<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR406640_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerhugowaard 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Publicatie via www.officielebekendmakingen.nl d.d. 20-7-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerhugowaard 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147 lid 1 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8 lid 1, aanhef en onder a en e Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8b Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 35 IOAW</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 35 IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-11-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2016053</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerhugowaard
                2016 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr.RB2016053</al><al/><al>de Raad van de gemeente Heerhugowaard;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17 mei 2016;</al><al>gelet op het advies van de commissie Maatschappelijke ontwikkeling d.d.16
                        juni 2016;</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, artikel 8 eerste lid, aanhef
                        onderdeel a en e en artikel 8b van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet
                        Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en artikel 35 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al/><al>b e s l u i t</al><al/><al>vast te stellen de hierna volgende </al><al/><al><vet>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente
                            Heerhugowaard 2016 </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Heerhugowaard;</al></li><li nr="b."><al>IOAW Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze </al><al> werknemers;</al></li><li nr="c."><al>IOAZ Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte </al><al> gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="d."><al>Norm toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel c van de </al><al> Participatiewet, de toegekende bijzondere bijstand voor
                                        levensonderhoud </al><al> overeenkomstig artikel 12 en 13, derde lid van de
                                        Participatiewet of de </al><al> grondslag van de voorziening als bedoeld in artikel 5 van
                                        de IOAW/IOAZ, voor </al><al> zover er sprake is van een voorziening op grond van de
                                        IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>uitkering uitkering voor levensonderhoud ingevolge de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="f."><al>voorziening uitkering ingevolge de IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>afstemmen het verlagen van de norm op grond van artikel 9a,
                                        twaalfde lid, artikel 18 van </al><al> de Participatiewet, artikel 20 of artikel 38, twaalfde lid
                                        van de IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Mate van verlaging</titel></kop><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                            omstandigheden waarin hij verkeert. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18, tweede, vijfde,
                            zesde, zevende en achtste lid van de Participatiewet of van de
                            voorziening als bedoeld in artikel 20 en 38, twaalfde lid van de
                            IOAW/IOAZ wordt in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de norm wordt verlaagd en;</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaard
                                    verlaging. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het horen van de belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat de norm wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege gelaten worden
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende schriftelijk aangeeft hiervan geen gebruik
                                        te willen maken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het verlagen van de norm</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van het verlagen van
                                de norm indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het verlagen van de norm op grond van
                                dringende redenen wordt de belanghebbende daarvan middels een
                                besluit op de hoogte gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                toepassen van de verlaging aan de belanghebbende is bekend gemaakt.
                                Indien over deze periode de norm reeds is verlaagd of er geen recht
                                op de uitkering of voorziening bestaat wegens inkomsten boven de
                                norm in die maand, vindt de verlaging aansluitend op deze periode
                                plaats. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende norm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan bij een nieuwe aanvraag de norm
                                worden verlaagd vanaf de datum van ingang van de uitkering of
                                voorziening. De norm hoeft dan niet te worden herzien.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een verlaging niet of niet geheel (meer) ten uitvoer kan worden
                                gelegd als gevolg van de beëindiging van de uitkering of
                                voorziening, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog
                                niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen 90
                                dagen opnieuw eenzelfde uitkering of voorziening aanvraagt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>Een verlaging wordt berekend over de norm.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende, waardoor de verplichting op grond
                            van artikel 9, artikel 9a en artikel 17, tweede lid van de
                            Participatiewet niet (tijdig) of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet (tijdig) als werkzoekende geregistreerd zijn of
                                            het niet tijdig verlengen van de registratie bij het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV);</al></li><li nr="b."><al>het binnen de zoektijd van 4 weken toch aanvragen van
                                            een uitkering, terwijl geen sprake is van de
                                            uitzondering als vermeld in artikel 41, zesde en achtste
                                            lid van de Participatiewet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met
                                            arbeidsinschakeling op een aangegeven tijd, datum en
                                            plaats te verschijnen;</al></li><li nr="b."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b van de Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>het te laat komen op de werkplek voor het verrichten van
                                            naar vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                                            nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid onderdeel c van de Participatiewet.</al></li><li nr="d."><al>het niet (tijdig) voldoen aan een oproep om in verband
                                            met een taaltoets, als bedoeld in artikel 18b, tweede
                                            lid van de Participatiewet op een aangegeven tijd, datum
                                            en plaats te verschijnen;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren of
                                            evalueren van een plan van aanpak, genoemd in artikel
                                            44a van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>het onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling,
                                            waaronder sociale activering, als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onderdeel b van de Participatiewet; </al></li><li nr="c."><al>het niet tijdig of onvoldoende meewerken aan een
                                            onderzoek naar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                            werkzaamheden naar vermogen als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het tijdens de zoektijd van 4 weken als bedoeld in
                                            artikel 41, vierde lid van de Participatiewet niet naar
                                            vermogen solliciteren en/of zoeken naar mogelijkheden
                                            binnen het ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor
                                            zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld
                                            in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor de algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van artikel 13,
                            tweede lid, artikel 37 en artikel 38 van de IOAW/IOAZ niet (tijdig) of
                            onvoldoende wordt nagekomen of er sprake is van het betonen van een
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                            het bestaan, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al>1.Eerste categorie:</al><al>het niet (tijdig) als werkzoekende geregistreerd zijn of het niet tijdig
                            verlengen van de registratie bij het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen (UWV).</al><lijst><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al></li><li nr="a."><al>het te laat komen op de werkplek voor het verrichten van naar
                                    vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                    werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel
                                    e van de IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot
                                    het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een
                                    alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 38, vijfde lid,
                                    onderdeel d van IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>het te laat komen op een afspraak al dan niet bij een derde met
                                    als doel een oproep in verband met de arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al></li><li nr="a."><al>het niet verschijnen op een afspraak op een bepaalde plaats en
                                    tijd te verschijnen in verband met de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>het niet (tijdig) of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                    onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als
                                    bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid
                                    onderdeel e van de IOAW/IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot
                                    het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                    voorziening;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel
                                    37, eerste lid, onderdeel f van de IOAW/IOAZ.</al></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al></li><li nr="a."><al>het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a of b
                                    van de IOAW of artikel 20, tweede lid, onderdeel a of b van de
                                    IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2 van deze verordening wordt de verlaging, bij
                                gedragingen zoals bedoeld in de artikel 8 en 9, vastgesteld op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>10% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste
                                categorie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>20% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede
                                categorie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>50% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de derde
                                categorie;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>100 % van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de vierde
                                categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de afstemming als bedoeld in het eerste lid
                                onderdeel a tot en met c van dit artikel wordt verdubbeld, indien de
                                belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een
                                besluit waarbij de uitkering of voorziening is afgestemd, opnieuw
                                schuldig maakt aan het niet, niet tijdig of onvolledig nakomen van
                                een verplichting van dezelfde of een hogere categorie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste lid onderdeel d,
                                wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering of voorziening is
                                afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van
                                dezelfde categorie. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Duur van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                                    vierde lid van de Participatiewet niet (tijdig) of onvoldoende
                                    nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de norm gedurende:</al></li><li nr="a."><al>één maand bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                                    onderdeel b, f en g vande Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>twee maanden bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel a, c, d, e en h van de Participatiewet.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste lid,
                                    onderdeel a van dit artikel wordt verdubbeld indien
                                    belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarbij de uitkering is afgestemd, opnieuw schuldig
                                    maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging. </al></li><li nr="3."><al>De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste lid,
                                    onderdeel b van dit artikel bedraagt drie maanden indien
                                    belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarbij de uitkering is afgestemd, opnieuw schuldig
                                    maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan, zoals bedoeld in artikel 18,
                                tweede lid van de Participatiewet, wordt toegepast in andere dan de
                                in artikel 8 van deze verordening vermelde situaties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2 van deze verordening wordt de verlaging voor
                                de navolgende situaties vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>het percentage en de duur, waarmee een uitkering krachtens
                                        een werknemersverzekering of sociale voorziening, of een
                                        daarmee naar aard en doel overeenkomende buitenlandse
                                        regeling of private verzekering wegens een verwijtbare
                                        gedraging is verlaagd; </al></li><li nr="b."><al>20% van de norm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat
                                        te snel op het vermogen is ingeteerd indien de
                                        belanghebbende op onverantwoorde wijze de middelen, waarover
                                        hij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, heeft
                                        aangewend behoudens het gestelde onder c en d van dit
                                        artikel;</al></li><li nr="c."><al>20% van de norm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat
                                        belanghebbende aanspraak moet maken op een uitkering vanwege
                                        het verwijtbaar afzien van een erfenis, waarmee hij, bij
                                        aanvaarding daarvan, zelf in de noodzakelijke kosten van het
                                        bestaan had kunnen voorzien;</al></li><li nr="d."><al>20% van de norm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat
                                        belanghebbende (volledig) aanspraak moet maken op een
                                        uitkering vanwege het verwijtbaar afzien van het hem
                                        toekomende deel van de boedel in het kader van een
                                        echtscheiding, waarmee hij (deels) zelf in de noodzakelijke
                                        bestaanskosten had kunnen voorzien;</al></li><li nr="e."><al>50% van de norm gedurende de periode dat belanghebbende
                                        verwijtbaar geen recht heeft op een inkomen uit door Rijks’
                                        kas bekostigd onderwijs; </al></li><li nr="f."><al>100% van de norm gedurende één maand, indien belanghebbende
                                        door de gedraging verwijtbaar geen recht heeft op een
                                        uitkering krachtens een werknemersverzekering, een sociale
                                        voorziening, of een daarmee naar aard en doel overeenkomend
                                        buitenlandse regeling of private verzekering; </al></li><li nr="g."><al>100% van de norm gedurende ten hoogste drie maanden, indien
                                        de belanghebbende door een (boetewaardige) gedraging
                                        verwijtbaar geen of geen volledige uitbetaling krijgt van
                                        een uitkering krachtens een werknemersverzekering,
                                        volksverzekering of sociale voorziening, waardoor hij
                                        aanspraak heeft moeten maken op een bijstandsuitkering;</al></li><li nr="h."><al>100% van de norm gedurende ten hoogste drie maanden, indien
                                        de belanghebbende anderszins blijk geeft van tekortschietend
                                        besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het percentage van de afstemming als bedoeld in voorgaand lid,
                                onderdeel a tot en met e, wordt verdubbeld indien belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                de bijstand is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging van dezelfde categorie. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de afstemming als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f
                                tot en met h van dit artikel, wordt verdubbeld indien belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                de bijstand is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging van dezelfde categorie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt door verbaal
                                geweld, of discriminatie tegenover het college of zijn ambtenaren,
                                die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld
                                in artikel 9, zesde lid van die wet of de IOAW/IOAZ als bedoeld in
                                artikel 37, eerste lid, onderdeel g, wordt, onverminderd artikel 2
                                van deze verordening, de uitkering of voorziening verlaagd met 50%
                                van de norm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt door
                                intimidatie (uitoefenen van psychische druk), zaakgericht fysiek
                                geweld (vernielingen), mensgericht fysiek geweld of een combinatie
                                van agressievormen tegenover het college of zijn ambtenaren, die
                                zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in
                                artikel 9, zesde lid van die wet of de uitvoering van de IOAW/IOAZ
                                als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel g, wordt,
                                onverminderd artikel 2 van deze verordening, de uitkering of
                                voorziening verlaagd met 100% van de norm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste en tweede lid
                                van dit artikel, wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de bijstand
                                is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                van dezelfde categorie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich na een afstemming, zoals bedoeld in
                                voorgaand lid, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                van dezelfde categorie, dan zullen de hoogte en de duur van de
                                afstemming door het college individueel worden bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>1.Indien een belanghebbende één of meerdere door het college opgelegde
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet
                            (tijdig) of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast.</al><al>2.Onverminderd artikel 2 van deze verordening wordt de verlaging voor de
                            duur van een maand vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>10% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan
                                    betaling in natura van een deel van de bijstand in situaties
                                    zoals bedoeld in artikel 57 sub b van de Participatiewet; </al></li><li nr="b."><al>20% van de norm bij het niet verschijnen op een
                                    voorlichtingsbijeenkomst in het kader van een aanvraag van een
                                    uitkering;</al></li><li nr="c."><al>20% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan het in
                                    naam van de belanghebbende doen van door het college
                                    noodzakelijk geachte doorbetalingen aan derden/instanties uit de
                                    toegekende bijstand in situaties zoals bedoeld in artikel 57 sub
                                    a van de Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>20% van de norm bij het niet voldoen aan de verplichtingen die
                                    zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan
                                    de bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen
                                    (artikel 48, derde lid van de Participatiewet);</al></li><li nr="e."><al>20% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan de
                                    verplichting tot het verkrijgen van de maximaal haalbare
                                    partner- en/of kinderalimentatie; </al></li><li nr="f."><al>20% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan het
                                    aangaan dan wel het tot stand komen van een (wettelijk)
                                    schuldhulpverleningstraject;</al></li><li nr="g."><al>50% van de norm bij het niet of in onvoldoende mate voldoen aan
                                    de in het </al><al> kader van een (wettelijk) schuldhulpverleningstraject opgelegde
                                    verplichtingen; </al></li><li nr="h."><al>50% van de norm bij het anderszins niet of niet onvolledig
                                    nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 55 van de
                                    Participatiewet.</al></li><li nr="4."><al>Het percentage of de duur van de afstemming als bedoeld in
                                    voorgaand lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich
                                    binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de
                                    bijstand is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan het niet, niet
                                    (tijdig) of onvolledig nakomen van een verplichting van dezelfde
                                    of een hogere categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen, die het niet, niet volledig of te laat
                                nakomen van een verplichting verbonden aan de uitkering of
                                voorziening tot gevolg heeft, wordt voor het bepalen van de hoogte
                                en duur van de afstemming uitgegaan van de gedraging waarop de
                                zwaarste mate van verlaging is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan het college bij
                                een cumulatie van verschillende gedragingen, of een herhaling
                                daarvan, met inachtneming van het gestelde in deze verordening de
                                uitkering of voorziening afwijkend verlagen op grond van deze
                                verordening. Deze afwijkende verlaging vindt niet plaats indien dit
                                gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en
                                de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de voorziening op grond van artikel 20, eerste lid van
                            de IOAW of artikel 20, tweede lid van de IOAZ blijvend of tijdelijk
                            weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op
                            grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft
                            een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik van de uitkering of
                                voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van
                                de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ, waaronder de bestrijding van
                                misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wetten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt iedere vier jaar een handhavingsbeleidskader
                                vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden
                                aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving iedere
                                vier jaar een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van
                                het gestelde in het handhavingsbeleidskader.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van
                                preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik
                                en niet-gebruik van de Participatiewet, IOAW en IOAZ alsmede welke
                                handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop
                                deze worden toegepast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college rapporteert eenmaal per jaar aan de gemeenteraad over de
                                uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van
                                handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en –prioriteiten,
                                zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Aangifte Openbaar Ministerie</titel></kop><al>Leidt het niet nakomen van de inlichtingenverplichting, zoals bedoeld in
                            artikel 17, eerste lid van de Participatiewet respectievelijk artikel
                            13, eerste lid van de IOAW/IOAZ tot een benadelingsbedrag dat hoger is
                            dan de aangiftegrens, dan is het college verplicht proces verbaal op te
                            maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na
                                bekendmaking</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 wordt
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als de Afstemmingsverordening
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerhugowaard 2016.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Heerhugowaard, 28 juni 2016</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al><vet>Rechten en plichten in de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ</vet></al><al>De gemeenteraad heeft ingevolge de Participatiewet, de Wet Inkomensvoorziening
                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers(IOAW) en de Wet
                    Inkomensvoorziening ouder en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen (IOAZ) een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling
                    van de rechten en plichten van de uitkeringsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een uitkeringsgerechtigde is de raad wettelijk verplicht
                    nadere regels te stellen over de bevoegdheid tot het opleggen van een afstemming
                    (het verlagen van de norm bij niet-nakoming plichten).</al><al>Gemeenten hebben daarmee de ruimte om een nadere afweging te maken welke
                    gedragingen leiden tot welke mate van afstemming.</al><al>Uitzonderingen hierop vormen de in de Participatiewet bepaalde gedragingen,
                    waarbij de gemeenten of alleen een beperkte vrijheid hebben in het bepalen van
                    de duur van de afstemming (de geüniformeerde verplichtingen uit artikel 18,
                    vierde lid van de Participatiewet) of gedragingen waar in zijn geheel geen
                    discretionaire bevoegdheid mogelijk is (de taaleis uit artikel 18b van de
                    Participatiewet). De onder laatstgenoemd artikel vallende gedraging komt dan ook
                    niet verder voor in deze verordening.</al><al>Het overige is tot uiting gebracht in deze verordening, waarbij
                    proportionaliteit voorop staat.</al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Artikel 18, eerste lid
                    van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    belanghebbenden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele
                    situatie en de persoonlijke omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. </al><al>Artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18, tweede lid van de Participatiewet,
                    artikel 20, tweede lid en artikel 38, twaalfde lid van de IOAW alsmede artikel
                    20, eerste lid en artikel 38, twaalfde lid van de IOAZ leggen een directe
                    koppeling tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het
                    recht op een uitkering of voorziening is altijd verbonden aan de plicht zich in
                    te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering of voorziening. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering of voorziening niet
                    alleen afhangt van de toepasselijke norm en de beschikbare middelen van de
                    belanghebbende, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. </al><al/><al><vet>Afstemming uitkering of voorziening</vet></al><al>Afstemming van de uitkering of voorziening vindt plaats indien belanghebbende
                    zijn <onderstreept>medewerkings</onderstreept>verplichting, zoals bepaald in
                    artikel 9, artikel 9a, artikel 17, tweede tot en met vierde lid of
                    voortvloeiende uit artikel 55 van de Participatiewet dan wel zoals bepaald in
                    artikel 13, tweede lid, artikel 37 of artikel 38 van de IOAW/IOAZ niet, niet
                    volledig of te laat nakomt.</al><al>Ook gedragingen voortvloeiend uit ongenoegzaam besef voor de verantwoordelijk
                    van het bestaan leiden tot een afstemming van de norm bij een uitkering
                    ingevolge de Participatiewet.</al><al>Afstemming van de norm vindt eveneens plaats als belanghebbende zich zeer
                    ernstig misdraagt jegens het college of haar ambtenaren.</al><al>Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of als er sprake is van
                    zeer dringende redenen, ziet het college van afstemming af.</al><al/><al><vet>Actualisatie Afstemmingsverordening</vet></al><al>Per 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking. Deze wet is de
                    belangrijkste aanleiding om de Afstemmingsverordening WWB thans te herzien en te
                    actualiseren naar een Afstemmingsverordening Participatiewet.</al><al>Voorts is ervoor gekozen om de Afstemmingsverordening voor de IOAW en de IOAZ
                    hiervan onderdeel te laten zijn.</al><al>Voor laatstgenoemde voorzieningen heeft hierbij een actualisatie plaatsgevonden
                    op grond van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving,
                    welke per 1 januari 2013 in werking is getreden en heeft daarnaast aansluiting
                    plaatsgevonden bij de uitgangspunten van de Participatiewet op het gebied van
                    handhaving om te komen tot consistente en coherente lokale regelgeving.</al><al>Het Ministerie van SZW is de mening toegedaan dat er (nog) strenger gehandhaafd
                    dient te worden door gemeenten. Strafverhoging en uitbreiding van sancties
                    (afstemmingen) zijn daartoe middelen. In de Afstemmingsverordening is deze
                    zienswijze verwerkt. </al><al>Het college deelt deze zienswijze van het Ministerie en acht het van groot
                    belang dat collectieve voorzieningen alleen terecht komen bij die burgers die
                    hieraan de meeste behoefte hebben.</al><al>De belanghebbende dient er zelf alles aan te doen om zo spoedig mogelijk en
                    zoveel mogelijk of helemaal weer in de eigen kosten van levensonderhoud te gaan
                    voorzien. Het nakomen van aan de uitkering of voorziening verbonden
                    verplichtingen is hiervoor van essentieel belang. En niet nakoming dient in dat
                    geval van een passende afstemming te worden voorzien.</al><al>De afstemming wordt dan ook zwaarder en voor een langere periode naarmate de
                    gedragingen ernstiger en meer van invloed is op het onnodig (lang) ontvangen van
                    een uitkering of voorziening. Naast de nadelige financiële gevolgen voor de
                    gemeente speelt daarbij een nog grotere rol dat het onnodig lang of teveel
                    ontvangen van een uitkering of voorziening meer nadelige gevolgen voor de
                    belanghebbende zelf oplevert. Hierbij valt te denken aan onder meer het nog
                    groter worden van de afstand tot de arbeidsmarkt, het verder bemoeilijken van
                    het traject naar sociale activering of het onnodig lang op het bestaansminimum
                    verkeren waardoor de kans dat er schulden ontstaan groter wordt.</al><al/><al><vet>Verordeningsplicht inzake handhaving </vet></al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 8b van de Participatiewet en artikel 35,
                    eerste lid onder c van de IOAW/IOAZ dient de gemeenteraad bij verordening en met
                    inachtneming van het bepaalde bij of krachtens die wet in ieder geval regels te
                    stellen voor de bestrijding van misbruik van het ten onrechte ontvangen van een
                    uitkering of voorziening alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
                    Oftewel de plicht van de gemeenteraad om regelgeving op te stellen omtrent
                    handhaving van de bepalingen in de wet. Hoofdstuk 6 voorziet hierin. </al><al/><al><vet>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive </vet></al><al>De Afstemmingsverordening heeft betrekking op schending van de
                        <onderstreept>meewerkings</onderstreept>plicht. De schending van de
                        <onderstreept>inlichtingen</onderstreept>plicht leidt tot oplegging van een
                    boete.</al><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening ook nadere
                    regels op te stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten
                    werking te stellen bij verrekening van een recidiveboete. Gemeenten krijgen
                    daarmee de ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin
                    het buiten werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt
                    geacht. Het is mogelijk deze regels onder te brengen in de
                    afstemmingsverordening. De gemeenteraad heeft er echter voor gekozen deze regels
                    niet in deze verordening op te nemen. De regels over de bevoegdheid de
                    beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de
                    recidiveboete zijn neergelegd in de Verordening Verrekening bestuurlijke boete
                    bij recidive.</al><al>Onderstaand volgt de artikelsgewijze uitleg.</al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de
                        Participatiewet, IOAW, IOAZ, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te
                        definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van
                        betreffende definities in de betreffende wetten ook de verordening moet
                        worden gewijzigd.</al><al>In het tweede lid worden toch een aantal begrippen nader omschreven vanwege
                        het gebruik van afkortingen of om helder te maken waar deze begrippen voor
                        staan in deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Mate van verlaging</titel></kop><al>In de Afstemmingsverordening zijn voor verschillende gedragingen die
                        niet-nakoming van een verplichting tot gevolg hebben, standaardafstemmingen
                        vastgesteld in de vorm van een vaste percentuele verlaging van de norm.</al><al>In dit artikel is de hoofdregel neergelegd. Deze bepaling brengt met zich
                        mee dat bij elke op te leggen afstemming moet worden nagaan of gelet op de
                        individuele omstandigheden van de belanghebbende afwijking van de hoogte en
                        de duur van de voorgeschreven standaard afstemming geboden is. Afwijking van
                        de standaard mate van afstemming kan zowel een verzwaring als een matiging
                        betekenen. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee denorm wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                        verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.</al><al>Matiging van de verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in devolgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende of
                                diens gezin, zoals bijvoorbeeld hoge eigen bijdrage ziektekosten
                                vanwege een chronische ziekte of hoge noodzakelijke uitgaven van
                                bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                                is;</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden, waarbij de ten uitvoer legging van de
                                afstemming onevenredig bezwarende gevolgen heeft of niet gewenste
                                neveneffecten;</al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van verlaging van de norm: de zwaarte van het
                                geheel van verlagingen is niet evenredig aan de ernst van de
                                gedraging en de mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst><al>Het hebben van schulden is echter geen reden om tot matiging over te
                        gaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>Het afstemmen van een uitkering of voorziening op grond van de
                        Participatiewet dan wel deze verordening vindt plaats door middel van een
                        besluit. Tegen dit besluit staan de rechtsmiddelen uit de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb) open.</al><al>In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                        vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan met name
                        uit het vereiste om het besluit van een deugdelijke motivering is
                        voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het horen van de belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van besluiten. In het
                        eerste lid wordt het horen van de belanghebbende voordat de uitkering of de
                        voorziening wordt afgestemd in beginsel voorgeschreven.</al><al>Het tweede lid bevat een tweetal uitzonderingen op deze hoor plicht. </al><al>Onder sub b wordt verstaan dat het college al beschikt over de zienswijze
                        van belanghebbende en dat die nog betrekking heeft op dezelfde
                        omstandigheden/situatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het verlagen van de norm</titel></kop><al>Het eerste lid onder a is overgenomen uit artikel 18, negende lid van de
                        Participatiewet en artikel 20, derde lid van de IOAW/IOAZ. Aangenomen moet
                        worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van
                        verwijtbaarheid (zie uitspraak Centrale Raad van Beroep (CRvB) 24-07-2001,
                        nr. 99/1857 NABW, LJN AD4887). Het is aan het college te beoordelen of elke
                        vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de
                        afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van het toepassen van
                        een afstemming, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                        gedraging mee te tellen.</al><al>Is overigens vanwege een afstemming op grond van artikel 18, eerste lid van
                        de Participatiewet (de IOAW en IOAZ hebben geen gelijkluidend artikel) van
                        een verlaging van de norm afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de
                        betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een afstemming is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de effectiviteit
                        (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging
                        heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel 5, eerste
                        lid onder b van deze verordening dat het college geen verlagingen oplegt
                        voor gedragingen die inmiddels langer dan één jaar geleden hebben
                        plaatsgevonden. </al><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afzien van het opleggen van een
                        afstemming als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Onder dringende
                        redenen moet worden verstaan de situatie dat het verlagen van de norm voor
                        de belanghebbende of diens gezin onaanvaardbare consequenties zal hebben van
                        niet-financiële aard. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel
                        bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                        het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                        afhankelijk van de concrete, individuele situatie en kan dus niet op
                        voorhand worden vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><al>In het eerste lid is bepaald dat het opleggen van een afstemming plaatsvindt
                        door middel van het verlagen van de norm in de eerstvolgende maand(en). </al><al>Dit houdt in dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag
                        van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het besluit
                        bekend is gemaakt, voor zover er niet reeds een afstemming loopt of voor
                        zover er geen sprake is van inkomsten uit andere bron boven de van
                        toepassing zijnde norm in die maand. Voor de berekening van de hoogte van de
                        verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende norm.</al><al>In het tweede lid staat een uitzondering op voorgaand lid omschreven. Bij
                        een nieuwe aanvraag kan de uitkering of voorziening worden verlaagd vanaf de
                        datum van ingang van de uitkering of voorziening. De uitkering of
                        voorziening hoeft dan niet te worden herzien.</al><al>In het derde lid is geregeld dat een verlaging niet los kan worden gezien
                        van het recht op de uitkering of voorziening. Het opleggen van een
                        afstemming is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op uitkering
                        of voorziening (meer) heeft (CRvB 07-08-2012, nr. 10/3435 WWB,
                        ECLI:NL:CRVB:2012:BX3978).</al><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als
                        gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering of voorziening, is
                        het ook mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet
                        is uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen 90 dagen na
                        beëindiging van de uitkering of voorziening opnieuw een uitkering of
                        voorziening op grond van die wet toegekend krijgt.</al><al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op de
                        uitkering of de voorziening niet bij voorbaat worden opgelegd. Het college
                        moet bij het opnieuw toekennen van het recht op de uitkering of voorziening
                        beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een verlaging toe te
                        passen.</al><al>Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat de mogelijkheid van
                        bezwaar tegen de maatregel open (CRvB 08-09-2009, nrs. 07/6337 WWB e.a.,
                        ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7732 en CRvB 07-12-2010, nr. 09/1094 WWB,
                        ECLI:NL:CRVB:2010:BO6721).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                        berekend over de norm, waarbij de begripsbepaling zoals omschreven in
                        artikel 1, tweede lid onder d wordt gehanteerd. </al><al>De afstemming kan dus ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien
                        aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van
                        artikel 12 en artikel 13, derde lid van de Participatiewet. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Niet nakomen van de
                                </vet><vet><onderstreept>niet</onderstreept></vet><vet>
                            geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de
                            arbeidsinschakeling</vet></al><al>De regering is van mening dat het niet nakomen van een aantal specifieke
                        (arbeids-) verplichtingen, alle voortvloeiend uit de algemene verplichtingen
                        van de artikelen 9, 17, 41 en 55 van de Participatiewet van dien aard zijn
                        dat daar direct krachtdadig en uniform optreden vanuit het college wenselijk
                        is. Hier past naar de mening van de regering geen discretionaire
                        bevoegdheid. Bij wet is bepaald dat het college, ingeval er sprake is van
                        een in de Participatiewet benoemde gedraging, de norm dient te worden
                        verlaagd.</al><al>Dit staat geregeld in het vierde lid van het nieuwe artikel 18 van de
                        Participatiewet. In alle gevallen gaat het om in de visie van de regering
                        zeer ernstige schending van de aan het recht op bijstand verbonden
                        verplichtingen.</al><al>Deze verplichtingen zijn daarom geharmoniseerd oftewel landelijk is de
                        afstemmingsverplichting en de hoogte van de afstemming gelijk. (Zie ook
                        hoofdstuk 3 van deze verordening.) </al><al>Ook is de (hoogte en de duur van de) afstemming ingeval van recidive bij wet
                        bepaald. </al><al>De gedragingen in voornoemd wetsartikel zijn niet limitatief opgesomd. Net
                        als onder de Wet werk en bijstand blijft daarmee de bevoegdheid bestaan om
                        nog andere gedragingen te benoemen en deze dan op te nemen in de
                        verordening. De gemeente heeft hierin weliswaar een discretionaire
                        bevoegdheid, maar is ook gehouden de wettelijke verplichting tot
                        aanscherping van het handhaving- en sanctiebeleid na te komen.</al><al>In dit hoofdstuk zijn dan ook, in aanvulling op de wet, overige gedragingen
                        met betrekking tot niet-nakoming van verplichtingen in relatie tot de
                        arbeidsinschakeling weergegeven net als bij de verordening onder de Wet werk
                        en bijstand.</al><al>Om onderscheid te maken tussen de in de verordening benoemde gedragingen en
                        de gedragingen uit artikel 18, vierde lid van de Participatiewet (zijnde de
                        zogeheten “geüniformeerde verplichtingen”), worden de in de verordening
                        benoemde gedragingen de gedragingen genoemd als gevolg van “niet nakomen van
                        de <onderstreept>niet</onderstreept> g<onderstreept>eüniformeerde
                        </onderstreept>verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling”. </al><al>De IOAW en IOAZ kennen geen geüniformeerde verplichtingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>De verwijtbare gedragingen in dit artikel omvatten het niet, niet tijdig
                        alsmede het onvoldoende nakomen van diverse niet-geüniformeerde
                        verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling. </al><al>Artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand zoals dat luidde vóór 1
                        januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een belanghebbende
                        de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige artikel 18,
                        tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen
                        van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" is weggevallen.</al><al>Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging
                        heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet, niet tijdig of
                        onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te
                        voorkomen is daarom in artikel 8 neergelegd dat sprake is van een
                        verwijtbare gedraging bij het niet, niet tijdig of onvoldoende nakomen van
                        deze verplichtingen.</al><al>Om deze reden is het derde lid onderdeel b, c en d van dit artikel
                        opgenomen, omdat in artikel 18, vierde lid, onderdeel h van de
                        Participatiewet alleen staat dat de afstemming plaatsvindt ingeval men niet
                        meewerkt, de werkzaamheden niet verricht of niet gebruik maakt van. De
                        situatie doet zich ook voor dat men niet tijdig of onvoldoende meewerkt,
                        gebruik maakt van etc. Deze gedragingen doen eveneens afbreuk aan de
                        opgelegde verplichtingen. Naar de geest van de wet, zoals hiervoor gesteld,
                        is een afstemming dan ook aan de orde. Echter qua ernst is deze gedraging
                        van een lagere rangorde en zijn deze gedragingen dan ook onder de derde
                        categorie geschaard.</al><al>De artikelen 8 en 10 van de verordening moeten in onderlinge samenhang
                        worden gelezen. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8
                        zijn ondergebracht in vier categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel
                        10 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De
                        categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte.</al><al>Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete
                        gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. De
                        rangschikking van de gedragingen onder de verschillende categorieën in dit
                        artikel zijn getoetst aan proportionaliteit en coherentie met het bepaalde
                        in artikel 18 van de Participatiewet.</al><al>Er is geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 8
                        van de verordening als de gedraging voortvloeit uit een gedraging zoals
                        bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet. </al><al>NB</al><al>De plicht tot medewerking aan arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding
                        (zie artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet).</al><al>Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld
                        op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43,
                        vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen enkele inspanning
                        verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van
                        de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen
                        verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan verlaagt
                        het college de uitkering. </al><al><onderstreept>Wet taaleis</onderstreept></al><al>Met de invoering van de Wet taaleis is er een leemte ontstaan in de
                        afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ. In de
                        afstemmingsverordening moet nog worden geregeld dat mensen die niet komen
                        opdagen bij de taaltoets, een maatregel moeten krijgen. Zolang dit niet
                        geregeld is, kunnen klanten geen maatregel krijgen als ze niet komen
                        opdagen.</al><al>Het niet voldoen aan een oproep om in verband met een taaltoets te
                        verschijnen, moet apart worden geregeld in de afstemmingsverordening. </al><al>Gekozen is voor een sanctionering die vergelijkbaar is aan de (in de wet
                        vastgelegde) sanctie die wordt opgelegd als betrokkene niet voldoet aan de
                        inspanningsverplichting om de Nederlandse taal te verbeteren. De
                        sanctionering is bovendien gelijk aan het niet voldoen aan een oproep om
                        niet te verschijnen en vergelijkbare gedraging in verband met de
                        arbeidsinschakeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>De artikelen 9 en 10 van de verordening moeten in onderlinge samenhang
                        worden gelezen. In artikel 9 worden schendingen van verplichtingen die
                        voortvloeien uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen,
                        die zijn genoemd in artikel 9, zijn ondergebracht in categorieën.</al><al>Aan die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht toegekend in de vorm van
                        een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende
                        zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer
                        concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van
                        betaalde arbeid.</al><al>De rangschikking van de gedragingen in het onderhavige artikel is
                        geharmoniseerd aan de rangschikking van de gedragingen uit voorgaand artikel
                        alsmede het bepaalde in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet met
                        als oogmerk het voeren van een consistent en coherent (handhavings-)beleid.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van een verlaging</titel></kop><al>In dit artikel wordt gewicht aan de categorie, waaronder de gedraging valt,
                        toegekend in de vorm van een verlagingspercentage alsmede de duur van de
                        afstemming. Dit artikel heeft betrekking op de gedragingen zoals benoemd in
                        de artikelen 8 en 9 van deze verordening.</al><al>De hoogte van de percentages en de duur van de afstemming bij de
                        verschillende categorieën gedragingen in dit artikel zijn getoetst aan
                        proportionaliteit en coherentie met het bepaalde in artikel 18 van de
                        Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Duur van een verlaging</titel></kop><al>Artikel 18 van de Participatiewet is dwingendrechtelijk bepaald. De enige
                        uitzondering hierop is het bepalen van de duur van de afstemming. Deze
                        discretionaire bevoegdheid is echter wel beperkt, want er is een
                        verordeningsplicht met betrekking tot het vastleggen van de duur van de
                        afstemming en de duur dient te vallen binnen de bandbreedte zoals bepaald in
                        artikel 18, vijfde en zesde lid van de Participatiewet.</al><al>Bij het bepalen van de duur van de verlaging is in dit artikel de ernst van
                        de gedraging leidend. Voor mindere ernstige schendingen van de
                        verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling (schending van de
                        in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f en g, van de Participatiewet
                        genoemde verplichtingen) bedraagt de duur één maand.</al><al>Voor de ernstige schendingen van de verplichtingen met betrekking tot de
                        arbeidsinschakeling (schending van de in artikel 18, vierde lid, onderdeel
                        a, c, d, e en h, van de Participatiewet) bedraagt de duur twee maanden.</al><al>De in het eerste lid van dit artikel bepaalde duur van de afstemming is
                        proportioneel aan de duur van de afstemming bij recidive, zoals bepaald in
                        het tweede en derde lid van dit artikel. De bandbreedte en de maximale duur
                        van de afstemming zoals bepaald in de Participatiewet, zijn hierin tot
                        uiting gebracht.</al><al>Daarbij is meegewogen dat de ernst van de gedraging ook gerelateerd is aan
                        het feit of het een eerste constatering betreft of dat er sprake is van
                        recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Dit artikel heeft alleen betrekking op de Participatiewet, want de IOAW en
                        de IOAZ kennen deze wettelijke grondslag niet.</al><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder in
                        eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas
                        wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op een uitkering.
                        Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een
                        beroep op een uitkering te voorkomen.</al><al>Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een
                        hoger bedrag is aangewezen op een uitkering, dan is veelal sprake van een
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                        bestaan. </al><al>Voorbeelden van dergelijke gedragingen zijn (als die er toe leiden dat
                        belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                        bijstand): </al><al>• het te snel interen van vermogen; </al><al>• het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening. </al><al>In het tweede lid zijn de gedragingen, waarbij sprake is van tekortschietend
                        besef voor de verantwoordelijkheid van het bestaan, welke leiden tot een
                        afstemming, benoemd. Tevens is in dit artikel per gedraging het
                        verlagingspercentage en de duur van de afstemming benoemd. </al><al>In het derde en vierde lid is geregeld wanneer er onder welke omstandigheden
                        sprake is van recidive en welke verlaging er dan wordt opgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden
                        verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een
                        persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld
                        schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon.
                        Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals
                        het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige
                        misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende
                        impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals
                        het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen
                        van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte
                        zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen (Kamerstukken II
                        2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 24). Ook verbaal geweld valt onder de noemer
                        'zeer ernstige misdraging' (Centrale Raad van Beroep (CRvB) 19-08-2008, nrs.
                        07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919).</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met
                        de uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties
                        (college, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun
                        werkzaamheden (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 55). Met de
                        zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat
                        de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                        Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                        komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing (Kamerstukken II 2013/14,
                        33 801, nr. 3, blz. 25-26).</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van
                        zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in
                        artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet en artikel 37, eerste lid
                        onderdeel g van de IOAW/IOAZ. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Vóór
                        1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                        belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest toen
                        sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het
                        niet nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de
                        toenmalige WWB, IOAW of IOAZ (CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB,
                        ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660). Deze samenhang is in de Participatiewet
                        losgelaten en voor de IOAW/IOAZ is dit aangepast in de Nota van Wijziging,
                        Verzamelwet SZW 2015.</al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Bij het verlagen van de norm in de situatie dat een belanghebbende zich
                        ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de
                        gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van
                        de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                        volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                        ernstiger) worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van deze agressievormen.</al></li></lijst><al>In lid 1 en lid 2 van dit artikel wordt onderscheid gemaakt tussen de ernst
                        van de gedraging; hetgeen leidt tot differentiatie in de hoogte van de
                        afstemming. Daarbij is rekening gehouden met het psychische of fysieke
                        effect dat het gedrag zal hebben op leden van het college of
                        ambtenaren.</al><al>Gedragingen uit de categorieën a en b kunnen leiden tot het verlagen van de
                        norm met 50% gedurende één maand. Met een verlaging van 100% gedurende één
                        maand in verband met gedragingen uit de categorieën c, d, e of f wordt de
                        ernst en het effect van die gedraging tot uiting gebracht.</al><al>Dit komt ook tot uitdrukking in het geval er sprake is van recidive (lid 3
                        en lid 4).</al><al>Voor het bepalen van de verwijtbaarheid van de gedraging zal ook gekeken
                        moeten worden naar de omstandigheden waaronder de gedraging heeft
                        plaatsgehad. In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                        instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake
                        als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te
                        bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering).</al><al>Agressie, ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en
                        dergelijke, kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk
                        zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel
                        groter is dan bij frustratiegeweld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel heeft alleen betrekking op de Participatiewet, want de IOAW en
                        de IOAZ kennen deze grondslag niet.</al><al>De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen
                        verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel
                        55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot
                        een viertal categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                                bepaalde vorm van uitkering (bijv. bijzondere bijstand);</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de uitkering;</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de uitkering.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                        vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55
                        van de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben,
                        kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is
                        afgestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het
                        college zal daarom altijd rekening moeten houden met de
                        individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de
                        Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te
                        stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                        belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in
                        dit artikel vastgestelde verlaging.</al><al>In het derde lid is geregeld wanneer er sprake is van recidive en wat
                        daarvan de gevolgen zijn voor belanghebbende.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen van een belanghebbende die (min of meer)
                        gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde
                        gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich
                        meebrengt. </al><al>Bij een cumulatie van verschillende gedragingen, of een herhaling daarvan,
                        kan het college met inachtneming van artikel 2 van deze verordening de
                        uitkering of voorziening op een andere, passende wijze afstemmen. Het
                        college heeft in deze situaties de mogelijkheid de uitkering of voorziening
                        in zwaardere mate af te stemmen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Het college is op grond van artikel 20, eerste lid van de IOAW en artikel
                        20, tweede lid van de IOAZ bevoegd de voorziening blijvend of tijdelijk te
                        weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen
                        verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het
                        college. De vraag of een verlaging van artikel 20, tweede lid van de IOAW of
                        artikel 20, eerste lid van de IOAZ moet worden toegepast, zal pas aan de
                        orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele
                        weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als
                        het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, is een
                        verlaging van de norm aan de orde. </al><al> Dit artikel is dan ook bedoeld om samenloop te voorkomen. Indien sprake is
                        van een situatie overeenkomstig het gestelde in artikel 20, tweede lid van
                        de IOAW of artikel 20, eerste lid van de IOAZ of artikel 38, twaalfde lid
                        van de IOAW/IOAZ dan dient het college deze verlaging toe te passen. Het
                        college heeft slechts een discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de
                        verlaging van de norm ten aanzien van in de verordening benoemde gedragingen
                        niet zijnde de in deze artikelen van de wet benoemde situaties.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Handhaving</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik van de uitkering of
                            voorziening</titel></kop><al>Op grond van het bepaalde in artikel 8b van de Participatiewet en artikel
                        35, eerste lid onder c van de IOAW/IOAZ dient de gemeenteraad bij
                        verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens die wet in
                        ieder geval regels te stellen voor de bestrijding van misbruik van het ten
                        onrechte ontvangen van een uitkering of voorziening alsmede van misbruik of
                        oneigenlijk gebruik van de wet. Oftewel de plicht van de gemeenteraad om
                        regelgeving op te stellen omtrent handhaving van de bepalingen in de
                        wet.</al><al>Handhaving is enerzijds gericht op bestrijding van oneigenlijk gebruik en
                        misbruik van uitkeringen en voorzieningen. Oneigenlijk gebruik en misbruik
                        ondermijnen het sociale draagvlak voor die collectieve voorzieningen en
                        werken kostenverhogend (hogere uitgaven voorziening en hogere uitgaven
                        uitvoering). Preventie staat dan ook voorop. Een goede op de situatie
                        toegesneden voorlichting en informatieverstrekking zijn daartoe de
                        belangrijkste instrumenten. Indien onverhoopt toch blijkt dat de
                        verstrekking van de voorziening niet terecht heeft plaatsgevonden dan dient
                        deze situatie te worden rechtgezet (repressie). Bestrijding betreft dus
                        zowel preventie als repressie, waarbij preventie prevaleert.</al><al>Handhaving is echter anderzijds ook gericht op het bestrijden van
                        niet-gebruik van uitkeringen of voorzieningen (positieve handhaving).</al><al>Het ervan bewust zijn dat door onbekendheid met regelgeving dan wel door
                        vermijdingsgedrag onvoldoende of geen gebruik gemaakt wordt van uitkeringen
                        of voorzieningen, waar in de betreffende situatie wel recht op bestaat.
                        Handhaving is bij het bestrijden van niet-gebruik gericht op het ontwikkelen
                        van instrumenten die de bekendheid met de regelgeving vergroten en de
                        aanvraag laagdrempelig maken. Daarbij zijn de integrale aanpak en het in
                        kaart brengen van motieven tot niet-gebruik en het daarop inspelen, middelen
                        om het patroon waar deze motieven of dit gedrag een uitvloeisel van zijn,
                        ten positieve te veranderen. Doel van deze vorm van handhaving is het
                        voorkomen dat men door onwetendheid of vermijdingsgedrag onder het
                        bestaansminimum geraakt waardoor ongewenste, kostenverhogende neveneffecten
                        ontstaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Aangifte Openbaar Ministerie</titel></kop><al>De hoogte van de aangiftegrens bij misbruik van sociale zekerheidswetten is
                        vastgesteld door de Ministeries van Veiligheid en Justitie en van Sociale
                        Zaken en Werkgelegenheid. De aangiftegrens is de grens waarboven
                        strafrechtelijk onderzoek dient te volgen. De Aanwijzing sociale
                        zekerheidsfraude, vastgesteld door het College van Procureurs-Generaal,
                        voorziet er voorts in dat ook in bijzondere gevallen waarbij het
                        benadelingsbedrag onder de aangiftegrens ligt toch aangifte kan worden
                        gedaan. Bij aangifte wordt de zaak ter verdere afhandeling overgedragen aan
                        het Openbaar Ministerie.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                            voorziet</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>