<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR40490_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Tynaarlo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oostermoer, 16-02-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Tynaarlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 149 gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 17</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Tynaarlo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De “Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente
            Tynaarlo”</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Tynaarlo;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17
                        november jl.; </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 8, eerste
                        lid, onderdeel b, en artikel 18 van de Wet werk en bijstand;</al><al>overwegende dat het bij verordening regels dienen te worden gesteld ter
                        verlaging van de bijstand </al><al/><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al><vet>vast te </vet><vet>stellen</vet></al><al/><al><vet>De “Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente
                            Tynaarlo”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>De w</cursief>et: de Wet werk en bijstand
                                        (WWB);</al></li><li nr="b."><al><cursief>Algemene bijstand</cursief>: de bijstand bedoeld in
                                        artikel 5, onderdeel b, van de wet;</al></li><li nr="c."><al><cursief>Bijzondere bijstand</cursief>: de bijstand bedoeld
                                        in artikel 5, onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="d."><al><cursief>Bijstand</cursief>: algemene en bijzondere
                                        bijstand;</al></li><li nr="e."><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief>: de bijstandsnorm bedoeld
                                        in artikel 5, onderdeel c, van de wet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>Verlaging</cursief>: het verlagen van de bijstand
                                        of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede
                                        lid, van de wet; </al></li><li nr="g."><al><cursief>Inlichtingenplicht</cursief>: als bedoeld in
                                        artikel 17 van de wet;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Benadelingsbedrag</cursief>: de als gevolg van het
                                        niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                        inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog
                                        bedrag betaalde bijstand verhoogd met de loonbelasting en de
                                        premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente krachtens de
                                        Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede
                                        met de ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en
                                        premies niet verrekend kunnen worden, met de belastingdienst
                                        en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Het </cursief><cursief>college</cursief>: het
                                        college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                        Tynaarlo.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college in de periode
                                voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien tekortschietend besef
                                van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan
                                dan wel de bij beschikking vastgestelde, of de uit de wet, of de
                                artikel 28, tweede lid dan wel artikel 29 eerste lid van de Wet
                                structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                                verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het
                                zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig
                                deze verordening de bijstand verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al><lijst><li nr="a."><al>Aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>De verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een
                                verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd uitgaande van de bijstandsnorm en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardverlaging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>1. Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                            gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al><al>2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>De belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                    zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                    feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="b."><al>De belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                    college of van een derde aan wie het college met toepassing van
                                    artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft
                                    uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                                    verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet; of</al></li><li nr="c."><al>Het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van
                                    de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een
                                verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>De gedraging meer dan twaalf maanden vóór constatering van
                                        die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij
                                        de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt
                                        en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is
                                        verleend. Een verlaging wegens schending van de
                                        inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf
                                        jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de verlaging wordt opgelegd over een periode voor
                                bijstandsbeëindiging, en de verlaging kan niet meer worden
                                verrekend, dan wordt de bijstand herzien. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een verlaging wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een verlaging die
                                voor een periode van meer dan driemaanden wordt opgelegd,
                                wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende
                            gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in
                            artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte
                            van de verlaging uitgegaan van het gezamenlijk percentage behorende bij
                            de verschillende gedragingen met dien verstande dat de verlaging niet
                            hoger kan zijn dan de geldende bijstandsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening geen nadere bepalingen omtrent recidive
                                zijn opgenomen geldt dat de duur van de verlaging wordt verdubbeld,
                                indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij een verlaging is opgelegd, opnieuw schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere
                                categorie. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening geen nadere bepalingen omtrent een derde
                                verwijtbare gedraging binnen een periode van twaalf maanden is
                                opgenomen, dient de bijstand individueel te worden afgestemd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het
                            verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van de
                            artikel 9 en/of de nadere verplichting(en) op grond van artikel 55 van
                            de wet niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al></li><li nr="a."><al>Het zich niet of niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                    bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig
                                    laten verlengen van de registratie; </al></li><li nr="b."><al>Het zich niet of niet tijdig laten inschrijven bij
                                    uitzendbureaus.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al></li><li nr="a."><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>Niet voldoen aan een oproep ter onderzoek naar
                                    arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="3."><al>Derde categorie</al></li><li nr="a."><al>Gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>Het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het
                                    college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                    als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10,
                                    eerste lid van de wet en in de re-integratieverordening.</al></li></lijst><al> 4. Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of een
                                    door het college aangeboden voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                    onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet en in de
                                    re-integratieverordening;</al></li><li nr="b."><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid of een door het college aangeboden voorziening gericht op
                                    arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                    onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet en in de
                                    re-integratieverordening;</al></li><li nr="c."><al>Geen medewerking verlenen aan een onderzoek ter vaststelling van
                                    het recht op een voorliggende voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>Vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>Twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>Vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid<cursief>.
                                </cursief></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij een derde verwijtbare gedraging uit de eerste
                                en/of de tweede categorie binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                het laatste besluit tot verlaging, met toepassing van dit hoofdstuk,
                                de verlaging stellen op 50% gedurende één maand. Bij verdere
                                herhaling van het verwijtbare gedrag kan het college besluiten de
                                bijstand voor bepaalde tijd te weigeren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan bij een derde verwijtbare gedraging uit de derde
                                categorie binnen twaalf maanden na bekendmaking van het laatste
                                besluit tot verlaging, met toepassing van dit hoofdstuk, de
                                verlaging stellen op 100% gedurende één maand. Bij verdere herhaling
                                van het verwijtbare gedrag kan het college besluiten de bijstand
                                voor bepaalde tijd te weigeren.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan bij een derde verwijtbare gedraging uit de vierde
                                categorie binnen twaalf maanden na bekendmaking van het laatste
                                besluit tot verlaging, met toepassing van dit hoofdstuk, de
                                verlaging stellen op 100% gedurende drie maanden. Bij verdere
                                herhaling van het verwijtbare gedrag kan het college besluiten de
                                bijstand voor bepaalde tijd te weigeren.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Verstrekken van inlichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Onjuist of onvolledig verstrekken van inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><al>1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                            bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of
                            tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de bijstand
                            afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al><al>2. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de bijstand op de volgende
                            wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Bij een benadelingsbedrag tot € 2000,-: 20% van de bijstandsnorm
                                    gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>Bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 50% van de
                                    bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="c."><al>Bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de
                                    bijstandsnorm gedurende een maand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens zonder dat hierdoor teveel
                                bijstand is verstrekt</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel
                                    17 van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang
                                    is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan
                                    niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te
                                    verstrekken, wordt een verlaging opgelegd van vijf procent van
                                    de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van de verlaging wordt afgezien en volstaan met
                                    het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of
                                    niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen
                                    een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum waarop
                                    eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                    gegeven. </al></li><li nr="3."><al>De duur van de verlaging wordt verdubbeld, indien de
                                    belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarbij een verlaging wordt opgelegd opnieuw
                                    schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken
                                    gedraging. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd
                                    wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond
                                    van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Onjuist of onvolledig verstrekken van
                                inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt
                                de verlaging, onverminderd artikel 2, tweede lid,
                                vijfprocent van de bijstand gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de verlaging wordt afgezien en volstaan met het
                                geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet
                                behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een
                                periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan
                                de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de verlaging wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                een verlaging wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als
                                verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                                verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede
                                lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een
                                verlaging opgelegd die wordt afgestemd op de periode waarover de
                                belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht
                                heeft op bijstand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging op de volgend
                                wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Bij een periode tot 3 maanden of korter: 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende die maanden dat er verwijtbaar een
                                        beroep op bijstand wordt gedaan;</al></li><li nr="b."><al>Bij een periode van 3 tot 6 maanden: 20% van de
                                        bijstandsnorm gedurende die maanden dat er verwijtbaar een
                                        beroep op bijstand wordt gedaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een periode van 6 maanden en langer besluit het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waarmee deze zich zeer ernstig
                            misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, als bedoeld in
                            artikel 18, tweede lid van de wet, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al></li><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al></li><li nr="a."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="b."><al>belediging;</al></li><li nr="c."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen).</al></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>mensgericht fysiek geweld/ dan wel bedreiging met geweld;</al></li><li nr="b."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>1. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld
                            op:</al><lijst><li nr="1."><al>Vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de eerste categorie; </al></li><li nr="2."><al>Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="3."><al>Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij
                                    gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst><al>2. De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                            verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                            bekendmaking van het besluit tot verlaging met toepassing van het eerste
                            lid, opnieuw schuldig maakt aan een zeer ernstige gedraging.</al><al>3. Het college kan bij een derde en een volgende verwijtbare gedraging
                            binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het laatste besluit tot
                            verlaging met toepassing van het eerste lid, de verlaging op een hoger
                            bedrag vaststellen en/of de duur van de verlaging verlengen. Bij
                            herhaald verwijtbaar gedrag kan het college de bijstand voor bepaalde
                            tijd weigeren.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                                verordening niet voorziet.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslissen
                                burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter uitvoering van deze verordening kan, onverminderd artikel 12,
                                tweede lid, het college nadere beleidsregels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding en intrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2010.</al></li><li nr="2."><al>De Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Tynaarlo
                                    2004 vastgesteld op 26 oktober 2004 wordt per 1 januari 2010
                                    ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Afstemmingsverordening Wet werk
                            en bijstand gemeente Tynaarlo”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vries, 8 december 2009</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>F.A. van Zuilen, voorzitter</ondertekening><ondertekening>J.L. de Jong, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>De regeling in de Wet werk en bijstand</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de WWB komt het systeem van boeten en maatregelen
                    van de Algemene bijstandswet (de artikelen 14 tot en met 14f, nader uitgewerkt
                    in het Maatregelbesluit en Boetebesluit) te vervallen. In plaats daarvan zullen
                    gemeenten zelf hun sanctiebeleid moeten gaan vormgeven. De WWB kent slechts één
                    soort sanctie: het verlagen van de uitkering. De boete als sanctie voor
                    uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht hebben geschonden, verdwijnt. </al><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een verlagingenbeleid in een
                    verordening vast te leggen. Dit artikel luidt: </al><lijst><li nr="1."><al><cursief>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden
                                verplichtingen af op de
                                omstandi</cursief><cursief>g</cursief><cursief>h</cursief><cursief>e</cursief><cursief>den,
                                mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van
                                ve</cursief><cursief>r</cursief><cursief>antwoordelijkheid betoont
                                voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze
                                wet</cursief><cursief> dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29,
                                eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                inkomen</cursief><cursief>
                                voor</cursief><cursief>t</cursief><cursief>vloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig
                                de verordening, bedoeld in </cursief><cursief>artikel
                                8</cursief><cursief>, eerste lid, onderdeel b, de bijstand of de
                                langdurigheidsto</cursief><cursief>e</cursief><cursief>slag. Van een
                                verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
                                ontbreekt.</cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede
                                lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie
                                maanden bedraagt.</cursief></al></li><li nr="4."><al><cursief>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende
                                mede verstaan het gezin.</cursief></al></li></lijst><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het
                        <cursief>afstemmen</cursief> van de bijstand en de daaraan verbonden
                    verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de
                    uitkeringsgerechtigden <cursief>maatwerk</cursief> is, waarbij recht wordt
                    gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    uitkeringsgerechtigden. In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen
                    de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college
                    tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van
                    een bevoegdheid, maar van een <cursief>verplichting</cursief>. Alleen wanneer
                    iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n
                    verlaging. Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door
                    de gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de afstemmingsverordening. </al><tussenkop>De term ‘verlaging’</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het <cursief>afstemmen</cursief> van de
                    uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen
                    nakomt. Met de begrip ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt
                    dat rechten en plichten één kant van dezelfde medaille vormen. </al><al>Het opleggen van een verlaging is géén <cursief>punitieve </cursief>sanctie,
                    waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat, maar een
                        <cursief>reparatoire</cursief> sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd),
                    gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand
                    met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden
                    verplichtingen nakomt. </al><tussenkop>Het verlagen van de bijstand</tussenkop><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan zowel de bijstand (dat wil zeggen:
                    algemene bijstand en bijzondere bijstand) als de langdurigheidstoeslag worden
                    verlaagd. De uitzondering hierop vormt de bijzondere bijstand voor jongeren van
                    18 tot 21 jaar. Deze groep ontvangt een lage algemene bijstandsuitkering die
                    wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Indien de verlaging alleen op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de groep
                    21-jarigen en ouder.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving </tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB.</al><al>Het begrip benadelingsbedrag is in deze verordening opgenomen. Dit begrip komt
                    niet voor in de wet, maar is van belang omdat in artikel 12 de maatregel wordt
                    afgestemd op het benadelingsbedrag. Bij de omschrijving van het begrip is
                    uitgegaan van de omschrijving van het begrip kosten van bijstand als genoemd in
                    artikel 90 van de Abw zoals dat gold tot 1 januari 2004.</al><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt.Dit begrip
                    wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als ‘degene
                    wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. </al><tussenkop>Artikel 2. Het opleggen van een verlaging</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                            twee soorten verplichtingen: </al><lijst><li nr="a."><al>De plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="b."><al>De plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in
                                    specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en
                                    mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De
                                    re-integratieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt
                                    de juridische basis voor opleggen van deze specifieke
                                    verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot
                                    het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand. </al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals: het toestaan van huisbezoek; het meewerken aan een psychologisch
                            onderzoek. </al></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                    de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens het college zeer
                        ernstig misdragen’. </cursief></al><al> De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale
                    organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing
                    door het college (artikel 28, tweede lid en artikel 29 eerste lid Wet SUWI) en
                    de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
                    omstandigheden mee te delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan
                    hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het
                    recht op bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de
                    duur van de bijstand. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm. In het tweede lid is de
                    hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen verlaging af te
                    stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van
                    verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op
                    te leggen verlaging zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden
                    van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                    voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de
                    standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al><al>De beoordeling van de ernst van de gedraging is in deze verordening
                    geobjectiveerd door voor een groot aantal gedragingen een standaardverlaging
                    voor te schrijven. </al><al>Dit neemt uiteraard niet weg dat indien individuele omstandigheden daartoe
                    aanleiding geven, ten voor- of ten nadele van de klant, een andere dan de
                    standaardverlaging kan worden opgelegd. Voor de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de omstandigheden waaronder
                    de belanghebbende zijn verplichtingen niet is nagekomen of de mate waarin
                    belanghebbende bekend verondersteld kan worden met de hem opgelegde
                    verplichtingen. Toetsing van de mate van verwijtbaarheid kan in individuele
                    gevallen leiden tot een grotere of een mindere verlaging dan de
                    standaardverlaging. Indien de gedraging in het geheel niet verwijtbaar is, wordt
                    geen verlaging opgelegd. Zie hiervoor artikel 3, eerste lid, onder a, en de
                    toelichting hierop. </al><al>Bij de vaststelling van de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert kan
                    gedacht worden aan financiële en sociale aspecten. Hierbij kan onder meer
                    aandacht worden besteed aan eventuele bijzondere lasten, bijvoorbeeld hoge
                    woonlasten of aflossingsverplichtingen, de gezinssamenstelling of het effect van
                    een opeenstapeling van verlagingen.</al><al>Uitgangspunt is dat het college vaststelt of er sprake is van een gedraging
                    waarvoor verlaging van de uitkering gepast is en onderzoek doet naar de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende. Daarnaast kan het
                    college, indien het zich nog niet voldoende geïnformeerd acht, de belanghebbende
                    uitnodigen zijn visie te geven op het voornemen om de uitkering te
                    verlagen.</al><tussenkop>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                    noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in
                    de kosten van levensonderhoud. Indien de verlaging alleen op de lage
                    jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte
                    van de 21-jarigen. </al><al>Onderdeelb: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging
                    van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag.</al><tussenkop>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een verlaging </tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand vindt plaats door middel van een besluit. Wanneer
                    de verlaging bij een lopende uitkering wordt opgelegd, wordt een besluit tot
                    vaststelling van de algemene bijstand op grond van artikel 45 WWB genomen. </al><al>Wordt een verlaging met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot
                    herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid).</al><tussenkop>Artikel 5. Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12). </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht. </al><tussenkop>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een
                    verlaging</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b.
                    geregeld dat het college geen verlagingen opgelegd voor gedragingen die langer
                    dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                    bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in artikel 14e
                    van de Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een boete wegens
                    niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de
                    hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de
                    gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het
                    benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd. </al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive. </al><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van het
                    uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en). Bij toekenning van de bijstand
                    vindt de verlaging plaats ingaande ingangsdatum van de toe te kennen bijstand. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                    verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                    bijstand wel worden herzien en teruggevorderd. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Indien er een maatregel wordt opgelegd, maar deze kan niet meer worden verrekend
                    door beëindiging, dan dient de uitkering herzien te worden over de periode dat
                    de verwijtbare gedraging heeft plaatsgevonden.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Door een verlaging voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                    uitkeringsgerechtigde die met een verlaging wordt geconfronteerd waar hij aan
                    toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de verlaging is
                    getroffen opnieuw een verlaging opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart
                    besluit nodig. </al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld
                    in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat
                    maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n
                    herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle
                    relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een
                    marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is
                    dat de opgelegde verlaging wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar
                    de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de
                    betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al><tussenkop>Artikel 8. Samenloop van gedragingen </tussenkop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde. Bijvoorbeeld, niet ingeschreven CWI en
                    niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Het
                    gaat hier om gedragingen uit twee categorieën. De verlaging van de bijstandsnorm
                    wordt dan vastgesteld aan de hand van de percentages van de beide categorieën.
                    In dit geval 25% gedurende één maand. Verlaging kan niet hoger zijn dan de
                    geldende bijstandsnorm, is dat wel het geval dan wordt de verlaging gematigd tot
                    100%.</al><tussenkop>Artikel 9. Recidive</tussenkop><al>De algemene recidiveregel geldt waar in deze verordening geen nadere recidive
                    bepalingen zijn opgenomen. Bij een derde gedraging binnen 12 maanden is er geen
                    sprake meer van recidive en dient de bijstand individueel te worden
                    afgestemd.</al><tussenkop>Artikel 10. Indeling in categorieën</tussenkop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan
                    wel het niet of in onvoldoende mate nakomen van verplichtingen die strekken tot
                    arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een
                    bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging,
                    worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. </al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven
                    dan in het Verlagingenbesluit. De reden hiervoor is dat de WWB, in tegenstelling
                    tot de Abw, volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel
                    mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                    bijstandsgerechtigde. </al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in
                    te schrijven bij het CWI en uitzendbureaus. Daarnaast dient men ingeschreven te
                    blijven staan. </al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep. </al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het
                    gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij
                    sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgesteld trajectplan waaronder
                    ook sociale activering verplicht kan worden gesteld.</al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde of
                    een door het college aangeboden voorziening arbeid alsmede door eigen toedoen
                    voorafgaand aan de aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel
                    tijdens de bijstand deeltijdarbeid niet behouden of een door het college
                    aangeboden voorziening. </al><tussenkop>Artikel 11. De hoogte en duur van de
                    verlaging</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de vier categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Indien binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien de verlaging wegens
                    dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidiveverlaging slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de verlaging
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Middels het gestelde in lid 3 tot en met lid 6 wordt een richtlijn gegeven om de
                    rechtsgelijkheid te bevorderen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de
                    inlichtingenplicht</tussenkop><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de informatieplicht
                    onderscheiden:</al><al>Artikel 12: het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In
                    deze situatie is artikel 54 WWB van toepassing. Het college kan in dat geval het
                    recht op bijstand opschorten en belanghebbende in de gelegenheid stellen binnen
                    een door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen.</al><al>Artikel 13: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan de
                    gemeente, waardoor er ten onrechte een uitkering is verstrekt of een te hoog
                    bedrag aan bijstand is verstrekt. In deze situatie heeft de belanghebbende niet
                    voldaan aan de inlichtingenplicht van artikel 17 WWB. Het opzettelijk verzwijgen
                    van relevante informatie tegenover de gemeente, met het oogmerk een (hogere)
                    uitkering te krijgen (fraude) vormt een schending van de informatieplicht van
                    artikel 17. </al><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens <cursief>niet</cursief>
                    aan de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid
                    van de uitkering niet vaststellen. De bijstand moet dan worden geweigerd (in de
                    situatie dat een uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning van
                    de bijstand moet worden ingetrokken (bij een lopende uitkering). Het opleggen
                    van een verlaging is dus bij het niet-verstrekken van gegevens die noodzakelijk
                    zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de uitkering niet aan de
                    orde. </al><tussenkop>Artikel 12. Onjuist of onvolledig verstrekken van
                    inlichtingen met gevolgen voor de bijstand</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In artikel 17, eerste lid WWB, is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De ernst van de gedraging
                    komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de
                    gemeente te veel betaalde bedrag aan bijstand.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In dit lid wordt de hoogte van de verlaging geregeld. </al><tussenkop>Artikel 13. Te laat verstrekken van gegevens zonder dat
                    hierdoor teveel bijstand is verstrekt </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. </al><al>Met onverwijld wordt hiermee bedoeld binnen de termijn van het inleveren van de
                    inkomstenverklaring, of de redelijke termijn die middels een aanvul-, dan wel
                    hersteltermijn is gegeven. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde
                    bedrag aan bijstand.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de bevoegdheid tot
                    het geven van een waarschuwing bij het te laat verstrekken van informatie</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Een schriftelijke waarschuwing geldt als een besluit. Bij herhaling van het
                    gedrag binnen de daarvoor geldende termijn geldt dan de recidive bepaling.</al><tussenkop>Artikel 14. Onjuist of onvolledig verstrekken van
                    inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven
                    van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van
                    vrijwilligerswerk. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de bevoegdheid tot
                    het geven van een waarschuwing bij het te laat verstrekken van informatie</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Een schriftelijke waarschuwing geldt als een besluit. Bij herhaling van het
                    gedrag binnen de daarvoor geldende termijn geldt dan de recidive bepaling.</al><tussenkop>Artikel 15. Tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid</tussenkop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    het college bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door
                    het opleggen van een verlaging. </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals onder andere: </al><lijst><li nr="-"><al>Een onverantwoorde besteding van vermogen; </al></li><li nr="-"><al>Geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="-"><al>Het niet nakomen van de verplichting tot instellen van een
                            alimentatievordering;</al></li><li nr="-"><al>Langer dan de gebruikelijke vakantieduur verblijven in het
                            buitenland;</al></li><li nr="-"><al>Door eigen schuld niet adequaat verzekerd zijn tegen ziektekosten.</al></li></lijst><al>In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de verlaging en
                    het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval de omvang van het
                    vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene gedurende kortere of langere
                    tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven. </al><tussenkop>Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een verlaging opleggen indien er
                    een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen
                    voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat
                    in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                    plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                    uitvoering van WWB. </al><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het college
                    zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding kan zijn voor het
                    opleggen van een verlaging. Er kan dus geen verlaging worden opgelegd als een
                    belanghebbende zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een
                    andere organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf). </al><al>Het is dat geval wellicht wel mogelijk om een verlaging op te leggen wegens het
                    niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling (artikel 9, derde lid, van deze verordening). </al><al>Bij het vaststellen van de verlaging in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="-"><al>Verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="-"><al>Belediging;</al></li><li nr="-"><al>Discriminatie;</al></li><li nr="-"><al>Intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="-"><al>Zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="-"><al>Mensgericht fysiek geweld, dan wel bedreiging met geweld.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen <cursief>instrumenteel</cursief>
                    geweld en <cursief>frustratiegeweld</cursief>. Van instrumenteel geweld is
                    sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel
                    te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die
                    ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden
                    aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                    verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                    frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een verlaging op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><tussenkop>Artikel 17 Hoogte en duur van de verlaging</tussenkop><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de drie categorieën van zeer
                    ernstige misdragingen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>