<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR405159_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Inburgering Laarbeek 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Inburgering Laarbeek 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-05-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>hiermee wordt de op 27 juni 2013 vastgestelde verordening ingetrokken</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Inburgering Laarbeek 2015e</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Laarbeek;</al><al/><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 januari 2016</al><al/><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde en zesde lid, 23, derde lid, 24e, 24f en
                        35 van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012 en artikel
                        X van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering
                        (Stb. 2012, 430);</al><al/><al><vet>b e s l u i t </vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>in te trekken de Verordening inburgering Laarbeek 2013 </al></li><li nr="2."><al>vast te stellen de Verordening Inburgering Laarbeek 2015 </al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b)"><al>wet: de Wet inburgering zoals deze luidde op 31 december
                                        2012;</al></li><li nr="c)"><al>de wetswijziging: de wet van 13 september 2012 tot wijziging
                                        van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband
                                        met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de
                                        inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 430);</al></li><li nr="d)"><al>WEB: Wet Educatie en Beroepsonderwijs;</al></li><li nr="e)"><al>inburgeringsplichtige: persoon, bedoeld in artikel X,
                                        2<sup>e</sup> tot en met 5<sup>e</sup> lid van de
                                        wetswijziging en die woonachtig is in de gemeente
                                        Laarbeek;</al></li><li nr="f)"><al>voorziening: een (duale) inburgeringsvoorziening als bedoeld
                                        in artikel 19, derde lid, van de wet; </al></li><li nr="g)"><al>inburgeringsvoorziening: een voorziening als bedoeld in
                                        artikel 19, derde lid, van de wet, die toe leidt naar het
                                        inburgeringexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede
                                        taal I of II, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder c,
                                        van de WEB en die het eenmaal kosteloos afleggen van het
                                        desbetreffende examen omvat; </al></li><li nr="h)"><al>gecombineerde voorziening: een inburgeringsvoorziening,
                                        gecombineerd met een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 20, eerste lid,
                                        van de wet; </al></li><li nr="i)"><al>participatievoorziening: opleiding educatie,
                                        inburgeringsvoorziening of re-integratievoorziening;</al></li><li nr="j)"><al>inburgeringsexamen: het examen, zoals bedoeld in artikel 13
                                        van de wet;</al></li><li nr="k)"><al>staatsexamen: de opleidingen, zoals bedoeld in artikel
                                        7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de WEB; </al></li><li nr="l)"><al>trajectprijs: de prijs van een participatievoorziening
                                        bestaande uit een optelsom van de afzonderlijke prijzen van
                                        de benodigde modules conform het trajectplan;</al></li><li nr="m)"><al>uitkeringsgerechtigde: iemand die algemene bijstand
                                        ontvangt, dan wel een van de bij de algemene maatregel van
                                        bestuur, bedoeld in artikel 19, vierde lid van de wet, aan
                                        te wijzen socialezekerheidswetten of
                                        socialezekerheidsregelingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet, de wetswijziging en de daarop
                                berustende regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in
                                deze verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en
                                de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de volgende
                                middelen:</al><lijst><li nr="a)"><al>het verstrekken van schriftelijk
                                        voorlichtingsmateriaal;</al></li><li nr="b)"><al>een gemeentelijk informatiepunt;</al></li><li nr="c)"><al>het geven van digitale informatie op de website van de
                                        gemeente Laarbeek.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Inburgeringsaanbod</titel></kop><al>Het college biedt een inburgeringsvoorziening aan de
                            inburgeringsplichtige, te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28
                                    van de Vreemdelingenwet 2000, en</al></li><li nr="b."><al>de geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel g van
                                    de wet, die geen oudkomer is als bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                    c, van de wet, voor zover deze uiterlijk 31 december 2012
                                    inburgeringsplichtig is geworden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening aan de
                                inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 2.1 onder a, af op het
                                startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 2.1 onder a, een
                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt
                                het college er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening op de
                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 2.1 onder a, biedt
                                het college maatschappelijke begeleiding aan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een inburgeringsvoorziening kan, naast datgene dat in de wet is
                                geregeld, een of meer van de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a)"><al>NT-2 onderwijs (taalonderwijs);</al></li><li nr="b)"><al>arbeidsmarktoriëntatie;</al></li><li nr="c)"><al>voorzieningen zoals genoemd in de Re-integratieverordening
                                        Participatiewet, IOAW en IOAZ Laarbeek;</al></li><li nr="d)"><al>activiteiten of voorzieningen die in het kader van maatwerk
                                        bijdragen tot verbetering van</al><al> het inburgeringsproces in het algemeen en in de lokale
                                        samenleving in het bijzonder.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt
                                zijn in het kader van inburgering indien er geen voorliggende
                                voorziening voorhanden is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een eventuele vergoeding wordt vastgesteld op de goedkoopste
                                adequate voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer het inkomen van de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel
                                2.1, hoger is dan de in aanmerking te nemen middelen voor
                                draagkracht op grond van richtlijn B137 van de Beleidsregels
                                Participatiewet wordt geen vergoeding verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor het bepalen van een draagkracht is richtlijn B063 van de
                                Beleidsregels Participatiewet van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een reiskostenvergoeding kan alleen worden verstrekt aan een
                                inburgeringsplichtige die deelneemt aan een gecombineerde
                                voorziening (inburgeringstraject in het kader van een
                                re-integratietraject). Voor het bepalen van de hoogte van de
                                reiskostenvergoeding zijn de Nadere regels Re-integratieverordening
                                Participatiewet Laarbeek 2015 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste zes termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot vaststelling van de
                                inburgeringsvoorziening de betalingswijze en de termijnen van
                                betaling vast. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De eigen bijdrage wordt niet opgelegd aan uitkeringsgerechtigde
                                inburgeringsplichtigen met een arbeidsplicht wiens
                                inburgeringstraject onderdeel uitmaakt van een re-integratietraject
                                ofwel de gecombineerde voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 2.1 bij
                            beschikking een of meer van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a)"><al>het deelnemen aan de inburgeringsvoorziening;</al></li><li nr="b)"><al>het deelnemen aan gesprekken met de klantbegeleider;</al></li><li nr="c)"><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d)"><al>voor de eerste keer deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e)"><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li><li nr="f)"><al>overige verplichtingen die het bereiken van het doel van de
                                    voorziening kunnen ondersteunen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><al>Het college doet schriftelijk het aanbod, zoals bedoeld in artikel 19,
                            eerste of tweede lid, van de wet. Het aanbod wordt gezonden naar het
                            adres waar de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 2.1, in de
                            gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven.</al><lijst><li nr="1."><al>In het aanbod, opgenomen in een trajectplan, wordt een
                                    omschrijving gegeven van de inburgeringsvoorziening die wordt
                                    aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die
                                    aan die voorziening worden verbonden.</al></li><li nr="2."><al>De inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 2.1 aan wie een
                                    aanbod wordt gedaan, deelt binnen twee weken het college mee of
                                    hij het aanbod al dan niet aanvaardt middels ondertekening van
                                    het trajectplan.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 2.1 het
                                    trajectplan bedoeld in het tweede lid tekent, neemt het college
                                    binnen vier weken na die ondertekening het besluit tot
                                    vaststelling van de inburgeringsvoorziening overeenkomstig het
                                    gedane aanbod in het trajectplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening bevat in
                            ieder geval:</al><lijst><li nr="a)"><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening;</al></li><li nr="b)"><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 2.1;</al></li><li nr="c)"><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald; en</al></li><li nr="d)"><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage bedoeld
                                    in artikel 2.4.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 125,00 indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtige is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening,
                                bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de
                                verplichtingen, bedoeld in artikel 2.5 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 300,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet vastgestelde termijn of binnen de door het college op grond
                                van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde
                                termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stemt de hoogte van de bestuurlijke boete af op de ernst
                                van de nalatige gedraging, de mate waarin deze nalatige gedraging
                                aan de inburgeringsplichtige kan worden verweten en houdt rekening
                                met de omstandigheden waarin de inburgeringsplichtige verkeert.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete
                                als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 4.1,
                                eerste lid, bedraagt maximaal € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 4.1,
                                tweede lid, bedraagt maximaal € 500,00 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 600,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 1.000,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stemt de hoogte van de bestuurlijke boete af op de ernst
                                van de nalatige gedraging, de mate waarin deze nalatige gedraging
                                aan de inburgeringsplichtige kan worden verweten en houdt rekening
                                met de omstandigheden waarin de inburgeringsplichtige verkeert.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete
                                als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening indien
                                strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende
                                aard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015, behoudens
                                    situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de
                                    inburgeringsplichtige.</al></li><li nr="2."><al>Met ingang van deze datum wordt de eerder op 27 juni 2013
                                    vastgestelde verordening ingetrokken.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare raadsvergadering van 21 april 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>M.L.M. van Heijnsbergen H.P.T.M. Willems</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Verordening Inburgering Laarbeek 2015</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>Toelichting regeltechnische wijziging Verordening inburgering 2015</al><al>De Verordening Inburgering Laarbeek 2015 is vastgesteld door de raad op 7 mei
                    2013, raadsbesluit 46.</al><al>Reden voor een nieuwe Verordening Inburgering Laarbeek 2015 is dat de
                    grondslagen voor deze verordening zijn gewijzigd met de komst van de
                    Participatiewet. </al><al>In de nieuwe verordening Laarbeek is de term “WWB” is vervangen door
                    “Participatiewet”. Inhoudelijk komt de nieuwe verordening overeen met de huidige
                    verordening. Dit betekent dat de voorgestelde wijzingen regeltechnisch van aard
                    zijn.</al><al/><al>De inhoudelijke toelichting Verordening inburgering 2013 blijft van
                    toepassing.</al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet Inburgering gewijzigd. In de wet zoals
                    die gold tot 31 december 2012 was aan gemeenten een aantal belangrijke taken
                    toebedeeld. Door de gewijzigde wet vervallen de taken van de gemeenten. Wel
                    blijven de gemeenten op grond van het overgangsrecht met name de eerste jaren na
                    inwerkingtreding van de wetswijziging een aantal taken uitoefenen. Dit betreft
                    met name inburgeraars die al met een traject gestart zijn in staat te stellen
                    dit af te maken. Daarnaast blijven de gemeenten de oude inburgeraars
                    handhaven.</al><al/><al>De door de wetswijziging voor de gemeenten belangrijkste wijzigingen zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>De verantwoordelijkheid voor inburgering wordt bij de
                            inburgeringsplichtige gelegd. Dit betekent dat het tot de eigen
                            verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige behoort om te bepalen
                            hoe hij aan zijn inburgeringsplicht voldoet en dat hij daarvoor zelf de
                            kosten draagt. Daarmee vervalt de plicht van gemeenten om voor
                            inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen te zorgen. De taken
                            die de gemeente heeft ten aanzien van het oproepen van (potentieel)
                            inburgeringsplichtigen en het doen van een onderzoek (intake) vervallen
                            daarmee eveneens.</al></li><li nr="·"><al>De doelgroep wordt beperkt tot vreemdelingen die op of na de
                            inwerkingtreding van de wet rechtmatig verblijf verkrijgen voor verblijf
                            in Nederland en (direct of in een later stadium) een verblijfsvergunning
                            voor bepaalde tijd krijgen voor een niet-tijdelijk doel (asiel of
                            gezinsvorming/hereniging) of als geestelijke bedienaar.</al></li><li nr="·"><al>De mogelijkheid voor gemeenten om vrijwillige inburgeraars
                            (EU-onderdanen en genaturaliseerde Nederlanders) op grond van de Wet
                            inburgering een inburgeringsvoorziening aan te bieden vervalt.
                            Vrijwillige inburgeraars kunnen net als iedere andere burger via het
                            reguliere onderwijs de noodzakelijke (taal)vaardigheid en kennis
                            verwerven om volledig deel te kunnen nemen aan de samenleving.</al></li><li nr="·"><al>Het vervallen van bovengenoemde bevoegdheden van gemeenten en het
                            verschuiven van de resterende bevoegdheden van gemeenten naar de
                            Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De
                            uitvoering ligt bij het DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs).</al></li><li nr="·"><al>Een overgangsregeling, die erin voorziet:</al></li><li nr="§"><al>dat gemeenten diegenen die al een aanbod hebben gehad en zich momenteel
                            voorbereiden op het inburgeringsexamen in staat stellen dit voort te
                            zetten en het examen af te leggen;</al></li><li nr="§"><al>dat gemeenten handhaven dat inburgeraars die vóór 1 januari 2013
                            inburgeringsplichtig zijn geworden aan hun inburgeringsplicht
                            voldoen;</al></li><li nr="§"><al>dat gemeenten een aanbod doen aan asielgerechtigden en geestelijke
                            bedienaren die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden
                            maar nog geen aanbod hebben gehad voor die datum. Daarbij blijft
                            ongewijzigd dat voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen een
                            inburgeringsvoorziening ook uit maatschappelijke begeleiding (artikel
                            19, zesde lid van de wet) bestaat.</al><al/></li></lijst><al>In de Verordening inburgering Laarbeek 2015 wordt het aanbodstelsel toegepast.
                    De mogelijkheid die artikel 19a van de wet bood om het college de bevoegdheid te
                    geven inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen vast te stellen,
                    zonder dat eerst een aanbod aan de inburgeringsplichtigen wordt gedaan, zoals
                    opgenomen was in de Verordening Inburgering Laarbeek 2011, is per 1 januari 2013
                    vervallen.</al><al>In de Verordening inburgering Laarbeek 2015 is het aanbodstelsel opgenomen,
                    gebaseerd op het overgangsrecht in de wet. Dit stelsel houdt in dat het college
                    de inburgerinsplichtige een aanbod doet en de voorziening vaststelt
                    overeenkomstig het aanbod als de inburgeringsplichtige het aanbod heeft
                    aanvaard.</al><al/><al>Na 1 januari 2013 kan de gemeente alleen een aanbod doen aan asielgerechtigden
                    en geestelijk bedienaren, die uiterlijk 31 december 2012 inburgeringsplichtig
                    zijn geworden en nog geen voorziening hebben aangeboden gekregen. Aan anderen
                    kunnen gemeenten nog wel voorzieningen aanbieden maar niet meer op grond van de
                    Wet inburgering.</al><al/><al>Gemeenten blijven de opdracht houden om de inburgeringsplichtigen in de gemeente
                    die onder het overgangsrecht vallen goed te informeren over de rechten en
                    plichten die voortvloeien uit deze wet.</al><al/><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven
                    die onder het overgangsrecht vallen. Dit betreft inburgeringsplichtigen die voor
                    1 januari hun inburgeringsplicht opgelegd hebben gekregen en voor die datum een
                    gemeentelijk aanbod hebben gekregen.</al><al>Omdat na 1 januari 2013 zich nog geschillen kunnen voordoen tussen gemeenten en
                    degenen die op grond van de wet zoals die gold tot en met 31 december 2012
                    inburgeringsplichtig zijn, werken deze handhavingsbepalingen ook door na 1
                    januari 2013.</al><al/><al>In verband met deze taken draagt de wetswijziging gemeenten op om bij
                    verordening regels te stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde
                            van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                            inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 van de wet).</al></li><li nr="2."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen en
                            over de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en
                            artikel 23, derde lid, van de wet).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 van de
                            wet).</al><al/></li></lijst><tussenkop>Regels over de informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen</tussenkop><al>Artikel 8 van de wet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringsplichtigen. Het gaat dan om informatie over de rechten en plichten
                    uit hoofde van de Wet inburgering en informatie over het aanbod van
                    inburgeringsvoorzieningen en de toegang tot die voorzieningen.</al><al/><tussenkop>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                    inburgeringsvoorzieningen</tussenkop><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                    inburgeringsexamen.</al><al>Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen door het aanbieden van een
                    inburgeringsvoorziening. Onder het overgangsrecht zijn gemeenten verplicht een
                    inburgeringsvoorziening aan te bieden aan alle asielgerechtigde
                    inburgeringsplichtigen en aan geestelijke bedienaren (artikel 19, tweede lid van
                    de wet) die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden en nog geen
                    voorziening hebben aangeboden gekregen. Een inburgeringsvoorziening leidt toe
                    naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                    II en omvat het eenmaal kosteloos afleggen van dat examen. De
                    inburgeringsplichtige is verplicht een eigen bijdrage van € 270 te betalen. </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een inburgeringsvoorziening
                    ook uit maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid van de wet).</al><al/><al>De wet draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen met
                    betrekking tot het aanbieden van een inburgeringsvoorziening. In de wet is ook
                    vastgelegd over welke onderwerpen in ieder geval regels moeten worden
                    gesteld:</al><lijst><li nr="·"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a
                            van de wet).</al></li><li nr="·"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a van de
                            wet).</al></li><li nr="·"><al>De vaststelling door het college van een passende
                            inburgeringsvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en de
                            samenstelling van die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b
                            van de wet).</al></li><li nr="·"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in ieder
                            geval betrekking op de inning van de eigen bijdrage door het college en
                            de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, van de
                            wet).</al><al/></li></lijst><tussenkop>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete</tussenkop><al>Artikel 35 van de wet draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al/><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><al/><tussenkop>Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. </al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 1.2 De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen </tussenkop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering.
                    De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                    informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. Wel
                    bepaalt artikel 8 van de wet dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze
                    wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                    inburgeringsvoorzieningen.</al><al/><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. Er is
                    voor gekozen om in de verordening vast te leggen welke middelen het college (in
                    ieder geval) moet aanwenden om de informatievoorziening te organiseren.</al><al/><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                    artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                    inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van de
                    informatieverstrekking. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op allerlei manieren
                    worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart informatiepunt inrichten al
                    dan niet in combinatie met een digitaal loket. Het is ook mogelijk om de
                    informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen onder te brengen bij een
                    centraal informatiepunt. Ook kan de gemeente bepaalde organisaties (bijvoorbeeld
                    educatie-instellingen, bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een
                    rol geven bij de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen. </al><al/><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder geval) een
                    aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen vorm te geven. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
                    aan: </al><lijst><li nr="·"><al>het inrichten van een informatiepunt;</al></li><li nr="·"><al>het verstrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij aanvragen om
                            uitkeringen;</al></li><li nr="·"><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="·"><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de gemeentelijke
                            website.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 2 Doelgroepen en samenstelling van de
                    inburgeringsvoorziening</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 2.1 Inburgeringsaanbod</tussenkop><al>Vanaf 1 januari 2013 is het college alleen verplicht een inburgeringsvoorziening
                    aan te bieden aan asielgerechtigden en aan geestelijke bedienaren die voor 1
                    januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden.</al><al/><tussenkop>Artikel 2.2 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</tussenkop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening, met
                    inbegrip van de totstandkoming en samenstelling van die voorziening (artikel 19,
                    vijfde lid, onderdeel b, van de wet). In dit artikel worden de kaders
                    vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft voor de asielgerechtigde
                    inburgeringsplichtige, een op de persoon toegesneden voorziening samen te
                    stellen. </al><al/><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                    inburgeringsvoorziening moet vaststellen. </al><al/><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                    wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                    mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren
                    aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al/><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                    voorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is dus, zo blijkt uit artikel
                    19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod voor een inburgeringsvoorziening aan
                    een uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtige niet wordt gedaan, indien dat
                    diens arbeidsinschakeling belemmert. Het zou dan een gecombineerde voorziening
                    moeten zijn.</al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd
                        <onderstreept>moet </onderstreept>worden met een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling (re-integratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening
                    wordt aangeboden aan een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een
                    uitkering ontvangt op grond van een andere socialezekerheidswet of
                    socialezekerheidsregeling én deze verplicht is om arbeid te verkrijgen of te
                    aanvaarden (artikel 20, eerste lid, van de wet). Het college is verantwoordelijk
                    voor het aanbieden van de gecombineerde voorziening (artikel 20, tweede lid, van
                    de wet). </al><al>Het tweede lid van artikel 2.2 van de verordening draagt het college op om er
                    voor te zorgen dat de voorziening wordt afgestemd op de
                    re-integratievoorziening. Aangezien deze voorzieningen in het kader van de
                    uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of –regelingen ook
                    door andere partijen dan het college (kunnen) worden verstrekt, zal het college
                    afspraken moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de
                    socialezekerheidswet of –regeling: het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of overheidswerkgevers
                    (artikel 21 van de wet). </al><al/><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de inburgeringsvoorziening kan opnemen. In de wet is geregeld waaruit een
                    inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan: een cursus die toeleidt
                    naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                    II en het eenmaal kosteloos afleggen van het desbetreffende examen (artikel 19,
                    derde lid, van de wet). </al><al/><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen maakt ook maatschappelijke
                    begeleiding een verplicht onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening (artikel
                    19, zesde lid, van de wet). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het
                    college als onderdeel van de inburgeringsvoorziening aan inburgeringsplichtigen
                    kan opnemen, kan worden gedacht aan trajectbegeleiding of het (periodiek) houden
                    van voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht
                    aan een uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                    maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het verwerven van
                    kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al/><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral van
                    belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen inburgeringsvoorziening in
                    combinatie met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen. Bij
                    voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten
                    reeds een vast onderdeel. </al><al/><tussenkop>Artikel 2.3 Overige vergoedingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt verder bepaald dat wanneer het inkomen van de
                    inburgeringsplichtige hoger is dan de in aanmerking te nemen middelen voor
                    draagkracht op grond van richtlijn B137 van de Beleidsregels Participatiewet
                    (“In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht”) er geen vergoeding wordt
                    verstrekt en dat voor het bepalen van een draagkracht richtlijn B063 van de
                    Beleidsregels Participatiewet (“Draagkrachtpercentages”) van overeenkomstige
                    toepassing is.</al><al>In het artikel wordt ook bepaald dat reiskosten alleen kunnen worden verstrekt
                    aan inburgeringsplichtigen die tevens een uitkering op grond van de
                    Participatiewet ontvangen, die ten behoeve van hun gecombineerde
                    inburgeringsvoorziening moeten reizen.</al><al/><tussenkop>Artikel 2.4 De inning van de eigen bijdrage </tussenkop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, van de wet). De
                    hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270. Dit
                    bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23,
                    tweede lid, van de wet). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige
                    het recht heeft de eigen bijdrage in ten hoogste zes termijnen te betalen. </al><al/><tussenkop>Artikel 2.5 Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, van de wet dat
                    bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en
                    plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is
                    vastgesteld. Dit artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de
                    verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in
                    het kader van een inburgeringsvoorziening op te leggen. Het college legt in de
                    beschikking tot de vaststelling van de inburgeringsvoorziening deze
                    verplichtingen vast. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 3 Het aanbod van een inburgeringsvoorziening</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 3.1 De procedure van het doen van een aanbod</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat
                    zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening.</al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van
                    een inburgeringsvoorziening aan de inburgeringsplichtige, opgenomen in een
                    trajectplan, op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt toegestuurd
                    naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat ingeschreven in de BRP. Op
                    deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan over het feit dat het college de
                    inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan.</al><al/><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met het aanbod, middels
                    ondertekening van het trajectplan, tevens worden opgevat als instemming met de
                    beschikking tot het vaststellen van de inburgeringsvoorziening (die eenzijdig
                    door de gemeente wordt opgelegd). Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud
                    hebben als het aanbod (het derde lid).</al><al/><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente,
                    meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                    mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                    inburgeringsplichtige van het trajectplan.</al><al/><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt
                    dat hij wel een inburgeringsvoorziening wil, maar dat hij gelet op zijn situatie
                    bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de gemeente.
                    Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod moeten
                    aanpassen.</al><al/><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                    inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                    voorbereiden op het inburgeringsexamen.</al><al/><tussenkop>Artikel 3.2 De inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Het besluit tot het vaststellen van een inburgeringsvoorziening is een
                    beschikking. Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft
                    tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld
                    welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten worden
                    neergelegd.</al><al/><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                    rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden
                    vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de inburgeringsvoorziening
                    (artikel 23, eerste lid, van de wet). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als
                    de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan
                    de betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al/><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, van de wet). In de
                    beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden gemaakt
                    (onderdeel c). </al><al/><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                    termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                    plaatsvindt. Dit is geregeld in artikel 2.4 van de verordening.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 4 De bestuurlijke boete</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 4.1 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                    overtredingen</tussenkop><al>Artikel 35 van de wet draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 van de wet zijn voor de verschillende
                    overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De
                    gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook
                    lagere bedragen vaststellen. </al><al>In artikel 4.1 zijn lagere bedragen genoemd bij een eerste overtreding van een
                    bepaald voorschrift.</al><al>In artikel 4.2 is geregeld dat bij recidive een hogere boete kan worden
                    opgelegd.</al><al/><al>De boetebedragen die in de verordening zijn opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke
                    boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan
                    de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook
                    zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is
                    gepleegd (artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling
                    brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal
                    moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden van
                    de betrokken inburgeringsplichtige. </al><al>Het college heeft tevens de mogelijkheid om af te zien van het opleggen van een
                    bestuurlijke boete als daarvoor dringende redenen zijn. </al><al/><al>In het kader van de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en
                    inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld
                    het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken)
                    zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor
                    het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid,
                    Participatiewet) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van een
                    andere socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 van de wet bevat een
                    regeling voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in
                    dat geval géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al><al/><tussenkop>Artikel 4.2 Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                    overtreding</tussenkop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                    overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 4.1 mogelijk
                    is. </al><al>De verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de overtreding zijn
                    uiteraard niet hoger dan de maximumbedragen die in artikel 34 van de wet worden
                    genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                    overtredingen zich voordoen binnen een tijdspanne van twaalf maanden. </al><al/><al>Artikel 34, onderdeel d, van de wet biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                    bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal € 1000 in het
                    geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan de
                    verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen. Dit
                    is geregeld in het derde en vierde lid van dit artikel.</al><al/><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                    boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 4.1,
                    derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 van de wet moet het
                    college in de boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen dan wel op een
                    andere wijze aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan. Als de
                    inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet
                    heeft behaald, maakt het derde lid van artikel 4.2 het mogelijk dat het college
                    een hogere boete vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel 34,
                    onderdeel d, van de wet). In het derde lid is gekozen voor een boete van
                    maximaal € 600. Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn
                    moeten worden opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                    inburgeringsexamen moet behalen. </al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn niet aan de
                    inburgeringsplicht heeft voldaan, regelt het vierde lid dat het college wederom
                    een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete in het vierde lid
                    geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van termijnen door de
                    inburgeringsplichtige. </al><al/><al>Ook hier geldt dat het college bij elke overtreding de bestuurlijke boete zal
                    moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de
                    overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig
                    rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd
                    (artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling brengt met
                    zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten
                    nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de
                    betrokken inburgeringsplichtige. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 5.1 Hardheidsclausule</tussenkop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college stelt de gemeenteraad
                    de beleidskaders vast in een verordening. Het college is belast met de
                    uitvoering van dat beleid en op sommige onderdelen, met de nadere uitwerking
                    daarvan. Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte
                    toepassing van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van
                    overwegende aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen waarin
                    recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het gemeentelijk
                    beleid en anderzijds het individuele belang van de inburgeringsplichtige. Dat
                    kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen die afwijken van
                    deze verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 5.2 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>