<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR40591_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Voorziening maatschappelijke ondersteuning</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                Montfoort</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Wet</cursief>: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al><cursief>Compensatiebeginsel</cursief>: de algemene verplichting
                                    aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen
                                    op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen
                                    een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij
                                    zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                                    participatie;</al></li><li nr="c."><al><cursief>Beperkingen</cursief>: moeilijkheden die een persoon
                                    heeft met het uitvoeren van activiteiten;</al></li><li nr="d."><al><cursief>Persoon met beperkingen</cursief>: een persoon die ten
                                    gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en
                                    psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij
                                    het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van
                                    het huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het
                                    verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                    per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen en het op
                                    basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al></li><li nr="e."><al><cursief>Mantelzorger</cursief>: een persoon, die niet in het
                                    kader van een hulpverlenende beroep langdurige zorg verleent aan
                                    een hulpbehoevende persoon uit diens directe omgeving, welke
                                    zorgverlening rechtstreeks voorvloeit uit de sociale relatie en
                                    de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt,
                                    als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>Zelfredzaamheid</cursief>: het lichamelijk,
                                    verstandelijk, geestelijk en financiële vermogen om
                                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale
                                    maatschappelijke verkeer mogelijk maken;</al></li><li nr="g."><al><cursief>Maatschappelijke participatie</cursief>: normale
                                    deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren
                                    van een huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich
                                    in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Algemene voorziening</cursief>: een voorziening die
                                    wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een
                                    beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en
                                    adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                    ondervindt;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Individuele voorziening</cursief>: een voorziening die
                                    individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening
                                    geen adequate oplossing biedt;</al></li><li nr="j."><al><cursief>Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten</cursief>:
                                    een door het college vast te stellen bijdrage, die bij de
                                    verstrekking van een voorziening in natura (een eigen bijdrage),
                                    een persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage) of een
                                    financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald moet
                                    worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning van toepassing zijn;</al></li><li nr="k."><al><cursief>Voorziening in natura</cursief>: een voorziening die in
                                    eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="l."><al><cursief>Persoonsgebonden budget</cursief>: een geldbedrag,
                                    zoals bedoeld in artikel 6 en 6 a van de wet, waarmee de
                                    aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan
                                    verwerven en waarop de in deze verordening en het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van toepassing
                                    zijn;</al></li><li nr="m."><al><cursief>Financiële tegemoetkoming</cursief>: een tegemoetkoming
                                    in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op
                                    het inkomen van de aanvrager;</al></li><li nr="n."><al><cursief>Algemeen gebruikelijk</cursief>: naar geldende
                                    maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel
                                    bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager
                                    behorend;</al></li><li nr="o."><al><cursief>Meerkosten</cursief>: kosten van een mogelijk krachtens
                                    de wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten
                                    uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te
                                    beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="p."><al><cursief>Huisgenoot</cursief>: een huisgenoot is iemand met wie
                                    de aanvrager een gezamenlijke huishouding voert, overeenkomstig
                                    artikel 1, lid 4 en 5 van de wet;</al></li><li nr="q."><al><cursief>Budgethouder</cursief>: een persoon aan wie ingevolge
                                    deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die
                                    aan het college van burgemeester en wethouders verantwoording
                                    over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd
                                    is;</al></li><li nr="r."><al><cursief>Leefeenheid</cursief>: een eenheid bestaande uit
                                    gehuwde personen die al dan niet tezamen met een of meer
                                    ongehuwde minderjarige personen duurzaam een huishouden voeren,
                                    dan wel uit een meerderjarige ongehuwde persoon die met een of
                                    meer ongehuwde minderjarige personen duurzaam een huishouden
                                    voert”. Onder gehuwde personen worden ook begrepen de ongehuwd
                                    samenwonenden en andere volwassenen die met elkaar en/of met
                                    kinderen samenwonen.</al></li><li nr="s."><al><cursief>College</cursief>: het college van burgemeester en
                                    wethouders van de gemeente Montfoort.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Compensatiebeginsel &amp; toekenning en weigering van
                                voorzieningen</titel></kop><al>1.Bij het behandelen van een aanvraag voor een voorziening dient het
                            college rekening te </al><al>houden met </al><lijst><li nr=""><al>a.de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de
                                    aanvrager;</al></li><li nr=""><al>b.de verplichting zoals vermeld in artikel 4, eerste lid van de
                                    wet;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>c.de persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 4, 5 en 6 van de wet;</al></li><li nr=""><al>d.persoonskenmerken, behoeften en capaciteit van de
                                    aanvrager.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Een voorziening kan worden toegekend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                            gebied van het voeren van het huishouden, het
                                            verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal
                                            verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van
                                            medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan
                                            op te heffen of te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de
                                            goedkoopst adequate voorziening kan worden
                                            aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is
                                            gericht.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Een voorziening wordt niet toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                            algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                            Montfoort;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking
                                            hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau
                                            voor sociale woningbouw;</al></li><li nr="d."><al>voor zover aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                            van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de
                                            situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen
                                            waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                            aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken
                                            heeft gemaakt;</al></li><li nr="f."><al>indien de voorziening waarop de aanvraag betrekking
                                            heeft reeds eerder krachtens deze, of voorafgaande
                                            versie van deze verordening is verstrekt en de normale
                                            afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                            verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte
                                            voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                            omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                            rekenen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2 VORM</nr><titel>VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Keuzevrijheid</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een
                            voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden
                            aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Montfoort neergelegde criteria.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Voorziening in natura</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt en de gemeente
                                    wordt geen eigenaar van de verstrekking dan is de
                                    bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of
                                    dienstverleningsovereenkomst tussen de leverancier en de
                                    aanvrager van toepassing.</al></li><li nr="b."><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt en de gemeente
                                    wordt eigenaar van de verstrekking dan is de
                                    bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of
                                    dienstverleningsovereenkomst gemeente Montfoort van
                                    toepassing.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming zijn de voorwaarden
                            uit het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Persoonsgebonden budget</titel></kop><al>1. Op het persoonsgebonden budget, zoals genoemd in de artikelen 6 lid 1
                            en 6 a van de wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien
                                    van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget wordt, met
                                    uitzondering van het persoonsgebonden budget voor vergoeding van
                                    een arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van de Wet op
                                    de loonbelasting 1964, afgeleid van de tegenwaarde van de in de
                                    betreffende situatie te verstrekken voorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>het persoonsgebonden budget wordt, indien noodzakelijk,
                                    aangevuld met een vergoeding voor aanvullende kosten, zoals
                                    vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                    gemeente Montfoort;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld
                                    wordt door het college vastgelegd in het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort;</al></li><li nr="e."><al>op het persoonsgebonden budget is de Overeenkomst
                                    persoonsgebonden budget gemeente Montfoort van toepassing.</al><al/></li></lijst><al>2.De toekenning, de omvang en de looptijd van het te verstrekken
                            persoonsgebonden budget worden in de beschikking opgenomen.</al><lijst><li nr="3."><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt
                                    waarin is aangegeven aan welke vereisten de voorziening moet
                                    voldoen waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt.</al></li><li nr="4."><al>Na het nemen van de beschikking wordt het persoonsgebonden
                                    budget overgemaakt op een door de aanvrager opgegeven
                                    rekeningnummer, tenzij hiertegen overwegende bezwaren
                                    bestaan.</al></li><li nr="5."><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                    persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                    verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor
                                    noodzakelijke stukken, zoals genoemd in het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente …[naam], op verzoek van
                                    het college te verstrekken. Vervolgens wordt door het college
                                    beoordeeld of aanleiding bestaat om het persoonsgebonden budget
                                    geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is
                            de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële
                            tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het college legt in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort de omvang van deze
                            eigen inbreng vast.</al><al>Een ogenblik geduld, bezig met zoeken..</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>HULP BIJ HET HUISHOUDEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 8 Vormen van hulp bij het huishouden </vet></al><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9 Primaat van de algemene hulp bij het
                            huishouden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder a
                                    vermelde voorziening in aanmerking komen, indien het voor deze
                                    persoon onmogelijk is om zelf een of meer huishoudelijke taken
                                    uit te voeren en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en
                                    adequaat kan oplossen, aangezien deze persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen heeft op grond van ziekte of
                                            gebrek; of</al></li><li nr="b."><al>problemen ondervindt bij de uitvoering van
                                            mantelzorg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder b
                                    en c vermelde voorzieningen in aanmerking komen indien</al><lijst><li nr="a."><al>de in artikel 8, onder a genoemde voorziening
                                            onvoldoende tot een oplossing leidt; of</al></li><li nr="b."><al>de in artikel 8, onder a genoemde voorziening niet
                                            beschikbaar is.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 10Gebruikelijke zorg</vet></al><al>In afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon als bedoeld
                            in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 4, 5 en 6 van de wet niet
                            in aanmerking voor hulp bij het huishouden indien deze persoon deel
                            uitmaakt van een leefeenheid waarin een of meer huisgenoten wel in staat
                            staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Omvang van de hulp bij het huishouden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden
                                        <onderstreept>in natura</onderstreept> wordt uitgedrukt in
                                    klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende
                                    uren kunnen worden toegekend:</al><al> Klasse 1: 0 tot en met 1,9 uur per week;</al><al> Klasse 2: 2 tot en met 3,9 uur per week;</al><al> Klasse 3: 4 tot en met 6,9 uur per week;</al><al>Klasse 4: 7 tot en met 9,9 uur per week;</al><al> Klasse 5: 10 tot en met 12,9 uur per week;</al><al> Klasse 6: 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></li><li nr="2."><al>De omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden in de
                                    vorm van een <onderstreept>persoonsgebonden
                                        budget</onderstreept> wordt uitgedrukt in uren, afgerond
                                    naar decimalen, per week.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 12 Omvang van het persoonsgebonden budget</vet></al><al>De bedragen die per tijdseenheid van een uur, zoals genoemd in artikel
                            11, tweede lid, in de vorm van een persoonsgebonden budget worden
                            verstrekt, worden jaarlijks door het college vastgesteld en opgenomen in
                            het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>WOONVOORZIENINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 13 Vormen van woonvoorzieningen</vet></al><al>Ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden kan
                            het college, de volgende woonvoorzieningen verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 14 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op
                                individuele woonvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder a
                                    vermelde voorziening in aanmerking komen indien aantoonbare
                                    beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de
                                    woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit
                                    snel en adequaat kan oplossen.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder b,
                                    c en d vermelde voorziening in aanmerking komen indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek een
                                    aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de voorziening
                                    als bedoeld in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>onvoldoende tot een oplossing leidt; of</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De in lid 1 en 2 genoemde beperkingen staan in een direct
                                    oorzakelijk verband met de bouwkundige of woontechnische staat
                                    van de woning zelf, waaronder begrepen de toegankelijkheid van
                                    de woning.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 15 Soorten individuele woonvoorzieningen</vet></al><al>De in artikel 13 onder b, c en d genoemde voorzieningen kunnen bestaan
                            uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Primaat van de verhuizing en de uitraasruimte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 15 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het
                                    normale gebruik van de woning belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 15 onder b. en c. in aanmerking worden gebracht
                                    wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk
                                    is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.</al></li><li nr="3."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 15, onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond
                                    van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig
                                    ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen
                                    afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot
                                    rust kan komen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 17 Primaat van de losse woonunit</vet></al><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Uitsluitingen</vet></al><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                                    vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur;</al></li><li nr="b."><al>het treffen van voorzieningen in woongebouwen, die specifiek
                                    gericht zijn op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag
                                    worden dat reeds voorzieningen zijn getroffen in de
                                    gemeenschappelijke ruimten of dat voorzieningen bij nieuwbouw of
                                    renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden
                                    meegenomen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 19 Hoofdverblijf</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager
                                    zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan
                                    de voorziening wordt getroffen.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                    woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van
                                    één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in
                                    een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen
                                    erkende instelling.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de
                                    gemeente waar de aan te passen woning staat.</al></li><li nr="4."><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de
                                    in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college
                                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort
                                    vastgesteld maximumbedrag.</al></li><li nr="5."><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels
                                    een woonvoorziening bewerkstelligen dat de aanvrager de
                                    woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 20 Financiële tegemoetkoming aanpassing woonwagen,
                                woonschip en binnenschip</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    aanpassingskosten van een woonwagen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen ten tijde van
                                            het indienen van de aanvraag nog minimaal 5 jaar is;
                                        </al></li><li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                            aanmerking komt;</al></li><li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag
                                            voor een woonvoorziening bij de gemeente op de
                                            standplaats stond; en</al></li><li nr="d."><al>de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van
                                            een bewoningsvergunning als bedoeld in de
                                            Woningwet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    aanpassingskosten van een woonschip indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van het woonschip ten tijde van
                                            indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar
                                            is;</al></li><li nr="b."><al>het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag
                                            nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven
                                            liggen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de technische levensduur van de woonwagen of het
                                    woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag minder dan
                                    vijf jaar is, of de standplaats van de woonwagen binnen vijf
                                    jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet
                                    tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, wordt een
                                    maximum vergoeding gesteld aan de aanpassingskosten zoals
                                    vermeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning van de
                                    gemeente Montfoort.</al></li><li nr="4."><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    aanpassingskosten van een binnenschip dien de aanpassing
                                    betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun
                                    gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in
                                    artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit
                                    (Stb. 1987,466), van een binnenschip, dat in het register
                                    bedoeld in artikel 781 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als
                                    zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de
                                    maatregel teboekgestelde schepen 1992 en bedrijfsmatig wordt
                                    gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens
                                    de meetbrief bedoeld in het metingsbesluit binnenvaartuigen 1978
                                    een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het
                                    vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef
                                    bedoelde.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 21 Aanvullende begrenzing recht op
                            woonvoorzieningen</vet></al><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe, op grond van belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek,
                                    geen aanleiding bestond en geen andere belangrijke reden
                                    aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                    beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                    tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend
                                    door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                    ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
                                    extra trapleuningen;</al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat, op basis
                                    van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie, te voorzien was
                                    dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en daarmee geen
                                    sprake is van een onverwacht intredende noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, uitsluitend
                                    voor zover de aanvraag een verhuiskostenvergoeding betreft;</al></li><li nr="f."><al>de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
                                    geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden;</al></li><li nr="g."><al>de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                                    instelling gericht op het verstrekken van zorg;</al></li><li nr="h."><al>in de verlaten woonruimte geen problemen bestonden met het
                                    normale gebruik van de woning;</al></li><li nr="i."><al>de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
                                    voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                    materialen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr></kop><al><vet>Terugbetaling bij verkoop </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een woonvoorziening kan leiden tot een waardestijging van de
                                    woning. De eigenaar-bewoner die recht heeft op een
                                    woonvoorziening bestaande uit een aanbouw, moet bij verkoop van
                                    de woning deze verkoop direct melden aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid geldt alleen als de verkoop plaats vindt binnen
                                    10 jaar na gereedmelding van de voorziening.</al></li><li nr="3."><al>De meerwaarde van de woning dient volgens het in het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort d</al><al>oor het college vastgelegde afschrijvingsschema te worden
                                    terugbetaald.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 23Vormen van vervoersvoorzieningen</vet></al><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 24 Het recht op een algemene voorziening</vet></al><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 23, onder a vermelde voorziening
                            in aanmerking komen indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte
                            of gebrek het onmogelijk maken om:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik te maken van het openbaar vervoer;</al></li><li nr="b."><al>het openbaar vervoer te kunnen bereiken.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 25 Het primaat van het collectief vervoer</vet></al><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 23, onder b. en c. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 23,
                                    onder a., onmogelijk maken dan wel</al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 23, onder a., niet
                                    aanwezig is.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 26Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk
                                    inkomen van gehuwde personen - - meer bedraagt dan in het
                                    Besluit maatschappelijke ondersteuning Montfoortvoor de diverse
                                    categorieën genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een
                                    personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een
                                    met een auto vergelijkbare voorziening en de daarmee
                                    samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet in aanmerking
                                    komen voor verstrekking of vergoeding.</al></li><li nr="2."><al>de uitwerking van de hoogte van de vergoeding Montfoort</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27 Omvang</nr><titel>in gebied en in kilometers</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van
                                    de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke
                                    participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen
                                    in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven
                                    van alledag;</al></li><li nr="2."><al>In afwijking op het gestelde in het eerste lid wordt rekening
                                    gehouden met de vervoersbehoefte buiten de directe woon- of
                                    leefomgeving in een situatie waarin een bovenregionaal contact
                                    alleen door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het
                                    bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende
                                    vereenzaming te voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                    participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste
                                    een omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot
                                    2000 kilometer mogelijk maken.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6 VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 28Vormen van rolstoelvoorzieningen</vet></al><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een algemene
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    sportvoorziening.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 29Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel
                                rolstoelgebruik ensportvoorziening</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 2, onder a.
                                    vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                    incidenteel zittend verplaatsen in en rond de woning
                                    noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond
                                    van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere
                                    wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 2, onder b.
                                    en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks
                                    zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en
                                    hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                    Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                    adequate oplossing bieden.</al></li><li nr="3."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 2, onder d.
                                    vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                    sportbeoefening zonder een daarvoor geschikte sportvoorziening,
                                    bijvoorbeeld een sportrolstoel, onmogelijk maken.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30Aanspraak</nr><titel>op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 2, lid 1 en 2 komt een
                            persoon die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij op grond van de AWBZ geen recht heeft op een
                            rolstoel. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>HET VERKRIJGEN VAN VOORZIENINGEN EN HET MOTIVEREN VAN
                            BESLUITEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 31 Gebruik aanvraagformulier</vet></al><al>Een aanvraag van een voorziening kan schriftelijk of elektronisch worden
                            ingediend. Voor de aanvraag van een voorziening stelt het college een
                            formulier ter beschikking.</al><al/><al><vet>Artikel 32 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten</vet></al><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het Wmo-loket gemeente
                            Montfoort, in welk loket zowel aanvragen voor voorzieningen inzake de
                            wet alsook informatie overzorg inzake de Algemene
                            Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen worden ingediend respectievelijk
                            verkregen.</al><al>Artikel 33Inlichtingen, onderzoek, advies</al><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn
                                    voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene
                                    door wie een aanvraag is ingediend:</al></li><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college
                                    te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een
                                    of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of
                                    onderzoeken.</al></li><li nr="2."><al>Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen
                                    adviesinstantie om advies indien:</al></li><li nr="a."><al>de aanvrager die nog niet eerder een aanvraag in het kader van
                                    deze verordening heeft ingediend en het een voorziening betreft
                                    waarvan de kosten naar verwachting het bedrag als genoemd in het
                                    Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort te
                                    boven zal gaan;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen zal worden
                                    afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat voor het overige gewenst vindt.</al></li><li nr="3."><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                    adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in
                                    de International Classification of Functions, Disabilities and
                                    Impairments, de ICF classificatie.</al></li><li nr="4."><al>De beschikking vermeldt op welke wijze in dat individuele geval
                                    wordt bijgedragen aan het behouden en bevorderen van de
                                    zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van
                                    mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of
                                    een psychosociaal probleem.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34Samenhangende</nr><titel>afstemming</titel></kop><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                            stemmen op de situatie van de aanvrager laat het college onderzoek
                            verrichten naar de situatie van de aanvrager.</al><al/><al><vet>Artikel 35 Wijzigingen in de situatie</vet></al><al>De verkrijger van een toegewezen voorziening is verplicht aan het
                            college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op
                            het recht op een voorziening.</al><al> Artikel 36Intrekking van een voorziening</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze
                                    verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al></li><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens
                                    zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend
                                    geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li><li nr="2."><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of
                                    een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt
                                    dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na
                                    uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de
                                    voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst><al>Artikel 37Terugvordering</al><lijst><li nr="1."><al>Ingeval de aanspraak op een voorziening is ingetrokken kan op
                                    basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of
                                    persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.</al></li><li nr="2."><al>In geval de aanspraak op een in eigendom verstrekte voorziening
                                    is ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien
                                    de voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                    gegevens.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 38 Hardheidsclausule</vet></al><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al><al><vet>Artikel 39 Indexering</vet></al><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit Wet
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort geldende bedragen
                            verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens
                            het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 2 jaar
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. Het college zendt hiertoe telkens na 2 jaar na de
                            inwerkingtreding van de verordening aan de raad een verslag over de
                            doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41Inwerkingtreding</nr></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2010.</al><al>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort 2007
                            .</al><al><vet>Artikel 42Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Montfoort 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Montfoortop2009.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de verordening voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Montfoort 2010</titel></kop><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Aan de invoering van de Wmo per 1 januari 2007 is een behandeling voorafgegaan
                    die door de vele amendementen de wet een ander aanzicht heeft gegeven. De
                    consequenties hiervan waren in 2007 niet direct te overzien. De Wet
                    maatschappelijke ondersteuning is een wet die verdere invulling behoeft en
                    uiteindelijk door jurisprudentie een duidelijke vorm zal krijgen. Bij de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning is dan bovendien nog sprake van het gegeven dat
                    het kernbegrip van de wet, het zogenaamde compensatiebeginsel, bij amendement
                    aan de wet is toegevoegd, waardoor een begripsomschrijving van dit cruciale
                    begrip ontbreekt, met het gevolg dat de toelichting op het amendement
                    uitgangspunt is voor de vormgeving van dit compensatiebeginsel.</al><al>De verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning geeft invulling aan
                    de in de Wet maatschappelijke ondersteuning gegeven opdracht regels te stellen
                    bij verordening. In deze verordening is wederom vormgegeven
                    aan het compensatiebeginsel zonder de regels van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten en de regels rond de functie huishoudelijke verzorging uit de
                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geheel los te laten. </al><al>In 2008 is een ontwikkeling op gang gekomen om naar een invulling van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning te gaan die meer recht doet aan de bedoeling van
                    de wetgever, o.a door uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. De komende
                    jaren zal die ontwikkeling zich voort zetten. </al><al>Project De Kanteling</al><al>De Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) is momenteel met een tiental
                    gemeenten bezig met het project <cursief>De Kanteling</cursief>. Doel van het
                    project is om een nieuwe manier van werken te stimuleren die mensen met een
                    beperking betere kansen biedt om volwaardig mee te doen aan de samenleving. </al><al>De VNG betrekt de cliëntenorganisaties, landelijk en lokaal, bij het project. De
                    gemeenten die meedoen aan de pilots betrekken nadrukkelijk ook de burger, Wmo
                    -raad en lokale belangenorganisaties.</al><al>Het compensatiebeginsel vergt van gemeenten én burgers een nieuwe benadering: </al><lijst><li nr="-"><al>gemeenten zullen meer tijd moeten nemen in het eerste gesprek met de
                            klant;</al></li><li nr="-"><al>het gesprek wordt meer vraagverhelderend, minder beoordelend;</al></li><li nr="-"><al>burgers moeten afstappen van het zogenaamde claimdenken en alle
                            mogelijkheden verkennen om hun probleem op te lossen. </al></li></lijst><al>Bij het vinden van oplossingen staan behoud van regie over het eigen leven en
                    zelfredzaamheid voorop. </al><al>De VNG zal naar aanleiding van de resultaten een nieuwe modelverordening
                    opstellen (verwachting: eind 2010).</al><al>Uitwerking wet</al><al>In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen 4, 5, 6, 15,
                    19 en 26 Wmo.</al><al>In de Wmo komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen uit de AWBZ en
                    de Wvg bij elkaar. Voorzieningen die tot 1 januari 2007 onder de Welzijnswet
                    vallen en na die datum onder de Wmo, worden als voorliggende voorzieningen
                    aangeboden en worden daarom niet in deze verordening opgenomen. De in deze
                    verordening opgenomen algemene voorzieningen zijn in principe ook als
                    voorliggende voorzieningen te beschouwen, maar omdat algemene voorzieningen een
                    plaats hebben in deze verordening, zijn zij nog wel benoemd en van een primaat
                    voorzien. Het is niet ondenkbaar dat deze algemene voorzieningen op termijn
                    terug te vinden zullen zijn bij de onbenoemde voorliggende voorzieningen zoals
                    maaltijdvoorziening en personenalarmering.</al><al>Alle bedragen en bijbehorende regelgeving worden opgenomen in een (financieel)
                    Besluit. </al><al><vet> Wetswijzigingen Wmo per 1 januari 2010</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2010 wordt de Wmo aangepast. De wetswijziging is
                    beperkt van omvang en bevat de volgende elementen: </al><lijst><li nr="1."><al>De voorheen bestaande keuzemogelijkheid tussen de voorziening in natura
                            en het persoonsgebonden budget wordt aangepast in een keuze tussen het
                            ontvangen van een voorziening in natura, of een
                                <onderstreept>vergelijkbaar en toereikend</onderstreept>
                            persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een alfahulp;</al></li><li nr="2."><al>Een geïnformeerde toestemming voor de burger;</al></li><li nr="3."><al>Een overlegbepaling, gericht op overname van personeel van oud-gegunde
                            aanbieders door nieuw-gegunde aanbieders.</al></li></lijst><al>Als de burger ondersteuning in natura wenst, regelt de gemeente de voorziening
                    voor de burger door het sluiten van contracten met een zorgaanbieder. De burger
                    is hiermee uitsluitend de ontvanger van de voorziening en mag op geen enkele
                    wijze worden geconfronteerd met enige verantwoordelijkheid als werkgever of
                    opdrachtgever. Met ingang van 1 januari 2010 is het dus wettelijk uitgesloten
                    dat een zorgaanbieder de voorziening in natura via een alfahulp of een
                    zelfstandige levert als de burger daardoor ongewild werkgever of opdrachtgever
                    wordt. Voor onze gemeente geldt deze regel al per 1 juli 2009. Bij de
                    aanbesteding vorig jaar is al rekening gehouden met de komende wetswijziging. </al><al>In artikel 15, eerste lid onder b van het Raamcontract Hulp bij het Huishouden
                    staat:</al><al><cursief>Het is de Opdrachtnemer niet toegestaan om Hulp in natura te verlenen
                        via de alfahulpen-constructie. De cliënt treedt nooit op als werkgever van
                        de medewerker die de dienstverlening verzorgt. Ook eventuele onderaannemers
                        mogen geen Opdrachtgeverschap of werkgeversverantwoordelijkheid voor Hulp
                        bij het huishouden bij de cliënt neerleggen. In uitzondering op de
                        voornoemde beperking kan de Opdrachtnemer met voorafgaande instemming van
                        Opdrachtgever een “afbouwmogelijkheid Alfahulpen” treffen die er toe leidt
                        dat uiterlijk - doch niet na ingangsdatum van een daarop betrekking hebbende
                        wettelijke maatregel - op 01-07-2009 kan worden voldaan aan de
                        verplichtingen in dit artikel.</cursief></al><al>De afbouw leverde in de praktijk geen problemen op. Ongeveer 85% van de
                    alfahulpen is in dienst getreden bij de zorgaanbieders, zo’n 10% gaat als
                    freelancer werken voor de zorgaanbieders en ongeveer 5% van de alfahulpen is
                    gestopt of blijft alfahulp. In het laatste geval kunnen klanten die hun alfahulp
                    willen houden een persoonsgebonden budget aanvragen.</al><al><cursief>Geïnformeerde toestemming</cursief></al><al>Het is belangrijk dat de burger daadwerkelijk weet waarvoor hij kiest. Daarom
                    regelt de wet per 1 januari 2010 expliciet de geïnformeerde toestemming.
                    Gemeenten worden hierdoor verplicht om hun burgers in duidelijke en
                    begrijpelijke bewoordingen te informeren over de consequenties van de keuze die
                    de burger maakt. </al><al>De gevolgen van de wetswijziging voor de verordening zijn beperkt tot de
                    hierboven, onder 1. genoemde keuzemogelijkheid. De onder 2. en 3. genoemde
                    wijzigingen hebben geen invloed op de verordening, het betreft wettelijke
                    verplichtingen.</al><al> Algemene toelichting</al><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip
                    “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen.</al><al>Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid
                    en Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat het volgende:</al><al><cursief>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                        maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                        beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                        compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                        beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte
                        van de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                        resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag
                        bepalen welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde
                        doel/resultaat te bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het
                        uitgangspunt dat daar waar mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen
                        verantwoordelijkheid van burgers moet het mogelijk zijn om aan de aanspraak
                        op ondersteuning een inkomenstoets te koppelen. Omdat het om
                        maatschappelijke participatie gaat, is dit te rechtvaardigen. Daartoe dienen
                        op centraal niveau regels gesteld te worden.</cursief></al><al><cursief>In het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft het de
                        voorkeur van de</cursief></al><al><cursief>Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen naar de WMO,
                        zodat de</cursief></al><al><cursief>wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie blijft naast de
                        WMO een Welzijnswet</cursief></al><al><cursief>bestaan, waarin de collectieve (gemeenschapsgerichte) voorzieningen
                        worden ondergebracht. Deze voorzieningen zijn immers algemeen van aard en
                        bedoeld voor iedere ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele
                        beperkingen. Voor deze voorzieningen acht de Raad het niet gewenst een
                        wettelijke aanspraak in het leven te roepen. Deze aanbeveling heeft
                        betrekking op het niveau van de aanspraak (c.q. voorziening), niet op het
                        niveau van de uitvoering. Op het tweede niveau kan immers, ook bij een
                        individuele aanspraak (bijvoorbeeld vervoer) een ‘collectieve’ voorziening
                        worden aangewend (bijvoorbeeld openbaar vervoer).</cursief></al><al><cursief>Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in een
                        verplichting om bepaalde met name te noemen voorzieningen te verstrekken
                        (zorgplicht), maar te omschrijven in termen van het te bereiken resultaat
                        (compensatieplicht), kan onzekerheid ontstaan over wat nu precies als recht
                        geldt. Om die reden is het volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op
                        te nemen wanneer sprake is van een gelijkwaardige uitgangspositie van
                        burgers. Dat is immers het resultaat waarop de gemeente, ook in rechte, kan
                        worden aangesproken. Dit betekent dat geoperationaliseerd moet worden wat de
                        termen ‘zelfredzaamheid’ en ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke
                        activiteiten moet iemand daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?</cursief></al><al><cursief>Door het te bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te
                        nemen is het volgens de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te
                        nemen voor de indicatiestelling.”</cursief></al><al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><al><cursief>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien
                        in met name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde
                        artikel ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om
                        beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een
                        huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per
                        vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in
                        dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en
                        financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het
                        normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan
                        het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan het kunnen voeren
                        van een huishouden; het normale gebruik van een woning; het zich in en om de
                        woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig kunnen verplaatsen dat
                        aansluiting kan worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke
                        vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                        onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan
                        het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de gemeentelijke
                        uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                        Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader
                        dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                        gevallen vast te stellen.</cursief></al><al><cursief>De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit
                        artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig de
                        bestuurlijke structuur van de wet op het lokale niveau bepaald met
                        inachtneming van alle bepalingen over de totstandkoming van het lokale
                        beleid en de betrokkenheid van burgers en cliënten daarbij.”</cursief></al><al>Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatiebeginsel in het
                    amendement is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen,
                    in artikel 1. onder b.</al><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen: </al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden te voeren,</al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning,</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="d."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan.</al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    verordening als volgt uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                            name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                            verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden genoemd;</al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend)
                            de sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit
                            de Wvg;</al></li><li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                            verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de
                    hoofdstukindeling.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om
                        <cursief>individuele voorzieningen</cursief> moet gaan. Om te voorzien in
                    het snel en regelarm treffen van veel voorkomende eenvoudige voorzieningen is in
                    deze verordening het begrip <cursief>algemene voorzieningen</cursief> opgenomen.
                    Dit type voorziening kwam in de Wvg voor onder de noemer <cursief>collectief
                        vervoer</cursief>. In deze verordening wordt het begrip algemene voorziening
                    gebruikt voor alle onderdelen van het compensatiebeginsel. De mogelijkheid wordt
                    geschapen voor algemene woonvoorzieningen, algemene hulp bij het huishouden,
                    algemene vervoersvoorzieningen en algemene rolstoelvoorzieningen. Wat houden
                    deze algemene voorzieningen in concreto in? Het kan gaan om scootermobielpools,
                    rolstoelen voor incidenteel gebruik (rolstoelpools), collectief vervoer,
                    klussen- en boodschappendiensten, etcetera. Deze opsomming is uitdrukkelijk niet
                    limitatief, aangezien het een nieuw type voorziening betreft, waarvoor de
                    komende jaren nieuwe invullingen zullen ontstaan. Met name op het terrein van
                    hulp bij het huishouden is het een nieuw begrip.</al><al>Kenmerkend voor algemene voorzieningen is dat de gemeente deze voorzieningen
                    organiseert, inkoopt en ter beschikking stelt, los van of vooruitlopend op
                    individuele aanvragen terzake. Het zal in de regel gaan om steunpunten, depots,
                    pools, waar de betreffende voorzieningen op voorraad worden gehouden, al of niet
                    op wijkniveau. </al><al>Algemene voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan procedures kunnen
                    worden aangeboden: met geen of slechts een lichte toegangstoets en zonder eigen
                    bijdragen.</al><al>De voordelen van deze algemene voorzieningen zijn een snelle en simpele
                    oplossing van de problemen, zonder bureaucratie en zonder eigen bijdragen. In
                    plaats van de soms complexe advisering wordt in dit kader van het veel lichtere
                    begrip toegangsbeoordeling gebruik gemaakt. Het is uitdrukkelijk niet de
                    bedoeling van deze algemene voorzieningen om daarmee de mogelijkheid van de
                    aanvrager tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget in te perken.</al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                    aspecten.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al> Artikelsgewijze toelichting</al><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>Ad a.</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al><al>Ad b.</al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Van Miltenburg c.s. (Tweede
                        Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 131, nr. 65) aan het wetsvoorstel
                        toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving van dit begrip
                        opgenomen. Ook in de wet is daarom geen begripsomschrijving van het cruciale
                        begrip compensatiebeginsel opgenomen. Daarom staat de begripsomschrijving
                        van het compensatiebeginsel in de verordening. Voor de begripsomschrijving
                        is gebruik gemaakt van het briefadvies van de Raad voor de Volksgezondheid
                        en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het compensatiebeginsel. Voor wat betreft de
                        gelijkwaardige uitgangspositie is gebruik gemaakt van de toelichting op het
                        amendement, evenals voor wat betreft de termen zelfredzaamheid en
                        maatschappelijke participatie. Het onderdeel “aantoonbare beperkingen op
                        grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel 1, lid 1, onder a. van
                        de Wvg.</al><al>Ad c.</al><al>De term “beperkingen”is ontleend aan de ICF, de
                        International Classification of Functioning, Disability, and Health,
                        opgesteld door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation,
                        onderdeel van de Verenigde Naties). Het onder de toelichting op onderdeel
                        1.2 van dit artikel genoemde amendement-Van Miltenburg stelt over de ICF:
                        “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International
                        Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                        classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                        behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Ad d.</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid
                        van de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende
                        terreinen waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden
                        verstrekt. Daarnaast is vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het
                        onderdeel “aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of
                            gebrek”toegevoegd. Mede in verband met de
                        begrenzing van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn.
                        Hierdoor blijft jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen
                        gehandicapten ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip van
                        toepassing.</al><al>Aan deze formulering is de nieuwe doelgroep “personen met een chronisch
                        psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep is afkomstig
                        uit de AWBZ-regelgeving (Besluit zorgaanspraken).</al><al>Ad. e.</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                        begripsomschrijving van “mantelzorg”in de wet (artikel
                        1, lid 1 onder b, van de Wmo). </al><al>Ad f.</al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds onder a.
                        genoemde amendement-Van Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de
                        wet heeft toegevoegd.</al><al>Ad g.</al><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan
                        de toelichting op het amendement-Van Miltenburg c.s., dat het
                        compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.</al><al>Ad h.</al><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met
                        een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken
                        aan een scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen:
                        collectief vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als
                        klussendiensten en voorzieningendepots, rolstoelpools en
                        vrijwilligersdiensten. De verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij
                        individuele voorzieningen: een beperkte toegangsbeoordeling, geen formele
                        beslissing (beschikking) en geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om
                        eenvoudige en veel voorkomende voorzieningen die bedoeld zijn voor
                        incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk van algemene voorzieningen is
                        tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt worden en nooit als financiële
                        tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op verzoek zal er aan de
                        aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven, zodat
                        rechtsbescherming gewaarborgd is.</al><al>Ad i.</al><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                        individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                        worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden
                        verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën
                        voorzieningen hangt uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de
                        aanvrager. Door het college vast te stellen beleidsregels zullen
                        afwegingscriteria geven, verder zal een op de individuele situatie afgestemd
                        medisch advies vaak van groot belang zijn. De algemene voorzieningen, nu nog
                        genoemd in de vorm van een primaat, kunnen uitgroeien tot voorliggende
                        voorzieningen en op den duur uit deze verordening verdwijnen, wanneer zij
                        zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen worden tot de groep
                        voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en personenalarmering.</al><al>Ad j.</al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                        kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet.
                        Deze eigen bijdrage kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat
                        daarvoor op basis van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van
                        Bestuur nadere regels kunnen worden gesteld. Van deze bevoegdheid is gebruik
                        gemaakt door middel van het vaststellen van het Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning. In deze AMvB is bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben
                        voor het vaststellen van een eigen bijdrage en een eigen aandeel, als ze
                        daartoe willen overgaan.</al><al>Ad k.</al><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                        financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                        verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                        dienstverlening.</al><al>Ad l.</al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het
                        college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening
                        naar zijn keuze, waaronder de vergoeding voor dienstverlening aan huis als
                        bedoeld in de zogenaamde “Regeling dienstverlening aan huis.” Nadere
                        uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en
                        daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort.</al><al>Ad m.</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een
                        bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet per se een kostendekkende
                        vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al><al>Ad n.</al><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook
                        onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de
                        gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager,
                        gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn beperking, zou kunnen
                        beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd.
                        Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is,
                        hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de
                        aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de
                        jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor
                        verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel
                        specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen
                        gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat
                        in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit
                        de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om
                        voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet speciaal voor mensen met een beperking bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                                hetzelfde doel.</al></li></lijst><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                        “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere
                        Ziektekosten is geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke
                        zorg” komt onder de Wet maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder,
                        onder p.</al><al>Ad o.</al><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen
                        gebruikelijk”; deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten
                        zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het
                        compenseren van de ondervonden beperking of het psychosociaal probleem,
                        zoals die zijn genoemd in artikel 1, lid 1, onder g. achtste volzin van de
                        wet. Een met de persoon als de aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die
                        beperking of dat psychosociale probleem heeft deze meerkosten per definitie
                        niet, omdat daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de
                        bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor een persoon als de
                        aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht.</al><al>Ad p.</al><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol
                        Gebruikelijke zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum
                        Indicatiestelling Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de
                        AWBZ-indicatiestelling voor huishoudelijke zorg. De definïëring van het
                        begrip huisgenoot is op enkele punten aangepast om te voorkomen dat
                        problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden ook naar de wet overgaan.
                        Zo is in plaats van ‘volwassenen’ de term ‘meerderjarigen’
                            opgenomenen is het begrip ‘gemeenschappelijke
                        huishouding voeren’ vervangen door het begrip ‘gemeenschappelijk een woning
                        bewonen’.</al><al>Ad q.</al><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het
                        begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de
                        beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook
                        verantwoording af dient te leggen.</al><al>Ad r.</al><al>Het begrip leefeenheid is in 2007 opgenomen in de verordening op advies van
                        de toenmalige Wmo-raad.</al><al>Ad s.</al><al>Begrip college opgenomen zodat <cursief>het college van burgemeester en
                            wethouders van de gemeente Montfoort </cursief>niet iedere keer voluit
                        geschreven hoeft te worden</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Compensatiebeginsel &amp; toekenning en weigering van
                            voorzieningen</titel></kop><al>Artikel 2 lid 1</al><al>Op advies van de interim Wmo-raad Woerden (maart 2009) is de kern van het
                        begrip compensatiebeginsel verder uitgewerkt in de verordening. In de vorige
                        verordening stond het begrip alleen vermeld bij de definities en in de
                        toelichting. Aan deze wens is gehoor gegeven, gelet op het belang van dit
                        begrip.</al><al>Ad a. </al><al>Het gaat bij de compensatieplicht om het compenseren van beperkingen in de
                        zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Volgens de CRvB brengt
                        artikel 4 van de wet mee dat de zelfredzaamheid en maatschappelijke
                        participatie de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college
                        moet zijn gericht (CRvB 10-12-2008, nr. 08/3206 Wmo). </al><al> Ad b.</al><al>Artikel 4, eerste lid van de wet bevat de verplichting voor het college om
                        compenserende voorzieningen te treffen. </al><al>Ad c. Hierin wordt de doelgroep nader omschreven. De compensatieplicht heeft
                        betrekking op de persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                        onderdeel 4, 5 en 6 van de wet. </al><al>Ad d.</al><al>Artikel 4 lid 2 Wmo bepaalt dat het college bij het bepalen van de
                        voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de
                        aanvrager van de voorziening, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om
                        uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. </al><al>Artikel 2 lid 2</al><al>Ad a.</al><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de Modelverordening Wet
                        voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig
                        noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd
                        uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een
                        terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in
                        situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard
                        is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking,
                        naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de aanvraag,
                        onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in
                        de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de prognose van groot belang
                        zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de benodigde
                        hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van
                        kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering
                        in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden
                        van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op
                        de vraagof er al dan niet sprake is van een langdurige
                        noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere
                        tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft,
                        bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van
                        voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze
                        verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op
                        hulpmiddelendepots in het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee
                        maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden
                        verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens ligt
                        tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot situatie
                        verschillen. </al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                        noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een
                        afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij
                        ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al><al>Ad b.</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen
                        naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope
                        voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip
                        adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel
                        datgene wat de aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de
                        beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium
                        van het goedkoop zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de
                        uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een
                        voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld. Eigenschappen die
                        kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken,
                        zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een
                        overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door
                        technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat
                        een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en
                        dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan
                        uitgegaan kan worden,moge het duidelijk zijn dat bij
                        een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden
                        aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te
                        verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de
                        aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het
                        begrip goedkoopst adequaat geeft het college sturingsmogelijkheden binnen
                        het beleid. </al><al>Ad c. </al><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden
                        gecompenseerd. Dat individueleprobleem staat dan ook
                        centraal bij de beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond
                        van de wet.</al><al>Artikel 2 lid 3</al><al>Ad a. </al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn
                        voorzieningenwaarover een met de aanvrager
                        vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                            voorzieningenhoeven niet te worden verstrekt. Dit
                        beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving
                        (AAW/WAO, voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke
                        jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip,
                        zoals die is opgenomen in artikel 1, onder n. van deze verordening. Wat in
                        een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de
                        aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de -financiële- situatie
                        van de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen
                        op het moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van de
                        aanvrager kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen
                        gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde
                        jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet
                        als het inkomen van de aanvrager – mede ten gevolge van aantoonbare kosten
                        ten gevolge van zijn beperking, onder het in diens situatie geldende
                        bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten
                        gevolge van een plotseling optredende handicap moeten vervangen van zaken
                        die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap immers ook niet
                        gebeuren.</al><al>Ad b.</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                        gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                        compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen,
                        hoewel artikel 11 van de wet spreekt over “ingezetenen van de gemeente”. Dit
                        artikel moet opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen
                        bij gemeenten waar de aanvrager niet feitelijk woonachtig is.</al><al>Ad c.</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het
                        Bouwbesluit 2003. Het gaat daarbij om minimumeisen. Woonvoorzieningen die op
                        dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende
                        kwaliteit; duurdere grotere of andere voorzieningen hoeven niet te worden
                        verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld vallen
                        daarom niet onder dit niveau.Alleen in die gevallen dat
                        bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het
                        college hierop een uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten
                        moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij hulp bij
                        het huishouden speelt deze bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk
                        meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in een veel grotere
                            ofmeer luxe woning woont, geeft deze bepaling een
                        duidelijke grens aan.</al><al>Ad d.</al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na
                        het optreden van een beperking voorzieningen aan.In dergelijke gevallen kan
                        dat leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten
                        met zich meebrengt. Voor dergelijke situaties is deze onder d. genoemde
                        bepaling bedoeld.</al><al>Ade. en f.</al><al>In artikel 2 lid 3, onder e. en f. geeft de verordening een tweetal gronden
                        voor weigering aan. Onder e. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager
                        een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                        aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de
                        voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                        invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                        voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing
                        over de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang
                        worden gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college
                        alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond
                        hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee
                        is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als
                        goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook
                        factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen
                        zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning
                        elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet
                        noodzakelijk is.</al><al>Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat dit artikel
                        niet zonder meer kan worden toegepast. Wanneer ook na aanschaf c.q.
                        realisering van de voorziening beoordeeld kan worden of deze noodzakelijk
                        is, en zo ja,wat de goedkoopst-adequate voorziening is, en zal zo nodig tot
                        vergoeding moeten worden overgegaan. Pas nadat het college een positieve
                        beschikking voor een verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een
                        aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de
                        gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is
                        kan de aanvragertot verhuizen overgaan. Met deze
                        voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de
                            aanvragerreeds is verhuisd, met een claim voor een
                        verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het
                        echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning
                        anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere
                        urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook
                        voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de
                        verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het
                        hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een
                        situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de
                        regel voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur-
                        of erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning. </al><al>Onder f. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan
                        worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                        plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren
                        is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid,
                        dus niet indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander
                        aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het
                        mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen
                        stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Indien in een woning een
                        verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit
                        gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de
                        opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat
                        de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op
                        deze verordening worden gedaan.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                        individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden
                        budget en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende
                        bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een
                        persoonsgebonden budget. Het college kan regels stellen om af te wegen in
                        welke gevallen er sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden
                        zijn om geen persoonsgebonden budget te verstrekken.</al><al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid:
                        namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere
                        aanbieders. </al><al>Artikel 4 Voorziening in natura</al><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van
                        het college en de aanvrager. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het
                        college eigenaar blijft van de verstrekte naturavoorziening of het college
                        de zorg in natura zelf geregeld heeft. Artikel 10 van de wet stelt weliswaar
                        dat het verlenen van maatschappelijke ondersteuning zo veel mogelijk aan
                        derden moet worden overgelaten,maar als dat
                        redelijkerwijs niet mogelijk is, kan gekozen worden voor het door de
                        gemeente zelf verlenen van de maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is een overeenkomst als
                        bedoeld in artikel 4 uiteraard niet nodig.</al><al>Een alternatieve situatie zou kunnen zijn de situatie waarin het college een
                        derde inschakelt voor verstrekking van naturavoorzieningen en deze derde
                        eigenaar blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer het college een
                        derde inschakelt voor het verlenen van zorg. In die situatie dient artikel 4
                        en de toelichting hierop aangepast te worden.</al><al>Artikel 5 Financiële tegemoetkoming</al><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed
                        aan een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de
                        doelen die met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden
                        worden verbonden aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de
                        wet. Deze bepaling, die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit
                        hoofdstuk 7 van deze verordening,biedt daartoe de
                            mogelijkheid.</al><al>Artikel 6 Persoonsgebonden budget</al><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                        toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                        artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de
                        bepalingen in artikel 6 en 6a van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen
                        bij toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze
                            vooreen toereikend en (met een naturavoorziening)
                        vergelijkbaar persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene
                        voorzieningen vallen niet onder deze eis.</al><al>Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is
                        afgeleid van de tegenwaarde van de te verstrekken naturavoorziening. Er moet
                        immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan
                        worden gebaseerd. Uitzondering op laatstgenoemde regel is het
                        persoonsgebonden budget voor de vergoeding van een arbeidsverhouding als
                        bedoeld artikel 5 lid 2 van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat per 1
                        januari 2010 wordt opgenomen in de wet. Deze vergoeding kan immers naar zijn
                        aard niet worden gerelateerd aan de kosten van een naturavoorziening.</al><al>Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                        instandhoudingskosten (onderhoud en reparatie) van de voorziening. Maar het
                        kan ook gaan om een aanvulling voor servicekosten en verzekering bij een
                        vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van de Wet
                        op de loonbelasting 1964 voor dienstverlening aan huis. </al><al>Voor de diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden
                        gegeven in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort,
                        dat door het college moet worden vastgesteld. </al><al>Lid 1, onder d. bepaalt dat het college de omvang van een persoonsgebonden
                        budget bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van verschillende
                        persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen. Daarbij zullen,
                        ter bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk
                        zijn. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort en de beleidsregels.
                        Verder is onder e. bepaald dat er, om misverstanden zoveel mogelijk te
                        voorkomen, een overeenkomst wordt getekend omtrent de voorwaarden waaronder
                        het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. </al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                        persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het
                        gaat om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om
                        de periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat
                        dergelijke beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd. De gemeente
                        houdt rekening met de financiële omstandigheden van de aanvrager bij het
                        vaststellen van het moment van overmaken van het budget.</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een programma van eisen wordt
                        vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het
                        persoonsgebonden budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het programma
                        van eisen is dus een belangrijk document; als niet aan het programma van
                        eisen wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van het
                        toegekende budget. </al><al>Lid 4 van artikel 6 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het
                        persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen
                        door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan
                        betaling in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden of in
                        situaties waarin er twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen
                        financiële risico’s voor de gemeente worden beperkt en worden aanvragers
                        minder snel geconfronteerd met hoge terugvorderingbedragen. Wel is het
                        belangrijk dat er zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van
                        de aanvrager.</al><al>Indien de aanvrager het persoonsgebonden budget wenst te laten overmaken op
                        het de rekening van een derde, bijvoorbeeld op die van een servicebureau
                        voor beheer van persoonsgebonden budgetten, kunnen er tegen deze derde
                        overwegende bezwaren zijn. In een dergelijk geval kan het college op basis
                        van dit artikellid weigeren het persoonsgebonden budget op het opgegeven
                        rekeningnummer te storten.</al><al>Lid 5. </al><al>De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige
                        besteding van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid
                        om vast te stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun
                        persoonsgebonden budgets besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is
                        dus aan de raad en het college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en
                        daarbij de afweging te maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze
                        controle.</al><al>In dit lid is de steekproefsgewijze controle opgenomen, waarbij een bepaald
                        gedeelte van detoegekende persoongebonden budgetten
                        wordt gecontroleerd via het opvragen van gegevens bij de budgethouders. </al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                        persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de
                        in hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al><al>Ook zou door gemeenten gekozen kunnen worden voor de volledige
                        controlemogelijkheid. Afhankelijk van de vraag waarvoor het persoonsgebonden
                        budget is bedoeld en de wijze waarop de noodzakelijke voorziening is
                        verkregen, worden bepaalde bewijsstukken opgevraagd bij de budgethouder. Een
                        factuur is nodig in situaties waarin voorzieningen zijn aangeschaft bij een
                        leverancier, bijvoorbeeld een rolstoel of een scootermobiel. Een
                        betalingsbewijs kan van belang kan zijn in situaties waarin er geen nota is,
                        bijvoorbeeld bij een tweedehands aankoop bij een particulier of uitbetaling
                        aan een dienstverlener, bijvoorbeeld iemand die hulp bij het huishouden
                        heeft verleend. Een salarisadministratie kan noodzakelijk zijn in situaties
                        waarin men iemand in dienst heeft genomen voor het verrichten van hulp bij
                        het huishouden.</al><al>Ook bij deze keuze geldt: mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is
                        het toegekende persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te
                        vorderen, dan dient de in hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van
                        voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te
                        vragen. Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële
                        tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie
                        maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel.
                        In dit artikel stelt de raad vast van deze mogelijkheid gebruik te maken,
                        zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van de wet. Bovendien wordt bepaald dat
                        de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het college in het Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning wordt vastgelegd. De Raad heeft hierbij
                        ingevolge de Algemene Maatregel van Bestuur de mogelijkheid binnen de
                        grenzen die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt de verschillende
                        bedragen vast te stellen. Deze afwijkende bedragen kunnen in het Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort worden opgenomen.</al><al>Het is de bedoeling van de wetgever geweest dat bij aanvragen door of ten
                        behoeve van personen jonger dan 18 jaar geen eigen bijdragen, maar ook geen
                        eigen aandeel verschuldigd is. Hoewel dit ten aanzien van het eigen aandeel
                        niet als zodanig is geformuleerd, ligt het voor de hand hierin één lijn te
                        trekken.</al><al>Artikel 4.1., lid 3 van de AMvB bepaalt dat bij roerende zaken die in
                        eigendom worden verschaft of bij bouwkundige of woontechnische aanpassingen
                        de eigen bijdrage of het eigen aandeel over maximaal 39 perioden van vier
                        weken (= 3 jaar) gevraagd mag worden. Dit artikel geeft de invulling
                        daarvan.</al><al>In de gemeente Montfoort wordt naast de <onderstreept>hulp bij het
                            huishouden</onderstreept> een eigen bijdrage gevraagd bij een
                            <onderstreept>aanpassing van een eigen auto</onderstreept> en
                            <onderstreept>bij een bouwkundige of woontechnische aanpassing van meer
                            dan € 5.000,- van een woning die eigendom is van de
                            aanvrager</onderstreept>.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>HULP BIJ HET HUISHOUDEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen
                        aan te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                        verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk
                        3 van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”,
                        in hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                        “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte
                        kan hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                        geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht. </al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om
                        aan te geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze
                        verordening het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden
                        aangeboden. Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en
                        eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp
                        voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct
                        beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt,
                        met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een
                        kortdurende hulpbehoefte. Het is aan een gemeente om te bezien of zij deze
                        vorm van hulp bij het huishouden in hun verstrekkingenpakket wil
                            opnemen.</al><al>Onder b. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Ook hier gaat
                        het om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de onder a.
                        genoemde vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer
                        op de persoon is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de
                        wat grotere en langduriger behoefte aan hulp.</al><al>Onder c.is genoemd het persoonsgebonden budget (pgb)
                        voor hulp bij het huishouden. Met dit pgb moet de aanvrager zelf hulp
                        inhuren.</al><al>Artikel 9 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</al><al>In artikel 9 lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik
                        kan maken van een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien
                        deze in de gemeente voorhanden is. In aanmerking komen in eerste instantie
                        personen met een aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of gebrek.
                        Verder komen in aanmerking mantelzorgers in het kader van
                            dezogenaamde ‘respijtzorg’, dat wil zeggen dat de
                        noodzaak aanwezig is om mantelzorgers te ontlasten. Nota bene: het is
                        daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden van de
                        mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van degene
                        die de mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk.</al><al>Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van een primaat in
                        deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie wordt
                        bezien of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op adequate
                        wijze kan oplossen. </al><al>Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat
                        is of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                        huishouden aan de orde. Lid 2 moet dus in samenhang met lid 1 worden
                        gelezen. De individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in
                        natura of uit een persoongebonden budget. Het college bepaalt wanneer iemand
                        voor een persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn
                        vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort </al><al>Artikel 10 Gebruikelijke zorg</al><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt
                        allereerst bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de
                        leefeenheid zelf de problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder
                        de AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90
                        van de vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door middel van
                        dergelijke gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak
                        op hulp bij het huishouden. In de door het college vast te stellen
                        beleidsregels wordt bepaald hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke
                        zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een voorziening voor hulp bij
                        het huishouden.</al><al>Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat een beroep
                        op gebruikelijke zorg hoge eisen stelt aan het onderzoek dat aan een besluit
                        voorafgaat. Indien het verstrekkingenbeleid dit bepaalt zullen bijvoorbeeld
                        de betreffende huisgenoten gehoord moeten worden. Ook de zogenaamde
                        dreigende overbelasting zal nauwkeurig onderzocht dienen te worden, waarbij
                        het oordeel van een adviserend arts vaak niet zal kunnen ontbreken.</al><al>Artikel 11 Omvang van de hulp bij het huishouden</al><al>Omdat hulp bij het huishouden uiteindelijk altijd in de vorm van
                        dienstverlening zal worden verstrekt, moet de omvang in uren worden
                        vastgesteld. </al><al>Er kan ook een andere keuze gemaakt worden. In de AWBZ werd tot de invoering
                        van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn te vergelijken met
                        standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en een maximaal
                        aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Indien men bijvoorbeeld
                        een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in klasse 1.
                        Mocht de behoefte aan hulp van de aanvrager enigszins stijgen of dalen
                        binnen de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft daarvoor niet
                        opnieuw geïndiceerd en beschikt te worden. Voor de gemeente is dat een
                        administratief voordeel, voor aanvragers ook. Materieel kan het voor
                        aanvragers binnen de speelruimte van de klasse echter enigszins negatief of
                        positief uitpakken, afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijke uren
                        zorg. Als die zorgbehoefte, uitgedrukt in uren, zich onderaan de bandbreedte
                        bevindt, is men voordelig uit; is de behoefte aan uren gelegen vlak onder
                        het plafond van de klasse, is het voordeel minder. Zolang de objectief
                        vastgestelde behoefte echter binnen de bandbreedte blijft, is er sprake van
                        een toereikende voorziening. Voor zover hulp bij het huishouden nodig is die
                        klasse 6 overstijgt, is het mogelijk additionele uren aan deze hoogste
                        klasse toe te voegen. </al><al>Op advies van de interim Wmo-raad Woerden wordt de omvang van de toe te
                        kennen hulp bij het huishouden in de vorm van een
                            <onderstreept>persoonsgebonden budget</onderstreept> uitgedrukt in uren.
                        Dit is geregeld in het tweede lid. In het Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Montfoort wordt door het college jaarlijks het
                        uurbedrag vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en sluit nauw aan op de keuze voor het
                        werken met uren, genoemd in artikel 11. Jaarlijkse vastlegging houdt verband
                        met prijsindexering, zoals genoemd in artikel 39. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>WOONVOORZIENINGEN</titel></kop><al>Artikel 13 Woonvoorzieningen</al><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><al>Ad a. </al><al>De algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een
                        mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te
                        krijgen. Te denken valt aan klussendiensten, snel beschikbare voorzieningen
                        uit depot en mogelijk andere, nog te ontwikkelen voorzieningen;</al><al>Ad b. </al><al>Een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in
                        de vorm van een</al><al>financiële tegemoetkoming<vet><cursief> -</cursief></vet>op individuele
                        basis- verstrekt, bijvoorbeeld de losse tillift of een</al><al>douchestoel;</al><al>Ad c.</al><al>Het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld een verhuiskostenvergoeding;</al><al>Ad d.</al><al>De financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren en
                        soms ook</al><al>rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd in artikel
                        7 lid 2 en artikel 19 van de wet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Primaat collectieve woonvoorzieningen en recht op individuele</titel></kop><al><vet> woonvoorzieningen</vet></al><al>In eerste instantie zal worden bezien of een probleem bij het normale
                        gebruik van de woning (de zogenaamde “elementaire woonfuncties”) kan worden
                        opgelost met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij
                        het zoeken naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem,
                        dus een probleem bij het normale gebruik van de woning, zie de toelichting
                        op het amendement dat leidde tot artikel 4 van de wet (amendement-Van
                        Miltenburg c.s., Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 131, nr. 65). </al><al>Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig
                        is in de gemeente, moet het probleem middels een individuele voorziening
                        worden opgelost; dat kan zijn een woonvoorziening in natura of een
                        persoonsgebonden budget.</al><al>Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de
                        Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor
                        situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband
                        staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning
                        zelf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast
                        et cetera zijn dus niet van belang. Deze algemene eis uit de
                        Wvg-jurisprudentie is daarom opgenomen in lid 3 van dit artikel</al><al>Artikel 15 Soorten woonvoorzieningen</al><al>Ad a.</al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de
                        verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of
                        een goedkoper aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het
                        college maakt de afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten en een woningaanpassing. Uitgangspunt van het gemeentelijk
                        beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad
                        aangepaste woningen in de gemeente.</al><al>Ad b. en c.</al><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                        woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                        aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening waarbij
                        geen sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de
                        praktijk met name een persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m.
                        COPD/CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden begrepen
                        hulpmiddelen voor baden, wassen en douchenwelke niet nagelvast aan
                        de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee
                        categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een
                        voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur,
                        zodat hergebruik mogelijk is.</al><al>Ad d.</al><al>De uitraasruimte werd in de Wet voorzieningen gehandicapten expliciet
                        genoemd als woonvoorziening, in de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt
                        deze voorziening niet genoemd. Omdat met de Wet maatschappelijke
                        ondersteuning echter niet wordt beoogd om het beleidsterrein ten opzichte
                        van de vervallen Wet voorzieningen inhoudelijk te verbreden, noch om dat te
                        versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een
                        uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen artikel 1, lid 1,
                        onder e. van de Wet voorzieningen gehandicapten kan worden gedefinieerd als
                        een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge
                            vaneen beperking in de vorm van een ernstige
                        gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot
                        rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die alleen op
                        basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking
                        kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en
                        prikkelarme ruimte.</al><al>Artikel 16 Primaat van de verhuizing en uitraasruimte</al><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een
                        aanvraag voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een
                        andere woning een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de
                        verhuizing. Dit primaat van de verhuizing blijkt uit de samenhang tussen de
                        leden a. en b. van artikel 16. </al><al>In feite gaat het bij het primaat van de verhuizing om een specifieke
                        toepassing van de algemene regel dat in beginsel wordt gekozen voor de
                        goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het
                        primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de
                        jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn
                        gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing
                        voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen, een eis
                        die ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet duidelijk zijn dat de
                        oplossing in de vorm van een verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een
                        uit het advies blijkende medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat
                        het collegezicht moet hebben op de woningvoorraad om
                        een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch
                        verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of
                        goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere relevante aspecten, nader
                        uit te werken in de gemeentelijke beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de
                        situatie een rol spelen bij de afweging omtrent het toepassen van het
                        primaat van de verhuizing in een concreet geval. </al><al>De in lid 3 genoemde uitraasruimte was onder de Wvg in de wet genoemd, in de
                        Wmo is niet dat meer het geval. Omdat de Wmo de Wvg opvolgt is het nodig de
                        uitraasruimte elders, namelijk in de verordening te regelen. In artikel 16
                        lid 3 is geregeld dat de uitraasruimte bedoeld is voor een specifieke groep
                        gehandicapten, met specifieke problemen. Het gaat bij de uitraasruimte, bij
                        wijze van uitzondering, niet om het compenseren van problemen bij het
                        normale gebruik van de woning, maar om het tot rust komen. De uitraasruimte
                        is dus geen zogenaamde snoezelkamer. De uitraaskamer is evenmin bedoeld om
                        overlast voor huisgenoten te beperken.</al><al>Artikel 17 Primaat van de losse woonunit</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicaptenkonden
                        gemeenten woningaanpassingen duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde
                        voorwaarden declareren bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
                        Sport. Onder de Wet maatschappelijke ondersteuning vervalt deze mogelijkheid
                        en zullen de kosten voor eigen rekening van de gemeente komen. Als het gaat
                        om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw kunnen worden verhuurd
                        voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de investering over een
                        langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat niet speelt,
                        wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In
                        situaties waarin de mogelijkheid in de concrete situaties bestaat, wordt aan
                            gebruikvan een dergelijke unit voorrang gegeven
                        middels deze bepaling<cursief>. </cursief></al><al>Artikel 18 Uitsluitingen</al><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het
                        treffen van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft
                        die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag
                        ook als zodanig aangemerkt worden. Verder worden geen woonvoorzieningen
                        verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor mensen met een
                        beperking. Hetzelfde geldt indien voorzieningen in dergelijke gebouwen (ook
                        in de wooneenheden) bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige
                        meerkosten kunnen worden meegenomen. </al><al>Artikel 19 Hoofdverblijf</al><al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                        expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor
                        de inwoners van de gemeente. Artikel 11 van de wet geeft echter wel een
                        aanwijzing in die richting door vermelding van “ingezetenen van de
                        gemeente”. Een ander aanknopingspunt voor de regel dat alleen inwoners van
                        een bepaalde gemeente in aanmerking komen voor (individuele)
                        Wmo-voorzieningen is het feit dat er met de wet geen inhoudelijke
                        uitbreiding van de werking van de Wet voorzieningen gehandicapten is beoogd. </al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie (Gba)
                        uitsluitsel. Voor bepaalde zorginstellingen geldt dat de bewoners een
                        briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de
                        voorziening daadwerkelijk verblijft heeft de verplichting tot compensatie
                        van beperkingen. In het geval van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen
                        betrekking op de woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of
                            zalhebben' op te nemen voor situaties waarin de
                        aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een
                        woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt
                        betrokken, zie ook artikel 20, onder b.</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren AWBZ-bewoners uitgesloten van
                        het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd
                        door gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een
                        woonruimte voor bezoek aan ouders of andere familieleden. Deze
                        bovenwettelijke uitzondering was alleen gebaseerd op de gemeentelijke
                        verordening. Omdat met de wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de
                        Wet voorzieningen gehandicapten geregelde zorgplicht in te krimpen of uit te
                        breiden, is de optie van het bezoekbaar maken ook weer in de verordening
                        opgenomen in artikel 19. Verdere verplichtingen dan hier genoemd in de
                        verordening heeft de gemeente derhalve niet. “Bezoekbaar maken” wordt in de
                        verordening daarom gelimiteerd tot het bereikbaar maken van de woonruimte
                        zelf en enkele essentiële ruimten daarin, en kan bovendien in financiële zin
                        worden gemaximeerd, zie lid 4. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten werd
                        hiervoor vaak wordt een bedrag gehanteerd dat gelijk was aan het bedrag voor
                        een verhuiskostenvergoeding.</al><al>Artikel 20 Financiële tegemoetkoming aanpassing woonwagen, woonschip en
                        binnenschip </al><al>Dit artikel is overgenomen uit de oude Wvg-verordening. Alhoewel aanvragen
                        hiervoor zelden voorkomen kan het handig zijn om dit artikel in de
                        Wmo-verordening op te nemen.</al><al>Artikel 21 Aanvullende begrenzing recht op woonvoorzieningen </al><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet
                            ereen duidelijke samenhang zijn tussen de in de
                        eigen woonruimte (en de toegang daartoe) ondervonden woonproblemen en de
                        beperking die men heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak
                        vinden in andere factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op
                        grond van dit artikel.</al><al>Ad a.</al><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                        weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar
                        de verhuizing naar een niet geschikte woningis dan de
                        voornaamste oorzaak van de ondervonden woonproblemen. Deze bepaling heeft
                        voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder
                        specifieke reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering in
                        deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht
                        worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden
                        van werk elders.</al><al>Ad. b.</al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                        beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is
                        niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens
                        de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt
                        hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op
                        alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een
                        verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie
                        ook artikel 19, lid 1, waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie
                        waarin men in de betreffende woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal
                        hebben”. </al><al>Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor
                        zal moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te
                        passen woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de
                        vrije sector en zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente
                        haar burgers goed moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort
                        verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is
                        verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning.</al><al>Ad c.</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in
                            hoofdzaakzijn gericht op het individu en op diens
                        eigen woonruimte, worden in beginsel geen voorzieningen in
                        gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet
                        voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in
                        de verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten. De
                        opsomming is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden
                        verstrekt dan er in de verordening is genoemd. Toegankelijkheidsproblemen
                        zullen dan in de regel wel op andere wijze gecompenseerd moeten worden,
                        mogelijk door toepassing van het primaat van de verhuizing.</al><al>Ad d.</al><al>Onder d. wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen. Veel
                        verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de
                        beperking die men heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk
                        huis naar een zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar een
                        kleinere woning, omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en
                        kinderen reeds zelfstandig wonen.</al><al>Mogelijk kunnen in bepaalde situaties ook andere voorzieningen dan
                        verhuiskostenvergoedingen geweigerd worden op basis van deze bepaling.
                        Daarbij moet worden gedacht aan situaties waarin gemeenten ouderen tijdig
                        wijzen op de eigen verantwoordelijkheid en naar de mogelijkheid om een
                        woning te zoeken die bij de leeftijd past. Als men dan, ondanks het feit dat
                        men ondubbelzinnig is gewezen op de eigen verantwoordelijkheid en de
                        mogelijkheden er zijn, desondanks geen maatregelen neemt en men komt in een
                        ongeschikte woning voor voorzienbare woonproblemen te staan, dan kunnen ook
                        andere woonvoorzieningen dan verhuiskostenvergoedingen worden geweigerd. De
                        grondslag voor deze bepaling is gelegen in artikel 4 lid 2 Wmo, waarin wordt
                        gesteld dat geen recht op maatschappelijke ondersteuning bestaat voorzover
                        men zelf in staat is om oplossingen te realiseren. In dit geval gaat het om
                        preventieve oplossingen voor voorzienbare problemen. Deze
                        verordeningsbepaling is uiteraard alleen toepasbaar als gemeenten ook een
                        beleid hebben ontwikkeld en toepassen om de Wmo-doelgroep intensief en
                        gericht te informeren en als er daadwerkelijk alternatieven aanwezig zijn om
                        woonproblemen te voorkomen. </al><al>Jurisprudentie zal zich uiteraard op dit punt nog moeten ontwikkelen.</al><al>Ad e.</al><al>In feite gaat het bij verhuizing vanuit het ouderlijk huis of vanuit een
                        vergelijkbare situatie naar een zelfstandige woonruimte om een algemeen
                        gebruikelijke verhuizing. Een dergelijke verhuizing staat dus op zichzelf
                        los van de beperkingen die men heeft. Ook zal verhuisd moeten worden naar
                        een zo adequaat mogelijke woning. Voorzieningen aan de woning waarheen
                        vanuit het ouderlijk huis wordt verhuisd zijn uiteraard wel mogelijk, mits
                        verhuisd is naar de op dat moment beschikbare meest geschikte woning.</al><al>Ad f.</al><al>Woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen ook
                        niet – als hoofdverblijf – adequaat gemaakt worden. Daarvoor zal dus per
                        definitie geen woonvoorziening worden verstrekt; aanpassen leidt niet tot
                        een adequate situatie en verhuizen vanuit een dergelijke woning naar een
                        woning die wel geschikt is om het gehele jaar te bewonen kan als algemeen
                        gebruikelijk worden beschouwd. Ook zonder handicap zal men immers moeten
                        verhuizen naar een woning de wel het gehele jaar bewoonbaar is.</al><al>Ad g.</al><al>De Wmo is onder meer gericht op het behoud c.q. het bevorderen van de
                        zelfstandigheid en is als opvolger van de Wvg ook bedoeld voor mensen die
                        nog zelfstandig kunnen blijven wonen. Op het moment dat men verhuist naar
                        een AWBZ-instelling, valt men feitelijk buiten de Wmo-doelgroep, omdat het,
                        ook met ondersteuning, niet meer mogelijk is zelfstandig een huishouden te
                        voeren.</al><al>Ad h.</al><al>Werden in de verlaten woonruimte geen problemen ondervonden met het normale
                        gebruik van de woning dan was er geen in de handicap, in relatie tot de
                        bouwkundige staat van de woning, gelegen oorzaak voor de verhuizing en is er
                        geen ruimte voor een verhuiskostenvergoeding.</al><al>Ad i.</al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Modelverordening Wet voorzieningen
                        gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                        problemen zorgen.Het is daarbij zaak onderscheid te maken tussen de
                        constructie, waarbij een bepaald materiaal is toegepast, en de aard van het
                        gebruikte materiaal zelf.</al><al>Artikel 22 Terugbetaling bij verkoop</al><al>De verordening Wet voorzieningen gehandicapten (oud) bevatte een zogenaamde
                        anti-speculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze verordening terug en
                        heeft als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de
                        waardestijging, die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op
                        grond van de wet. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die
                        datum reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde
                        ten gevolge van de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en
                        in hoeverre in een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt
                        gemaakt, aangezien er een afweging dient plaats te vinden tussen de kosten
                        van het effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten) in
                        relatie tot de te verwachten baten.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL</titel></kop><al>Artikel 23 Vormen van te verstrekken voorzieningen</al><al>Ad a.</al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het
                        collectief vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet
                        voorzieningen gehandicapten heeft ontwikkeld. Naast het collectief vervoer
                        kan ook worden gedacht aan de mogelijkheden voor het opzetten van
                        scootermobielpools, zoals in sommige verzorgingshuizen al op basis van de
                        Wet voorzieningen gehandicapten gebeurde.</al><al>Ad b.</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                        vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In de
                        beleidsregels c.q. het verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke
                        voorwaarden men voor een bepaald soort voorziening in aanmerking komt.</al><al>Ad c.</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten
                        is het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                        persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort uitgewerkt.</al><al>Artikel 24 Het recht op een algemene voorziening</al><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van
                        de persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen
                        bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in
                        aanmerking komt voor een voorziening terzake. </al><al>Algemene criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel
                        zijn het ten gevolge van een beperking niet kunnen bereiken of kunnen
                        gebruiken van het openbaar vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet
                        voorzieningen gehandicapten voorafgaande AAW en wordt in de praktijk
                        beoordeeld door te kijken naar de loopafstand van een aanvrager (de bekende
                        800-metergrens).</al><al>Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking
                        niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                        problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                        daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet
                        een adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden
                        worden buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade
                        opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan
                        was de problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de
                        wet, bij gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat
                        het probleem niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een
                        langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt
                        kunnen worden.</al><al>Artikel 25 Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening</al><al>Artikel 25 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                        individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. van artikel 23. Men
                        kan voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen: </al><al>a indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een
                            collectievevervoersvoorziening of; </al><al>b indien er geen algemene voorziening aanwezig is.</al><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van
                        een collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                        collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak
                        heeft niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale
                        Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten van bijzonder
                        belang bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met een
                        loopafstand van maximaal circa 100 meter). Alleen collectief vervoer is voor
                        deze categorie mensen geen adequate voorziening.</al><al>In onze gemeente is een collectieve vervoersvoorziening aanwezig (Regiotaxi
                        Veenweide).</al><al>Artikel 26 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is in de rechtspraak van de
                        Centrale Raad van Beroep bepaald dat het stellen van een inkomensgrens voor
                        een forfaitaire tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 x
                        de bijstandsnorm niet in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met
                        een dergelijkinkomen wordt geacht de kosten van het
                        lokaal vervoer of bezit en gebruik van een auto zelf te kunnen dragen. Er is
                        een duidelijke relatie met het begrip “algemeen gebruikelijk”; indirect
                        worden de kosten van vervoer in relatie tot het inkomen algemeen
                        gebruikelijk geacht. </al><al>Middels dit artikel kunnen gemeenten een keuze maken voor het bepalen van de
                        hoogte van het inkomen waarbij een auto en de daarmee samenhangende kosten
                        als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd.</al><al>Artikel 27 Omvang in gebied en in kilometers</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de zorgplicht voor vervoer
                        beperkt tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de
                        directe woon- of leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder
                        c. over “het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt beperkter
                        te zijn dan de zorgplicht onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar
                        aangezien met de Wet maatschappelijke ondersteuningniet
                        is beoogd de reikwijdte van de Wet voorzieningen gehandicapten te beperken
                        of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat alleen de letterlijk
                        lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in dit
                        artikel, conform de onder de Wet voorzieningen gehandicapten gevormde
                        jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon- of leefomgeving, met als
                        uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de
                        Wvg-jurisprudentie is omschreven. Uiteraard ook rekeninghoudend met het
                        compensatiebeginsel.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van
                        Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een
                        vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet
                        bieden om op jaarbasis minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen. Deze
                        jurisprudentie wordt hier vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd
                        de werkingssfeer van de Wet voorzieningen gehandicapten uit te breiden.</al><al> HOOFDSTUK 6 VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING</al><al>Artikel 28 Vormen van rolstoelvoorzieningen</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                        aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke
                        ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet wordt
                        beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet voorzieningen
                        gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd
                        als de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond
                        de woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een definitie
                        van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt hier onder het begrip
                        “rolstoel” een rolstoel begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die
                        kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn.
                        Een (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt
                        niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de
                        Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een rolstoel kan
                        zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor
                        buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat
                        lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken
                        voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of
                        onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel
                        vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                        verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                        therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt.
                        Hierbij valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van
                        zuurstofapparatuur en andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het
                        uiteraard alleen om medisch noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke
                        zaken.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                        rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel,
                        meestal verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming,
                        een bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                        verstrekt.</al><al>Bij artikel 2 is gekozen voor de mogelijkheden een rolstoel in de vorm van
                        een algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een rolstoel voor
                        incidenteel gebruik. Deze rolstoelen voor incidenteel gebruik hoefden onder
                        de Wet voorzieningen gehandicapten formeel niet te worden verstrekt, hoewel
                        dat in de praktijk wel vaak gebeurde. Deze optie geeft een regeling waarbij
                        wel incidenteel noodzakelijke rolstoelen worden verstrekt, maar dan via een
                        algemene rolstoelvoorziening. </al><al>Dit is geregeld onder a. Het betreft dan situaties waarbij soms een rolstoel
                        nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder
                        rolstoel plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel kan in die
                        situaties ingevuld worden via een rolstoelpool waarop de betrokkene een
                        beroep op kan doen. Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal rolstoelen
                        weinig frequent wordt gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool worden
                        daarentegen wel frequent gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk
                        zijn een rolstoel uit de pool te lenen. De pool moet dan ook voldoende
                        geschikte rolstoelen op voorraad hebben. Onder b. en c. betreft het de
                        individuele rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, terwijl onder d. de
                        sportrolstoel wordt genoemd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel rolstoelgebruik
                            en sportvoorziening</titel></kop><al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel uit een
                        rolstoelpool in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van
                        de rolstoel, terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een
                        persoonsgebonden budget verstrekt zal worden als de rolstoel voor het
                        dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning langdurig medisch
                        noodzakelijk is. Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken,
                        een rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                        verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel
                        verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik
                        dagelijks noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden vastgelegd
                        in de beleidsregels.</al><al>Indien de rolstoel niet noodzakelijk is voor incidenteel gebruik, maar voor
                        dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning kan de rolstoel verstrekt
                        worden als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget. Een
                        rolstoel uit de rolstoelpool is dan immers geen
                            adequatevoorziening. </al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een
                        persoonsgebonden budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel
                        sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip
                        sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere
                        sportvoorzieningen worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een
                        sportrolstoel zoals een handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet
                        voor het lokaal verplaatsen nodig is.</al><al>Artikel 30 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</al><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners
                        bestaat alleen – zo stelt artikel 15 Besluit zorgaanspraken - indien de
                        AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie “behandeling”
                        geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een AWBZ-bewoner niet
                        aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een AWBZ-rolstoel, en
                        zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt op grond van de
                        Wet maatschappelijke ondersteuning. </al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning
                        voor de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de
                        AWBZ-functie “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél
                        erkende instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een
                        veelvoorkomende situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies
                        kunnen worden “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor
                        beide AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is
                        dat er geen recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie,
                        juist omdat beide functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde
                        erkende AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende
                        AWBZ-instellingen, waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning
                        van de andere instelling. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>HET VERKRIJGEN VAN VOORZIENINGEN EN HET MOTIVEREN VAN
                            BESLUITEN</titel></kop><al>Artikel 31 Gebruik aanvraagformulier</al><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag
                        tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij
                        wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een
                        eerste handeling van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst
                        een aanvraag worden ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan
                        dus niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn
                        of haar richting wordt ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag
                        plaats dient te vinden op een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
                        De aanvraag in het kader van de wet die niet op het beschikbaar gestelde
                        aanvraagformulier is ingediend, kan echter niet zonder meer buiten
                        behandeling worden gelaten. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt immers dat
                        de aanvraag in ieder geval naam en adres van de aanvrager en een aanduiding
                        van de beschikking die gevraagd wordt, dient te bevatten en verder
                        ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier,
                        dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige
                        benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een
                        dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de gegevens.</al><al>Als de gemeente daar de mogelijkheid toe kent kan een aanvraag ook
                        elektronisch worden ingediend.</al><al>Over het algemeen zal een aanvraag ingediend worden bij de gemeente waar de
                        aanvrager zijn hoofdverblijf heeft. Een uitzondering hierop is geregeld in
                        artikel 19. Voor groepen personen die geen vaste woonplaats hebben (zoals
                        schippers van binnenvaartschepen en kermisexploitanten) geldt dat zij hun
                        aanvraag indienen bij de gemeente waar zij staan ingeschreven of een
                        briefadres hebben.</al><al>Artikel 32 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</al><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar
                        2005-2006 , nr. 30 131-54) is in artikel 5, lid 2, onder a. van de wet
                        opgenomen dat de gemeenteraad bij verordening regels moet vaststellen
                        omtrent de wijze waarop de toegang tot individuele voorzieningen in
                        samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in
                        de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld. </al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder
                        a. ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang
                        van toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot
                        zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het
                        gebied van wonen is geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde
                        één-loketgedachte. Wetsbepaling en toelichting lopen echter enigszins uit
                        elkaar, omdat in de wetsbepaling “voorzieningen op het gebied van wonen en
                        zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als
                        vallend onder de AWBZ) worden genoemd, terwijl in de toelichting op het
                        amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd onderscheid wordt gemaakt
                        tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ en toegang tot
                        voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals hierboven
                        al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen raad en
                        college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien zal de
                        concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan
                        een typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen onder de
                        verantwoordelijkheid van het college. De door de raad vast te stellen
                        verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket,waarbij de
                        nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moeten worden. </al><al>Artikel 33 Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</al><al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel in de verordening bepaalt dat het
                        college bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te
                        ondervragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te
                        laten onderzoeken en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen
                        deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van
                        de aanvraag.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal
                        artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5
                        lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder
                        adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk
                        voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen
                        besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat
                        bestuursorgaan. </al><al>In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de Wet voorzieningen
                        gehandicapten is in de wet niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet
                        worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter
                        onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om
                        in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet
                        opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in
                        verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een eenduidige
                        vermelding onmogelijk maakt. </al><al>Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de
                        betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht
                        om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces
                        reeds eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op
                            hetmoment van de aanvraagnodig
                        lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het begin duidelijk geobjectiveerd
                        wordt wat er medisch gezien speelt bij de betrokken aanvrager. Het spreekt
                        voor zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar deze wet voor diegenen die
                        al een voorziening hadden niet gesproken wordt van eerste aanvraag. Van
                        eerste aanvraag wordt gesproken als een aanvrager in
                            zijngeheel niet bekend is bij deze wet.</al><al>Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder tweede lid sub b.,
                        kan uiteraard alleen maar op basis van een medisch advies. </al><al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                        onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een
                        stroom van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert.
                        Dat kan bij verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten
                        voor de aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem
                        speelt in het bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk
                        objectiveerbare aandoeningen: (m)moa’s.</al><al>Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt
                        geacht. Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te
                        voeren valt. Door deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om
                        advies te vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom
                        advies gevraagd wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin
                        dit een rol zou kunnen spelen. </al><al>Lid 3 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                        zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld
                            Gezondheidsorganisatie.Deze bepaling is in de
                        verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement 65,
                        waarin staat“Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk
                        biedt de International Classification of Functions, Disabilities and
                        Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag
                        kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                        stellen.”</al><al>Mede omdatbij de indicatiestelling van de diverse
                        functies in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze
                        classificatie gebruik wordt gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie
                        afstemming tussen de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en deze wet
                        vergemakkelijken.</al><al>Lid 4 vertaalt de opdracht van artikel 26 lid 1 van de wet naar de
                        verordening en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze
                        de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de
                        zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met
                        een beperkingof een chronisch psychisch probleem en van
                        mensen met een psychosociaal probleem.</al><al>Artikel 34 Samenhangende afstemming </al><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                        verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele
                        voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager.
                        Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene
                        bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen
                        zelf, vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals het genoemde
                        in de toelichting op artikel 32 van deze verordening, gaat het hier naar
                        zijn aard om uitvoeringsbeleid. In 3is een specifieke onderzoeksverplichting
                        aan het college opgelegd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden
                        in al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te
                        verstrekken voorzieningen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan
                        voorwaarden. Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de
                        passage “waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed
                        zijn op het recht op een voorziening”, van groot belang om de
                        beschikkingsvoorwaarden duidelijk te vermelden in een beschikking. Het is
                        daarom raadzaam om een belanghebbende te wijzen op de voorwaarden die het
                        recht op de voorziening met zich meebrengen. Daarnaast is het belangrijk in
                        de beschikking ook expliciet te wijzen op de verplichting om wijzigingen in
                        de situatie aan het college door te geven. Mocht er sprake zijn van een, om
                        wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende voorziening, dan
                        vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking een eventuele
                        beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening , omdat de
                        betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten.</al><al>Intrekking kan met terugwerkende kracht, bijvoorbeeld bij het opzettelijk
                        verstrekken van onjuiste gegevens. Beëindiging van het recht op een
                        voorziening is ook aan de orde bij verhuizing naar een andere gemeente en
                        bij overlijden, en gaat in het algemeen in op het moment van of na de
                        beschikking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat
                        reden is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders
                        geen juridische basis is om voorzieningen terug te
                            vorderen.Indien er, naar later blijkt, ten onrechte
                        is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan het
                            collegede voorziening geheel of gedeeltelijk
                        terugvorderen. Het besluit tot herziening van het recht op de voorziening en
                        de daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel,
                        zoals bijvoorbeeld in de Wet werk en bijstand het geval is bij
                        terugvordering. Er is wel sprake van een civielrechtelijke vordering op
                        grond van onverschuldigde betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6
                        artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. </al><al>Wanneer deze zaken gaan om een bedrag van € 5.000,- of minder worden ze
                        behandeld door de kantonrechter. Bij de kantonrechter kan in persoon zonder
                        advocaat of zonder andere gemachtigde worden geprocedeerd. Bij een bedrag
                        boven de € 5.000, - komt de zaak voor bij de gewone civiele rechter van de
                        rechtbank. Dan moet men een advocaat inschakelen, en zijn er kosten
                        verbonden.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval
                        gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de
                            aanvragersprake is van verwijtbaarheid. Wanneer
                        deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn
                        inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de orde
                        zijn wanneer de aanvragerin gebreke blijft zijn eigen
                        bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is
                        raadzaam vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten
                        baten, gezien de mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure.
                        Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de kosten van inschakeling van
                        een procureur, maar ook naar mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten
                        van inschakeling van een deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde
                        vergoeding binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de
                        bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling
                        ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de
                        uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de
                        voorziening voorafgaat. Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet
                        voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing
                        is uitgevoerd. Artikel 37 is dus niet van toepassing op
                        woningaanpassingen.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><al>Artikel 38 Hardheidsclausule</al><al>Artikel 38 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                        aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet
                        van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies
                        ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van
                        de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij
                        de woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een
                        situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan zes
                        maanden leeg staat, omdat bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met
                        beperkingen voor wie de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt
                        staat om uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan
                        het doelmatiger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in de
                        huurderving te verstrekken. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere
                        gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden
                        als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in verband met
                        precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie
                        van de verordening wordt afgeweken.</al><al>Artikel 39 Indexering</al><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                        verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Montfoort, te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze
                        verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het
                        CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van
                        Bestuur zoals op 22 mei 2006 naar de Tweede Kamer gezonden bepaalt in
                        artikel 4.5. lid 1 dat ook de bedragen van de eigen bijdragen jaarlijks aan
                        de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie worden gewijzigd bij
                        ministeriële regeling. </al><al>Artikel 40 Evaluatie</al><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd
                        te worden. Dat</al><al>beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                        neergelegd in de</al><al>verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de bevoegdheid van het
                        college is</al><al>neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft,
                        bijvoorbeeld omdat</al><al>het voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de
                        evaluatie te leiden tot</al><al>aanpassing van de verordening of van de beleidsregels.</al><al>Artikelen 41 en 42 Inwerkingtreding en citeertitel</al><al>In artikel 41 zijn opgenomen de datum van inwerkingtreding, de daarmee
                        samenhangende intrekking van de voorafgaande verordening. </al><al>Artikel 42 bevat de citeertitel, waaronder de verordening kan worden
                        aangehaald. Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader
                        toegelicht.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>