<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR406407_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening gemeente Nuenen c.a. 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Digitaal gemeenteblad, 23-05-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening gemeente Nuenen c.a. 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 4:23 Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-05-12</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-05-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Corsanummer 2016.07359</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Algemene subsidieverordening 2016</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>De Algemene Subsidieverordening gemeente Nuenen c.a. 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente Nuenen c.a.;</al><al/><al> gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 april 2016;</al><al/><al> gelet op de het bepaalde in artikel 147 Gemeentewet en artikel 4:23
                        Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al><vet>B E S L U I T :</vet></al><al/><al>Vast te stellen de <vet>Algemene Subsidieverordening gemeente Nuenen c.a.
                            2016</vet>, zoals deze met toelichting bij dit besluit behoort.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeente: de gemeente Nuenen c.a.</al></li><li nr="b."><al>raad: de raad van de gemeente Nuenen c.a.</al></li><li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Nuenen c.a.</al></li><li nr="d."><al>Awb: Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></li><li nr="e."><al>algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr.
                                    651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde
                                    categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het
                                    Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU
                                    L 127), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese
                                    regelgeving.</al></li><li nr="f."><al>de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de
                                    Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de
                                    artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L
                                    352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18
                                    december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108
                                    van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector
                                    (PbEU L 352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie
                                    van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en
                                    108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en
                                    aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de
                                    plaats tredende Europese regelgeving.</al></li><li nr="g."><al>Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling,
                                    besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van
                                    staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese
                                    Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van
                                    het Verdrag heeft vastgesteld.</al></li><li nr="h."><al>Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese
                                    Unie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies
                                door het college van alle gemeentelijke subsidies, met uitzondering
                                van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende
                                regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23,
                                derde lid, van de Awb (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag
                                nodig is).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Subsidies kunnen worden verstrekt voor activiteiten die bijdragen
                                aan beleidsdoelstellingen die overeenkomen met de beleidsterreinen
                                in de programmabegroting, zijnde Bestuur, Samenwerking &amp;
                                Dienstverlening, Veiligheid &amp; Handhaving, Werk (participatie),
                                Zorg &amp; Jeugd, Verenigingen &amp; Accommodatie, Wonen &amp;
                                Leefomgeving, Ruimtelijke beheer, Milieu &amp; Verkeer, Economie,
                                Toerisme &amp; Recreatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is bevoegd te besluiten op aanvragen om subsidie als
                                bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten aanzien van subsidies als bedoeld in artikel 4:23 van de Awb
                                (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is) kan het
                                college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van
                                toepassing is. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college is bevoegd uit een budgetonderdeel, dat jaarlijks als
                                onderdeel van het jaarlijks toe te kennen subsidiebudget in de
                                begroting dient te worden opgenomen, incidentele aanvragen te
                                honoreren, die:</al><lijst><li nr="a."><al>bedoeld zijn als zogenaamde waarderingssubsidies (lager dan
                                        € 500,00). Het betreft subsidies die te klein zijn om een
                                        formele procedure te rechtvaardigen, maar die gezien de
                                        aanvraaggronden toch voor toekenning in aanmerking
                                        komen;</al></li><li nr="b."><al>na de formele aanvraagtermijn zijn ingediend, de zogenaamde
                                        onvoorziene aanvragen;</al></li><li nr="c."><al>voorzien in noodgevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Subsidies op basis van deze verordening wordt verstrekt aan een
                                rechtspersoon of een rechtspersoon in oprichting. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Subsidieregelingen en delegatiebepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan nadere subsidieregelingen vaststellen, waarin de te
                                subsidiëren activiteiten en de doelgroepen worden omschreven, met in
                                achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële
                                middelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van
                                subsidies met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen
                                financiële middelen en – indien de begroting nog niet is
                                vastgesteld, dan wel goedgekeurd – onder de voorwaarde dat voldoende
                                gelden ter beschikking worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college neemt in het kader van deze verordening besluiten over
                                subsidieverlening, subsidieweigering, subsidievaststelling,
                                wijziging of intrekking van de subsidieverlening of
                                subsidievaststelling, bevoorschotting of terugvordering van
                                subsidie. Het college kan hiertoe nadere regels stellen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan voorwaarden aan de beschikking tot subsidieverlening
                                verbinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt formulieren vast voor het indienen van de aanvraag
                                om subsidie, voor de (tussentijdse) verantwoording en voor de
                                aanvraag om vaststelling van de subsidie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Europees steunkader</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees
                                steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling
                                afwijken van deze verordening en deze aanvullen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden
                                gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling
                                naar het desbetreffende steunkader.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidies waar een Europees steunkader op van toepassing is,
                                verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen
                                van het steunkader.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is,
                                komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten
                                in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke
                                steunkader.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij subsidies waarop de de-minimisverordening van toepassing is,
                                komen ondernemingen alleen in aanmerking voor subsidies die voldoen
                                aan de voorwaarden van de de-minimisverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt subsidieplafonds vast. Deze bepaling is ook van
                                toepassing op subsidies als bedoeld in artikel 4:23 derde lid, van
                                de Awb (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt bij subsidieregeling de wijze van verdeling van
                                het beschikbare bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is bevoegd uit de post incidentele subsidies, dat als
                                onderdeel van het jaarlijks toe te kennen subsidiebudget in de
                                begroting dient te worden opgenomen, incidentele aanvragen te
                                honoreren, die:</al><lijst><li nr="a."><al>bedoeld zijn als zogenaamde waarderingssubsidies (lager dan
                                        € 500,00). Het betreft subsidies die te klein zijn om een
                                        formele procedure te rechtvaardigen, maar die gezien de
                                        aanvraaggronden toch voor toekenning in aanmerking
                                        komen;</al></li><li nr="b."><al>na de formele aanvraagtermijn zijn ingediend, de zogenaamde
                                        onvoorziene aanvragen;</al></li><li nr="c."><al>voorzien in noodgevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is door de raad belast met het uitvoeren van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De raad kan een subsidieplafond verlagen:</al><lijst><li nr="a."><al>als het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het
                                        betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; of</al></li><li nr="b."><al>als de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond
                                        betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de
                                        begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of
                                        goedgekeurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd
                                overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van
                                verlaging.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag van de subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Bij aanvraag in te dienen gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het
                                college met gebruikmaking van het hiervoor vastgestelde
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag legt de aanvrager de volgende gegevens over: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie
                                        wordt aangevraagd en het verwachte aantal deelnemers aan de
                                        activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden
                                        nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;</al></li><li nr="c."><al>een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van
                                        deze activiteiten, inclusief huisvestingskosten. Het
                                        dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde
                                        subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde
                                        activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken
                                        daarvan; </al></li><li nr="d."><al>de financiële positie van de aanvrager. Daaruit moet blijken
                                        wat het vrij beschikbare eigen vermogen is, de hoogte van de
                                        reserves en voorzieningen en het doel en noodzaak van deze
                                        reserves en voorzieningen;</al></li><li nr="e."><al>als het een subsidie betreft die per boekjaar aan een
                                        rechtspersoon wordt verstrekt, de stand van de
                                        egalisatiereserve op het moment van de aanvraag;</al></li><li nr="f."><al>een meerjaren beleidsplan van de aanvrager. Daaruit moet
                                        blijken wat is gedaan of zal worden gedaan om de uitgaven en
                                        inkomsten met elkaar in evenwicht te brengen om de
                                        afhankelijkheid van subsidie te verminderen of weg te nemen
                                        (door onder meer contributieverhoging, fondsverwerving,
                                        vrijwilligersinzet, verlaging van de accommodatiekosten
                                        en/of het aanwenden van het eigen vermogen);</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt
                                een exemplaar van de oprichtingsakte, uittreksel van de Kamer van
                                Koophandel, de statuten, alsmede van het jaarverslag, de
                                jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar toe aan de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden
                                afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt,
                                wordt ingediend uiterlijk 1 juni voorafgaand aan het jaar of de
                                jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt wordt
                                uiterlijk 13 weken voorafgaand aan dat boekjaar ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Andere aanvragen om subsidie worden ingediend tussen 12 en 8 weken
                                voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten
                                waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in
                                artikel 7, eerste lid, uiterlijk 31 decembervan het jaar
                                waarin de aanvraag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in
                                artikel 7, tweede en derde lid, binnen 8 weken nadat de volledige
                                aanvraag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde
                                lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie
                                wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een
                                eindbeslissing heeft genomen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Weigering van de subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb:</al><lijst><li nr="a."><al>als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde
                                        lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie
                                        onverenigbaar is met de interne mark;</al></li><li nr="b."><al>als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot
                                        terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking
                                        van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en
                                        onverenigbaar met de interne markt is verklaard;</al></li><li nr="c."><al>als de aanvrager voor het jaar of de jaren waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft met een functionaris een
                                        bezoldiging als bedoeld in artikel 1.1, onder e, van de Wet
                                        normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en
                                        semipublieke sector overeenkomt of is overeengekomen die
                                        hoger is dan het bedrag, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid,
                                        van die wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid, aanhef en onder c, is niet van toepassing als:</al><lijst><li nr="a."><al> de aanvrager bij de indiening van de aanvraag aannemelijk
                                        maakt dat de subsidie niet wordt besteed aan die
                                        bezoldiging, of</al></li><li nr="b."><al>het betreft een aanvraag om een subsidie die lager is dan €
                                        125.000 of een subsidie die minder dan 10 % van de totale
                                        omzet van de aanvrager bedraagt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd de vorige leden weigert het college de subsidie in
                                ieder geval voor zover de subsidieverstrekking in strijd zou zijn
                                met een Europees steunkader omdat:</al><lijst><li nr="a."><al>subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een
                                        onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld
                                        in het desbetreffende steunkader, of</al></li><li nr="b."><al>de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het
                                        desbetreffende steunkader.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in
                                ieder geval weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in
                                        overwegende mate gericht zijn op de gemeente Nuenen of haar
                                        ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de
                                        gemeente Nuenen of haar ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al>als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor
                                        het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt
                                        gevraagd;</al></li><li nr="c."><al>als uit de bij de aanvraag ingediende begroting blijkt dat
                                        de aanvrager zelf in staat is een sluitende begroting tot
                                        stand te brengen tenzij het betreft een organisatie die geen
                                        eigen (reguliere) inkomsten heeft;</al></li><li nr="d."><al>als uit de financiële positie van de aanvrager (het vrij
                                        beschikbare eigen vermogen, de hoogte van de reserves en
                                        voorzieningen en het doel en noodzaak van deze reserves en
                                        voorzieningen) blijkt dat de subsidie niet noodzakelijk is
                                        voor de activiteiten waarvoor deze worden aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>als uit het meerjaren beleidsplan blijkt dat aanvrager geen
                                        maatregelen heeft genomen of zal nemen om inkomsten en
                                        uitgaven met elkaar in evenwicht te brengen, door o.a.
                                        contributieverhoging, fondsverwerving, vrijwilligersinzet,
                                        verlaging van de accommodatiekosten en het aanwenden van
                                        eigen vermogen of anderszins;</al></li><li nr="f."><al>het vrij beschikbare eigen vermogen mag niet méér bedragen
                                        dan drie maal het aangevraagde subsidiebedrag; bij de
                                        bepaling van het vrij beschikbare vermogen worden
                                        noodzakelijke voorzieningen en noodzakelijke reserves buiten
                                        beschouwing gelaten; bovendien mag een deel van het vermogen
                                        worden ingezet om de begroting sluitend te maken;</al></li><li nr="g."><al>als de hoogte van te verlenen subsidie niet in redelijke
                                        verhouding staat tot het aantal deelnemers aan de
                                        activiteiten;</al></li><li nr="h."><al>indien de subsidie lager dan € 500 zou zijn;</al></li><li nr="i."><al>voor zover de aanvrager meer dan de maatschappelijke prijs
                                        betaalt voor het gebruik van de accommodatie. Bij
                                        subsidieregeling kan een referentieprijs worden vastgesteld.
                                        Afwijkingen boven de referentieprijs moeten worden
                                        verantwoord als zijnde noodzakelijk voor de eigen
                                        activiteiten. Deze worden niet gesubsidieerd;</al></li><li nr="j."><al>in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3
                                        van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
                                        openbaar bestuur;</al></li><li nr="k."><al>als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om
                                        voor subsidie in aanmerking te komen;</al></li><li nr="l."><al>als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een
                                        wettelijk voorschrift;</al></li><li nr="m."><al>als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de
                                        Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde
                                        lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie
                                        verenigbaar is met de interne markt;</al></li><li nr="n."><al>in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde
                                        gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan een subsidie in ieder geval intrekken in het geval
                                en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
                                integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is
                                ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese
                                Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Verlening van subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><al>Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de
                            verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidie-ontvanger de
                            besteding van de subsidie dient te verantwoorden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Algemene verplichtingen van de subsidie-ontvanger</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Algemene verplichtingen van subsidie-ontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de
                                subsidie is verleend niet of niet geheel zullen worden verricht of
                                dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden
                                verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidie-ontvanger dat
                                onverwijld aan burgemeester en wethouders. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een subsidie-ontvanger informeert het college onverwijld
                                schriftelijk over: </al><lijst><li nr="a."><al>beslissingen of procedures die zijn gericht op de
                                        beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is
                                        verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde
                                        rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al>relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                        verhouding met derden;</al></li><li nr="c."><al>ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de
                                        subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen
                                        kunnen worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van
                                        de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de
                                        bestuurder of bestuurders en het doel van de
                                        rechtspersoon.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die
                                meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden
                                opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording
                                over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                                uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één
                                keer per jaar verlangd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de
                                subsidie-ontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel
                                4:37, eerste lid, van de Awb worden opgelegd, voor zover deze
                                strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot
                                verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden
                                verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de
                                wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit
                                wordt verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat
                                de subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie
                                heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan burgemeester en
                                wethouders een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis
                                als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb voordoet.
                                Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding
                                wordt bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12a</nr><titel>Egalisatiereserve</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de
                                subsidie-ontvanger van een per kalender- of boekjaar verstrekte
                                subsidie die meer dan € 50.000 bedraagt een egalisatiereserve
                                vormt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten
                                van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend komt ten gunste
                                onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend en zo veilig als
                                redelijkerwijs mogelijk is belegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de
                                egalisatiereserve toegevoegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de subsidie-ontvanger een vergoeding voor vermogensvorming
                                verschuldigd is omdat:</al><lijst><li nr="a."><al>de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden
                                        beëindigd;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt
                                        ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of</al></li><li nr="c."><al>de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden,
                                        dan is de subsidie-ontvanger ter zake van de
                                        egalisatiereserve vergoedingsplichtig naar evenredigheid van
                                        de mate waarin de subsidie aan de egalisatiereserve heeft
                                        bijgedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ontvanger van een andere subsidie als bedoeld in het eerste lid
                                kan burgemeester en wethouders verzoeken een egalisatiereserve te
                                mogen vormen. In dat geval zijn de vorige leden van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verantwoording en vaststelling van de subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidies tot en met € 5.000 worden door burgemeester en wethouders
                                direct vastgesteld of verleend en – tenzij toepassing wordt gegeven
                                aan het volgende lid – binnen 13 weken nadat de activiteiten
                                uiterlijk moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ontvanger van een andere subsidie als bedoeld in het eerste lid
                                kan burgemeester en wethouders verzoeken een egalisatiereserve te
                                mogen vormen. In dat geval zijn de vorige leden van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het vorige lid kan de
                                aanvrager worden verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te
                                tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn
                                verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                                verplichtingen. In dat geval vindt de vaststelling plaats binnen 13
                                weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van verlening van een subsidie van ten hoogste € 5.000
                                wordt aanstonds een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende
                                subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Eindverantwoording subsidies meer dan € 5.000 tot en met €
                                50.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij subsidies van meer dan € 5.000 tot en met 50.000 dient de
                                subsidie-ontvanger uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde
                                activiteiten zijn verricht, een aanvraag tot vaststelling in.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre
                                de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kan worden bepaald dat op een andere manier
                                wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient de subsidie-ontvanger een
                                aanvraag tot vaststelling in: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt,
                                uiterlijk op 1 mei van het jaar dat volgt op het betrokken
                                kalenderjaar;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt,
                                uiterlijk 13 weken na afloop van het betrokken boekjaar;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde
                                activiteiten zijn verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verantwoording bevat: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde
                                activiteiten zijn verricht;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan
                                verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of
                                jaarrekening);</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting
                                daarop; en</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk
                                accountant.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of
                                andere gegevens worden verlangd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de subsidie vast binnen 13 weken na de ontvangst
                                van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij
                                subsidieregeling anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 13 weken worden
                                verdaagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden
                                aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat
                                een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip,
                                bedoeld in de artikelen 14, eerste lid en 15, eerste lid, aanhef en
                                onder a, b of c, is ingediend, kan het college de subsidie-ontvanger
                                schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet
                                binnen deze termijn ingediend dan kunnen zij overgaan tot ambtshalve
                                vaststelling.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt
                                van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met
                                gebruikmaking van een bij de subsidieregeling of bij de
                                verleningsbeschikking voorgeschreven berekeningswijze.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van
                                uurtarieven wordt uitgegaan van bij de subsidieregeling of bij de
                                verleningsbeschikking voorgeschreven definities.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen
                                alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan
                                de eisen van het toepasselijke steunkader.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan deze verordening, met uitzondering van de artikelen
                                2, 3 en 4, in individuele gevallen buiten toepassing laten of
                                daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de
                                subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig
                                zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen
                                doelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit en
                                hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Algemene Subsidieverordening gemeente Nuenen c.a. 2008 wordt
                                    ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend
                                    op haar bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor de datum van
                                    inwerkingtreding van deze verordening zijn de bepalingen van de
                                    Algemene Subsidieverordening gemeente Nuenen c.a. 2008 van
                                    toepassing. </al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Algemene
                                    Subsidieverordening gemeente Nuenen c.a. 2016.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 12 mei 2016.</al><al>DE RAAD VOORNOEMD,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.C.P. Laurenssen Msc M.J. Houben MBA</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Toelichting algemeen</tussenkop><al>Deze subsidieverordening is gebaseerd op een modelverordening van de VNG. De Awb
                    kent in titel 4.2 een uitgebreide regeling voor subsidieverstrekking door
                    bestuursorganen. Deze regeling in de Awb biedt gemeenten veel vrijheid bij de
                    invulling van hun lokale subsidiebeleid. Deze subsidieverordening geeft hieraan
                    nadere invulling. Om de gemeenten te ondersteunen bij het vormgeven van hun
                    regelgeving heeft de VNG, in het kader van het project ‘Minder regels’, de
                    afgelopen jaren gewerkt aan de deregulering en vereenvoudiging van al haar
                    modelverordeningen. Bij de ontwikkeling van deze nieuwe modelverordening is
                    nadrukkelijk gekeken naar dereguleringsmogelijkheden binnen het subsidieproces.
                    Een belangrijk aspect in het subsidietraject is gelegen in vereenvoudiging van
                    de regels voor de verantwoording van de subsidie. Ter vermindering van de
                    administratieve en bestuurlijke lasten op dit punt is rijksbreed een kader
                    ontwikkeld door het ministerie van Financiën. Bij het opstellen van de
                    modelverordening is ook naar dit kader gekeken voor aanknopingspunten en zijn
                    deze zoveel mogelijk toegespitst op de gemeentelijke praktijk. De
                    modelverordening van de VNG is een voorbeeld of leidraad van hoe je als gemeente
                    een verordening zou kunnen indelen, dit is echter geen verplichting. Gekozen is
                    voor de leesbaarheid en vereenvoudiging van de regels.</al><al/><tussenkop>Grondslag verordening</tussenkop><al>In de Awb staat dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een wettelijk
                    voorschrift. Voor gemeenten betekent dit, dat de subsidieverstrekking moet zijn
                    gebaseerd op een verordening van de raad (artikel 4:23, lid 1 Awb). Deze
                    verordening moet de essentiële elementen van het proces van subsidieverstrekking
                    bevatten, zoals een omschrijving of aanduiding van de te subsidiëren
                    activiteiten, de bevoegdheid voor het vaststellen van een subsidieplafond.
                    Volgens de Memorie van Toelichting bij de Awb (MvT) moet een wettelijk
                    voorschrift, in dit geval een gemeentelijke verordening, aan de twee volgende
                    eisen voldoen om de beoogde doelmatigheid en rechtszekerheid te bereiken. Het
                    moet een omschrijving bevatten van de activiteiten, waarvoor subsidie kan worden
                    verleend en het moet een grondslag bevatten voor de verplichtingen, die het
                    bestuursorgaan aan de subsidieverlening kan verbinden (voor zover die grondslag
                    niet reeds in de Awb is neergelegd; zie artikel 4:37 Awb).</al><al/><al>Subsidieverstrekking op basis van alleen beleidsregels is niet mogelijk vanwege
                    het ontbreken van een wettelijke grondslag. De Raad dient naast de Algemene
                    subsidieverordening tenminste de activiteiten globaal te omschrijven die voor
                    subsidie in aanmerking kunnen komen. Vervolgens kan het college nadere regels
                    stellen hoe zij het beleidsplan in de praktijk toepassen.</al><tussenkop><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet
                    alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren regelingen.
                    Deze definities zullen dus niet ook nog in de verschillende subsidieregelingen
                    opgenomen hoeven te worden. Ook kan hier niet van worden afgeweken. </al><al/><al>Onder het begrip ‘Europees steunkader’ vallen in ieder geval zowel de in dit
                    artikel benoemde algemene groepsvrijstellingsverordeningen als de in dit artikel
                    benoemde de-minimisverordeningen.</al><al/><al>Er is geen definitie opgenomen van subsidie. Wat onder een subsidie moet worden
                    verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Awb. Kenmerken van een subsidie
                    zijn dat er aanspraak is op financiële middelen, door een bestuursorgaan
                    verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als
                    betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.</al><tussenkop>Artikel 2 Reikwijdte</tussenkop><al>Met het eerste lid krijgt het college de bevoegdheid toegewezen om te besluiten
                    over het verstrekken van subsidies waarop de Algemene subsidieverordening
                    (hierna: ASV) van toepassing is. Dit betreft in beginsel alle subsidies op de
                    genoemde beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij
                    afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies
                    waar overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke
                    grondslag nodig is.</al><al/><al>In het derde lid is een bepaling opgenomen. Deze bepaling is opgenomen om
                    duidelijk te maken dat de gemeenteraad aan het college van burgemeester en
                    wethouders de bevoegdheid overdraagt om ook op de aangegeven subsidieaanvragen
                    een besluit te nemen (aanvragen voor subsidies waarvoor overeenkomstig artikel
                    4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is, zoals
                    bijvoorbeeld incidentele subsidies).</al><al/><al>In het vierde lid is ten aanzien van subsidies waarvoor overeenkomstig artikel
                    4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is (zoals
                    bijvoorbeeld incidentele subsidies) is de ASV in beginsel niet van toepassing.
                    Dit lid geeft het college de bevoegdheid om de ASV (deels) van toepassing te
                    verklaren als daartoe aanleiding bestaat.</al><al/><al>In het vijfde lid van deze wordt duidelijk dat geen subsidie wordt verleend aan
                    natuurlijke personen.</al><tussenkop>Artikel 3 Subsidieregelingen</tussenkop><al>Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid om in nadere regels, hier en
                    verder subsidieregeling genoemd, de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor
                    zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die
                    voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van
                    uitbetalen, dient dit eveneens in de subsidieregeling te gebeuren.</al><al/><al>Lid 5 verplicht het college om een aanvraagformulier vast te stellen. Een
                    aanvraagformulier helpt de subsidieaanvrager om een subsidieaanvraag compleet in
                    te dienen. Het formulier moet dan ook worden gezien als een hulpmiddel. Gezien
                    de eisen die aan een subsidieaanvraag worden gesteld (zie artikel 6) is een
                    hulpmiddel in de vorm van een formulier gewenst. Ook bij het gebruik van een
                    aanvraagformulier is het mogelijk te regelen dat de subsidieaanvraag langs
                    digitale weg wordt ingediend.</al><al/><al>In andere artikelen van ASV worden andere bevoegdheden gedelegeerd die
                    betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling: het afwijken van
                    termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie, de wijze
                    van verdelen van het subsidieplafond. Voor zover het college geen gebruik maakt
                    van deze bevoegdheid is het slechts in beperkte mate mogelijk om subsidies te
                    verlenen. De hoofdregel van de Awb is namelijk dat subsidieverstrekking
                    gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieregeling,
                    waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld. </al><al/><al>Op grond van artikel 4:23, derde lid, van de Awb, bestaan hierop maar vier
                    uitzonderingen:</al><lijst><li nr="a."><al>de spoedeisende subsidieverstrekking (tijdelijk, vooruitlopend op de
                            vaststelling van een wettelijk voorschrift);</al></li><li nr="b."><al>de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost (de begroting
                            dient de subsidie-ontvanger en het bedrag dat ten hoogste kan worden
                            vastgesteld te vermelden);</al></li><li nr="c."><al>de incidentele subsidieverstrekking (voor uitzonderlijke gevallen, als
                            er in beginsel slechts eenmalig subsidie zal worden toegekend);</al></li><li nr="d."><al>de Europese subsidies (is voor gemeenten nauwelijks van belang).</al></li></lijst><al/><al>Het college heeft op grond van artikel 2, lid 3, van de verordening, de
                    bevoegdheid om ook in die gevallen te besluiten over subsidieverlening.</al><tussenkop>Artikel 4 Europees steunkader</tussenkop><al>Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het
                    toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er
                    afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt
                    het college daartoe bevoegd.</al><al/><al>Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese
                    Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het
                    Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.</al><al>Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard
                    alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in
                    aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het
                    betreffende steunkader (lid 4). Net zo goed als dat bij subsidies waarop een
                    Europees steunkader van toepassing is, ondernemingen alleen in aanmerking komen
                    als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende
                    steunkader (lid 5).</al><tussenkop>Artikel 5 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</tussenkop><al>De raad stelt de subsidieplafonds vast (lid 1). Vervolgens bepaalt het college
                    bij subsidieregeling de wijze van verdelen (tweede lid in combinatie met artikel
                    4:26, tweede lid, van de Awb). Het derde legt vast dat het college bevoegd is om
                    te besluiten op incidentele subsidies (een verbijzondering van de
                    delegatiebepaling in artikel 2, lid 3). Het vierde lid maakt duidelijk dat het
                    college in algemene zin door de raad belast is met de uitvoering van de
                    verordening. Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds door de raad wordt er,
                    indien van toepassing, gewezen om de mogelijkheid het subsidieplafond te
                    verlagen (vijfde en zesde lid).</al><tussenkop>Artikel 6 Bij aanvraag in te dienen gegevens</tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient
                    te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’.
                    Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het college het door hem
                    vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft gesteld. In het
                    tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag
                    overlegd dienen te worden.</al><al/><al>Bij subsidieregeling kan het college besluiten hiervan af te wijken (vierde
                    lid).</al><tussenkop>Artikel 7 Aanvraagtermijn</tussenkop><al>De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt
                    onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar of per boekjaar worden
                    verstrekt, en andersoortige subsidies. Bij subsidieregeling kan het college
                    besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het
                    eerste tot en met derde lid (vierde lid).</al><tussenkop>Artikel 8 Beslistermijn</tussenkop><al>Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen
                    op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op
                    een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies
                    per kalenderjaar of boekjaar, en andere. Bij subsidieregeling kan het college
                    besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste
                    en tweede lid (derde lid).</al><al/><al>De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie
                    aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een
                    eindebeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie
                    wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van
                    het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en vervolgens
                    teruggevorderd dient te worden.</al><tussenkop>Artikel 9 Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden</tussenkop><al>In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van artikelen
                    4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld. </al><al/><al>Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te
                    verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan
                    volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan
                    goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele
                    aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet
                    het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het
                    eerste lid, onder a).</al><al/><al>Wat betreft de verplichte weigeringsgrond opgenomen onder b dient het volgende
                    opgemerkt te worden. Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel
                    tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder de
                    betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door
                    de in het eerste lid, onder b, gekozen formulering van de weigeringsgrond in
                    combinatie met het verplichtende karakter komt het in de ASV echter neer op een
                    – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen
                    van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering
                    uitstaat).</al><al/><al>Om toe te kunnen zien op de doelmatige besteding van subsidiegeld regelt het
                    eerste lid, onder c, dat het college de subsidie weigert in het geval de te
                    subsidiëren instelling bezoldigingen overeenkomt of is overeengekomen die hoger
                    zijn dan het bedrag bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet normering
                    bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (hierna: WNT).
                    Het algemene bezoldigingsmaximum voor de publieke en semipublieke sector is per
                    1 januari 2016 vastgesteld op € 179.000; het wordt jaarlijks bij ministeriële
                    regeling geïndexeerd (zie artikel 2.3, tweede, derde en vierde lid, van de WNT).
                    De gedachte achter deze weigeringsgrond is dat bij subsidieaanvragers die hogere
                    bezoldigingen dan dat bedrag overeenkomen gegronde redenen bestaan om aan te
                    nemen dat een deel van de subsidie aan dergelijke bezoldigingen wordt besteed.
                    Vanuit het oogpunt van doelmatige besteding van subsidiegeld wordt dit
                    onwenselijk geacht. </al><al/><al>De weigeringsgrond heeft betrekking op alle subsidieaanvragers, niet alleen op
                    instellingen die al onder de WNT vallen. Bovendien wordt gekeken naar alle
                    bezoldigingen die door de aanvrager met functionarissen (met of zonder
                    dienstbetrekking) zijn overeengekomen en dus niet alleen naar die bezoldigingen
                    die zijn overeengekomen met een topfunctionaris als bedoeld in de WNT. </al><al/><al>In het tweede lid, aanhef en onder a, is bepaald dat wanneer de aanvrager bij de
                    indiening van de aanvraag aantoont dat de verleende subsidie niet aan dergelijke
                    bezoldigingen zal worden besteed, de weigeringsgrond van het eerste lid, aanhef
                    en onder c, niet van toepassing is en de aanvraag dus niet (op die grond)
                    geweigerd hoeft te worden. Er is dan immers geen reden meer om de aanvraag met
                    het oog op de doelmatige besteding van subsidiegeld af te wijzen. De aanvrager
                    zal een beroep hierop zelf cijfermatig met stukken dienen te onderbouwen,
                    bijvoorbeeld met facturen, urenstaten en andere gegevens betreffende de kosten
                    van de gesubsidieerde activiteit. In welke gevallen de aanvrager erin is
                    geslaagd aannemelijk te maken dat de subsidie niet zal worden besteed aan
                    bezoldigingen die boven het bezoldigingsmaximum van de WNT uitkomen, staat ter
                    beoordeling van het college.</al><al/><al>Het tweede lid, aanhef en onder b, biedt de mogelijkheid om de dwingende
                    weigeringsgrond niet toe te passen in het geval sprake is van [een aanvraag voor
                    verlening van een subsidie voor een eenmalige activiteit,] een aanvraag voor een
                    subsidie die lager is dan € 125.000 of een subsidie die minder dan 10 %van de
                    totale omzet van de aanvrager bedraagt. Hierbij is de gedachte dat de
                    weigeringsgrond niet hoeft te worden toegepast en getoetst in gevallen waarin de
                    subsidie redelijkerwijs niet kan worden besteed aan hoge bezoldigingen.</al><al/><al>In het derde lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat
                    overgaan tot subsidieverstrekking voor zover dat strijdigheid op zou leveren met
                    een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een
                    aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld
                    in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen
                    stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een
                    onderneming wordt naar oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een
                    onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of
                    middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over
                    dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren [van de Europese
                    Commissie] voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële
                    ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er moet sprake zijn van een
                    stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de
                    steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij
                    anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat
                    de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart.</al><al/><al>In het vierde lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het
                    college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht.</al><al/><al>Onderdelen a, k en l spreken voor zichzelf. Onderdeel b geeft de mogelijkheid de
                    subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt.
                    Daaraan appelleren ook de onderdelen c (sluitende begroting), d (financiële
                    positie)en e (onbenutte mogelijkheden verbetering financiële mogelijkheden).
                    Onderdeel f gaat over de relatie van de subsidie en het eigen vermogen.
                    Onderdeel g gaat over de relatie russen de subsidie en het aantal verwachte
                    deelnemers aan de activiteit die wordt gesubsidieerd. Onderdeel h biedt de
                    mogelijkheid voor het college subsidie te weigeren als die lager zou zijn dan €
                    500. Onderdeel i gaat over de accommodatiekosten. Er wordt uitgegaan van een
                    redelijke maatschappelijke prijs. Indien een subsidieaanvrager méér betaalt dan
                    deze redelijke maatschappelijke prijs kan het college van burgemeester en
                    wethouders bij de hoogte van de subsidies rekening houden met niet de werkelijke
                    accommodatiekosten maar met de redelijke maatschappelijke prijs. Onderdeel j
                    betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de Wet
                    bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet
                    Bibob) niet kan doorstaan. Bij deze weigeringsgrond is niet van belang of de
                    activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel
                    zijn. Het gaat hierbij louter om de integriteit van de persoon dan wel
                    rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob
                    geen subsidie wenst te verlenen. Naast subsidie weigeren, kan het college in
                    dergelijke gevallen ook een reeds verleende en vastgestelde subsidies intrekken
                    (derde lid). Onder m is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een
                    aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze
                    overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is
                    goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking
                    die in beginsel niet ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke
                    cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun.
                    In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de
                    subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te
                    verkrijgen. Als het college besluit over te gaan tot melding, dan wordt in
                    verband met de standstill-verplichting de beslistermijn verdaagd totdat de
                    Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, vierde lid).
                    Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed
                    te keuren, dan zal het college de aanvraag alsnog weigeren (zie het eerste lid,
                    onder a). Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een
                    andere grond worden geweigerd. Onderdeel n ten slotte geeft het college de
                    bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen,
                    bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten
                    samenhangen. </al><al/><al>Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in
                    overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de
                    Werking van de Europese Unie, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en
                    teruggevorderd worden (inclusief rente). Het zesde lid geeft het college de
                    bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.</al><tussenkop>Artikel 10 Verantwoording</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 11 Algemene verplichtingen van subsidie-ontvanger</tussenkop><al>Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede
                    lid) die voor alle subsidieontvangers geldt.</al><tussenkop>Artikel 12 Aan een subsidie te verbinden bijzondere
                    verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie
                    bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds
                    mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb). </al><al>Wat betreft het tweede en derde lid wordt het creëren van deze mogelijkheid
                    onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 (voor zover het
                    betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de
                    subsidie) en 4:39 (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot
                    verwezenlijking van het doel van de subsidie). In beginsel dient de verordening
                    hiervoor een uitdrukkelijke grondslag te bieden, of – in het geval van
                    verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie –
                    de verleningsbeschikking. </al><al/><al>Het tweede lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de
                    verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden
                    gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren
                    activiteit uit zullen voeren. </al><al/><al>Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet
                    strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde
                    activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel
                    enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan
                    om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een
                    bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de
                    activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de
                    wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke
                    subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken
                    II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende
                    mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden.</al><al/><al>In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de
                    subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot
                    vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het
                    bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>als de subsidie-ontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte
                            of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan
                            wijzigt;</al></li><li nr="b."><al>als de subsidie-ontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of
                            beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of
                            bestemde goederen;</al></li><li nr="c."><al>als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden
                            beëindigd;</al></li><li nr="d."><al>als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of
                            de subsidie wordt beëindigd, of</al></li><li nr="e."><al>de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.</al></li></lijst><al/><al>Deze vergoedingsplicht echter geldt alleen als hierin is voorzien in de
                    verordening, subsidieregeling of de beschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe
                    de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie
                    te betreffen). Met het vierde lid krijgt het college de bevoegdheid om hier
                    uitvoering en invulling aan te geven.</al><tussenkop>Artikel 12a Egalisatiereserve</tussenkop><al>Het figuur van de egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de Awb. Een
                    egalisatiereserve is een reserve van de subsidie-ontvanger waaraan als
                    bestemming het dekken van exploitatierisico’s is verbonden. De reserve wordt
                    gevormd om tot een gelijkmatige verdeling van lasten te komen.</al><al/><al>Het college kan bij een verleningsbeschikking voor een subsidie die per
                    kalender- of boekjaar wordt verstrekt en die meer dan € 50.000 bedraagt bepalen
                    dat de subsidie-ontvanger een egalisatiereserve dient te vormen (eerste lid). In
                    dat geval komt het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de kosten
                    van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste of ten laste van
                    de egalisatiereserve (tweede lid). De reserve wordt dus gevormd uit
                    exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen.</al><al/><al>Naast een door het college opgelegde verplichting kan op grond van het zesde lid
                    elke subsidie-ontvanger het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen
                    vormen. Vooral voor evenementen, waarbij het al dan niet doorgaan van het
                    evenement sterk afhankelijk is van de weersomstandigheden, kan dit van belang
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 13 Eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000</tussenkop><al>Kenmerkend voor subsidies tot en met € 5.000 is dat deze op basis van vertrouwen
                    worden verleend; er wordt niet meer standaard om verantwoording gevraagd. In
                    plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidie-ontvanger bij
                    niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 9). Achteraf kan een
                    risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidie-ontvanger.</al><al/><al>Verder wordt het voorschot in één termijn (lump sum) verstrekt en hoeft de
                    subsidie-ontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in
                    te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de
                    subsidieverstrekker worden bespaard.</al><al/><al>In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste lid),
                    wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten
                    moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen een nader bepaalde
                    termijn ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker. In het tweede lid is
                    een afwijkende termijn opgenomen voor situaties waarin speciale
                    rapportageverplichtingen worden opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 14 Eindverantwoording subsidies meer dan € 5.000 tot met €
                    50.000</tussenkop><al>In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie tussen €
                    5.000 en € 50.000 aan het college dienen te verantwoorden; er dient een aanvraag
                    tot vaststelling ingediend te worden (eerste lid), deze bevat een inhoudelijk
                    verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht
                    (tweede lid). Ingevolge artikel 8 wordt de wijze van verantwoording al bij het
                    besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidie-ontvanger bekend
                    gemaakt.</al><al/><al>Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening
                    al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen
                    daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en
                    activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of
                    andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook
                    bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat
                    duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de
                    subsidie werd verstrekt. Voorts kan het college, overeenkomstig het derde lid,
                    in een subsidieregeling aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een
                    inhoudelijk verslag.</al><tussenkop>Artikel 15 Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000</tussenkop><al>Bij subsidies vanaf € 50.000 wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van
                    subsidies; op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de
                    subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde
                    kosten. </al><al/><al>Het derde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook
                    andere, waaronder minder, gegevens gevraagd worden.</al><tussenkop>Artikel 16 Subsidievaststelling</tussenkop><al>Het eerste lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn
                    waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Het merendeel van de
                    aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer
                    ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn
                    – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn –
                    biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging is appellabel.</al><tussenkop>Artikel 17 Berekening van uurtarieven, uniforme
                    kostenbegrippen</tussenkop><al>Dit artikel schrijft voor dat als het college bij de bepaling van de
                    subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven, de berekeningswijze hiervan
                    en de voorgeschreven definities in een subsidieregeling of bij de
                    subsidieverlening vastgelegd dienen te worden. Bij subsidies waarop een Europees
                    steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en
                    kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.</al><tussenkop>Artikel 18 Hardheidsclausule</tussenkop><al>In de hardheidsclausule is aangegeven op welke onderdelen van de regeling deze
                    clausule van toepassing is. De te treffen voorziening, die niet in de
                    verordening is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie
                    te passen.</al><tussenkop>Artikel 20 Slotbepalingen</tussenkop><al>In lid 3 van dit artikel is geregeld dat de op het moment van vaststelling en
                    bekendmaking van de Algemene Subsidieverordening gemeente Nuenen c.a. 2016
                    lopende subsidieaanvragen voor het jaar 2017 nog worden getoetst aan de Algemene
                    Subsidieverordening gemeente Nuenen c.a. 2008. Wij zullen bevorderen dat
                    subsidieaanvragen voor 2017 zoveel mogelijk worden ingediend ná de
                    inwerkingtreding van de nieuwe Algemene Subsidieverordening. </al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>