<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR40499_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Procedureverordening advisering tegemoetkoming planschade 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentepagina Wijkse Courant en www.wijkbijduurstede.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Procedureverordening advisering tegemoetkoming planschade 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuw</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Procedureverordening advisering tegemoetkoming planschade 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al>De raad van de gemeente Wijk bij Duurstede;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders</al><al/><al>d.d. 21-04-2009, nr. 302</al><al/><al>gelet op artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.1.3.3 Besluit
                        ruimtelijke ordening</al><al><vet>besluit:</vet></al><al>in te stemmen met de procedureverordening advisering tegemoetkoming in
                        planschade en de toelichting.</al><al><vet>Procedureverordening advisering tegemoetkoming in planschade 2009
                    </vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de
                                    schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening
                                    indient;</al></li><li nr="b."><al>adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan
                                    te wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c,
                                    Besluit ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="c."><al>adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in
                                    artikel 5, vijfde lid, van deze verordening;</al></li><li nr="d."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="e."><al>gemeente: gemeente Wijk bij Duurstede;</al></li><li nr="f."><al>planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1,
                                    tweede lid, Wet ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="g."><al>planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet
                                    ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="h."><al>wet: Wet ruimtelijke ordening.</al></li><li nr="i."><al>besluit: Besluit ruimtelijke ordening</al></li><li nr="j."><al>wraking: het bezwaar maken tegen de aanwijzing van een adviseur
                                    vanwege vermeende partijdigheid van deze adviseur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Heffen recht</titel></kop><al>Van de indiener van de aanvraag heft het college een recht van €
                            300,00.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Indiening van de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om vergoeding van planschade wordt bij het college
                                ingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld
                                formulier ‘Aanvraag om tegemoetkoming planschade’.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van de aanvraag wordt een afschrift toegezonden aan de
                                belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van
                                de wet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in
                            artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college aan één of
                            meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag
                            advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel
                            6.1.3.1 van het besluit of aan artikel 4:5 van de Algemene wet
                            bestuursrecht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking
                                    wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over
                                    voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van
                                    planschade. </al></li><li nr="2."><al>Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het
                                    eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag
                                    betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en er
                                    gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte
                                    bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een
                                    tweede adviseur aangewezen die deskundig is op het gebied van
                                    accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering. </al></li><li nr="3."><al>Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het
                                    eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag
                                    betrekking heeft op planschade vanwege waardevermindering van
                                    een onroerende zaak en er gezien de complexiteit, aard en omvang
                                    van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt
                                    door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is
                                    ter zake van de waardering van onroerende zaken en van
                                    waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische
                                    verslechtering. </al></li><li nr="4."><al>Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde
                                    lid van toepassing zijn, worden zowel de in het tweede als het
                                    derde lid bedoelde adviseurs aangewezen. </al></li><li nr="5."><al>Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een
                                    adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur
                                    voorzitter is. </al></li><li nr="6."><al>De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Deskundigheid en onafhankelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het
                                    college verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en
                                    ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 5,
                                    eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop deze
                                    persoon de aanvraag moet beoordelen. </al></li><li nr="2."><al>Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid
                                    van de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij
                                    de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing
                                adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in
                                    artikel 4 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele
                                    andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als
                                    bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet
                                    schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van:</al><lijst><li nr="a."><al>een adviseur als bedoeld in artikel 5, eerste lid,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 5, vijfde
                                            lid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen,
                                    alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede
                                    en derde lid, van de wet kunnen binnen twee weken na de
                                    mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en
                                    voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of
                                    meerdere adviseurs bij het college indienen.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de
                                    in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek
                                    tot wraking van één of meerdere adviseurs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Werkwijze adviseur of adviescommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de
                                aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de
                                beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de
                                adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen
                                aan die de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de
                                adviesopdracht bijstaat. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één
                                of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid
                                bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden
                                gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de
                                advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan
                                wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur
                                of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken
                                bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel
                                6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de
                                gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het
                                tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter
                                plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de
                                plaatsopneming uit. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken
                                onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de
                                adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde
                                lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder
                                verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de
                                adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit
                                te brengen advies. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De adviseur brengt binnen zestien weken na de dagtekening van de
                                opdracht tot advisering, een concept advies uit aan het college.
                                Tegelijkertijd ontvangen de aanvrager, eventuele andere betrokkenen
                                en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a tweede en derde
                                lid van de wet, een afschrift van het concept advies. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan de termijn
                                als bedoeld in lid 7 zonder opgaaf van redenen met een daarbij aan
                                te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de
                                belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid,
                                van de wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na
                                de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te
                                reageren. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien een verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 5, derde lid
                                van deze verordening is ingediend, begint de in het zevende lid van
                                dit artikel bedoelde termijn te lopen na de dag waarop door het
                                college op het verzoek om wraking is beslist of indien een andere
                                adviseur wordt aangewezen, na de dag waarop deze door het college is
                                ingediend. </al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al> In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of
                                de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in
                                het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college,
                                waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. </al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al> In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de
                                adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken
                                van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het
                                college. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><al>Indien het college een tegemoetkoming van planschade vaststelt, vindt
                            uitbetaling plaats op een door aanvrager aangegeven rekening uiterlijk
                            binnen één week na het onherroepelijk worden van deze beschikking. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Wettelijke bepalingen</titel></kop><al>De artikelen 6.1 tot en met 6.7 van de Wet ruimtelijke ordening en
                            artikelen 6.1.1.1 tot en met 6.1.3.8 van het Besluit ruimtelijke
                            ordening zijn onverkort van toepassing op een aanvraag voor
                            tegemoetkoming in planschade. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvragen ingediend zijn voor 1 juli 2008 en op aanvragen die
                                ingevolge de ‘Wet van 8 juni 2005 tot wijziging van de Wet op de
                                Ruimtelijke Ordening (verjaring van en heffing bij
                                planschadevergoedingsaanspraken, alsmede
                                planschadevergoedingsovereenkomsten)’ tot 1 september 2010 nog
                                ingediend kunnen worden, is ‘Procedureregeling planschadevergoeding
                                2005’ van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om planschade ingediend voor inwerkintreding van deze
                                verordening, maar na inwerkingtreding van de wet en het besluit en
                                waarop lid 1 niet van toepassing is en waarop nog geen beslissing is
                                genomen of waarop de beslissing is aangehouden, worden behandeld met
                                inachtname van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="3."><al>Deze verordening treedt in werking op …. </al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Procedureverordening
                                    advisering tegemoetkoming planschade 2009”. </al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in
                            planschade</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Krachtens artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan degene
                            die in de vorm van</al><al>inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak
                            schade lijdt of zal</al><al>lijden als gevolg van een planologische maatregel, op aanvraag een
                            tegemoetkoming in</al><al>planschade worden toegekend, voor zover de schade redelijkerwijs niet
                            voor rekening van de</al><al>aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming in
                            planschade niet voldoende</al><al>anderszins verzekerd is.</al><al>Afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) van de Wro bevat bepalingen over
                            het tijdstip</al><al>waarbinnen aanvragen moeten worden ingediend (artikel 6.1, vierde en
                            vijfde lid, Wro), is</al><al>uitgewerkt welke schade in ieder geval voor rekening van de aanvrager
                            dient te blijven</al><al>(artikel 6.2 Wro) en wordt ingegaan op zaken die het bestuursorgaan bij
                            het nemen van een</al><al>beslissing op het aanvragen om een tegemoetkoming in planschade dient te
                            betrekken</al><al>(artikel 6.3 Wro).</al><al>Artikel 6.1, derde lid, Wro stelt eisen aan de aanvraag om een
                            tegemoetkoming, die op grond</al><al>van artikel 6.7 Wro in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn
                            uitgewerkt. De regels in het Bro leiden tot een uniformering en
                            standaardisering van regels omtrent de inrichting en behandeling en de
                            wijze van beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming in schade.
                            Onder de Wet op de</al><al>Ruimtelijke Ordening (WRO) en het Besluit op de ruimtelijke ordening
                            1985 (Bro 1985)</al><al>bestond de noodzaak dat iedere gemeente een regeling voor de behandeling
                            van de</al><al>planschadeverzoeken moest opstellen. De regeling met betrekking tot de
                            behandeling van</al><al>de aanvragen is nu terug te vinden in het Bro.</al><al>In het Bro zijn in afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) de vereisten
                            voor het indienen</al><al>van een aanvraag, alsmede een aantal procedurevoorschriften en de regels
                            voor het</al><al>aanwijzen van een adviseur opgenomen. Artikel 6.1.3.2 Bro verplicht het
                            college een</al><al>adviseur aan te wijzen die advies uitbrengt over de op de aanvraag te
                            nemen beslissing. In</al><al>artikel 6.1.3.3, eerste lid, Bro wordt voorgeschreven dat de gemeente
                            een verordening moet</al><al>vaststellen over de wijze waarop een adviseur wordt aangewezen en de
                            wijze waarop deze</al><al>tot een advies komt. In artikel 6.1.3.3, tweede lid, Bro wordt bepaald
                            dat de verordening in</al><al>ieder geval betrekking moet hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur;</al></li><li nr="b."><al>de gevallen waarin een adviescommissie wordt ingeschakeld;</al></li><li nr="c."><al>het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken
                                    bestuursorganen en de</al></li></lijst><al>belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de
                            Wro</al><al>vooraf in de aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan wel na deze
                            aanwijzing</al><al>kunnen wraken;</al><al>e.de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken
                            bestuursorganen en de</al><al>belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de
                            Wro onder</al><al>verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies
                            worden</al><al>betrokken, en de hierbij geldende termijnen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Bij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk aansluiting
                            gezocht bij de Wro en het</al><al>Bro en voor zover dit noodzakelijk werd geacht is een aanvulling
                            gegeven. Voor een juiste</al><al>interpretatie van de verordening is naast raadpleging van artikel 1
                            kennisneming van de</al><al>algemene bepalingen in artikel 6.1.1.1 Bro van belang. Ten behoeve van
                            de duidelijkheid</al><al>van de begrippen adviseur en adviescommissie is in deze verordening een
                            van het Bro</al><al>afwijkende omschrijving van het begrip adviseur opgenomen. Het begrip
                            gemeente is</al><al>afzonderlijk gedefinieerd om te verduidelijken dat indien de verordening
                            het woord gemeente</al><al>gebruikt, het de gemeente betreft waar de aanvraag om tegemoetkoming in
                            planschade is</al><al>ingediend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Heffen recht</titel></kop><al>Artikel 6.4 Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders van de indiener
                            van een aanvraag een recht heffen. Ingevolge het derde lid van dat
                            artikel bedraagt het recht € 300,00. De functie van dit recht is die van
                            het opwerpen van een drempel. Hiermee wordt men ontmoedigd om een
                            lichtvaardige claim in te dienen. </al><al>Als een verzoek om tegemoetkoming van schadevergoeding geheel of
                            gedeeltelijk wordt gehonoreerd, wordt het betaalde recht geheel
                            terugbetaald.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Indiening van de aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag wordt ingediend middels een door het college vastgesteld
                            formulier ‘Aanvraag om tegemoetkoming planschade’.</al><al>De belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van
                            de wet ontvangen een afschrift van de aanvraag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan de
                            adviescommissie,</al><al>tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 Bro of aan artikel
                            4:5 van de Algemene</al><al>wet bestuursrecht. Artikel 6.1.3.1, eerste lid, Bro geeft het college de
                            bevoegdheid een</al><al>aanvraag binnen vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog
                            een termijn krijgt de</al><al>aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel
                            6.1.3.1, tweede lid, Bro</al><al>heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Algemene wet
                            bestuursrecht waarbij een</al><al>onvolledige aanvraag verder buiten behandeling moet worden gelaten.
                            Volgens artikel</al><al>6.1.3.1, tweede lid, Bro moet het besluit tot het niet in behandeling
                            nemen binnen vier weken</al><al>na ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager worden medegedeeld. Voor
                            zover de</al><al>aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen,
                            krijgt het college acht</al><al>weken de tijd na het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te
                            vullen is verstreken,</al><al>om het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te
                            maken. De</al><al>laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden
                            verlengd. Indien de</al><al>aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling wordt
                            gelaten, is de</al><al>verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld in artikel
                            6.1.3.1 Bro worden</al><al>overschreden. In het laatste geval dienen niettemin één of meerdere
                            adviseurs te worden</al><al>aangewezen en dient een opdracht te worden verstrekt.</al><al>De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te
                            wraken is verstreken en</al><al>er geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het college
                            afwijzend is beslist</al><al>over een ingediend verzoek tot wraking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Adviseur of adviescommissie</titel></kop><al>Het college schakelt een adviseur of een adviescommissie in voor de
                            advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel
                            is bepaald in welke gevallen een adviseur of een adviescommissie dient
                            te worden ingeschakeld en over welke deskundigheid een adviseur dient te
                            beschikken.</al><al>Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs
                            noodzakelijk is, staat deze verordening er niet aan in de weg om telkens
                            dezelfde adviseur(s) aan te wijzen.</al><al>In het eerste lid is bepaald dat de eerste adviseur wordt aangewezen die
                            over voldoende deskundigheid op het gebied van planschadeadvisering
                            dient te beschikken. Afhankelijk van de kennelijke oorzaak van de
                            planschade kan een tweede en/of een derde adviseur worden</al><al>aangewezen die over specifieke deskundigheid op het gebied van
                            planschade wegens inkomensderving, onderscheidenlijk wegens
                            waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een
                            planologische verslechtering beschikt.</al><al>Het is aan het college van burgemeester en wethouders om, na advies te
                            hebben ingewonnen bij de (eerste) adviseur, te beoordelen of deze
                            (eerste) adviseur zelfstandig kan adviseren, of dat er gezien de
                            complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte is een tweede
                            en/of derde adviseur bij</al><al>de opdracht te betrekken die beschikt over specifieke deskundigheid. Bij
                            de aanwijzing van twee of meer adviseurs is er sprake van een
                            adviescommissie (artikel 5, vijfde lid). De adviseurs dienen de in
                            artikel 6.1.3.4 Bro genoemde zaken bij hun onderzoek te betrekken.</al><al>Artikel 6.1.3.5, eerste lid, Bro bepaalt dat de adviseur of de
                            adviescommissie zich door derden kan laten adviseren en bijstaan. Indien
                            hiermee kosten zijn gemoeid is instemming van het college vereist.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Deskundigheid en onafhankelijkheid</titel></kop><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Bro schrijft voor dat de
                            verordening regels moet bevatten over de deskundigheid en de
                            onafhankelijkheid van de adviseur. Om de deskundigheid van de adviseurs
                            te waarborgen is in het eerste lid bepaald dat het college alvorens zij
                            tot aanwijzing van een persoon als adviseur overgaat, kan verlangen dat
                            deze persoon aantoont</al><al>op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot
                            de in artikel 5, tweede of derde lid, genoemde aspecten waarop hij of
                            zij de aanvraag dient te beoordelen.</al><al>In aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht
                            juncto artikel 6.1.1.1 onder c, Bro waaruit voortvloeit dat een adviseur
                            niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan
                            waaraan wordt geadviseerd, wordt in artikel 6, tweede lid, bepaald dat
                            die adviseur eveneens niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid
                            van de raad. Voorts bepaalt artikel 6, tweede lid, dat een adviseur
                            niet</al><al>betrokken mag zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag
                            betrekking heeft. Dit betreft deskundigen die op enigerlei wijze
                            betrokken zijn bij de in het geding zijnde planologische maatregel. In
                            het bijzonder kan worden gedacht aan personen behorende tot de
                            risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van planologische
                            maatregelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij
                                aanwijzing van adviseur of adviescommissie </titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken
                            bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,
                            tweede en derde lid, van de Wro schriftelijk op de hoogte moeten worden
                            gebracht van de aanwijzing van leden van de adviescommissie.</al><al>De aanwijzing dient schriftelijk bekend te worden gemaakt. Indien de
                            aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere
                            belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,</al><al>tweede en derde lid, van de Wro zich niet kunnen verenigen met de
                            aanwijzing van één of meerdere leden is er de mogelijkheid om één of
                            meerdere leden te wraken. Op verzoek van de aanvrager, eventuele andere
                            betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in
                            artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro kunnen één of meerdere
                            leden worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de
                            vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid schade zou kunnen lijden.
                            Genoemde partijen worden gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld
                            een verzoek tot wraking van één of meerdere leden bij het college
                            kenbaar te maken. Het college moet binnen twee weken na het verstrijken
                            van de termijn tot het indienen van een verzoek tot wraking
                            beslissen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Werkwijze adviseur of adviescommissie</titel></kop><al>Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, eventuele andere
                            betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in
                            artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro onder verslaglegging
                            worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken.
                            Tevens worden de hiervoor geldende termijnen vastgelegd.</al><al>In het tweede en derde lid is bepaald dat vanuit de gemeente bijstand
                            wordt verleend aan de adviescommissie, door alle voorhanden zijnde
                            informatie met betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in
                            planschade ter beschikking te stellen. Daarnaast worden alle bescheiden
                            die naar het oordeel van de adviescommissie nodig zijn voor de
                            beoordeling van de</al><al>aanvraag aan hen ter beschikking gesteld.</al><al>Het derde, vierde en vijfde lid bevatten regels over achtereenvolgens de
                            hoorzitting, de bezichtiging en de taxatie. Deze onderdelen behoeven
                            niet afzonderlijk te worden georganiseerd. Het is mogelijk om de
                            hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of taxatie. Volgens
                            artikel 6.1.3.5, tweede lid, Bro mag van de bezichtiging worden
                            afgezien,</al><al>indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort
                            te worden afgewezen.</al><al>Het concept advies dient binnen zestien weken na dagtekening van de
                            opdracht aan de gemeente, aanvrager, eventueel andere betrokken
                            bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,
                            tweede en derde lid, van de Wro te worden toegezonden. Deze termijn kan
                            met ten hoogste vier weken worden verlengd (zevende lid).</al><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder e, Bro bepaalt dat de verordening
                            aandacht moet schenken aan de wijze waarop de aanvrager, eventueel
                            andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld
                            in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro bij de opstelling van
                            het advies moeten worden betrokken. De Nota van Toelichting bij het
                            Bro</al><al>noemt als voorbeeld dat de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om
                            binnen een bepaalde periode op het concept advies te reageren (zie de
                            Nota van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 66). In dit kader
                            bepaalt het achtste lid dat de gemeente, de aanvrager, eventuele andere
                            bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel
                            6.4a,</al><al>tweede en derde lid, van de Wro in de gelegenheid worden gesteld om
                            binnen vier weken schriftelijk op het concept advies te reageren.</al><al>Het elfde en het twaalfde lid bepalen de termijnen voor het uitbrengen
                            van het advies aan het college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><al>De uitbetaling dient op een korte termijn plaats te vinden, indien het
                            college een tegemoetkoming van planschade vaststelt. De uiterlijke
                            betaling vindt plaats op de vijfde werkdag na onherroepelijk worden van
                            deze beschikking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Wettelijke bepalingen</titel></kop><al>Afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening en de daaraan gekoppelde
                            afdeling 6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bevatten de wettelijke
                            bepalingen voor de regeling van planschade. Zij zijn onverkort van
                            toepassing op een aanvraag om tegemoetkoming in planschade.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van de verordening voor advisering
                            tegemoetkoming in planschade</al><al>kan de oude planschaderegeling nog niet in zijn geheel door het college
                            van burgemeester en wethouders worden ingetrokken. De ‘procedureregeling
                            planschadevergoeding 2005’ is nog van toepassing op de volgende
                            situaties:</al><al>• op een aanvraag ingediend vóór 1 september 2005 in het geval dat de
                            planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005
                            is de WRO van vóór 1 september 2005 van toepassing;</al><al>• op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli
                            2008 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            vóór 1 september 2005 is de WRO nog van toepassing (maar geen
                            verjaringstermijn van toepassing);</al><al>• op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli
                            2008 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            op of na 1 september 2005 en vóór 1 juli 2008 van kracht is geworden, is
                            de WRO van toepassing (met inbegrip van de verjaringstermijn);</al><al>• op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september
                            2010 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            vóór 1 september 2005 is de WRO nog van toepassing (maar is geen
                            verjaringstermijn van toepassing). De "Procedureverordening voor
                            advisering tegemoetkoming in planschade 2009" is van toepassing in de
                            volgende situaties:</al><al>• op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september
                            2010 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 van kracht is
                            geworden,is de Wro van toepassing (met inbegrip van de
                            verjaringstermijn, maar er is geen sprake van het forfait normaal
                            maatschappelijk risico);</al><al>• op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september
                            2010 in het geval de planologische maatregel van kracht is geworden op
                            of na 1 juli 2008, is de Wro onverkort van toepassing;</al><al>• op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2010 is de Wro in alle
                            gevallen onverkort van toepassing.</al><al>Hieronder wordt het bovenstaande in een tabel weergegeven:</al><al/><al><vet>Overgangsregeling </vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="38*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Met de inwerkingtreding van de verordening voor
                                                tegemoetkoming in planschade kan de oude
                                                planschaderegeling nog niet door het college worden
                                                ingetrokken. De procedureregeling
                                                planschadevergoeding 2005 is nog van toepassing op
                                                de volgende situaties: <vet>Datum aanvraag
                                                </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Plan/besluit onherroepelijk </vet></al><al><vet>vóór 1-9-2005 </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Plan/besluit onherroepelijk na </vet></al><al><vet>1-9-2005 en vóór </vet></al><al><vet>1-7-2008 van kracht </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Plan/besluit van kracht na 1-7-2008 </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Vóór 1-9-2005 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>WRO van vóór 1 september 2005 van toepassing </al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t. </al></entry><entry colname="col4"><al>n.v.t. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Tussen 1-9-2005 en vóór 1-7-2008 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>WRO nog toepasselijk, maar geen verjaringstermijn
                                                van toepassing </al></entry><entry colname="col3"><al>WRO nog van toepasselijk met inbegrip van
                                                verjaringstermijn van 5 jaar </al></entry><entry colname="col4"><al>n.v.t. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Tussen 1-7-2008 en vóór 1 september 2010
                                                </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>WRO nog toepasselijk, maar geen verjaringstermijn
                                                van toepassing </al></entry><entry colname="col3"><al>Wro toepasselijk met inbegrip van verjaringstermijn,
                                                maar geen forfait normaal maatschappelijk risiso
                                            </al></entry><entry colname="col4"><al>Wro onverkort van toepassing </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Op of na 1-9-2010 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Wro onverkort van toepassing </al></entry><entry colname="col3"><al>Wro onverkort van toepassing </al></entry><entry colname="col4"><al>Wro onverkort van toepassing </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 12 mei 2009</al><al>De raad voornoemd,</al><al>griffier, voorzitter,</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>