<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR40449_1</dcterms:identifier><dcterms:title>nr 12.17 Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet investeren in jongeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post, 28-10-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet investeren in jongeren</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 12, eerste lid van de Wet investeren in jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09-62</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      nr 12.17 Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet investeren in jongeren
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>RAADSBESLUIT</vet>
          </al>
          <al>De raad van de gemeente Zevenaar;</al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Zevenaar:</al>
          <lijst>
            <li nr=""><table>
                <tgroup cols="2">
                  <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/>
                  <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/>
                  <tbody>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>
                          <vet>Onderwerp</vet>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>
                          <vet>Voorstelnummer</vet>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Wet investeren in jongeren (WIJ).</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al/>
                      </entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table></li>
          </lijst>
          <al>Gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 12, eerste
                        lid van de Wet investeren in jongeren</al>
          <al>
            <vet>b e s l u i t :</vet>
          </al>
          <al>Vast te stellen de volgende </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet investeren in jongeren</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsomschrijving</titel>
            </kop>
            <al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als beschreven in
                            hoofdstuk.1 van de Wet investeren in jongeren (WIJ) en in de Algemene
                            wet bestuursrecht (Awb). </al>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>
                  <cursief>de wet: </cursief>de Wet investeren in jongeren;</al></li>
              <li nr="b."><al>
                  <cursief>woonlasten</cursief>: </al></li>
              <li nr=""><lijst>
                  <li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de op de
                                            aanvangsdatum van het lopende huurtoeslagtijdvak per
                                            maand geldende huurprijs als bedoeld in de Wet op de
                                            huurtoeslag;</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=" 2."><al> ontbreken van woonlasten: van het ontbreken van woonlasten is
                                    sprake als men daadwerkelijk geen woonlasten is verschuldigd aan
                                    derden. Men woont dan b.v. in een kraakpand.</al></li>
              <li nr="3."><al>woonlasten voldaan door derden: hiervan is sprake als er
                                    woonlasten voldaan moeten worden maar men voldoet deze
                                    woonlasten niet zelf. Deze woonlasten worden voldaan door derden
                                    b.v. de onderhoudsplichtige of de ouders.</al></li>
              <li nr="4."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                    maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van
                                    de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het
                                    in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten per
                                    maand, waarbij onder zakelijke lasten worden verstaan: de kosten
                                    van opstalverzekering, de rioolrechten, het eigenaars aandeel
                                    van de waterschapslasten. Het belastingvoordeel in verband met
                                    de te betalen hypotheekrente wordt in mindering gebracht.</al><lijst>
                  <li nr="c."><al>
                      <cursief>alleenwonende alleenstaande:</cursief> de
                                            alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning
                                            geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li>
                  <li nr="d."><al>
                      <cursief>medebewoner</cursief>: de alleenstaande,
                                            alleenstaande ouder of gehuwden in wiens woning ook een </al><al> ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li>
                  <li nr="e."><al>
                      <cursief>thuisinwonend kind</cursief>: de medebewoner,
                                            die evenals de huurder of de eigenaar van een </al><al> woning in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en
                                            die het kind is van de huurder of de </al><al> eigenaar dan wel van diens echtgeno(o)t(e);</al></li>
                  <li nr="f."><al>
                      <cursief>schoolverlater</cursief>: zoals beschreven in
                                            artikel 33 van de wet.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Categorieën</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Categorieën</titel>
            </kop>
            <al>1. Voor jongeren aan wie het recht op een inkomensvoorziening op grond
                            van deze wet kan worden</al>
            <al> verleend, geldt een categorie-aanduiding.</al>
            <lijst>
              <li nr="2."><al>De categorieën worden aangeduid als:</al><lijst>
                  <li nr="o"><al>alleenstaande</al></li>
                  <li nr="o"><al>alleenstaande ouder</al></li>
                  <li nr="o"><al>medebewoner</al></li>
                  <li nr="o"><al>gehuwden</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al>De verordening heeft alleen betrekking op de in lid 2 genoemde jongeren,
                            voor zover zij 21 jaar of ouder zijn tot de leeftijd van 27 jaar.</al>
            <al>Een toeslag of verlaging volgens deze verordening kan alleen worden
                            gegeven als er recht bestaat op een inkomensvoorziening op grond van
                            deze wet.</al>
            <al>De bepalingen in hoofdstuk 3 en 4 van deze verordening laten de
                            toepassing van artikel 40, eerste lid van de wet onverlet.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Criteria voor het verhogen van de norm van de
                            inkomensvoorziening</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Alleenwonende alleenstaande</titel>
            </kop>
            <al>Voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder, in wiens woning geen
                            ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt de norm van de inkomensvoorziening
                            verhoogd met een toeslag, die is bepaald op het in </al>
            <al>artikel 30 tweede lid van de wet genoemde maximumbedrag, zijnde 20% van
                            het wettelijk minimumloon.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>De medebewoner</titel>
            </kop>
            <al>Voor de medebewoner wordt de norm van de inkomensvoorziening verhoogd
                            met een toeslag van 10% van het netto-minimumloon.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>De medebewoner met woonlasten van ten minste 18% van het
                                netto-minumloon per maand</titel>
            </kop>
            <al>Voor de medebewoner, die aantoonbare woonlasten heeft die ten minste 18%
                            van het netto minimumloon per maand bedragen, wordt in afwijking van
                            artikel 4 de norm van de inkomensvoorziening verhoogd met een toeslag
                            20% van het netto minimumloon.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Thuisinwonend kind</titel>
            </kop>
            <al>Voor het thuisinwonend kind wordt de norm van de inkomensvoorziening
                            overeenkomstig artikel 4 van deze verordening verhoogd met een toeslag
                            van 10% van het netto minimumloon.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Criteria voor het verlagen van de norm van de inkomensvoorziening of
                            de toeslag</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Schoolverlaters</titel>
            </kop>
            <al>Voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde die
                            aangemerkt wordt als een schoolverlater wordt de norm van de
                            inkomensvoorziening, verhoogd met de eventueel toe te kennen toeslag,
                            zoals vastgesteld in hoofdstuk 3 van deze verordening, verlaagd. De
                            verlaging bedraagt 15% van het netto minimumloon en vindt bij voorrang
                            plaats op de toegekende toeslag. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Woonsituatie</titel>
            </kop>
            <al>Voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde die een
                            woning bewoont/bewonen waarvoor zij geen woonlasten betaalt/betalen of
                            waarvoor de woonlasten worden voldaan door een derde, wordt de
                            bijstandsnorm, verhoogd met de eventueel toe te kennen toeslag,
                            verlaagd. De verlaging bedraagt 10% van het netto minimumloon.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Uitvoering</titel>
            </kop>
            <al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                            verordening.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Evaluatie gemeentelijke beleid en bijstelling verordening</titel>
            </kop>
            <al>Het door het college gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd. Indien
                            deze evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt de verordening
                            aangepast.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening kan worden aangehaald als: "Verordening Toeslagen en
                            Verlagingen Wet investeren in jongeren".</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2009.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Zevenaar,</al>
          <al>gehouden op 30 september</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Artikelsgewijze Toelichting</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Verordening toeslagen en verlagingen</tussenkop>
        <tussenkop>Wet investeren in jongeren</tussenkop>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 1 lid 1</vet>
        </al>
        <al>Er is voor gekozen om begrippen, die al omschreven zijn in hoofdstuk 1 van de
                    wet of in de Awb, niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                    voorkomt dat in het geval van wijziging van betreffende definities in de wet of
                    de Awb ook deze verordening moet worden gewijzigd.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 1 lid 2</vet>
        </al>
        <al>Definities die niet in hoofdstuk 1 van de wet worden genoemd zoals b.v. het
                    begrip woonlasten, alleenwonende alleenstaande, medebewoner, thuisinwonend kind,
                    schoolverlater zijn in lid 2 van de begripsomschrijving opgenomen. Hieronder
                    volgt nog een nadere toelichting over het begrip schoolverlater.</al>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Schoolverlater</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al>In artikel 1 lid 2 onder g. wordt verwezen naar artikel 33 van de wet. Het al
                    dan niet behoren tot deze categorie is bepalend voor de hoogte van de norm van
                    de inkomensvoorziening.</al>
        <al>In artikel 33 van de wet is bepaald dat de jongere die recent de deelname heeft
                    beëindigd aan onderwijs of beroepsonderwijs, de norm of de toeslag, gedurende
                    zes maanden na het tijdstip van die beëindiging lager vaststellen indien voor
                    het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op
                    grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de
                    onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Dit onderwijs kan zowel in
                    Nederland als in het buitenland zijn gevolgd.</al>
        <al>In de verordening Toeslagen en Verlagingen Wet Werk en Bijstand 2009 wordt als
                    de recente beëindiging van deelname aan het onderwijs aangemerkt als de
                    beëindiging van dit onderwijs of die beroepsopleiding nog geen half jaar geleden
                    heeft plaatsgevonden. De periode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend
                    op de beëindiging van het onderwijs. Voor degenen die het onderwijs met
                    studiefinanciering of tegemoetkoming studiekosten volgden, is dat de maand na
                    beëindiging van het recht op studiefinanciering of tegemoetkoming studiekosten.
                    Ook voor deze verordening wordt voorgesteld deze wijze, van het bepalen of
                    iemand als schoolverlater dient te worden aangemerkt, te volgen.</al>
        <al>Met de hierboven bedoelde groep worden degenen gelijkgesteld die onderwijs of
                    een beroepsopleiding hebben gevolgd waarvoor - anders dan bij de hoofdgroep het
                    geval is - geen recht bestond op Nederlandse studiefinanciering of Nederlandse
                    tegemoetkoming studiekosten, maar die overigens wel met zo'n studie of opleiding
                    vergelijkbaar is.</al>
        <al>Met de term "onderwijs of beroepsopleiding van overeenkomstige aard" is
                    aangegeven dat het in het buitenland gevolgde onderwijs qua karakter overeen
                    moet komen met het onderwijs waarbij aanspraak op studiefinanciering of
                    tegemoetkoming studiekosten kan bestaan. Dit houdt in dat het een in het
                    betreffende land erkende vorm van onderwijs betreft. Voorts dient het onderwijs
                    voor ten minste 19 lesuren per week te zijn gevolgd. </al>
        <al>Net zoals personen die tot de hoofdgroep behoren, dienen ook zij die onder deze
                    bepaling vallen aan te tonen of, en zo ja wanneer, recentelijk gevolgd onderwijs
                    is beëindigd. Indien de beëindiging van het onderwijs niet afdoende door de
                    betrokkene kan worden aangetoond, zal de gemeente uitgaan van de dag waarop dat
                    onderwijs aantoonbaar niet meer gevolgd kan zijn. Over het algemeen zal dat de
                    dag van vestiging of terugkeer in Nederland zijn.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 2 Categorieën</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 2 Categorieën</vet>
        </al>
        <al>Artikel 35, lid 1 van de wet schrijft voor dat in de verordening wordt
                    vastgesteld voor welke categorieën de norm van de inkomensvoorziening wordt
                    verlaagd of verhoogd. </al>
        <al>De verordening is alleen van toepassing op personen van 21 jaar tot 27 jaar
                    (artikel 24 van de wet). In de genoemde wet is geen bepaling opgenomen zoals in
                    de WWB dat er voor een eventuele aanvulling voor jongeren van 18 tot 21 jaar op
                    de norm van de inkomensvoorziening een beroep mogelijk is op de bijzondere
                    bijstand. Dit is wel opgenomen in artikel 12 van de Wet Werk en bijstand. Op
                    grond van de bijzondere bijstand kan natuurlijk altijd op individuele gronden
                    gekeken worden of voor een jongere in de leeftijdscategorie 18 tot 21 jaar, die
                    zelfstandig woont, een aanvulling op de inkomensnorm, verhoogd met de toeslag,
                    nodig is.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 3 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</vet>
        </al>
        <al>Artikel 3 Alleenwonende alleenstaande Artikel 30 lid 1 van de wet schrijft voor
                    dat de alleenwonende alleenstaande (ouder) recht heeft op een toeslag als gevolg
                    van het niet of niet geheel kunnen delen van de kosten met een ander. In lid 2
                    van genoemd artikel is de maximale toeslag bepaald, dit bedrag is gelijk aan 20%
                    van het minimumloon. In artikel 35, lid 2 van de wet staat vermeld dat je deze
                    verhoging mee moet nemen in de verordening. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 4 De medebewoner </vet>
        </al>
        <al>Op grond van artikel 32 van de wet kan het college de norm, bedoeld in de
                    artikelen 26, 27 en 28 van de wet, of de toeslag zoals bedoeld in artikel 30 van
                    de wet lager vaststellen voor zover de jongere lagere algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als
                    gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een
                    woning.</al>
        <al>In ons toeslagenbeleid is het uitgangspunt, dat de medebewoner hogere algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als
                    gevolg van het niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. De
                    medebewoner heeft hoe dan ook extra kosten ten opzichte van diegenen die een
                    gezamenlijke huishouding vormen maar anderszins niet dusdanige kosten heeft die
                    vergelijkbaar zijn met die van een alleenwonende alleenstaande. Op grond hiervan
                    wordt de toeslag voor een medebewoner gesteld op 10% van het
                    netto-minimumloon.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 5 De medebewoner met woonlasten van ten minste 18% van het netto
                        minimumloon per maand</vet>
        </al>
        <al>In afwijking van artikel 4 bedraagt voor de medebewoner die woonlasten heeft van
                    ten minste 18% van het netto-minimumloon per maand, de toeslag 20% in plaats van
                    10%. In deze situatie heeft de medebewoner dusdanig hogere algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan dan waarin de norm van de
                    uitkeringsvoorziening voorziet, dat de maximale toeslag van 20% van het
                    netto-minimumloon verstrekt wordt.</al>
        <al>Wat onder woonlasten moet worden verstaan is omschreven in artikel 1 lid 2 onder
                    d.</al>
        <al>Bij de bepaling van de woonlasten bij kamerhuur wordt volgens de geldende
                    richtlijnen 15% van de te betalen kamerhuur gezien als vaste lasten voor water,
                    elektriciteit en verwarming. Deze 15% wordt op de kamerhuur in mindering
                    gebracht en het resterende bedrag is voor woonlasten. </al>
        <al>Van het bedrag dat een kostganger per maand betaalt voor kost en inwoning wordt
                    50% gezien als woonlasten. </al>
        <al>Bij het bepalen van het recht op toeslag wordt in beginsel uitgegaan van de
                    feitelijke kosten. Klanten dienen deze kosten aan te tonen aan de hand van
                    betalingsbewijzen op naam.</al>
        <al>Indien de klant niet kan aantonen dat zijn woonlasten meer bedragen dan 18% van
                    het minimumloon per maand, dan is artikel 4 van toepassing.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 6 Thuisinwonend kind</vet>
        </al>
        <al>Het gaat hier om jongeren die inwonend zijn bij hun ouder(s), waarbij de
                    ouder(s) de huurder of de eigenaar van de woning is/zijn. Indien het kind de
                    huurder of eigenaar van de woning is, en de ouders zijn inwonend bij hun kind
                    dan kan het kind niet aangemerkt worden als een thuisinwonend kind.</al>
        <al>Op grond van artikel 6 wordt voor het thuisinwonend kind de norm van de
                    inkomensvoorziening overeenkomstig artikel 4 verhoogd met 10% van het netto
                    minimumloon.</al>
        <al>Voor het thuisinwonend kind is artikel 5 niet van toepassing.</al>
        <al>Kinderen die inwonen bij ouders worden geacht hierdoor dusdanige financiële
                    schaalvoordelen te genieten dat het gerechtvaardigd is om de toeslag hierop af
                    te stemmen. De schaalvoordelen hebben betrekking op het kunnen delen van de
                    woonlasten. Op grond hiervan wordt aan een thuisinwonend kind een toeslag
                    verstrekt van 10%. </al>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 4 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de
                        toeslag</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 7 Schoolverlaters</vet>
        </al>
        <al>Degene die recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding heeft beëindigd, op
                    grond waarvan er recht bestond op studiefinanciering in het kader van de Wet op
                    de Studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming in het kader van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, ontvangt een lagere uitkering.
                    De reden hiervoor is dat de omstandigheden en mogelijkheden van degenen die
                    recentelijk het onderwijs <cursief>of </cursief>de beroepsopleiding hebben
                    beëindigd gedurende een zekere periode zodanig vergelijkbaar zijn met die van
                    studerenden, dat voor hen de noodzakelijke bestaanskosten in beginsel op
                    hetzelfde niveau worden gesteld als dat voor hen tijdens de studieperiode was
                    gegarandeerd. Bij de vaststelling van de verlaging wordt echter wel rekening
                    gehouden met het feit dat de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                    stijgen op grond van een wijziging van het uitgavenpatroon, in verband met
                    activiteiten in het kader van arbeidsmarktinschakeling (aanschaf extra kleding
                    en dergelijke).</al>
        <al>Uitgangspunt van de verlaging is de relatie met het bedrag dat in de
                    studiefinanciering zit voor de kosten van levensonderhoud. Omgerekend naar een
                    percentage van de uitkering bedraagt deze</al>
        <al>verlaging, afgerond, 25% van het netto minimumloon. Daar de kosten van het
                    bestaan stijgen, onder meer als gevolg van de activiteiten die betrokkene dient
                    te verrichten in het kader van arbeidsinschakeling (sollicitaties, aanschaf
                    kleding en dergelijke), wordt de verlaging vastgesteld op 15% van het netto
                    minimumloon.</al>
        <al>In artikel 33 van de wet is de tijdsduur van de verlaging bepaald op zes maanden
                    na het tijdstip van de beëindiging van het onderwijs of beroepsopleiding. Indien
                    tussentijds de bijstandsverlening wordt beëindigd als gevolg van
                    werkaanvaarding, heeft dit geen invloed op de termijn van zes maanden.</al>
        <al>Voor de schoolverlater die in het buitenland een opleiding gaat volgen, geldt in
                    beginsel hetzelfde. </al>
        <al>De verlaging wordt bij voorrang in mindering gebracht op de toe te kennen
                    toeslag. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 8 Woonsituatie</vet>
        </al>
        <al>Het begrip woonsituatie wordt in de wet niet verder uitgewerkt dan dat het moet
                    gaan om het hebben van lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als
                    gevolg van de woonsituatie. In de toelichting op de wet wordt gesteld dat
                    verlaging mogelijk is als de woonsituatie leidt tot lagere bestaanskosten. Dit
                    kan het geval zijn als de huur b.v. betaald wordt door de onderhoudsplichtigen
                    b.v. de ouders. Er is dan sprake van een financieel voordeel. In dit geval zal
                    de vastgestelde inkomensvoorziening (norm verhoogd met de toeslag) verlaagd
                    worden met 10% van het netto-minimumloon. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 9 Uitvoering</vet>
        </al>
        <al>Artikel 7 van de wet schrijft voor dat de uitvoering van de wet berust bij het
                    college van burgemeester en</al>
        <al>wethouders.. .</al>
        <al>
          <vet>Artikel 10 Afwijken van bepalingen hardheidsclausule</vet>
        </al>
        <al>Artikel 10 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    belanghebbende kunnen afwijken van de bepalingen van deze verordening. Het
                    gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een
                    uitzondering en niet als regel. In verband met precedentwerking moet in een
                    bepaalde situatie duidelijk worden aangegeven waarom van de verordening wordt
                    afgeweken. .</al>
        <al>
          <vet>Artikel 11 Evaluatie gemeentelijke beleid en bijstelling verordening</vet>
        </al>
        <al>Gezien het beslag dat de toeslagen leggen op het gemeentelijk budget zal er
                    regelmatig geëvalueerd worden. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding
                    geven, wordt de verordening aangepast. <vet>Artikel 12 </vet><vet>
                        Citeertitel</vet></al>
        <al>In dit artikel is de citeertitel van de verordening opgenomen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 13 Inwerkingtreding</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel is de inwerkingtreding van deze verordening opgenomen.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>