet om
                                    te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is een
                                    vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt,
                                    bijvoorbeeld een extra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2
                                    is lastiger te bepalen, omdat deze voor iedereen verschillend
                                    zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of toeslag of
                                    vergoeding die in de lokale bezoldigingsverordening is
                                    opgenomen. En niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of
                                    rooster. Om de TOR 2 te kunnen bepalen is afgesproken 2014 als
                                    refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is dat 2014 een
                                    recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat
                                    aan onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk
                                    is gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende
                                    (lokale) regels.</cursief></al><al><cursief>De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan
                                    de toeslagen van het nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het
                                    eindbedrag vergeleken met het bedrag dat aan toeslagen is
                                    betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt daarmee
                                    de TOR 2 gevuld.</cursief></al><al><cursief>Geen roosters</cursief></al><al><cursief>Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan
                                    reproduceren heeft de berekening aan de hand van een refertejaar
                                    geen zin. Daarom is in het LOGA afgesproken dat ook een andere
                                    rekenwijze kan worden toegepast die wordt gebaseerd op het
                                    werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat de
                                    roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van
                                    hoofdstuk 3. Op basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling
                                    van de TOR dit rooster berekend met de toelagepercentages uit
                                    2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de hoogte van de TOR.
                                    Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de ORT
                                    hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest
                                    hetzij om ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten.</cursief></al><al><cursief>Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die
                                    bezig zijn om het overwerk terug te dringen, doordat
                                    bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt geïmplementeerd,
                                    de oude percentages van de oude regeling kunnen worden toegepast
                                    voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor
                                    nieuwe medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als
                                    het slechts om een hele kleine groep medewerkers gaat die
                                    bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit alternatief passend
                                    zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van
                                    overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door
                                    opname van het oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in
                                    refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat die niet nodig is. 5. Als
                                    2014 geen representatief jaar is door langdurige ziekte (langer
                                    dan 2 maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel
                                    overwerk of andere redenen wordt in onderling overleg een ander
                                    representatief refertetijdvak vastgesteld.</cursief></al><al><cursief>Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode
                                    te komen als de bovengenoemde berekening tot een niet
                                    representatief beeld leidt. Als medewerkers bijvoorbeeld in 2014
                                    extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de TOR in verhouding
                                    te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode
                                    gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de
                                    bedoeling van het overgangsrecht.</cursief></al><al><cursief>De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer
                                    worden geïnterpreteerd dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat
                                    erom een geschikte berekeningswijze vast te stellen mits die
                                    recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door
                                    invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan.</cursief></al><al><cursief>Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel
                                    overleg met de medewerker en in bijzondere gevallen op overleg
                                    in het GO. Dat laatste is het geval als het om patronen gaat en
                                    een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is
                                    betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een
                                    reorganisatie of gewijzigde werktijdenregelingen het onmogelijk
                                    is om de roosters van 2014 te reproduceren.</cursief></al><lijst><li nr="5."><al>Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de
                                        toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de
                                        loonontwikkelingen.</al></li></lijst><al>Toelichting:</al><al><cursief>De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt
                                    tot een positief verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2
                                    –omdat bijvoorbeeld de toeslagen ORT van het nieuwe hoofdstuk 3
                                    hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot een negatief
                                    verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 (-Euro 200) = Euro
                                    100-.</cursief></al><al><cursief>De TOR is een nominaal bedrag en geldt voor de betreffende
                                    medewerker als een salaristoelage. De TOR telt mee voor de
                                    vaststelling van de vakantietoelage en is onderdeel van de
                                    pensioengrondslag. De TOR telt niet mee bij de berekening van de
                                    eindejaarsuitkering en de levensloopbijdrage.</cursief></al><lijst><li nr="6."><al>Er zijn geen anticumulatiebepalingen.</al></li></lijst><al>Toelichting:</al><al><cursief>Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het
                                    inkomen van de medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk
                                    3 stijgt, bijvoorbeeld door promotie of een nieuw rooster met
                                    een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet verrekend met de
                                    TOR van de medewerker.</cursief></al><lijst><li nr="7."><al>Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat
                                        een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand
                                        december.</al></li></lijst><al>Toelichting:</al><al><cursief>De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand
                                    december wordt uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste
                                    situatie is, bijvoorbeeld omdat de TOR een hoog bedrag is, en
                                    een maandelijkse uitbetaling, of een uitbetaling per kwartaal,
                                    beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13) afgesproken dat
                                    lokaal andere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft
                                    niet bepaald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt
                                    is echter dat als het om groepen medewerkers gaat het GO
                                    gesprekspartner is. Betreft het een enkeling of een kleine groep
                                    dan kunnen deze afspraken ook individueel worden
                                    gemaakt.</cursief></al><lijst><li nr="8."><al>De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op
                                        jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze
                                        afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5
                                        jaar.</al></li></lijst><al>Toelichting:</al><al><cursief>Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime
                                    dienstverband. Bij deeltijd wordt het bedrag naar rato
                                    verlaagd.</cursief></al><lijst><li nr="9."><al>Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar
                                        eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato
                                        uitgekeerd.</al></li><li nr="10."><al>Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt
                                        de toelage overgangsrecht H3 naar rato.</al></li></lijst><al>Toelichting:</al><al><cursief>Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de
                                    TOR naar rato. De TOR daalt niet als men ouderschapsverlof
                                    geniet of ziek is.</cursief></al><lijst><li nr="11."><al>Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen
                                        effect.</al></li></lijst><al>Toelichting:</al><al><cursief>De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in
                                    principe naar rato, behalve ingeval van vergroting van de
                                    aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt verhoogd.</cursief></al><lijst><li nr="12."><al>Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of
                                        betaling in termijnen gemaakt worden.</al></li></lijst><al>Toelichting: <cursief>Zie punt 8.</cursief></al><lijst><li nr="13."><al>Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die
                                        op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met
                                        bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief
                                        afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen
                                        vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk
                                        31 december 2020) recht zouden hebben op een
                                        ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was
                                        vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van
                                        de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat
                                        hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van
                                        de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht
                                        vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3.</al></li></lijst><al>Toelichting:</al><al><cursief>De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen
                                    overgangsbepaling. Het betreft de afspraak dat medewerkers die
                                    uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben op een
                                    ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de
                                    gemeente, deze ambtsjubileumgratificatie ontvangen conform die
                                    oude regeling. Dat betekent ook dat de in die regeling
                                    vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het relevante
                                    aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht vastleggen.
                                    Hoe de gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het een kleine
                                    groep, dan kan het op individueel niveau. Makkelijker is op in
                                    een voetnoot bij het betreffende artikel in hoofdstuk 3 de oude
                                    regeling op te nemen.</cursief></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Individueel keuzebudget (gereserveerd)</titel></kop></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><paragraaf><kop><nr></nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr></kop><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met
                                inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is.</al><al>Briefnummer: U200600335, U201300476</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Standaardregeling voor de werktijden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr></kop><al>U201300476</al></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al><vet></vet>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen
                                    het dagvenster.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00
                                    en 22:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk
                                    kalenderjaar afspraken. over de werktijden, het verlof en de
                                    planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende
                                    jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als
                                    uitgangspunt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de
                                            ambtenaar en het college;</al></li><li nr="b."><al>de werktijden binnen de normen van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007671" struct="BWB">arbeidstijdenwet</extref> blijven;</al></li><li nr="c."><al>de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per
                                            week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan
                                            wordt afgeweken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken
                                    over de werktijden aangepast worden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de
                                    werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het
                                    ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden
                                    leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden
                                    de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het
                                    college het erover eens zijn dat overschrijding van de
                                    arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de
                                    omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De
                                    ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding
                                    ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>de ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster
                                    wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de
                                    uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een
                                    buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12 .</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster
                                    vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de
                                    werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het
                                    college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de
                                    werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die
                                    situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de
                                    bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit
                                    hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang
                                    incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op
                                    werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt
                                    zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het
                                    college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de
                                    ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter
                                    hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in
                                    artikel 3:12. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken
                                    over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid
                                    om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen
                                    gemotiveerd kan afwijken.</al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een
                                    ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede
                                    lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster
                                    gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2:1</nr></kop><al>(vervallen per 1-1-2014)</al><al>briefnummer: 2004001009, U201300476</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2:2</nr></kop><al>(vervallen per 1-1-2014)</al><al>Briefnummer: U201300476</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bijzondere regeling voor de werktijden</titel></kop><artikel><kop><nr></nr></kop><al><vet>Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                    verlofspaarmogelijkheid</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                                eenzijdig wordt vastgesteld door het college.</al><al>Briefummers: U2008001112, U201300288, U201300476</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3:1</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600335</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3:2</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600335</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3:3</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><nr></nr><titel></titel></kop><al><vet>Bijzondere regeling</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Vaststelling werktijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per
                                    week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt
                                    het college deze vast in een rooster.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels
                                    in acht genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang
                                            bekend gemaakt aan de ambtenaar.</al></li><li nr="b."><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend
                                            vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een
                                            ORT wordt ontweken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300476</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Werken op zon- en feestdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag,
                                    tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking
                                    hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per
                                    jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt
                                    zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor
                                    hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat
                                    hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid
                                    op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid
                                    op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de
                                    tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de
                                    verjaardag van de koning wordt gevierd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen
                                    in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op
                                    zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke,
                                    regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door
                                    het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst
                                    van de gemeente is gesloten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een
                                    kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat
                                    of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij
                                    een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300476</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr></kop><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11 , arbeid op
                                zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of
                                zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije
                                beschikking toegekend.</al><al>Briefnummer: U201300476</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6
                                nadere regels stellen.</al><al>Briefnummer: U201300476</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de
                                    ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een
                                    dienstrooster.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid
                                    van dit artikel een werktijdenregeling vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er
                                    zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt
                                    overschreden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300476</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                verlofspaarmogelijkheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006
                                            opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                                            verlofspaarmogelijkheid;</al></li><li nr="b."><al>kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het
                                            omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een
                                            geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd
                                            ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende
                                            uurloon van de ambtenaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar
                                    door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als
                                    mogelijk in een aaneengesloten periode.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                                    verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden
                                    voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd
                                    wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en
                                    wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn
                                    levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                                    verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de
                                    wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in
                                    een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan
                                    worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar
                                    opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of
                                    aan dit verzoek kan worden voldaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen
                                    gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar
                                    kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd.
                                    Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van
                                    een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te
                                    verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde
                                    verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of
                                    8:10 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand
                                    aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                    nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen
                                    opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het
                                    tiende lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de
                                    ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                    nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de
                                    ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na
                                    afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9
                                    wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond
                                    van het tiende lid.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                    nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel
                                    8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald
                                    ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een
                                    gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het
                                    college nadere afspraken gemaakt over de opname van het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit
                                    uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende
                                    uurloon van de ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300476</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4a</nr><titel>Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4a:1</nr><titel>Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan bij het college voor l november (tenzij lokaal
                                anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het
                                daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in
                                artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding
                                als bedoeld in het vijfde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                vakantie-uren -na vermindering op grond van het eerste lid- minimaal
                                144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als minimum.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72
                                uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de
                                ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd
                                vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het
                                salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar
                                waarop het verzoek betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200600335, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4a:2</nr><titel>Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal
                                anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het
                                daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in
                                artikel 6:2, eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een
                                vergoeding als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                                op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal
                                72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het
                                salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer
                                verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met
                                de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het
                                kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: 2004001009, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4a:3</nr><titel>Inhouding op salaris, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of
                                urenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n), zijn eindejaarsuitkering als bedoeld
                                in artikel 3:18a, zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of
                                zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1, vijfde lid, verlagen
                                voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het
                                bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Seniorenmaatregelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>56-jarigenregeling</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Pré-Vut</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>60-jarigenregeling</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Ingangsdatum seniorenmaatregelen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>(vervalt)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5a</nr><titel>FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen<noot><cvdr:noot.nr xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"> 2
                                    </cvdr:noot.nr><cvdr:noot.al xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/">Bij de
                                    invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016,
                                    zijn de met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en
                                    verwijzingen in de overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast.
                                    Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm
                                    gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO
                                    van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</cvdr:noot.al></noot></titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en
                            bevallings)verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Vakantie</titel></kop><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van
                            salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1,
                                wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen
                                verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel
                                6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vakantie wordt verleend door het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt
                                ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144 uur per
                                kalenderjaar wettelijk verlof.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar
                                verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar
                                te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een
                                maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als
                                bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor
                                een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009, U201401851</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college
                                algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een
                                formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar
                                evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien
                                van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een
                                vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of
                                bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het
                                tweede lid van overeenkomstige toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene
                                regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten
                                aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13 , indien
                                regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt
                                gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13 genoemde
                                verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar
                                rust.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college
                                bijzondere regels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: 2004001009 en U201100883</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten
                                minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen,
                                aaneensluitend verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor
                                wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid,
                                verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt
                                in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële
                                feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond
                                anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het
                                huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in
                                eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden
                                verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie
                                eventueel zal worden gesplitst , berust bij het bestuursorgaan dat
                                de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de
                                belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten,
                                zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de
                                ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002001818</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:3</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere
                                redenen van afwezigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of
                                wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato
                                van de tijd dat hij zijn functie vervult.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het
                                eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie
                                vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd
                                behoudens het bepaalde in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een
                                vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling;</al></li><li nr="b."><al>gedurende afwezigheid wegens ziekte</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op
                                werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn
                                arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de
                                ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou
                                werken als hij niet ziek zou zijn geweest.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met
                                ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een
                                vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de
                                ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200601371 en U201001464 en U201401851</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar
                                de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet
                                genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch
                                uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de
                                vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten
                                het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het
                                college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan
                                met 1/3 worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen
                                van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge
                                daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk
                                vakantie genoot, worden de genoten vakantieuren van die werkdag niet
                                in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten
                                vakantie-uren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie
                                geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/601519</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet
                                is verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de
                                        schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten of</al></li><li nr="c."><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor
                                        eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een
                                        volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de
                                        dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich
                                        daartegen verzetten.</al></li><li nr="d."><al>Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven,
                                        indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door
                                        het college te bepalen aantal uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren
                                worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk
                                kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren
                                verhinderd zou zijn geweest zijn functie te vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande,
                                dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan
                                opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2 lid
                                1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de
                                ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:7</nr></kop><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan
                            zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding
                            worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2a</nr><titel>Vervaltermijn wettelijk verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of
                                gedeeltelijk niet is opgenomen , vervalt dit verlof 12 maanden na
                                het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat
                                tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest
                                om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet
                                mogelijk is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof
                                gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het
                                college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201401851</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2b</nr><titel>Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof</titel></kop><al>Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of
                            gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het
                            einde van dat kalenderjaar.</al><al>Briefnummer: U201401851</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Vakantietoelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand
                                waarover hij als zodanig salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                heeft ontvangen. Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn
                                functie gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een
                                evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van het voor de
                                ambtenaar in die maand geldende salaris inclusief de toegekende
                                salaristoelage(n), met dien verstande dat aan de ambtenaar ten
                                minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor
                                ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het
                                vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt
                                verminderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200800645</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 , wordt eenmaal per
                                kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende
                                met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking
                                van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij
                                ontslag van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al></al><lijst><li nr="a."><al>Artikel 6:3 , alsmede het eerste lid van dit artikel zijn
                                        niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke
                                        dienst is of te werk is gesteld in de zin van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002386&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire
                                            dienst</extref>;</al></li><li nr="b."><al>Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting
                                        anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in
                                        werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van
                                        artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en
                                        die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft
                                        vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het
                                        verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering
                                        uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de
                                        zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en
                                        het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij
                                        zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van
                                        toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op
                                        basis van de volle aan zijn betrekking verbonden
                                        bezoldiging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd
                                gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van
                                schorsing een gedeelte van het salaris en de toegekende
                                salaristoelagen wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten,
                                indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is
                                bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college
                                nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten-
                                en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit
                                verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere
                                gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met
                                behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) kan worden
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de
                                ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid,
                                toegelaten organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen
                                wordt opgebouwd, is het verhaal van premie voor de voorwaardelijke
                                inkoop gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is
                                verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600904</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud
                                van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag dat het
                                huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt
                                voltrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college
                                wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal
                                plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600336</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:1a</nr><titel>Langdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wazo</extref> recht
                                heeft op langdurend zorgverlof, heeft over de uren dat hij dit
                                verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en
                                de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens
                                ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen
                                opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7
                                kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te
                                vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op
                                zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof
                                geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                langdurend zorgverlof.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te
                                vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen,
                                wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de
                                duur van de vakantie beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend
                                zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling
                                genoemd in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking
                                te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen,
                                vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de
                                vakantietoelage weer plaats op basis van het volledige salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n).</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600336</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:2</nr><titel>Vakbondsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Centrales van overheidspersoneel;</al><lijst><li nr="1."><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel
                                                (ACOP);</al></li><li nr="2."><al>de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs
                                                personeel (CCOOP);</al></li><li nr="3."><al>de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen
                                                bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen
                                                (CMHF).</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Verenigingen van ambtenarende verenigingen van ambtenaren
                                        welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van
                                        overheidspersoneel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van
                                        verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene
                                        verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren
                                        dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van
                                        algemene vergaderingen van een landelijke groep van
                                        gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het
                                        hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of
                                        afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat
                                        van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte
                                        daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum
                                        van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend;</al></li><li nr="b."><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij
                                        lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of
                                        bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of
                                        bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid
                                        is van een landelijke groepsraad;</al></li><li nr="c."><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de
                                        centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar
                                        is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn
                                        vereniging aan die vergadering deelneemt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door
                                het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking
                                buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>om, indien hij daartoe door een centrale van
                                        overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of
                                        door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen.</al><lijst><li nr="•"><al>om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende
                                                activiteiten te ontplooien binnen die centrale of
                                                die daarbij aangesloten vereniging,
                                                onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat,
                                                welke ertoe strekken de doelstellingen van deze
                                                centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij
                                                aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel
                                                voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar;</al></li><li nr="•"><al>als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per
                                                jaar voor een organisatie met minder dan 400
                                                medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie
                                                met meer dan 400 medewerkers;</al></li><li nr="•"><al>als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50
                                                uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400
                                                medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een
                                                organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien
                                                verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof
                                                wordt toegekend aan maximaal een
                                                arbeidsvoorwaardenadviseur</al><al>ob. voor het - op uitnodiging van een vereniging van
                                                ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus
                                                welke door of ten behoeve van de leden van die
                                                vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te
                                                samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee
                                                kalenderjaren.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een
                                ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week
                                van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid
                                onder de a en b, naar evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de
                                ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten
                                hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat
                                ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar
                                die:</al><lijst><li nr="a."><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van
                                        overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a , nr.
                                        1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die
                                        rechtstreeks bij die centrale is aangesloten.</al></li><li nr="b."><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in
                                        het eerste lid onder a , nr.3 en/of bestuurslid is van een
                                        sector of sectie van de centrale. </al></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar
                                die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder
                                dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en
                                b, naar evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan
                                de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld
                                in het eerste lid, onder b.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij
                                lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel
                                12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n) verleend voor het bijwonen van de
                                vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per
                                uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de
                                voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die
                                door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen
                                als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1,
                                tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels
                                stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede,
                                derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: 2004001009, U201300288, U201401851</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:2a</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2002004755</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:3</nr><titel>Kortdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur
                                per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond
                                van de Wazo.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de
                                ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van
                                minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en
                                voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze
                                waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.
                                Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004755</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:4</nr><titel>Non-activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij non-activiteit, bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001947&amp;artikel=125c" struct="BWB">artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet</extref> bestaat
                                geen recht op doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) en vakantietoelage.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing,
                                bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001947&amp;artikel=125c" struct="BWB">artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet
                                    1929</extref>, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet
                                zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van
                                dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze
                                inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als
                                vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te
                                boven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels
                                vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:5</nr><titel>Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het
                            genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende
                            salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden,
                            verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel
                            6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal
                            één jaar.</al></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600904</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:5a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
                                bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek
                                onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de
                                functie voor ten hoogste twee jaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                                het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn
                                verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato
                                vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies,
                                niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie
                                maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600904</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:6</nr><titel>Buitengewoon verlof is geen vakantie</titel></kop><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
                            mindering gebracht op de vakantie.</al><al>briefnummer: CvA/2002004755</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Ouderschapsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wazo</extref> recht
                                heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling
                                betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat
                                hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele
                                arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage
                                van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar
                                die wordt gesalarieerd volgens: </al><al>a. schaal 1: 90% </al><al>b. schaal 2: 85% </al><al>c. schaal 3: 80% </al><al>d. schaal 4: 70% </al><al>e. schaal 5: 60% </al><al>f. schaal 6 en hoger: 50%</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het
                                betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht.
                                Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar die op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wazo</extref> recht
                                heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek
                                indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een
                                zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college
                                hiermee in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende
                                ouderschapsverlof wordt opgeschort.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200600394 en U200801974 en U200900468</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:1</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><al>Vervallen m.i.v. 1 juli 2015</al><al>Briefnummer: U201501087</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:2</nr><titel>Meerlingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak
                                betaald ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                                overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere
                                kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de
                                mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004755 en U200900468</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:3</nr><titel>Ziekte</titel></kop><al>Vervallen m.i.v. 1 juli 2015</al><al>briefnummer: U201501087</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:4</nr><titel>Opbouw vakantie en vakantietoelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                                geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die
                                ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de
                                salarisbetaling, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt
                                uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004755 en U200900468</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:5</nr><titel>Terugbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen
                                zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1,
                                eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft
                                genoten, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als
                                bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij
                                        een andere gemeente;</al></li><li nr="b."><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een
                                        uitkering krachtens de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, vanwege
                                        werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag
                                        heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde
                                        partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken
                                        noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen
                                drie maanden daarna op eigen verzoek een functie aanvaardt voor
                                minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof
                                vervulde, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelagen,
                                die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee
                                zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt,
                                dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het
                                eerste en derde lid bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004755 en U200900468</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:6</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200515951</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:7</nr></kop><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid
                            voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</al><al>briefnummer: CvA/2002004755</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5a</nr><titel>Overgangsrecht ouderschapsverlof</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5a:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600904</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:7</nr><titel>Zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wazo</extref>
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit
                                verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Wazo-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt
                                in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van
                                het eerste lid recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                uitbetaling van de Wazo-uitkering door de gemeente bij en door het
                                UWV.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is
                                gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt
                                opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te
                                wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende
                                salaristoelagen in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200515560</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:8</nr><titel>Adoptie- en pleegzorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wazo</extref> recht
                                heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof
                                aanspraak op doorbetaling van zijn volledige salaris en de
                                toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Wazo-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in
                                mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van
                                het eerste lid recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of
                                pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                uitbetaling van de Wazo-uitkering door de gemeente bij en door het
                                UWV.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                                vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd,
                                danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                                geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de
                                Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in
                                mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in
                                artikel 7:3, niet op.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601371</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:9</nr><titel>Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                                levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente
                                kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een
                                periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden
                                onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één
                                periode van onbetaald verlof.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige
                                arbeidsduur of op een deel daarvan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de
                                gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek
                                wordt ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee
                                maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt
                                schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij
                                onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet
                                tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar
                                hiermee instemmen.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking
                                heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe,
                                tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In
                                afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof
                                verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600904</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:10</nr><titel>Aanspraken tijdens het verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet
                                wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald
                                verlof.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op
                                uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en
                                (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele
                                vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                                het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn
                                verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato
                                vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies,
                                niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie
                                maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200801637</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:11</nr><titel>Samenloop met ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking
                                onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is,
                                eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig
                                onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in
                                schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake
                                is van verlof voorafgaand aan pensionering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200600904 en U200802017</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:12</nr><titel>Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel></kop><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en
                            bevallingsverlof.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600904</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6a</nr><titel>De gemeentelijke levensloopregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in
                                        <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002471&amp;artikel=19g" struct="BWB">artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                                        1964</extref>;</al></li><li nr="b."><al>instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of
                                    verzekeraar als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002471&amp;artikel=19g" struct="BWB">artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting
                                        1964</extref>;</al></li><li nr="c."><al>levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar
                                    geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar
                                    wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al>levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar
                                    afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt
                                    gestort;</al></li><li nr="e."><al>levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening
                                    onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600904</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:2</nr><titel>Doel</titel></kop><al>Vervallen</al><al>briefnummer: U200600904 en U201300314</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:3</nr><titel>Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling meldt dit bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                                kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen
                                zoals genoemd in artikel 6a:4.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600904</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:4</nr><titel>Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling
                                waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt
                                aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig
                                te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het
                                college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed
                                van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn
                                opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in
                                dienstbetrekking staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet
                                aan de voorwaarden die de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002471" struct="BWB">Wet op de loonbelasting 1964</extref> aan deelname
                                stelt.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummers: U200600904 en U201300314</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:5</nr><titel>Inleg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg
                                per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen
                                wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde
                                bronnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600904</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:6</nr><titel>Bronnen</titel></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                            levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:</al><lijst><li nr="a."><al>het salaris;</al></li><li nr="b."><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al></li><li nr="e."><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                    bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200601087, U201300476</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:7</nr><titel>Levensloopbijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949heeft recht op een
                                levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een
                                kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij
                                een volledig dienstverband minimaal € 400. Bij een deeltijd
                                betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De
                                levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn
                                geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een
                                uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien
                                en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende
                                maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaarde
                                levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage
                                van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9,
                                eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand
                                december betaald.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de
                                ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage
                                op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de
                                levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat
                                de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het
                                eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel
                                3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                                Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200800195</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:7a</nr><titel>Uitbetaling levensloopbijdrage 2008</titel></kop><al>Vervallen</al><al>Briefnummer: U200800195 en U201300314</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:8</nr><titel>Beëindiging deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door
                                de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet
                                plaatsvinden</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt
                                daarnaast:</al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                        AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200600904 en U201001917 en U201200194</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:9</nr><titel>Opname levenslooptegoed</titel></kop><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de
                            opname van onbetaald verlof op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002471" struct="BWB">Wet Arbeid en
                                Zorg</extref> en hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie
                            maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken
                            over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de
                            melding moet plaatsvinden.</al><al>briefnummer: U200600904 en U201300314</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:10</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk
                            9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van
                            hoofdstuk 9b van toepassing is.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:11</nr><titel>Tijdelijke regeling ambtenaren die werkzaam zijn in een
                                betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en
                                            bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij
                                            aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
                                            sociale aard niet van hem kan worden gevergd;</al></li><li nr="b."><al>werkzaamheden in het kader van de reïntegratie:
                                            toonvormende arbeid, die specifiek gericht is op
                                            terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover
                                            afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld
                                            in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="c."><al>scholing in het kader van de reïntegratie: scholing die
                                            gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende
                                            arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan
                                            van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:
                                            arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in
                                            overwegende mate haar oorzaak vindt in:</al><lijst><li nr="•"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de
                                                  bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
                                                  worden verricht of;</al></li><li nr="•"><al>in een dienstongeval verband houdende met de
                                                  aard van de opgedragen werkzaamheden of de
                                                  bijzondere omstandigheden waarin deze
                                                  werkzaamheden moesten worden verricht; en die niet
                                                  aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te
                                                  wijten;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen
                                            inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en
                                            bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan
                                            verdienen;</al></li><li nr="f."><al>arbodienst: een dienst als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0010346&amp;artikel=17" struct="BWB">artikel 17, eerste lid, van de
                                                Arbeidsomstandighedenwet</extref>;</al></li><li nr="g."><al>inactieve: de oud-ambtenaar met een WW-uitkering,
                                            aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering,
                                            WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die
                                            direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van
                                            een gemeente;</al></li><li nr="h."><al>postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering
                                            functioneel leeftijdsontslag, ouderdomspensioen van het
                                            ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan
                                            deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een
                                            gemeente of inactieve was;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200801637, U200802017, U201300288</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                onderzoek</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2</nr><titel>Bedrijfgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                    onderzoek</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:1</nr><titel>Arbo-dienst</titel></kop><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
                                deskundige(n).</al><al>briefnummer: 2002004415, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:2</nr><titel>Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige
                                    begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt
                                    door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n),
                                    overeenkomstig door het college te stellen regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: 2002004415, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:3</nr><titel>Consulteren arts door ambtenaar</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst
                                rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die
                                naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:4</nr><titel>Periodiek geneeskundig onderzoek</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: 2002004415, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:5</nr><titel>Geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de
                                    ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                            aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede
                                            gezondheidstoestand van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>indien de ambtenaar niet of niet langer volledig
                                            geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van
                                            zijn betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor
                                            medische oorzaken zijn aan te wijzen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het
                                    eerste lid, te onderwerpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:6</nr><titel>Buitendienststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt van
                                    een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de
                                    ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de belangen
                                    van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de
                                    dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van
                                    zijn betrekking verzetten, wordt de ambtenaar door het college
                                    buiten dienst gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet
                                    plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de
                                    lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het
                                    wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt
                                    belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval
                                    is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor
                                    de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk
                                    gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:7</nr><titel>Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                    ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding
                                    bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking
                                    te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang
                                    van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van
                                    het behoud, het herstel of de bevordering van zijn
                                    arbeidsgeschiktheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
                                    schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aanspraken tijdens ziekte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:3</nr><titel>Recht op salaris en de toegekende salaristoelagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van
                                    zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te
                                    stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die
                                    ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op
                                    doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid
                                    gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op
                                    doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n)</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12
                                    maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste
                                    maand recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24
                                    maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op
                                    doorbetaling van 70% van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n)</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook
                                    gebreken verstaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop
                                    hij:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b."><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c."><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie
                                            verricht;</al></li><li nr="d."><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden
                                    recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en
                                    door de dienst.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die gedurende
                                    ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid,
                                    passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn
                                    reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn
                                    reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft
                                    recht op een extra percentage van 5% berekend over het salaris
                                    en de toegekende salaristoelagen waar hij recht op heeft
                                    ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum het salaris en
                                    de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk
                                    minimumloon, berekend naar rato van zijn formele
                                    arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van
                                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7,
                                    ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode,
                                    bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid
                                    worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld
                                    indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                                    opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op
                                    een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt
                                    genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de
                                    ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te
                                    vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelagenzoals genoemd in het eerste, tweede, derde en
                                    vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt
                                    herplaatst in een andere functie.</al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het
                                    recht op beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.</al></lid><lid><lidnr>14.</lidnr><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van
                                    terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt
                                    of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het
                                    eerste lid, het volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) wordt doorbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CVA/U200800206 - CVA/U200800645</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:4</nr><titel>Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en
                                    onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</titel></kop><al>De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof
                                geniet heeft recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat
                                de ambtenaar nooit een hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij
                                zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al>briefnummer: 2002004415, U20130088</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:5</nr><titel>Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de
                                    dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of
                                    IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de
                                    dienst, een aanvullende uitkering verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de
                                    ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag
                                    dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of
                                    IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende
                                    bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van
                                    de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald
                                    percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn
                                    ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
                                    van:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"></colspec><colspec colname="colB"></colspec><tbody><row><entry><al>80% of meer:</al></entry><entry><al>95%</al></entry></row><row><entry><al>65 tot 80%</al></entry><entry><al>68,875%</al></entry></row><row><entry><al>55 tot 65%</al></entry><entry><al>57%</al></entry></row><row><entry><al>45 tot 55%</al></entry><entry><al>47,5%</al></entry></row><row><entry><al>35 tot 45%</al></entry><entry><al>38%</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in
                                            het eerste lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond
                                    van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te
                                    stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering
                                    of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement
                                    van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200600958 en U201001917 en U201200194</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:6</nr><titel>Overlijdensuitkering bij arbeidsongeschiktheid in en door de
                                    dienst</titel></kop><al>(Vervalt)</al><al>Briefnummer: CvA/2002004415 en U201001464</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:7</nr><titel>Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                    arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
                                    ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel
                                    van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige
                                    behandeling of verzorging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere
                                    voorschriften geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:8</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen.</al><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:8:1</nr><titel>Vaststelling referte-tijdvak toelagen</titel></kop><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling
                                van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                                overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning,
                                ten behoeve van de vaststelling van het bedrag van de bezoldiging
                                zoals bedoeld in dit hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader
                                te worden uitgewerkt.</al><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:8:2</nr><titel>Periodieke salarisverhoging</titel></kop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in
                                een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:8:3</nr><titel>Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                                    artikel 2:7a</titel></kop><al>De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel
                                2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit
                                artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid
                                waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide
                                arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel
                                2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten
                                aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele
                                arbeidsduur.</al><al>briefnummer: 2002004415, U201300288</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Verplichtingen en sancties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:9</nr><titel>Verplichtingen college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen
                                    te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig
                                    is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten
                                    gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te
                                    verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende
                                    arbeid te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden
                                    verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen
                                    passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de
                                    inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de
                                    openbare dienst van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en
                                    tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de
                                    ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25, tweede lid, van de WIA</extref>. Het plan van
                                    aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig
                                    geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn
                                    opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt
                                    gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen
                                    omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de
                                    arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te
                                    nemen procedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200515560 en Marz/CvA/U200516003</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:10</nr><titel>Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij
                                    ziekte</titel></kop><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie
                                die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:10:1</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:10:2</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:10:3</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:10:4</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:11</nr><titel>Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                    reïntegratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                    ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is
                                    verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften
                                            en mee te werken aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld
                                            in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen,
                                            evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="c."><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol,
                                            bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie
                                    te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel
                                    7:1 te verrichten en hij door het college of een andere
                                    werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij
                                    verplicht die arbeid te verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/en CvA/U200516003 en CVA/U200800330</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:12</nr><titel>Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of
                                    vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter
                                    beantwoording van de vragen:</al><lijst><li nr="a."><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van
                                            zijn functie wegens ziekte;</al></li><li nr="b."><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld
                                            onder a;</al></li><li nr="c."><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van
                                            zijn functie opzettelijk heeft veroorzaakt;</al></li><li nr="d."><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder
                                            geneeskundige behandeling te stellen of te blijven
                                            stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften
                                            hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien
                                            verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen
                                            van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard
                                            zijn uitgezonderd;</al></li><li nr="e."><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing
                                            wordt belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="f."><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in
                                            het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel
                                            in het belang van het behoud, het herstel of de
                                            bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;</al></li><li nr="g."><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de functie
                                            kan worden hervat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen
                                    van medisch onderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:13:1</nr><titel>Geen aanspraak op doorbetaling</titel></kop><al>Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in
                                        artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de
                                        ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van
                                        zijn functie heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan
                                        op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan
                                        worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen
                                        een halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde
                                        geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar
                                        hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand
                                        heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge
                                        waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn
                                        functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten
                                        onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt
                                        dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:13:2</nr><titel>Staken van doorbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                                    indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot
                                            het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de
                                            arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te
                                            komen;</al></li><li nr="b."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten
                                            onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige
                                            behandeling te stellen ofte blijven stellen;</al></li><li nr="c."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de
                                            voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met
                                            uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een
                                            ingreep van heelkundige aard;</al></li><li nr="d."><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek
                                            schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing
                                            wordt belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="e."><al>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig
                                            onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts
                                            niet kan plaatshebben;</al></li><li nr="f."><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                            arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden
                                            verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang
                                            van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college
                                            daartoe toestemming heeft verleend;</al></li><li nr="g."><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die
                                            hij heeft in verband met het verrichten van door de
                                            arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk
                                            geachte arbeid voor zichzelf of derden;</al></li><li nr="h."><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de
                                            arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst
                                            bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij
                                            hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende
                                            reden heeft opgegeven;</al></li><li nr="i."><al>weigert om - op verzoek van het college - informatie te
                                            verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van
                                            dit hoofdstuk.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond
                                    van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt
                                    van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:14</nr><titel>Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                    ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen,
                                    bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair
                                    gestraft wegens plichtsverzuim.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                                    indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert mee te werken aan, door het college of een door
                                            hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke
                                            voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in
                                            artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn
                                            om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende
                                            arbeid te verrichten;</al></li><li nr="b."><al>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en
                                            bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in
                                            artikel 7:11, eerste lid, onder b.</al></li><li nr="c."><al>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten,
                                            waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid,
                                            verplicht is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), als genoemd in het tweede lid, vindt wel
                                    plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke
                                    toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd
                                    in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200515560</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:14:10</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>Briefnummer: ARZ/507386</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:15:1</nr><titel>Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe
                                    aanleiding geven, bepalen dat de op grond van de artikelen
                                    7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n), geheel of ten dele aan anderen dan
                                    de ambtenaar zal worden uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde
                                    bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de
                                    artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging
                                    alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond
                                    van de second opinion die hij conform <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013060&amp;artikel=32" struct="BWB">artikel 32 van de wet SUWI</extref>, heeft aangevraagd
                                    inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het
                                    gelijk gesteld wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: 2002004415, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:16</nr><titel>Herplaatsing in passende arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de
                                    ambtenaar opgedragen:</al><lijst><li nr="a."><al>door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke
                                            duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van
                                            de aanstelling;</al></li><li nr="b."><al>door plaatsing in een andere functie bij wijze van
                                            proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van
                                            de aanstelling;</al></li><li nr="c."><al>bij een andere werkgever, door een tijdelijke
                                            detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een
                                            wijziging van de aanstelling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in
                                    artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door
                                    definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt
                                    plaats door wijziging van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die
                                    ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35%
                                    arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de
                                    periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de
                                    ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige
                                    restverdiencapaciteit benut.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die
                                    ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar
                                    minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12
                                    maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid,
                                    dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn
                                    restverdiencapaciteit of meer benut.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt
                                    onder een andere functie mede verstaan het verrichten van
                                    dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                                    maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling
                                    van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet
                                    in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                                    maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                    samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                    aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                    geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                    dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=24" struct="BWB">artikel 24, eerste lid, van de
                                                WIA</extref> en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25, negende lid, van de
                                                WIA</extref> heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle
                                    informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te
                                    stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200800330 / U2008001112 / U200801544 / U200802017</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:16:9</nr><titel>Bezwaar tegen geneeskundig oordeel</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:17</nr><titel>Terugkeer in functie na ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is
                                    zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn
                                    functie slechts weer zal mogen vervullen, indien het college
                                    daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate
                                    waarin de hervatting kan geschieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden
                                    gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval
                                    vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan eenjaar volledig
                                    verhinderd is geweest zijn functie te vervullen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:18</nr><titel>Inkomsten uit of in verband met arbeid</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in
                                mindering brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten uit
                                passende arbeid of werkzaamheden in het kader van diens
                                reïntegratie.</al><al>briefnummer: CvA/U200515560</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:18:1</nr><titel>Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op
                                    bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen
                                    van zijn functie, op grond van een aan het college uitgebracht
                                    advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van
                                    zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van
                                    herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor
                                    derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in
                                    mindering gebracht op het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) waar de ambtenaar recht op heeft krachtens
                                    artikel 7:3.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens
                                    gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van
                                    hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere
                                    toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden
                                    betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601047</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Bijzondere situaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:19</nr><titel>Samenloop met een ZW-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende
                                    ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op
                                    een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                    7:3, recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de
                                        <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">ZW</extref> gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of
                                    toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij
                                    dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing
                                    van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                                    ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de
                                    ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de
                                    ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan
                                    zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing
                                    van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                                    ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                                    medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen
                                    van de ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de
                                    ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het
                                    meerdere aan de ambtenaar uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200515560</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:20</nr><titel>Samenloop met een WW-uitkering</titel></kop><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                                ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht
                                heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                7:3, recht heeft.</al></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200515560</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:21</nr><titel>Samenloop met uitkering op grond van de WIA</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering
                                    tot het vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of
                                    een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                    7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een
                                    IVA-uitkering dan wel een WGA-uitkering in verband met
                                    volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de
                                    ambtenaar ten minste recht op een bedrag ter hoogte van deze
                                    IVA- of WGA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering
                                    uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die
                                    uitkering naar rato van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) uit de verschillende functies, in mindering
                                    gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de betaling
                                    wordt gedaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen
                                    de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan
                                    worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge
                                    geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit
                                    artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in
                                    aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                                    dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                    door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat,
                                    dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                                    en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                                    toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of
                                    IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele
                                    of gedeeltelijke weigering van het bedrag plaatsvond.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                                    medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen
                                    van de WGA- of IVA-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200801544</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:22</nr><titel>Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</titel></kop><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar
                                in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21,
                                recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het
                                Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601371</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:22:2</nr><titel>Ziektewet als bodem</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:23</nr><titel>WAJONG/WAZ</titel></kop><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht
                                heeft op een WAJONG-of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op
                                grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref>.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601123</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:23:1</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2002004755</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:24</nr><titel>Tegemoetkoming ziektekosten</titel></kop><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren,
                                postactieven en inactieven een overeenkomst als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0018450&amp;artikel=18" struct="BWB">artikel 18 van de Zorgverzekeringswet</extref>.</al><al>Brief: U200801637 en U201201238</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Ziektekosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:24a</nr><titel>Zorgverzekering</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:25</nr><titel>Hoogte tegemoetkoming</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:25:1</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200515951</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:25:2</nr></kop><al>(verrvallen)</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200515951</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:25:3</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200515951</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:25:4</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200515951</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:25a</nr><titel>Meerdere dienstverbanden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:25b</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: U200515951, U201300288</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:26</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31
                                    december 2000 recht heeft op salarisbetaling of uitkering op
                                    grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum
                                    voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze
                                    luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de
                                    ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang
                                    waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de
                                        <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref>.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan
                                    hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te
                                    betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering
                                    krachtens de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> wordt toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:27</nr><titel>Garantie-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede
                                    lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien
                                    naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht
                                    op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare
                                    arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is
                                    om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder
                                    gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen
                                    geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn
                                    krachten en bekwaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De garantie-uitkering bedraagt, te rekenen vanaf de datum van
                                    aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke functie, 18 maanden
                                    100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van het
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar
                                    genoot in de oorspronkelijke functie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de
                                    ambtenaar ontvangt uit de dienstbetrekking waarin hij is
                                    herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op
                                    WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op
                                    of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager
                                    niveau is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken
                                    die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien
                                    hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij
                                    opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan,
                                    wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het
                                    bedrag van de verzuimde, of de verloren gegane inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De garantie-uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de
                                            leeftijd van 65 jaar bereikt;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601371</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:28</nr><titel>Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld
                                    in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen
                                    7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet
                                    van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 , 7:18, 7:21 en 7:22, zoals
                                    die golden op 31 december 2005, van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die
                                    op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de
                                    artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31
                                    december 2005, van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel
                                    7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet
                                    worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met
                                    ingang van 1 januari 2006.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie
                                    de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is
                                    gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid
                                    vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006
                                    wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis
                                    van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde
                                    lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600958</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:28:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld
                                    in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1
                                    niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1
                                    zoals dat gold op 31 december 2005 , van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200515560 en Marz/CvA/U200516003</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:28a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld
                                    in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet
                                    van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld
                                    in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16,
                                    zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Brief: CVA/U200800330</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:28b</nr></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                                artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van
                                toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</al><al>Briefnummer: U200802017</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Ontslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:1</nr><titel>Ontslag op verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden
                                indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:1:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang
                                van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie
                                maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste
                                lid worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig
                                is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor
                                disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek
                                om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de
                                strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf
                                onherroepelijk is geworden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al><vet>Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:2</nr><titel>Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde
                                leeftijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag
                                waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede
                                instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200601047 en U200902748 en U201001917 en U201200194 en
                            U201200308</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:2:1</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001000560</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:2a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het
                                bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van
                                de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als
                                bedoeld in artikel 8:2, derde lid, wordt beëindigd wanneer een van
                                de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van
                                één maand in acht genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een opzegtermijn
                                van 13 weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel></titel></kop><al>briefnummer: 2004003238, U201100883, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:3</nr><titel>Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van
                                zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het
                                dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere
                                dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan
                                arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd,
                                ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/200800330</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:3:1</nr><titel>Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd
                            in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het
                            aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200800330</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:4</nr><titel>Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                        bestaat op een WGA- uitkering;</al></li><li nr="b."><al>arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                        bestaat op een IVA- uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige
                                ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte.
                                Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan
                                gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden
                                indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                functie wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is
                                van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de
                                claimbeoordeling van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref> en de resultaten van een mogelijke
                                herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een
                                ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze
                                melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste
                                ziektedag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest
                                recente WIA-beschikking zijn genomen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het
                                zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van
                                UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24
                                maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                                functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24
                                maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan
                                vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof
                                wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs
                                niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt
                                verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=24" struct="BWB">artikel 24, eerste lid, van de WIA</extref>
                                        en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25, negende lid, van de
                                            WIA</extref> heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer U200800330 en U200801112 en U200802017</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:5</nr><titel>Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte
                                mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                        functie wegens ziekte gedurende een periode van 36
                                        maanden:</al></li><li nr="b."><al>het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de
                                        ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op
                                        te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is
                                van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de
                                claimbeoordeling op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref> en de
                                resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake
                                is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan
                                de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld.
                                Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de
                                eerste ziektedag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest
                                recente WIA-beschikking zijn genomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het
                                vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van
                                UWV betrekken</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van de functie ten gevolge van zwangerschap voorafgaand
                                aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens
                                ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van
                                minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan
                                en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                dezelfde oorzaak. .</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel
                                a, wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=24" struct="BWB">artikel 24, eerste lid, van de WIA</extref>
                                        en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25, negende lid, van de
                                            WIA</extref> heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende
                                arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig
                                is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid
                                op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn
                                van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel
                                7:16 overeenkomstig toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801544 en U200802017</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:5:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:5a</nr><titel>Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie
                                wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij
                                zonder deugdelijke grond weigert:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem
                                        aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee
                                        te werken aan door het college of een door hem aangewezen
                                        deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen
                                        de eigen of passende arbeid te verrichten, als bedoeld in
                                        artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten
                                        waartoe het college hem in de gelegenheid stelt;</al></li><li nr="c."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057&amp;artikel=25" struct="BWB">artikel 25, tweede lid, van de
                                        WIA</extref>;</al></li><li nr="d."><al>een uitkering op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0019057" struct="BWB">WIA</extref>
                                        aan te vragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het
                                eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies
                                van het UWV in.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601371</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:6</nr><titel>Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op
                                grond van dit artikel wordt eervol verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200800330</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:7</nr><titel>Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="1."><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het
                                    bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij
                                    aanvaarding van de betrekking geldt;</al></li><li nr="2."><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de
                                    betrekking zou uitsluiten;</al></li><li nr="3."><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                    rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="4."><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                    onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="5."><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                    misdrijf;</al></li><li nr="6."><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                    indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt
                                    kan worden gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:7:1</nr></kop><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag
                            op grond van evengenoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet
                            eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het
                            ontslag voor het eerst aanwezig was.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op
                                een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden
                                in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200800330</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:8:1</nr></kop><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel
                            8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit
                            vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:9</nr></kop><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in
                            een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen
                            tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt indien hij
                            ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het
                            college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag
                            verleend.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:10</nr><titel>Ontslag wegens Pré-VUT</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:10:1</nr></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:11</nr><titel>Ontslag wegens FPU</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:11:1</nr></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:12</nr><titel>Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                                urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van
                                rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien
                                na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband
                                feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is
                                verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd
                                te zijn aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is
                                aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van
                                rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.
                                Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de urenuitbreiding
                                feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een urenuitbreiding
                                is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding geacht voor
                                dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan
                                ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de
                                aanstelling leidde is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is
                                aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag
                                worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding
                                leidde, is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet
                                plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn
                                overschreden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een
                                tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels
                                stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004003238</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:12:1</nr><titel>Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                                urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook
                                ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit
                                hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook
                                ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit
                                hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:12:2</nr><titel>Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                                urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid,
                                wordt een opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;</al></li><li nr="b."><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter
                                        dan twaalf maanden, heeft geduurd;</al></li><li nr="c."><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling
                                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                        opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft
                                        geduurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn
                                mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de
                                bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:13</nr><titel>Ontslag als disciplinaire straf</titel></kop><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend
                            worden.</al><al>briefnummer: ARZ/608409</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:14</nr><titel>Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                                vakorganisaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002747" struct="BWB">Wet
                                            op de ondernemingsraden</extref>;</al></li><li nr="b."><al>ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de
                                        wet;</al></li><li nr="c."><al>ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 1, tweede lid, van de wet</extref>.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:</al><lijst><li nr="a."><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst
                                        als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=9" struct="BWB">artikel 9 van de wet</extref>;</al></li><li nr="b."><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;</al></li><li nr="c."><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van de wet</extref>;</al></li><li nr="d."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                                        geweest van een ondernemingsraad;</al></li><li nr="e."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                                        geweest van een commissie bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van de wet</extref>.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit
                                dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in
                                artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is
                                aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te
                                ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q.
                                binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
                                doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de
                                daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede en derde lid kan ontslag op grond van
                                artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het
                                ontslag toestemt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft
                                toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing
                                op die secretaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/801202</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:15:1</nr><titel>Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door
                                het college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met
                                        onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de
                                        oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van
                                        het <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001903" struct="BWB">Wetboek van Strafvordering</extref> een bevel tot
                                        inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                        uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c."><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens
                                        misdrijf wordt ingesteld;</al></li><li nr="d."><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het
                                        belang van de dienst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing
                                        ingaat;</al></li><li nr="b."><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde
                                        omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing
                                        aanleiding heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c."><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de
                                        schorsing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:15:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b
                                of c, kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor een
                                derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes
                                weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook
                                tot het volle bedrag , plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het
                                derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a ,
                                kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van
                                ingang van het ontslag de doorbetaling geheel of gedeeltelijk worden
                                gestaakt, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de
                                datum van het ontslag wordt de doorbetaling geheel gestaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) kan aan anderen dan de ambtenaar worden
                                uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in
                                ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem
                                verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen .</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris inclusief de
                                toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien de
                                schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt
                                gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot
                                uitbetaling wordt besloten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en toegekende
                                salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing
                                bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet
                                volgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200515951</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:15:3</nr><titel>Bevoegdheid tot ontslagverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                                aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar
                                vervuld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld,
                                met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een
                                omschrijving of aanduiding van die datum.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor
                                onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het
                                ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/608409</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:16:1</nr><titel>Opzegtermijnen</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:16:2</nr><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:16a</nr><titel>Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3)</al><al>Briefnummer: U201001464</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:17</nr><titel>Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur</titel></kop><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk
                            wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan,
                            dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit
                            hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op
                            grond van artikel 7:16.</al><al>briefnummer: CvA/2002004415</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:18</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen
                                8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en
                                8:5a niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en
                                8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen
                                8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond
                                van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">WAO</extref> recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de
                                artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en
                                8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600958</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:19</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in artikel
                                8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals
                                dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800330</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:20</nr></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                            artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel
                            8:5 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</al><al>Briefnummer: U200800330</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Uitkering functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9a</nr><titel>Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                            bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006
                            in dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005
                            recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3,
                            zoals dat luidde op 31 december 2005.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:2</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting door
                                    het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten
                                    en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de
                                    uitruk met als gevolg een verhoogde kans op
                                    gezondheidsklachten;</al></li><li nr="b."><al>de tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van de
                                    gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het
                                    kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie en
                                    die past bij de richting zoals afgesproken is in het
                                    loopbaanplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:3</nr><titel>Medische keuring</titel></kop><al>Vervallen</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947 en U201002606</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:4</nr><titel>Het loopbaanplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende
                                functie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de
                                ambtenaar mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in de
                                bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen binnen of buiten
                                de gemeentelijke dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de volgende
                                bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk loopbaanplan
                                de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis
                                en vaardigheden, alsmede de in dat kader door de ambtenaar te volgen
                                opleiding en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na
                                maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in een bezwarende functie een
                                tweede loopbaan te beginnen. Het loopbaanplan omvat in ieder geval
                                die opleidingselementen die nodig zijn om de ambtenaar die bij de
                                brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden tot MBO-niveau.
                                Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend worden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te verlenen
                                aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het
                                loopbaanplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding
                                opgesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar
                                geëvalueerd, geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de belangen
                                van het college als met de belangen van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot
                                benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van het college die
                                de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te
                                voeren.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het
                                loopbaanplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het
                                college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de
                                activiteiten en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="b."><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen
                                        wordt;</al></li><li nr="c."><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de
                                        activiteit plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="e."><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de
                                        te volgen scholing;</al></li><li nr="f."><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;</al></li><li nr="g."><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                        scholing;</al></li><li nr="h."><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="i."><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te
                                        ondernemen activiteit kan worden onderbroken of
                                        gestopt;</al></li><li nr="j."><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een
                                        goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:6</nr><titel>Terugbetaling</titel></kop><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die
                            het college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met de
                            activiteiten dan wel opleidingen, die door het college zijn vergoed,
                            terug te betalen.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:7</nr><titel>Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan
                                binnen of buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief
                                plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt plaats
                                door aanpassing van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt plaats
                                door ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende
                                functie.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:8</nr><titel>Disciplinaire straf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het
                                loopbaanplan, niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de
                                bezwarende functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet
                                begonnen kan worden, wordt de ambtenaar op grond van artikel 8:13
                                disciplinair ontslag verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:9</nr><titel>Gevolgen niet starten tweede loopbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam
                                wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het
                                        college zijn verplichtingen uit het loopbaanplan niet
                                        nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het college en
                                        de ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.</al></li><li nr="c."><al>Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de
                                        bezwarende functie door te werken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan begonnen
                                wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet
                                medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken,
                                geldt de procedure, bedoeld in artikel 9a:10.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601371</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:10</nr><titel>Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de bezwarende
                                functie door te werken, ontvangt een overbruggingsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal
                                jaren dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam is
                                geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                                overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de
                                overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is
                                vastgesteld, stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12
                                maanden 100% van het salaris en de maanden daarna 80% van het
                                salaris.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering gebracht op
                                de duur van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze hoger
                                is dan de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel 7:3.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:11</nr><titel>Garantiesalaris en afbouw toelagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub
                                        b,</al></li><li nr="b."><al>de vakantieuitkering,</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering,</al></li><li nr="d."><al>de functioneringstoelage,</al></li><li nr="e."><al>de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="f."><al>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere
                                        toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar
                                        zijn toegekend,berekend over een periode van 12 maanden
                                        onmiddellijk voorafgaande aan het begin van de tweede
                                        loopbaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van de
                                feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1,
                                tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging van de feitelijke
                                uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid,
                                onderdeel c door in de oude bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid werkt een verhoging of verlaging van
                                de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1,
                                tweede lid, onderdeel c bij uitruil in het kader van de uitwisseling
                                van arbeidsvoorwaarden genoemd in hoofdstuk 4a niet door in de oude
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede
                                loopbaan begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het
                                negatieve verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Het oude
                                salaris wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging,
                                zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het
                                bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en
                                vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de
                                garantietoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging
                                wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze
                                in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de
                                organisatie van de gemeente de toelagen en vergoedingen verliest,
                                die behoorden bij de bezwarende functie, krijgt een aflopende
                                afbouwtoelage ter hoogte van een percentage van het verschil tussen
                                de oude toelagen en vergoedingen en eventuele toelagen en
                                vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De afbouwtoelage
                                bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al> jaar 100%; </al></li><li nr="b."><al>het tweede jaar 75%; </al></li><li nr="c."><al>het derde jaar 50%; </al></li><li nr="d."><al>het vierde jaar 25%. </al></li></lijst><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de
                                generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector
                                wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag
                                waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen,
                                behorende bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage en de
                                afbouwtoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging
                                wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze
                                in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de organisatie
                                van de gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van 175% van
                                het verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe jaarsalaris,
                                inclusief eventuele toelagen en vergoedingen. Het nieuwe
                                jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en vergoedingen, wordt
                                berekend naar het bedrag dat voor de ambtenaar bij indiensttreding
                                bij de nieuwe werkgever is vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200700397 en U200701890</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9b</nr><titel>Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005
                            recht gaf op functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:1</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk
                                            beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke
                                            ambulancedienst; en</al></li><li nr="b."><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor
                                            door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde
                                            op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft
                                            vervuld, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals
                                            dat luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op
                                            de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de
                                    ambtenaar die</al><lijst><li nr="a."><al>overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente
                                            of ambulancedienst, of</al></li><li nr="b."><al>overstapt naar een andere gemeentelijk
                                            beroepsbrandweerkorps, dan wel naar een andere
                                            gemeentelijke ambulancedienst tenzij bij de overstap
                                            tussen de werkgever en ambtenaar andere afspraken zijn
                                            gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de
                                    functie waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende
                                    functie is, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd
                                    van 55 jaar of ouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200600947 &amp; U200701890</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                                bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                                moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in
                                december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in
                                aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                                werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:2</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bezoldiging: de optelsom van<vet></vet></al><lijst><li nr="i."><al>ihet salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede
                                                lid, sub b,</al></li><li nr="ii."><al>de vakantieuitkering;</al></li><li nr="iii."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="iv."><al>de functioneringstoelage;</al></li><li nr="v."><al>de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="vi."><al>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde
                                                andere toelagen en emolumenten, voor zover die aan
                                                de ambtenaar zijn toegekend, met uitzondering van de
                                                levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9,
                                                berekend over een periode van 12 maanden
                                                onmiddellijk voorafgaande aan de datum, die
                                                voortvloeit uit de toepassing van artikel 9b:4,
                                                artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel
                                                9b:26, artikel 9b:47 en artikel 9b:52. De
                                                bezoldiging wordt, met uitzondering van de
                                                bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25, na
                                                deze datum geïndexeerd met de generieke
                                                salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke
                                                sector wordt overeengekomen. Indien verlofopname
                                                door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid
                                                tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van
                                                de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid,
                                                onderdeel c, werkt die wijziging door in de
                                                bezoldiging.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting
                                        door het frequent draaien van piket of het werken in
                                        roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                                        werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans
                                        op gezondheidsklachten;</al></li><li nr="c."><al>dienstjaren voor brandweerpersoneel: de jaren in dienst van
                                        een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren werkzaam
                                        als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer,
                                        mits dit een functie was, die op dat moment recht gaf op
                                        functioneel leeftijdsontslag en de jaren als vrijwilliger
                                        bij de brandweer, mits het om jaren gaat waarin
                                        daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is ingezet en men
                                        niet tegelijkertijd een aanstelling had als
                                        beroepsbrandweer. Bij twijfel over het aantal dienstjaren
                                        als vrijwilliger dient de ambtenaar aannemelijk te maken
                                        hoeveel jaren hij als vrijwilliger is ingezet;</al></li><li nr="d."><al>dienstjaren voor ambulancepersoneel: de jaren werkzaam bij
                                        een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren werkzaam bij een
                                        ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een
                                        ambulancedienst in de particuliere sector en de jaren
                                        werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het
                                        stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment
                                        recht gaf op functioneel leeftijdsontslag;</al></li><li nr="e."><al>niet-bezwarende functie: een functie die niet valt onder de
                                        definitie van onderdeel b;</al></li><li nr="f."><al>tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van de
                                        gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in
                                        het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende
                                        functie;</al></li><li nr="g."><al>onbezoldigd volledig verlof: verlof voor de formele
                                        arbeidsduur per week, zonder behoud van bezoldiging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200700397 &amp;U200701890 &amp; U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:3</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006
                                - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9niet in aanmerking kwam voor
                                een WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                ontvangen.</al><al>Briefnummer: U200600947 en U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:4</nr><titel>Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar
                                    bereikt volledig buitengewoon verlof verleend, tegen
                                    doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar geldende
                                    bezoldiging. Voor zover het dienstbelang het toelaat, kan de
                                    ambtenaar vanaf de datum bedoeld in de eerste volzin in plaats
                                    van het volledig buitengewoon verlof als hiervoor bedoeld, een
                                    keuze maken uit de volgende mogelijkheden:</al><lijst><li nr="a."><al>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt
                                            wordt een bonus wordt verstrekt van 20% van het voor de
                                            ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande
                                            aan toekenning van de bonus;</al></li><li nr="b."><al>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken,
                                            tegen doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar
                                            geldende bezoldiging;</al></li><li nr="c."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een
                                            bonus wordt verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar
                                            geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan
                                            toekenning van de bonus. </al><al>Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen
                                            noodzakelijk is en de werkgever dit kan aantonen, geldt
                                            voor ambulancepersoneel als alternatief voor onderdeel
                                            b: 60% van een volledige betrekking werken tegen
                                            doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende
                                            bezoldiging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste lid
                                    bedoelde datum het college door middel van een verzoek bekend
                                    naar welke variant zijn voorkeur uitgaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum,
                                    bedoeld in het eerste lid zoveel later in als het college op 31
                                    december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                    december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                    leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder
                                    a en b moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie
                                    door te werken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                    inachtneming van het derde lid, de in het eerste lid gestelde
                                    keuzemogelijkheden later laten ingaan, telkens met een periode
                                    van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                    geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                                    inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes
                                    kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                                    verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor
                                    zover het dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het
                                    moment, bedoeld in artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien
                                    verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel
                                    c, berekend wordt naar rato van de tijd die resteert tot de
                                    datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Hierbij geldt als
                                    voorwaarde dat als tweede en eventueel volgende keuze alleen een
                                    optie in aanmerking komt waarbij minder gewerkt wordt dan bij de
                                    eerdere keuze. Het tweede lid is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari
                                    2011 gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin
                                    van het eerste lid van dit artikel, en direct daaraan
                                    voorafgaand een functie bekleedde waaraan salarisschaal 6 of
                                    lager was verbonden, ontvangt gedurende die periode € 500,-
                                    netto per kalenderjaar. De ambtenaar die in deze periode geen
                                    volledig kalenderjaar gebruik maakt van de genoemde
                                    mogelijkheid, ontvangt een bedrag naar rato. Deze uitkering
                                    wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. Aan
                                    de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een vergoeding
                                    heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het totaalbedrag,
                                    waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald dat hoger
                                    is dan de reeds ontvangen vergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947 &amp; U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:5</nr><titel>Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</titel></kop><al>Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid onderdeel a en c,
                                wordt geen pensioen opgebouwd.</al><al>briefnummer: CvA/U200600947 &amp; U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:6</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</titel></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                                vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                                werkt.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:7</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste
                                volzin en onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                                respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                                toepassing.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200700397</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:8</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: U200600947 en U200700397</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:9</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                    9b:4</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig
                                buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de
                                voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening
                                van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al><vet>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:10</nr><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                    9b:4</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:4, eerste volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat
                                    genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:4 van
                                    toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de
                                    bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is
                                    gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde
                                    bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven
                                    gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:4 van
                                    toepassing is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met de toepassing van artikel 9b:4.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200600947 en U201100883</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:11</nr><titel>Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                                    met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                    gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan
                                    wel die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a
                                    of b, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                                    waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig
                                    verlof verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                    bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                    artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                                    bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                                    jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:4, later is
                                    ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                    wanneer het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                                    op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59
                                    of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                                    telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat
                                    de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                                    bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947 , U200800258 en
                                ECCVA/U201002704</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:12</nr><titel>Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                                    volledig verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                    voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                    voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200600947 &amp; U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:13</nr><titel>Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: U200801637, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:14</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:15</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: U200600947 en U200700397</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:16</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: U200600947 en U200700397</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:17</nr><titel>Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:18</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                                9b:11, telt niet mee voor de berekening van de
                                ambtsjubileumgratificatie.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:19</nr><titel>Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                                    50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                    meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50
                                    jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel
                                    8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum
                                    van herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat,
                                    artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:18 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55
                                    jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te
                                    vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door
                                    deze ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste
                                    lid, vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is,
                                    verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn medische
                                    geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de
                                    bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt
                                    naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:11, eerste lid. Op hem blijft artikel 9b:11 van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U2008001112</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:20</nr><titel>Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij
                                    ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie
                                    van de gemeente definitief herplaatst wordt, heeft recht op een
                                    garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen de
                                    oude bezoldiging en het nieuwe totaalinkomen van de ambtenaar.
                                    Tot het totaalinkomen wordt de nieuwe bezoldiging gerekend,
                                    alsmede de uitkeringen die de ambtenaar in verband met zijn
                                    arbeidsongeschiktheid ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op grond van hoofdstuk 7 definitief
                                    herplaatst wordt in een functie met een lager totaalinkomen
                                    buiten de organisatie van de gemeente, maken het college en de
                                    ambtenaar afspraken over een financiële regeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200600947 en U200700397 en U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:21</nr><titel>Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is
                                de levensloopregeling van hoofdstuk 9e van toepassing.</al><al>briefnummer: CvA/U200600947 / U200800456 / U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:22</nr><titel>Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                    daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53
                                    jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57%
                                    van het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor,
                                    die behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het
                                    geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                                    dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de
                                    indexatie per betreffend dienstjaar zoals door ABP is
                                    vastgesteld. Indien het loon uit enig dienstjaar bij ABP niet
                                    bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in
                                    ABP Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter
                                    beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                    uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van
                                    het tweede lid, het in het eerste lid genoemde bedrag in ABP
                                    Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                    leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                    leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon
                                    wordt berekend tot het moment van uittreden. /&gt;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                    het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                    de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een
                                    indicatie van het verwachte te storten bedrag. Het college
                                    bepaalt, in overleg met de ambtenaar, het geschikte moment voor
                                    deze indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200600947 en U200802095 en U200802315 en
                                ECCVA/U201002704</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:22a</nr><titel>Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na
                                    1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                    bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is
                                    afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële
                                    tarieven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leeftijdafhankelijke factor bedraagt:</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="colA"></colspec><colspec colname="colB"></colspec><colspec colname="colC"></colspec><colspec colname="colD"></colspec><colspec colname="colE"></colspec><colspec colname="colF"></colspec><colspec colname="colG"></colspec><colspec colname="colH"></colspec><tbody><row><entry><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry><al><vet>factor</vet></al></entry><entry><al></al></entry><entry><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry><al><vet>factor</vet></al></entry><entry><al></al></entry><entry><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry><al><vet>factor</vet></al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>0,279</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>33</al></entry><entry><al>0,434</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>48</al></entry><entry><al>0,677</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>0,287</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>34</al></entry><entry><al>0,447</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>49</al></entry><entry><al>0,697</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>0,296</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>35</al></entry><entry><al>0,461</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>50</al></entry><entry><al>0,718</al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>0,305</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>36</al></entry><entry><al>0,475</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>51</al></entry><entry><al>0,739</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>0,314</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>37</al></entry><entry><al>0,489</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>52</al></entry><entry><al>0,762</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>0,323</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>38</al></entry><entry><al>0,504</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>53</al></entry><entry><al>0,785</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>0,333</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>39</al></entry><entry><al>0,519</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>54</al></entry><entry><al>0,808</al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>0,343</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>40</al></entry><entry><al>0,534</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>55</al></entry><entry><al>0,832</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>0,353</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>41</al></entry><entry><al>0,550</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>56</al></entry><entry><al>0,857</al></entry></row><row><entry><al>27</al></entry><entry><al>0,364</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>42</al></entry><entry><al>0,567</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>57</al></entry><entry><al>0,883</al></entry></row><row><entry><al>28</al></entry><entry><al>0,375</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>43</al></entry><entry><al>0,584</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>58</al></entry><entry><al>0,909</al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al>0,386</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>44</al></entry><entry><al>0,601</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>59</al></entry><entry><al>0,937</al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al>0,398</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>45</al></entry><entry><al>0,619</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>60</al></entry><entry><al>0,965</al></entry></row><row><entry><al>31</al></entry><entry><al>0,409</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>46</al></entry><entry><al>0,638</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>61</al></entry><entry><al>0,994</al></entry></row><row><entry><al>32</al></entry><entry><al>0,422</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>47</al></entry><entry><al>0,657</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>62</al></entry><entry><al>1.024</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd,
                                    stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdafhankelijke factoren
                                    vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200802095 en U200902748 en U201100617 en U201300296 en
                                U201500764</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:22b</nr><titel>Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de
                                ambtenaar</al><lijst><li nr="•"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen
                                        en</al></li><li nr="•"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                        blijft, geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het
                                        moment van uittreden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200802315</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in een
                                bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                                moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in
                                december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in
                                aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                                werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:23</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006
                                - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor
                                een WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                ontvangen.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al><al>briefnummer : ECCVA/U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:24</nr><titel>Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                                    loopbaan gestart wordt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder
                                    toepassing van artikel 9b:26, in de bezwarende functie werkzaam
                                    tot het moment, bedoeld in artikel 9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en de
                                    ambtenaar in het kader van het loopbaanplan hierover andere
                                    afspraken maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200600947 en U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:25</nr><titel>Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                                    dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op de
                                    maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt hoofdstuk 9a
                                    van toepassing, met inachtneming van de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede
                                    loopbaan eerst gezocht wordt naar een functie binnen de
                                    organisatie van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een
                                    procedure voor erkenning verworven competenties zijn
                                    competenties laten erkennen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede
                                    loopbaan heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de kosten,
                                    voor zover redelijk, van een extern loopbaanadvies.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere
                                    functie aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente,
                                    ontvangt, in afwijking van artikel 9a:11, eerste tot en met
                                    zevende lid, een garantietoelage ter hoogte van het negatieve
                                    verschil tussen de oude bezoldiging en de nieuwe
                                    bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college en de ambtenaar maken in het kader van het
                                    loopbaanplan afspraken over een financiële regeling wanneer de
                                    ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan buiten de
                                    organisatie van de gemeente een functie aanvaardt met een lager
                                    totaalinkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200600947 en U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:26</nr><titel>Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                    januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand
                                    volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt
                                    50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken tegen
                                    doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende
                                    bezoldiging. Indien dit voor het behouden van
                                    vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever dit kan
                                    aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief 60% van
                                    een volledige betrekking werken tegen doorbetaling van 95% van
                                    de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum,
                                    bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31
                                    december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                    december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                    leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze, bedoeld
                                    in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te
                                    werken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                    bedoeld in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te
                                    werken, wordt ziek gemeld. Op hem is artikel 9b:43, eerste lid,
                                    van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                    inachtneming van het tweede lid, het in het eerste lid bedoelde
                                    moment later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar.
                                    Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om
                                    door te werken in de bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                                    inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk zes
                                    kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                                    verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200600947 en U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:27</nr><titel>Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:26</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947 en U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:27a</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de
                                artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6
                                en artikel 6:3 niet van toepassing.</al><al>Briefnummer: U200700397</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:28</nr><titel>Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voorde ambtenaar
                                    geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006
                                    in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren
                                    heeft, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                                    maand waarin hij een bepaalde leeftijd bereikt, volledig
                                    buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling van een bepaald
                                    percentage van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. De
                                    leeftijd en het percentage zijn afhankelijk van het aantal
                                    dienstjaren op 1 januari 2006. De leeftijd waaraan de
                                    ingangsdatum van het volledig buitengewoon verlof is gekoppeld,
                                    en het percentage dat vanaf dat moment wordt betaald zijn bij
                                    een aantal dienstjaren op 1 januari 2006 van:</al><lijst><li nr="a."><al>5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75%</al></li><li nr="b."><al>10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78%</al></li><li nr="c."><al>15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum,
                                    bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31
                                    december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                    december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                    leeftijdgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                                    ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947 en U200700397 en U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:29</nr><titel>Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar
                                pensioen op over de volledige bezoldiging.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:30</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                    9b:28</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig
                                buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78% of
                                80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de
                                berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:31</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                                    9b:28</titel></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28,
                                vindt opbouw van vakantieuren plaats naar rato van het aantal uren
                                dat de ambtenaar werkt.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:32</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: U200600947 en U200700397</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:33</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: U200600947 en U200700397</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:34</nr><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                                    artikel 9b:28</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:26 en artikel 9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit of
                                    in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang
                                    van of na de datum waarop artikel 9b:26 van toepassing is
                                    geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een
                                    vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het
                                    bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging
                                    samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:26 van
                                    toepassing is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met de toepassing van artikel 9b:26.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:35</nr><titel>Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                                    met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                                    bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op
                                    de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt
                                    onbezoldigd volledig verlof verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van
                                    60 jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op
                                    grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                    voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                                    van 60 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                                    ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor
                                    wie het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                    zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie
                                    een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het
                                    onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een
                                    jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is
                                    om door te werken in de bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200600947 en U200800258 en ECCVA/U201002704</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:36</nr><titel>Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                                    volledig verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:35, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                    voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:35, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                    voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/U200600947 en U200800258</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:37</nr><titel>Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: U200801637, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:38</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:39</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: U200600947 en U200700397</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:40</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: U200600947 en U200700397</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:41</nr><titel>Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:42</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                                9b:35, telt niet mee voor de berekening van de
                                ambtsjubileumgratificatie.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:43</nr><titel>Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                    arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de
                                    ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                    januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                    bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie
                                    door te werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van
                                    50 jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4
                                    respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de
                                    datum van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200801112</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:44</nr><titel>Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                                    1 januari 2006</titel></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is
                                de levensloopregeling van hoofdstuk 9e van toepassing.</al><al><vet>briefnummer: CvA/U200600947 - U200800456</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:45</nr><titel>Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                                    1 januari 2006</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                    daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20 bezwarende
                                    dienstjaren heeft op het moment van storting, op de leeftijd van
                                    53 jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van
                                    57% van het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke
                                    factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het
                                    geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                                    dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de
                                    indexatie per betreffend dienstjaar zoals door ABP is
                                    vastgesteld. Indien het loon uit enig dienstjaar bij ABP niet
                                    bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20
                                    dienstjaren heeft, wordt het percentage van 57% genoemd in het
                                    eerste lid gedeeld door 20 en vermenigvuldigd met het aantal
                                    dienstjaren dat de ambtenaar heeft op de leeftijd van 53
                                    jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in de
                                    bezwarende functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de leeftijd
                                    van 59 jaar of tot een moment hiervoor, wanneer eerder 20
                                    dienstjaren bereikt zijn, een bedrag in ABP Extra Pensioen
                                    gestort ter hoogte van het inkomen in dat jaar x de
                                    deeltijdfactor in dat jaar x 2,85% maal de leeftijdsafhankelijke
                                    factor, die hoort bij de leeftijd op het moment van het recht op
                                    uitbetaling. De leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een
                                    functie betreft waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd
                                    van 60 jaar was verbonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in
                                    ABP Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar
                                    overgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                    uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van
                                    het vierde lid, het in het eerste lid genoemde of, indien van
                                    toepassing, het in het tweede lid genoemde bedrag in ABP Extra
                                    Pensioen, gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                    leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                    leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon
                                    wordt berekend tot het moment van uittreden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                    het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot
                                    de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan werken,
                                    als bedoeld in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het aantal
                                    dienstjaren niet verhoogd met het aantal jaren na 59 jaar.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig verlof,
                                    bedoeld in artikel 9b:35, vierde lid, wordt het aantal
                                    dienstjaren niet verhoogd met het aantal jaar na 59 jaar. De
                                    leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft
                                    waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was
                                    verbonden.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een
                                    indicatie van het verwachte te storten bedrag. Het college
                                    bepaalt, in overleg met de ambtenaar, het geschikte moment voor
                                    deze indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200600947 en U200802095 en U200802315 en
                                ECCVA/U201002704</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:45a</nr><titel>Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met minder dan
                                    20 dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is
                                    afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële
                                    tarieven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leeftijdsafhankelijke bijdrage bedraagt:<vet></vet></al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="colA"></colspec><colspec colname="colB"></colspec><colspec colname="colC"></colspec><colspec colname="colD"></colspec><colspec colname="colE"></colspec><colspec colname="colF"></colspec><colspec colname="colG"></colspec><colspec colname="colH"></colspec><tbody><row><entry><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry><al><vet>factor</vet></al></entry><entry><al></al></entry><entry><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry><al><vet>factor</vet></al></entry><entry><al></al></entry><entry><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry><al><vet>factor</vet></al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>0,279</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>33</al></entry><entry><al>0,434</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>48</al></entry><entry><al>0,677</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>0,287</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>34</al></entry><entry><al>0,447</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>49</al></entry><entry><al>0,697</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>0,296</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>35</al></entry><entry><al>0,461</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>50</al></entry><entry><al>0,718</al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>0,305</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>36</al></entry><entry><al>0,475</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>51</al></entry><entry><al>0,739</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>0,314</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>37</al></entry><entry><al>0,489</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>52</al></entry><entry><al>0,762</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>0,323</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>38</al></entry><entry><al>0,504</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>53</al></entry><entry><al>0,785</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>0,333</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>39</al></entry><entry><al>0,519</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>54</al></entry><entry><al>0,808</al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>0,343</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>40</al></entry><entry><al>0,534</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>55</al></entry><entry><al>0,832</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>0,353</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>41</al></entry><entry><al>0,550</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>56</al></entry><entry><al>0,857</al></entry></row><row><entry><al>27</al></entry><entry><al>0,364</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>42</al></entry><entry><al>0,567</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>57</al></entry><entry><al>0,883</al></entry></row><row><entry><al>28</al></entry><entry><al>0,375</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>43</al></entry><entry><al>0,584</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>58</al></entry><entry><al>0,909</al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al>0,386</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>44</al></entry><entry><al>0,601</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>59</al></entry><entry><al>0,937</al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al>0,398</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>45</al></entry><entry><al>0,619</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>60</al></entry><entry><al>0,965</al></entry></row><row><entry><al>31</al></entry><entry><al>0,409</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>46</al></entry><entry><al>0,638</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>61</al></entry><entry><al>0,994</al></entry></row><row><entry><al>32</al></entry><entry><al>0,422</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>47</al></entry><entry><al>0,657</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>62</al></entry><entry><al>1.024</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd,
                                    stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke factoren
                                    vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200802095 en U200902748 en U201100617 en U201100883 en
                                U 201500764</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:45b</nr><titel>Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de
                                ambtenaar</al><lijst><li nr="•"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen
                                        en</al></li><li nr="•"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                        blijft, geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het
                                        moment van uittreden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200802315</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr></kop><structuurtekst><al>(Vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>De ambtenaar in een niet bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:50</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet
                                bezwarende functie.</al><al><vet>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:51</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                                    januari 2006, in een niet bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20
                                    dienstjaren of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij de niet
                                    bezwarende functie bekleed heeft, waarvoor door het college
                                    krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                    leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een levensloopbijdrage van 2% van
                                    het voor ambtenaar geldende jaarsalaris over het jaar dat de
                                    functie werd bekleed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die
                                    direct voorafgaan aan 1 januari 2006.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend
                                    inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200600947</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                                bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                                moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in
                                december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking
                                kwam voor een WIA/WAO uitkering en die geen werkgeversbijdragen
                                levensloop heeft ontvangen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:54</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006
                                – als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een
                                WIA/WAO-uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                ontvangen.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:55</nr><titel>Analoge toepassing</titel></kop><al>De artikelen 9b:4 tot en met artikel 9b:10, artikel 9b:20, artikel
                                9b:22, artikel 9b:22a en artikel 9b:22b zijn van toepassing.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:56</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                    gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan
                                    wel die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a
                                    of b, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                                    waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt volledig buitengewoon
                                    verlof verleend voor een periode van 3 jaar, tegen doorbetaling
                                    van 70% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                    bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                    artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                                    bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                                    jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:4, later is
                                    ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                    wanneer het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                                    op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59
                                    of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                                    telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat
                                    de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                                    bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor
                                    aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft de
                                    ambtenaar bij uittreden recht op volledig buitengewoon verlof
                                    als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                    FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als
                                    bedoeld in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht
                                    voortgezet wordt, dan is het zesde lid niet van toepassing en
                                    behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het eerste tot en
                                    met vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:57</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56 zijn de artikelen 3:3
                                en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3
                                niet van toepassing.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:58</nr><titel>Premie IZA-verzekering tijdens periode van artikel
                                    9b:56</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>Briefnummer: U201201055, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:59</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                    9b:56</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:56 volledig
                                buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de
                                voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening
                                van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al>Briefnummer : U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:60</nr><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                    9b:56</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:56, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met
                                    arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de
                                    datum waarop artikel 9b:56 van kracht is geworden, wordt op de
                                    doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                    vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en
                                    de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten
                                    bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:56 van
                                    kracht is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met de toepassing van artikel 9b:56.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:61</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld
                                in artikel 9b:56 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:62</nr><titel>Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:55, leidt niet tot stopzetting van het
                                volledig buitengewoon verlof.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:63</nr><titel>Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                                    50 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50
                                    jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel
                                    8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum
                                    van herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat,
                                    artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:10 alsmede artikel 9b:56 tot
                                    en met 9b:62 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55
                                    jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te
                                    vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door
                                    deze ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste
                                    lid, vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is,
                                    verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn medische
                                    geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de
                                    bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt
                                    naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:56, eerste lid. Op hem blijft artikel 9b:56 van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:64</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</titel></kop><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie
                                bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft
                                deze paragraaf van toepassing.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in een
                                bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                                moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop – in
                                december 2006 - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en die
                                geen werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:65</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop – in december 2006
                                - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en die geen
                                werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:66</nr><titel>Analoge toepassing</titel></kop><al>De artikelen 9b:24 tot en met artikel 9b:34, artikel 9b:45, artikel
                                9b:45a en artikel 9b:45b zijn van toepassing.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:67</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op
                                    de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt
                                    volledig buitengewoon verlof verleend voor een periode van 3
                                    jaar tegen doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer op het moment bedoeld in het eerste lid nog geen 20
                                    dienstjaren zijn bereikt, dan wordt het buitengewoon volledig
                                    verlof als bedoeld in het eerste lid verleend naar rato van het
                                    aantal dienstjaren, dat op dat moment is bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van
                                    60 jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op
                                    grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                    voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                                    van 60 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                                    ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor
                                    wie het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                    zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie
                                    een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het
                                    onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een
                                    jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is
                                    om door te werken in de bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor
                                    aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft de
                                    ambtenaar bij uittreden recht op buitengewoon verlof als bedoeld
                                    in het eerste lid naar rato van aantal dienstjaren op dat moment
                                    met een maximum van 20 dienstjaren.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                    FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als
                                    bedoeld in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht
                                    voortgezet wordt, dan is het zevende lid niet van toepassing en
                                    behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het eerste tot en
                                    met zesde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:68</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 zijn de artikelen 3:3
                                en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3
                                niet van toepassing.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:69</nr><titel>Premie IZA-verzekering tijdens de periode van artikel
                                    9b:67</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>Briefnummer: U201201055, U201300288</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:70</nr></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:62 gedeeltelijk
                                bezoldigd volledig verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70%
                                van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de
                                berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:71</nr><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                    9b:67</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:67 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met
                                    arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de
                                    datum waarop artikel 9b:67 van kracht is geworden, wordt op de
                                    doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                    vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en
                                    de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten
                                    bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:67 van
                                    kracht is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met de toepassing van artikel 9b:67.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:72</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:67 vindt geen opbouw van vakantie-uren
                                plaats.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:73</nr><titel>Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:67, leidt niet tot stopzetting van het
                                gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:74</nr><titel>Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                    arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                    bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie
                                    door te werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van
                                    50 jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4
                                    respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                    hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de
                                    datum van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:34 alsmede
                                    9b:67 tot en met 9b:73 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:75</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</titel></kop><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie
                                bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft
                                deze paragraaf van toepassing.</al><al>Briefnummer: U201201055</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9c</nr><titel>Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn in
                            een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het
                            college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            leeftijdsgrenzen zijn bepaald</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c:1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c:2</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c:2:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c:2:2</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c:3</nr><titel>Bedrag en duur</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c:3:1</nr><titel>Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c:3:2</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c:3:3</nr><titel>Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of ongeval</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c:4</nr><titel>Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c:5:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9c:6:1</nr><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9d</nr><titel>Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                            beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949
                            of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997 geen deelnemer was
                            bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari 2006 werkzaam waren
                            in een functie, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals
                            dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald4</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9d:1</nr></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de
                            gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst, die
                            geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997
                            geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari
                            2006 werkzaam was in een functie, waarvoor door het college krachtens
                            artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn
                            bepaald.</al><al>Ledenbrief: U200701890</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9d:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op 31
                                december 2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari 2006 of
                                daarna FLO-ontslag zou zijn verleend, wordt buitengewoon verlof
                                verleend met behoud van de volledige bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar
                                FLO-ontslag zou zijn verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt tijdelijk
                                totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Ledenbrief: U200701890</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9d:3</nr></kop><al>Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2
                            buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige
                            bezoldiging, worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van
                            hoofdstuk 9b gebracht.</al><al>Ledenbrief: U200701890</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9d:4</nr></kop><al>Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden
                            op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.</al><al>Ledenbrief: U200701890</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9e</nr><titel>De gemeentelijke levensloopregeling FLO overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:1</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2 of 3
                            van hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing is.</al><al>Brief: U200800456</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:2</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht: een
                                        regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de
                                        loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b."><al>instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling
                                        of verzekeraar als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002471&amp;artikel=19g" struct="BWB">artikel 19g, vierde lid, Wet op de
                                            loonbelasting 1964</extref>;</al></li><li nr="c."><al>levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar
                                        geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al>levensloopverzekering: een bij de instelling door de
                                        ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al>levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening
                                        onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal;</al></li><li nr="f."><al>netto spaarverzekering: de bij Loyalis Levensloop Brandweer
                                        &amp; Ambulance afgesloten verzekering met als productnaam
                                        ‘Aanvullingsplan Netto, waarop de inleg van de ambtenaar
                                        wordt gestort;</al></li><li nr="g."><al>netto spaarverzekeringstegoed: het tegoed op de netto
                                        spaarverzekering;</al></li><li nr="h."><al>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance: het product
                                        van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het
                                        FLO-overgangsrecht, dat bestaat uit een
                                        levensloopverzekering en een netto spaarverzekering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                        Ambulance en,</al></li><li nr="b."><al>de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen om
                                        in te leggen in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                                        op het moment dat de werkgever deze levensloopbijdrage
                                        verstrekt en,</al></li><li nr="c."><al>niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of 60-jarige
                                        leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer
                                        &amp; Ambulance.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800456</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:3</nr></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                            voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een
                            periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De
                            gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002471&amp;artikel=19g" struct="BWB">artikel
                                19g van de Wet op de loonbelasting 1964</extref>.</al><al>Briefnummer: U200800456</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:4</nr><titel>Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling FLO-overgangsrecht meldt dit bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                                kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen
                                zoals genoemd in artikel 9e:5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800456</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:5</nr><titel>Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling
                                waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt
                                aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig
                                te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het
                                college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed
                                van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn
                                opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in
                                dienstbetrekking staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                                FLO-overgangsrecht niet deelneemt aan een spaarloonregeling als
                                bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002471&amp;artikel=32" struct="BWB">artikel 32 Wet op de loonbelasting
                                1964</extref>.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800456</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:6</nr><titel>Inleg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste
                                bedrag van de inleg per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen
                                wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7 genoemde
                                bronnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800456</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:7</nr><titel>Bronnen</titel></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                            levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een of meer van de
                            volgende bronnen:</al><lijst><li nr="a."><al>het salaris</al></li><li nr="b."><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en 9e:9;</al></li><li nr="e."><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                    bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800456</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:8</nr><titel>Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of meer
                                op 1 januari 2006</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is,
                                heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59
                                jaar zodanig, dat de ambtenaar bij het bereiken van de datum van
                                ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                                9b:11, eerste lid, een tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn
                                bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de
                                som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.
                                De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken
                                van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat
                                hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                                volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, een tegoed
                                heeft overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                                artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed
                                en het netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt
                                plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang
                                van het onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van
                                210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad
                                volgt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 3:1.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 9b:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800456 en ECCVA/U201002704</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:9</nr><titel>Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing is,
                                heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59
                                jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum, bedoeld in
                                artikel 9b:35, eerste lid, en uitgaande van het bereiken van 20
                                dienstjaren of meer op dat moment, een tegoed heeft overeenkomend
                                met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij
                                is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto
                                spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een
                                half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens
                                functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat
                                hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                                volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, en uitgaande
                                van het bereiken van 20 dienstjaren of meer, een tegoed heeft
                                overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel
                                9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                                netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats
                                binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren
                                bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 59
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren
                                bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 60
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van
                                210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad
                                volgt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd nog
                                geen 20 dienstjaren zijn bereikt, voorziet de levensloopbijdrage in
                                een tegoed naar rato van het aantal dienstjaren, dat op 59-jarige
                                leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd is bereikt.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 3:1.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                artikel 9b:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800456 en ECCVA/U201002704</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:10</nr><titel>Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                                FLO-overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door
                                de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet
                                plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt daarnaast:</al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>bij beëindiging van zijn bezwarende functie;</al></li><li nr="c."><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                        AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800456 en U201001917 en U201200194</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:11</nr><titel>Afkoop levensloopbijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9, tweede
                                lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij
                                het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt,
                                bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, of 9b:35, eerste lid, heeft
                                recht op een afkoopbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde
                                lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij
                                het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt,
                                bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, of 9b:35, tweede lid, heeft
                                recht op een afkoopbedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het
                                eerste lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een tegoed
                                heeft overeenkomend met 210% van de bezoldiging op het moment van
                                ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en
                                het netto spaarverzekeringstegoed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het
                                tweede lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een tegoed
                                heeft overeenkomend met 140% van de bezoldiging op het moment van
                                ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en
                                het netto spaarverzekeringstegoed.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn
                                bereikt, voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA
                                overeengekomen uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige
                                leeftijd naar rato van het aantal dienstjaren op het moment van
                                ontslag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald,
                                waarbij:</al><lijst><li nr="a."><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de dag
                                        voorafgaand aan het moment van ontslag;</al></li><li nr="b."><al>er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante
                                        waardeberekening wordt gehanteerd;</al></li><li nr="c."><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren, afgerond op
                                        hele maanden naar beneden, bij de oud-werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement
                                van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                                3:1.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                                9b:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800456</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:11a</nr><titel>Levensloopbijdrage bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de
                            ambtenaar</al><lijst><li nr="•"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer
                                    uit de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="•"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                    blijft, geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college
                                    beslist tot afkoop.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200802315</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:12</nr><titel>Afkoop bij voortzetting overgangsrecht</titel></kop><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                            naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                            tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, is de
                            voorwaarde voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 dat de
                            ambtenaar het afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11 beschikbaar
                            stelt voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</al><al>Briefnummer: U200800456</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:13</nr><titel>Opname levenslooptegoed</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een
                                        periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de
                                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wet
                                            arbeid en zorg</extref>, hoofdstuk 6 of de periode van
                                        onbetaald volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11 en
                                        9b:35;</al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een
                                        aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement
                                        van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale
                                        grenzen in de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002471" struct="BWB">Wet op de loonbelasting 1964</extref> niet
                                        worden overschreden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar
                                tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat
                                hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het
                                college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in
                                geval van beëindiging van het dienstverband.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet
                                afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als
                                voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in
                                artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde
                                verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse
                                aanbieders.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800456</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Wachtgeld<noot><cvdr:noot.nr xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"> 5
                                    </cvdr:noot.nr><cvdr:noot.al xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"><vet>Bij
                                        de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari
                                        2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende
                                        terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van
                                        de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat
                                        is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat
                                        voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen
                                        in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet
                                        worden geraadpleegd.</vet></cvdr:noot.al></noot></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:1</nr><titel>Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><lijst><li nr="a."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of
                                        artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit een
                                        betrekking:</al><lijst><li nr="1."><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="2."><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die
                                                aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en
                                                niet is geschied in een betrekking van kennelijk
                                                tijdelijke aard;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of
                                        artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend, tenzij
                                        toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6,
                                        tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld
                                in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het
                                voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling
                                ontslag te verlenen, hem schriftelijk is medegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:2</nr><titel>Lichamen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat-
                            en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die
                            met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
                            ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
                            doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:3</nr><titel>Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': </al><al>de aan het in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag
                                voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het
                                ambtenaarschap in de zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die
                                door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de
                                pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in
                                artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de
                                    <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008871" struct="BWB">Regeling
                                    beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de
                                    wet Privatisering ABP</extref> (Stc. 1997, 164) het
                                ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                        jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                        lid;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een
                                        daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                                        werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                        lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
                                        voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
                                        van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
                                        overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                        betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
                                        uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang
                                        van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
                                wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders
                                dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden,
                                worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met ingang van de dag
                                waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd
                                buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:4</nr><titel>Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij
                                in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden
                                tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde bij of krachtens de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=4" struct="BWB">artikelen 4</extref>, <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=5" struct="BWB">5</extref> en <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=6" struct="BWB">6 van
                                    de Werkloosheidswet</extref> is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:5</nr><titel>Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging
                                bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze
                                laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden,
                                vermeerderd met de vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze
                                regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens
                                de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit
                                bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het
                                ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die
                                bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag
                                van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande
                                aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde
                                werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten
                                gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/702674</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:6</nr><titel>Recht op wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op
                                wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de
                                betrokkene :</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens
                                        het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;</al></li><li nr="b."><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend
                                        naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c."><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als
                                        bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht
                                op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80%. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen vanaf
                                de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van het wachtgeld
                                wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                        ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                        lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                        toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in
                                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen
                                        vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80%
                                        of meer mede in aanmerking wordt genomen,</al></li><li nr="b."><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                        ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na
                                afloop van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a,
                                recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten van
                                het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de
                                betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou
                                hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld ingevolge
                                artikel 10:8 van dit besluit. </al><al>Het wachtgeld gaat in op de eerste dag volgende op die waarop de
                                suppletie op grond van artikel 11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het
                                eindigt op het tijdstip waarop het wachtgeld dat, te rekenen vanaf
                                de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge
                                artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van het eerste lid,
                                onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit wachtgeld is
                                artikel 10:10 van toepassing in die zin dat gerekend wordt vanaf het
                                tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/705435</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:7</nr><titel>Duur van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag waarop
                                het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                        ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als
                                        bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de Werkloosheidswet</extref> en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                        geweest of</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">WAJONG</extref> of de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">WAZ</extref>; </al><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met: </al><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar; </al><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar; </al><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; </al><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; </al><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; </al><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; </al><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en </al><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40
                                        jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
                                door samentelling van:</al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                        het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer
                                        als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de Werkloosheidswet</extref> en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te
                                        zijn geweest, en</al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                        betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
                                        van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering</extref>,
                                        berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
                                        80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
                                        het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op
                                        een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage
                                        ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een
                                        toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                        de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002822" struct="BWB">hoofdstuk III
                                            van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
                                            militairen</extref>, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op
                                        grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                                        arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                        dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of
                                        zou zijn berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                        ontvangt op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> over de maximale duur, bedoeld in
                                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888&amp;artikel=29" struct="BWB">artikel 29, tweede lid, van die
                                            wet</extref>;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                        overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; </al></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
                                gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking
                                genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
                                voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande
                                aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de
                                perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
                                persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                        persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                        werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                        bedoeld in het vierde lid volledig, en</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
                                        jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking
                                        van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                                        uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                        voor de helft in aanmerking genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                        wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een
                                        uitkering ter zake van werkloosheid;of</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                        tijdens vakantie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen
                                zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat
                                lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze
                                personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen
                                verzorgende persoon wordt aangewezen is het college bevoegd een van
                                hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon
                                moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                        onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De regels die gesteld zijn krachtens <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=17b" struct="BWB">artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet</extref>,
                                zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een
                                langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de
                                bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de
                                duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende
                                leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
                                vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                        diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
                                        opklimmende met 1,5%;</al></li><li nr="c."><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur
                                        gelijk aan 78% van de diensttijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het
                                voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld,
                                waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid
                                van dit artikel, of van een uitkering waarvan de duur is vastgesteld
                                krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze regeling, wordt bij de
                                berekening van de duur van het wachtgeld op basis van het tweede lid
                                mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij de berekening
                                van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                                toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende
                                duur wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                                toegekende uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in
                                het volgende lid, in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten
                                tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor
                                pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de
                                som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60
                                jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld
                                is toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere
                                verlenging duurt tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd
                                bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in het
                                geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de
                                vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de
                                betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor
                                pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval
                                blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                                verlenging, buiten aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201001917 en U201200194</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:9</nr><titel>Vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in
                                artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat
                                wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene die</al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7,
                                        eerste lid, heeft bereikt en</al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede
                                        lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn
                                        arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de
                                        wachtgeldduur, heeft recht op een vervolgwachtgeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                                vervolgwachtgeld een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag
                                van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid
                                van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de
                                voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                                heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het
                                toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar
                                na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit
                                zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld
                                eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
                                bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is,
                                aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel
                                10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde,
                                bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft
                                aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende
                                wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en half jaar
                                na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit
                                zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld
                                eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
                                vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het
                                wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het
                                vervolgwachtgeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:10</nr><titel>Bedrag van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden
                                gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen
                                maanden 77% van die bezoldiging en vervolgens 67% van die
                                bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (stb.
                                1984, 657) worden de percentages, genoemd in de vorige volzin, met 3
                                procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld daalt echter
                                niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene recht
                                zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op
                                wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn
                                gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen,
                                en de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
                                pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld
                                tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk
                                aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien
                                verstande dat gedurende het eerste jaar van die verlenging het
                                wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:11</nr><titel>Bedrag van het vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon,
                                met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70%
                                van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon
                                verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag</extref>, of, indien het een betrokkene
                                jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
                                minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde
                                lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende
                                vakantiebijslag, bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van die wet</extref>.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:12</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is
                                hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten
                                gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn
                                persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt,
                                is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als
                                werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op
                                die waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht op wachtgeld
                                ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het
                                oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                                verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van
                                betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben
                                bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is voorts
                                verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het
                                college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven,
                                strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron van
                                inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen
                                vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem
                                ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan
                                wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is
                                medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er
                                in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college
                                daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze
                                regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:13</nr><titel>Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten,
                                of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling
                                te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                                geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van
                                de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
                                WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO
                                gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
                                medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van
                                deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de
                                WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van
                                80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
                                dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004003238</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:14</nr><titel>Verhuiskosten</titel></kop><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders
                            arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet
                            van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten
                            van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:15</nr><titel>Vermindering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                    <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">WAJONG</extref> of de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">WAZ</extref>, of bedrijf, ter hand genomen op of na
                                de dag waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk
                                mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag
                                waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven
                                gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld
                                vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                                bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van het wachtgeld
                                ingevolge het bepaalde in artikel 10:19, eerste lid, niet in
                                aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en
                                die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking
                                wegens ziekte ontslag is verleend uit de betrekking die hij
                                gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en
                                waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement, worden
                                inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De
                                inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het
                                ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als
                                wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij
                                betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.In
                                afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze
                                verrekening op zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende
                                wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering,
                                in voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan
                                niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van
                                het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke
                                bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                                overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                                wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende
                                bedrag aan overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter
                                hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten
                                of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene
                                aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                                het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan
                                inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: ARZ/705435</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:16</nr><titel>Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
                                of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke
                                mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
                                aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk,
                                opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal
                                verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle even
                                genoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de
                                eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
                                betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke
                                wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
                                van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
                                verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
                                beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
                                termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een
                                jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt
                                het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder
                                voorbehoud van verrekening aan het einde van even bedoelde
                                termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
                                opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing
                                ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit,
                                bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:17</nr><titel>Verlenging</titel></kop><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het
                            recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld
                            komt een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking
                            gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de
                            duur van die betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8
                            vastgestelde duur van het wachtgeld toegevoegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:18</nr><titel>Opschorting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak
                                op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten bedrage van de
                                laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband met de
                                betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of
                                verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling
                                opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak
                                bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in
                                deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens
                                militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:19</nr><titel>Samenloop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij
                                met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld,
                                toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde
                                percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                                arbeidsongeschiktheid van </al><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA"></colspec><tbody><row><entry><al>65% tot 80% :80%;</al></entry></row><row><entry><al>55% tot 65% : 60%;</al></entry></row><row><entry><al>45% tot 55% : 50%;</al></entry></row><row><entry><al>35% tot 45% :40%;</al></entry></row><row><entry><al>25% tot 35% :30%;</al></entry></row><row><entry><al>15% tot 25% :20%;</al></entry></row><row><entry><al>minder dan 15%:0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het
                                verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het
                                onverminderde wachtgeld dat wordt genoten indien er geen sprake is
                                van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende
                                bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering
                                waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat dan wel het recht op deze uitkering geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
                                dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering
                                krachtens de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> of de Ziektewet, wordt gedurende de
                                termijn waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts
                                uitbetaald voor zover het even bedoelde uitkeringen te boven
                                gaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/705435</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:20</nr><titel>Betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar
                                boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld
                                werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het
                                wachtgeld over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2001002801</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:21</nr><titel>Afkoop</titel></kop><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een
                            regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten
                            dele wordt vervangen door een afkoopsom.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:22</nr><titel>Verval van wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16,
                                        eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig
                                        doet;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12,
                                        tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt,
                                        tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden
                                        gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
                                        in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar
                                        duurzaam te verblijven;</al></li><li nr="d."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                                        of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn
                                        gesteld;</al></li><li nr="e."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag
                                        zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven;</al></li><li nr="f."><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene
                                        verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben
                                        voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren aanleiding
                                        zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van
                                        artikel 8:13 ontslag te verlenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12,
                                eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte
                                waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten,
                                de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige
                                toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid, aan
                                wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld
                                wordt toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
                                inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens
                                het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is
                                dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers
                                of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het
                                oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige
                                functionering van de openbare dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:23</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde
                                        leeftijd bereikt;</al></li><li nr="b."><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene;</al></li><li nr="c."><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en
                                        derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar
                                        op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse
                                        instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te
                                        doen verlengen;</al></li><li nr="d."><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het
                                        arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                        arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een
                                        oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die
                                        instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat
                                        voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk
                                        werk te aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop
                                betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit
                                wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de hand van
                                artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
                                datum van ontslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: 1997705435 en U201001917 en U201200194</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:24</nr><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de
                                nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                                uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5,
                                over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen
                                echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering
                                ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen
                                dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen
                                dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters
                                of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van
                                een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op
                                het wachtgeld een vermindering werd toegepast, bedoeld in
                                artikel10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het verminderde
                                wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is de som van beide
                                uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het onverminderde
                                wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend naar
                                het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
                                aangewend voor betaling van de kosten van de laatste ziekte of van
                                de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
                                ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/801143</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:25</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
                                toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die
                                voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
                                bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van
                                1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
                                duur van het toegekende wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk
                                vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
                                verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de
                                wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens
                                begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens
                                artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1
                                augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de
                                wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens
                                begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens
                                artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1
                                augustus 1991.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:26</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als
                                bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur,
                                nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid,
                                verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december
                                1995, heeft recht op een overgangsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien
                                verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De
                                overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het
                                wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse
                                termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het
                                minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan
                                het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag</extref>.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:27</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op
                                basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze
                                luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
                                december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit wachtgeld de
                                aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in even genoemde
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
                                januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit
                                hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:28</nr><titel>Gevolgen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</titel></kop><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                            uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en
                            10:23 van overeenkomstige toepassing.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601371</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:29</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de
                                CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden
                                uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31
                                december 2000.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al><al></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10a</nr><titel>Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering<noot><cvdr:noot.nr xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"> 6
                                    </cvdr:noot.nr><cvdr:noot.al xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"><vet>Bij
                                        de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari
                                        2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende
                                        terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van
                                        de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat
                                        is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat
                                        voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen
                                        in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet
                                        worden geraadpleegd.</vet></cvdr:noot.al></noot></titel></kop><paragraaf><kop><nr></nr></kop><artikel><kop><nr></nr></kop><al><vet>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                    na 1 juli 2008 wordt ontslagen.</vet></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>werkloosheid: werkloosheid in de zin van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=16" struct="BWB">artikel 16 van de
                                                Werkloosheidswet</extref>;</al></li><li nr="b."><al>betrokkene: de ambtenaar die werkloos geworden is;</al></li><li nr="c."><al>dagloon:het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet,
                                            zonder de maximering van het dagloon, als bedoeld in
                                            artikel 22 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
                                            jo. <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0017745&amp;artikel=17" struct="BWB">artikel 17, eerste lid, van de Wet
                                                financiering sociale verzekeringen</extref>;</al></li><li nr="d."><al>bovenwettelijke uitkering: de aanspraken die de
                                            ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de
                                            aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van
                                            dit hoofdstuk en de aansluitende uitkering als
                                            omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met
                                            uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering
                                            als bedoeld in artikel 10a:9, lid 3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601371</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Aanvullende uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:2</nr><titel>Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                                    suppletie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=15" struct="BWB">artikelen 15 tot en met 21 van de
                                                Werkloosheidswet</extref> en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van
                                            artikel 8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8,
                                            8:12.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling
                                    indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde
                                    ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a
                                    van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid
                                    tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op
                                    een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                    80% of meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het
                                    moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager
                                    percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft
                                    op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is
                                    ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op
                                    de aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter
                                    zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk
                                    genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                    dienstbetrekkingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: Marz/CvA/U200601213</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:3</nr><titel>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon
                                op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de
                                betrokkene recht op aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover
                                dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het
                                recht op aanvullende uitkering wordt ontleend.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:4</nr><titel>Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1
                                    januari en 1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens
                                    LOGA-partijen vastgestelde wijze.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het LOGA maakt bekend met welk percentage de
                                    berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wijzigt.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977 en ECCVA/U201002612</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:5</nr><titel>Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                    uitkering bedragen tezamen een percentage van de
                                    berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70%</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=43" struct="BWB">artikel 43 van de Werkloosheidswet</extref> schort de
                                    termijn gedurende welke 80% van de berekeningsgrondslag wordt
                                    uitgekeerd niet op.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als
                                    bedoeld in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de
                                    datum van ontslag</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: Marz/CvA/U200601213</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:5a</nr><titel>Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen
                                    11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                    geworden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die
                                    op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                    geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan
                                    57,5, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond
                                    van de Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een
                                    verlengde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die
                                    op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                    geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder
                                    is, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond
                                    van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> gedurende 3,5 jaar recht op een
                                    verlengde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en
                                    tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een
                                    periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van
                                    werkloosheid niet is verstreken en vervolgens 70% van de
                                    berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor
                                    zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet</extref>,
                                    wordt deze op de verlengde uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004003213</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:5b</nr><titel>Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie
                                    artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing
                                    is</titel></kop><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                                2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet</extref> van
                                toepassing is.</al><al>briefnummer: CvA/2004003213</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:6</nr><titel>Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van
                                het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                                toepassing op de aanvullende uitkering.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:7</nr><titel>Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                                vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                                aanvullende uitkering.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:8</nr><titel>Verlenging van het recht op uitkering</titel></kop><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                                vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                                aanvullende uitkering.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:9</nr><titel>Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van
                                    het in lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de
                                    zin van de Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in
                                    het bedrag van de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                    nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te
                                    willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk
                                    weigert, kent het college een aanvulling op de aanvullende
                                    uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de
                                    Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag
                                    vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht
                                    zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven
                                    voor ontslag in aanmerking te willen komen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                    nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te
                                    willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het
                                    college een gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de
                                    hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de
                                        <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> waarop de betrokkene recht zou
                                    hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor
                                    ontslag in aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke
                                    werkloosheidsuitkering wordt, indien aan de voorwaarden van
                                    artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende
                                    uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de
                                    bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de
                                    toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke
                                    werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens
                                    de Werkloosheidswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:10</nr><titel>Anticumulatie</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=35" struct="BWB">Artikel 35 van de Werkloosheidswet</extref> is van toepassing
                                op de aanvullende uitkering.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:11</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                                activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing
                                op de aanvullende uitkering.</al><al>briefnummer: CvA/</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:12</nr><titel>Aanvulling op ziekengeld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te
                                    verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij
                                    recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin van
                                    artikel 10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest,
                                    recht op aanvulling van dat ziekengeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling
                                    bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de
                                    betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij
                                    niet wegens ziekte ongeschikt zou zijn om arbeid te
                                    verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                                    toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004755</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:12a</nr><titel>Aanvulling op Wazo-uitkering</titel></kop><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht
                                heeft op een uitkering op grond van de Wazo, heeft recht op een
                                aanvulling tot het voor haar geldende dagloon.</al><al>briefnummer: CvA/2002004755</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:12b</nr><titel>Aanvulling op REA-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en
                                    dientengevolge een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                    ontvangt, kan bij proefplaatsing en scholing bij een nieuwe
                                    werkgever recht hebben op een uitkering op grond van de Wet op
                                    (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben
                                    op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit
                                    hoofdstuk wanneer hij geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld
                                    zou hebben gehad, bestaat er ook in dit geval recht op
                                    aanvulling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering
                                    bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat
                                    betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij
                                    een WW-uitkering en aanvullende uitkering zou ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001026</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:13</nr><titel>Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                                    aanvulling op artikel 35 of <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888&amp;artikel=36" struct="BWB">artikel 36, eerste lid, Ziektewet</extref> een
                                    overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het
                                    bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het
                                    voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van
                                    13 weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                    aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                    gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:13a</nr><titel>Grensarbeiders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                                    betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
                                    eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op
                                    een WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering
                                    voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering
                                    heeft, uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten
                                    Nederland woont.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst><li nr="a."><al>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene
                                            wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar
                                            is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft
                                            op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid,
                                            onderdeel a, b, of n, WW vanwege het enkele feit dat
                                            zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is
                                            geëindigd;</al></li><li nr="b."><al>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt
                                            op een WW-uitkering, niet van invloed op het recht op
                                            bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene
                                            verbonden is aan dat recht op een WW-uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid
                                    recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en
                                    de aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben
                                    gehad indien hij in Nederland zou hebben gewoond.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een
                                    uitkering wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of
                                    pleegzorg naar het recht van zijn woonland, wordt die uitkering
                                    voor de toepassing van het derde lid gelijkgesteld met de
                                    overeenkomstige uitkering op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">ZW</extref> of de
                                    Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt plaats voor ten
                                    hoogste de maximale duur van de overeenkomstige uitkering op
                                    grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Zolang deze
                                    gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan de uitkering op
                                    grond van de ZW of de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wet arbeid en zorg</extref> en de aanvullende
                                    uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij
                                    in Nederland had gewoond.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                                    zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of
                                    arbeidsongeschiktheid naar het recht van zijn woonland ontvangt,
                                    wordt deze geheel in mindering gebracht op de uitkering op grond
                                    van dit artikel over dezelfde periode.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
                                    uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een
                                    ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg,
                                    een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar
                                    aard en strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering
                                    naar het recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond
                                    van dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte
                                    die de uitkering op grond van dit artikel zonder de samenloop
                                    zou hebben. Hierbij wordt de wettelijke uitkering geacht
                                    onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige
                                    wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel
                                    niet of niet geheel is betaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001026</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluitende uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:14</nr><titel>Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
                                    ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd
                                    waaraan het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement
                                    is verbonden, alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig
                                    zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is
                                    ontstaan, indien aan die tijd op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008871" struct="BWB">Regeling
                                        beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van
                                        de wet Privatisering ABP</extref> (Stc. 1997, 164) het
                                    ambtenaarschap in de zin van even genoemde regeling niet is
                                    verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                    buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een jaar;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld, een daarmee gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid of een bovenwettelijke
                                            uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste
                                            van de overheid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                            pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met
                                            ingang van de datum waarop de uitkering krachtens de
                                            Werkloosheidswet ingaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601047</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:15</nr><titel>Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met
                                    suppletie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene
                                    die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=15" struct="BWB">artikelen 15 tot en met 21 van de
                                                Werkloosheidswet</extref> en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van
                                            artikel 8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het
                                            derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene
                                    die door het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een
                                    gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van
                                    artikel 8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering
                                    indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6,
                                    derde lid, laatste volzin biedt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag
                                    van de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat
                                    zodra de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat
                                    het recht op de aansluitende uitkering op de eerste
                                    werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra
                                    de geldende uitkeringsduur van de verlengde uitkering is
                                    verstreken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor degene op wie <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet</extref>
                                    van toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende
                                    uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende
                                    uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van uitkering
                                    krachtens de Werkloosheidswet is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot
                                    uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van
                                    eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in
                                    hoofdstuk 11a van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid
                                    tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in
                                    artikel 8:5 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een
                                    aansluitende uitkering, berekend naar de duur, als bepaald in
                                    artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
                                    dan 80% en hij om die reden recht heeft op een uitkering
                                    krachtens de Werkloosheidswet.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtste lid, is
                                    ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op
                                    de aansluitende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking
                                    ter zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk
                                    genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                    dienstbetrekkingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: Marz/CvA/U200601213 en MARZ/CvA/U200601371</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:16</nr><titel>Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie
                                    maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                            diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur
                                            van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per
                                            leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
                                            zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                                            werkloosheid en</al></li><li nr="b."><al>twee jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor
                                    betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt
                                    uitgegaan van de datum van het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55
                                    jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
                                    uitkering tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd
                                    bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200601213 en U201001917 en U201200194</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:16a</nr><titel>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                                    tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                    geworden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die
                                    recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11
                                    augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden,
                                    wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de
                                    betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                            diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur
                                            van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per
                                            leeftijdsjaar opklimmende met 1,5% en wordt verminderd
                                            met de duur van de loongerelateerde uitkering krachtens
                                            de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de
                                            eerste dag van de werkloosheid en de duur van de
                                            verlengde uitkering genoemd in artikel 10a:5a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die
                                    op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                    geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd
                                    van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een
                                    aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand,
                                    volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
                                    Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in
                                    mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor
                                    zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                    tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de
                                    aansluitende uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004003213</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:16b</nr><titel>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie
                                    artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing
                                    is</titel></kop><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                                2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet</extref> van
                                toepassing is.</al><al>briefnummer: CvA/2004003213</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:17</nr><titel>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</titel></kop><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:18</nr><titel>Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:19</nr><titel>Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de
                                    berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te
                                    rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid nog niet is
                                    verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als
                                    bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de
                                    datum van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=130h" struct="BWB">artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet</extref>,
                                    wordt deze op de aansluitende uitkering in mindering
                                    gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: Marz/CvA/U200601213</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:20</nr><titel>Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of
                                    gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op
                                    aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het
                                    verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat
                                    op een uitkering krachtens de Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht
                                    op uitkering krachtens <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=20" struct="BWB">artikel 20, lid 1, onderdeel e van de
                                        Werkloosheidswet</extref> zou worden beëindigd wegens het
                                    verstrijken van de uitkeringsduur. In dat geval eindigt het
                                    recht op uitkering na het verstrijken van de uitkeringsduur van
                                    de aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig artikel
                                    10a:16.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:20a</nr><titel>Nawerking Ziektewet en Wazo</titel></kop><al>Indien er op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> dan wel op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0013008" struct="BWB">Wazo</extref> na
                                aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een
                                uitkering krachtens de Ziektewet, respectievelijk de Wazo, wordt
                                deze uitkering in mindering gebracht op de aansluitende
                                uitkering.</al><al>briefnummer: CvA/2002004755</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:21</nr><titel>Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving
                                    van het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing
                                    op de aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=43" struct="BWB">Artikel 43 van de Werkloosheidswet</extref> en
                                        <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=50" struct="BWB">artikel 50 van de Werkloosheidswet</extref>,
                                    zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19
                                    december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de verlenging
                                    van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet zijn
                                    niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004003213</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:22</nr><titel>Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de
                                        <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> van overeenkomstige toepassing op de
                                    aansluitende uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:23</nr><titel>Anticumulatie</titel></kop><al><extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=35" struct="BWB">Artikel 35 van de Werkloosheidswet</extref> is van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:24</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                                activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:25</nr><titel>Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                                    onder overeenkomstige toepassing van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888&amp;artikel=35" struct="BWB">artikel 35</extref> of <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888&amp;artikel=36" struct="BWB">artikel 36, eerste Lid, Ziektewet</extref> een
                                    overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het
                                    bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het
                                    voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van
                                    13 weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                    aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                    gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:25a</nr><titel>Grensarbeiders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van
                                    artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende
                                    uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland
                                    zou hebben gewoond.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a,
                                    tweede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001026</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:26</nr><titel>Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat
                                    nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke
                                    werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben
                                    aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn
                                    aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden toegekend als
                                    tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                                    verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een
                                    tegemoetkoming in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding
                                    op de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering
                                    gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2001002801</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:27</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26
                                    in aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of
                                            bedrijf met tenminste 50% met een minimum van vijf uur
                                            te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van
                                            de werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de
                                            oorspronkelijk vastgestelde beëindigingsdatum van de
                                            uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c."><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor
                                            bepaalde tijd met een duur van minimaal één jaar,
                                            blijkend uit de overlegging van het
                                            arbeidscontract;</al></li><li nr="d."><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de
                                            standplaats van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de
                                            afstand tussen deze standplaats en de oude woning
                                            tenminste 50 kilometer moet bedragen;</al></li><li nr="e."><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen
                                            hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar
                                            heeft als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe
                                            werkgever deze melding verifieert en de
                                            uitvoeringsinstelling vaststelt dat de
                                            uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat
                                    eerst als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk
                                    is verhuisd.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:28</nr><titel>Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> aanvaardt en</al></li><li nr="b."><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking
                                            lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                            berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                                    dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner
                                    is dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht
                                    op een reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de
                                    omvang van de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel
                                    10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van
                                    tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar
                                    te zijn overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In gevallen waarin <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=35" struct="BWB">artikel 35 van de Werkloosheidswet</extref> of artikel
                                    10a:32 van de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in
                                    het eerste lid genoemde reïntegratietoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:29</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol
                                    jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende
                                    en/of aansluitende uitkering indien betrokkene de nieuwe
                                    betrekking niet zou hebben verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis
                                    van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog
                                    recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering op hele jaren
                                    naar beneden afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:30</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voor betrokkene berekende duur is
                                            verstreken;</al></li><li nr="b."><al>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                            betrekking;</al></li><li nr="c."><al>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende
                                            drie maanden het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van
                                            de reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid,
                                    onderdeel b wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die
                                    in de nieuwe betrekking per kalenderweek:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                            kalenderweek heeft verloren dat er minder dan vijf
                                            arbeidsuren resteren of;</al></li><li nr="b."><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                            kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de helft
                                            van de arbeidsuren resteren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe
                                    betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren
                                    waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt
                                    dan naar rato uitgekeerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een
                                    overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe
                                    dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis
                                    van dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een
                                    reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste
                                    lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer
                                    herleven.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:31</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe
                                    betrekking aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                    berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
                                    10a:28, derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit
                                    de nieuwe betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude
                                    betrekking, naar rato aan tot 90% van de in artikel 10a:3
                                    genoemde berekeningsgrondslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:32</nr><titel>Reïntegratiepremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden
                                    toegekend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                            wegens werkloosheid geniet en;</al></li><li nr="b."><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of
                                            bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid
                                            volledig wordt opgeheven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient
                                    uiterlijk 10 weken na beëindiging van de uitkering op basis van
                                    de Werkloosheidswet door betrokkene te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien
                                    het verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt
                                    toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen
                                    bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens
                                    vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van
                                    betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7,
                                    10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                    wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21
                                    herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene
                                    omtrent de toekenning van een reïntegratiepremie genomen is,
                                    wordt negatief besloten op dit verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:33</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van
                                    de maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop
                                    betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe
                                    dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende
                                    periode waarin hij nog aanspraak zou hebben gehad op
                                    bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn
                                    gebleven als dat hij is op de dag voorafgaande aan de
                                    indiensttreding bij de nieuwe werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan
                                    van de berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op
                                    de datum van toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op basis van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> opgelegde sancties
                                    hebben geen invloed op de berekeningsbasis van de
                                    reïntegratiepremie.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:34</nr></kop><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                                berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het
                                dagloon van de betrokkene.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:35</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2002004194</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:36</nr><titel>Overige en slotbepalingen</titel></kop><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> een algemene neerwaartse wijziging
                                ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners
                                anders overeenkomen, binnen zes maanden na datum van het Staatsblad,
                                waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten
                                aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd
                                vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van
                                bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van
                                het Staatsblad.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:37</nr></kop><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:38</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                                juli 2008 wordt ontslagen.</al><al>Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO
                                moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de
                                tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.</al></artikel><artikel><kop><titel></titel></kop><al>Briefnummer: U200800330</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10d</nr><titel>Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Werkingssfeer en begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:1</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van
                                een organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van,
                                8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van
                                artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.</al><al>Briefnummer: U200800330 deel 1 en deel 2 en U200800798 en U200801115
                                en U200801544 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:2</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanvullende uitkering: uitkering tijdens de
                                        werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b."><al>grondslag : het gemiddelde van het salaris, de toegekende
                                        salaristoelage(n) en de toelage overgangsrecht (TOR)
                                        hoofdstuk 3, berekend over een periode van 12 maanden direct
                                        voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of de
                                        start van het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met de
                                        vakantietoelage en de eindejaarsuitkering. Deze wordt
                                        geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de
                                        gemeentelijke sector;</al></li><li nr="c."><al>gemeentelijke sector: de gemeenten en gemeenschappelijke
                                        regelingen, die de CAR van toepassing hebben verklaard;</al></li><li nr="d."><al>boventalligheid: de situatie dat een ambtenaar wegens
                                        reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de
                                        reorganisatie;</al></li><li nr="e."><al>na-wettelijke uitkering: de uitkering na afloop van de
                                        werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="f."><al>werkloosheid: werkloosheid als bedoeld in de
                                        Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit
                                        uit de beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst
                                        bij de gemeente;</al></li><li nr="g."><al>werkloosheidsuitkering: uitkering op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref>, welke uitkering voortvloeit
                                        uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst met de
                                        gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummers: U200800330_deel1, U200800330_deel2, U200801112,
                                U201300008</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:3</nr><titel>Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de
                                    bepalingen in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn
                                    overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken
                                    college en vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd
                                    Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze
                                    lokale afspraken.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800330 en U201300008</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:4</nr><titel>Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt,
                                    treft het college een passende regeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand
                                    door het college gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de
                                    inhoud van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag
                                    uit dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800330 en U201300008</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van
                                onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:5</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>re-integratiefase: de fase voorafgaand aan ontslag, waarin
                                        door middel van een reintegratieplan afspraken worden
                                        gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de
                                        ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering
                                        wordt gegeven met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk
                                        te voorkomen;</al></li><li nr="b."><al>re-integratieplan: het plan van aanpak waarin de
                                        re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar
                                        beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van
                                        de ambtenaar te bevorderen;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Ledenbrief: U200800330 en U200801544</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:6</nr><titel>Re-integratiefase voor ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft
                                    recht op een re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond
                                    van artikel 8:6.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending
                                    of overhandiging van het besluit tot ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het
                                    dienstverband bij de gemeente,waaruit ontslag plaatsvindt.
                                    Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de
                                    datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag
                                    plaatsvindt, tot de datum van de start van de
                                    re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>2 tot 10 jaar 4 maanden</al></li><li nr="b."><al>10 tot 15 jaar 8 maanden</al></li><li nr="c."><al>15 jaar of meer 12 maanden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800330 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:7</nr><titel>Einde re-integratiefase</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de
                                    ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen
                                    van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen
                                    of buiten de gemeente aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van
                                    artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de
                                    re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                    re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede
                                    lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende
                                    uitkering en een na-wettelijke uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Ledenbrief: U200800330 en U200801112 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich
                                    tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                    re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van
                                    de oorspronkelijke reintegratiefase.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de
                                    nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte
                                    afspraken uit het reintegratieplan van kracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Ledenbrief: U200800330 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:9</nr><titel>Verlenging re-integratiefase door middel van
                                    levensloop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met
                                    maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de
                                    mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel
                                    6:9.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar
                                    tijdens de reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen
                                    voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a."><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige
                                            arbeidsduur; en</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof
                                            levenslooptegoed opneemt op grond van de gemeentelijke
                                            levensloopregeling; en</al></li><li nr="c."><al>tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten
                                            worden ondernomen of voortgezet die de re-integratie
                                            bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de
                                    voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de
                                    ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reintegratieplan,
                                    tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden
                                    voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Ledenbrief: U200800330 en U200801112 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:10</nr><titel>Re-integratieplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een
                                    maand na aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan
                                    op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door
                                    het college gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
                                    re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar
                                    verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval
                                    afspraken over:</al><lijst><li nr="•"><al>verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die
                                            neergelegd zijn in het reintegratieplan;</al></li><li nr="•"><al>scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke
                                            scholing, het begin van die scholing, het einde van die
                                            scholing, de betaling en de te behalen resultaten;</al></li><li nr="•"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel;</al></li><li nr="•"><al>sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten
                                    voor de verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De
                                    kosten voor de activiteiten uit het re-integratieplan komen,
                                    mits redelijk en billijk, volledig voor rekening van het
                                    college, met een maximum van € 7.500,=.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer U200800330 en U201300008</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:11</nr><titel>Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het
                                college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze
                                boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar
                                heeft bij de betreffende gemeente.</al><al>Briefnummer: U200800330 en, U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:12</nr><titel>Duur van een Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
                                werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college
                                besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel
                                10d:22.</al><al>Briefnummer: U200800330 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:13</nr><titel>Inspanningsverplichting</titel></kop><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig
                                verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de
                                uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar
                                werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een
                                passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar
                                van een functie buiten de gemeente.</al><al>Briefnummer : U200800330 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:14</nr><titel>Start Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit
                                tot boventalligverklaring in werking is getreden.</al><al>Briefnummer: U200800330 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al><vet>Inhoud Van werk naar werk-traject</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:15</nr><titel>Van werk naar werk-onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject
                                    onderzoeken college en ambtenaar gezamenlijk de wensen en
                                    ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de
                                    gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de
                                    regionale arbeidsmarkt onderzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een
                                    gecertificeerd loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de
                                    datum waarop het Van werk naar werk-traject begint en is
                                    uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer U200800330 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:16</nr><titel>Van werk naar werk-contract</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar
                                    werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk naar
                                    werk-contract op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de
                                    voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere
                                    afspraken en daaraan verbonden termijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over:</al><lijst><li nr="•"><al>het al dan niet toekennen van professionele begeleiding
                                            en de tijdsduur daarvan;</al></li><li nr="•"><al>het al dan niet elders opdoen van werkervaring;</al></li><li nr="•"><al>de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk
                                            naar werk-traject verricht;</al></li><li nr="•"><al>het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor
                                            beschikbare budget;</al></li><li nr="•"><al>eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn
                                            gebleken uit het Van werk naar werk-onderzoek;</al></li><li nr="•"><al>de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
                                            sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht
                                            op het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd
                                            bedraagt tenminste 20% van de omvang van de
                                            aanstelling;</al></li><li nr="•"><al>het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende
                                            voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen
                                    tot een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten
                                    aanzien van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college
                                    een afzonderlijk besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer U200800330 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:17</nr><titel>Uitvoering van het Van werk naar werk-contract</titel></kop><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract
                                wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd.
                                Iedere drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd.
                                Hiervan wordt een verslag opgemaakt.</al><al>Briefnummer U200800330 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al><vet>Verlenging en einde Van werk naar werk-traject</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:18</nr><titel>Einde Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de
                                ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of
                                buiten de gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek
                                of ontslag om een andere reden.</al><al>Briefnummer: U200800330 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:19</nr><titel>Tussentijdse beëindiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar
                                    plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de
                                    gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de
                                    gemeente weigert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging
                                    van het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de
                                    ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar
                                    werk-contract.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in
                                    het eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar
                                    ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag
                                    volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is
                                    beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake is
                                    van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een
                                    aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800330 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:20</nr><titel>Advies loopbaanadviseur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden
                                    sinds de start ervan niet met een positief resultaat is
                                    afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt een
                                    gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit
                                    aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder
                                    geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in
                                    acht genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het
                                    advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of
                                    voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet
                                    op de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin
                                    voortzetting de kans op een passende of geschikte functie binnen
                                    afzienbare termijn vergroot.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of
                                    niet wordt overgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800330 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:21</nr><titel>Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het
                                    college over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en
                                    stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden
                                    niet wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op
                                    grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste
                                    dag na afloop van de Van werk naar werk-termijn van twee
                                    jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer U200800330 en U200801112 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:22</nr><titel>Verlenging Van werk naar werk-traject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke
                                    toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een
                                    functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien
                                    voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het
                                    vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar
                                    vergroot, kan het college besluiten het Van werk naar
                                    werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een redelijke
                                    en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan één keer
                                    worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk
                                    naar werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het
                                    college de ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste
                                    dag na afloop van de periode waarmee het Van werk naar
                                    werk-traject is verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer U200800330 en U200801112 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:23</nr><titel>Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                                    werk-contract</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij
                                    zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van
                                    werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere
                                    partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht
                                    gezamenlijk afspraken te maken over verbetering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in
                                    het eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het
                                    Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere
                                    partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het
                                    contract.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht
                                    gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject
                                    wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn,
                                    waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan
                                    als richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging
                                    herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken die bij de
                                    uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn
                                    ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht
                                    gebruik maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject
                                    tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19 tweede lid en
                                    ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar
                                    werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit
                                    artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil
                                    voorleggen aan de paritaire commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer U200800330 en U200801112 en U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:24</nr><titel>Paritaire commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die
                                    desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de
                                    bepalingen in deze paragraaf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de
                                    uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in
                                    artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze commissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil
                                    een bindend advies uit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling,
                                    bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden
                                    vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer U200800330 en U200801112 en U200801544 en
                                U201300008</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Aanvullende uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:25</nr><titel>Aanvullende uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de
                                            re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie
                                            zoals beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid
                                            niet aan de orde is; of</al></li><li nr="b."><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk
                                            naar werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie
                                            zoals beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> en deze ook daadwerkelijk
                                            ontvangt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is
                                    dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de
                                    aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die
                                    van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende
                                    uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:26</nr><titel>Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende
                                    uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de grondslag
                                    zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, over het aantal
                                    uren dat de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) tot een bedrag van € 4.375,= 10%;</al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 4.375,= tot een bedrag van €
                                            5.250,= 20% ;</al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 5.250,= 30%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) van € 4.375,= tot een bedrag van €
                                            5.250,= 10% ;</al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) van € 5.250,= tot een bedrag van €
                                            6.560,= 20% ;</al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 6.560,= 30%.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:27</nr><titel>Duur aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te
                                    rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na
                                    afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de
                                    werkloosheidsuitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:28</nr><titel>Sancties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> een sanctie wordt
                                    toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie
                                    evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de
                                    sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                    toegepast kan het college besluiten om het recht op
                                    na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten
                                    vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels
                                    op.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: u201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:29</nr><titel>Einde aanvullende uitkering</titel></kop><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is
                                verstreken.</al><al>Briefnummer: U201300008</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Na-wettelijke uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:30</nr><titel>Na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft
                                    recht op een na-wettelijke uitkering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkloosheid direct aansluitend op de
                                            werkloosheidsuitkering voortduurt;</al></li><li nr="b."><al>hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                            gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de
                                            hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat
                                    het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de
                                    werksfeer.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:31</nr><titel>Hoogte na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer
                                    heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn
                                    voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het
                                    bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren
                                    dat de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit
                                    of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de
                                    oude bezoldiging niet overschrijden. Het meerdere wordt gekort
                                    op de na-wettelijke uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:32</nr><titel>Duur na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de
                                gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor
                                is</al><lijst><li nr="a."><al>1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b."><al>2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd
                                        van 50 jaar</al></li><li nr="c."><al>3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:33</nr><titel>Einde na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                                    verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid
                                    eindigt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de
                                    eerste dag van de maand, volgend op die waarin de ambtenaar de
                                    AOW-gerechtigde leeftijd bereikt heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300008, U201401851, U201500231</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:34</nr><titel>Sancties na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties
                                worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering.
                                Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft
                                om het college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op
                                de duur en hoogte van de na-wettelijke uitkering.</al><al>Briefnummer: U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:35</nr><titel>Afkoop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de
                                    uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toestemming
                                    geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de
                                    voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel></titel></kop><al>Briefnummer: U201300008</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8</nr><titel>Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35%
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:36</nr><titel>Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                                    ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die
                                    gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde
                                    lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel definitief is
                                    herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een
                                    bijzondere uitkering indien en voor zolang hij arbeid heeft voor
                                    ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                                    definitief is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de
                                    ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                    gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van
                                    zijn bijzondere uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:37</nr><titel>Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                                    8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                    7:16</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                                    totaalinkomen uit of in verband met arbeid en de bezoldiging
                                    voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in
                                    mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:38</nr><titel>Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                                    8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                    7:16</titel></kop><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na
                                aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al><al>Briefnummer: U201300008</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:39</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de na-wettelijke
                                uitkering voor de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de
                                        gemeentelijke sector en</al></li><li nr="b."><al>ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008</al><al><plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="formule" type="foto" id="i273440"></illustratie></plaatje></al></li></lijst><al>met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38.
                                Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van
                                ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke
                                sector.</al></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201300008, U201300288</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Uitkeringsregeling ontslag<noot><cvdr:noot.nr xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"> 7
                                    </cvdr:noot.nr><cvdr:noot.al xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"><vet>Bij
                                        de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari
                                        2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende
                                        terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van
                                        de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat
                                        is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat
                                        voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen
                                        in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet
                                        worden geraadpleegd.</vet></cvdr:noot.al></noot></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:1</nr><titel>Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen
                                ambtenaar aan wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking
                                        waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling
                                        minder dan vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in
                                        een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;</al></li><li nr="b."><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze
                                        regeling, met uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag
                                        niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan eigen
                                        schuld of toedoen is te wijten; en die aan dat ontslag geen
                                        recht op een uitkering ingevolge artikel 8:3 kan
                                        ontlenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden
                                verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij
                                of zij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt die door geheel
                                buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats
                                moet veranderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: ARZ/801143</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:2</nr><titel>Lichamen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen':</al><al>Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                            rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen
                            worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
                            doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:3</nr><titel>Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in
                                artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de
                                zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door
                                inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de
                                pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in
                                artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de
                                    <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008871" struct="BWB">Regeling
                                    beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de
                                    wet Privatisering ABP</extref> (Stc. 1997, 164) het
                                ambtenaarschap in de zin van even genoemde regeling niet is
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                        maand daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een
                                        daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                                        werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de
                                        toepassing van artikel 11:8, vierde lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                                        van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel
                                        voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3
                                        van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere
                                        overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het
                                        pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een
                                        betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch
                                        uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang
                                        van de datum waarop de uitkering ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een
                                uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen,
                                anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering, met ingang
                                van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die
                                diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:4</nr><titel>Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij
                                in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden
                                tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:5</nr><titel>Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging
                                bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze
                                laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden,
                                vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 van deze
                                regeling, en de eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens
                                de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit
                                bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het
                                ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die
                                bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag
                                van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande
                                aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde
                                werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten
                                gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/702674</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:6</nr><titel>Recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat
                                behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag
                                waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur
                                wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden
                                        onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26
                                        weken als werknemer als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de Werkloosheidswet</extref> werkzaam is
                                        geweest, ingevolge artikel 11.7;</al></li><li nr="b."><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste
                                        drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                                        ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het bepaalde in
                                        artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding geeft ingevolge
                                        artikel 11:8, tweede lid en, indien van toepassing artikel
                                        11:8, vierde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden
                                waarin de betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid
                                verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft
                                verricht als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel
                                    8 van de Werkloosheidswet</extref> en hij de hoedanigheid van
                                werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a,
                                bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur van de perioden
                                van de bedoelde verhindering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking
                                genomen, voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking
                                waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of meer
                                dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de
                                plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in aanmerking
                                zijn genomen voor een recht op uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
                                weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
                                ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De regels die gesteld zijn krachtens <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=17a" struct="BWB">artikel 17a, derde en vierde lid, van de
                                    Werkloosheidswet</extref>, zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet aan
                                de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid, is
                                voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag waarop de
                                inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft
                                plaatsgehad.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
                                        WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                        80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
                                        suppletie als bedoeld in Hoofdstuk 11a van deze
                                        regeling;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd
                                        van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d."><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te
                                        wijten;</al></li><li nr="e."><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht
                                        moet worden niet te leiden tot onvrijwillige
                                        werkloosheid;</al></li><li nr="f."><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                        heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem
                                        eervol ontslag zal worden verleend en die na die mededeling
                                        een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met
                                        zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden voor hem passend
                                        is te achten, heeft geweigerd te aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op
                                uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan
                                80%. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf
                                de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van de uitkering
                                wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                        ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                        lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                        toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in
                                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen,
                                        vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80%
                                        of meer mede in aanmerking wordt genomen.</al></li><li nr="b."><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                        ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag
                                door de betrokkene.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:7</nr><titel>Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
                                ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                        ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als
                                        bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de Werkloosheidswet</extref> en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                        geweest of;</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ; </al><al>wordt de duur van de uitkering verlengd met: </al><al>3 maanden bij een <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">arbeidsverleden</extref> van ten minste 5
                                        jaar; </al><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar; </al><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; </al><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; </al><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; </al><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; </al><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar en </al><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
                                door samentelling van:</al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                        het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer
                                        als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te
                                        zijn geweest, en</al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                        betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
                                        van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering</extref>,
                                        berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
                                        80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
                                        het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op
                                        een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage
                                        ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een
                                        toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met
                                        de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                        de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
                                        of zou zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002822" struct="BWB">hoofdstuk III
                                            van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
                                            militairen</extref>, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op
                                        grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                                        arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                        dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of
                                        zou zijn berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                        ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur,
                                        bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                        overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; </al></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
                                gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking
                                genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
                                voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande
                                aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de
                                perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een
                                persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                        persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                        werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                        bedoeld in het vierde lid, volledig, en;</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
                                        jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking
                                        van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                                        uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                        voor de helft in aanmerking genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                        wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een
                                        uitkering ter zake van werkloosheid, of;</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                        tijdens vakanties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen
                                zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat
                                lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze
                                personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen
                                verzorgende persoon wordt aangewezen, is het college bevoegd een van
                                een die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon
                                moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                        onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De regels die gesteld zijn krachtens <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=17b" struct="BWB">artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet</extref>,
                                zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien
                                dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover
                                van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde
                                lid van dit artikel is begrepen, de duur van de uitkering
                                vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden,
                                gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven
                                wordt afgerond op hele maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten
                                hoogste vastgesteld op 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van
                                ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en
                                diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60
                                jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de termijn waarover
                                uitkering is toegekend aansluitend gedurende een periode van zes
                                maanden een bijzondere verlenging verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:9</nr><titel>Vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
                                artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die
                                uitkering recht op een vervolguitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene die</al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7,
                                        eerste lid, heeft bereikt, en</al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede
                                        lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn
                                        arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de
                                        uitkeringsduur, heeft recht op een vervolguitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                                vervolguitkering een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van
                                zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is
                                toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de
                                toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar
                                na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze
                                zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
                                eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin
                                bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is
                                en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft
                                aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende
                                uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half
                                jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer
                                deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering
                                eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de
                                vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de
                                uitkering van overeenkomstige toepassing op de
                                vervolguitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:10</nr><titel>Bedrag van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden
                                gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee
                                maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de
                                bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de
                                bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657)
                                worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3
                                procentpunten verhoogd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:11</nr><titel>Bedrag van de vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon,
                                met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70%
                                van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan
                                het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag</extref>, of, indien het een betrokkene
                                jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
                                minimumloon, bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel
                                    7, derde lid</extref>, en a<extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=8" struct="BWB">rtikel
                                    8, derde lid, van genoemde wet</extref>, beide vermeerderd met
                                de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002638&amp;artikel=15" struct="BWB">artikel 15 van die wet</extref>.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:12</nr><titel>Verhuiskosten</titel></kop><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij
                            elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de
                            voet van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004633" struct="BWB">Verplaatsingskostenregeling</extref> te bepalen vergoeding in de
                            kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:13</nr><titel>Vermindering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                    <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008657" struct="BWB">WAJONG</extref> of de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0008656" struct="BWB">WAZ</extref>, of bedrijf, ter hand genomen op of na
                                de dag waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk
                                mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering
                                toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de
                                bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede
                                de uitkering vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste
                                volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de
                                uitkering ingevolge artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en
                                die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking
                                ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht
                                op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer
                                was in de zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in
                                het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten, ter hand genomen
                                met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaats vond uit de
                                betrekking die door betrokkene gedurende de met recht op uitkering
                                doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand
                                waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
                                hebben.In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt
                                deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende
                                uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al
                                dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met
                                de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip
                                van de oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke
                                bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                                overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                                wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende
                                bedrag aan overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter
                                hand genomen vóór even bedoelde dag, is ten aanzien van die
                                inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien betrokkene
                                aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                                het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan
                                inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/705435</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:14</nr><titel>Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
                                of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk
                                mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college
                                aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor zover mogelijk opgave
                                van de inkomsten die hij uit dan wel in verband met die arbeid of
                                dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in
                                alle even genoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen
                                van de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
                                betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke
                                uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen
                                van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft
                                verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter
                                beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
                                termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een
                                jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt
                                het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder
                                voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde
                                termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
                                opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing
                                ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit,
                                bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:15</nr><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in
                                artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde
                                partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld
                                in artikel 11:5 over een tijdvak van drie maanden. Laat de
                                overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan
                                geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                                natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken
                                ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van
                                ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de
                                overledene kostwinner was.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een
                                door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan
                                op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond van artikel
                                11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de verminderde
                                uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor zover nodig
                                aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen gelijk is aan het
                                bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden
                                aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte of
                                van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe
                                ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een
                                gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
                                wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/801143</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:16</nr><titel>Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten,
                                of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling
                                te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                                geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van
                                de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
                                WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO
                                gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
                                medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van
                                deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de
                                WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van
                                80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van
                                dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004003238</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:17</nr><titel>Uitkering bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft
                                op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met
                                11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens
                                ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt hem telkens met
                                ingang van de vierde dag van die verhindering een uitkering
                                toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene
                                deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft
                                genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit
                                luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:18</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17,
                            eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens
                            ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de
                            artikelen 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:19</nr><titel>Afkoop</titel></kop><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
                            artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering
                            geheel of ten dele worden afgekocht.</al><al>briefnummer: ARZ/507386</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:20</nr><titel>Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de
                                voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                                uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid,
                                vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en
                                wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw
                                toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de
                                laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake
                                van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid aanspraak heeft op een
                                uitkering krachtens de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> of krachtens enige
                                publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
                                werkloosheid begrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                        dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van
                                        een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde
                                        werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe
                                        dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
                                        dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering
                                        bestaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering
                                als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft
                                opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene :</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering
                                        ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a,
                                        arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b."><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
                                        werknemer als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de Werkloosheidswet</extref>.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
                                betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met
                                gewerkte weken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes
                                maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende
                                uitkering als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als
                                bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als
                                bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
                                aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid,
                                niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het
                                opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is ingekomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:21</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt is
                                hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten
                                gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn
                                persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt,
                                is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als
                                werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op
                                die waarop het ontslag ingaat. Hij dient binnen veertien dagen
                                daarna een bewijs van inschrijving als werkzoekende van het
                                arbeidsbureau aan het college over te leggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het
                                oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                                verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van
                                betrokkenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich
                                te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het
                                algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot
                                het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er
                                in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college
                                daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering van deze
                                regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:22</nr><titel>Opschorting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak
                                op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten
                                bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in verband met de
                                betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of
                                verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling
                                opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak
                                bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in
                                deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens
                                militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:23</nr><titel>Samenloop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij
                                met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering,
                                toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde
                                percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                                arbeidsongeschiktheid van<vet></vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"></colspec><colspec colname="colB"></colspec><tbody><row><entry><al>65% tot 80%:</al></entry><entry><al>80%;;</al></entry></row><row><entry><al>55% tot 65% :</al></entry><entry><al>60%;</al></entry></row><row><entry><al>45% tot 55% :</al></entry><entry><al>50%;</al></entry></row><row><entry><al>35% tot 45% :</al></entry><entry><al>40%;</al></entry></row><row><entry><al>25% tot 35% :</al></entry><entry><al>30%;</al></entry></row><row><entry><al>15% tot 25% :</al></entry><entry><al>20%;</al></entry></row><row><entry><al>minder dan 15% :</al></entry><entry><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet></vet> De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de
                                verminderde uitkering bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde
                                uitkering die wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop.
                                Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op de
                                uitkering in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                                aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                                de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering
                                waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel
                                of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs
                                kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing
                                van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/705435</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:24</nr></kop><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                                <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">Werkloosheidswet</extref> of de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref>,
                            worden gedurende de termijn, waarover die aanspraken bestaan, de op
                            grond van deze regeling toegekende uitkeringen niet uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:25</nr><titel>Betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar
                                boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de
                                uitkering werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de
                                uitkering over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2001002801</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:26</nr><titel>Verval van uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave
                                        bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan
                                        wel onjuist of onvolledig doet;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in
                                        artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij
                                        zonder toestemming van het college gedurende de tijd, waarin
                                        hij een uitkering geniet, de in evengenoemde leden bedoelde
                                        inschrijving teniet doet of nalaat deze op de door het
                                        arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                        arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen
                                        verlengen;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde
                                        lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan
                                        redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel
                                        indien er overigens gegronde reden is om aan te nemen dat
                                        hij niet ernstig tracht werk te vinden;</al></li><li nr="d."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
                                        in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar
                                        duurzaam te verblijven;</al></li><li nr="e."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                                        of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid zijn
                                        gesteld;</al></li><li nr="f."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag
                                        zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven;</al></li><li nr="g."><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene
                                        verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben
                                        voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren, aanleiding
                                        zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van
                                        artikel 8:13 van deze regeling ontslag te verlenen;</al></li><li nr="h."><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige
                                toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21,
                                eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het
                                arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt gevolg
                                te geven aan een oproeping of aanwijzing van het arbeidsbureau,
                                welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in verband met
                                zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                                opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden,
                                vervalt de uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de
                                verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou
                                zijn gegaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van
                                een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen
                                van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting,
                                behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college
                                noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter
                                vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam
                                te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid
                                of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:27</nr><titel>Einde van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende
                                        op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft
                                        bereikt;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
                                        is overleden;</al></li><li nr="c."><al>indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de
                                betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is
                                van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze
                                uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van
                                artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de
                                datum van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige
                                toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/705435</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:28</nr><titel>Nadere voorschriften</titel></kop><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
                            geven.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:29</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991
                                toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die
                                voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende
                                bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van
                                1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende
                                duur van de toegekende uitkering langer is dan de oorspronkelijk
                                vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het
                                verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van
                                artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde
                                tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging van de
                                werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel 13, tweede
                                lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige daarvoor genoemde
                                voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van de uitkering. Artikel
                                13, eerste lid van de uitkeringsregeling zoals deze luidde tot 1
                                augustus 1991, blijft van toepassing op een weder toegekende
                                uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat de
                                duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het
                                tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:30</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op
                                basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze
                                luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31
                                december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze uitkering de
                                aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
                                januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit
                                hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:31</nr></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:32</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de
                                CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden
                                uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op 31
                                december 2000.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2000004977</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11a</nr><titel>Suppletie<noot><cvdr:noot.nr xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"> 8
                                    </cvdr:noot.nr><cvdr:noot.al xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/">Bij de
                                    invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016,
                                    zijn de met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en
                                    verwijzingen in de overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast.
                                    Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm
                                    gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO
                                    van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</cvdr:noot.al></noot></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van
                                        artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="b."><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering: een periodieke uitkering,
                                        toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die
                                        voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;</al></li><li nr="c."><al>WAO-uitkering: uitkering op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">WAO</extref>;</al></li><li nr="d."><al>betrokkene: de overheidswerknemer, bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007791&amp;artikel=2" struct="BWB">artikel 2 van de WPA</extref>, aan wie op grond van
                                        artikel 8:5 ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid
                                        voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die
                                        ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt
                                        is, met uitzondering van degene die zijn resterende
                                        verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden
                                        betrekkingen;</al></li><li nr="e."><al>bestuursorgaan: het orgaan als bedoeld in artikel 8:5,
                                        eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te
                                        verlenen;</al></li><li nr="f."><al>suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;</al></li><li nr="g."><al>dagloon: het dagloon in de zin van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering</extref> zonder
                                        toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste
                                        lid, van de Coordinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd
                                        met het bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007211&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 10 van de Wet financiële voorzieningen
                                            privatisering ABP</extref>, en in voorkomend geval
                                        verminderd met bijdragen strekkende tot betaling van de
                                        premie van een door of voor de betrokkene afgesloten
                                        particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel
                                        1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene
                                        Dagloonregelen WAO;</al></li><li nr="h."><al>berekeningsgrondslag van de suppletie: het dagloon van
                                        betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake
                                        waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover
                                        dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking
                                        waaraan het recht op suppletie wordt ontleend;</al></li><li nr="i."><al>werkloosheidsuitkering een periodieke uitkering ter zake van
                                        ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig
                                        dienstverband van betrokkene.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:2</nr><titel>Recht op suppletie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem
                                ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling
                                van zijn betrekking wegens ziekte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde
                                ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden onafgebroken
                                heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode van 90 maanden
                                worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een
                                onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                                overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de
                                Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare
                                arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen
                                geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en
                                bekwaamheden in staat is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:4</nr></kop><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate
                                    van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan
                                    ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van
                                    het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601047</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:5</nr></kop><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                    overleden;</al></li><li nr="c."><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene
                                    de leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:6</nr><titel>Suppletie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van
                                de suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan
                                de voor de sector Gemeenten geldende algemene
                                bezoldigingswijziging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b."><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in
                                artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan
                                het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de
                                in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode verminderd met de
                                periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop
                                genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze
                                vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode gedurende
                                welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
                                van de suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24
                                maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met
                                een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op
                                suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering
                                dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het
                                bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in mindering gebracht
                                op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit
                                hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer
                                recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de
                                toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking
                                ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van
                                de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                dienstbetrekkingen</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan een
                                dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen
                                vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter zake waarvan
                                hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na
                                laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate
                                van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het
                                bedrag van die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in
                                mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
                                bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen
                                als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die
                                uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de
                                in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de
                                feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een
                                individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot
                                een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het
                                bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze van
                                toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel
                                overeenkomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004755</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of
                                bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
                                berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de inkomsten
                                uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in
                                het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met
                                arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake
                                        waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is
                                        aangezegd;</al></li><li nr="b."><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
                                        voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                        suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                        suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en
                                        b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid
                                        of dit bedrijf na die dag inkomsten of meer inkomsten worden
                                        genoten door de betrokkene, terwijl die inkomsten of die
                                        meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn
                                        van een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met
                                        het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
                                betrokkene afwijken van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:10</nr></kop><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds
                            geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg
                            van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of
                            meer werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                            arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet
                            dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met
                            laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft;</al><lijst><li nr="a."><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b."><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c."><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan
                                    wel;</al></li><li nr="d."><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004755</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een
                                suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit,
                                gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene
                                over een tijdvak van drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de langstlevende der echtgeno(o)t(en) of geregistreerde
                                        partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de andere
                                        echtgenoot gescheiden leefde;</al></li><li nr="b."><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
                                        minderjarige wettige of natuurlijke kinderen,</al></li><li nr="c."><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan
                                        degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de
                                        kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in
                                        gezinsverband leefde</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als
                                echtgeno(o)t(en) of geregistreerde partner(s) aangemerkt niet
                                gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam
                                een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen
                                tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
                                bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan
                                slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk
                                voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in
                                de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars
                                verzorging voorzien</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
                                werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                                uitkeringen op grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001888" struct="BWB">Ziektewet</extref> dan wel uitkeringen die naar
                                aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen,
                                waarop betrokkene recht had.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/804371</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:12</nr><titel>Betaling van suppletie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie
                                bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                                bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit,
                                doch uiterlijk binnen een maand nadat het recht op die suppletie
                                heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de
                                regel per maand achteraf</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
                                binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer
                                betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste
                                van betrokkene afwijken van de eerste volzin.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:13</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te
                                stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid
                                bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de
                                suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen
                                van een verplichting als bedoeld in artikel 11a:3.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar
                                redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen
                                indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd
                                als een suppletie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:14</nr><titel>Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die
                                regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels
                                te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan
                                een opleiding of scholing in dagonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan
                                een voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijke
                                opleiding of scholing, blijft volgens door het bestuursorgaan te
                                stellen regels het recht op suppletie bestaan totdat die opleiding
                                of scholing is geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het
                                tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen
                                gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in
                                het tweede lid bedoelde opleiding of scholing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:15</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht
                                daarvan mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van
                                onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het
                                bestuursorgaan nodig.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:16</nr><titel>Uitvoeringsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot
                                :</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;</al></li><li nr="b."><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de
                                        suppletie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                artikel 11a:15.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:17</nr><titel>Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                                wegens ziekte</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren.
                            (Zie artikel 11a:21)</al><lijst><li nr="1."><al>Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de
                                    sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als
                                    bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de
                                    Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die
                                    datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is
                                    verstreken, heeft recht op suppletie.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij
                                    een op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld
                                    van:<vet></vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"></colspec><colspec colname="colB"></colspec><colspec colname="colC"></colspec><tbody><row><entry><al>1 maand</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 27 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>2 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 26 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>3 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 25 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>4 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 24 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>5 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 22 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>6 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 21 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>7 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 20 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>8 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 19 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>9 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 18 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>10 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 17 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>11 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 16 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>12 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 15 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>13 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 14 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>14 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 13 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>15 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 12 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>16 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 11 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>17 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 10 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>18 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>19 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>20 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 8 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>21 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 7 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>22 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 6 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>23 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 5 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>24 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 4 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>25 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 3 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>26 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 2 maanden 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>27 maanden</al></entry><entry><al>gedurende de eerste 1 maand 80%</al></entry><entry><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>28 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>29 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 32 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>30 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 31 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>31 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 30 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>32 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 29 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>33 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 28 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>34 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 27 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>35 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 26 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>36 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 25 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>37 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 24 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>38 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 23 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>39 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 22 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>40 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 21 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>41 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 20 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>42 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 19 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>43 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 18 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>44 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 17 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>45 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 16 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>46 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 15 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>47 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 14 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>48 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 13 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>49 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 11 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>50 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 10 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>51 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 9 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>52 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 8 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>53 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 7 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>54 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 6 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>55 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 5 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>56 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 4 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>57 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 3 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>58 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 2 maanden 70%</al></entry></row><row><entry><al>59 maanden</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al>gedurende 1 maand 70%</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="3."><al>De artikelen 11a:3 tot en met 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7
                                    tot en met 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met
                                    11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere
                                    overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht op
                                    suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel
                                    bepaalde.</al></li><li nr="5."><al>Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing,
                                    met dien verstande dat voor de vaststelling van de
                                    berekeningsgrondslag voor de betrokkene als dagloon geldt het
                                    dagloon zoals bepaald in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007791&amp;artikel=42" struct="BWB">artikel 42, derde en vierde lid, van de WPA</extref>,
                                    zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9,
                                    eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al></li><li nr="6."><al>Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                                    herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar
                                    beneden afgerond op een hele maand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:18</nr></kop><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007791&amp;artikel=2" struct="BWB">artikel 2
                                van de WPA</extref>, op 1 januari 1996 gedurende een periode van 52
                            weken of langer onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van
                                <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002524&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering</extref> en de mate van zijn
                            algemene invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld
                            op ten minste 15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid
                            ingevolge de ministeriele regeling op grond van artikel 8, derde lid,
                            van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste
                            25 procent, binnen een periode van zes maanden is aan te merken als
                            betrokkene, geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in
                                <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007791&amp;artikel=39" struct="BWB">artikel 39, vierde en vijfde lid, van de WPA</extref>, zonder
                            toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
                            Coordinatiewet Sociale Verzekering.</al><al>briefnummer: ARZ/607190</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:19</nr><titel>Overige en slotbepalingen</titel></kop><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007791" struct="BWB">paragraaf 9 van de
                                WPA</extref> een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt
                            deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen,
                            binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel
                            is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie
                            doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van
                            inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes
                            maanden na de datum van het Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:20</nr></kop><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:21</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van
                                artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de ambtenaar die op
                                grond van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002524" struct="BWB">WAO</extref> recht heeft op een WAO-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op
                                of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op
                                grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is,
                                met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht
                                heeft op een WAO-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601614</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Overleg met organisaties van overheidspersoneel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de commissie: de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor
                                        georganiseerd overleg;</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de collectieve
                                        arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam
                                        zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="c."><al>de organisaties: de plaatselijk werkende groeperingen van de
                                        landelijke verenigingen van overheidspersoneel, aangesloten
                                        bij de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal
                                        overleg met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                                        van Nederlandse Gemeenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld
                                uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een
                                vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale
                                van Overheidspersoneel (ACOP), de Christelijke Centrale van
                                Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van
                                Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs,
                                bedrijven en instellingen (CMHF), dan wel een van de bij deze
                                centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales,
                                respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                                worden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in
                                de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens
                                ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van
                                ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van
                                de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal
                                leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is
                                met het aantal als genoemd in de bepaling van de samenstelling van
                                de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in
                                overeenstemming gebracht met de hier geldende bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen
                                toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen worden.
                                Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg
                                besproken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten,
                                verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende
                                representatief geacht worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/803886</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:1</nr><titel>Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie,
                                bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of
                                meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing
                                geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts
                                telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de
                                commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in
                                artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers
                                aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties,
                                welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden tellen. Indien
                                verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale,
                                geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze organisaties
                                gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het
                                bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2003003656</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in
                                artikel 12:1:1 , tweede lid, aan college opgaaf van het aantal der
                                op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
                                aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de
                                organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie
                                schriftelijk aan college doet weten dat zijn aanwijzing als
                                vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze
                                gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2003000554</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                                vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de
                                vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de
                                commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het
                                college verder personeel voor het secretariaat ter beschikking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:4</nr><titel>Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de
                                Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de
                                tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling aan de
                                commissie voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat,
                                ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot
                                overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het
                                college daarvan mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd
                                overleg.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld
                                verandering te brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel,
                                wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder begrepen,
                                stelt het college het overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op
                                de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de
                                inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:</al><lijst><li nr="a."><al>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als
                                        bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering
                                        betrokken ambtenaren worden gehoord;</al></li><li nr="c."><al>de personele gevolgen van die verandering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid,
                                vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel
                                12:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2</nr><titel>Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen
                                belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de
                                algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
                                gevoerd. De commissie kan niet overleggen over onderwerpen die
                                voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken
                                van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                overheidspersoneel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie
                                voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling
                                hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot
                                overeenstemming leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:1</nr></kop><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid,
                            worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen
                            daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de
                            concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar
                            gemaakt.</al><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is
                                bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde
                                onderwerpen voorstellen te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de
                                bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent een
                                beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan
                                legt het college het voorstel voorzien van zijn advies ter
                                besluitvorming voor aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen
                                van de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de
                                organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde
                                organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar
                                aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling
                                van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de
                                subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen
                                die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter beschikking
                                staan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:4</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op
                                door hem te bepalen tijdstippen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie
                                leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen
                                verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het
                                verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter
                                vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk
                                de te behandelen onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste
                                de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat uit twee of meer
                                leden van het college kan de vergadering slechts plaatshebben indien
                                ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het
                                gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de
                                organisaties is vertegenwoordigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een
                                vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde
                                onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen
                                14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die
                                onderwerpen in elk geval kunnen worden behandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2003000554</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:6</nr></kop><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken
                            door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die
                            onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de
                            orde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergaderingen zijn niet openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de
                                vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen
                                deelnemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan
                                door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie;
                                zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de
                                grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken
                                aan voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en
                                omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken
                                geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte
                                van het college en van de raad, alsmede niet tegenover de
                                hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2003000554</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:8</nr></kop><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls
                            hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen
                            tijd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
                                vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem
                                uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt
                                bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of
                                buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van
                                de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald
                                door stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke
                                organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij
                                haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met
                                dien verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in
                                aanmerking komen dan het totaal aantal stemmen dat door de andere
                                organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen
                                wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben gestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt
                                vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het
                                aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: ARZ/803886</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:10</nr></kop><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de
                            notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden
                            gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is
                            bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:11</nr></kop><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen
                            wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.</al><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:1</nr><titel>Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De artikelen 12:3:2 tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing in die
                            gemeenten die zijn aangesloten bij de advies- en
                            arbitragecommissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:2</nr></kop><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en m e t 12:3:8 wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                    gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties
                                    genoemd in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b."><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie
                                    ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                                    van Nederlandse Gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:3</nr></kop><al>De artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing op
                            geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid,
                            voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van
                            ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke
                            het personeelsbeleid zal worden gevoerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:4</nr></kop><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg
                            tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst
                            die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben,
                            brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het
                            overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige
                            deelnemers aan het overleg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4 ,
                                schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor
                                georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen
                                zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten
                                het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de
                                vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat
                                het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing
                                van det geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van
                                het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies- en
                                arbitragecommissie dan wel door onderwerping van het geschil aan een
                                arbitrale uitspraak van die commissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de
                                vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid van
                                alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12.1, derde en
                                vierde lid, bevoegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming
                                vereist tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de
                                toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en
                                vierde lid. Het bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2001000918</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5 ,
                                wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter
                                van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend
                                door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het
                                advies hebben uitgesproken en bevat tenminste het onderwerp en de
                                inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in artikel
                                12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan
                                het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het
                                geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie
                                op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes
                                dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van
                                de advies- en arbitragecommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt
                                het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van
                                de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt
                                ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste
                                te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b."><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
                                        onderwerp en inhoud van het geschil.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:7</nr></kop><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
                            geschil voortgezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:8</nr></kop><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                            bindende kracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:9</nr></kop><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college,
                            na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>13</nr><titel>Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2016</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                vervallen de bepalingen van het geldende algemeen
                                ambtenarenreglement danwel van die verordeningen, die tekstueel dan
                                wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
                                regeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen,
                                waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of
                                opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de
                                gevolgen daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
                                artikelen 10:1, 10:6, 10:15, eerste en tweede lid, 10:19, 10:23,
                                tweede lid, 11:1, 11:6, zevende en achtste lid, 11:13, eerste en
                                tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27, tweede lid, terugwerkende
                                kracht tot en met 1 augustus 1993.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:2</nr></kop><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige
                            dienstverband heeft, geldt dat de omvang van dit dienstverband per 1
                            januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft
                            verzocht om handhaving van het aantal uren van het dienstverband per 31
                            december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.</al><al>briefnummer: ARZ/607190</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:3</nr></kop><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en
                            uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997
                            geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5,
                            eerste lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</al><al>briefnummer: ARZ/702674</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>14</nr><titel>Medezeggenschap</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1</nr></kop><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer
                            en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet
                            voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal
                            zittingstermijnen.</al><al>Briefnummer: U200800255</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:1</nr><titel>Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers</titel></kop><al>Gelet op het bepaalde in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=5a" struct="BWB">artikel
                                5a, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden</extref> (WOR)
                            zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen daarvan als bedoeld in
                                <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=4" struct="BWB">artikel 4 van de WOR</extref>, verplicht een ondernemingsraad in te
                            stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35 personen
                            werkzaam zijn als bedoeld in <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002747&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 1,
                                tweede en derde lid, van de WOR</extref>.</al><al>briefnummer: ARZ/1999003905</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:2</nr><titel>Instelling</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:3</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:4</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:5</nr><titel>Samenstelling</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:6</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:7</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:8</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:9</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:10</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:11</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:12</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:13</nr><titel>Taak en bevoegdheden</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:14</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:15</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:16</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:17</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:18</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:19</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:20</nr><titel>Commissievergaderingen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:21</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:22</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:23</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:24</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:25</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:26</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:27</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:28</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:29</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:30</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:31</nr><titel>Overlegvergaderingen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:32</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:33</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:34</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:35</nr><titel>Faciliteiten voor de commissie en haar leden</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:36</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:37</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:38</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:39</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:40</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:41</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:42</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:43</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:2:1</nr><titel>Uitbreiding bevoegdheden ‘kleine’ OR</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/801202</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:2:2</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/801202</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>15</nr><titel>Overige rechten en verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te vervullen
                            en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601993</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:a</nr></kop><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet,
                            bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601993</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:b</nr><titel>Persoonlijk gebruik van goederen of diensten</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of
                            namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a."><al>diensten te laten verrichten door personen in
                                    gemeentedienst;</al></li><li nr="b."><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c."><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de
                                    vervulling van zijn functie ter kennis is gekomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601993</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:c</nr><titel>Aannemen van geschenken en gelden</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen,
                                    beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te
                                    verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van het
                                    college;</al></li><li nr="b."><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601993</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:d</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van
                                orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen
                                of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is hij
                                verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen
                                mededelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601993</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:e</nr><titel>Nevenwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te
                                bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij
                                verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de
                                dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling,
                                kunnen raken</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het
                                eerste lid gedane opgaven</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                gesteld</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid
                                bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren
                                van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere
                                ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                                integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van
                                nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601993</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:f</nr><titel>Melding financiële belangen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie
                                waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                koersgevoelige informatie verbonden is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een
                                door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen
                                respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de
                                belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de
                                functievervulling, kunnen raken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het
                                tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten
                                te bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de
                                goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de
                                openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn
                                functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent
                                dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601993</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1g</nr><titel>Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare
                                dienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de
                                ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen
                                ten behoeve van anderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al><vet>briefnummer: MARZ/CvA/U200601993</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:7</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705806</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:9</nr><titel>Verbod op aandeelhouderschap e.d.</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705806</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:10</nr><titel>Staking bij een particuliere werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier
                                werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats
                                heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te
                                verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden
                                behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het college zulks
                                met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de
                                regelmatige functionering van de openbare dienst van de gemeente
                                noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt
                                zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in
                                artikel 12:1 tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004003238 en U201201481</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:11</nr><titel>Aanvaarden andere werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het
                                college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of
                                andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te
                                verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze
                                werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de gemeente in
                                die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed
                                en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt
                                aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
                                veiligheidsregio’s.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet
                                veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van
                                het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van
                                de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht
                                van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is
                                te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan
                                oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide
                                taak.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt
                                slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar
                                zulks redelijkerwijs toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200801113 en U201100883</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:12</nr><titel>Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
                                vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan
                                zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan
                                op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden niet
                                vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich
                                schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van de wijze
                                van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:13</nr><titel>Plichten rekenplichtige ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot
                                aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate
                                hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft
                                genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een
                                aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien
                                in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat
                                personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid
                                ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige
                                afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien
                                gedurende die tijd zijn functie wordt waargenomen krachtens
                                aanwijzing door of namens het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:14</nr><titel>Klachten van derden</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/1999005100</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:15</nr><titel>Beoordeling van de ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college
                                te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt
                                uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn <vet>functie</vet>
                                vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening
                                daarvan</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar
                                zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn functie of de
                                wijze waarop hij zijn functie vervult, voor zover deze aanleiding
                                geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan
                                de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij zijn functie
                                vervult naar het oordeel van het college verbeterd kan worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/ </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:16</nr><titel>Dragen van uniform of dienstkleding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de
                                door het college voor die functie of voor bepaalde werkzaamheden
                                voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te
                                dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven
                                uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of
                                namens het college toestemming is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes
                                of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken
                                te dragen, een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn
                                verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het
                                college vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing
                                ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door
                                het hoger bestuursorgaan verlof is verleend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende
                                de verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid
                                bedoelde kleding.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:17</nr><titel>Standplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting
                                worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan
                                wonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met
                                name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk
                                zijn werkzaamheden verricht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde
                                nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:18</nr><titel>Dienstwoning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een
                                dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van
                                de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die
                                daaromtrent zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het
                                plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn,
                                tenzij terzake een afwijkende regeling is vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:19</nr><titel>Verbod betreden arbeidsterrein</titel></kop><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de
                            kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf
                            aldaar worden ontzegd.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:20</nr><titel>Infectieziekten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met
                                een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens
                                de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht
                                geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft geen toegang tot de
                                dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor zolang de
                                hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de
                                volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het gevaar voor
                                overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht
                                moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven
                                situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan
                                het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of
                                vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem
                                overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie
                                te vervullen, zijn volledige <vet>salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:21</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: ARZ/705549</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:22</nr><titel>Reis- en verblijfskosten</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:23</nr><titel>Vergoeden van schade</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en
                                uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002415" struct="BWB">Wet
                                    Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen</extref> zijnde,
                                vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten
                                gevolge van de vervulling van zijn functie, voor zover die schade
                                niet bestaat uit de normale slijtage dier goederen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend
                                motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
                                motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van
                                zijn functie, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid
                                        grenzende verwijtbaarheid of</al></li><li nr="c."><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar
                                        rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een
                                        vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het
                                        belastingvrije bedrag per kilometer.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:24</nr><titel>Gebruik motorrijtuig</titel></kop><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig
                            in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de
                            vervulling van zijn functie te gebruiken, indien en voor zover hem
                            daartoe door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze
                            toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:25</nr></kop><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                            schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</al><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:26</nr><titel>Volgen van een opleiding</titel></kop><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
                            volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig
                            ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan
                            het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten
                            komen ten laste van de gemeente.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:27</nr></kop><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit
                            wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet
                            verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van
                            doorbetaling verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor
                            voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor
                            leerplichtvrije jeugd.</al><al>briefnummer: CvA/2002003417</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:28</nr><titel>Bijzondere prestaties</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:29</nr></kop><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet
                            kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen
                            voordelen onthouden of nadelen toegebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:30</nr><titel>Borstvoeding</titel></kop><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende
                            ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven
                            haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:31</nr><titel>Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg</titel></kop><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                            plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de
                            commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten
                            vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan
                            genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt
                            benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke organisatie.</al><al>briefnummer: ARZ/707045</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:2</nr><titel>Klokkenluiders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens
                                van misstanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ambtenaren en door het college aangewezen interne
                                vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen
                                regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
                                ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld
                                worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:3</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601865</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>16</nr><titel>Disciplinaire straffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:1</nr><titel>Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakom of zich
                                overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling
                                aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen
                                van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001947" struct="BWB">tweede titel van de
                                    Ambtenarenwet</extref>, kan deswege disciplinair worden
                                gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als
                                het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
                                omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:2</nr><titel>Disciplinaire straffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende
                                disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar
                                        vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een
                                        lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren
                                        met een maximum van drie uren per dag en met dien verstande
                                        dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de
                                        voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen;</al></li><li nr="c."><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal
                                        uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende
                                        kalenderjaar aanspraak heeft;</al></li><li nr="d."><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris
                                        per jaar;</al></li><li nr="e."><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een
                                        bedrag overeenkomende met het salaris over een halve
                                        maand;</al></li><li nr="f."><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van
                                        verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een
                                        herwaardering van de functie daaronder begrepen, voor ten
                                        hoogste vier jaren;</al></li><li nr="g."><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de
                                        laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door
                                        de ambtenaar beklede functie geen schaal is verbonden,
                                        vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en
                                        ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;</al></li><li nr="h."><al>plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander
                                        onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en
                                        met of zonder vermindering van salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n);</al></li><li nr="i."><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk
                                        genot van salaris en de toegekende salaristoelage(n) ;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g, worden
                                opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede
                                de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het
                                bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door
                                de ambtenaar vervulde functie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
                                uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich
                                gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet
                                schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de
                                bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim
                                en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen
                                bijzondere voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:3</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet
                                schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten
                                overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De
                                verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan
                                12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze
                                termijn worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36
                                uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door
                                hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de
                                ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan
                                in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen,
                                melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de
                                ambtenaar uitgereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in
                                de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten
                                of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten
                                betrekking hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:4</nr></kop><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                            schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:5</nr></kop><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
                            uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de
                            strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>17</nr><titel>Opleiding en ontwikkeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1</nr><titel>Ontwikkeling en mobiliteit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn
                                duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens
                                positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar
                                zich door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk
                                loopbaanbeleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201201556</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:2</nr><titel>Studieadvies en psychologisch onderzoek</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001004170</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:3</nr><titel>Termijn studiefaciliteiten</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001004170</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:4</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001004170</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:5</nr><titel>Bekend maken resultaten</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001004170</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:6</nr><titel>Vergoeding van studiekosten</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001004170</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:7</nr><titel>Terugbetalen van studiekostenvergoeding</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001004170</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:8</nr><titel>Verlof</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001004170</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:9</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001004170</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:10</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001004170</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:11</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001004170</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:12</nr></kop><al>(vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001004170</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:2</nr><titel>Loopbaanadvies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren
                                en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en
                                onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
                                organisatieverandering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het
                                gemeentelijk loopbaanbeleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200800192 en U201201556</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:3</nr><titel>Individueel loopbaanbudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van €
                                500.-.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een
                                opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan
                                loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over
                                loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan dit
                                opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het bepaalde
                                in het eerste lid. Dit na instemming van de ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van
                                loopbaangerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training,
                                scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op de
                                vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn arbeidsmarktpotentie ten
                                behoeve van een andere functie binnen of buiten de organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op
                                een reëel loopbaanperspectief.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden
                                vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk
                                ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de
                                aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het
                                loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee
                                eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt
                                vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk
                                ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop
                                van de overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is
                                benut komt het resterende budget te vervallen.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U201001463 en U201201556</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4</nr><titel>Persoonlijk ontwikkelingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het
                                college en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de
                                afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en
                                vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te
                                volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie
                                jaar opgesteld en door het college vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in
                                de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het
                                gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het
                                college vastgestelde opleidingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk
                                ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door
                                het college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                                betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van
                                de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen
                                de gemaakte afspraken uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                                betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="•"><al>de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de
                                        redelijkerwijs te maken kosten;</al></li><li nr="•"><al>de periode gedurende welke een studie gevolgd zal
                                        worden;</al></li><li nr="•"><al>de minimaal te behalen resultaten en te maken
                                        voortgang;</al></li><li nr="•"><al>de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan
                                        worden onderbroken of gestopt;</al></li><li nr="•"><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door
                                        de ambtenaar;</al></li><li nr="•"><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst
                                        binnen een te bepalen periode na afronding van de
                                        studie;</al></li><li nr="•"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een
                                        goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009 en U201201556</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:5</nr><titel>Loopbaanadvies</titel></kop><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies
                            bij een door het college aangewezen interne of externe deskundige.</al><al>Briefnummer: U201201556</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:6</nr></kop><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek
                            met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting
                            en belastbaarheid aan de orde. Zonodig worden naar aanleiding hiervan
                            afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.</al><al>Briefnummer: U201201556</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:7</nr><titel>Flankerend beleid</titel></kop><al>Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
                            beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
                            Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</al><al>Briefnummer: U201201556</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>18</nr><titel>Verplaatsingskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van
                                        de CAR;</al></li><li nr="b."><al>woongebied: een door het college aan te wijzen gebied
                                        aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>standplaats: de gemeente of het met name genoemde deel
                                        daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden
                                        verricht;</al></li><li nr="d."><al>gezinsleden: de echtgenoot, geregistreerde partner van de
                                        betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de
                                        betrokkenen en/of van de echtgenoot, geregistreerde partner
                                        voor zover zij samenwonen;</al></li><li nr="e."><al>eigen huishouding voeren: het zelfstandig en voor eigen
                                        rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen
                                        meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van
                                        het bevoegde gezag;</al></li><li nr="f."><al>berekeningsbasis: het twaalfvoud van het salaris per maand
                                        inclusief eventuele salaristoelage(n), dan wel hetgeen
                                        daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van
                                        toepassing is - die betrokkene geniet op het
                                        berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de
                                        vakantieuitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd
                                        met:</al><lijst><li nr="1."><al>genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk
                                                10 of 11 of een genoten werkloosheidsuitkering
                                                krachtens de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045" struct="BWB">WW</extref> en eventueel hoofdstuk
                                                10a;</al></li><li nr="2."><al>genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12
                                                van het pensioenreglement;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>berekeningstijdstip: 1e datum waarop de betrokkene verhuist;
                                        2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de
                                        functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de
                                        functievervulling; 3e bij het overlijden of ontslag van de
                                        betrokkene, de datum waarop laatstelijk bezoldiging werd
                                        genoten;</al></li><li nr="h."><al>verplaatsen en verplaatsing: veranderen onderscheidenlijk
                                        verandering van de standplaats van de betrokkene in opdracht
                                        van het bestuursorgaan;</al></li><li nr="i."><al>verplaatsingskostenvergoeding: tegemoetkoming in de kosten
                                        van een verplaatsing, dan wel van een verhuizing
                                        voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een
                                        tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat
                                        de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="j."><al>dienstwoning: de door het bevoegde gezag aan de betrokkene
                                        in verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen
                                        woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: MARZ/CvA/U200601047</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:2</nr><titel>Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als
                                bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in
                                verhuiskosten verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene die in verband met een indiensttreding is verhuisd en
                                aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt
                                verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of
                                omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen,
                                dient de hem toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te
                                betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst
                                van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of instellingen
                                wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in
                                verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts
                                verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een
                                verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem
                                bekend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, die in opdracht van het bestuursorgaan, anders dan in
                                verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning
                                betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag
                                op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering
                                voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan
                                betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet
                                ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning is betrokken, kan een
                                gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het
                                overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in
                                verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in
                                de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend,
                                met dien verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die
                                waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het
                                woongebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:4</nr></kop><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en
                            18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden
                            binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel
                            na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van
                                        de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de
                                        nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en
                                        uitpakken van breekbare zaken;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag voor dubbel woonkosten, gelijk aan de
                                        noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 307,49
                                        per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten
                                        hoogste voor vier maanden wordt verleend;</al></li><li nr="c."><al>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing
                                        voortvloeiende kosten, met een maximum van € 6.149,43.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen
                                huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders is
                                bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de
                                berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een maximum
                                van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten woning telt, met
                                dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in het eerste lid,
                                onderdeel c, niet overschreden wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de
                                echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin
                                van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of
                                zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis
                                vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen een deeltijdbetrekking hebben
                                en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een andere werkgever die
                                aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de
                                berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een
                                voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de
                                hoogste berekeningsbasis. </al><al>* Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen
                                tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend.
                                Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor
                                deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van
                                de berekeningsbasis.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004003765 en U201001464 en U201100044 en U201300011 en
                            U201402159</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:6</nr><titel>Tegemoetkoming woon- werkverkeer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals
                                bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe,
                                niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het
                                dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling,
                                zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een
                                tegemoetkoming in de verhuiskosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel
                                van het bestuursorgaan niet dagelijks heen en weer kan reizen,
                                heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen betaling in
                                huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de
                                pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij het gebied
                                als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een tegemoetkoming voor ten
                                hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de plaats waar hij
                                metterwoon nog gevestigd is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar
                                het oordeel van het bestuursorgaan niet alles, wat redelijkerwijs
                                van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te
                                verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen
                                als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt
                                of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg
                                daarvan niet behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de
                                reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel
                                een tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de
                                betrokkene naar het oordeel van het bestuursorgaan niet dagelijks
                                heen en weer kan reizen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001725</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:7</nr><titel>Hoogte tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en
                                vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar
                                vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor
                                dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het
                                bedrag van € 3.900 per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension
                                met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst
                                mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen
                                gebruik maakt en in de plaats daarvan met eigen vervoer naar dat
                                station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 102,77 op
                                jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en
                                vierde lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van
                                een betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling
                                die niet door openbaar vervoer is te bereiken, of indien de
                                betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van
                                tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar
                                vervoer is te bereiken, € 0,15 per kilometer met een maximum van 20
                                kilometer enkele reis.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van
                                tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan
                                geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25%
                                van de tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001725 en CvA/2004003765 en U201001464 en
                            U201100044 en U201402159</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:7a</nr></kop><al>(Vervalt)</al><al>briefnummer: CvA/2004001725 en CvA/2004003765 en U201001464</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:8</nr><titel>Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                                woon-werkverkeer</titel></kop><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een
                            betrokkene die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft
                            aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar
                            vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een
                            aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de
                            opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, wordt
                            aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband een
                            vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze
                            vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al><al>briefnummer: CvA/2004001725 en CvA/2004003765</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:9</nr><titel>Pensionkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6,
                                tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met
                                gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen 60% van de
                                betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de
                                door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde pensionkosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het
                                bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk
                                aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar
                                het tarief van de laagste klasse.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/1999005385</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:10</nr><titel>Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en
                                18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden
                                verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van
                                betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten
                                bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte
                                kosten conform artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14, in
                                geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór
                                1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het
                                bevoegde gezag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen
                                vastgesteld op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel
                                18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met
                                inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004003765</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:11</nr><titel>Procedure tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de
                                datum van de verhuizing bij het bestuursorgaan te zijn
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes
                                maanden daarna doe t de betrokkene bi j het bestuursorgaan opgave
                                van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder
                                b.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:12</nr><titel>Voorschot</titel></kop><al>Het bestuursorgaan kan ter zake van dit hoofdstuk bedoelde
                            tegemoetkomingen een voorschot verlenen..</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:13</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens
                            dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin
                            deze regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar
                            redelijkheid voorzien.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:14</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming
                            woon-werkverkeer op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat
                            luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende de periode van
                            maximaal twee jaar, welke ingaat op het moment van toekenning, recht op
                            een tegemoetkoming woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek
                            zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals
                            die geldt vanaf 1 juli 2004 financieel voordeliger is voor deze
                            betrokkene, dan heeft hij recht op een tegemoetkoming conform de
                            laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien de medewerker gehoor heeft
                            gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de tegemoetkoming
                            woon-werkverkeer.</al><al>briefnummer: CvA/2004001725 en CvA/2004003765</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>19</nr><titel>Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:1</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                                aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009, U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:2</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>Hoofdwerkgever: de werkgever waarbij de vrijwilliger in loondienst
                                is.</al><al>Briefnummer: U200901449.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:3</nr><titel>Overleg met vakorganisaties</titel></kop><al>Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn
                                voor de rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op
                                grond van artikel 12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie
                                voor georganiseerd overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels
                                volgens welke het personeelsbeleid gevoerd zal worden.</al><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:4</nr><titel>Informatievoorziening aan de vrijwilliger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar
                                    van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
                                    schriftelijke regels die hij bij de uitvoering van zijn
                                    werkzaamheden heeft na te leven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet
                                    schriftelijk zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren
                                    geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009 &amp; U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:5</nr><titel>Informatievoorziening aan derden</titel></kop><al>Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van
                                alle regels die ter uitvoering van <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001947&amp;artikel=125" struct="BWB">artikel 125 van de Ambtenarenwet</extref> voor de vrijwilliger
                                worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop, worden
                                kosteloos ter beschikking gesteld aan:</al><lijst><li nr="–"><al>de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd
                                        overleg bedoeld in artikel 19:3, eerste lid;</al></li><li nr="–"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                        aanmerking komt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Aanstelling en bevordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:6</nr><titel>Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of
                                    in tijdelijke dienst voor een bepaalde periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij
                                    wijze van proef.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van
                                    maximaal twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de
                                    tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode van ten
                                    hoogste een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra
                                    de maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken
                                    is, tenzij de proef niet geslaagd is.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:7</nr><titel>Voorwaarden voor aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in
                                    aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit
                                    personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als
                                    vrijwilliger voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste
                                            karaktereigenschappen;</al></li><li nr="b."><al>hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse
                                            werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in staat om
                                            zijn taak bij de gemeentelijke brandweerdienst naar
                                            behoren te vervullen;</al></li><li nr="c."><al>hij is ten minste 18 jaar.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449, U201001923</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:7a</nr></kop><al>Vervallen</al><al>Briefnummer: U201001923 en U201002606</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:8</nr><titel>Bericht van aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een
                                    bericht van aanstelling. Hierin wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van
                                            de vrijwilliger;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke
                                            aanstelling wordt de periode waarvoor de aanstelling is
                                            aangegaan zo nauwkeurig mogelijk omschreven;</al></li><li nr="c."><al>de ingangsdatum van de aanstelling;</al></li><li nr="d."><al>de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de
                                            vergoeding die aan hem wordt toegekend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo
                                    spoedig mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449, U201001923</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:9</nr><titel>Bevordering</titel></kop><al>Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie
                                bevorderen wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit
                                personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot
                                bevordering worden ten minste de nieuwe functie en de daaraan
                                verbonden vergoeding vermeld.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009, U200901449 en U201001923</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:10</nr><titel>Medische keuring</titel></kop><al>Vervallen</al><al>briefnummer: CvA/2004001009, U200901449, U201001923 en
                                U201002606.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Relatie hoofdwerkgever</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:11</nr><titel>Informatie over hoofdwerkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij
                                    indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en
                                    informeert het college over zijn werktijden aldaar. De
                                    vrijwilliger informeert het college zo spoedig mogelijk over
                                    wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer
                                    informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en
                                    verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het
                                    tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het college zo
                                    spoedig mogelijk over wijzigingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:12</nr><titel>Informatie aan hoofdwerkgever</titel></kop><al>De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na
                                indiensttreding dat:</al><lijst><li nr="a."><al>hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer;</al></li><li nr="b."><al>hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor
                                        brandweerwerkzaamheden;</al></li><li nr="c."><al>de <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007671" struct="BWB">Arbeidstijdenwet</extref> van toepassing is op zijn
                                        werkzaamheden voor de brandweer en dat bij de vaststelling
                                        van zijn werktijden hier rekening mee gehouden moet
                                        worden;</al></li><li nr="d."><al>de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor
                                        brandweeractiviteiten tijdens werktijd;</al></li><li nr="e."><al>ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de
                                        brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een
                                        vergoeding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:13</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een
                                    vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage
                                    IIb van de CAR-UWO.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die
                                    vanaf 31 december 1979 onafgebroken ambtenaar en als
                                    vrijwilliger werkzaam is, zolang de aanstelling duurt een
                                    vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage
                                    IIc van de CAR-UWO.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449, U201001923</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:14</nr><titel>Jaarvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een
                                    jaarvergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de
                                    bijlage, genoemd in artikel 19:13 is vermeld achter de
                                    functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
                                    vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136,
                                    ter vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband met de
                                    beroepsuitoefening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een
                                    netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van
                                    de beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde
                                    brandbestrijding of andere hulpverlening.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449 en U201001923 en U201300207</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:15</nr><titel>Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                                    werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt
                                    met toestemming van het college, of in opdracht van het college
                                    overige werkzaamheden verricht heeft recht op een
                                    vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag
                                    dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter
                                    de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de derde
                                    kolom. Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de
                                    vrijwilliger voor die activiteit geen recht op vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                    netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
                                    vrijwilligers niet zijnde officieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449 en U201001923 en U201300207</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:16</nr><titel>Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                                    hulpverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn,
                                    bezighoudt met daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening
                                    ontvangt hiervoor een vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag
                                    dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter
                                    de functiecategorie, behorende bij de functie van de
                                    vrijwilliger, in de vierde kolom.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                    netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
                                    vrijwilligers niet zijnde officieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>0</nr></kop><al>Briefnummer: U200901449 en U201001923 en U201300207</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:17</nr><titel>Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of
                                    langer ingezet wordt voor oefeningen, cursussen of overige
                                    brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor langdurige
                                    aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van
                                    het uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat
                                    vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie
                                    waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger
                                    geen recht op een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen
                                    verstrekt over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk
                                    geoefend heeft, een cursus gevolgd heeft of overige
                                    brandweerwerkzaamheden verricht heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>0</nr></kop><al>Briefnummer: U200901449 en U201001923</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:18</nr><titel>Consignatievergoeding</titel></kop><al>De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen
                                te worden voor werkzaamheden ontvangt een
                                consignatievergoeding.</al><al>Deze vergoeding bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                        bijlagen, genoemd in artikel 19:13 op zondagen,
                                        nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede
                                        Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de
                                        verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere
                                        dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als
                                        feestdag;</al></li><li nr="b."><al>per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                        bijlagen, genoemd in artikel 19:13 voor alle overige
                                        dagen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449 en U201001923</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:19</nr><titel>Kazerneringsdienst</titel></kop><al>Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de
                                vergoeding van kazerneringsdiensten.</al><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:20</nr><titel>Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de
                                    periode dat zij niet ingezet wordt in de repressieve
                                    brandweerdienst, of niet deelneemt aan oefeningen recht op
                                    doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel 19:15 tot en
                                    met 19:18.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het
                                    bedrag dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal
                                    voorafgaand aan de eerste dag van het verlof ontvangen heeft.
                                    Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk afwijkt van het
                                    gebruikelijke, past het college deze berekening toe op een
                                    kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk
                                    arbeidspatroon.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449 en U201001923</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:21</nr><titel>Opleidingskosten</titel></kop><al>Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of
                                een cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten,
                                voor zover deze in opdracht van of met toestemming van het college
                                zijn gemaakt.</al><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:22</nr><titel>Gratificatie</titel></kop><al>Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het
                                toekennen van een gratificatie.</al><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:23</nr><titel>Fiscaal aantrekkelijke regelingen</titel></kop><al>De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal
                                gunstige personeelsvoorzieningen.</al><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:24</nr><titel>Salarismutaties</titel></kop><al>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in
                                het LOGA worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en
                                de ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op de bedragen
                                genoemd in bijlage bij artikel 19:13. De overeenkomstig het vorige
                                lid berekende vergoedingen worden wat betreft de jaarvergoeding
                                afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige vergoedingen op
                                eurocenten.</al><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Verzekeringen en schadevergoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:25</nr><titel>Ongevallenverzekering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de
                                    vrijwilliger.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en
                                    blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
                                    dienstongeval, overeenkomstig de polisvoorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de
                                    inhoud van de verzekering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de
                                    vrijwilliger gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift
                                    van de polisvoorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:26</nr><titel>Vergoeding geneeskundige kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte
                                    medische kosten die ontstaan zijn als gevolg van een
                                    dienstongeval en die voor zijn rekening blijven. De vergoeding
                                    bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het college zich
                                    terzake heeft verzekerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het
                                    eerste lid genoemde medische kosten van de vrijwilliger te
                                    vergoeden, kan het college in bijzondere gevallen een
                                    tegemoetkoming verstrekken in de hogere kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2002004761, en U201001923</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:27</nr><titel>Verzekering zelfstandig ondernemers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer
                                    is een aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een
                                    uitkering bij blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
                                    dienstongeval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij
                                    indiensttreding of deze verzekering voor hem is afgesloten en
                                    indien dat het geval is wordt de vrijwilliger geïnformeerd over
                                    de dekking van de verzekering.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:28</nr><titel>Schade aan kleding en uitrusting</titel></kop><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding,
                                uitrusting en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de
                                    <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0002415" struct="BWB">Wet
                                    aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen</extref>, die hij
                                buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem
                                verrichtte werkzaamheden, voor zover de schade niet bestaat uit
                                normale slijtage van die goederen.</al><al>Briefnummer:U200901449</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Zwangerschap</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:29</nr><titel>Zwangerschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk
                                    stadium bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de
                                    periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor
                                    repressieve brandweeractiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid
                                    genoemde situaties vindt alleen plaats na voorafgaande
                                    toestemming door de bedrijfsarts.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Beschikbaarheid en overige plichten vrijwilliger</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:30</nr><titel>Beschikbaarheid van de vrijwilliger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de
                                    vrijwilliger voor de brandweerdienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en
                                    cursussen die door of vanwege het college zijn
                                    georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst,
                                    of niet kan deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus
                                    doet daarvan tijdig melding, onder opgave van redenen en
                                    overeenkomstig de instructie van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449 en U201001923</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:31</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te
                                verrichten en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.</al><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:32</nr><titel>Eed of belofte</titel></kop><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij
                                wet, bij instructie of bij besluit van het college is
                                voorgeschreven.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:33</nr><titel>Verboden</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden
                                        voor persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is
                                        verleend door of namens het college;</al></li><li nr="b."><al>vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te
                                        vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor
                                        toestemming is verleend door of namens het college;</al></li><li nr="c."><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:34</nr><titel>Gebruik van motorrijtuig</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin
                                van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken
                                ten behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem
                                daartoe door het college toestemming is verleend. Aan deze
                                toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:35</nr><titel>Kledingvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door
                                    of namens het college voorgeschreven dienstkleding en
                                    uitrustingsstukken te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden van gemeentewege
                                    kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij
                                    ontslag verplicht is deze bij het college in te leveren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in
                                    bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij
                                    is verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en controle,
                                    wanneer daartoe door het college opdracht is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de
                                    dienstkleding en uitrustingsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:36</nr><titel>Verboden ten aanzien van de kleding</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij
                                        geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de
                                        gevallen waarin het college daarvoor toestemming heeft
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in
                                        bruikleen te geven;</al></li><li nr="c."><al>dienstkleding te dragen voorzien van:</al><lijst><li nr="1."><al>andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden
                                                aan de rang, behorende bij de functie die de
                                                vrijwilliger bekleedt;</al></li><li nr="2."><al>IIinsignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij
                                                tot het dragen daarvan door de staat of door het
                                                college toestemming is verleend.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009, U200901449 en U201001923</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:37</nr><titel>Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente
                                    schade toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of
                                    gedeeltelijk te vergoeden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen
                                    kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de
                                    schadevergoeding op zijn vergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8</nr><titel>Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van de
                                dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:38</nr><titel>Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan
                                    disciplinair worden gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift
                                    als het overigens doen of nalaten van iets dat een goed
                                    vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te
                                    doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449 en U201001923</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:39</nr><titel>Disciplinaire straffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in
                                            artikel 19:14;</al></li><li nr="c."><al>schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met
                                            inhouding van de vergoeding;</al></li><li nr="d."><al>ongevraagd ontslag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>0</nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:40</nr><titel>Schorsing in het belang van de dienst</titel></kop><al>De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of
                                        hem het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het
                                            <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0001903" struct="BWB">Wetboek van Strafvordering</extref>, een bevel tot
                                        inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ten uitvoer
                                        wordt gelegd;</al></li><li nr="c."><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is
                                        ingesteld wegens misdrijf;</al></li><li nr="d."><al>in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit
                                        noodzakelijk maakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>9</nr><titel>Ontslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:41</nr><titel>Ontslag op eigen verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die
                                    daarom verzoekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten
                                    minste een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum
                                    van ontvangst van het verzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag
                                    aanhouden, wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke
                                    vervolging wegens misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de
                                    vrijwilliger disciplinair te straffen. Beslissing op het
                                    ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak van de rechter
                                    onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is de
                                    vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:42</nr><titel>Ongevraagd ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op
                                    grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarstelling of
                                            wegens verandering van de brandweerorganisatie;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van
                                            zijn dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van
                                            zijn woning geacht moet worden niet langer in staat te
                                            zijn taak bij de brandweer te vervullen;</al></li><li nr="c."><al>onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van
                                            zijn werkzaamheden op grond van ziekten of
                                            gebreken;</al></li><li nr="d."><al>onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van
                                            zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of
                                            gebreken;</al></li><li nr="e."><al>ondercuratelestelling;</al></li><li nr="f."><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                            onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="g."><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
                                            wegens misdrijf;</al></li><li nr="h."><al>een in het ontslagbesluit genoemde andere grond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering
                                    van het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel
                                    g van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>briefnummer: CvA/2004001009 en U200901449 en U201300250</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:43</nr><titel>Einde tijdelijk dienstverband</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste
                                    dag van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het
                                    dienstverband nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw
                                    een tijdelijke aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger
                                    met ingang van de eerste dag na het verstrijken van
                                    vorenbedoelde periode in vaste dienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd
                                    worden op een van de gronden genoemd in artikel 19: 42</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200901449</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:45</nr></kop><al>Vervallen</al><al>Briefnummer: U201200956</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>19a</nr><titel>Keuringen brandweerpersoneel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a:1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer
                                is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van
                                bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit
                                personeel veiligheidsregio’s.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij
                                de brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Ledenbrief: U201002606 en U201300250</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a:2</nr><titel>Aanstellingskeuring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen
                                mogelijk als na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden
                                functie blijkt dat tegen het bekleden van de functie uit medisch
                                oogpunt geen bezwaren bestaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals opgenomen
                                in de aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die
                                daartoe door het college zijn aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Ledenbrief: U201002606</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a:3</nr><titel>Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is
                                aangesteld in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst
                                conform het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb
                                van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig
                                of minimaal een half jaar na indienstreding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een
                                leeftijd van:</al><lijst><li nr="a."><al>jonger dan veertig één keer in de vier jaar;</al></li><li nr="b."><al>tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar;</al></li><li nr="c."><al>ouder dan vijftig jaar eens per jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de
                                frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden
                                afgenomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het
                                college de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van
                                een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde
                                tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid
                                zich voordoet, worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de
                                beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige
                                medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op
                                toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de
                                medewerker recht hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke
                                vrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is hoofdstuk 7
                                onverkort van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps
                                gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden
                                opleggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Ledenbrief: U201002606 en U201300250</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a:4</nr><titel>Fysieke test</titel></kop><al>Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld
                            in een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.</al><al>Ledenbrief: U201002606</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>19b</nr><titel>Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een instelling
                            voor kunsteducatie</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:1</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de
                                kunsteducatie in de functie van:</al><lijst><li nr="a."><al>docent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="b."><al>consulent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="c."><al>balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:2</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
                                instelling: een onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt
                                of ondersteunt.</al><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:3</nr><titel>Functie-eisen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in
                                    de functie van docent en consulent in het bezit is van een
                                    diploma van een HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover
                                    met de OR, afwijken van het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:4</nr><titel>Functioneringsgesprek</titel></kop><al>Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een
                                functioneringsgesprek gehouden.</al><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:5</nr><titel>Verdeling van werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief
                                            contact is met leerlingen;</al></li><li nr="b."><al>niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te
                                            kwalificeren zijn als lesgebonden uren;</al></li><li nr="c."><al>sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden
                                            en niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b
                                    zijn in te delen in de volgende vier categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorbereiden van lesgebonden uren;</al></li><li nr="b."><al>het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties
                                            van dezelfde instelling;</al></li><li nr="c."><al>activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere
                                            activiteiten die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid
                                            op peil te houden;</al></li><li nr="d."><al>algemene werkzaamheden in het belang van de
                                            instelling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa
                                    een regeling vast waarin per discipline de verhouding
                                    lesgebonden versus niet-lesgebonden uren staat. In de regeling
                                    kan per discipline een afwijking op deze verhouding en de
                                    voorwaarden daarvoor worden opgenomen. Voor de vaststelling van
                                    deze regeling is overeenstemming vereist tussen de werkgever en
                                    de OR.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het
                                    derde lid, voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de
                                    verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld
                                    in het vierde lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar
                                    maximaal 65% van zijn formele arbeidsduur aan lesgebonden uren
                                    en minimaal 35% van zijn formele arbeidsduur aan
                                    niet-lesgebonden uren.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Salariëring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:6</nr><titel>Vaststelling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In plaats van bijlage II en IIa , bedoeld in artikel 3:1, derde
                                    lid, past het college de salaristabel, genoemd in bijlage IV,
                                    toe bij het vaststellen van het salaris van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in artikel 3:1, eerste
                                    lid, is niet van toepassing. De functie van</al><lijst><li nr="a."><al>balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;</al></li><li nr="b."><al>docent is gewaardeerd op schaal 8;</al></li><li nr="c."><al>consulent is gewaardeerd op schaal 9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de
                                    invoering en de waardering van junior- of seniorfuncties. Het
                                    college stelt hiervoor de functiebeschrijving vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:7</nr><titel>Aanloopbedragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij
                                    reeds voldoet aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring,
                                    opleiding of vaardigheden, kan zijn salaris worden vastgesteld
                                    in één van de aanloopbedragen van de bij de functie behorende
                                    salarisschaal. De aanloopbedragen zijn opgenomen in de
                                    salaristabel, genoemd in bijlage IV.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt regels vast voor het gebruik van
                                    aanloopbedragen en voor de bevordering naar een bij de functie
                                    behorende salarisschaal.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:8</nr><titel>Uitloopbedragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen
                                    opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald
                                    te zijn in het maximum van de bij de functie behorende
                                    salarisschaal een periodieke verhoging naar het eerste
                                    uitloopbedrag. Vervolgens vindt periodieke verhoging iedere keer
                                    na twee jaar plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:9</nr><titel>Recht op toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 3:11 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel
                                    recht op een toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid
                                    verricht op zondag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van
                                    verlof en bedraagt 25% van de uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de
                                    ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde
                                    in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de
                                    toelage, in afwijking van het eerste lid, in geld
                                    verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Arbeidsduur en vakantie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:10</nr><titel>Vakantie-uren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de
                                    ambtenaar met een volledige betrekking 180 uur, indien</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar
                                            is aangemerkt als verplicht vrije periode of</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen
                                            hebben gekregen van lessen/cursussen </al></li></lijst><al>Bij een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar
                                    rato.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije
                                    periodes en eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met
                                    een maximum van 36 uur per week.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:11</nr><titel>Verplicht vrije periodes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de
                                    ambtenaar verplicht vrij is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende
                                    maximaal een week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar
                                    voor werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de
                                    ondernemingsraad dan wel de ambtenaar daarmee instemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:12</nr><titel>Vaststellen van het rooster</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 4:4 lid 2, is op de ambtenaar <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0007671&amp;artikel=5.7" struct="BWB">artikel 5.7 van de Arbeidstijdenwet</extref> van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel
                                    mogelijk maar in ieder geval binnen twee maanden na ingang van
                                    een cursusjaar een rooster van de in dat cursusjaar te werken
                                    uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt
                                    het college zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een
                                    maand, een aangepast rooster.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115, U201300476</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:13</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de ambtenaar met een volledig dienstverband, die op 31
                                    december 2008 een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per
                                    jaar, wordt de arbeidsduur met ingang van 1 januari 2009 met 72
                                    uur per jaar verhoogd. Deze verhogingen vinden plaats totdat
                                    voor de ambtenaar een arbeidsduur geldt van 1836 uur per jaar.
                                    Voor een ambtenaar met een deeltijdbetrekking gelden deze
                                    verhogingen naar rato.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt
                                    voor deze ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de
                                    ambtenaren, die in dienst zijn van de instelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:14</nr><titel>Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn</titel></kop><al>Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel
                                8:3 indien en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt
                                door verhoging van het aantal te werken uren als bedoeld in artikel
                                19b:13.</al><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:15</nr><titel>Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een
                                    verplicht vrije periode</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in
                                    artikel 19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof heeft de ambtenaar met een volledige betrekking
                                    recht op compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur
                                    vakantieverlof per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht
                                    op compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof
                                    per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek
                                    van de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde
                                    in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Ontslag en uitkeringen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:16</nr><titel>Overtolligheid</titel></kop><al>Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college
                                of het totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie
                                overeenkomt met de totale aanstellingsomvang van deze
                                ambtenaren.</al><al>Briefnummer: U2008011</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:17</nr><titel>Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan,
                                    bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende
                                    ontslagvolgorde gehanteerd:</al><lijst><li nr="a."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor
                                            in aanmerking wensen te komen;</al></li><li nr="b."><al>aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen;</al></li><li nr="c."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing
                                            van het afspiegelingsbeginsel in combinatie met
                                            anciënniteitsbeginsel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het
                                    eerste lid, onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren
                                    met dezelfde functies uitgegaan van de volgende drie
                                    leeftijdsgroepen:</al><lijst><li nr="•"><al>van 15 tot 30 jaar;</al></li><li nr="•"><al>van 30 tot 45 jaar; en</al></li><li nr="•"><al>van 45 jaar en ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de
                                    ontslagvolgorde, genoemd in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:18</nr><titel>Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een
                                    formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de
                                    helft van de formele arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder
                                    dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur,
                                    voor minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt
                                    ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld
                                    in artikel 8:3, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet
                                    bestaat, is artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op
                                    grond van artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een
                                    zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar
                                    binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband
                                    met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende
                                    werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige
                                    werkzaamheden weigert te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van
                                    drie maanden in acht genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:19</nr><titel>Garantie-uitkering KV</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="–"><al>de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of,
                                            bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor
                                            minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt
                                            ontslagen.</al></li><li nr="–"><al>minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon als
                                            bedoeld in de Wet minimumloon en
                                            minimumvakantiebijslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar
                                    die:</al><lijst><li nr="a."><al>gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op
                                            grond van artikel 8:3;</al></li><li nr="b."><al>in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag
                                            in tenminste 26 weken als werknemer als bedoeld in
                                                <extref doc="BWB://1.0:v:BWBR0004045&amp;artikel=3" struct="BWB">artikel 3 van de
                                                Werkloosheidswet</extref> werkzaam is geweest;</al></li><li nr="c."><al>aantoont dat hij in de periode van vijf jaren
                                            onmiddellijk voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste
                                            werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste vier jaren
                                            over 52 of meer dagen per jaar loon heeft
                                            ontvangen;</al></li><li nr="d."><al>ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht
                                            heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de
                                    lengte van het dienstverband bij de instelling. Bij een
                                    dienstverband van:</al><lijst><li nr="a."><al>een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6
                                            maanden;</al></li><li nr="b."><al>twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12
                                            maanden;</al></li><li nr="c."><al>drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18
                                            maanden;</al></li><li nr="d."><al>ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24
                                            maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De garantie-uitkering KV bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon
                                            op de dag voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd
                                            met het aantal verloren arbeidsuren, en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd
                                            met het aantal verloren arbeidsuren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de
                                    ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid
                                    onder c, maar wel aan de overige voorwaarden in het tweede lid,
                                    recht op een garantie-uitkering KV gedurende 6 maanden. Deze
                                    uitkering bedraagt 70% van het minimumuurloon vermenigvuldigd
                                    met het aantal verloren arbeidsuren.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is
                                    verplicht zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en
                                    zich beschikbaar te stellen voor het aannemen van passende
                                    werkzaamheden. Daarnaast dient hij alle informatie te
                                    verstrekken die voor de uitvoering van deze regeling
                                    noodzakelijk is. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen
                                    kan het college besluiten de garantie-uitkering (gedeeltelijk)
                                    te beëindigen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is
                                    toegekend, na zijn ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt,
                                    wordt de garantie-uitkering KV beëindigd met het aantal uren dat
                                    de nieuwe werkzaamheden omvat.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het
                                    zevende lid geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens
                                    de werkzaamheden die tot dat eindigen hebben geleid, hebben
                                    opgehouden te bestaan, herleeft het recht op de
                                    garantie-uitkering KV voor zover er geen nieuwe rechten op enige
                                    uitkering uit hoofde van het ontslag uit deze werkzaamheden zijn
                                    ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:</al><lijst><li nr="a."><al>als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies,
                                            dat tot het toekennen van een garantie-uitkering heeft
                                            geleid, een andere uitkering kan krijgen;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende op
                                            die waarin de ambtenaar volledig gebruik maakt van het
                                            ABP Keuzepensioen;</al></li><li nr="c."><al>op de dag na het overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="d."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt
                                            op een WAO- of WIA-uitkering, berekend naar een
                                            arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><nr></nr></kop><al>Briefnummer: U200801115</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>20</nr><titel>Vergoeding piketdiensten beroepsbrandweer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:1:1</nr></kop><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem
                            geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de
                            brandweerdienst, heeft aanspraak op een vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:1:2</nr></kop><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt
                            verleend zo spoedig mogelijk - in de regel binnen zes kalenderweken - na
                            het tijdvak waarin de ambtenaar zich ter beschikking moest houden. Het
                            verlof bedraagt 16% van het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking
                            moest houden, voor zover deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede
                            Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag
                            waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag,
                            die daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van het aantal
                            uren waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren
                            vielen op andere dagen.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:1:3</nr></kop><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet
                            tegen het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De
                            vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand
                            voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor
                            zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                            Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop
                            de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die
                            daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van dat
                            salarisgedeelte voor elk uur, waarin hij zich ter beschikking moest
                            houden, indien deze uren vielen op andere dagen. De uitbetaling heeft zo
                            spoedig mogelijk plaats.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>21</nr><titel>De rechtspositionele erkenning van alternatieve
                            samenlevingsvormen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan:
                            een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en - met het
                            oogmerk duurzaam samen te leven - een</al><al>gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen blijkt uit een
                            schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college nader te
                            stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts eén persoon als levenspartner
                            worden aangemerkt.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:2</nr><titel>Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot</titel></kop><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op
                            overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een
                            levenspartner. Waar in deze bepalingen staat 'echtgenoot' moet tevens
                            worden gelezen 'levenspartner'.</al><al>briefnummer: CvA/1999005385</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:3</nr></kop><al>(Vervallen)</al><al>briefnummer: CvA/2001002849</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:4</nr></kop><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid
                            voorziet, treft het college een passende voorziening.</al><al>briefnummer: CvA/2004001009</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>22</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22:1:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt
                                terug tot en met 1 januari 2016</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                danwel gedeelten daarvan in werking treden, dat de bepalingen
                                vervallen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van
                                die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend
                                zijn aan de bepalingen van deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit
                                verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele
                                ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt
                                overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld op 5 januari 2016</al></slotformulering><ondertekening>Burgemeester en wethouder,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel> Artikel 99:BIJLAGE I Salarisverhoging</titel></kop><al>In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde bezoldigingsregeling
                    worden met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd
                    met 2%.</al><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5%.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%,
                    behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij gemeentelijke
                    zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995
                    werkzaam is bij gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke verpleegtehuizen of
                    gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij in januari 1996 een
                    eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De
                    grondslag bestaat uit de over de maanden augustus tot en met december 1995
                    genoten bezoldiging, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Deze uitkering wordt
                    niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is getreden en
                    in de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1995 minder dan 100 uur bij
                    één instelling heeft gewerkt.</al><al>Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op
                    personeel van zorginstellingen van toepassing.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%.</al><al>Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van het
                    jaarsalaris.</al><al>Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.</al><al>In december 1997 wordt, naast de al bestaande eindejaarsuitkering van 0,3%, een
                    eenmalige uitkering verstrekt van 0,7% van het jaarsalaris met dien verstande
                    dat die uitkering minimaal ƒ 350,– bedraagt. De uitkering werkt door naar de
                    postactieven.</al><al>Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,25%.</al><al>In december 1998 wordt de bestaande eindejaarsuitkering van 0,3% met 0,5% van
                    het jaarsalarisverhoogd tot 0,8% met dien verstande dat uitkering minimaal ƒ
                    400,– bedraagt. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.</al><al>In december 1999 wordt de bestaande eindejaarsuitkering van 0,3% structureel met
                    0,5% van het jaarsalaris verhoogd tot 0,8% structureel van het jaarsalaris, met
                    dien verstande dat de uitkering minimaal ƒ 400,– bedraagt. De uitkering werkt
                    door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                    maand een eenmalige uitkering van f 350,= bruto bij een volledige betrekking.
                    Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering
                    werkt door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand
                    een eenmalige uitkering van f 350,= bruto bij een volledige betrekking. Bij een
                    deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt
                    door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%.</al><al>In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd met
                    0,5% onder een gelijktijdjge eenmalige verhoging van het minimale bedrag met f
                    250,--. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering van 1,3% met een
                    minimaal bedrag van f 650,--.</al><al>Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaalbedragen gebruteerd met 1,9% met
                    een maximum van f 1.745,--.</al><al>Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.</al><al>Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% (0,2% 0,75%) structureel
                    verhoogd naar 1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van f
                    400,-- naar f 1.125,-- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig
                    opgehoogd met f 50,-- naar f 1.175,-- bruto.</al><al>Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van €
                    511,-.</al><al>Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3 %.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5 %.</al><al>Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt verhoogd
                    naar 2,75%. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd van € 511,--
                    naar € 611,-- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de eindejaarsuitkering het
                    jaarsalaris.</al><al>Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2%.</al><al>Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt
                    verhoogd naar 3%. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van €
                    611,--naar € 836,-- bruto.</al><al>Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                    maand een eenmalige uitkering van € 200 bruto bij een volledige betrekking. Bij
                    een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering
                    werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband met ontslag en
                    werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.</al><al>Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.</al><al>Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6 %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,8%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%.</al><al>In 2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt.
                    Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De bodem van de
                    eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,=.</al><al>Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%.</al><al>In 2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5 procentpunt.
                    Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem van de
                    eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,=.</al><al>In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt.
                    Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De bodem in de
                    eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar € 1.750, -. Degenen die
                    (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn van de gemeente ontvangen een
                    eenmalige uitkering van 1% en een eenmalige uitkering van 0,5%. Beide eenmalige
                    uitkeringen worden berekend over het salaris dat de medewerker ontvangen heeft
                    in de maand april 2010 vermenigvuldigd met de factor 12. Voor medewerkers met
                    een deeltijdbetrekking worden de twee eenmalige uitkeringen vastgesteld naar
                    rato van de betrekkingsomvang. De eenmalige uitkeringen zijn pensioengevend en
                    hebben geen invloed op de hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met
                    ontslag en werkloosheid (uitkeringen op grond van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10,
                    10a, 10d, 11 en 11a van de CAR).</al><al>Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5% en
                    wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit
                    resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De bodem van de
                    eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750, -.</al><al>Met ingang van 1 januari 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.</al><al>Met ingang van 1 april 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2014 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.</al><al>Degenen die op 15 juli 2014 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand
                    een eenmalige uitkering van € 350 bruto bij een volledige betrekking. Bij een
                    deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt
                    niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband met ontslag en
                    werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.</al><al>Met ingang van 1 april 2015 worden de schaalbedragen verhoogd met 50 euro.</al><al>briefnummer: CvA/U200800195 en U200801544 en U201001449 en U201001923,
                    U201200956, U201401852</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage Artikel 99:BIJLAGE IIa Salaristabel gemeenteambtenaren per 1
                        april 2015<noot><cvdr:noot.nr xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"> *
                                </cvdr:noot.nr><cvdr:noot.al xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/">Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende
                                minimumloon ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende
                                minimumloon overeenkomstig de bepalingen in de WML.</cvdr:noot.al></noot></titel></kop><table><tgroup cols="11"><colspec colname="col1" colwidth="14*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="9*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="9*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="9*"></colspec><colspec colname="col5" colwidth="9*"></colspec><colspec colname="col6" colwidth="9*"></colspec><colspec colname="col7" colwidth="9*"></colspec><colspec colname="col8" colwidth="9*"></colspec><colspec colname="col9" colwidth="9*"></colspec><colspec colname="col10" colwidth="9*"></colspec><colspec colname="col11" colwidth="9*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry colname="col2" namest="col2" nameend="col11"><al>schaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>4</al></entry><entry colname="col6"><al>5</al></entry><entry colname="col7"><al>6</al></entry><entry colname="col8"><al>7</al></entry><entry colname="col9"><al>8</al></entry><entry colname="col10"><al>9</al></entry><entry colname="col11"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1448</al></entry><entry colname="col3"><al>1482</al></entry><entry colname="col4"><al>1520</al></entry><entry colname="col5"><al>1563</al></entry><entry colname="col6"><al>1608</al></entry><entry colname="col7"><al>1715</al></entry><entry colname="col8"><al>1924</al></entry><entry colname="col9"><al>2202</al></entry><entry colname="col10"><al>2444</al></entry><entry colname="col11"><al>2636</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1482</al></entry><entry colname="col3"><al>1532</al></entry><entry colname="col4"><al>1582</al></entry><entry colname="col5"><al>1633</al></entry><entry colname="col6"><al>1685</al></entry><entry colname="col7"><al>1793</al></entry><entry colname="col8"><al>2005</al></entry><entry colname="col9"><al>2291</al></entry><entry colname="col10"><al>2548</al></entry><entry colname="col11"><al>2759</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1518</al></entry><entry colname="col3"><al>1582</al></entry><entry colname="col4"><al>1645</al></entry><entry colname="col5"><al>1702</al></entry><entry colname="col6"><al>1761</al></entry><entry colname="col7"><al>1871</al></entry><entry colname="col8"><al>2087</al></entry><entry colname="col9"><al>2381</al></entry><entry colname="col10"><al>2652</al></entry><entry colname="col11"><al>2881</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1554</al></entry><entry colname="col3"><al>1631</al></entry><entry colname="col4"><al>1708</al></entry><entry colname="col5"><al>1772</al></entry><entry colname="col6"><al>1838</al></entry><entry colname="col7"><al>1949</al></entry><entry colname="col8"><al>2167</al></entry><entry colname="col9"><al>2470</al></entry><entry colname="col10"><al>2756</al></entry><entry colname="col11"><al>3004</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1591</al></entry><entry colname="col3"><al>1681</al></entry><entry colname="col4"><al>1770</al></entry><entry colname="col5"><al>1841</al></entry><entry colname="col6"><al>1915</al></entry><entry colname="col7"><al>2028</al></entry><entry colname="col8"><al>2249</al></entry><entry colname="col9"><al>2559</al></entry><entry colname="col10"><al>2860</al></entry><entry colname="col11"><al>3127</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1627</al></entry><entry colname="col3"><al>1731</al></entry><entry colname="col4"><al>1833</al></entry><entry colname="col5"><al>1911</al></entry><entry colname="col6"><al>1991</al></entry><entry colname="col7"><al>2106</al></entry><entry colname="col8"><al>2330</al></entry><entry colname="col9"><al>2648</al></entry><entry colname="col10"><al>2964</al></entry><entry colname="col11"><al>3250</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>1663</al></entry><entry colname="col3"><al>1780</al></entry><entry colname="col4"><al>1896</al></entry><entry colname="col5"><al>1981</al></entry><entry colname="col6"><al>2068</al></entry><entry colname="col7"><al>2183</al></entry><entry colname="col8"><al>2411</al></entry><entry colname="col9"><al>2738</al></entry><entry colname="col10"><al>3069</al></entry><entry colname="col11"><al>3372</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1699</al></entry><entry colname="col3"><al>1830</al></entry><entry colname="col4"><al>1958</al></entry><entry colname="col5"><al>2051</al></entry><entry colname="col6"><al>2145</al></entry><entry colname="col7"><al>2262</al></entry><entry colname="col8"><al>2492</al></entry><entry colname="col9"><al>2827</al></entry><entry colname="col10"><al>3173</al></entry><entry colname="col11"><al>3495</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1735</al></entry><entry colname="col3"><al>1880</al></entry><entry colname="col4"><al>2021</al></entry><entry colname="col5"><al>2121</al></entry><entry colname="col6"><al>2222</al></entry><entry colname="col7"><al>2340</al></entry><entry colname="col8"><al>2573</al></entry><entry colname="col9"><al>2917</al></entry><entry colname="col10"><al>3277</al></entry><entry colname="col11"><al>3617</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1772</al></entry><entry colname="col3"><al>1929</al></entry><entry colname="col4"><al>2084</al></entry><entry colname="col5"><al>2190</al></entry><entry colname="col6"><al>2299</al></entry><entry colname="col7"><al>2418</al></entry><entry colname="col8"><al>2654</al></entry><entry colname="col9"><al>3006</al></entry><entry colname="col10"><al>3381</al></entry><entry colname="col11"><al>3740</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1808</al></entry><entry colname="col3"><al>1979</al></entry><entry colname="col4"><al>2147</al></entry><entry colname="col5"><al>2260</al></entry><entry colname="col6"><al>2375</al></entry><entry colname="col7"><al>2496</al></entry><entry colname="col8"><al>2736</al></entry><entry colname="col9"><al>3095</al></entry><entry colname="col10"><al>3486</al></entry><entry colname="col11"><al>3862</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1844</al></entry><entry colname="col3"><al>2029</al></entry><entry colname="col4"><al>2209</al></entry><entry colname="col5"><al>2330</al></entry><entry colname="col6"><al>2452</al></entry><entry colname="col7"><al>2575</al></entry><entry colname="col8"><al>2816</al></entry><entry colname="col9"><al>3184</al></entry><entry colname="col10"><al>3590</al></entry><entry colname="col11"><al>3985</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry colname="col2" namest="col2" nameend="col11"><al>schaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>10A</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry><entry colname="col4"><al>11A</al></entry><entry colname="col5"><al>12</al></entry><entry colname="col6"><al>13</al></entry><entry colname="col7"><al>14</al></entry><entry colname="col8"><al>15</al></entry><entry colname="col9"><al>16</al></entry><entry colname="col10"><al>17</al></entry><entry colname="col11"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>2906</al></entry><entry colname="col3"><al>3158</al></entry><entry colname="col4"><al>3476</al></entry><entry colname="col5"><al>3794</al></entry><entry colname="col6"><al>4236</al></entry><entry colname="col7"><al>4500</al></entry><entry colname="col8"><al>4839</al></entry><entry colname="col9"><al>5181</al></entry><entry colname="col10"><al>5733</al></entry><entry colname="col11"><al>6355</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>3032</al></entry><entry colname="col3"><al>3288</al></entry><entry colname="col4"><al>3606</al></entry><entry colname="col5"><al>3925</al></entry><entry colname="col6"><al>4364</al></entry><entry colname="col7"><al>4655</al></entry><entry colname="col8"><al>5017</al></entry><entry colname="col9"><al>5389</al></entry><entry colname="col10"><al>5958</al></entry><entry colname="col11"><al>6597</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>3157</al></entry><entry colname="col3"><al>3419</al></entry><entry colname="col4"><al>3737</al></entry><entry colname="col5"><al>4054</al></entry><entry colname="col6"><al>4492</al></entry><entry colname="col7"><al>4809</al></entry><entry colname="col8"><al>5196</al></entry><entry colname="col9"><al>5597</al></entry><entry colname="col10"><al>6182</al></entry><entry colname="col11"><al>6838</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3283</al></entry><entry colname="col3"><al>3550</al></entry><entry colname="col4"><al>3867</al></entry><entry colname="col5"><al>4182</al></entry><entry colname="col6"><al>4620</al></entry><entry colname="col7"><al>4964</al></entry><entry colname="col8"><al>5375</al></entry><entry colname="col9"><al>5806</al></entry><entry colname="col10"><al>6407</al></entry><entry colname="col11"><al>7079</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>3409</al></entry><entry colname="col3"><al>3680</al></entry><entry colname="col4"><al>3997</al></entry><entry colname="col5"><al>4310</al></entry><entry colname="col6"><al>4748</al></entry><entry colname="col7"><al>5118</al></entry><entry colname="col8"><al>5554</al></entry><entry colname="col9"><al>6014</al></entry><entry colname="col10"><al>6632</al></entry><entry colname="col11"><al>7321</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3535</al></entry><entry colname="col3"><al>3811</al></entry><entry colname="col4"><al>4125</al></entry><entry colname="col5"><al>4438</al></entry><entry colname="col6"><al>4876</al></entry><entry colname="col7"><al>5273</al></entry><entry colname="col8"><al>5732</al></entry><entry colname="col9"><al>6222</al></entry><entry colname="col10"><al>6856</al></entry><entry colname="col11"><al>7562</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>3660</al></entry><entry colname="col3"><al>3942</al></entry><entry colname="col4"><al>4254</al></entry><entry colname="col5"><al>4566</al></entry><entry colname="col6"><al>5004</al></entry><entry colname="col7"><al>5428</al></entry><entry colname="col8"><al>5911</al></entry><entry colname="col9"><al>6430</al></entry><entry colname="col10"><al>7081</al></entry><entry colname="col11"><al>7803</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3786</al></entry><entry colname="col3"><al>4071</al></entry><entry colname="col4"><al>4382</al></entry><entry colname="col5"><al>4694</al></entry><entry colname="col6"><al>5132</al></entry><entry colname="col7"><al>5583</al></entry><entry colname="col8"><al>6090</al></entry><entry colname="col9"><al>6638</al></entry><entry colname="col10"><al>7305</al></entry><entry colname="col11"><al>8045</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3912</al></entry><entry colname="col3"><al>4199</al></entry><entry colname="col4"><al>4510</al></entry><entry colname="col5"><al>4822</al></entry><entry colname="col6"><al>5260</al></entry><entry colname="col7"><al>5738</al></entry><entry colname="col8"><al>6269</al></entry><entry colname="col9"><al>6847</al></entry><entry colname="col10"><al>7530</al></entry><entry colname="col11"><al>8286</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>4037</al></entry><entry colname="col3"><al>4327</al></entry><entry colname="col4"><al>4637</al></entry><entry colname="col5"><al>4950</al></entry><entry colname="col6"><al>5388</al></entry><entry colname="col7"><al>5892</al></entry><entry colname="col8"><al>6448</al></entry><entry colname="col9"><al>7055</al></entry><entry colname="col10"><al>7754</al></entry><entry colname="col11"><al>8528</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>4160</al></entry><entry colname="col3"><al>4455</al></entry><entry colname="col4"><al>4766</al></entry><entry colname="col5"><al>5078</al></entry><entry colname="col6"><al>5516</al></entry><entry colname="col7"><al>6047</al></entry><entry colname="col8"><al>6626</al></entry><entry colname="col9"><al>7263</al></entry><entry colname="col10"><al>7979</al></entry><entry colname="col11"><al>8769</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4283</al></entry><entry colname="col3"><al>4583</al></entry><entry colname="col4"><al>4894</al></entry><entry colname="col5"><al>5207</al></entry><entry colname="col6"><al>5644</al></entry><entry colname="col7"><al>6201</al></entry><entry colname="col8"><al>6805</al></entry><entry colname="col9"><al>7472</al></entry><entry colname="col10"><al>8204</al></entry><entry colname="col11"><al>9011</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor de ambtenaar die valt onder de definitie van artikel 1:2c, eerste lid geldt
                    een aparte schaal: schaal A. Het bedrag van de periodiek 0 is gelijk aan het
                    wettelijk minimumloon. Het bedrag van de periodiek 11 is gelijk aan 120% van het
                    wettelijk minimumloon. De salarisbedragen voor schaal A worden geïndexeerd op de
                    ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en elk jaar op 1 januari vastgesteld
                    door het LOGA en gepubliceerd op
                    <onderstreept>www.car-uwo.nl</onderstreept>.</al><al>Briefnummer: U200800195, U201001449, U201200956, U20141852, U201501380</al></bijlage><bijlage><kop><titel> Artikel 99:BIJLAGE IIb Vergoedingentabel vrijwilligers bij de
                        gemeentelijke brandweer per 1 april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="31*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="16*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="15*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="21*"></colspec><colspec colname="col5" colwidth="17*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>jaarvergoeding</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>uurbedrag voor langdurig aanwezigheid</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1. Aspirant manschap A</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>330</al></entry><entry colname="col3"><al>10,20</al></entry><entry colname="col4"><al>19,07</al></entry><entry colname="col5"><al>12,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                            Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                            stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>330</al></entry><entry colname="col3"><al>11,72</al></entry><entry colname="col4"><al>22,03</al></entry><entry colname="col5"><al>14,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                            manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties
                                            uit categorie 2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>330</al></entry><entry colname="col3"><al>13,00</al></entry><entry colname="col4"><al>24,38</al></entry><entry colname="col5"><al>16,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4. Bevelvoerder</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>495</al></entry><entry colname="col3"><al>16,28</al></entry><entry colname="col4"><al>30,61</al></entry><entry colname="col5"><al>20,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5. Officier van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3902</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>39,02</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                            stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5603</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>56,03</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7.Commandant van diens</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8335</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>62,52</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Briefnummer: U201001923 en U201200956 en U201401852</al></bijlage><bijlage><kop><titel> Artikel 99:BIJLAGE IIc Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij
                        de gemeentelijke brandweer per 1 april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="31*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="16*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="15*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="21*"></colspec><colspec colname="col5" colwidth="17*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>jaarvergoeding</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>uurbedrag oefeningen en cursussen e.d.</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>uurbedrag voor langdurig aanwezigheid</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1. Aspirant manschap A</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>334</al></entry><entry colname="col3"><al>10,34</al></entry><entry colname="col4"><al>19,40</al></entry><entry colname="col5"><al>12,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                            Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                            stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>334</al></entry><entry colname="col3"><al>11,94</al></entry><entry colname="col4"><al>22,48</al></entry><entry colname="col5"><al>14,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                            manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties
                                            uit categorie 2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>324</al></entry><entry colname="col3"><al>13,23</al></entry><entry colname="col4"><al>24,77</al></entry><entry colname="col5"><al>16,52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4. Bevelvoerder</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>503</al></entry><entry colname="col3"><al>16,56</al></entry><entry colname="col4"><al>31,08</al></entry><entry colname="col5"><al>20,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5. Officier van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3977</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>39,77</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                            stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5704</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>57,04</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7.Commandant van dienst</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8491</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>63,64</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer
                    beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot
                    het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat
                    hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als
                    vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen
                    zij onder de werking van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1
                    januari 1980 is de regeling op dit punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de
                    gemeentelijke brandweer uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP.
                    Bij de wijziging in 1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat
                    vrijwilligers die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap
                    behielden zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van
                    deze overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                    overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1
                    januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor hen is
                    deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage 11.</al><al>Briefnummer:U201001449 en U201001923, U201200956, U201401852</al></bijlage><bijlage><kop><titel>99:BIJLAGE III Hoorbepaling</titel></kop><al>Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor
                    gemeenten waar geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld.</al><tussenkop kopopmaak="vet">Artikel 12:1</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten vindt overleg
                            plaats aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de
                            rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels
                            volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin
                            niet wordt voorzien door het LOGA-overleg tussen het College voor
                            Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales
                            van overheidspersoneel.</al></li><li nr="2."><al>Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de
                            landelijke verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de
                            centrales van overheidspersoneel, toegelaten tot het overleg in het
                            vorige lid bedoeld.</al></li><li nr="3."><al>Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het
                            voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek
                            binnen een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien
                            dagen zal zijn, het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken.
                            Indien de organisatie dit verlangt wordt zij tot mondelinge toelichting
                            toegelaten.</al></li><li nr="4."><al>Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan, indien
                            de organisatie in gebreke is gebleven binnen de In het vorige lid
                            bedoelde termijn van haar gevoelen te doen blijken.</al></li><li nr="5."><al>Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit tot de
                            bevoegdheid van de raad, dan vermeldt het college bij het ontwerp van
                            het besluit tevens het gevoelen van de organisaties terzake.</al></li><li nr="6."><al>Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een eventueel
                            besluit van de raad binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen aan de
                            organisaties.</al></li></lijst><al>briefnummer: CvA/2002004761</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Artikel 99:BIJLAGE IV Salarisschalen kunstzinnige vorming per 1 april
                        2015</titel></kop><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colwidth="31*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="11*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="11*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="11*"></colspec><colspec colname="col5" colwidth="11*"></colspec><colspec colname="col6" colwidth="11*"></colspec><colspec colname="col7" colwidth="11*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>7</al></entry><entry colname="col5"><al>8</al></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>1741</al></entry><entry colname="col3"><al>1777</al></entry><entry colname="col4"><al>1814</al></entry><entry colname="col5"><al>1862</al></entry><entry colname="col6"><al>2110</al></entry><entry colname="col7"><al>2467</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>1862</al></entry><entry colname="col4"><al>1917</al></entry><entry colname="col5"><al>1984</al></entry><entry colname="col6"><al>2231</al></entry><entry colname="col7"><al>2583</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>2110</al></entry><entry colname="col6"><al>2349</al></entry><entry colname="col7"><al>2706</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1814</al></entry><entry colname="col3"><al>1984</al></entry><entry colname="col4"><al>2048</al></entry><entry colname="col5"><al>2231</al></entry><entry colname="col6"><al>2467</al></entry><entry colname="col7"><al>2771</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1862</al></entry><entry colname="col3"><al>2048</al></entry><entry colname="col4"><al>2110</al></entry><entry colname="col5"><al>2291</al></entry><entry colname="col6"><al>2526</al></entry><entry colname="col7"><al>2844</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1917</al></entry><entry colname="col3"><al>2110</al></entry><entry colname="col4"><al>2172</al></entry><entry colname="col5"><al>2349</al></entry><entry colname="col6"><al>2583</al></entry><entry colname="col7"><al>2911</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1984</al></entry><entry colname="col3"><al>2172</al></entry><entry colname="col4"><al>2231</al></entry><entry colname="col5"><al>2407</al></entry><entry colname="col6"><al>2644</al></entry><entry colname="col7"><al>2969</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2048</al></entry><entry colname="col3"><al>2231</al></entry><entry colname="col4"><al>2291</al></entry><entry colname="col5"><al>2467</al></entry><entry colname="col6"><al>2706</al></entry><entry colname="col7"><al>3033</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>2110</al></entry><entry colname="col3"><al>2291</al></entry><entry colname="col4"><al>2349</al></entry><entry colname="col5"><al>2526</al></entry><entry colname="col6"><al>2771</al></entry><entry colname="col7"><al>3098</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>2172</al></entry><entry colname="col3"><al>2349</al></entry><entry colname="col4"><al>2407</al></entry><entry colname="col5"><al>2583</al></entry><entry colname="col6"><al>2844</al></entry><entry colname="col7"><al>3159</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>2231</al></entry><entry colname="col3"><al>2407</al></entry><entry colname="col4"><al>2467</al></entry><entry colname="col5"><al>2644</al></entry><entry colname="col6"><al>2911</al></entry><entry colname="col7"><al>3214</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>2291</al></entry><entry colname="col3"><al>2467</al></entry><entry colname="col4"><al>2526</al></entry><entry colname="col5"><al>2706</al></entry><entry colname="col6"><al>2969</al></entry><entry colname="col7"><al>3271</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>2349</al></entry><entry colname="col3"><al>2526</al></entry><entry colname="col4"><al>2583</al></entry><entry colname="col5"><al>2771</al></entry><entry colname="col6"><al>3033</al></entry><entry colname="col7"><al>3328</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>2407</al></entry><entry colname="col3"><al>2583</al></entry><entry colname="col4"><al>2644</al></entry><entry colname="col5"><al>2844</al></entry><entry colname="col6"><al>3098</al></entry><entry colname="col7"><al>3385</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2644</al></entry><entry colname="col4"><al>2706</al></entry><entry colname="col5"><al>2911</al></entry><entry colname="col6"><al>3159</al></entry><entry colname="col7"><al>3449</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2771</al></entry><entry colname="col5"><al>2969</al></entry><entry colname="col6"><al>3214</al></entry><entry colname="col7"><al>3512</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2844</al></entry><entry colname="col5"><al>3033</al></entry><entry colname="col6"><al>3271</al></entry><entry colname="col7"><al>3569</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2911</al></entry><entry colname="col5"><al>3098</al></entry><entry colname="col6"><al>3328</al></entry><entry colname="col7"><al>3624</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>2969</al></entry><entry colname="col5"><al>3159</al></entry><entry colname="col6"><al>3385</al></entry><entry colname="col7"><al>3678</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>2526</al></entry><entry colname="col3"><al>2771</al></entry><entry colname="col4"><al>3098</al></entry><entry colname="col5"><al>3328</al></entry><entry colname="col6"><al>3512</al></entry><entry colname="col7"><al>3792</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2911</al></entry><entry colname="col4"><al>3214</al></entry><entry colname="col5"><al>3512</al></entry><entry colname="col6"><al>3624</al></entry><entry colname="col7"><al>3911</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry><entry colname="col5"><al>3624</al></entry><entry colname="col6"><al>3737</al></entry><entry colname="col7"><al>4037</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Briefnummer: U201001449 en U201200956 en U201201077en U201401852</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Artikel 99:BIJLAGE IVa Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor
                        onderwijzend personeel in de kunsteducatie</titel></kop><al>LOGA-partijen vinden dat bij de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden
                    uren binnen de aanstelling lokaal maatwerk gewenst is. Daarom is in artikel
                    19b:5 vastgelegd dat de werkgever, met toepassing van de Wet op de
                    ondernemingsraden (WOR), een lokale regeling vaststelt waarin per discipline de
                    verhouding wordt vastgesteld van de verschillende soorten werkzaamheden binnen
                    lesgebonden en niet-lesgebonden uren.</al><tussenkop kopopmaak="vet">Van een vaste verhouding naar een lokale
                    regeling</tussenkop><al>Tot 1 januari 2009 kende de aanvullende rechtspositieregeling voor onderwijzend
                    personeel een vaste maximale verhouding van 26 lesgebonden uren en 10 overige
                    niet-lesgebonden uren. Per 1 januari 2009 wordt deze vaste maximale verhouding
                    losgelaten. Reden daarvoor is dat een centraal voorgeschreven verhouding geen
                    recht kan doen aan verschillen per discipline, per instelling of per
                    onderwijzend personeelslid. Met een lokale regeling kan wel ingespeeld worden op
                    deze specifieke kenmerken.</al><tussenkop kopopmaak="vet">Status sjabloon</tussenkop><al>In dit sjabloon worden mogelijke werkzaamheden binnen lesgebonden en
                    niet-lesgebonden uren opgesomd. Die opsomming is niet limitatief. In een
                    instelling kan worden vastgesteld dat bepaalde in het sjabloon genoemde
                    werkzaamheden niet binnen de instelling voorkomen en dus niet in de lokale
                    regeling worden opgenomen. Daarentegen kan ook worden vastgesteld dat er
                    instellingsspecifieke werkzaamheden zijn die niet in het sjabloon voorkomen,
                    maar die wel in de lokale regeling moeten worden genoemd. Het sjabloon is dus
                    een handvat voor de lokale regeling waarin onder andere rekening wordt gehouden
                    met</al><lijst><li nr="•"><al>de ervaring van de ambtenaar,</al></li><li nr="•"><al>het cursustype dat de ambtenaar geeft en</al></li><li nr="•"><al>de discipline van de ambtenaar.</al></li></lijst><tussenkop kopopmaak="vet">Opbouw Sjabloon</tussenkop><al>Schematisch is de opbouw van het sjabloon als volgt:</al><tussenkop>Categorieën van werkzaamheden</tussenkop><al>Dit sjabloon onderscheidt als hoofdcategorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>lesgebonden uren en</al></li><li nr="2."><al>niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst><al>De categorie niet-lesgebonden uren kan vervolgens weer opgedeeld worden in drie
                    subcategorieën:</al><al>2a.Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren.</al><al>Deze subcategorie hangt direct samen met de lesgebonden uren.</al><al>2b.Algemene werkzaamheden</al><al>Deze subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.</al><al>2c.Variabele werkzaamheden</al><al>Deze subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.</al><al>De (sub)categorieën zijn hierna verder uitgewerkt:</al><tussenkop kopopmaak="vet">1. Lesgebonden uren in uren per
                    schooljaar/cursusjaar/seizoen</tussenkop><al>Het gaat in deze categorie om het aantal te verzorgen lesgebonden uren op
                    jaarbasis. Het betreft alle door een discipline uit te voeren les- of
                    cursuswerkzaamheden, al of niet te onderscheiden naar bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="•"><al>Type lessen/cursussen: individuele lessen, combinatielessen,
                            groepslessen, klassikale lessen</al></li><li nr="•"><al>Homogene ensembles</al></li><li nr="•"><al>Heterogene ensembles</al></li><li nr="•"><al>Koren</al></li><li nr="•"><al>Orkesten</al></li><li nr="•"><al>Regulier onderwijs</al></li><li nr="•"><al>Speciaal onderwijs</al></li></lijst><tussenkop kopopmaak="vet">2. Niet-lesgebonden uren in uren per
                    schooljaar/cursusjaar/seizoen</tussenkop><tussenkop kopopmaak="vet">2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                    uren</tussenkop><al>Het gaat in deze subcategorie om de werkzaamheden van elke discipline in een
                    bepaalde verhouding tot het aantal lesgebonden uren. Dit is afhankelijk van het
                    type instelling en het type lessen/werkzaamheden. Deze uren worden ook wel
                    “aanstellingsafhankelijke of leerling- of cursistafhankelijke uren” genoemd. Het
                    betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="•"><al>Roosterwerkzaamheden</al></li><li nr="•"><al>Inhoudelijke voorbereiding en nazorg van de lessen</al></li><li nr="•"><al>Bijhouden van lesvorderingen en lesresultaten, leerlingvolgsysteem en
                            dergelijke</al></li><li nr="•"><al>Administratieve afwikkeling van de lessen/cursussen (bijvoorbeeld
                            presentielijsten)</al></li><li nr="•"><al>Rapporten/studieverslagen voor van de leerlingen/cursisten</al></li><li nr="•"><al>(Voortgangs)gesprekken met ouders/verzorgers/leerlingen</al></li><li nr="•"><al>Bijhouden van de pedagogische, methodische en didactische ontwikkelingen<noot><cvdr:noot.nr xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/"> 11
                                    </cvdr:noot.nr><cvdr:noot.al xmlns:cvdr="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/">Elke
                                    medewerker wordt geacht ook zelf te investeren in het bijhouden
                                    van pedagogisch-didactische ontwikkelingen, het lezen van
                                    vakliteratuur en het onderhouden van de artistieke vaardigheden.
                                    Niettemin zijn er situaties voorstelbaar (bijvoorbeeld indien
                                    het onderwijzend personeelslid personeelslid een
                                    onderwijsvernieuwende werkzaamheid heeft) waar toedeling van
                                    tijd voor dergelijke werkzaamheden geboden is.</cvdr:noot.al></noot></al></li><li nr="•"><al>Bijhouden van vakliteratuur</al></li><li nr="•"><al>Onderhouden van de direct aan de lespraktijk verbonden artistieke
                            vaardigheden</al></li><li nr="•"><al>Examens/toetsen</al></li></lijst><tussenkop kopopmaak="vet">2b. Algemene werkzaamheden</tussenkop><al>Het gaat in deze subcategorie om werkzaamheden die losstaan van het aantal
                    lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel “organisatiegebonden uren” genoemd.
                    Het betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="•"><al>Personeelsvergaderingen, afdelingsvergaderingen, sector- en
                            sectievergaderingen</al></li><li nr="•"><al>Collegiaal overleg (intern en extern)</al></li><li nr="•"><al>Voorbereiding en deelname aan open dagen</al></li><li nr="•"><al>Functioneringsgesprekken, ontwikkelingsgesprekken, persoonlijk
                            ontwikkelingsplan</al></li><li nr="•"><al>Overleg over het jaarlijkse cursusboekje/studiegids</al></li><li nr="•"><al>Zorg voor het instrumentarium van de instelling en (indien gebruik door
                            de werkgever verplicht is gesteld) van het eigen
                            instrument/gereedschap</al></li></lijst><tussenkop kopopmaak="vet">2c. Variabele werkzaamheden</tussenkop><al>Het gaat in deze subcategorie om specifieke werkzaamheden die losstaan van het
                    aantal lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel “persoonsgebonden uren”
                    genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="•"><al>Werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling in relatie tot de lessen en
                            lesmaterialen</al></li><li nr="•"><al>Materiële voorbereiding en nazorg van de lessen</al></li><li nr="•"><al>Lidmaatschap van de ondernemingsraad of
                            personeelsvertegenwoordiging</al></li><li nr="•"><al>Stagebegeleiding</al></li><li nr="•"><al>Organisatie en voorbereiding van leerlingenuitvoeringen/-concerten
                            (intern en/of extern)</al></li><li nr="•"><al>Organisatie en voorbereiding van concerten speciaal voor onderwijzend
                            personeelsleden (intern en/of extern)</al></li><li nr="•"><al>Organisatie en voorbereiding van exposities (intern en/of extern)</al></li><li nr="•"><al>Organisatie en voorbereiding van instellingspresentaties (intern en/of
                            extern)</al></li><li nr="•"><al>Deelname aan activiteiten en evenementen voor zover niet genoemd onder
                            subcategorie 2b.</al></li><li nr="•"><al>Organiseren van kunstuitingen van cursisten, zoals voorspeelavonden en
                            tentoonstellingen</al></li><li nr="•"><al>Begeleiden van een collega bij een voorspeelavond</al></li><li nr="•"><al>Coördinatiewerkzaamheden</al></li><li nr="•"><al>Algemene organisatiewerkzaamheden, bijvoorbeeld voor
                            nieuwsbrief/schoolkrant van de instelling</al></li><li nr="•"><al>Adviseren van leerlingen ten aanzien van instrument- of
                            materiaalkeuzes</al></li><li nr="•"><al>Bijhouden van de vakgebonden bibliotheek van de instelling</al></li><li nr="•"><al>Bijdragen aan het jaarlijkse cursusboekje/studiegids</al></li><li nr="•"><al>Opleiding en ontwikkeling, of andere activiteiten die ertoe bijdragen de
                            eigen vakbekwaamheid op peil te houden</al></li><li nr="•"><al>Deelname aan studiedagen van bijvoorbeeld beroepsverenigingen,
                            vakgroepen, mits de werkgever toestemming heeft verleend</al></li><li nr="•"><al>Het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van dezelfde
                            instelling voor kunsteducatie.</al></li></lijst><tussenkop kopopmaak="vet">Van sjabloon naar lokale regeling</tussenkop><al>Om een beeld te geven hoe aan de hand van het sjabloon een lokale regeling tot
                    stand kan komen geeft het LOGA een voorbeeld. U dient dit voorbeeld niet op te
                    vatten als een door het LOGA gewenste verdeling van de verhouding lesgebonden
                    uren versus niet-lesgebonden uren. Het gaat om de wijze waarop aan de hand van
                    het sjabloon een lokale regeling kan worden opgesteld.</al><al>Binnen instelling X is onderwijzend personeel werkzaam in drie verschillende
                    disciplines:</al><lijst><li nr="1."><al>Discipline A</al></li><li nr="2."><al>Discipline B</al></li><li nr="3."><al>Discipline C</al></li></lijst><al>Binnen instelling X geldt per discipline de volgende verhouding lesgebonden
                    versus niet-lesgebonden uren:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="19*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="37*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="43*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Discipline</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1. Lesgebonden uren</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2. Niet-lesgebonden uren</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline A</al></entry><entry colname="col2"><al>65%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline B</al></entry><entry colname="col2"><al>60%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline C</al></entry><entry colname="col2"><al>70%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Binnen instelling X zijn de aanstellingen van het onderwijzend personeel in
                    omvang zeer verschillend. Daarom wordt er in instelling X voor gekozen om binnen
                    de categorie niet-lesgebonden uren per aanstellingsomvang een uitsplitsing te
                    maken in de subcategorieën. Die uitsplitsing is als volgt:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="24*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="31*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="23*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="22*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1" namest="col1" nameend="col4"><al><vet>De verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                                            subcategorieën</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Aanstellingsomvang</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren
                                        </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2b. Algemene werkzaamheden </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2c. Variabele werkzaamheden</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Meer dan 27 uur per week </al></entry><entry colname="col2"><al>30%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry><entry colname="col4"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 tot en met 27 uur per week </al></entry><entry colname="col2"><al>35%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry><entry colname="col4"><al>30%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7,2 tot en met 18 uur per week </al></entry><entry colname="col2"><al>40%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry><entry colname="col4"><al>20%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>tot en met 7,2 uur per week </al></entry><entry colname="col2"><al>47%</al></entry><entry colname="col3"><al>47%</al></entry><entry colname="col4"><al>6%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In dit voorbeeld is de verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                    subcategorieën voor alle disciplines gelijk. Het is ook mogelijk om elke
                    discipline een aparte verdeling van niet-lesgebonden uren over de subcategorieën
                    te maken.</al><tussenkop kopopmaak="vet">Individuele afwijkmogelijkheden op de verhouding per
                    discipline</tussenkop><al>Er zijn individuele omstandigheden voorstelbaar waarin het onredelijk is vast te
                    houden aan de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden die per discipline
                    is bepaald. Bijvoorbeeld door rekening te houden met:</al><lijst><li nr="•"><al>zeer veel of zeer weinig ervaring van het onderwijzend personeellid
                            of</al></li><li nr="•"><al>het cursustype dat het onderwijzend personeelslid geeft (groepslessen
                            versus individuele lessen)</al></li></lijst><al>In de lokale regeling kunnen individuele afwijkingsmogelijkheden op de
                    verhouding die per discipline is vastgelegd worden opgenomen. De voorwaarden
                    waaraan voldaan moet worden voordat individuele afwijking is toegestaan, dienen
                    in de lokale regeling te worden opgenomen. Deze individuele afwijkmogelijkheden
                    bepalen tezamen met de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren die
                    voor de discipline van de ambtenaar is vastgelegd, welke verhouding voor de
                    individuele ambtenaar geldt.</al><al>Voorbeeld:</al><al>Voor discipline D staat in de lokale regeling dat de verhouding 70% lesgebonden
                    uren en 30% niet-lesgebonden uren geldt. In de lokale regeling is ook vastgelegd
                    dat voor discipline D een individuele afwijkmogelijkheid bestaat voor ambtenaren
                    met minder dan 3 jaar ervaring. Die ambtenaren krijgen ten koste van het aantal
                    lesgebonden uren 5% meer niet-lesgebonden uren voor de voorbereiding en nazorg
                    van de lesgebonden uren.</al><al>Het college stelt bij toepassing van de lokale regeling voor een ambtenaar met
                    discipline D en minder dan 3 jaar ervaring de verhouding vast op 65% lesgebonden
                    en 35% niet-lesgebonden uren. Deze 5% extra voor niet-lesgebonden uren wordt
                    binnen de subcategorieën geheel toegeschreven aan subcategorie 2a.</al><tussenkop kopopmaak="vet">Tot slot</tussenkop><al>Te overwegen valt om een beperkt percentage van de tijd niet toe te wijzen
                    aan</al><al>specifieke activiteiten. Niet alles valt namelijk op voorhand te plannen. Aan
                    een aantal</al><al>kleinere werkzaamheden uit de eerder genoemde (sub)categorieën hoeft dan
                    eveneens niet specifiek tijd te worden toegewezen; zij kunnen tot de vrij in te
                    delen tijd worden gerekend.</al><al>briefnummer: 2004001009 en U200801115</al></bijlage><bijlage><kop><titel> Artikel 99: BIJLAGE IVa1 Functiebeschrijvingen</titel></kop><tussenkop kopopmaak="vet">1. Consulent</tussenkop><al>A.Beschrijving van de functie</al><al>Functiebenaming: consulent</al><al>Functie-eisen: HBO-niveau</al><al>Taken</al><lijst><li nr="•"><al>Het in overleg met cliënten opstellen van een
                            steunfunctie-activiteitenplan</al></li><li nr="•"><al>Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten</al></li><li nr="•"><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid, producten en
                            programma’s</al><lijst><li nr="B."><al>Beschrijving van de taken</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop kopopmaak="ondlijn">B.1 Het in overleg met cliënten opstellen van een
                    steunfunctie-activiteitenplan</tussenkop><al>Informeert en adviseert (potentiële) cliënten over de mogelijkheden van
                    steunfunctieactiviteiten.</al><al>Overlegt met (de leiding van) potentiële cliënten over wensen en
                    verwachtingen.</al><al>Stelt een activiteiten- of begeleidingsplan op of ondersteunt de cliënt
                    daarbij.</al><al>Overlegt waar nodig met externe instanties.</al><tussenkop kopopmaak="ondlijn">B.2 Het verzorgen van
                    steunfunctieactiviteiten</tussenkop><al>Geeft informatie en adviezen over methoden en leermiddelen. Verzorgt
                    teamtrainingen en individuele begeleiding van docenten.</al><al>Adviseert bij de aanschaf van leermiddelen en ontwikkelt, waar nodig, zelf
                    leermiddelen en methodieken.</al><al>Organiseert met de cliënt producties, tentoonstellingen en andere
                    evenementen.</al><al>Begeleidt bij de opstelling van werkplannen.</al><al>Bewaakt de afspraken met betrekking tot begroting, planning en inzet.</al><tussenkop kopopmaak="ondlijn">B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid,
                    producten en programma’s</tussenkop><al>Volgt en signaleert relevante ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige
                    vorming.</al><al>Levert bijdragen aan beleidsontwikkeling, marktanalyses en aan de ontwikkeling
                    van nieuw aanbod en marktontwikkelingsplannen; overlegt met opdrachtgevers en
                    andere instanties over organisatie en uitvoering van projecten.</al><al>Werkt voorstellen uit in projectbeschrijvingen</al><tussenkop kopopmaak="vet">2. Docent</tussenkop><al>A.Beschrijving van de functie</al><al>Functiebenaming: docent</al><al>Functie-eisen: HBO-niveau</al><tussenkop>Taken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het verzorgen van de inhoud van onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="2."><al>Het geven van de onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="3."><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van KV-producten en -programma’s</al></li><li nr="4."><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al><lijst><li nr="B."><al>Beschrijving van de taken</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>B.1 Het verzorgen van de inhoud van onderwijsactiviteiten</tussenkop><al>Verzorgt het (meerjaren)leerplan; stemt het leerplan af met leiding en
                    collega’s.</al><al>Bepaalt vanuit het leerplan de inhoud van de onderwijsactiviteiten.</al><al>Zorgt voor les- en documentatiemateriaal.</al><tussenkop>B.2 Het geven van de onderwijsactiviteit</tussenkop><al>Bereidt de activiteit voor; stemt af op het niveau van de groep.</al><al>Geeft de onderwijsactiviteit; doet voor en stuurt bij.</al><al>Zorgt voor variatie in presentatie en lesvorm.</al><al>Houdt rekening met persoonlijkheid en doelstelling deelnemers.</al><al>Bespreekt regelmatig de vorderingen met (ouders van) deelnemers en evalueert de
                    onderwijsactiviteit; stelt eventueel leerdoelstellingen bij.</al><al>Organiseert kunstuitingen van en voor deelnemers.</al><tussenkop>B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling van KV-producten en
                    -programma’s</tussenkop><al>Volgt en signaleert relevante ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige
                    vorming.</al><al>Levert bijdragen aan marktanalyses, de ontwikkeling van nieuw aanbod en
                    marktontwikkelingsplannen; overlegt met opdrachtgevers en andere instanties over
                    organisatie en uitvoering van projecten.</al><al>Werkt voorstellen uit in projectbeschrijvingen.</al><tussenkop>B.4 Het verrichten van overige werkzaamheden</tussenkop><al>Woont diverse overlegvormen bij.</al><al>Houdt ontwikkelingen op het vakgebied bij; neemt deel aan na- en
                    bijscholing.</al><al>Levert bijdragen aan evenementen/instellingsactiviteiten.</al><tussenkop>3. Balletbegeleider</tussenkop><al>A.Beschrijving van de functie</al><al>Functiebenaming: Balletbegeleider</al><al>Functie-eisen: MBO-niveau</al><al>Taken</al><lijst><li nr="1."><al>Het instrumentaal begeleiden van lessen</al></li><li nr="2."><al>Het bijhouden van ontwikkelingen op het vakgebied</al></li><li nr="3."><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al><lijst><li nr="B."><al>Beschrijving van de taken</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>B.1 Het instrumentaal begeleiden van lessen</tussenkop><al>Begeleidt klassieke balletlessen en andere lesvormen op piano en andere
                    instrumenten. Zorgt waar nodig voor improvisatie en zorgt ervoor dat het
                    karakter van de oefening muzikaal wordt ondersteund.</al><al>Past gedurende de oefening tempo en sfeer aan en legt andere accenten als de
                    docent dit aangeeft.</al><al>Verzorgt de instrumentale begeleiding van uitvoeringen.</al><tussenkop>B.2 Het bijhouden van ontwikkelingen op het vakgebied</tussenkop><al>Houdt ontwikkelingen binnen het vakgebied bij.</al><tussenkop>B.3 Het verrichten van overige werkzaamheden</tussenkop><al>Voert periodiek overleg met de docent over het afstemmen van het spel op de
                    oefeningen en de samenwerking tussen docent en begeleider.</al><al>Briefnummer: U200800195 en U200801115</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage Artikel 99:BIJLAGE VI</titel></kop><al>Vervallen</al><al>briefnummer:U200901923</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage Artikel 99:BIJLAGE VIIa Aanstellingskeuring
                        brandweerpersoneel</titel></kop><al>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke signaalvragen,
                    screeningsinstrumenten en functionele tests bij de aanstellingskeuring gebruikt
                    dienen te worden. De uitwerking van onderstaande onderdelen en de beoordeling
                    hiervan is vastgelegd in de aanstellingskeuring zoals die is ontwikkeld door het
                    Coronel Instituut. Deze uitwerking is te vinden op vng.nl.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="30*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="70*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.Waakzaamheid en oordeelsvermogen:</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:- bekendheid
                                        met aanpassingsprobleem bij onregelmatige diensten,- ooit
                                        doorgemaakte psychose, schizofrenie, epilepsie -
                                        aanwezigheid van hoogtevrees- aanwezigheid van
                                        claustrofobie- ooit doorgemaakte warmtestuwing- gebruik
                                        medicatie tegen epilepsie afgelopen 5 jaar- huidig
                                        medicijngebruik (mee laten nemen)Inzet gevalideerd
                                        screeningsinstrument ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van:- hoge mate van slaperigheid (checklist)-
                                        depressieve klachten (checklist)- angstklachten
                                        (checklist)Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter
                                        detectie van:- hoogtevrees (laddertest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.Emotionele piekbelasting:</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:- recent
                                        doorgemaakt trauma Inzet gevalideerd screeningsinstrument
                                        ter detectie van de huidige aanwezigheid van:-
                                        posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.Energetische piekbelasting:</al></entry><entry colname="col2"><al>signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:- fysieke
                                        activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)belangrijkste risicofactoren
                                        hart- en vaatziekten (familiair voorkomen HVZ; eerder
                                        doorgemaakte- of huidige hartziekte; roken)Inzet gevalideerd
                                        screeningsinstrument ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van verhoogd risico op toekomstig HVZ (ter
                                        regulering en niet ter afkeuring):- te hoge BMI of buikvet-
                                        hoge bloeddruk- diabetes mellitus- afwijkingen ECGInzet
                                        gevalideerde fysiek functionele test die een indruk geeft
                                        van het piek-anaerobe
                                        inspanningsvermogen.(aanstellingsbrandweertraplooptest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:- huidige
                                        problemen met gezichtsvermogenInzet gevalideerd test ter
                                        detectie van de huidige aanwezigheid van:- onvoldoende
                                        scherp zicht (lees en afstand)- onvoldoende mobiliteit
                                        nekwervelkolom- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:huidige
                                        problemen met gehoorsvermogenInzet gevalideerde test ter
                                        detectie van de huidige aanwezigheid van:- onvoldoende
                                        vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen:</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:-
                                        overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening-
                                        overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                        luchtweg/longenInzet gevalideerde test ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van:- mogelijke huidaandoening op
                                        armen/handen (eczeem/atopie)- mogelijke longaandoening
                                        (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7.Risico op (verspreiding van)infectieziekten:</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:- geldige
                                        inentingen- huidige aanwezigheid infectieziekten(Hepatitis,
                                        Difterie, Tetanus, Tuberculose, HIV)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8.Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:- problemen
                                        met tillen- huidige nek-, rug- en schouderklachtenproblemen
                                        met krachtleverantie met geheven armenInzet gevalideerde
                                        fysieke, functionele til/draag test(tijdens
                                        aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:- huidige
                                        duizeligheidsklachtenInzet gevalideerde fysieke, functionele
                                        kniel/hurk test(tijdens
                                        aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:huidige
                                        duizeligheidsklachtenInzet gevalideerde fysieke, functionele
                                        klim/klauter test(laddertest)(brandweertraplooptest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen enkrachtleverantie met rug</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: huidige
                                        rugklachten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Kort na de volgende basismetingen verricht om latere effecten van mogelijke
                    blootstelling aan factoren van het werk te kunnen aantonen:</al><lijst><li nr="•"><al>longfunctiebepaling met behulp van spirometrie</al></li><li nr="•"><al>audiogram afname</al></li></lijst><al>Briefnummer: U201002606 en U201300250</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage Artikel 99:BIJLAGE VIIb Periodiek Preventief Medisch
                        Onderzoek</titel></kop><al>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke signaalvragen,
                    screeningsinstrumenten en functionele tests bij het Periodiek Preventief Medisch
                    Onderzoek gebruikt dienen te worden.</al><al>De uitwerking van onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is
                    vastgelegd in het PPMO zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut. Deze
                    uitwerking is te vinden op vng.nl.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="33*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="67*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag worden
                                            in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.Waakzaamheid en oordeelsvermogen:</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:-
                                        aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten,-
                                        aanwezigheid van hoogtevrees- aanwezigheid van
                                        claustrofobie- doorgemaakte warmtestuwing sinds vorige
                                        keuring- gebruik medicatie tegen epilepsie nu of geslikt
                                        sinds vorige keuring- huidig medicijngebruik (mee laten
                                        nemen)Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie
                                        van de huidige aanwezigheid van:- hoge mate van slaperigheid
                                        (checklist)- depressieve klachten (checklist)- angstklachten
                                        (checklist)- hoge werkgerelateerde vermoeidheid
                                        (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.Emotionele piekbelasting:</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:- recent
                                        doorgemaakt traumaInzet gevalideerd screeningsinstrument ter
                                        detectie van de huidige aanwezigheid van:- posttraumatische
                                        stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.Energetische piekbelasting:</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:- fysieke
                                        activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)- belangrijkste
                                        risicofactoren hart- en vaatziekten (familiair voorkomen
                                        HVZ; eerder doorgemaakte- of huidige hartziekte; roken)Inzet
                                        gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van verhoogd risico op toekomstig HVZ (ter
                                        regulering en niet ter afkeuring):- te hoge BMI of buikvet-
                                        hoge bloeddruk- diabetes mellitus- afwijkingen ECGInzet
                                        gevalideerde fysiek functionele test die een indruk geeft
                                        van het piek-anaerobe
                                        inspanningsvermogen.(brandweertraplooptest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:- huidige
                                        problemen met gezichtsvermogen tijdens werkInzet gevalideerd
                                        test ter detectie van de huidige aanwezigheid van:-
                                        onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)- onvoldoende
                                        kleurenzicht- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom-
                                        onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:- huidige
                                        problemen met gehoorvermogen tijdens werkInzet gevalideerde
                                        test ter detectie van de huidige aanwezigheid van:-
                                        onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen:</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:-
                                        overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening-
                                        overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                        luchtweg/longenInzet gevalideerde test ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van:- mogelijke huidaandoening op
                                        armen/handen (eczeem/atopie)- mogelijke longaandoening
                                        (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7.Risico op (verspreiding van) infectieziekten:</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:- huidige
                                        aanwezigheid infectieziekten die een gevaar voor anderen
                                        kunnen opleveren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8.Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:- problemen
                                        met tillen- huidige nek-, rug- en schouderklachten-
                                        problemen met krachtleverantie met geheven armenInzet
                                        gevalideerde fysieke, functionele til/draag test(tijdens
                                        brandbestrijdingstest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:- huidige
                                        duizeligheidsklachtenInzet gevalideerde fysieke, functionele
                                        kniel/hurk test(tijdens brandbestrijdingstest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:- huidige
                                        duizeligheidsklachtenInzet gevalideerde fysieke, functionele
                                        klim/klauter test(tijdens brandbestrijdingstest en
                                        brandweertraplooptest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug 1-11 met als doel
                                        signalering voor begeleiding</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:- huidige
                                        rugklachtenSignaalvraag (mondeling):Is sinds de vorige
                                        keuring een nieuwe ziekte of gezondheidsklachten opgelopen
                                        die van invloed (kunnen) zijn op de uitvoering van uw werk?
                                        Signaalvraag (schriftelijk) naar:1) Aanwezigheid chronische
                                        ziekten (stofwisseling, psychisch, bewegingsapparaat, hart-
                                        en vaataandoeningen, urinewegen/geslachtsorganen,
                                        spijsverteringsorganen, tumoren, luchtwegen,
                                        huidaandoeningen)2) Ingeschat eigen werkvermogen nu3)
                                        Ingeschat eigen huidige inzetbaarheid gegeven de fysieke en
                                        psychologische taakeisen4) doorgemaakte expositie aan
                                        agressie in afgelopen periode5) doorgemaakte expositie aan
                                        hard geluid in afgelopen periode met acute oorsuizingen of
                                        tijdelijke gehoorsvermindering als gevolg6) doorgemaakte
                                        expositie aan stof, rook, gas of dampen in afgelopen
                                        periodeInzet testen ter monitoring indien aanleiding bestaat
                                        om achteruitgang in longfunctie of gehoor aan te kunnen
                                        tonen:- longfunctiebepaling met behulp van spirometrie-
                                        audiogram afname</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>briefnummer: CvA/U200800195 en U 20102606 en U201300250</al></bijlage></regeling></body></cvdr>