<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR406045_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Urgentieverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 23 mei 2016 nr. 64773</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Urgentieverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikelen 4, 5, 7, 9 t/m 14, 20 t/m 22, 25 en 35 van de Huisvestingswet 2014</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>GM2015.0524</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>De voorwaarden waaronder en de wijze waarop woningzoekende urgentie kunnen verkrijgen en vervolgens bij voorrang een passende woning aangeboden kunnen krijgen.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Mandaatregeling "uitvoering Urgentieverordening Geldrop-Mierlo 2016" (incl. bijbehorende mandaatlijst).</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Uniforme regeling binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven (gemeente Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen c.a., Oirschot, Son en Breugel, Veldhoven en Waalre).</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Urgentieverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Urgentieverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016</vet></al><al>De raad van de gemeente Geldrop-Mierlo</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        20 oktober 2015, </al><al>gelet op de artikelen 4, 5, 7, 9 t/m 14, 20 t/m 22, 24 en 35 van de
                        Huisvestingswet 2014, </al><al>overwegende dat,</al><al>het wenselijk is om de mogelijkheid te bieden dat woningzoekenden als
                        urgent in de zin van artikel 12 van de Huisvestingswet 2014 aangemerkt
                        worden en deze woningzoekenden met voorrang te kunnen huisvesten,</al><al>het daarvoor noodzakelijk is om met betrekking tot de verdeling van
                        woonruimte en de categorieën woningzoekenden die als urgent kunnen
                        worden aangemerkt, bij verordening regels te geven, </al><al>B E S L U I T: </al><al>vast te stellen de <vet>Urgentieverordening gemeente Geldrop-Mierlo
                        2016</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Huishouden: een meerderjarige alleenstaande, dan wel twee of
                                    meer personen waarvan er ten minste één meerderjarig is die twee
                                    jaar of langer een gemeenschappelijk huishouden voeren;</al></li><li nr="b."><al>Huisvestingsvergunning: een vergunning die aan
                                    urgent-woningzoekenden wordt verstrekt en waarmee deze een in
                                    artikel 2, eerste lid, bedoelde woning met voorrang in gebruik
                                    kan nemen;</al></li><li nr="c."><al>Ingezetene: persoon die in de Basisregistratie Personen van de
                                    gemeente is opgenomen; </al></li><li nr="d."><al>Inwoning: bewoning van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van
                                    een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is
                                    genomen;</al></li><li nr="e."><al>Kamergewijze huisvesting: huisvesting van minimaal twee en
                                    maximaal vier alleenstaande statushouders in één daarvoor door
                                    een woningcorporatie geschikt gemaakte eengezinswoning, waarbij
                                    sprake is van een gezamenlijke keuken en badkamer en van een
                                    eigen huurovereenkomst voor iedere individuele
                                    statushouder;</al></li><li nr="f."><al>Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                                    beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien
                                    van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                                    Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                                    personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het
                                    kader van een hulpverlenend beroep; </al></li><li nr="g."><al>Onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte
                                    bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke
                                    niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit
                                    daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die
                                    woonruimte;</al></li><li nr="h."><al>Statushouder: een vergunninghouder, zijnde een vreemdeling die
                                    in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
                                    heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning
                                    heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, b c of d,
                                    van de Vreemdelingenwet 2000;</al></li><li nr="i."><al>Stedelijk Gebied Eindhoven: het grondgebied van de gemeenten
                                    Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen c.a., Oirschot,
                                    Son en Breugel, Veldhoven en Waalre;</al></li><li nr="j."><al>Urgentiecommissie: de door het college van burgemeester en
                                    wethouders aan te wijzen regionale commissie met als taak advies
                                    uit te brengen over verzoeken van woningzoekenden om in een
                                    urgentiecategorie te worden ingedeeld; </al></li><li nr="k."><al>Wet: Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="l."><al>Woningcorporatie: toegelaten instelling als bedoeld in artikel
                                    19 van de Woningwet die feitelijk werkzaam is binnen de
                                    gemeente;</al></li><li nr="m."><al>Woningzoekende: huishouden dat woonruimte zoekt in het Stedelijk
                                    Gebied Eindhoven.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>TOEPASSINGSBEREIK</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Aanwijzing categorieën van woningen waarin urgent woningzoekenden
                                gehuisvest kunnen worden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor woonruimten, in eigendom van woningcorporaties binnen het
                                Stedelijk Gebied Eindhoven, met een huurprijs beneden de
                                huurtoeslaggrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van
                                de Wet op de Huurtoeslag, kunnen woningzoekenden worden aangewezen
                                als urgent. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a
                                        tot en met c, van de Leegstandwet;</al></li><li nr="b."><al>onzelfstandige woonruimten;</al></li><li nr="c."><al>bedrijfswoningen;</al></li><li nr="d."><al>kamergewijze huisvesting;</al></li><li nr="e."><al>zorg- en aanleunwoningen, die als zodanig zijn aangemerkt en
                                        waarbij in beginsel directe bemiddeling plaatsvindt. tenzij
                                        directe bemiddeling redelijkerwijs niet kan plaatsvinden en
                                        de toewijzing wegens medische urgentie als bedoeld in deze
                                        verordening geschiedt; </al></li><li nr="f."><al>woonruimte die verhuurd wordt op basis van een tijdelijk
                                        huurcontract als bedoeld in artikel 2:274 leden 2 of 4 van
                                        het Burgerlijk Wetboek; </al></li><li nr="g."><al>standplaatsen voor woonwagens;</al></li><li nr="h."><al>door het college van burgemeester en wethouders in overleg
                                        met de woningcorporatie aan te wijzen vormen van woon- of
                                        leefgemeenschap.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid kan zowel onzelfstandige woonruimte
                                als kamergewijze huisvesting ingezet worden ten behoeve van de
                                huisvesting van statushouders. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>URGENTIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Urgent woningzoekenden</titel></kop><al>Voor de in artikel 2 aangewezen categorieën woonruimte wordt bij het
                            verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang gegeven aan
                            urgent-woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan
                            woonruimte dringend noodzakelijk is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Algemene voorwaarden voor het verkrijgen van een beschikking tot
                                indeling in een urgentiecategorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Beschikkingen tot indeling in een of meerdere urgentiecategorieën
                                als bedoeld in artikel 6 (de “urgentiebeschikking”) worden
                                uitsluitend afgegeven indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van een bijzondere (nood)situatie die is
                                        ontstaan buiten verwijtbare schuld van de woningzoekende,
                                        met dien verstande dat in voorkomende situaties rekenschap
                                        wordt gegeven van het op het moment van de aanvraag tot
                                        beschikking vigerende Sanctie &amp; Kansenbeleid (of daarmee
                                        naar zijn aard gelijk te stellen beleidsdocument) van de
                                        woningcorporatie waar de woningzoekende zich overeenkomstig
                                        het bepaalde in artikel 8 heeft geregistreerd, en;</al></li><li nr="b."><al>de individuele situatie van de woningzoekende en zijn inzet
                                        om zelf bij te dragen aan de oplossing van het woonprobleem
                                        zijn uitgangspunten voor de beoordeling van het verzoek om
                                        urgentiebeschikking, en;</al></li><li nr="c."><al>de woningzoekende is voor het oplossen van de noodsituatie
                                        expliciet aangewezen op zelfstandige woonruimte, en;</al></li><li nr="d."><al>het jaarverzamelinkomen van het huishouden van
                                        woningzoekende bedraagt niet meer dan de EU-normering, zoals
                                        die luidt op het moment van de aanvraag van de beschikking,
                                        om voor een sociale huurwoning in aanmerking te komen,
                                        en;</al></li><li nr="e."><al>de woningzoekende niet reeds een urgentiebeschikking heeft
                                        verkregen die op basis van artikel 7, derde lid, is
                                        ingetrokken dan wel die op basis van artikel 7, vierde lid,
                                        onder b of d, van rechtswege is vervallen, en;</al></li><li nr="f."><al>de woningzoekende is 18 jaar of ouder, en;</al></li><li nr="g."><al>de woningzoekende staat ingeschreven in een
                                        registratiesysteem voor woningzoekenden als bedoeld in
                                        artikel 8, tenzij deze registratie voor bepaalde groepen
                                        urgent-woningzoekenden in deze verordening uitdrukkelijk
                                        niet van toepassing wordt verklaard, en;</al></li><li nr="h."><al>de woningzoekende is niet via de reguliere weg woonruimte
                                        aangeboden teneinde in de dringende behoefte aan passende
                                        woonruimte te voorzien in welk kader het verzoek wordt
                                        gedaan, welke woonruimte door hem/haar is geweigerd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op statushouders.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Urgentiecriteria/categorieën</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de in artikel 2 aangewezen categorieën van woonruimte
                                    worden bij het verlenen van huisvestingsvergunningen als urgent
                                    woningzoekenden aangewezen: woningzoekenden met een;</al><lijst><li nr="a."><al>een maatschappelijke urgentie;</al></li><li nr="b."><al>een medische urgentie;</al></li><li nr="c."><al>een volkshuisvestelijke urgentie; </al></li><li nr="d."><al>een sociale urgentie. </al></li></lijst><al>indien en voor zover zij voldoen aan de in artikel 4 genoemde algemene
                            voorwaarden voor het verkrijgen van een urgentiebeschikking, als ook aan
                            de hieronder per categorie-onderdeel opgesomde criteria. </al></li><li nr="2."><al>In de navolgende gevallen is sprake van een
                                        <onderstreept>maatschappelijke urgentie</onderstreept>:</al><lijst><li nr="a."><al>een woningzoekende die mantelzorg verleent of ontvangt,
                                            in het geval dat:</al><lijst><li nr="1°"><al>er sprake is van langdurige zorg waarvan sprake is van minimaal 8 uur
                            per week verdeeld over minimaal 4 dagen per week en dat de zorgrelatie
                            duurzaam van aard is in die zin dat hier – naar verwachting – nog
                            tenminste 3 jaar sprake zal zijn, en; </al></li><li nr="2°"><al>de vervangende huisvesting een wezenlijke bijdrage levert aan de
                            taakverlichting van de mantelzorger.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>een woningzoekende die het slachtoffer is van problemen van
                            relationele aard of in verband met geweld zijn of haar woonruimte heeft
                            verlaten met kinderen die voor hun huisvesting aangewezen zijn op de
                            woning van de ouder(s), in het geval dat:</al><lijst><li nr="1°"><al>(afhankelijk van de aard en ernst van het delict) een of meerdere
                            aangiftes is gedaan, en; </al></li><li nr="2°"><al>aangetoond kan worden dat terugkeer naar de woning niet meer
                            mogelijk is. </al></li></lijst></li><li nr="c."><al>een woningzoekende met kinderen die voor hun huisvesting aangewezen
                            zijn op de woning van de ouder(s) die hun woonruimte moeten verlaten
                            door gedwongen verkoop van hun woonruimte, in het geval dat:</al><lijst><li nr="1°."><al>de woningzoekende een schrijven van de bank of de
                            hypotheekverstrekker kan overleggen waaruit blijkt dat sprake is van
                            gedwongen verkoop, en;</al></li><li nr="2°."><al>er naar objectieve maatstaven geen andere, goedkopere, woning
                            gekocht of gehuurd kan worden, en;</al></li><li nr="3°."><al>de gedwongen verkoop niet het gevolg is van verwijtbaar
                            (betaal)gedrag.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>een woningzoekende met kinderen die voor hun huisvesting aangewezen
                            zijn op de woning van de ouder(s) die hun woonruimte moeten verlaten
                            door echtscheiding, ontbinding van het geregistreerd partnerschap,
                            beëindiging samenwoning op basis van een notarieel vastgelegd
                            samenlevingscontract of beëindiging samenwoning waarbij sprake is van
                            gezamenlijk ouderlijk gezag, waarbij de dreiging van dakloosheid van de
                            betrokken kinderen zich voordoet, in het geval dat: </al><lijst><li nr="1°."><al>de woningzoekende een gelijk deel of de meerderheid van de zorg
                            heeft over de kinderen, en;</al></li><li nr="2°."><al>de kinderen staan ingeschreven bij de woningzoekende in de
                            gemeentelijke Basisregistratie Personen, en; </al></li><li nr="3°."><al>de woningzoekende met objectieve gegevens kan aantonen dat door de
                            woningzoekende het recht is geclaimd om in de huidige woonruimte te
                            blijven wonen, als ook voldoende alimentatie of ander inkomen om de
                            woonlasten op te kunnen brengen zijn geclaimd en deze claim niet is
                            toegekend dan wel dat het niet zinvol is om een dergelijke claim te
                            leggen waarvan in ieder geval sprake is in het geval dat</al><lijst><li nr="aa."><al>de betreffende woning op naam van de partner staat, voor zover er
                            geen sprake is van gemeenschap van goederen, en;</al></li><li nr="bb."><al>de partner, waarbij de claim zou worden neergelegd, aantoonbaar een
                            uitkering op bijstandsniveau heeft, en;. </al></li></lijst></li><li nr="4°."><al>de woningzoekende met objectieve gegevens kan aantonen dat het
                            huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de samenwoning duurzaam van
                            aard was. Van duurzaamheid is sprake wanneer het huwelijk dan wel de
                            samenleving minimaal twee jaren heeft bestaan en korter dan zes maanden
                            geleden is verbroken. </al><al>Het bepaalde onder 2°is niet van toepassing indien en voor zover de zorg
                            voor de kinderen voor gelijke delen tussen de ouders is verdeeld en het
                            kind aantoonbaar op het woonadres van de andere ouder staat
                            ingeschreven.</al><al>Het bepaalde onder 3° en 4° is niet van toepassing indien er sprake is
                            van zwaarwegende redenen zoals bedreiging door (ex)partner. </al></li></lijst></li><li nr="e."><al>een woningzoekende met kinderen die voor hun huisvesting aangewezen
                            zijn op de woning van de ouder(s) die vanuit een bijstandssituatie
                            doorgestroomd is naar een structurele betaalde baan in het Stedelijk
                            Gebied Eindhoven, in het geval dat,</al><lijst><li nr="1°"><al>de baan van dien omvang is dat de woningzoekende ten gevolge van de
                            daaruit verkrijgen inkomsten niet meer voor het verkrijgen van een
                            bijstandsuitkering in aanmerking komt, en;</al></li><li nr="2°"><al>vanwege de situatie en de afstand van de woningzoekende
                            redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij/zij forenst.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="3."><al>In de navolgende gevallen is sprake van een
                                        <onderstreept>medische urgentie</onderstreept>: </al><lijst><li nr="a."><al>een woningzoekende waarbij sprake is van ernstige
                                            fysiek-, psychiatrische of psychische problemen die het
                                            functioneren in de huidige woonsituatie ernstig en
                                            duurzaam belemmeren in het geval dat: </al><lijst><li nr="1°"><al>de aard en ernst van de problematiek door onafhankelijk medisch,
                            psychiatrisch of psychologisch onderzoek wordt aangetoond, en;</al></li><li nr="2°"><al>andere huisvesting noodzakelijk is voor de oplossing of het draaglijk
                            maken van het medisch probleem. </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>een woningzoekende die in het kader van de Wmo een indicatie heeft
                            voor verhuizing in verband met ernstige fysieke beperkingen, in het
                            geval dat:</al><lijst><li nr="1°"><al>de verhuizing spoedeisend is, en;</al></li><li nr="2°"><al>de verhuizing is de goedkoopste adequate voorziening. </al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="4."><al>In de navolgende gevallen is sprake van een
                                        <onderstreept>volkshuisvestelijke
                                    urgentie</onderstreept>:</al><lijst><li nr="a."><al>een statushouder;</al></li><li nr="b."><al>een huurder van een woning van een woningcorporatie die
                                            op grond van een sociaal plan bij herstructurering of
                                            sloop van huurwoningen in aanmerking komt voor
                                            vervangende huisvesting;</al></li><li nr="c."><al>een huishouden dat vanwege de opkoop van zijn woning
                                            door de gemeente in het belang van de uitvoering van
                                            openbare werken, buiten het kader van
                                            stadsvernieuwingsprojecten om, in aanmerking komt voor
                                            vervangende huisvesting.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>In de navolgende gevallen is sprake van een
                                        <onderstreept>sociale urgentie</onderstreept>: </al><lijst><li nr="a."><al>een woningzoekende die vanuit een intramurale setting
                                            met begeleiding (maatwerkvoorziening) doorstroomt naar
                                            zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>een woningzoekende die vanwege problemen van relationele
                                            aard of huiselijk geweld in een instelling verblijft en
                                            uitstroomt naar zelfstandig wonen. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verzoek om indeling in een urgentiecategorie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verzoek om te worden ingedeeld in een of meerdere
                                    urgentiecategorieën wordt ingediend door of namens de
                                    woningzoekende door gebruikmaking van een door het college van
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek is vergezeld van de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>naam, geboortedatum en contactgegevens van de
                                            woningzoekende en – voor zover van toepassing –
                                            zijn/haar kinderen;</al></li><li nr="b."><al>omvang van het huishouden van de woningzoekende;</al></li><li nr="c."><al>het huishoudinkomen van de woningzoekende;</al></li><li nr="d."><al>aanduiding van de noodzaak en de motivering van het
                                            verzoek.</al></li></lijst><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om nadere regels
                            op te stellen voor wat betreft de vereiste informatie die een
                            woningzoekende moet overleggen teneinde een adequate behandeling van een
                            verzoek mogelijk te maken. </al></li><li nr="3."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan van de
                                    woningzoekende verlangen nadere gegevens in te dienen indien dit
                                    naar haar oordeel voor de behandeling van het verzoek nuttig of
                                    noodzakelijk is.</al></li><li nr="4."><al>Voor het in behandeling nemen van een verzoek van een
                                    woningzoekende om in een of meerdere urgentiecategorieën te
                                    worden ingedeeld is de woningzoekende leges verschuldigd. Indien
                                    het verzoek van de woningzoekende leidt tot het verkrijgen van
                                    een urgentiebeschikking worden de betaalde leges
                                    gerestitueerd.</al></li></lijst><al>Het bepaalde in dit artikellid is niet van toepassing op
                            statushouders.</al><lijst><li nr="5."><al>Bij de beoordeling van verzoeken tot indeling in een of meerdere
                                    urgentiecategorieën vraagt het college van burgemeester en
                                    wethouders advies aan de op basis van artikel 12 in het leven
                                    geroepen commissie.</al></li><li nr="6."><al>Het bepaalde in het vijfde lid is niet van toepassing, indien
                                    het verzoek wordt gedaan door woningzoekenden met een medische
                                    urgentie als bedoeld in artikel 5, derde lid, onder b en/of een
                                    volkshuisvestelijke urgentie als bedoeld in artikel 5, vierde
                                    lid en/of een sociale urgentie als bedoeld in artikel 5, vijfde
                                    lid. </al></li><li nr="7."><al>Het college van burgemeester en wethouders neemt binnen 6 weken
                                    na ontvangst van het verzoek een beslissing op een verzoek tot
                                    indeling in een of meerdere urgentiecategorieën. De beschikking
                                    bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam en contactgegevens van de woningzoekende;</al></li><li nr="b."><al>de datum van het verzoek als bedoeld in het eerste
                                            lid;</al></li><li nr="c."><al>de urgentiecategorie(ën) waarin de woningzoekende is
                                            ingedeeld;</al></li><li nr="d."><al>de duur dat de beschikking rechtskracht heeft. </al></li></lijst><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om nadere regels
                            op te stellen voor wat betreft de inhoud van een urgentiebeschikking. </al></li><li nr="8."><al>De beschikking op een verzoek tot indeling in een of meerdere
                                    urgentiecategorieën kan de woningzoekende bij alle gemeenten
                                    binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven overleggen bij de aanvraag
                                    om een huisvestingsvergunning. </al></li><li nr="9."><al>De beschikking op een verzoek tot indeling in een of meerdere
                                    urgentiecategorieën geeft recht op een passende woning binnen
                                    het Stedelijk Gebied Eindhoven binnen zes maanden na afgifte van
                                    de beschikking. </al></li></lijst><al>Of een woning al dan niet passend is, staat ter beoordeling van de
                            woningcorporatie in wiens verzorgingsgebied de woningzoekende die een
                            urgentiebeschikking heeft verkregen, woont of gaat wonen. De
                            desbetreffende woningcorporatie betrekt bij haar toets de mogelijkheden
                            op de woningmarkt, de geldende regels rond inkomens en de
                            huishoudensgrootte. </al><lijst><li nr="10."><al>Een verzoek tot indeling in een urgentiecategorie waarop in het
                            verleden negatief is beslist, wordt alleen dan in behandeling genomen
                            wanneer de woningzoekende gewijzigde feiten en/of omstandigheden
                            aandraagt die het (hernieuwde) verzoek onderbouwen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Intrekken, verval van rechtswege of wijzigen van een
                                urgentiebeschikking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een
                                    urgentiebeschikking intrekken, in het geval dat de
                                    woningzoekende:</al><lijst><li nr="a."><al>niet langer als een woningzoekende in de zin van artikel
                                            3 is aan te merken;</al></li><li nr="b."><al>niet langer aan de vereisten voor het verkrijgen van
                                            urgentie voldoet;</al></li><li nr="c."><al>bij het verzoek tot indeling in een of meerdere
                                            urgentiecategorieën gegevens en/of bescheiden heeft
                                            overlegd waarvan hij wist, of redelijkerwijs zou moeten
                                            weten, dat deze onjuist en/of onvolledig waren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In het geval dat bij een intrekking op basis van het eerste lid,
                                    onder b, bij het toewijzen van de urgentiebeschikking advies is
                                    gevraagd aan de urgentiecommissie als bedoeld in artikel 12,
                                    wint het college van burgemeester en wethouders ook,
                                    overeenkomstig de procedure opgenomen in artikel 6, advies in
                                    omtrent de voorgenomen intrekking.</al></li><li nr="3."><al>Na het intrekken van een urgentiebeschikking kan op grond van
                                    dezelfde omstandigheden niet opnieuw een urgentiebeschikking
                                    worden verkregen tot indeling in diezelfde urgentiecategorie.
                                </al></li><li nr="4."><al>Een urgentiebeschikking vervalt van rechtswege, derhalve zonder
                                    dat hiervoor een beschikking van het college van burgemeester en
                                    wethouders voor nodig is, in het geval dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekende een passende woning heeft geaccepteerd
                                            dan wel zelfstandige woonruimte voor onbepaalde tijd in
                                            gebruik heeft genomen; </al></li><li nr="b."><al>de woningzoekende een aanbod voor een passende woning
                                            heeft afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>de woningzoekende gedurende twaalf maanden geen gebruik
                                            heeft gemaakt van de toegekende urgentie; </al></li><li nr="d."><al>12 maanden na afgifte van de urgentiebeschikking zijn
                                            verstreken tenzij de woningzoekende in deze periode geen
                                            passende woning is aangeboden in welk geval voor de
                                            termijn van 12 maanden het moment moet worden gelezen
                                            waarop een passende woning is aangeboden en deze door de
                                            woningzoekende is afgewezen;</al></li><li nr="e."><al>(voor zover het betreft de originele
                                            urgentiebeschikking) de woningzoekende in een andere
                                            urgentiecategorie wordt ingedeeld als bedoeld in het
                                            zesde lid. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan, indien er sprake
                                    is van bijzondere omstandigheden, besluiten om de
                                    geldigheidsduur van de urgentiebeschikking te verlengen na
                                    ommegang van de periode bedoeld in het vierde lid, onder c.
                                </al></li><li nr="6."><al>Een woningzoekende kan, al dan niet op zijn eigen verzoek, in
                                    een andere urgentiecategorie worden ingedeeld, indien gewijzigde
                                    omstandigheden daar naar het oordeel van het college van
                                    burgemeester en wethouders aanleiding toe geven. Artikel 6 leden
                                    5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op de indeling in een
                                    andere urgentiecategorie. </al></li></lijst><al>Aan de woningzoekende wordt vervolgens een nieuwe urgentiebeschikking
                            verstrekt. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>INSCHRIJVING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Registratie van woningzoekenden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Woningzoekenden registreren zich bij een in het Stedelijk Gebied
                                Eindhoven werkzame woningcorporatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een woningcorporatie draagt in het kader van deze verordening zorg
                                voor een adequate registratie van woningzoekenden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De woningcorporatie biedt de woningzoekende inzicht in zijn/haar
                                registratie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De registratie bij een woningcorporatie in een andere gemeente in
                                het Stedelijk Gebied Eindhoven is, indien en voor zover de
                                woningzoekende een urgentiebeschikking als bedoeld in artikel 6 van
                                deze verordening heeft verkregen, ook geldig als registratie als
                                woningzoekende in deze gemeente. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor
                                woningzoekenden als bedoeld in artikel 5, vierde lid, onder a van
                                deze verordening. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>HUISVESTINGSVERGUNNING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om zonder huisvestingsvergunning een woonruimte,
                                zoals aangewezen in artikel 2, eerste lid, in gebruik te nemen voor
                                bewoning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunningplicht geldt uitsluitend
                                indien een woningzoekende door het verkrijgen van een
                                urgentiebeschikking in aanmerking komt voor de desbetreffende
                                woonruimte. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Aanvraag, inhoud en verval huisvestingsvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een huisvestingsvergunning wordt door of
                                    namens de woningzoekende ingediend door gebruikmaking van een
                                    door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld
                                    formulier.</al></li><li nr="2."><al>Bij de aanvraag om een huisvestingsvergunning worden de volgende
                                    gegevens verstrekt: </al><lijst><li nr="a."><al>naam, contactgegevens, leeftijd, nationaliteit en –
                                            indien van toepassing – de verblijfstitel van de
                                            aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>het aantal personen dat deel uitmaakt van het huishouden
                                            dat de woonruimte zal betrekken;</al></li><li nr="c."><al>bescheiden aan de hand waarvan het huishoudinkomen van
                                            de woningzoekende kan worden vastgesteld;</al></li><li nr="d."><al>beoogde datum van het betrekken van de woonruimte;</al></li><li nr="e."><al>een afschrift van de urgentiebeschikking, met dien
                                            verstande dat dit afschrift ook in een later stadium,
                                            doch uiterlijk voor het besluitvormingsmoment mag worden
                                            overgelegd;</al></li></lijst><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om nadere regels
                            op te stellen voor wat betreft de vereiste informatie die een
                            woningzoekende moet overleggen teneinde een adequate behandeling van de
                            aanvraag mogelijk te maken. </al></li><li nr="3."><al>Het college van burgemeester en wethouders beslist binnen 7
                                    werkdagen op een aanvraag om huisvestingsvergunning. Indien de
                                    aanvrager gebruik maakt van de in het tweede lid, onder e,
                                    neergelegde mogelijkheid om het afschrift van de
                                    urgentiebeschikking in later stadium te overleggen, gaat de
                                    beslistermijn lopen met ingang van de dag na die waarop het
                                    afschrift is overlegd.</al></li><li nr="4."><al>Indien de aanvraag of één of meerdere punten onvolledig is,
                                    retourneert het college van burgemeester en wethouders de
                                    aanvraag per ommegaande. Zij stelt de woningzoekende daarbij in
                                    de gelegenheid om binnen 7 werkdagen na verzenddatum van de
                                    retourzending een volledige aanvraag in te dienen. Indien de
                                    woningzoekende nalaat de aanvraag (tijdig) te completeren, stelt
                                    het college van burgemeester en wethouders de aanvraag met
                                    toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht
                                    buiten behandeling. </al></li><li nr="5."><al>De huisvestingsvergunning vermeldt in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een aanduiding van de woonruimte waarop de vergunning
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="b."><al>aan wie de vergunning is verleend; </al></li><li nr="c."><al>het aantal personen dat de woonruimte in gebruik
                                            neemt;</al></li><li nr="d."><al>de voorwaarde dat de vergunninghouder de woonruimte
                                            binnen de in de vergunning genoemde termijn, welke
                                            nimmer meer mag zijn dan 8 weken, in gebruik moet nemen
                                            bij in gebreke waarvan de vergunning vervalt. </al></li></lijst></li><li nr="6."><al>De huisvestingsvergunning vervalt van rechtswege indien de
                                    daaraan ten basis liggende urgentiebeschikking met toepassing
                                    van artikel 7 is ingetrokken of van rechtswege is komen te
                                    vervallen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Rangorde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als op grond van deze verordening meerdere urgent-woningzoekenden
                                tegelijkertijd met voorrang in aanmerking komen voor dezelfde
                                woonruimte, wordt de rangorde als volgt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>als eerste komen in aanmerking statushouder
                                        (volkshuisvestelijke urgentie als bedoeld in artikel 5 lid 4
                                        onder a), en woningzoekenden die verblijven in een
                                        voorziening voor de tijdelijke opvang van personen, die in
                                        verband met problemen van relationele aard of geweld hun
                                        woonruimte hebben verlaten (sociale urgentie als bedoeld in
                                        artikel 5 lid 5 onder b); </al></li><li nr="b."><al>daarna komen in aanmerking de overige woningzoekenden die in
                                        een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 5 zijn
                                        ingedeeld, ieder op het moment waarop een voor de
                                        desbetreffende urgentiecategorie naar het oordeel van het
                                        college van burgemeester en wethouders passende woning
                                        beschikbaar is; </al></li><li nr="c."><al>Als op grond van het bepaalde onder a of b meerdere
                                        woningzoekenden (al dan niet in dezelfde urgentiecategorie)
                                        voor dezelfde passende woning in aanmerking komen, gaat de
                                        woningzoekende met een eerder afgegeven urgentiebeschikking
                                        voor op die met een later afgegeven
                                        urgentiebeschikking.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd nadere regels
                                te stellen voor wat betreft het bepalen van de rangorde van te
                                huisvesten urgent woningzoekenden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Urgentiecommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op grond van deze verordening komt de Urgentiecommissie Stedelijk
                                Gebied Eindhoven tot stand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Urgentiecommissie Stedelijk Gebied Eindhoven is onafhankelijk ten
                                opzichte van de in het Stedelijk Gebied Eindhoven gelegen gemeenten
                                en de daarin werkzame woningbouwcorporaties. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De taak van de Urgentiecommissie Stedelijk Gebied Eindhoven is het
                                uitbrengen van een bindend advies aan het college van burgemeester
                                en wethouders over een verzoek tot indeling in een of meerdere
                                urgentiecategorieën in het kader van de toewijzing van
                                woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders stelt, in overleg met de
                                gemeenten en de woningcorporaties gelegen dan wel werkzaam binnen
                                het Stedelijk Gebied Eindhoven, een Reglement van Orde vast op basis
                                waarvan de (regionale) Urgentiecommissie Stedelijk Gebied Eindhoven
                                haar adviserende werkzaamheden vervult. In dit Reglement van Orde
                                wordt in ieder geval geregeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de samenstelling van de commissie;</al></li><li nr="b."><al>de voorwaarden die aan lidmaatschap van de commissie worden
                                        gesteld;</al></li><li nr="c."><al>de benoeming en het ontslag van commissievoorzitter en
                                        –leden;</al></li><li nr="d."><al>de manier waarop de commissie wordt ondersteund;</al></li><li nr="e."><al>de werkwijze van de commissie, waaronder in ieder geval
                                        begrepen de afhandeling van urgentieaanvragen, het
                                        inschakelen van deskundigen, het horen van woningzoekenden,
                                        het inwinnen van relevante informatie en de
                                        informatievoorziening richting het college van burgemeester
                                        en wethouders;</al></li><li nr="f."><al>dat de commissie achter gesloten deuren vergadert. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bezwaarschriftencommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de voorbereiding en advisering bij de beslissing op bezwaren
                                tegen besluiten op grond van deze verordening stelt het college van
                                burgemeester en wethouders, in overleg met de colleges van
                                burgemeester en wethouders van de overige gemeenten in het Stedelijk
                                Gebied Eindhoven, een commissie in als bedoeld in artikel 7:13 van
                                de Algemene wet bestuursrecht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Bezwaarschriftencommissie is onafhankelijk ten opzichte van de in
                                het Stedelijk Gebied Eindhoven gelegen gemeenten en de daarin
                                werkzame woningcorporaties. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bezwaarschriftencommissie kan op verschillende locaties binnen
                                het Stedelijk Gebied Eindhoven zitting houden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bezwaarschriftencommissie brengt jaarlijks verslag uit van haar
                                werkzaamheden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders stelt, in overleg met de
                                colleges van burgemeester en wethouders de overige gemeenten in het
                                Stedelijk Gebied Eindhoven, een reglement vast waarin in ieder geval
                                wordt geregeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de samenstelling van de commissie;</al></li><li nr="b."><al>de voorwaarden die aan lidmaatschap van de commissie worden
                                        gesteld;</al></li><li nr="c."><al>de benoeming en het ontslag van commissievoorzitter en
                                        –leden;</al></li><li nr="d."><al>de manier waarop de commissie wordt ondersteund;</al></li><li nr="e."><al>de werkwijze van de commissie;</al></li><li nr="f."><al>dat de commissie achter gesloten deuren vergadert. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bezwaarschriftencommissie is bevoegd om namens het college van
                                burgemeester en wethouders de beslistermijn op bezwaarschriften te
                                verlengen overeenkomstig artikel 7:10, derde lid, van de Algemene
                                wet bestuursrecht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In uiterst bijzondere gevallen van schrijnende sociaal-maatschappelijke
                            problematiek kan het college van burgemeester en wethouders op aanvraag
                            van de urgentiecommissie en voorzien van een door deze commissie
                            uitgebracht daartoe strekkend advies, in individuele gevallen waarin de
                            toepassing van deze verordening naar hun oordeel leidt tot een
                            bijzondere hardheid ten gunste van de woningzoekende afwijken van het
                            bepaalde in deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Mandatering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan de uitvoering van de
                                bevoegdheden opgenomen in artikel 6 en artikel 7 (met uitzondering
                                van het vijfde lid van dat artikel), mandateren aan de in artikel 12
                                bedoelde urgentiecommissie of een aan het dagelijks bestuur van een
                                in het Stedelijk Gebied Eindhoven werkzame woningcorporatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan de uitvoering van de
                                bevoegdheden van hoofdstuk 5 van deze verordening, mandateren aan
                                het dagelijks bestuur van een in het Stedelijk Gebied Eindhoven
                                werkzame woningcorporatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegdheid opgenomen in artikel 14 wordt niet gemandateerd.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De mandataris rapporteert jaarlijks aan de mandans hoe van de
                                gemandateerde bevoegdheid gebruik is gemaakt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding en geldigheidsduur</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016 en vervalt van
                            rechtswege op 1 januari 2020. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>intrekking oude verordeningen en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Regionale nood-Huisvestingsverordening 2012 en de Regionale
                                Huisvestingsverordening SRE wordt ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Urgentiebeschikkingen die zijn verleend op basis van de Regionale
                                nood-Huisvestingsverordening 2012 worden gelijk gesteld met een
                                urgentiebeschikking die is verleend op basis van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Urgentiebeschikkingen die nog in procedure zijn op het moment van de
                                inwerkingtreding van deze verordening worden op basis van de
                                Regionale nood-Huisvestingsverordening 2012 afgewerkt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Urgentieverordening gemeente
                            Geldrop-Mierlo 2016”. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 december
                        2015.</ondertekening><ondertekening>de raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>G.A.A. van Luijn B.H.M. Link</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening>Urgentieverordening gemeente Geldrop-Mierlo 2016</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>1.Per 1 januari 2015 is de Huisvestingswet 2014 (Hv14) in werking getreden.
                    Kenmerk van de Hv14 is dat de wetgever hiermee het uitputtende instrumentarium
                    aan gemeenten geeft om in te grijpen in de verdeling van woonruimte en de
                    samenstelling van de woningvoorraad. De wetgever schrijft voor dat het gebruik
                    maken van dat instrumentarium uitsluitend mogelijk is wanneer daarvoor een
                    publiekrechtelijke basis in de vorm van een verordening is gegeven. Dit betekent
                    dat aan de gangbare praktijk waarbij gemeenten en woningcorporaties in de vorm
                    van convenanten onderling afspraken maken een einde komt. </al><al>De gemeenteraad is het bevoegde orgaan om de verordening vast te stellen
                    (artikel 139 Gemeentewet). De Hv14 laat de uitvoering van de wet aan het college
                    van burgemeester en wethouders. Het college is dus het bevoegd gezag.</al><al>2.Verordeningen die zijn gebaseerd op de oude Huisvestingswet komen van
                    rechtswege te vervallen op het moment dat de Hv14 zes maanden in werking is.
                    Voor verordeningen die zijn vastgesteld door het algemeen bestuur van een
                    plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen
                    (oud) geldt een overgangstermijn van één jaar. Dit betekent dat voor de
                    gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven de thans van toepassing zijnde
                    huisvestingswet op 1 januari 2016 komt te vervallen. Op dat moment is voor het
                    toepassen van het instrumentarium van de Hv14 een nieuwe verordening
                    noodzakelijk. </al><al>Als gevolg van het vervallen van de Wgr-plusregio’s en het uitgangspunt van een
                    uniforme regeling voor wat betreft het huisvesten van urgent-woningzoekenden is
                    het noodzakelijk dat alle gemeenteraden binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven
                    voorliggende verordening op zulk moment vaststellen dat bekendmaking (ex artikel
                    139 gemeentewet) en inwerkingtreding (ex artikel 142 Gemeentewet) hiervan voor 1
                    januari 2016 kan plaatsvinden. </al><al>3.Teneinde periodieke toetsing en herijking te kunnen laten plaatsvinden mag een
                    verordening een geldingsduur van ten hoogste 4 jaar hebben. Hierna vervalt de
                    verordening van rechtswege. Voor het gebruik (blijven) maken van het
                    instrumentarium van de Hv14 is het alsdan noodzakelijk om een (eventueel
                    aangepaste) verordening vast te stellen. </al><al>Het vorenstaande neemt niet weg dat tussentijdse evaluatie van de verordening
                    zal plaatsvinden en – zo nodig – bijgestuurd kan worden. Immers, met de
                    gewijzigde insteek van de wetgever om urgentieverlening nog uitsluitend bij
                    verordening mogelijk te maken en onder verantwoordelijkheid van het college van
                    burgemeester en wethouders te verlenen, is in den lande nog nauwelijks ervaring
                    opgedaan: verordeningen van gemeenten die niet vielen onder een voormalige
                    Wgr-Plusregio moesten op 1 juli jl. in werking treden zodat ook die verordening
                    nog maar zeer kort in werking zijn. </al><al>Bij de (tussentijdse) evaluatie kan de consensus zijn dat de criteria en
                    categorieën opgenomen in de artikelen 4 en 5 uitgebreid, anders geformuleerd
                    moeten worden of moeten voorzien van meer of juist minder specifieke
                    voorwaarden. Op dat moment kan en zal herijking op zijn plaats zijn. </al><tussenkop>Totstandkoming van de verordening</tussenkop><al>4.De wetgever heeft in het kader van het totstandkomingstraject van de
                    verordening een overlegverplichting met de woningcorporaties en
                    woonconsumentenorganisaties die werkzaam zijn in de gemeente, in het leven
                    geroepen (artikel 6 Hv14). In het geval de huisvesting van specifieke
                    doelgroepen in het geding is, kunnen ook organisaties op het gebied van welzijn
                    en zorg voor overleg in aanmerking komen. Het moet daarbij gaan om organisaties
                    van een voldoende omvang en met een voldoende representativiteit voor de
                    doelgroep. De wijze waarop het overleg wordt vormgegeven is vormvrij. </al><al>Tussen de gemeenten in het Stedelijk Gebied en de daarin werkzame
                    woningcorporaties heeft nadrukkelijk overleg plaatsgevonden. In dit proces zijn
                    keuzes gemaakt die hebben geleid tot deze verordening. In het proces is er voor
                    gewaakt dat de gemaakte keuzes transparant zijn en tussen de stakeholders worden
                    gecommuniceerd. Over de inhoud van de verordening is consensus bereikt. Er is
                    sprake van voldoende draagvlak aan de zijde van zowel gemeenten als
                    woningcorporaties om het urgentiebeleid op de voorliggende wijze in te
                    vullen.</al><tussenkop>Instrumenten van de Hv14 </tussenkop><lijst><li nr="5."><al>De Hv14 kent meerdere instrumenten die bij het ingrijpen in de verdeling
                            van woonruimte en de samenstelling van de woningvoorraad toegepast
                            kunnen worden. In beginsel mogen deze instrumenten uitsluitend toegepast
                            worden bij schaarste op de woningmarkt. Dit leidt uitzondering in het
                            geval van de huisvesting van urgent-woningzoekenden. Dit instrument mag
                            iedere gemeente op basis van een verordening toepassen, óók wanneer in
                            de gemeente geen sprake is van schaarste.</al></li><li nr="6."><al>De voorliggende verordening gaat uitsluitend in op de huisvesting van
                            urgent-woningzoekenden. Dit betekent dat met de toepasbare instrumenten
                            bij schaarste géén rekening is gehouden. De gemeenten in het Stedelijk
                            Gebied Eindhoven waarin sprake is van schaarste en de wens bestaat om
                            het instrumentarium van de Hv14 toe te passen, kunnen met enkele
                            eenvoudige aanpassingen<sup/> de in de voorliggende urgentieregeling in
                            hun verordening integreren. Het gevolg is dat deze gemeenten een
                            uitgebreidere verordening kennen, maar dat nog altijd de gewenste
                            uniformiteit rondom urgentieverlening in stand blijft. </al></li><li nr="7."><al>Wat regelt de verordening verder
                                    <cursief><onderstreept>niet</onderstreept></cursief>? </al></li></lijst><al>Dat deze verordening uitsluitend ziet op huisvesting van urgent-woningzoekenden
                    betekent ook dat deze <cursief><onderstreept>niet</onderstreept></cursief> de
                    huisvesting van reguliere woningzoekenden en de zogenoemde “spoedzoekers” (een
                    categorie woningzoekenden die graag op korte termijn wil verhuizen, maar
                    waarvoor geen acute noodzaak in de vorm van dreigende dakloosheid bestaat, van
                    toepassing is) regelt. Daarvoor is en blijft het beleid van de individuele
                    woningcorporaties leidend. Evenmin brengt de verordening wijziging in het
                    uitgangspunt dat 25% van de sociale woningvoorraad aan urgent-woningzoekenden
                    mag worden toegekend. Dit percentage maakt inzichtelijk wat de verhouding tussen
                    de regulier woningzoekenden (waaronder de voornoemde ‘spoedzoekers’) en de
                    groepen woningzoekenden die op basis van urgentie met voorrang worden gehuisvest
                    is. Bovendien, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt is het percentage
                    géén contingent. Het is dus <cursief><onderstreept>niet</onderstreept></cursief>
                    zo dat, indien het percentage in een jaar is gehaald, er voor dat jaar geen
                    urgent-woningzoekenden meer gehuisvest kunnen worden. Dit blijft gewoon
                    mogelijk. Van belang is te onderkennen dat dit percentage jaarlijks wordt
                    gemonitord zodat – zo nodig – bijgestuurd kan worden<sup/>.</al><tussenkop>Bijzonderheden van de voorliggende verordening</tussenkop><lijst><li nr="8."><al>Omdat de voorliggende verordening uitsluitend een urgentieregeling kent,
                            heeft de verordening ook als titel “Urgentieverordening” meegekregen.
                            Opgemerkt wordt dat dit uitsluitend omwille van de helderheid is gedaan.
                            Uit juridisch oogpunt is er sprake van een “Huisvestingsverordening” die
                            uitsluitend de aspecten van het ter beschikking staande instrument
                            “urgentie” regelt. De wetgever benoemt de verordening waarin het
                            instrumentarium moet zijn opgenomen bovendien ook als
                            “huisvestingsverordening”. </al></li><li nr="9."><al>Bij het opstellen van de verordening is – onder meer – het VNG-model als
                            leidraad gebruikt. Voor wat betreft de systematiek van urgentieverlening
                            en de overige wettelijk voorgeschreven bepalingen komt de voorliggende
                            verordening en het model met elkaar overeen. Wat afwijkt is dat de
                                <cursief>volgorde</cursief> waarin de onder punt 9 aan de orde
                            komende systematiek van urgentieverlening in de verordening is
                            geplaatst. Gezien het feit dat de huisvestingsvergunning het exclusieve
                            instrument is om urgent-woningzoekenden met voorrang te huisvesten,
                            regelt – onder meer – de VNG deze figuur eerst. Hierna wordt ingegaan op
                            de wijze van het verkrijgen van een urgentiebeschikking. Dit is
                            juridisch zuiver. De logica gebiedt evenwel om dit om te draaien: eerst
                            regelen hoe de urgentiebeschikking kan worden verkregen en vervolgens
                            hoe (met de urgentiebeschikking in de hand) een huisvestingsvergunning
                            verkregen kan worden. Voor wat betreft de inhoud van de verordening als
                            geheel is het verschil in volgorde volstrekt irrelevant. </al></li></lijst><tussenkop>Het systeem van de verordening</tussenkop><al>10.In hoofdlijn heeft het systeem van urgentieverlening twee stappen. Het is
                            <cursief><onderstreept>niet</onderstreept></cursief> mogelijk om een van
                    beide stappen over te slaan of om deze samen te voegen. Omwille van de
                    praktische werkbaarheid is het mogelijk om in de praktijk beide stappen in
                    elkaar te laten overvloeien, door (bijvoorbeeld) de woningcorporatie in mandaat
                    (en dus in naam van het college) zowel te laten beschikken op de aanvraag om
                    urgentiebeschikking als de aanvraag om huisvestingsvergunning. Middels separate
                    werkafspraken en in mandateringsbesluiten kunnen (en zullen) dergelijke
                    afspraken worden gemaakt. </al><al>De <cursief><onderstreept>eerste stap</onderstreept></cursief> is het verzoek
                    van een woningzoekende aan het bevoegd gezag om ingedeeld te worden in een of
                    meerdere urgentiecategorieën. Het resultaat van dit verzoek is dat de
                    woningzoekende een <cursief>beschikking</cursief> van het college ontvangt
                    waarin dit verzoek wordt toe- of afgewezen. Dit volgt uit artikel 12 lid 2 en
                    artikel 13 van de Hv14. Deze beschikking is de “urgentiebeschikking”. Bij een
                    toewijzing vermeldt de beschikking in welke urgentiecategorie de woningzoekende
                    wordt ingedeeld. De beschikking op een verzoek tot indeling in een
                    urgentiecategorie (de zgn. urgentiebeschikking) is vatbaar voor bezwaar en
                    beroep.<sup/></al><al>De <cursief><onderstreept>tweede stap</onderstreept></cursief> is dat de
                    urgent-woningzoekende een aanvraag om een huisvestingsvergunning (wederom) bij
                    het college moet indienen. De huisvestingsvergunning is immers wettelijk het
                    exclusieve instrument waarmee het bevoegd gezag daadwerkelijk voorrang aan een
                    urgent-woningzoekende kan geven. Uit de memorie van toelichting bij de
                    Hv14<sup/> volgt immers dat “van de in artikelen 12 en 13 (het voornoemde
                    indelen van woningzoekenden in een urgentiecategorie zodat die woningzoekende
                    aangemerkt kan worden als urgent-woningzoekende) neergelegde bevoegdheden alleen
                    gebruik mag worden gemaakt als sprake is van een huisvestingsvergunningstelsel”.
                    Bij de vergunningaanvraag moet de urgentiebeschikking overgelegd worden<sup/>. </al><al>Het college kan zich laten ondersteunen door een “urgentiecommissie” en heeft de
                    bevoegdheid (waarvan het in de rede ligt dat hiervan gebruik wordt gemaakt) om
                    haar bevoegdheden te mandateren aan (bijvoorbeeld) een woningcorporatie of
                    voornoemde urgentiecommissie. Op deze aspecten wordt bij de artikelsgewijze
                    toelichting nader in gegaan. </al><al>11.Wanneer de wens bestaat om aan urgent-woningzoekenden voorrang te geven en
                    hiertoe een verordening (deze urgentieverordening) opgesteld wordt, schrijft de
                    artikel 12 Hv14 voor dat er drie categorieën woningzoekenden zijn die zonder
                    meer als urgent aangemerkt moeten worden. Het betreffen vergunninghouders
                    (statushouders), personen die mantelzorg geven of ontvangen en de uitstroom van
                    personen uit blijf-van-mijn-lijf-huizen. </al><al>Buiten de wettelijk voorgeschreven urgentiecategorieën staat het vrij om
                        <cursief>bij</cursief> verordening andere categorieën woningzoekenden te
                    benoemen die in aanmerking komen voor een urgentiebeschikking. De duiding van
                    deze categorieën moet zo concreet mogelijk geformuleerd en zo objectief mogelijk
                    toetsbaar in de verordening worden opgenomen. Het opnemen van een
                    uitwerkingsbevoegdheid aan het college – bijvoorbeeld in de vorm van
                    beleidsregels – ter invulling van deze buitenwettelijke urgentiecategorieën is
                    niet toelaatbaar<sup/>. Evenmin is dit het geval indien een gemeente of
                    woningcorporatie, buiten de regels van de verordening om, urgent-woningzoekenden
                    met voorrang boven regulier woningzoekenden te huisvesten. Dit staat op
                    gespannen voet met de door de formele wetgever met de regeling in de Hv 14
                    nagestreefde transparantie. </al><al>Onderkend wordt overigens dat een absolute vorm van concreetheid en
                    objectiviteit nimmer kan worden gerealiseerd. Dit is ondervangen door de
                    hiervoor al aangehaalde urgentiecommissie in stelling te brengen. Op die wijze
                    wordt geborgd dat deskundigen het college van advies voorzien bij de aan
                    interpretatie of uitleg onderworpen beschrijving(sonderdelen) van de
                    urgentiecategorieën. </al><al>In artikel 5 van de verordening is de opsomming van urgentiecategorieën
                    opgenomen. Deze is tot stand gekomen door het beleid en de wensen van alle
                    gemeenten binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven en de daarin werkzame
                    woningcorporaties naast elkaar te leggen, door te discussiëren en te
                    stroomlijnen.</al><al>12.De verordening gaat uit van een “uitwisselbaarheid” van
                    urgent-woningzoekenden binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven. Door de gekozen
                    uniforme urgentieregeling en het principe van uitwisselbaarheid heeft het
                    zogenaamde ‘shoppen’ door een woningzoekende geen zin meer. </al><al>Uitwisselbaarheid betekent dat een woningzoekende die zich (bijvoorbeeld) bij
                    het college van de gemeente Best aanmeldt en daar een urgentiebeschikking en een
                    huisvestingsvergunning verkrijgt, niet alleen binnen de gemeente Best maar ook
                    in Geldrop-Mierlo geplaatst kan worden (en vice versa). Het instrument kan
                    hierdoor effectiever en efficiënter worden ingezet. Dit neemt echter niet weg
                    dat de individuele situatie van de woningzoekende (op basis van artikel 4 lid 1
                    onder b van de verordening) te allen tijde het uitgangspunt is. Dit betekent dat
                    de urgent-woningzoekende bij voorkeur in het eigen sociale netwerk dan wel in de
                    zelf gekozen gemeente/omgeving gehuisvest wordt<sup/>. Ook wordt onderkend dat
                    het verplaatsen van een urgent-woningzoekende naar een andere gemeente in de
                    praktijk zeer lastig is in relatie tot de sociale voorzieningen. </al><al>Alleen wanneer alle andere opties falen, wordt (noodzakelijkerwijs) uitgeweken
                    naar een andere gemeente binnen het SGE om het woonprobleem op te lossen<sup/>.
                    Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de urgentieregeling bedoeld is als
                    het laatste vangnet van woningzoekenden om dakloosheid te voorkomen. Dit brengt
                    met zich mee dat het hebben van een dak boven het hoofd moet kunnen prevaleren
                    boven de gewenste woonomgeving. </al><al>Daarnaast zullen bij de praktische uitwerking van de verordening afspraken
                    worden gemaakt tussen gemeenten en woningcorporaties en tussen woningcorporaties
                    onderling ten aanzien van de verdeling van urgent-woningzoekenden over de
                    gemeenten in het SGE. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 / begripsbepalingen</tussenkop><lijst><li nr="13."><al>Het aantal definities in artikel 1 is in beginsel relatief beperkt.
                            Omwille van de leesbaarheid zijn enkele wettelijke definities (zoals die
                            van “statushouder” in artikel 1 lid 1 onder g van de Hv14 en
                            “mantelzorg” in artikel 1.1.1. van de Wmo 2015) letterlijk overgenomen.
                            Daarnaast zijn de in de verordening voorkomende begrippen geduid. Het
                            merendeel hiervan spreekt voor zich, in het bijzonder wordt er op
                            gewezen dat:</al><lijst><li nr="-"><al>In de definitie van “huishouden” is opgenomen dat er sprake moet
                                    zijn van het meer dan twee jaar voeren van een gezamenlijk
                                    huishouden. Dit is gedaan om de veelal in dit kader gebruikte
                                    term “duurzaam” nader invullen te geven om zodoende zo concreet
                                    mogelijk te definiëren.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 2 / aanwijzing categorieën van woningen waarin urgent
                    woningzoekenden gehuisvest kunnen worden</tussenkop><al>14.Deze bepaling is gestoeld op artikel 7 van de Hv14. Hierin is bepaald dat de
                    gemeenteraad in de huisvestingsverordening categorieën goedkope woonruimte kan
                    aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mogen worden genomen of gegeven als
                    daarvoor geen huisvestingsvergunning is verleend.</al><al>Om urgent-woningzoekenden zo efficiënt mogelijk te huisvesten zijn alle woningen
                    in het Stedelijk Gebied Eindhoven beneden de huurtoeslaggrens aangewezen.
                    Opgemerkt zij dat het uitgangspunt is dat huisvesting plaatsvindt in een
                    passende woning (artikel 6, achtste lid) en de individuele situatie van de
                    woningzoekende altijd het uitgangspunt blijft (artikel 4, eerste lid, onder d).
                    Dit biedt het college (dan wel na mandatering de woningcorporatie) de
                    mogelijkheid om binnen de goedkope woningvoorraad waar dit nuttig of
                    noodzakelijk is te differentiëren.</al><al>Het tweede lid geeft een opsomming van woonruimten die nimmer voor huisvesting
                    voor urgent-woningzoekenden in aanmerking komen. Uitgangspunt hierbij is dat de
                    juiste woonruimte aan de juiste woningzoekende wordt gekoppeld én dat deze
                    koppeling een duurzaam karakter heeft. Dit betekent dat specifieke zorgwoningen
                    en woonruimte die naar hun aard tijdelijk verhuurd worden of onder een verlicht
                    regime van huurbescherming vallen, zich niet lenen voor de huisvesting van een
                    urgent-woningzoekende. </al><al>In deze bepaling wordt uitsluitend de sociale woningvoorraad van
                    woningcorporaties aangewezen. De particuliere woningmarkt wordt hierbij niet
                    betrokken. Op dit moment is het gevolg van het aanwijzen van de particuliere
                    woningmarkt niet voldoende inzichtelijk en, gezien de tijdsdruk die samenhangt
                    met de inwerkingtreding van deze verordening, ook niet binnen afzienbare tijd
                    wél uitgekristalliseerd. Bovendien is het landelijke beeld dat de particuliere
                    woningmarkt uitsluitend onder de huisvestingsvergunningplicht wordt gebracht in
                    geval het instrumentarium van de huisvestingswet wordt toegepast in het geval
                    van schaarste (dus niet zozeer wanneer dit uitsluitend bij urgentie – waarbij
                    geen schaarste is vereist – wordt toegepast). Daarnaast leeft het beeld dat de
                    handhaafbaarheid van de regelgeving op de particuliere woningmarkt niet adequaat
                    kan plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 3 / urgent woningzoekenden</tussenkop><al>15.Dit artikel geeft het gedeelte van de woningvoorraad aan waarbij voorrang
                    wordt gegeven aan urgent-woningzoekenden. </al><tussenkop>Artikel 4 / algemene bepalingen voor het verkrijgen van een beschikking
                    tot indeling in een urgentiecategorie</tussenkop><al>16.In dit artikel zijn een tiental cumulatieve eisen opgesomd. Het artikel is
                    bedoeld om te waarborgen dat alleen de woningzoekenden die voor de oplossing van
                    hun huisvestingsprobleem op het urgentie-instrumentarium zijn aangewezen met
                    gebruik van dat instrumentarium geholpen worden. Bijvoorbeeld: een
                    woningzoekende die op zichzelf in aanmerking komt voor een medische urgentie,
                    maar een zeer groot eigen vermogen heeft waardoor hij/zij (relatief) eenvoudig
                    via een makelaar alternatieve huisvesting kan regelen, komt niet in aanmerking
                    voor huisvesting via de urgentieregeling.</al><al>In het bijzonder wordt gewezen op het bepaalde in: </al><al>-onderdeel a waarin het algemene principe wordt neergelegd dat de (nood)situatie
                    niet verwijtbaar is aan de woningzoekende, maar dat hierbij rekenschap wordt
                    gegeven van het geldende Sanctie &amp; kansenbeleid zoals die luidt op het
                    moment van het verzoek om urgentiebeschikking bij de woningcorporatie waarbij de
                    woningzoekende zich overeenkomstig artikel 8 heeft geregistreerd. Door de
                    verbinding te leggen met het Sanctie &amp; Kansenbeleid van de woningcorporatie
                    kan de het urgentie-instrumentarium ook open staan voor woningzoekenden die in
                    het verleden verwijtbaar in een noodsituatie terecht zijn gekomen. Instrumenten
                    zoals het Sanctie &amp; Kansenbeleid kan een woningcorporatie gebruiken om
                    probleemhuurders een sanctie op te leggen en/of met deze huurders een regeling
                    te treffen. Dit resulteert in een lijst met huurders (de “sanctie- en
                    kansenlijst”). Het gaat hierbij bijvoorbeeld om huurders die ernstige overlast
                    veroorzaken, ontruimd worden wegens huurachterstand, woonfraude plegen of hennep
                    telen. </al><al>In beginsel verhoudt het feit dat een woningzoekende op de sanctie- en
                    kansenlijst voorkomt (dan wel op enig ander gelijksoortig instrument gehanteerd
                    door een van de in het Stedelijk Gebied Eindhoven werkzame woningcorporatie)
                    zich niet met het verkrijgen van een urgentiebeschikking. Dit neemt echter niet
                    weg dat een persoon geen tweede kans zou moeten kunnen krijgen. De
                    Urgentiecommissie zal ter zake een advies moeten uitbrengen. </al><al>Het is denkbaar dat zich een situatie voordoet waarbij de woningzoekende
                    verwijtbaar in een noodsituatie terecht is gekomen, dat hij/zij op basis van het
                    Sanctie &amp; Kansenbeleid niet (alsnog) voor de urgentieregeling in aanmerking
                    komt, maar de Urgentiecommissie van mening is dat deze woningzoekende
                    desalniettemin van het urgentie-instrument gebruik zou moeten kunnen maken. Voor
                    dit soort gevallen kan de urgentiecommissie het college van burgemeester en
                    wethouders verzoeken gebruik te maken van de hardheidsclausule (zie de
                    toelichting bij artikel 14).</al><al>Wat dit onderdeel betreft wordt verder opgemerkt dat in artikel 5 lid 2 onder d
                    een urgentiecategorie is opgenomen voor personen die vanwege scheiding e.d. zich
                    met een woonprobleem geconfronteerd zien. Het aangaan van een echtscheiding e.d.
                    is een bewuste keuze van de beide partners. Het is logisch dat die keuze een
                    gevolg heeft of kan hebben voor de woonsituatie van een of beide partners.
                    Hiermee wordt niet gezegd of geïmpliceerd dat daarmee het woonprobleem
                    verwijtbaar is, maar wel brengt een dergelijke keuze meer eigen
                    verantwoordelijkheid met zich mee ten opzichte van een woningzoekende die buiten
                    een eigen bewuste keuze om zich geconfronteerd ziet met een woonprobleem. Bij de
                    beoordeling van “verwijtbaarheid” kan dan ook door de Urgentiecommissie rekening
                    worden gehouden met de aard van de urgentiecategorie;</al><lijst><li nr="-"><al>onderdeel d waarin via de verwijzing naar de EU-norm een grens voor wat
                            betreft het maximale verzamelinkomen (zijnde het totaal van de inkomsten
                            en aftrekposten in de 3 belastingboxen en daarom niet te verwarren met
                            het belastbaar inkomen) van een woningzoekende gegeven. Met het
                            prijspeil van 1-1-2015 is dat € 34.911 zonder verhogingen en zonder
                            rekening te houden ruimte van woningcorporaties om sociale huurwoningen
                            aan huishoudens met een hoger inkomen toe te wijzen. De gekozen
                            formulering beoogt de ruimte te laten om dit te (blijven) doen. </al></li><li nr="-"><al>onderdeel e dat beoogt te voorkomen dat de woningzoekende die
                            bijvoorbeeld reeds een urgentiebeschikking heeft gehad maar de op die
                            basis aangeboden passende woning heeft geweigerd, nogmaals een aanvraag
                            doet in de hoop dat de (opnieuw) aangeboden woning meer naar wens is.
                            Bij het verkrijgen van urgentie gaat het om de woningzoekende met
                            voorrang boven regulier woningzoekende te huisvesten teneinde
                            dakloosheid te voorkomen en een goede match tussen woningzoekende en
                            woning tot stand te brengen, maar leent zich niet om bijvoorbeeld de
                            wooncarrière van een woningzoekende te bevorderen. Voor de goede orde:
                            dit betekent niet dat een woningzoekende niet meer dan eens een verzoek
                            om urgentiebeschikking zou kunnen indienen. Immers, het is voorstelbaar
                            dat bijvoorbeeld een urgentiebeschikking op basis van een medische
                            indicatie is afgewezen terwijl de gezondheidstoestand mettertijd in
                            zulke mate is verslechterd dat wél een urgentiebeschikking afgegeven kan
                            worden;</al></li><li nr="-"><al>onderdeel g waarin de mogelijkheid is open gelaten dat elders in de
                            verordening (artikel 8) de mogelijkheid wordt gegeven dat bepaalde
                            woningzoekenden, zoals bijvoorbeeld de woningzoekenden als omschreven in
                            de categorie “volkshuisvestelijke urgentie”, niet ingeschreven hoeven te
                            zijn om voor een urgentiebeschikking en een huisvestingsvergunning in
                            aanmerking te komen. </al></li></lijst><al>Bij de totstandkoming van het artikel is de vraag gesteld of in dit artikel niet
                    de eis moet worden gesteld dat het woonprobleem binnen het SGE moet zijn
                    ontstaan. Hier is na ampel beraad niet voor gekozen. Ook personen met een
                    woonprobleem zijn vrij zijn om zich binnen het SGE te vestigen (vrijheid van
                    vestiging is het uitgangspunt). Bovendien wordt het risico dat een
                    woningzoekende wegens een stringent beleid in de ene gemeente op dit punt zich
                    gaat wenden tot gemeenten of regio’s die op dit punt een milder beleid voeren,
                    zeer klein geacht. Uit ervaringscijfers blijkt dat er jaarlijks slechts een
                    tiental woningzoekenden met een woonprobleem zich bij de woningcorporaties
                    melden. </al><al>Het bepaalde in dit artikel ziet niet op statushouders. Vanwege de wettelijke
                    verplichting opgenomen in artikel 28 van de Hv14 tot huisvesting van
                    statushouders overeenkomstig de gemeentelijke taakstelling is geen ruimte voor
                    een overkoepelende toets. Bovendien is het inherent aan de status van
                    “statushouder” dat wordt voldaan aan de in dit artikel opgesomde voorwaarden. </al><al>De toets of een woningzoekende voldoet aan de in dit artikel vindt in beginsel
                    plaats door het college van burgemeester en wethouders. Het ligt in de rede dat
                    dit in mandaat aan de op basis van artikel 12 in het leven geroepen
                    urgentiecommissie wordt gelaten. De urgentiecommissie kan, indien een
                    woningzoekende niet voldoet aan de in dit (en artikel 5) genoemde criteria en
                    daardoor niet voor een urgentiebeschikking in aanmerking komt, de desbetreffende
                    casus voorzien van advies aan het college van burgemeester en wethouders
                    doorsturen met het gemotiveerde verzoek ter zake de hardheidsclausule toe te
                    passen. </al><tussenkop>Artikel 5 / urgentiecriteria/categorieën</tussenkop><al>17.Dit artikel vormt de kernbepaling van de verordening en vindt zijn basis in
                    artikel 12 van de Hv14, dat aangeeft dat vanwege de vereiste transparantie de
                    categorieën urgent-woningzoekenden die in aanmerking kunnen komen voor een
                    huisvestingsvergunning moeten worden geduid. Aangezien deze verordening
                    uitsluitend ingaat op urgentie, is aangegeven dat de woningzoekenden die vallen
                    onder een of meerdere van de in dit artikel opgesomde urgentiecategorieën in
                    aanmerking kunnen komen voor een urgentiebeschikking en daarmee, over de band
                    van de verplichte huisvestingsvergunning, voor voorrang bij huisvesting. </al><al>De drie wettelijk voorgeschreven categorieën (statushouder, mantelzorger en
                    –ontvanger en uitstroom blijf-van-mijn-lijf-huis) komen terug. Daarnaast is voor
                    wat betreft de genoemde categorieën tussen de overlegpartners (zie punt 4 van
                    deze toelichting) consensus bereikt. </al><al>In grote lijnen zijn er vier urgentiecategorieën: maatschappelijk,
                    volkshuisvestelijk, medisch en sociaal. De urgentiecommissie adviseert het
                    college van burgemeester en wethouders voorts of een woningzoekende valt onder
                    een van deze categorieën en of hij/zij voldoet aan de daarin opgenomen
                    voorwaarden en – dus – in aanmerking komt voor het verkrijgen van een
                    urgentiebeschikking. Let wel: het enkele feit dat een woningzoekende voldoet aan
                    een of meerdere urgentiecriteria betekent niet dat er een recht ontstaat op
                    urgentie. Telkens zal aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval
                    en de algemene voorwaarden opgenomen in artikel 4 worden bezien of de
                    woningzoekende in aanmerking komt voor een urgentiebeschikking. Zoals al
                    meerdere malen is opgemerkt is de urgentieregeling een last resort waarvan
                    prudent gebruik moet worden gemaakt. </al><al>De urgentiecommissie kan de bevoegdheid om de urgentiebeschikking te nemen
                    gemandateerd krijgen van het college van burgemeester en wethouders, zodat in de
                    praktijk de kortste slagen kunnen worden gemaakt. </al><al>De formulering van de urgentiecategorieën heeft zo volledig en concreet mogelijk
                    plaatsgevonden. Dit is immers een van de doelstellingen van de formele wetgever
                    geweest: het systeem waarmee woonruimte wordt verdeeld (en dus ook
                    woningtoekenning bij voorrang middels een urgentieregeling) dient transparant te
                    geschieden. Dit neemt niet weg dat voor een adequate beoordeling of een
                    woningzoekende al dan niet binnen zo’n urgentiecategorie valt (zoals
                    bijvoorbeeld in het bepaalde in het tweede lid onder a ten aanzien van
                    mantelzorg), de urgentiecommissie zich kan laten adviseren door deskundigen.
                    Hierdoor wordt veel meer recht gedaan aan de omstandigheden van ieder concreet
                    geval in tegenstelling tot het uitputtend beschrijven van wat – bijvoorbeeld –
                    onder een “wezenlijke bijdrage” moet worden verstaan. Wat voor de ene persoon
                    wezenlijk is, hoeft dat immers voor de ander niet te zijn. De
                    urgentiecategorieën in combinatie met de algemene voorwaarden om voor urgentie
                    in aanmerking te komen (artikel 4 van de verordening) beogen de mogelijkheid te
                    openen om een concrete casus integraal te beoordelen. Voorts heeft de
                    Urgentiecommissie in artikel 14 nadrukkelijk de bevoegdheid gekregen om, indien
                    een concrete casus niet past binnen het samenstel van de kaders van artikelen 4
                    en 5 terwijl de woningzoekende in de ogen van de Urgentiecommissie wél voor
                    urgentie in aanmerking zou moeten komen, die casus bij het college voor te
                    dragen voor toepassing van de hardheidsclausule<sup/>. Geenszins wordt beoogd
                    dat het werk van de Urgentiecommissie wordt gereduceerd tot het ‘afvinken’ van
                    lijstjes. </al><al>Ten aanzien van de specifieke urgentiecriteria worden in het bijzonder opgemerkt
                    dat: </al><lijst><li nr="-"><al>In het artikel komt op meerdere plaatsen naar voren dat er sprake moet
                            zijn van kinderen die voor hun huisvesting afhankelijk zijn van de
                            woningzoekende. Nadrukkelijk is er voor gekozen om géén leeftijdsgrens
                            op te nemen. De reden hiervan is dat de algemene gedachte is dat dit het
                            leveren van maatwerk door de Urgentiecommissie in de weg staat. Het ene
                            kind is het andere niet. </al></li><li nr="-"><al>in het tweede lid onder b is nadrukkelijk gekozen voor een open
                            formulering zodat de urgentiecommissie aansluiting kan zoeken bij de
                            concrete omstandigheden van het geval. Voor wat betreft onderdeel 2° van
                            dit artikellidonderdeel merken wij op dat de urgentiecommissie
                            informatie kan inwinnen bij bijvoorbeeld de buurtbrigadier van de
                            politie en gremia als PlusTeam, Centra voor Maatschappelijke Deelname en
                            dergelijke die bij gemeenten zijn ingericht. Bovendien kunnen indicaties
                            in bijvoorbeeld het kader van de Jeugdwet een rol van betekenis
                            spelen;</al></li><li nr="-"><al>De formulering in het tweede lid onder d onderdeel 1° dat sprake moet
                            zijn een “meerderheid van de zorg over de kinderen” is opgenomen met het
                            oog op co-ouderschap. Hierbij is doorslaggevend waar de kinderen
                            gedurende 14 achtereenvolgende nachten bij welke ouder verblijven. Een
                            woningzoekende kan in het tweede lid onder d bedoelde geval een
                            urgentiebeschikking krijgen wanneer het kind 6 of meer dagen per 14
                            dagen bij de ouder-woningzoekende verblijft; </al></li><li nr="-"><al>In het vierde lid onder b is de basis gelegd voor urgentieverlening aan
                            zittende huurders die vanwege herstructurering of sloop in aanmerking
                            komen voor vervangende huisvesting. </al></li></lijst><al>Nadrukkelijk geldt deze bepaling
                        <cursief><onderstreept>niet</onderstreept></cursief> voor woningen die door
                    de woningcorporatie worden getransformeerd of gerenoveerd. De reden hiervoor is
                    dat het aantal woningen gelijk blijft en daardoor geen huisvestingsprobleem
                    ontstaat. Het geval dat een huurder tijdens de transformatie- of
                    renovatiewerkzaamheden (tijdelijk) elders gehuisvest moet worden valt dan ook
                    buiten het bereik van deze verordening;</al><al>-In het tweede lid onder e is aangegeven dat uitsluitend urgentie kan worden
                    verleend wanneer de dienstbetrekking structureel van aard is en de
                    woon-werkafstand van dien aard is dat forensen redelijkerwijs uitgesloten moet
                    worden. </al><al>Door te spreken van een “structurele betaalde baan” wordt tot uitdrukking
                    gebracht dat een woningzoekende met bijvoorbeeld een kortdurend uitzendcontract
                    niet voor urgentie op basis van dit artikellidonderdeel in aanmerking komt. De
                    vraag wanneer de dienstbetrekking voldoende structureel is, is ter beoordeling
                    van de urgentiecommissie. Als leidraad wordt aangehouden dat er sprake moet zijn
                    van een jaarcontract. Dit neemt niet weg dat de omstandigheden van het geval
                    hierin te allen tijde leidend zijn. Dit geldt ook ten volle voor het bepaalde
                    over de reistijd waarbij een reistijd (enkele reis) tot 1,5 uur met OV
                    aanvaardbaar wordt geacht. Met deze tijdspanne wordt aansluiting gezocht met
                    hetgeen in de Participatiewet als redelijke reistijd wordt aangemerkt;</al><al>-Daar waar in het vijfde lid onder a sprake is van een “intramurale setting met
                    begeleiding” moet gedacht worden aan een doorvertaling en voortzetting van de nu
                    gangbare praktijk waarin instanties als de Stichting DOOR (Door Opvang en
                    Ontmoeting Resocialisatie) en SMO (Stichting Maatschappelijke Opvang) personen
                    aandraagt voor huisvesting.</al><al>Door deze bijzondere urgentiecategorie op te nemen (ten aanzien waarvan – op
                    basis van artikel 6 lid 6 van de verordening – geen advisering door de
                    urgentiecommissie is vereist) wordt beoogd om wat goed gaat vast te houden. In
                    uitwerking van de verordening zullen er werkafspraken gemaakt moeten worden,
                    maar de intentie is en blijft om het niet onnodig ingewikkeld of administratief
                    te maken voor zowel cliënten als de samenwerkingspartners in specialistische
                    zorg en intensieve begeleiding. </al><tussenkop>Artikel 6 / verzoek om indeling in een urgentiecategorie</tussenkop><al>18.Deze bepaling is een uitwerking van artikel 13 van de Hv14. Het is een
                    vereiste dat in de verordening regels worden opgenomen over de wijze waarop
                    woningzoekenden ingedeeld kunnen worden in een urgentiecategorie c.q. een
                    urgentiebeschikking kunnen verkrijgen.</al><al>Om de verzoeken om een urgentiebeschikking efficiënt te kunnen behandelen is het
                    vereist dat alle relevante feiten en omstandigheden bij het college bekend zijn.
                    Dit volgt ook uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel
                    geeft aan dat het bestuursorgaan (het college is immers het bevoegd gezag)
                    kennis neemt van alle relevante belangen en de af te wegen belangen. Dit
                    “algemeen beginsel van behoorlijk bestuur” is ten volle van toepassing, temeer
                    nu de urgentiebeschikking een besluit is in de zin van de Awb. Dit betekent dus
                    ook dat er bezwaar moet kunnen worden gemaakt bij het bestuursorgaan dat het
                    besluit genomen heeft (waarover meer bij de toelichting over artikel 13). </al><al>Om dit te waarborgen is expliciet de mogelijkheid geopend om een formulier vast
                    te stellen en het college voorts de mogelijkheid te geven om nadere nuttige of
                    noodzakelijke informatie in te winnen. </al><al>Het verzoek om urgentiebeschikking kan nadrukkelijk door <cursief>of
                        namens</cursief> een woningzoekende worden ingediend. Dit zal zich met name
                    voordoen in die gevallen dat een woningzoekende valt binnen de
                    volkshuisvestelijke of sociale urgentiecategorie. Het kan dan bijvoorbeeld de
                    woningcorporatie in het geval van een volkshuisvestelijke urgentie of een
                    begeleidende instantie (zoals bijvoorbeeld het COA) bij een sociale urgentie
                    zijn die in naam van de woningzoekende het verzoek verzorgt. Voor het namens een
                    woningzoekende indienen van een verzoek om plaatsing in een urgentiecategorie is
                    een machtiging van de woningzoekende vereist (de persoon of instantie die het
                    verzoek doet handelt immers in naam van de woningzoekende zodat hij/zij door het
                    verzoek en de beschikking daarop gebonden wordt). </al><al>Voor het verkrijgen van een urgentiebeschikking zijn leges verschuldigd. De
                    basis voor de heffing hiervan is gelegen in het vierde lid. In de verordening is
                    geen legesbedrag opgenomen, dit dient te geschieden in de Tarieventabel
                    behorende bij de Legesverordening. Iedere gemeente stelt voor zich de leges
                    vast. Het spreekt voor zich dat, om het zogenaamde ‘shoppen’ te voorkomen dat
                    alle gemeenten in het SGE een identiek tarief hanteren en ook gelijktijdig
                    verhogingen of indexatie toepassen. Voor het eerste jaar van inwerkingtreding
                    van de verordening zal een legesbedrag van € 45,00 worden opgenomen. </al><al>De legesheffing is niet van toepassing voor statushouders, gezien de wettelijke
                    verplichting tot huisvesting van deze groep woningzoekenden.</al><al>Wél is in deze verordening de basis gelegd voor een restitutieregeling. Indien
                    een woningzoekende een verzoek om urgentiebeschikking doet en deze wordt aan
                    hem/haar verleend, dan krijgt de urgent-woningzoekende de betaalde leges terug.
                    Hiermee wordt beoogd om personen in een legitieme noodsituatie tegemoet te
                    komen, maar tegelijkertijd enige drempel op te werpen met betrekking tot al te
                    lichtvaardig ingediende verzoeken om urgentiebeschikking. Dat zou immers tot
                    gevolg hebben dat werkelijk urgent-woningzoekenden langer zouden moeten wachten
                    op huisvesting. Bovendien worden woningzoekenden door de woningcorporaties
                    veelal uitgebreid voorgelicht over de haalbaarheid van een verzoek om
                    urgentiebeschikking voordat de woningzoekende overgaat tot indiening daarvan (en
                    daarmee legesplichtig wordt). Veel van de afgewezen verzoeken om
                    urgentiebeschikking worden in de praktijk willens en wetens ingediend door
                    woningzoekenden die, ondanks de verkregen informatie, desondanks van mening zijn
                    dat zij voor urgentie in aanmerking komen.</al><al>Overigens is het legestarief, afgezet tegen de gemaakte kosten (bijv. kosten
                    voor de urgentiecommissie en de ondersteuning van deze commissie) geenszins
                    kostendekkend. Een kostendekkend legestarief zou dermate hoog zijn dat, ondanks
                    een restitutieregeling, de daardoor opgeworpen drempel voor veel woningzoekenden
                    onoverkomelijk zou kunnen zijn.</al><al>Het beoordelen van verzoeken om een urgentiebeschikking vereist bijzondere
                    kennis en kunde die, vanwege de manier waarop het oude systeem waarin werd
                    gewerkt met convenanten, niet bij het college aanwezig is. Om deze reden roept
                    de verordening in artikel 12 een onafhankelijke adviescommissie in het leven
                    (waarover bij de toelichting over artikel 12 meer). </al><al>De wens bestaat om het aantal gevallen waarin de urgentiecommissie advies moet
                    uitbrengen, te minimaliseren. In het vijfde lid zijn de uitzonderingssituaties
                    expliciet opgenomen; het betreffen woningzoekenden die vallen in de
                    volkshuisvestelijke of sociale categorie of sprake is van de urgentie genoemd in
                    artikel 5, derde lid, onder b (Wmo-indicatie voor verhuizing). Hierdoor is het
                    systeem transparant. </al><al>Het verkrijgen van een urgentiebeschikking geeft de woningzoekende recht om met
                    voorrang in aanmerking te komen voor een passende woning binnen het Stedelijk
                    Gebied Eindhoven (het hiervoor al aangehaalde principe van uitwisselbaarheid).
                    In het negende lid is nadrukkelijk aangegeven dat de beoordeling of een woning
                    passend is, wordt gelaten aan de woningcorporatie. Dit is immers de uitgelezen
                    partij die adequate kennis heeft van de woningmarkt en het beste de match kan
                    maken tussen urgent-woningzoekende en woonruimte. </al><tussenkop>Artikel 7 / Intrekken, verval van rechtswege of wijzigen van een
                    urgentiebeschikking</tussenkop><al>19.Dit artikel is een uitvloeisel van de bepalingen rondom het verkrijgen van
                    een urgentiebeschikking en regelt het intrekken, vervallen en de wijziging van
                    een afgegeven urgentiebeschikking. </al><al>Gebruikelijk is om de intrekking- of wijzigingsprocedure van een beschikking
                    gelijk te laten lopen aan de procedure waarbij de beschikking tot stand komt. In
                    het tweede lid wordt dit ook aangeven, maar uitsluitend voor het geval dat de
                    woningzoekende niet langer voldoet aan de eisen voor het verkrijgen van
                    urgentie. Alleszins voorstelbaar is immers dat een woningzoekende door
                    omstandigheden niet langer voldoet aan hetgeen in artikelen 4 en 5 is gesteld om
                    in aanmerking te komen voor een urgentiebeschikking. Voorafgaand aan
                    besluitvorming in dit kader is advies van de urgentiecommissie voorgeschreven.
                    De andere intrekkingsgronden (dus het eerste lid a en c) zijn meer feitelijk van
                    aard en kan het college zonder advies van de urgentiecommissie af doen.</al><al>In het vierde lid zijn de gevallen opgesomd waarin de urgentiebeschikking van
                    rechtswege komt te vervallen. Dat betekent dat hier geen expliciet besluit tot
                    intrekking meer benodigd is.</al><tussenkop>Artikel 8 / Registratie van woningzoekenden</tussenkop><al>20.Dit artikel vindt zijn basis in artikel 4, eerste lid, onder a van de Hv14 en
                    maakt onderdeel uit van de regels die de gemeenteraad mag stellen voor het in
                    gebruik geven of nemen van goedkope woonruimte. Hierbij zijn basiseisen gesteld,
                    namelijk een registratie bij een woningcorporatie, het bijhouden van een
                    adequaat registratiesysteem van urgent-woningzoekenden en dat de ingeschrevene
                    inzicht verkrijgt in zijn/haar registratie. Het registratievereiste is niet van
                    toepassing voor de woningzoekenden als omschreven in de urgentiecategorie
                    “volkshuisvestelijk”. Dit hangt samen met de eerder aangehaalde wettelijke
                    verplichting tot huisvesting van vergunninghouders als opgenomen in artikel 28
                    Hv14 en het feit dat bijv. herstructureringskandidaten in beginsel wel huurder
                    van een woningcorporatie zijn, maar daar niet als woningzoekende bekend staan. </al><al>Ter zake is gekozen voor het voorschrijven van een “registratie” ten opzichte
                    van een “inschrijving”. De reden hiervoor is dat binnen de verschillende in het
                    Stedelijk Gebied Eindhoven werkzame woningcorporaties verschillend tegen de term
                    “inschrijving” wordt aangekeken. Daarnaast komt dat sommige woningcorporaties
                    voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening nog werken met
                    verschillende systemen zoals het wachttijdprincipe of het lotingprincipe. Door
                    het gebruik van de term “registratie” wordt beoogd voor alle woningcorporaties
                    herkenbaar te maken wat van hen wordt verwacht op het moment dat een
                    woningzoekende zich bij hen meldt.</al><al>Het is voldoende wanneer een woningzoekende zich registreert bij één van de in
                    zijn/haar gemeente werkzame woningcorporatie. Het vierde lid van artikel 8
                    regelt vervolgens dat de registratie op het moment dat de urgentiebeschikking
                    wordt verleend omslaat naar een registratie binnen alle woningcorporaties die
                    werkzaam zijn binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven. Op dat moment ontstaat het
                    hiervoor al aangehaalde “principe van uitwisselbaarheid”.</al><tussenkop>Artikel 9 / vergunningplicht</tussenkop><al>21.Het wettelijk systeem is dat uitsluitend bij het verlenen van
                    huisvestingsvergunningen voorrang kan verlenen aan urgent-woningzoekenden.
                    Aangezien deze verordening uitsluitend ziet op het invoeren van een adequate
                    urgentieregeling, zou het veel te ver voeren om alle woningzoekenden die in
                    aanmerking komen voor woningen in de in artikel 2 aangewezen goedkope
                    woningvoorraad te confronteren met de huisvestingsvergunningplicht. De wet
                    voorziet hier niet direct in. Dit resulteert in een “noodgreep” die in het
                    tweede lid is opgenomen. Feitelijk wordt de algemene vergunningplicht voor de
                    goedkope woningvoorraad ingeperkt tot woningzoekenden met een
                    urgentiebeschikking. </al><al>Dit lijkt de “omgekeerde wereld”, namelijk woningzoekenden die dringend
                    woonruimte behoeven worden geconfronteerd met allerhande formele en procedurele
                    eisen. Dit is evenwel een direct en onvermijdelijk gevolg van het wettelijk
                    systeem dat, zoals hierboven al aangeven, samenhangt met het feit dat ingegrepen
                    wordt op het grondrecht van vrije huisvesting. </al><tussenkop>Artikel 10 / Aanvraag en inhoud en vervallen
                    huisvestingsvergunning</tussenkop><al>22.Deze bepaling is een uitwerking van artikel 5 van de Hv14. Hierin wordt
                    voorgeschreven dat de gemeenteraad regels stelt over de wijze van aanvragen van
                    een vergunning en welke gegevens daarbij overlegd moeten worden door de
                    aanvrager. </al><al>Voor redenen zoals omschreven in de toelichting bij artikel 6 is ook hier
                    expliciet de mogelijkheid geboden om een formulier vast te stellen. </al><al>In het tweede lid, onder a, zijn de – volgens artikel 10 Hv14 nadrukkelijk
                    voorgeschreven – vereisten opgenomen. In het bijzonder wordt gewezen op de
                    mogelijkheid, geopend in onder e van het artikellid, om het afschrift van de
                    urgentiebeschikking op een later moment in te dienen, doch uiterlijk voordat tot
                    besluitvorming overgegaan kan worden. Dit betekent dat de aanvraag wél in
                    behandeling wordt genomen zodat deze parallel met de aanvraag om
                    urgentiebeschikking afgewikkeld kan worden. Op het moment dat de aangevraagde
                    urgentiebeschikking wordt verkregen kan de aanvraag om huisvestingsvergunning
                    worden gecompleteerd en kan vervolgens direct na de urgentiebeschikking worden
                    verleend. Op deze wijze wordt beoogd te waarborgen dat het werkproces praktisch
                    blijft terwijl tegelijkertijd wordt geborgd dat alleen huisvestingsvergunningen
                    worden afgegeven aan woningzoekenden met een urgentiebeschikking. </al><al>De huisvestingsvergunning is – zoals hierboven in het algemene deel van de
                    toelichting al opgemerkt – het wettelijk centraal gestelde instrument om een
                    woningzoekende daadwerkelijk voorrang bij huisvesting te verlenen. De basis van
                    de huisvestingsvergunning is de urgentiebeschikking. Immers, zonder de
                    urgentiebeschikking kan nooit een huisvestingsvergunning verkregen worden en
                    daarmee nimmer een plaatsing met voorrang plaatsvinden. Om te voorkomen dat de
                    situatie ontstaat dat de urgentiebeschikking wordt ingetrokken of van rechtswege
                    is komen te vervallen terwijl de huisvestingsvergunning in stand blijft, is in
                    het zesde lid een koppeling tussen de huisvestingsvergunning en de
                    urgentiebeschikking gelegd. Deze regeling komt er op neer dat de vergunning het
                    lot van de beschikking volgt. </al><tussenkop>Artikel 11 / Rangorde</tussenkop><al>23.In deze bepaling is, in aansluiting op de voorrangsregels voor
                    urgent-woningzoekenden op regulier woningzoekenden, een regeling getroffen voor
                    het geval waarin er meer dan één urgent-woningzoekende in aanmerking komt voor
                    dezelfde woonruimte. Qua inrichting komt deze regeling overeen met ‘variant 2’
                    van het VNG-model (de eenvoudigste bepaling wanneer de verordening niet ziet op
                    toepassen van het schaarste-instrumentarium uit de Hv14). </al><al>Gezien de diversiteit aan urgentiecriteria en de omvang van het
                    “bedieningsgebied” (door het principe van uitwisselbaarheid kan een
                    urgent-woningzoekende in het gehele Stedelijk Gebied Eindhoven worden
                    gehuisvest) is het aantal keren dat de rangorderegeling geraadpleegd moet worden
                    naar verwachting gering. Er is daarom gekozen voor een minimale systematiek.
                    Alleen statushouders en uitstroom blijf-van-mijn-lijf is geprioriteerd. De
                    overige urgent-woningzoekenden worden gehuisvest op het moment dat er voor hen
                    een passende woning beschikbaar is, waarbij een regeling is getroffen voor het
                    onverhoopte geval dat een exact dezelfde urgentiesituatie zich gelijktijdig
                    voordoet. </al><al>Mocht de gekozen rangordebepaling in de praktijk tegen problemen aanlopen is in
                    het tweede lid de bevoegdheid aan het college gegeven om nadere regels stellen
                    tot bijsturing van negatieve effecten. </al><tussenkop>Artikel 12 / Urgentiecommissie </tussenkop><al>24.Deze bepaling vormt de basis voor het in het leven roepen van de
                    urgentiecommissie. De commissie is geen in de Hv 2014 voorgeschreven
                    figuur<sup/>. </al><al>Het instellen van een commissie is raadzaam omdat dit een objectief oordeel op
                    aanvragen om urgentiebeschikking waarborgt. De wettelijke basis voor het
                    instellen van de commissie is gelegen in artikel 84 van de Gemeentewet.</al><al>Wel moet voor ogen worden gehouden dat een woningzoekende die een
                    urgentiebeschikking aanvraagt de facto in zijn geheel niet getoetst wordt indien
                    advisering door de commissie niet plaatsvindt, althans die toets zal geheel
                    ambtelijk moeten plaatsvinden. Een vangnet in de zin dat ook in die gevallen die
                    generiek niet ter advisering voorgelegd worden desalniettemin worden voorgelegd
                    in het geval er twijfels of vragen zijn, is daarbij wel vereist voor een
                    samenhangend toetsingssysteem. </al><al>De bepaling gaat uit van een bindend advies. Gezien het feit dat de commissie
                    zonder last en ruggespraak van het college haar advies moet uitbrengen en
                    bovendien op het volkshuisvestelijk vakgebied bijzondere kennis en kunde moet
                    hebben, ligt dit in de rede. Dit klemt temeer nu het mandateren van de
                    bevoegdheden van het college aan (bijvoorbeeld) een woningcorporatie in de rede
                    ligt.</al><al>De precieze werking van de commissie moet worden geregeld in een door het
                    college vast te stellen Reglement van Orde. De verordening geeft de minimale
                    eisen waaraan dit reglement moet voldoen. Dat betekent óók dat bemensing in het
                    Reglement (als uitwerking van de regeling in deze verordening) geregeld zal
                    worden. Bij het opstellen van deze verordening is de vraag gesteld of
                    huurdersorganisaties ook een lid en plaatsvervangend lid moeten kunnen
                    voordragen. Uit het oogpunt van draagvlak en een samenstelling die recht doet
                    aan de verschillende geledingen, lijkt zulks voor de hand te liggen. Wel blijven
                    de eisen van onafhankelijkheid en adequate kennis en kunde, te allen tijde
                    onverkort overeind. </al><al>Voor de goede orde wordt opgemerkt dat er binnen het SGE één regionale
                    urgentiecommissie in het leven wordt geroepen. Iedere gemeente neemt daartoe
                    individueel een gelijkluidend besluit. </al><al>Wat dit onderdeel betreft wordt tenslotte verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 5 (algemeen, inleidend gedeelte) waar wordt ingegaan op de rol van de
                    commissie waar het gaat om het integraal benaderen van voorliggende gevallen. </al><tussenkop>Artikel 13 / Bezwaarschriftencommissie </tussenkop><al>25.Deze bepaling vormt de basis voor het in het leven roepen van de
                    bezwaarschriftencommissie ter waarborging van een objectief advies richting het
                    gemeentebestuur op bezwaren van woningzoekenden tegen (veelal het afwijzen van)
                    een verzoek om urgentiebeschikking en/of een aanvraag om huisvestingsvergunning. </al><al>Evenals bij de urgentiecommissie is wettelijke basis voor het instellen van de
                    commissie is gelegen in artikel 84 van de Gemeentewet.</al><al>Hiervoor is al aangegeven dat uit deze verordening een tweetal voor bezwaar en
                    beroep vatbare besluiten kunnen voortvloeien: de urgentiebeschikking en de
                    beslissing op de aanvraag om huisvestingsvergunning. </al><al>Deze bepaling beoogt een gelijke bezwarenbehandeling en – daarmee – gelijke
                    interpretatie van de in deze verordening opgenomen regels in de daaruit
                    voortvloeiende besluiten. </al><al>De bepaling laat de mogelijkheid open om één van de reeds bestaande
                    bezwarencommissies, werkzaam bij een van de gemeenten, aan te wijzen als
                    bezwaarcommissie (bijv. door een “huisvestingskamer” toe te voegen). Voor ogen
                    moet worden gehouden dat het gelijkheidsbeginsel leidend is. Er kunnen daarom
                    meerdere oplossingen worden gevonden die tot dit resultaat leiden en die minder
                    ingrijpend zijn dan het in het leven roepen van een gezamenlijke commissie of de
                    bezwarencommissie van een van de gemeenten met de adviserende taak te belasten,
                    zoals het waarborgen van een uitwisselbaarheid en consistentie van de
                    uitgebrachte adviezen (‘kennisbank’). De keuze waarop de uitwerking van deze
                    bepaling feitelijk vorm krijgt is een bestuurlijk-politieke.</al><al>Evenals bij de urgentiecommissie is opgemerkt moet de precieze werking van de
                    commissie worden geregeld in een door het college vast te stellen Reglement van
                    Orde. De verordening geeft de eisen waaraan dit reglement moet voldoen. </al><al>Evenals het geval is bij de urgentiecommissie kan voor het SGE één regionale
                    bezwaarschriftencommissie in het leven worden geroepen. </al><tussenkop>Artikel 14 / Hardheidsclausule </tussenkop><al>26.Dit artikel maakt in zeer specifieke situaties afwijking van het bepaalde in
                    de verordening mogelijk. Een dergelijke afwijking zal, teneinde negatieve
                    precedentwerking te voorkomen, zeer goed gemotiveerd moeten worden. </al><al>Belangrijk aandachtspunt bij het toepassen van de hardheidsclausule is om
                    willekeur of de schijn daarvan te voorkomen. Dit klemt temeer als gevolg van een
                    van de kernuitgangspunten van deze verordening, namelijk het principe van
                    uitwisselbaarheid. Indien toepassing van de hardheidsclausule niet zou worden
                    gekanaliseerd, bestaat het risico dat woningzoekende zich bij dié gemeente
                    melden waarbij bekend raakt dat de toepassing van de hardheidsclausule het meest
                    lichtvaardig wordt toegepast terwijl diezelfde woningzoekende vervolgens in een
                    van de andere gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven wordt gehuisvest. </al><al>Daarnaast is nadrukkelijk voor de formulering van de hardheidsclausule gekozen
                    om de urgentiecommissie (welke in de praktijk middels mandaat de
                    urgentiebeschikkingen afgeeft) de mogelijkheid te bieden om praktijkgevallen,
                    waarin zij constateert dat de woningzoekende niet of niet geheel voldoet aan de
                    binnen deze verordening opgenomen voorwaarden en criteria, desondanks met
                    voorrang te huisvesten. In zoverre is de hardheidsclausule de waarborg dat
                    schrijnende gevallen in het systeem van advisering en toetsing in deze
                    verordening niet tussen wal en schip komen te vallen.</al><al>Gevolg van het systeem van toepassen van de hardheidsclausule is ook dat een
                    afwijzing van het verzoek om een urgentiebeschikking niet met toepassing van de
                    hardheidsclausule omgezet kan worden in een toewijzing. Hiertoe ontbreekt immers
                    de benodigde aanvraag met advies daartoe van de urgentiecommissie. Wel is bij
                    een afwijzing uiteraard mogelijk dat daartegen bezwaar wordt aangetekend en op
                    basis van de behandeling daarvan alsnog een aanvraag met daartoe strekkend
                    advies door de urgentiecommissie wordt gedaan. </al><tussenkop>Artikel 15 / mandatering</tussenkop><al>27.In deze toelichting is op diverse plaatsen al aangeven dat een adequate
                    toepassing van de verordening in de praktijk vraagt om mandatering van de
                    bevoegdheden van het college. Dit artikel biedt daarvoor nadrukkelijk de
                    mogelijkheid. Opgemerkt wordt overigens dat artikel 13, eerste lid Hv14 de
                    mogelijkheid tot het mandateren van het afgeven van een urgentiebeschikking
                    nadrukkelijk vermeldt (teneinde juridische discussie over de vraag of de aard
                    van de bevoegdheid zich conformeert met mandatering). Voor het overige wordt
                    mandaat geregeld in afdeling 10.1.1 Awb. </al><al>In dit artikel wordt de mandaatmogelijkheid voor zover het betreft het nemen van
                    een besluit op een aanvraag om huisvestingsvergunning nadrukkelijk mogelijk
                    gemaakt aan een woningcorporatie. Het afgeven van een urgentiebeschikking kan
                    zowel aan de urgentiecommissie, als aan een woningcorporatie worden gelaten. Het
                    is mogelijk dat de mandaatgever aan de gemandateerde voorwaarden stelt die de
                    gemandateerde moet gebruiken om in naam van de mandaatgever tot besluitvorming
                    over te gaan. Of, en zo ja – inhoudelijk – op welke wijze, van deze bevoegdheid
                    gebruik wordt gemaakt, valt buiten het bereik van deze verordening. Wel is het
                    zaak dat hier binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven uniforme afspraken worden
                    gemaakt. Het gedifferentieerd voorschrijven van allerhande
                    mandateringsvoorwaarden zou immers de nagestreefde uniforme regeling op het
                    gebied van urgentie binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven teniet kunnen
                    doen.</al><al>Een tweetal bevoegdheden van het college zijn nadrukkelijk van mandaat
                    uitgesloten. Deze bevoegdheden lenen zich naar hun aard niet voor mandatering en
                    moeten derhalve op basis van artikel 10:3 Awb achterwege blijven. Het gaat
                    hierbij om het in bijzondere gevallen verlengen van de geldigheidsduur van een
                    urgentiebeschikking (artikel 7, vijfde lid) en het toepassen van de
                    hardheidsclausule (artikel 14).</al><al>Voor de goede orde wordt opgemerkt dat dit artikel niet expliciet in gaat op het
                    mandateren van de beslissing op een bezwaar van een woningzoekende tegen een
                    (verleende, afgewezen, ingetrokken of gewijzigde) urgentiebeschikking of
                    –vergunning. Het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen, beslist
                    ook op het bezwaar aangezien er sprake moet zijn van een algehele heroverweging
                    van een bestreden besluit. Artikel 10:3 Awb verzet zich niet tegen het in
                    mandaat geven van de beslissingsbevoegdheid op een beslissing op bezwaar.
                    Echter, het artikel verzet zich wél tegen het in mandaat geven van deze
                    beslissingsbevoegdheid aan dezelfde gemandateerde als aan wie het nemen van het
                    primaire besluit is gemandateerd. Met andere woorden: wanneer de
                    urgentiecommissie c.q. een woningcorporatie namens het college gemandateerd
                    wordt op het gebied van besluitvorming op basis van deze verordening, dan mag
                    diezelfde entiteit(en) niet ook op bezwaar beslissen. Dit zou overigens ook niet
                    passen in de vereiste algehele heroverweging en controlefunctie die van bezwaar
                    behoort uit te gaan. </al><al>Met inachtneming van deze toelichting zal het college, in uitwerking van het
                    bepaalde in deze verordening, een of meerdere mandaatbesluiten moeten nemen. Ter
                    zake zal, teneinde een zo praktijkgericht mogelijke werkwijze te
                    bewerkstelligen, de mogelijkheid worden open gelaten om (al dan niet
                    voorwaardelijke) ondermandatering toe te staan. </al><al>In het vierde lid is opgenomen dat degene die een bevoegdheid uit deze
                    verordening gemandateerd heeft gekregen, over het gebruik van die bevoegdheid
                    jaarlijks verslag uitbrengt aan de mandaatgever. Gezien het feit dat zowel de
                    woningcorporaties als de urgentiecommissie op een zekere afstand tot het college
                    van burgemeester en wethouders staat terwijl de verantwoordelijkheid voor het
                    uitoefenen van de bevoegdheid wél bij het college van burgemeester en wethouders
                    blijft berusten, is de rapportageverplichting uit oogpunt van de controlefunctie
                    gegeven. </al><al>Door slim te mandateren kan een zo praktijkgericht mogelijke situatie ontstaan
                    die er feitelijk op neer kan komen dat de beslissing op het verzoek om
                    urgentiebeschikking en de beslissing op de aanvraag om huisvestingsvergunning
                    direct achter elkaar genomen kunnen worden. Het onderscheid tussen beschikking
                    en vergunning is uitsluitend gemaakt, omdat de vergunning ingevolge artikel 12
                    Hv14 het exclusieve instrument is om woningzoekenden met voorrang te huisvesten. </al><tussenkop>Artikel 16 / inwerkingtreding en werkingsduur</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><tussenkop>Artikel 17 / intrekken oude verordeningen en overgangsrecht</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><tussenkop>Artikel 18 / citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>