<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR405514_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oostzaan</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oostzaan</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, 56878</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artt. 2.1.3, 2.1.4, lid 1, 2, 3, 7, 2.1.5, lid 1 2.1.6, 2.3.6, lid 4, 2.6.6, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-05-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-05-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>*</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>wmo</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2017 <extref doc="1.1:CVDR420210_1"/></al><al>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2017<extref doc="1.1:CVDR437556_1"/></al><al>Mandaat/volmachtsbesluit aanbesteding Wmo-hulpmiddelentitel<extref doc="1.1:CVDR378670_1"/></al><al>Mandaatbesluit aanbesteding trapliften<extref doc="1.1:CVDR375680_1"/></al><al>Mandaatbesluit beschermd wonen en opvang<extref doc="1.1:CVDR378649_1"/></al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>art. 21 hardheidsclausule</al><al>art. 22 overgangsbepalingen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning
                2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oostzaan;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4,eerste, tweede,derde
                        enzevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en
                        2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al>overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze
                        waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
                        dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen
                        bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                        onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie,
                        een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij
                        zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het
                        noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan
                        als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning
                        bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met
                        een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen,
                        beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid
                        van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te
                        bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                        samenleving;</al><al>besluit vast te stellen:</al><al>de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2016</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al><vet>a</vet><vet>lgemeen gebruikelijke voorziening:</vet>
                                    voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een
                                    beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel
                                    duurder is dan vergelijkbare producten;</al></li><li nr="-"><al><vet>andere voorziening:</vet> voorziening anders dan in het
                                    kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="-"><al><vet>bijdrage:</vet> bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al><vet>gesprek:</vet> gesprek in het kader van het onderzoek als
                                    bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al><vet>hulpvraag:</vet> behoefte aan maatschappelijke
                                    ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de
                                    wet;</al></li><li nr="-"><al><vet>melding:</vet> melding aan het college als bedoeld in
                                    artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al><vet>o</vet><vet>ndersteuningsplan:</vet> plan dat in
                                    samenspraak met de cliënt en/of diens vertegenwoordigeren de
                                    eventuele mantelzorger wordt opgesteld met betrekking tot de
                                    benodigde zorg enondersteuning.</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al><vet>O</vet><vet>ndersteuningsplan</vet><vet>: </vet>beschrijft
                                    de ondersteuning die de cliënt nodig heeft en de invulling van
                                    (een gedeeltelijke) maatwerkvoorziening.</al></li><li nr="-"><al><vet>persoonlijk budgetplan:</vet> plan dat de aanvrager voor
                                    een maatwerkvoorziening indient termotivering de voorziening in
                                    de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt te
                                    krijgen.</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al><vet>persoonlijk plan</vet>: plan dat de hulpvrager –al dan niet
                                    tezamen met zijn persoonlijke netwerk opgesteld- kan indienen
                                    voorafgaand aan het onderzoek door de gemeente.</al></li><li nr="-"><al><vet>pgb</vet><vet>:</vet> persoonsgebonden budget als bedoeld
                                    in artikel 1.1.1 van de wet;</al></li><li nr="-"><al><vet>voorliggende voorziening</vet>: algemene voorziening of
                                    andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt
                                    tegemoetgekomen;</al></li><li nr="-"><al><vet>wet:</vet> Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Toegangsproces voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden
                                gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet
                                treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke
                                maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het
                                onderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op
                                kostenloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt
                                uitgangspunt is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek,
                                bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid
                                gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel
                                2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke
                                gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig
                                mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige
                                gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het
                                onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking
                                kan krijgen. De cliënt verstrekt op verzoek in ieder geval een
                                identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                identificatieplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college
                                in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als
                                bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een
                                persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de
                                wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding
                                in de gelegenheid het plan te overhandigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de
                                degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens
                                vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of
                                mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor
                                zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de
                                        cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke
                                        hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn
                                        zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te
                                        verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op
                                        een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere
                                        personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering
                                        van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te
                                        voorkomen dat hij een beroep moet doen op een
                                        maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                        mantelzorger van de cliënt;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                                        voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in
                                        artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van
                                        maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot
                                        verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie,
                                        of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een
                                        maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheden om door middel van voorliggende
                                        voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en
                                        zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en
                                        andere partijen op het gebied van publieke gezondheid,
                                        jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te
                                        voorzien in de behoefte aan maatschappelijke
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te
                                        verstrekken;</al></li><li nr="i."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van
                                        het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet
                                        verschuldigd zal zijn, en</al></li><li nr="j."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt
                                        ingelicht over de gevolgen van die keuze.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde
                                lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan
                                bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het
                                gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt
                                de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd
                                het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt
                                afzien van een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                                onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van
                                de uitkomsten van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor
                                dat een getekend exemplaar wordt geretourneerd aan de contactpersoon
                                waarmee hij het gesprek heeft gevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven
                                wat de reden is waarom hij niet akkoord is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een
                                maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem
                                ondertekende verslag<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag
                                om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken
                                als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling
                                van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                        participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt
                                        deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op
                                        eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met
                                        hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel
                                        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen
                                        of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                                        maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                        uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een
                                        passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin
                                        de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of
                                        participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving
                                        kan blijven,en</al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in
                                        de samenleving van de cliënt met psychische- of
                                        psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie
                                        heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor
                                        zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover
                                        de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college
                                        niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg
                                        of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan
                                        wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan
                                        verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert,
                                        rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5
                                        bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien
                                        in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang
                                        en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in
                                        staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen
                                        kracht te handhaven in de
                                        samenleving<cursief>.</cursief></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                                zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een
                                maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs
                                        niet vermijdbaar was, en </al></li><li nr="b."><al>de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt
                                        redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te
                                        hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had
                                        gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een
                                eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts
                                verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is
                                afgeschreven,</al><lijst><li nr="a."><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan
                                        als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn
                                        toe te rekenen;</al></li><li nr="b."><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                        veroorzaakte kosten, of</al></li><li nr="c."><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een
                                        oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan
                                        maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college
                                de goedkoopst adequate voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                            advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de
                            aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt
                                in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als
                                pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de
                                beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in
                                de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van
                                        toepassing, en</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een
                                pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld, en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover
                                in de beschikking geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van
                                alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien
                                dan wel intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                                        en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                                        andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb
                                        is aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                        achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of
                                        het pgb verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                        ander doel gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                                college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn
                                medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde
                                vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten
                                onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van
                                pgb’s.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Die cliënt dient de aanvraag voor een pgb in op een door het college
                                ter beschikking gesteld format voor het persoonlijk budgetplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6
                                van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet
                                verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking
                                heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening
                                van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de
                                ingekochte dienstverlening of voorziening noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte voor een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>Is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld persoonlijk
                                        budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden;</al></li><li nr="b."><al>Is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te
                                        kopen</al></li><li nr="c."><al>Bedraagt ten hoogste de kostprijs van de van de in de
                                        betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening
                                        in natura, indien van toepassing, rekening houdend met
                                        onderhoud en verzekering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een cliënt, aan wie pgb wordt verstrekt, kan diensten betrekken van
                                een persoon die behoort tot het sociaal netwerk indien hij voldoet
                                aan daartoe gestelde criteria. Het college stelt deze criteria en
                                criteria over de hoogte van het budget in nadere regels vast.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de criteria
                                en de wijze van vaststellen van de hoogte van het budget.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De tarieven voor een pgb zijn vastgesteld in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bijdragen voor het gebruik van voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                                algemene voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, en,</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de
                                        maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode
                                        waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning, en afhankelijk van het
                                        inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                        verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze
                                        bijdrage is; en</al></li><li nr="c."><al>dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten
                                        behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is
                                        verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder
                                        begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van
                                        het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en
                                        degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag
                                        uitoefent over een cliënt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en
                                        pgb wordt bepaald, en</al></li><li nr="b."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen
                                        bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, de bijdragen voor een
                                        maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en geïnd.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Kwaliteit, klachten en betrekken inwoners</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen
                                met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen, door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie
                                        van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van
                                        zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun
                                        werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen
                                        handelen in overeenstemming met de professionele
                                        standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval
                                rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="c."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                        personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                        werkoverleg;</al></li><li nr="d."><al>kosten voor bijscholing van het personeel</al></li><li nr="e."><al>De voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot
                                        de zwaarte van de functie</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in
                                ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en </al></li><li nr="b."><al> de eventuele extra taken die in verband met de voorziening
                                        van de leverancier worden gevraagd, zoals:</al><al>1<sup>o</sup>. aanmeten, leveren en plaatsen van de
                                        voorziening; </al><al>2<sup>o</sup>. instructie over het gebruik van de
                                        voorziening; </al><al>3<sup>o</sup>. onderhoud van de voorziening, en</al><al>4°. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van
                                klachten van cliënten ten aanzien van alle
                                maatwerkvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                                overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks
                                cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                                ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                                cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                                gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle
                                maatwerkvoorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                                periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                                cliëntervaringsonderzoek. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Betrekken van de Wmo-raad bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college heeft de Wmo-raad aangesteld om het college te adviseren
                                over het te voeren Wmo-beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de Wmo-raad in de gelegenheid voorstellen voor het
                                beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies
                                uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en
                                beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en
                                voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                                vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste
                                en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                            waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar
                            geëvalueerd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze
                            verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere en onvoorziene hardheid
                            leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening,
                            indien daar zeer dringende redenen voor zijn. Het college kan met het
                            oog op de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid nadere regels stellen ten
                            aanzien van de toepassing van de hardheidsclausule.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Oostzaan 2015 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Oostzaan 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft
                                genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt,
                                wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Oostzaan 2015 en waarop nog niet is beslist
                                bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld
                                krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Oostzaan 2015.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van
                                deze Verordening worden afgehandeld krachtens Verordening
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2016.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking na bekendmaking op 1 mei 2016 met
                                gelijktijdige intrekking van de Verordening voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Oostzaan 2016.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2016</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) is de gemeente
                    Oostzaan sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk voor:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met
                            een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. De
                            ondersteuning is erop gericht dat mensen zo lang mogelijk in de eigen
                            leefomgeving kunnen blijven. </al></li><li nr="2."><al>mensen met psychische of psychosociale problemen en of voor mensen die,
                            al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van
                            huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten. Hiervoor regelt de
                            gemeente beschermd wonen en opvang. </al></li></lijst><al/><al><cursief>Belangrijke wijzigingen van Wmo naar Wmo 2015</cursief></al><al>Deze Verordening geeft uitvoering aan de Wmo 2015. De Wmo 2015 heeft de Wmo
                    vervangen. De belangrijkste wijzigingen van de Wmo 2015 ten opzichte van de Wmo
                    zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>het vervallen van de compensatieplicht; en,</al></li><li nr="2."><al>het vervallen van de compensatiedomeinen. </al></li></lijst><al>Door het vervallen van de compensatieplicht ligt de nadruk niet meer op het
                    compenseren van een gebrek, maar op het versterken van de zelfredzaamheid en de
                    participatie. De compensatiedomeinen waarop de gemeenten de burger met een
                    belemmering moet compenseren (huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de
                    woning en lokaal en medemensen ontmoeten), zijn in de Wmo 2015 niet meer
                    opgenomen. In plaats daarvan is een zorgvuldige, tweezijdige procedure opgenomen
                    en wordt er gesproken over: het bieden van maatwerkvoorzieningen ter
                    ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie, beschermd wonen en
                    opvang.</al><al/><al>De Wmo 2015 legt deze toegangsprocedure in hoofdlijnen vast. Omdat wij als
                    gemeente veel waarde hechten aan de zorgvuldige toegangsprocedure is ervoor
                    gekozen om de belangrijke artikelen hierover die in de wet zijn opgenomen, in de
                    verordening over te nemen. In de nadere regels wordt de toegangsprocedure verder
                    uitgewerkt. Het doel van een zorgvuldige uitvoering van de procedure is dat het
                    tot een juist eindoordeel van het college leidt. Dit leidt er toe dat de cliënt
                    ondersteuning krijgt, waar ondersteuning nodig is. </al><al/><al>De ondersteuning die de gemeente biedt, bestaat uit:</al><lijst><li nr="1."><al>eigen kracht van de burger, die is staat is om regie over zijn eigen
                            situatie te voeren;</al></li><li nr="2."><al>algemene voorzieningen;</al></li><li nr="3."><al>maatwerkvoorzieningen. Bij een maatwerkvoorziening kan het gaan om
                            ondersteuning in natura of om ondersteuning in de vorm van een
                            persoonsgebonden budget.</al></li></lijst><al/><al>In de nadere regels wordt verder uitgelegd wat er onder algemene en
                    maatwerkvoorzieningen valt.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>In de begripsbepalingen staan de begrippen opgenomen die verder niet in de wet
                    staan</al><al>uitgewerkt. Hieronder zijn een aantal begrippen uit de verordening nader
                    toegelicht. </al><al/><lijst><li nr="1."><al><vet>Algemeen gebruikelijke voorziening:</vet> is in principe voor
                            iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben. Een
                            voorbeeld is een elektrische fiets.</al></li><li nr="2."><al><vet>Gesprek:</vet> is het mondeling contact na een melding waarin het
                            college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele
                            situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen
                            kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
                            personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van
                            voorliggend voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen,
                            algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of
                            participatie te verbeteren of te voorkomen da hij gebruik moet maken van
                            beschermd wonen of opvang.</al></li><li nr="3."><al><vet>Ondersteuningsplan</vet> beschrijft de ondersteuning die de cliënt
                            nodig heeft en de invulling van (een gedeeltelijke)
                            maatwerkvoorziening.</al></li><li nr="4."><al><vet>Persoonlijk budgetplan</vet> is gericht op de eigen
                            verantwoordelijkheid die de cliënt heeft bij de motivering van zijn
                            hulpvraag en/of de wens om de voorziening in de vorm van een
                            persoonsgebonden budget te krijgen.</al></li><li nr="5."><al><vet>Persoonlijk plan </vet>kan de cliënt vrijwillige inbrengen ten
                            behoeve van het onderzoek in de eerste zeven dagen na de melding.</al></li></lijst><al/><al>Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities
                    hieronder weergegeven.</al><lijst><li nr="1."><al><vet>aanbieder:</vet> natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens
                            het college gehouden is een algemene voorziening of een
                            maatwerkvoorziening te leveren;</al></li><li nr="2."><al><vet>algemene voorziening:</vet> aanbod van diensten of activiteiten
                            dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken
                            en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op
                            maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="3."><al><vet>begeleiding:</vet> activiteiten gericht op het bevorderen van
                            zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk
                            in zijn eigen leefomgeving kan blijven; </al></li><li nr="4."><al><vet>cliënt:</vet> persoon die gebruik maakt van een algemene
                            voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden
                            budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als
                            bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; </al></li><li nr="5."><al><vet>cliёntondersteuning:</vet> onafhankelijke ondersteuning met
                            informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het
                            versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van
                            een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van
                            maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp,
                            onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; </al></li><li nr="6."><al><vet>gebruikelijke hulp:</vet> hulp die naar algemeen aanvaarde
                            opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot,
                            ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;</al></li><li nr="7."><al><vet>maatschappelijke ondersteuning</vet>: </al><lijst><li nr="1."><al>bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en
                                    vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen,
                                    diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid
                                    en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden
                                    van huiselijk geweld,</al></li><li nr="2."><al>ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van
                                    personen met een beperking of met chronische psychische of
                                    psycho-sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen
                                    leefomgeving,</al></li><li nr="3."><al>bieden van beschermd wonen en opvang;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="1."><al><vet>maatwerkvoorziening:</vet> op de behoeften, persoonskenmerken en
                            mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten,
                            hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:</al><lijst><li nr="1."><al>ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend
                                    verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger,
                                    het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen,
                                    woningaanpassingen en andere maatregelen,</al></li><li nr="2."><al>ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor
                                    noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere
                                    maatregelen,</al></li><li nr="3."><al>ten behoeve van beschermd wonen en opvang;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="1."><al><vet>mantelzorg:</vet> hulp ten behoeve van zelfredzaamheid,
                            participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en
                            opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                            Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                            personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader
                            van een hulpverlenend beroep;</al></li><li nr="2."><al><vet>participatie:</vet> deelnemen aan het maatschappelijke
                            verkeer;</al></li><li nr="3."><al><vet>persoonsgebonden budget:</vet> bedrag waaruit namens het college
                            betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen
                            en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die
                            een cliënt van derden heeft betrokken;</al></li><li nr="4."><al><vet>sociaal netwerk:</vet> personen uit de huiselijke kring of andere
                            personen met wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt;</al></li><li nr="5."><al><vet>vertegenwoordiger</vet>: persoon of rechtspersoon die een cliënt
                            vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke
                            waardering van zijn belangen ter zake;</al></li><li nr="6."><al><vet>voorziening:</vet> algemene voorziening of
                            maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="7."><al><vet>zelfredzaamheid:</vet> in staat zijn tot het uitvoeren van de
                            noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van
                            een gestructureerd huishouden.</al></li></lijst><al/><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    (definitie)bepalingen die</al><al>voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde
                    lid): een verzoek</al><al>van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel
                    1:2).</al><al><vet>Artikel 2. Melding hulpvraag</vet> Deze bepaling is opgenomen om een
                    zorgvuldige procedure te waarborgen. In de wet is vastgelegd dat de gemeente bij
                    verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt
                    voor een maatwerkvoorziening.</al><al>In de Wmo 2015 staat dat:</al><lijst><li nr="1."><al>het college een melding van een cliënt onderzoekt;</al></li><li nr="2."><al>de cliënt pas nadat er een onderzoek is uitgevoerd een
                            maatwerkvoorziening kan aanvragen;</al></li><li nr="3."><al>tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes
                            weken.</al></li></lijst><al/><al>In het eerste lid is opgenomen dat de melding ‘door of namens de cliënt’ kan
                    worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld
                    diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere
                    betrokkene de melding doen. </al><al>In het tweede lid is de wettelijk verplichte ontvangstbevestiging verankerd. </al><al>In het derde lid is een uitzondering voor spoedeisende gevallen opgenomen. Het
                    college is op grond van de wet verplicht in die gevallen een passende tijdelijke
                    maatwerkvoorziening te verstrekken. Daarna wordt de uitkomst eventueel aangepast
                    op basis van de uitkomsten van het onderzoek.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Cliëntondersteuning</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het
                    eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om
                    cliëntondersteuning te organiseren. De wet vraagt niet om hierover bij
                    verordening een regeling op te stellen. Er is toch voor gekozen om de bepaling
                    in de verordening op te nemen om dat we het belangrijk vinden in de verordening
                    een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is
                    benadrukt dat de cliëntondersteuning voor cliënten kosteloos is. De gemeente
                    heeft de opdracht een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te
                    realiseren. Bij een cliëntondersteuner kunnen burgers informatie, advies en hulp
                    over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning krijgen. Hieronder valt ook
                    uitgebreide vraagverheldering of kortdurende ondersteuning bij het maken van
                    keuzes op diverse levensterreinen.</al><al/><al>In het tweede lid is bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de
                    hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Dit is
                    ook de wet opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het
                    eerste lid is bedoeld voor de ambtelijke voorbereiding van het gesprek. Tijdens
                    het gesprek worden in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden
                    gebracht. We willen voorkomen dat cliënten belast worden met vragen over
                    gegevens die al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van
                    de melding meer of minder uitgebreid zijn. In samenspraak met de belanghebbende
                    spreken de wmo-consulenten een datum, tijd en plaats af voor het gesprek.
                    Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek concrete vragen worden
                    gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te
                    leggen. De cliënt is verplicht zich te identificeren. Op grond van het derde lid
                    kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van
                    zetten zou betekenen. </al><al>In het vierde lid is de verplichting voor het college opgenomen om informatie te
                    verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te
                    stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 5, tweede lid. </al><al>In het plan kan de cliënt al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk de
                    omstandigheden die door hem wordt gewenst beschrijven. De gemeente is daarmee
                    bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk
                    arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Gesprek</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Voor een
                    zorgvuldig onderzoek is het belangrijk dat er persoonlijk contact is met de
                    cliënt of een vertegenwoordiger. Dat draagt bij een adequaat totaalbeeld van de
                    cliënt en zijn situatie. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet
                    plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.
                    Dit wordt in nadere regels verder ingevuld waarbij ruimte bestaat voor
                    maatwerk.</al><al/><al>In artikel 5 wordt het onderzoek beschreven. De onderdelen van het eerste lid
                    zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2 van de wet opgenomen. Het
                    gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Dit
                    zijn in de gemeente Oostzaan de Wmo-consultenten. Het gesprek vindt zo mogelijk
                    bij de cliënt thuis plaats. Als er woningaanpassingen nodig zijn, is een
                    huisbezoek essentieel om de thuissituatie goed te beoordelen en doeltreffende
                    oplossingen te vinden.</al><al/><al>In <vet>onderdeel b</vet> is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat
                    van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Of de maatschappelijke
                    ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de
                    cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft
                    bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. </al><al/><al><vet>Onderdeel c </vet>geeft aan dat de burger wordt aangesproken op wat er
                    redelijkerwijze van hemzelf verwacht mag worden (eigen kracht). Het is aan de
                    cliënt of zijn vertegenwoordigers om de gemeente duidelijkheid te bieden over de
                    mogelijkheden van het eigen netwerk. In de nadere regels wordt toegelicht wat er
                    onder gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen wordt
                    verstaan.</al><al/><al>In <vet>onderdeel d </vet>wordt het onderzoek naar de mogelijkheden van de
                    mantelzorg of andere personen uit het sociale netwerk van de cliënt aangegeven.
                    Het werk van mantelzorgers draagt bij aan de kwaliteit van leven van de cliënt.
                    Mantelzorg is langdurige zorg die niet in het kader van hulpverlening wordt
                    aangeboden. Mantelzorg wordt aangeboden aan een hulpbehoevende, door personen
                    uit diens omgeving, De zorgverlening vloeit niet rechtstreeks voort uit de
                    sociale relatie en het overstijgt gebruikelijke zorg. In de Wmo 2015 blijft
                    mantelzorg vrijwillig. Wel hebben we als gemeente vanuit de Wmo 2015 de opdracht
                    gekregen om eerst na te gaan of het probleem van de cliënt met inzet van eigen
                    netwerk kan worden opgelost. Het kan zijn dat met het eigen sociaal
                    netwerk/mantelzorger wordt afgesproken om boven gebruikelijke zorg te leveren.
                    Bij deze afweging wegen we de belangen en de draagkracht van de mantelzorger
                    mee.</al><al/><al>In <vet>onderdeel e </vet>staat het onderzoek naar de behoefte aan maatregelen
                    ter ondersteuning van</al><al>de mantelzorger van de cliënt aangegeven. Door goede inzet van mantelzorgers
                    wordt vaak zwaardere zorg voorkomen. </al><al/><al>In <vet>onderdeel f </vet>wordt de mogelijkheid aangegeven om met gebruikmaking
                    van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijke nuttige
                    activiteiten te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of de participatie.
                    De wmo-consulenten kijken eerst naar oplossingen in algemene voorzieningen om de
                    onnodige inzet van maatwerkvoorzieningen te voorkomen. In de nadere regeling is
                    opgenomen wat er onder algemene voorzieningen en maatschappelijk nuttige
                    activiteiten wordt verstaan.</al><al/><al><vet>Onderdeel g </vet>geeft het onderzoek aan met betrekking tot de
                    mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met
                    zorgverzekeraars en zorgaanbieders en andere partijen in het maatschappelijk
                    dienstenaanbod te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. In
                    de nadere regels is uitgewerkt hoe het college voorliggende voorzieningen
                    meeneemt in het onderzoek.</al><al/><al><cursief>Samenwerking gemeenten, zorgverzekeraars, aanbieders en andere
                        partijen</cursief>:</al><al>Om een passende maatwerkvoorziening te bieden maken we als het nodig is gebruik
                    van samenwerking gericht op: preventie, integrale zorg en ondersteuning. Dit
                    speelt vooral een rol als er sprake is van samenloop van zorg (vanuit ZvW) en
                    maatschappelijke ondersteuning (vanuit de gemeente). Andere partijen, zoals
                    corporaties kunnen met de invulling van het woningaanbod voorliggende
                    mogelijkheden in huisvesting bieden. Bijvoorbeeld het afgeven van
                    indicatiestellingen voor aangepaste woningen, zodat burgers die een aangepaste
                    woning nodig hebben met voorrang voor een dergelijke woning in aanmerking komen. </al><al/><al>In het tweede lid is in het kader van volledigheid opgenomen dat het college een
                    door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. </al><al/><al>Het gesprek is een hoofdregel van het toegangsproces, maar hoeft uiteraard niet
                    plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vierde lid). Het kan
                    bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een
                    eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. </al><al/><al><vet>Artikel 6. Verslag</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure. Het eerste lid borgt dat altijd een verslag wordt
                    opgemaakt. In de nadere regels wordt er verder in gegaan op het verslag van het
                    onderzoek en een mogelijk ondersteuningsplan.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Aanvraag</vet></al><al>Dit artikel vloeit voort uit de wettelijke verplichting voor de gemeente om de
                    verordening vast te leggen hoe een cliënt voor een maatwerkvoorziening in
                    aanmerking komt. In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen door
                    hem daartoe gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan
                    indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een
                    melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien
                    het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is
                    hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. </al><al/><al>Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier
                    hoeft niet in behandeling genomen te worden. Binnen twee weken na de ontvangst
                    van de aanvraag wordt de beschikking afgeven.Ter voorkoming van onnodige
                    administratieve lasten is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen om een
                    door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening</vet></al><al>In de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van
                    welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een
                    maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Vanzelfsprekend gaat het bij een
                    maatwerkvoorzieing om het bieden van maatwerk. Het is daarom niet mogelijk of
                    wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke
                    maatwerkvoorzieningen worden verstrekt. In de verordening en in de nadere regels
                    zijn toepasbare criteria opgenomen om in aanmerking te komen voor een
                    maatwerkvoorziening.</al><al/><al>In het tweede lid onder b is de maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en
                    maatschappelijke opvang opgenomen. Het karakter van de voorziening anders. Dit
                    heeft te maken met verschillende fases. Maatschappelijke opvang als gevolg van
                    dakloosheid kan via de route van opvang en vervolghuisvesting naar volledig
                    herstel leiden, dan wel naar (vormen van) beschermd wonen. Beschermd wonen kent
                    daarnaast een eigen, directe toegang voor mensen die daarvoor in aanmerking
                    komen zonder dat dakloosheid daaraan is vooraf gegaan. Het doel is zelfstandig
                    begeleid zelfstandig of beschermd in de samenleving te participeren.</al><al/><al><cursief>Maatwerk “plus” </cursief></al><al>De maatschappelijke opvang en vrouwenopvang heeft een bijzondere plek binnen de
                    algemene voorzieningen en wordt daarom apart toegelicht. De eerste fase van deze
                    opvang heeft meestal het karakter van directe of crisisopvang. Na een paar dagen
                    wordt duidelijk of het een traject zal komen naar herstel of weer zelfstandig
                    functioneren. De eerste fase van de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang is
                    te typeren als een algemene voorziening maar wel een “plus” variant. Deze
                    algemene voorziening is enerzijds laagdrempelig en regelarm (er wordt geen
                    beschikking afgegeven en er kan snel worden gehandeld) en anderzijds maakt het
                    doorstroom naar een maatwerkvoorziening mogelijk als er langer of
                    specialistische ondersteuning nodig is. Behalve de eerste opvangfase is
                    maatschappelijke opvang en vrouwenopvang dan ook een maatwerkvoorziening.</al><al> Artikel 9. Advisering</al><al>Het college kan extern advies inwinnen indien als dat voor de beoordeling van
                    een aanvraag nodig is. Als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig
                    onderzoek naar de aanvraag te doen, moet we als gemeente zelfs extern advies
                    vragen. Denk hierbij aan een deskundige die vertrouwd is met de problematiek van
                    de cliënt of een medisch adviseur. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat
                    een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt. Daardoor is het voor
                    de cliënt en de adviseur duidelijk welk aanvullend onderzoek nog nodig is. De
                    cliënt is verplicht redelijkerwijs mee te werken. </al><al> Artikel 10. Inhoud beschikking</al><al>Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’
                    krijgt. Als de cliënt dat wenst kan hij een maatwerkvoorziening in de vorm van
                    een persoonsgebonden budget aanvragen. </al><al>Hieronder staan een aantal voorbeelden die aansluiten bij lid 2.</al><lijst><li nr="1."><al>Met de te verstrekken maatwerkvoorziening kunnen bij het omschrijven van
                            de leefgebieden de beoogde resultaten concreet worden aangegeven.</al></li></lijst><al>We noemen hier twee voorbeelden:</al><al>(1) cliënt geeft aan problemen te ondervinden in de dagelijkse verplaatsingen in
                    en om het huis, beoogd resultaat: verbetering van de mobiliteit in en om het
                    huis. </al><al>(2) het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een
                    scootmobiel’. </al><al/><al>Het bepalen van de ‘duur’ voor dienstverlening is in principe maatwerk en is
                    mede afhankelijk van het te bereiken resultaat en de eventuele afspraken
                    daarover met de zorgaanbieder. In de nadere regels wordt opgenomen wat de
                    maximale duur is van de toekenning voor dienstverlening. De duur van de
                    materiële verstrekking wordt gesteld op de termijn waarop een voorziening
                    technisch is afgeschreven.</al><al/><al>Het vierde lid is bedoeld om de cliënt te informeren. Het college neemt niet de
                    hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. In de wet is bepaald
                    het CAK de eigen bijdrage regeling uitvoert. Ook als de client het niet eens is
                    met de hoogte en in bezwaar of beroep wil, moet dat bij het CAK. </al><al/><al><vet>Artikel 12. Regels voor pgb </vet></al><al>Om in aanmerking te komen voor een pgb zijn drie criteria in de wet vastgelegd.
                    In de verordening en de nadere regels geven we invulling aan de
                    toetsingscriteria voor de eerste en derde voorwaarde. </al><al/><al>Daarnaast zijn we als gemeente wettelijk verplicht om de volgende onderwerpen
                    over pgb uit werken in de verordening:</al><lijst><li nr="1."><al>Op welke wijze de hoogte van pgb wordt vastgesteld;</al></li><li nr="2."><al>Welke regels gehanteerd worden om bestrijding van onrecht ontvangen van
                            pgb, misbruik of oneigenlijk gebruik.</al></li></lijst><al>Het derde lid gaat over de vaststelling van de hoogte van het pgb en het tarief.
                    Het tarief is onder andere gebaseerd op een door de cliënt opgesteld persoonlijk
                    budgetplan over de besteding van het pgb. In de nadere regels wordt verder
                    invulling gegeven aan wat er in het persoonlijk budgetplan is opgenomen en over
                    de beoordeling van de aanvraag.</al><al/><al>Een cliënt, aan wie pgb wordt verstrekt, kan diensten betrekken van een persoon
                    die behoort tot het sociaal netwerk indien hij voldoet aan daartoe gestelde
                    criteria. Het college stelt deze criteria en criteria over de hoogte van het
                    budget in nadere regels vast. Door deze bevoegdheid te delegeren naar het
                    college, kan het college sneller bij sturen indien dat noodzakelijk is.</al><al/><al>De hoogte van het pgb is afhankelijk van de kwaliteitsstandaarden waar de
                    hulpverlener mee werkt. Er kan onderscheid worden gemaakt voor de inzet van
                    hulpverleners die niet volgens deze standaarden werken (zoals werkstudenten,
                    zzp-ers zonder diploma’s e.d.). Verder kan de hoogte van het pgb afhankelijk
                    zijn van de inzet van een hulpverlener uit een grotere organisatie waar meer
                    overhead is, of een klein bedrijf of zzp-er zonder overhead, of maar een
                    beperkte overhead. Het college kan hier nadere regels over stellen. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene
                        voorzieningen </vet></al><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de wettelijke plicht voor de gemeente. De wet
                    maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen mogen wij als gemeente zelf bepalen. We kunnen ervoor kiezen dat
                    het kostendekkend mag zijn. We vinden het als gemeente belangrijk om algemene
                    voorziening (financieel) laagdrempelig te maken. De bijdragen in de kosten van
                    maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs
                    van de voorziening. In de nadere regels wordt verder invulling gegeven aan de
                    bijdrage voor voorzieningen, De bijdrageregels in de verordening moeten passen
                    binnen de kaders die de nadere regels stellen. </al><al><vet>Artikel 14. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</vet></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in de wet. Om
                    deze reden wordt in de verordening bepaald welke eisen worden gesteld aan de
                    kwaliteit van voorzieningen. Hieronder vallen ook de eisen over de deskundigheid
                    van beroepskrachten<cursief>.</cursief> De regering legt de verantwoordelijkheid
                    voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. In het
                    eerste lid zijn een aantal kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in het tweede lid
                    genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is wettelijk verplicht.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                        terugvordering</vet></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de plicht in de wet, waarin is bepaald
                    dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding
                    van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede
                    van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet<cursief>.</cursief></al><al/><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling wat al in de tekst van
                    de wet is opgenomen. In het kader van volledigheid is het in de verordening ook
                    opgenomen. Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de
                    bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de
                    beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen,
                    heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te
                    trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het
                    tweede lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). In
                    de wet zijn ook regels voor het verhaal van kosten opgenomen. Daarbij is de
                    bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van
                    een ten onrechte verstrekte voorzieningen. Omdat het niet in alle gevallen
                    mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het
                    college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag
                    dat voor terugvordering in aanmerking komt<cursief>.</cursief> In het vijfde en
                    zesde lid zijn bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot
                    terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</vet></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente. In nadere regels wordt opgenomen wie
                    er als mantelzorger wordt aangemerkt en op welke wijze de jaarlijkse blijk van
                    waardering wordt ingevuld.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                        derden</vet></al><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten. Als
                    het voor een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld
                    ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van
                    een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Om te
                    voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering,
                    worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd. Hiermee houdt het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening. Zo ontstaat
                    een beter beeld van een reële kostprijs voor de activiteiten die aanbieders
                    uitvoeren. Het uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet, tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Dit waarborgt voor
                    werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al> Artikel 17. Klachtregeling</al><al>De gemeente is op grond van de Awb verplicht tot een behoorlijke behandeling van
                    mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en
                    bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.</al><al/><al>In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van de wet. Hierin
                    staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is
                    vereist. </al><al/><al>De aanbieder is ten aanzien van de, in de verordening genoemde voorzieningen,
                    verplicht een klachtregeling op te stellen. De achterliggende gedachte is dat
                    cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de
                    manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het
                    gedrag van een gemeenteambtenaar. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de wijze waarop
                    een gesprek is gevoerd of over een (vermoedelijk) gebrek aan deskundigheid. Is
                    de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan gaat het
                    bijvoorbeeld om de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning.
                    Denk hierbij aan de deskundigheid van de medewerker, een bepaalde houding of
                    uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder. Als
                    een cliënt zich benadeeld voelt, is het de bedoeling dat hij hiermee eerst naar
                    de aanbieder gaat. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar
                    de gemeente voor het indienen van de klacht open.</al><al/><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                        ondersteuning</vet></al><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet.
                    In dit artikel gaat het om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder.
                    In het eerste lid is bepaald dat aanbieders verplicht een regeling voor
                    medezeggenschap vaststellen. In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor
                    het college opgenomen zodat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders
                    goed wordt uitgevoerd.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Betrekken van de Wmo-raad bij het beleid</vet></al><al>In de regeling Wmo-raad is bepaald dat de Wmo-raad het college adviseert over
                    het te voeren Wmo-beleid. Vanuit die rol wordt de Wmo-raad actief gevraagd om te
                    adviseren over het Wmo-beleid, concept verordeningen of nadere regels. Daarnaast
                    heeft de Wmo-raad een signalerende taak. De vergaderingen van de Wmo-raad zijn
                    openbaar. </al><al/><al><vet>Artikel 20 Evaluatie</vet></al><al>In de Wmo 2015 staan regels over een wettelijk uit te voeren evaluatie. Het
                    college onderzoekt jaarlijks hoe de cliënten de kwaliteit van de
                    maatschappelijke ondersteuning ervaren. De resultaten worden gepubliceerd voor 1
                    juli. De op grond hiervan verkregen informatie kan basis zijn voor een
                    tweejaarlijkse evaluatie van het door de gemeente gevoerde Wmo-beleid.</al><al/><al><vet>Artikel 21. Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich en wordt niet nader toegelicht. </al><al/><al><vet>Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</vet></al><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op
                    basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die
                    voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop
                    bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de
                    Verordening 2015. Aanvragen die zijn ingediend vanaf de datum van
                    inwerkingtreding van deze Verordening worden afgehandeld krachtens Verordening
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2016. Hiervoor geldt dat de
                    datum van ontvangst van de aanvraag door het college bepalend is.</al><al/><al><vet>Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt niet nader toegelicht.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>