<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR40531_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening Diemen 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemernieuws, 11-12-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening Diemen 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet, artikelen 12, 14, 15 en 38.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-12-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-04-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>monumenten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de “Monumentenverordening Diemen 2005”.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening Diemen 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al>Deze regeling vervangt de “Monumentenverordening Diemen 2005”.</al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Gemeentewet, artikel 149;</al></li><li nr="2."><al>Monumentenwet, artikelen 12, 14, 15 en 38.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al>Geen.</al><al/><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al><vet>Datum</vet></al><al><vet>inwerkingtreding</vet></al><al>12-12-2008 (gemeentelijke monumenten)</al><al>27-01-2009</al><al>(rijksmonumenten)</al><al/><al><vet>Terugwerkende kracht t/m</vet></al><al/><al><vet>Betreft</vet></al><al>nieuwe regeling</al><al/><al><vet>Datum ondertekening</vet></al><al><vet>Bron bekendmaking</vet></al><al>27-11-2008</al><al>Diemer Nieuws d.d. 11-12-2008,</al><al>pagina 7.</al><al/><al><vet>Kenmerk voorstel</vet></al><al>nr. 08-58</al><al/><al/><al><vet>Erfgoedverordening Diemen 2008</vet></al><al/><al>Nr.: 08-58</al><al>De Raad van de gemeente Diemen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Diemen van 21 oktober 2008;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14, 15 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988;</al><al>besluit vast te stellen de:</al><al>Erfgoedverordening Diemen 2008</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk onroerend en roerend monument
                                    aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: groep van
                                    onroerende zaken, die van algemeen belang is wegens zijn
                                    schoonheid, zijn onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang
                                    dan wel zijn wetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarde
                                    en die overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht is aangewezen en
                                    geregistreerd;</al></li><li nr="c."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="d."><al>gemeentelijke lijst beschermde stads- of dorpsgezichten: de
                                    lijst waarop zijn vermeld de overeenkomstig deze verordening
                                    aangewezen beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten
                                    bedoeld in onderdeel b;</al></li><li nr="e."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven
                                    in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde
                                    registers;</al></li><li nr="f."><al>monumentencommissie: de op basis van artikel 15, lid 1
                                    Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college
                                    op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing
                                    van de Monumentenwet 1988, de verordening en het
                                    monumentenbeleid;</al></li><li nr="g."><al>gemeentelijke archeologie kaart: topografische kaart van het
                                    gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden
                                    zijn aangegeven;</al></li><li nr="h."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    gemeentelijke archeologie kaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="i."><al>zeer hoge verwachtingswaarde: zeer grote kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="j."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="k."><al>verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten of
                                    informatie onder de ophogings(zand)laag;</al></li><li nr="l."><al>beperkte verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="m."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                    archeologische paragraaf van het bestemmingsplan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt hij
                                advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie
                                Noord-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en de registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 12 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                                van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na
                                de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikelen 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel
                                2 van de monumentenverordening van de provincie Noord-Holland.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                aangetekend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de voorbereiding van een besluit om de aanvraag om vergunning als
                                bedoeld in artikel 10 is afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de
                                monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het college niet besluit binnen de (in artikel 3:18 Algemene
                                wet bestuursrecht) gestelde termijn, wordt de vergunning geacht te
                                zijn geweigerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in
                                    artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als beschermd
                                stads- of dorpsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, lid 2 en artikelen 4 tot en met 9 zijn van
                                overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van
                                monument gelezen moet worden beschermd stads- of dorpsgezicht en in
                                plaats van monumentenlijst, lijst beschermde stads- of
                                dorpsgezichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie
                                Noord-Holland.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ter bescherming van een op de lijst geplaatst stads- of dorpsgezicht
                                stelt de raad een bestemmingsplan of een beheersverordening vast als
                                bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien voor een gebied een of meerdere bestemmingsplannen vigeren
                                neemt de gemeenteraad een besluit waarin wordt bepaald in hoeverre
                                deze bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van lid 4
                                kunnen worden aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden het voortbestaan van bouwwerken die gelegen zijn in
                                een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht in gevaar te
                                brengen en het is verboden in een gemeentelijk beschermd stads- of
                                dorpsgezicht zonder vergunning van het college of in strijd met de
                                bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwwerken te verstoren, te plaatsen, op te richten, af te
                                        breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken te herstellen, gebruiken of laten gebruiken op
                                        een wijze waardoor het stads- of dorpsgezicht wordt ontsierd
                                        of in gevaar gebracht;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen
                                        straten, wegen, pleinen, wateren, bomen, erfscheidingen
                                        (niet zijnde een bouwwerk) en straatmeubilair te wijzigen
                                        bouwwerken te herstellen, geheel of gedeeltelijk af te
                                        breken, te wijzigen of te gebruiken op een wijze waardoor
                                        het beschermd stads- of dorpsgezicht wordt ontsierd of in
                                        gevaar gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het zesde lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de behandeling van aanvragen om een vergunning als bedoeld in lid
                                6 zijn de artikelen 11 en 12 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
                                in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 50 cm onder de
                                oppervlakte te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
                                        archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
                                        gemeentelijke archeologie kaart en waarbij die verstoring
                                        plaatsvindt:</al></li><li nr="I."><al>in een gebied met een beperkte archeologische
                                        verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan
                                        500 m2 en ingrepen plaatsvinden in de ophoging(zand)laag,
                                        of;</al></li><li nr="II."><al>in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde en
                                        het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m2 en ingrepen
                                        plaatsvinden in de ophoging(zand)laag, of;</al></li><li nr="III."><al>in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde
                                        en het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m2, of;</al></li><li nr="IV."><al>in een gebied met zeer hoge archeologische
                                        verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan
                                        20 m2.</al></li><li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan of geldende
                                        beheersverordening regels zijn opgenomen omtrent
                                        archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="c."><al>bij een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
                                        onder c van de Wet ruimtelijke ordening of een ontheffing
                                        als bedoeld in artikel 38 van de Wet ruimtelijke ordening
                                        voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
                                        monumentenzorg;</al></li><li nr="d."><al>in een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet
                                        ruimtelijke ordening of in een ontheffingsbesluit als
                                        bedoeld in de artikelen 3.22 en 3.23 van de Wet ruimtelijke
                                        ordening voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
                                        monumentenzorg;</al></li><li nr="e."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument of archeologisch
                                        verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke
                                        archeologie kaart of de gemeentelijke
                                        beleidsadvieskaart;</al></li><li nr="f."><al>een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van
                                        het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester
                                        en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                        blijkt dat:</al></li><li nr="I."><al>het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate
                                        kan worden geborgd; of</al></li><li nr="II."><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                        onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="III."><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                        zijn.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of
                                zal lijden, die redelijkerwijs niet te zijnen laste behoort te
                                blijven en voorzover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is
                                verzekerd, kent het college hem op zijn aanvraag een tegemoetkoming
                                in schade toe, indien de schade in relatie staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld in
                                        artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>voorschriften door het college verbonden aan een vergunning
                                        als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                        artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                        artikel 15, tweede lid, onder e.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn artikel 6.1.2.1 tot en met
                                6.1.3.2 en artikel 6.1.3.4 tot en met 6.1.3.6 van het Besluit
                                ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing, alsmede, indien
                                vastgesteld, de verordening als bedoeld in artikel 6.1.3.3, eerste
                                lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de artikelen 10, 14 en 15 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast: de inspecteur bouwregelgeving van de
                                afdeling Vergunningen en Handhaving van de gemeente Diemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening Diemen 2005, vastgesteld bij besluit van de
                            raad op 15 december 2005, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 19 ingetrokken Verordening Diemen
                                2005 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden
                                geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de
                                bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 19 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke
                                monumenten treedt zij in werking op de dag na bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde
                                in artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Erfgoedverordening Diemen
                            2008”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in de openbare raadsvergadering van
                        27 november 2008.</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al>A.Algemene toelichting</al><al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de verplichtingen
                    die voortvloeien uit de Wet op de archeologische monumentenzorg van september
                    2007, alsmede de feitelijke samenhang tussen monumenten en archeologie, is de
                    bestaande model monumentenverordening aangevuld met een archeologisch deel. De
                    beide samengevoegde delen worden aangehaald als de model
                    Erfgoedverordening.</al><al>Specifiek in het kader van de deregulering is getracht om de bestaande
                    monumentenvergunning te vereenvoudigen door de mogelijkheid op te nemen dat het
                    college nadere regels kan stellen (uitvoeringsrichtlijnen) waarmee de
                    vergunningplicht (deels) komt te vervallen. Dit is een analoge toepassing van
                    wat op rijksniveau het Algemeen Positief Advies (APA) wordt genoemd: bepaalde
                    (eenvoudige en vastomlijnde) wijzigingen aan een monument mogen op grond hiervan
                    vrijwel altijd worden uitgevoerd zonder een instandhoudingbepaling te
                    overtreden. De vergunningplicht voor andere, complexe wijzigingen wordt
                    gehandhaafd.</al><al>De instandhoudingbepaling met betrekking tot archeologische terreinen vloeit
                    voort uit de Wet op de archeologische monumentenzorg (tot stand gekomen op grond
                    het Verdrag van Malta) en komt neer op het feit dat gemeenten hun
                    bestemmingsplannen moeten actualiseren met een archeologische paragraaf, zodat
                    voldoende rekening kan worden gehouden (wat betreft de bescherming) met
                    archeologische waarden en het behoud daarvan. Omdat de actualiteit van
                    bestemmingsplannen ‘an sich’ al voor problemen kan zorgen, is het opnemen van
                    een archeologische paragraaf voor veel gemeenten ook niet eenvoudig of snel te
                    realiseren. De verordening voorziet daarom in een overgangssituatie door het
                    college de bevoegdheid te geven nadere regels te stellen voor verstorende
                    activiteiten in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Deze nadere
                    regels kunnen dezelfde regels zijn die gaan gelden indien een aanlegvergunning
                    zou worden aangevraagd op grond van een aangepast bestemmingsplan, waarin wel
                    een archeologisch paragraaf is opgenomen (Malta-proof). Indien een gemeente geen
                    gebruik wenst te maken van de nadere regels kan ook gekozen worden om een
                    (tijdelijke) archeologievergunning in het leven te roepen.</al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening rekening
                    gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in dit nieuwe
                    model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen
                    systematiek als uitgangspunt genomen.</al><al>In de modelverordening zijn geen bepalingen opgenomen met betrekking tot de
                    gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de
                    gemeentelijke praktijk wel gebruik wordt gemaakt. Al in een voorgaand
                    dereguleringstraject zijn deze artikelen reeds gesneuveld, aangezien het
                    instrument hoge administratieve lasten bij burgers genereert. In het kader van
                    het dereguleringsproject in 2007 is ervoor gekozen om deze bepalingen daarom
                    niet opnieuw in de modelverordening op te nemen. Het staat gemeenten uiteraard
                    vrij om het VNG-model op dit en op andere onderdelen zelf aan te vullen.
                    Gemeente Diemen heeft in haar verordening wel bepalingen met betrekking tot de
                    gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten opgenomen.</al><tussenkop>B. Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemeen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime
                    omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een
                    geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde over een gemeentelijk
                    monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, reeds op
                    de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in de modelverordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard onroerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                    echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                    wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende
                    regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk. Gemeente Diemen
                    heeft in haar verordening wel de mogelijkheid opgenomen roerende monumenten aan
                    te wijzen.</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>Beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten dienen groepen van onroerende
                    zaken te betreffen, die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun
                    onderlinge ruimtelijke- of structurele samenhang, en/of hun wetenschappelijke-
                    of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten
                    en/of beeldbepalende zaken bevinden, die geregistreerd zijn op de rijks- of
                    gemeentelijke monumentenlijst of de gemeentelijke lijst beeldbepalende
                    zaken.</al><al>Met het beschermen van stads- of dorpsgezichten wordt beoogd die structuren in
                    stand te houden die in hun samenhang ondersteund door een of meerder monumenten
                    van algemeen belang zijn. Een van de daartoe benodigde maatregelen is het
                    voorkomen van ongewenste sloop van gebouwen. Artikel 21 lid 2 van de Wet op de
                    stads- en dorpsvernieuwing biedt de mogelijkheid hiertoe. Op grond van dit
                    artikel moet een sloopvergunning worden geweigerd als een vergunning ingevolge
                    de "Erfgoedverordening Diemen 2008" niet is verleend.</al><al>De gemeente is vrij om al dan niet beschermde gemeentelijke stads- of
                    dorpsgezichten aan te wijzen.</al><tussenkop>Sub c</tussenkop><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7.</al><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>De gemeentelijke lijst beschermde stads- of dorpsgezichten is de lijst waarop
                    zijn vermeld de overeenkomstig deze verordening aangewezen beschermde
                    gemeentelijke stads- of dorpsgezichten.</al><tussenkop>Sub e</tussenkop><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de
                    gemeentelijke erfgoedverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk een
                    voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om
                    vergunningen voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de
                    vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en
                    met 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing. </al><tussenkop>Sub f</tussenkop><al>Sinds de komst van de Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd orgaan in de
                    gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instellen. De
                    monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college. Normaal
                    gesproken zou het dan ook het college zelf zijn, die deze commissie instelt op
                    grond van artikel 84 Gemeentewet. In de Erfgoedverordening wordt echter door de
                    raad bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het college.
                    Dit vloeit voort uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat
                    de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen
                    die adviseert aan het college over aanvragen van vergunningen als bedoeld in
                    artikel 11 van de Monumentenwet. De wetgever geeft hier dus aan dat het college
                    in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een
                    commissie. Het instellen van de monumentencommissie door het college moet
                    middels een apart collegebesluit. </al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de erfgoedverordening
                    en de Monumentenwet 1988. Door de monumentencommissie in deze
                    begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Monumentenwet
                    1988 te adviseren aan het college, is voldaan aan het vereiste, genoemd in
                    artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet over een
                    monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen worden.
                    Overigens kan de monumentencommissie worden gecombineerd met een
                    welstandscommissie.</al><tussenkop>Sub m</tussenkop><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in het
                    geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval
                    kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien
                    blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk
                    archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen. </al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting
                    behoeft zijn een tweetal begripsbepalingen die ten opzichte van de voorgaande
                    versie van de model monumentenverordening zijn geschrapt. Het gaat om de
                    volgende begrippen:</al><al>·het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer deel
                    uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat het college
                    ten behoeve van de aanwijzing tot monument een bouwhistorisch onderzoek kon
                    laten verrichten). Bij de aanwijzing tot monument kan de eigenaar/gebruiker
                    echter niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te verrichten, met name
                    vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van
                    de mogelijkheid om binnen te kunnen treden puur in het geval dat een dergelijk
                    onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen
                    is binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan
                    verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing tot monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk
                    anders dan wanneer wordt binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving
                    van de verordening. Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een
                    woning is aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente omtrent de
                    afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de monumentenvergunning)
                    op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden voldoende houvast. Argument
                    hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de
                    beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De
                    gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                    noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen.
                    Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de
                    wijziging van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en de
                    daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet
                    noodzakelijk dat het laten verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de
                    verordening opgenomen hoeft te worden.</al><al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                    dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt het
                    gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar instrument. Immers, de
                    nadere regels in het derde lid van artikel 10 vragen om een vereenvoudigde
                    aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait hier feitelijk om de
                    gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou
                    noch proportioneel noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde
                    aanpak een bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer
                    verplicht stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van
                    bouwhistorisch onderzoek.</al><al>·Ook het kerkelijk monument keert niet terug in de modelverordening. Dit op
                    grond van het feit dat de wijze van aanwijzing niet wezenlijk anders is dan voor
                    reguliere (niet-kerkelijke) monumenten. De insteek van deze modelverordening is
                    namelijk dat gemeenten overleg voeren met de eigenaar/gebruiker van het aan te
                    wijzen object. Het bestaande (en wellicht ook toekomstige) gebruik van het
                    object moet daarbij worden meegenomen, zodat op dit punt ook het wezenlijke
                    belang van de godsdienstuitoefening kan worden geborgd. Een speciale regeling
                    voor kerkelijke monumenten is daarmee niet noodzakelijk.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Het gebruik van een monument</tussenkop><al>Het betreft hier met name de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                    zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie
                    en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf. In toelichting bij artikel 1 is al kort aangegeven dat het gemeentelijk
                    kerkelijke monument niet als ‘specialis’ in deze model erfgoedverordening is
                    opgenomen. Het specifieke gebruik in het geval van kerkgenootschappen, namelijk
                    de erediensten, kan daarmee op grond van deze bepaling worden gewaarborgd, zodat
                    ook in die zin geen afzonderlijke regeling voor gemeentelijke kerkelijke
                    monumenten noodzakelijk is. </al><tussenkop>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling. </al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid)
                    of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden
                    gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij
                    wanneer ook geen bouwvergunning is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last
                    voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende
                    omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot
                    monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                    vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om alleen
                    de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te
                    wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur
                    in dat geval geen monumentenvergunning is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                    bouwvergunning.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub f. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie reeds op
                    een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 4. Voorbescherming</tussenkop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    12 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument
                    niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                    gemeentelijke monumentenvergunning of anders dan de bij nadere regels opgestelde
                    wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan
                    motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                    consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen
                    bouwactiviteiten te worden opgeschort. </al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed
                    nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van
                    de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                    minder zijn de administratieve lasten voor de burger. </al><al>De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet
                    tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering.
                    Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><tussenkop>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving)van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien het artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde
                    en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><tussenkop>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</tussenkop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4). </al><tussenkop>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentencommissie nodig (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke
                    monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of
                    anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van de
                    monumentenlijst gehaald. Naast de registratie regelt lid 3 dat monumenten niet
                    dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het geval dat het object ook
                    als rijks- of provinciaalmonument is aangewezen en geregistreerd. In dat geval
                    vervalt de gemeentelijke aanwijzing en registratie als monument. Ook is het
                    mogelijk dat de provinciale monumentenverordening dit zelf regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale
                    zaken</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988. De artikelen 11 tot en met 21 van de
                    Wet juncto artikel 13 van deze verordening regelen de vergunningverlening voor
                    de wijziging van rijksmonumenten door het college. In dit artikel gaat het
                    derhalve alleen over gemeentelijke monumenten. Het is verstandig de
                    vergunningverlening voor rijks- en gemeentelijke monumenten procedureel en
                    inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Het is voor de aanvrager,
                    maar ook voor de behandelende gemeentelijke diensten en voor het college van
                    praktische betekenis dat beide aanvragen zoveel mogelijk langs dezelfde weg
                    worden afgehandeld. Ten aanzien van de vergunningaanvraag voor gemeentelijke
                    monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens
                    geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een
                    aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente aangeven welke gegevens
                    zijn vereist. In dat kader kan (zoals reeds eerder is in de algemene toelichting
                    bij het geschrapte onderdeel van het bouwhistorisch onderzoek) ook het
                    overleggen van een rapportage met betrekking tot een bouwhistorisch onderzoek
                    als vereiste bij de vergunningaanvraag worden opgenomen. Hierbij moet wel sprake
                    zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument
                    in relatie tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze
                    bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten
                    van een bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te
                    worden.</al><al>In het kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers dienen
                    de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te
                    worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar
                    en kunnen bouw- en monumentenvergunning ook op dit punt (indieningsvereisten)
                    worden gecombineerd. Omdat een monumentenvergunning verleend moet zijn voordat
                    een bouwvergunning kan worden afgegeven, is tijdwinst te behalen door,
                    gelijktijdig met het noodzakelijke adviseringstraject van de monumentencommissie
                    en RACM, ook het overleg over de bouwvergunning met de aanvrager te
                    starten.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. Het zal hierbij
                    over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van
                    ingrijpende aard zijn. Met name het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde
                    regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigen
                    (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                    materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere
                    regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen
                    vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het
                    toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan
                    ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog
                    minder met administratieve lasten worden geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg staat centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden
                    geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente,
                    op locatie en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen
                    mogelijk zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde
                    van het object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><tussenkop>Artikel 11. Termijnen advies en vergunningverlening</tussenkop><al>De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is niet alleen van toepassing op de
                    verlening van de monumentenvergunning voor rijksmonumenten op grond van de
                    Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (UOV), Stb. 2005,
                    282. Complicerend is dat voor bouwvergunningen de UOV niet is voorgeschreven. In
                    deze verordening is ervoor gekozen om deze procedure ook van toepassing te
                    verklaren voor de verlening van een monumentenvergunning voor gemeentelijke
                    monumenten. Dit houdt in dat de aanvraag niet meer ter inzage wordt gelegd, maar
                    een ontwerpbesluit (de vergunning in concept) eerst verzonden wordt naar de
                    aanvrager (Awb artikel 3:13), vervolgens gepubliceerd wordt (een aantal zaken
                    moet in de publicatie vermeld worden, zie Awb art 3:12), en ten slotte zes weken
                    ter inzage gelegd wordt (Awb artikel 3:11 en 3:16). Als er zienswijzen
                    binnenkomen, dan wordt de aanvrager zo nodig in de gelegenheid gesteld te
                    reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen (Awb artikel 3:15, derde lid).
                    De verwerking van de zienswijzen in het definitieve besluit moet binnen zes
                    maanden na ontvangst van de vergunningaanvraag plaatsvinden. Als er geen
                    zienswijzen zijn binnengekomen, dan moet dit zo snel mogelijk na het verstrijken
                    van de termijn voor de ter inzagelegging gepubliceerd worden en neemt het
                    dagelijks bestuur het definitieve besluit binnen vier weken na het einde van
                    deze termijn (Awb artikel 3:18, vierde lid).</al><al>Van de mogelijkheid om de besluitvorming te verdagen met een redelijke termijn
                    kan alleen in de eerste acht weken van de proceduretermijn gebruik gemaakt
                    worden, als de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft én
                    de aanvrager in de gelegenheid gesteld is hierover zijn zienswijze kenbaar te
                    maken (Awb artikel 3:18, tweede lid).</al><al>De beoordelingstermijn is krap. Het verdient dan ook aanbeveling op basis van
                    een schetsplan overleg te plegen voordat de vergunningaanvraag wordt
                    ingediend.</al><al>De ter inzagelegging van de aanvraag en de mogelijkheid van bezwaar tegen het
                    definitieve besluit zijn gecombineerd in het ter inzage leggen van een
                    ontwerpbesluit, waarop zienswijzen kunnen worden ingebracht. Omdat de
                    mogelijkheid is opgenomen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen, is
                    tegen het definitieve besluit alleen nog maar beroep mogelijk. Een volgende
                    beperking is dat alleen de aanvrager en belanghebbenden die tijdig een
                    zienswijze naar voren hebben gebracht (Awb 3:41 en 3:43) of belanghebbenden die
                    een goede reden hebben geen zienswijzen te hebben ingebracht (Awb art 6:13)
                    beroep kunnen instellen.</al><al>De totale termijn van zes maanden spoort niet met die voor de bouwvergunning.
                    Het vereist (en het niet verleend) zijn van een gemeentelijke
                    monumentenvergunning is een grond voor de weigering van de bouwvergunning (art
                    44 sub e Woningwet). Wanneer een monumentenvergunning is aangevraagd en daarop
                    niet is beslist (of deze is geweigerd), zal de bouwvergunning dus tijdig
                    geweigerd moeten worden. Nadrukkelijk moet erop worden gewezen dat in de
                    Woningwet alleen een aanhoudingsregeling voor vergunningen van rijksmonumenten
                    is opgenomen (artikel 54 Woningwet). Om niet gedurende de lopende
                    monumentenprocedure de bouwvergunning te moeten weigeren kan de aanvrager van de
                    monumenten- en bouwvergunning het beste de aanvraag bouwvergunning pas later
                    indienen. Laat het college de termijn voor de verlening van de bouwvergunning
                    verlopen, dan is de bouwvergunning van rechtswege verleend, omdat de Woningwet
                    boven de erfgoedverordening gaat. Er mag echter pas gebruik gemaakt worden van
                    de bouwvergunning als ook de monumentenvergunning is verleend.</al><al>In de modelverordening is in het vierde lid opgenomen dat bij niet tijdige
                    besluitvorming door het college de vergunning wordt geacht te zijn verleend.
                    Indien het behoud van monumenten een van de meest wezenlijke speerpunten van een
                    gemeente is en men dus niet van rechtswege vergunningen wil verlenen, kan in het
                    artikel ‘verleend’ worden vervangen door ‘geweigerd’. Let wel, indien voor deze
                    benadering wordt gekozen, wordt het belang van het behoud van het monument
                    duidelijk geplaatst boven het belang van de burger om het object te wijzigen.
                    Dit geeft het college meer lucht bij de besluitvorming, maar is voor de
                    aanvrager erg frustrerend en verhoogd de administratieve lasten. De gemeente
                    Diemen heeft in haar verordening een fictieve weigering opgenomen. Een voordeel
                    van een fictieve weigering is dat er dan nog niets onherroepelijks kan
                    gebeuren.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en 6 weken ter inzage gelegd en
                    opengesteld voor beroep. De werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de
                    beroepstermijn is verstreken, of als er beroep is ingesteld, op het beroep is
                    beslist. Titel 8.3 van de Awb is van overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop>Artikel 12. Intrekken van de vergunning</tussenkop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het college
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Rijksmonumenten</tussenkop><tussenkop>Artikel 13. Vergunning voor beschermd rijksmonument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                    rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Monumentenwet 1988 en
                    afdeling 3.4 van de Awb. De Rijksdienst voor Archeologie Cultuurhistorisch
                    landschap en Monumenten (hierna: RACM) en, buiten de bebouwde kom, ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS) moeten binnen twee maanden na verzending van de
                    adviesaanvraag adviseren (Monumentenwet 1988, artikel 16.2). Het definitieve
                    besluit moet binnen vier maanden na ontvangst van het laatste van de adviezen
                    van RDMZ en GS plaatsvinden (Monumentenwet 1988, artikel 16.3). Op het
                    definitieve besluit kan nog slechts door een beperkte groep van belanghebbende
                    beroep worden ingesteld (zie de toelichting bij artikel 11). </al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst zal
                    ingaande 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband
                    met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    monumentenvergunning’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is van
                    reconstructie, sloop en herbestemming van een rijksmonument zal de adviesplicht
                    van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het advies van de
                    rijksdienst zullen alle gemeenten ingaande 2009 een monumentencommissie moeten
                    hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is. Het overgangsartikel 64 in
                    de monumentenwet, waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een
                    monumentencommissie in diens advisering trad, wordt ingetrokken. Indien het
                    monument buiten de bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W verplicht om
                    een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid
                    vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot advisering overgaan,
                    waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS reeds op voorhand
                    kenbaar maakt in welke gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst
                    ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><tussenkop>Leden 2 en 3</tussenkop><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit
                    wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de monumentencommissie
                    tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in lid 3 bepaald
                    dat de monumentencommissie geacht wordt te hebben geadviseerd na het verstrijken
                    van de in lid 2 gestelde adviestermijn.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Instandhouding van gemeentelijke stads- en
                    dorpsgezichten</tussenkop><tussenkop>Artikel 14. Beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten</tussenkop><al>Op grond van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders beschermde stads- of
                    dorpsgezichten aanwijzen. Een aanwijzingsbesluit dient ter visie te worden
                    gelegd om de eigenaren en andere belanghebbenden in de gelegenheid te stellen
                    hun zienswijzen kenbaar te maken. Deze zienswijzen met het concept
                    aanwijzingsbesluit en omschrijving van het gebied dienen om advies aan de
                    Monumentencommissie te worden gezonden, die binnen een voorgeschreven termijn
                    adviseert. Het ligt in de rede een ontwerp aanwijzingsbesluit ook desgewenst te
                    bespreken met eigenaren en belanghebbenden in het betreffende gebied.</al><al>Vanwege het feit dat een aanwijzing van een gebied slechts strekt tot een verbod
                    is het noodzakelijk aan te geven welke de ontwikkelingsmogelijkheden in het
                    gebied zijn.</al><al>Het geëigende middel daartoe is de opstelling van een bestemmingsplan, dat
                    uitgaat van de bescherming van de beschreven cultuurhistorische waarden.</al><al>Door de aanwijzing valt het gehele gebied onder de werking van de verordening
                    voor wat betreft het opstellen van een beschermend bestemmingsplan en het verbod
                    tot sloop van panden. De zaken die van cruciaal belang zijn in het gebied en
                    beslist niet mogen worden gesloopt en niet beschermd zijn middels de
                    Monumentenwet 1988 dan wel de provinciale of gemeentelijke
                    monumentenverordening/erfgoedverordening, dienen beschreven te zijn. Voor elke
                    wijziging van het beschermde gebied - ook de sloop van panden - is dus een
                    vergunning op grond van de "Erfgoedverordening Diemen 2008" nodig.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6. Instandhouding van archeologische terreinen</tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, rekening te houden met de in de grond
                    aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet
                    (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening,
                    is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische waardekaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in
                    de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                    overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan “Malta-proof” is. </al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 15 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 15 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan … cm de bodem te verstoren.
                    In de bepaling is nadrukkelijk geen standaard diepte opgenomen, aangezien de
                    lokale situatie zeer uiteen kan lopen. In het buitengebied kan mogelijk volstaan
                    met een diepte van 30 cm, waarbij nog steeds voldoende bescherming kan worden
                    geboden, terwijl een dichtbevolkt stedelijk gebied of een middeleeuwse stadskern
                    mogelijk al bij 10 cm problemen kan hebben om archeologische waarden voldoende
                    te beschermen. Gemeenten moeten hier dus zelf een invulling aan geven.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 15 worden een zestal uitzonderingsmogelijkheden
                    geven op het eerste lid. In onderdeel a kan van het verbod uit het eerste lid
                    worden afgeweken indien de verstoring plaats vindt in een archeologisch monument
                    of verwachtingsgebied als aangegeven op de landelijke, een provinciale of een
                    gemeentelijke archeologische waardekaart. Een gemeente kan van deze kaarten
                    gebruik maken indien het zelf nog niet beschikt over een gemeentelijke
                    archeologische waardekaart. Deze waardekaarten hanteren over het algemeen een
                    driedeling wat betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem kunnen
                    worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden is vervolgens
                    gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. Hoe lager de
                    verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn waarbinnen
                    een verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde zal het aantal
                    m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter aanzienlijk kleiner zijn.
                    Bij de bepaling van deze grenzen dient voldoende rekening gehouden te worden met
                    de vraag wat er binnen het verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan
                    worden aangetroffen. In ieder geval moet binnen de gehanteerde oppervlakte
                    dusdanig zijn dat voldoende informatie verkregen kan worden over de aard, het
                    karakter en de datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen
                    archeologische sporen. Om dezelfde reden als in het eerste lid zijn ook in dit
                    onderdeel geen standaardwaarden opgenomen, zodat de lokale situatie hieraan een
                    invulling moet geven.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan/ de beheersverordening
                    wel up-to-date is als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In
                    dat geval biedt het bestemmingplan of de beheersverordening, aan de hand van een
                    bijbehorende archeologische waardekaart, voldoende bescherming aan de in de
                    bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c en d worden ontheffingsmogelijkheden genoemd uit de Wet
                    ruimtelijke ordening. Dergelijke besluiten kunnen tot stand komen doordat bij de
                    aanvraag tot ontheffing voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                    archeologische waarden in het gebied waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd.
                    Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt
                    overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in
                    voldoende mate is vastgesteld. Een dergelijke uitzondering wordt feitelijk ook
                    in onderdeel f gegeven, maar ziet dan ook op situaties buiten de aanvraag van
                    een ontheffing. Dit rapport kan ook in de nadere regels onder f. worden gevraagd
                    en komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet
                    in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.</al><al>Op grond van onderdeel e van dit artikel kan het college nadere regels stellen
                    wat betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in
                    een archeologische monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een
                    ´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten
                    op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf
                    is opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een
                    aanlegvergunning, waarin vereisten omtrent de bescherming van archeologische
                    waarden zijn opgenomen, een en ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder
                    met Valletta’.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6. Overige bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 16. Schadevergoeding</tussenkop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                    toepassing. Het veroorzaker-betaalt-principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle in
                    het eerste lid genoemde onderdelen (a t/m d). De gemeente zal zelf per geval
                    moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In de verordening is,
                    conform de modelverordening van de VNG, gekozen voor een gecombineerde
                    schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond
                    waarvan het college mogelijk een tegemoetkoming in schade aan een belanghebbende
                    dient toe te kennen.</al><tussenkop>Artikel 17. Strafbepaling</tussenkop><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de raad om
                    op overtreding van verordeningen straf stellen, maar geen andere of zwaardere
                    dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te
                    leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,-
                    (januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is
                    de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                    categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het
                    verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld
                    aan een geldboete van de vijfde categorie € 74.000,- (januari 2008).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te
                    bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis
                    van drie maanden voor de hand liggend.</al><tussenkop>Artikel 18. Toezichthouders</tussenkop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. De basis voor deze
                    aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5, waarin algemene regels
                    worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende
                    rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in
                    artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen die bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het
                    bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van
                    toezichthouders derhalve in de Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van artikel 18 niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 19. Intrekken oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude monumentenverordening, zodat niet
                    twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                    uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten
                    met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld
                    door een latere regeling.</al><tussenkop>Artikel 20. Overgangsrecht</tussenkop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10). </al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om vergunning voor gemeentelijke monumenten die zijn
                    ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op
                    grond van de oude verordening.</al><tussenkop>Artikel 21. Inwerkingtreding</tussenkop><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening is
                    allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (lid 1) en daarna voor
                    rijksmonumenten (lid 2). Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139 van de
                    Gemeentewet. Hierin wordt de bekendmaking van verordeningen geregeld. </al><tussenkop>Artikel 22. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. Gelet op het samenvoegen van de
                    oude monumentenverordening en het nieuwe archeologische deel in de verordening,
                    is gekozen voor de nieuwe en overkoepelende term ‘erfgoed’.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>