<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR40437_1</dcterms:identifier><dcterms:title>nr 12.16 Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post, 28-10-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 12, eerste lid van de Wet investeren in jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>RAADSBESLUIT</vet>
          </al>
          <al>De raad van de gemeente Zevenaar;</al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Zevenaar:</al>
          <lijst>
            <li nr=""><table>
                <tgroup cols="2">
                  <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="81*"/>
                  <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/>
                  <tbody>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>
                          <vet>Onderwerp</vet>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al>
                          <vet>Voorstelnummer</vet>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row>
                      <entry colname="col1">
                        <al>Wet investeren in jongeren (WIJ).</al>
                      </entry>
                      <entry colname="col2">
                        <al/>
                      </entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table></li>
          </lijst>
          <al>Gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 12, eerste
                        lid van de Wet investeren in jongeren</al>
          <al>
            <vet>b e s l u i t :</vet>
          </al>
          <al>Vast te stellen de volgende </al>
          <al>
            <vet>Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren</vet>.</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsomschrijving</titel>
            </kop>
            <al>1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                            investeren in jongeren en de Algemene Wet Bestuursrecht.</al>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ);</al></li>
              <li nr="b."><al>verlaging: verlaging van de inkomensvoorziening op grond van
                                    artikel 41, eerste lid van de wet; </al></li>
            </lijst>
            <al>c.de WIJ-norm: de op grond van hoofddstuk 4 van de wet op de jongere van
                            toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van
                            dat hoofdstuk door het college vastgestelde verhoging of verlaging; </al>
            <al>d.benadelingsbedrag: het netto-bedrag dat als gevolg van het niet of
                            niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is
                            verleend als inkomensvoorziening of werkleeraanbod op grond van de wet; </al>
            <al>2.In deze verordening wordt mede verstaan onder benadelingsbedrag de
                            kosten van het werkleeraanbod.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Het toepassen van een verlaging</titel>
            </kop>
            <al>1.Wanneer de jongere naar het oordeel van het college de verplichtingen
                            die de WIJ en de Wet SUWI aan de inkomensvoorziening verbinden niet of
                            niet voldoende nakomt, waaronder begrepen het zeer ernstig misdragen,
                            wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging opgelegd.</al>
            <al>2.Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin de jongere de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden
                            waarin hij verkeert.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Berekeningsgrondslag</titel>
            </kop>
            <al>1.De hoogte van de verlaging wordt toegepast op de voor de jongere van
                            toepassing zijnde WIJ-norm.</al>
            <al>2.In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast
                            op de bijzondere bijstand indien: </al>
            <al>a.aan de jongere bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van
                            artikel 12 van de wet Werk en bijstand; en </al>
            <al>b.de verwijtbare gedraging van de jongere, in relatie met zijn recht op
                            bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft. </al>
            <al>3.De verlaging kan niet meer bedragen dan de WIJ-norm waarop de jongere
                            recht zou hebben gehad gedurende de periode waarop de verlaging
                            betrekking heeft, indien er geen grond voor verlaging zou zijn
                            geweest.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het besluit tot toepassen van een verlaging</titel>
            </kop>
            <al>In het besluit tot toepassen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li>
              <li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li>
              <li nr="c."><al>het percentage waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd dan
                                    wel het bedrag waarmee de inkomensvoorziening wordt
                                    verlaagd;</al></li>
              <li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardverlaging en</al></li>
              <li nr="e."><al>dat de opgelegde maatregel is afgestemd op de ernst van de
                                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                    waarin de jongere verkeert.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Schriftelijke waarschuwing</titel>
            </kop>
            <al>Bij elke verwijtbare gedraging genoemd in deze verordening kan worden
                            afgezien van het toepassen van de verlaging. Er kan worden volstaan met
                            het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet
                            behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode
                            van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een
                            schriftelijke waarschuwing bekend is gemaakt. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Recidive</titel>
            </kop>
            <al>De duur van de verlaging, zoals omschreven in deze verordening, wordt
                            verdubbeld indien de jongere binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                            een besluit waarbij een verlaging is opgelegd, zich opnieuw schuldig
                            maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een
                            verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te
                            zien op grond van dringende redenen, zoals bedoeld in artikel 8 lid 3
                            van deze verordening.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Horen van belanghebbende</titel>
            </kop>
            <al>1.Voordat een verlaging wordt toegepast, wordt de jongere eerst in de
                            gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al>
            <al>2.Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien: </al>
            <al>a.de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al>
            <al>b.de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze
                            naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
                            omstandigheden hebben voorgedaan; </al>
            <al>c.de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van
                            een derde aan wie het college met toepassing van artikel 11, vierde lid,
                            van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om
                            binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
                            artikel 44 van de wet; of </al>
            <al>d.het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
                            ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Afzien van het toepassen van een verlaging</titel>
            </kop>
            <al/>
            <al>1.Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien: </al>
            <al>a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of </al>
            <al>b.de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging
                            door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending
                            van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten
                            onrechte inkomensvoorziening is verleend.</al>
            <al>2.Een verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                            toegepast na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                            plaatsgevonden. </al>
            <al>3.Het college kan afzien van het toepassen van een verlaging indien het
                            daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al>
            <al>4.Indien het college afziet van het toepassen van een verlaging op grond
                            van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk mededeling
                            gedaan.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel>
            </kop>
            <al>1.De verlaging wordt bij continuering van de bijstandsverlening
                            toegepast met ingang de eerste van de maand volgend op de datum waarop
                            aan de jongere bekend is gemaakt dat een verlaging wordt toegepast. </al>
            <al>2.De verlaging wordt, bij niet continueren van de bijstandsverlening,
                            toegepast met ingang van de eerste van de maand waarin de gedraging
                            heeft plaatsgevonden. </al>
            <al>Het recht op inkomensvoorziening wordt over deze kalendermaand herzien
                            en de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                            verstrekte inkomensvoorziening wordt teruggevorderd. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Samenloop van gedragingen</titel>
            </kop>
            <al>Indien de jongere zich in één kalendermaand schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van
                            de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarop de
                            zwaarste verlaging is gesteld. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de
                            wet</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Indeling in categorieën en verlagingspercentages</titel>
            </kop>
            <al>Gedragingen van de jongere waardoor de verplichting op grond van artikel
                            45 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in
                            de volgende categorieën:</al>
            <al>1.Eerste categorie:</al>
            <al>Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand, met
                            30% van de WIJ-norm verlaagd:</al>
            <al>a.het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met
                            betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het
                            onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling. </al>
            <al>b.Het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van
                            medische aard.</al>
            <al>2.Tweede categorie </al>
            <al>Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering, gedurende één maand, met
                            50% van de WIJ-norm verlaagd :</al>
            <al>a.het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere te
                            verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of
                            verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;</al>
            <al>b.het niet of in onvoldoende medewerken aan het behoud of bevorderen van
                            de arbeidsbekwaamheid; </al>
            <al>c.het niet of onvoldoendemeewerken aan activiteiten of werkzaamheden,
                            gericht op de arbeidsinschakeling;</al>
            <lijst>
              <li nr="d."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar
                                    beste vermogen te verrichten.</al><lijst>
                  <li nr="3."><al>Met een besluit waarmee een verlaging is toegepast wordt
                                            gelijkgesteld het besluit</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al> om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in
                            artikel 8, derde lid.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Het afgeven van een "termijn van orde"</titel>
            </kop>
            <al>Indien de jongere niet op een gesprek waarvoor hij is uitgenodigd is
                            verschenen, of niet tijdig de van belang zijnde gegevens, die
                            noodzakelijk zijn voor de verlening van de inkomensvoorziening of de
                            voortzetting daarvan heeft verstrekt, wordt er een "termijn van orde"
                            afgegeven. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Te laat verstrekken van gegevens (hersteltermijn)</titel>
            </kop>
            <al>1.Indien de jongere de verplichting op grond van artikel 44 van de wet
                            niet of niet behoorlijk is nagekomen door informatie die van belang is
                            voor de vaststelling van het recht op de inkomensvoorziening niet, niet
                            tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende
                            medewerking verleent aan het onderzoek van het college met betrekking
                            tot het recht op een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening wordt het
                            recht op een inkomensvoorziening opgeschort (artikel 40, eerste lid van
                            de wet). </al>
            <al>Op grond van artikel 40, tweede lid van de wet wordt aan de jongere
                            mededeling van de opschorting gedaan en wordt aangegeven binnen welke
                            termijn het verzuim hersteld dient te worden.</al>
            <al>2.Bij het herstellen van het verzuim binnen de gestelde hersteltermijn
                            wordt een verlaging toegepast van 10% van de WIJ-norm gedurende één
                            maand.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de</titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>inkomensvoorziening of kosten van het werkleeraanbod</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 44, eerste lid van de wet
                                    heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het
                                    werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                    verlenen van de inkomensvoorziening wordt de verlaging afgestemd
                                    op de hoogte van het benadelingsbedrag. </al></li>
              <li nr="2."><al>Bij een benadelingsbedrag tot € 100,00 wordt er geen verlaging
                                    opgelegd, maar wordt er volstaan met een waarschuwing. Wanneer
                                    er echter sprake is van recidive binnen een periode van 12
                                    maanden na bekendmaking van de waarschuwing, wordt er een
                                    verlaging opgelegd van 5% van de WIJ-norm gedurende één
                                    maand.</al></li>
              <li nr="3."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, en artikel 3, derde lid,
                                    wordt de verlaging op de volgende wijze vastgesteld: </al></li>
            </lijst>
            <al>a.bij een benadelingsbedrag van € 100,00 tot € 500,00: 5% gedurende één
                            maand;</al>
            <al>b.bij een benadelingsbedrag van € 500,00 tot € 1.000,00: 10% gedurende
                            één maand: </al>
            <al>c.bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 2.000,00: 30% gedurende
                            één maand; </al>
            <al>d.bij een benadelingsbedrag van € 2.000,00 tot € 4.000,00: 50% gedurende
                            één maand; </al>
            <al>e.bij een benadelingsbedrag van € 4.000,00 of meer : 100% gedurende één
                            maand.</al>
            <al>4.Met een besluit waarmee een verlaging is toegepast wordt gelijkgesteld
                            het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                            bedoeld in artikel 8, derde lid. </al>
            <al>5.Indien er aangifte wordt gedaan bij het Openbaar Ministerie wegens
                            valsheid in geschrifte, wordt er geen verlaging toegepast, tenzij het
                            Openbaar Ministerie tot seponeren overgaat.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de inkomensvoorziening of de kosten van het
                                werkleeraanbod</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de
                                    wet, niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of
                                    uitvoeren van het werkleeraanbod of tot hen ten onrechte of tot
                                    een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening wordt er
                                    volstaan met een waarschuwing. </al></li>
              <li nr="2."><al>Wanneer er echter sprake is van recidive binnen een periode van
                                    12 maanden na bekendmaking van de waarschuwing, wordt er een
                                    verlaging opgelegd van 5% van de WIJ-norm gedurende één
                                    maand.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
            </kop>
            <al>1.Indien de jongere zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of
                            zijn ambtenaren, onder</al>
            <al> omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                            wet, als bedoeld in artikel 41,eerste lid van de wet, wordt,
                            onverminderd artikel 2, tweede lid, en artikel 3, derde lid, een
                            verlaging</al>
            <al> toegepast van 40% procent van de WIJ-norm gedurende één maand.</al>
            <al>2.Indien sprake is van het zich herhaaldelijk zeer ernstig misdragen van
                            de jongere wordt in afwijking van het eerste lid de duur van de
                            verlaging vastgesteld op de periode dat de jongere van het recht op van
                            een werkleeraanbod is uitgesloten als bedoeld in artikel 22, eerste lid
                            van de wet.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel>Hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van
                            de jongere afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien
                            toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel>Uitvoering</titel>
            </kop>
            <al>De uitvoering van de Afstemmingsverordening ligt bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als de: “Afstemmingsverordening Wet
                            investeren in jongeren”.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2009. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Zevenaar,</al>
          <al>gehouden op 30 september</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label/>
          <nr/>
          <titel>Artikelsgewijze toelichting van de Afstemmingsverordening Wet investeren
                        in jongeren (WIJ).</titel>
        </kop>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsomschrijving</titel>
          </kop>
          <al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                        betekenis als de omschrijving in de wet en Awb. Volstaan wordt met een
                        verwijzing naar die wetten, zodat bij een eventuele definitiewijziging in
                        die wetten de verordening niet hoeft te worden aangepast. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Het toepassen van een verlaging</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Eerste lid </cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>In het eerste lid is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een
                        verlaging vastgelegd. Verwezen kan worden naar artikel 42 van de wet om aan
                        te geven dat de verplicht voorgeschreven verlaging niets afdoet aan de
                        intrekking van de inkomensvoorziening vanwege intrekking van het
                        werkleeraanbod. Als tot dit laatste wordt besloten komt verlaging veelal
                        niet meer aan de orde. </al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Tweede lid </cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                        leggen verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                        jongere en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                        dat het college bij elke op te leggen verlaging zal moeten nagaan of gelet
                        op de individuele omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de
                        hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is.
                        Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een
                        matiging betekenen en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging
                        als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere
                        afzonderlijk.</al>
          <al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden
                        toegepast, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                        doorlopen:</al>
          <al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al>
          <al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al>
          <al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere.</al>
          <al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de inkomensvoorzierning wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling
                        van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij
                        artikel 8.</al>
          <al>Matiging van de toegepaste verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al>
          <lijst>
            <li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals
                                bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                                bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;
                            </al></li>
            <li nr="·"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld; </al></li>
          </lijst>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>De berekeningsgrondslag</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Eerste lid </cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt toegepast
                        over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor de
                        begripsomschrijving.</al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Tweede lid </cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage WIJ-norm die, indien noodzakelijk,
                        kan worden aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de
                        kosten van levensonderhoud. Indien de verlaging alleen op de lage WIJ-norm
                        wordt toegepast, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de
                        21-jarigen. </al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Derde lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Omdat de verlaging het gevolg is van het schenden van een verwijtbare
                        gedraging genoemd in deze verordening en gezien moet worden als de
                        'keerzijde van de medaille' en niet als een boete, kan de verlaging ten
                        hoogste het bedrag aan WIJ-norm bedragen waarop belanghebbende recht op zou
                        hebben gehad. Is door het verrekenen van inkomsten of herziening het recht
                        minder dan de verlaging die overeenkomstig deze verordening zou moeten
                        worden toegepast, dient het college een geringere verlaging toe te passen
                        van ten hoogste het resterend recht op de WIJ-norm.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Het besluit tot toepassen van een verlaging</titel>
          </kop>
          <al>Het verlagen van de inkomensvoorziening vindt plaats door middel van een
                        besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                        moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene
                        wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het
                        motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een besluit aan betrokkene
                        kenbaar is gemaakt en deugdelijke is gemotiveerd. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Schriftelijke waarschuwing</titel>
          </kop>
          <al>De verlaging wordt afgestemd op de omstandigheden van de jongere. Indien
                        daartoe een dringende reden aanwezig is, kan het college afzien van de
                        verlaging. </al>
          <al>Daarnaast houdt het college rekening met de ernst van de gedraging in
                        relatie tot de verlaging. Het college kan, indien het van mening is dat dit
                        meer in verhouding staat met de ernst van de gedraging, besluiten geen
                        verlaging toe te passen, maar te volstaan met een waarschuwing. </al>
          <al>Een schriftelijke waarschuwing is geen verlaging. Dit wil zeggen dat bij
                        herhaling van de gedraging in principe een verlaging dient te worden
                        toegepast. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Recidive</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel wordt aangegeven wat er gaat gebeuren als een jongere
                        herhaald dezelfde verwijtbare gedraging doet zoals genoemd in deze
                        verordening. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Horen van belanghebbende</titel>
          </kop>
          <al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb) behalve bij
                        subsidies. In dit artikel wordt het horen van de jongere, voordat een
                        verlaging wordt toegepast, in beginsel voorgeschreven. Het horen kan zowel
                        mondeling als schriftelijk gebeuren.</al>
          <al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b staan ook genoemd in artikel 4:11 Awb. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Afzien van het toepassen van een verlaging</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Eerste lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Het afzien van het toepassen van een verlaging indien ’elke vorm van
                        verwijtbaarheid ontbreekt’, is geregeld in artikel 41, tweede lid van de
                        wet. </al>
          <al>Een andere reden om af te zien van het toepassen van een verlaging is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit (<cursief>lik-op-stuk</cursief>) is het nodig dat een
                        verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om
                        deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen verlagingen toepast
                        voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Tweede lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                        gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een te hoog
                        bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in deze verordening een
                        verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de
                        termijn die gelet op artikel 14<sup>e</sup> van de Algemene bijstandswet
                        gold in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de
                        inlichtingenplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de
                        ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak
                        tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag)
                        vast te stellen. </al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Derde lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het toepassen van een
                        verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                        redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                        voorhand worden vastgelegd. Dit vergt een beoordeling van de situatie van de
                        jongere. Van een dringende reden is ondermeer sprake als de gevolgen van het
                        opleggen van een verlaging onaanvaardbaar zijn. </al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Vierde lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        toepassen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in
                        verband met eventuele recidive en in het kader van het motiveringsbeginsel
                        (artikel 3:46 Awb). </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Eerste lid </cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Het toepassen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de
                        WIJ-norm. Verlaging van de WIJ-norm kan in beginsel op twee manieren: </al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>door middel van verlaging van de WIJ-norm in de eerstvolgende
                                maand(en); of</al></li>
            <li nr="2."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                inkomensvoorziening.</al></li>
          </lijst>
          <al>Om te voorkomen dat er steeds tot een herziening van de inkomensvoorziening
                        moet worden overgegaan en het te veel betaalde bedrag aan
                        inkomensvoorziening moet worden teruggevorderd dient de verlaging bij
                        voorkeur in de toekomst worden gelegd. Dit kan alleen als de
                        inkomensvoorziening na de geconstateerde gedraging wordt gecontinueerd. Om
                        die reden is in dit lid vastgelegd dat een verlaging wordt opgelegd met
                        ingang van de eerstvolgende maand. Hierbij wordt uitgegaan van de voor die
                        maand geldende WIJ-norm.</al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Tweede lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Indien de inkomensvoorziening niet wordt gecontinueerd of reeds beëindigd
                        is, dan biedt het 2<sup>e</sup> lid de mogelijkheid dat met terugwerkende
                        kracht een verlaging wordt toegepast. Wanneer de inkomensvoorziening nog
                        niet (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is het praktisch om de
                        verlaging van de inkomensvoorziening te verrekenen met het bedrag dat nog
                        moet worden uitbetaald. In dat geval moet de inkomensvoorziening wel worden
                        herzien en teruggevorderd. Dat is ook nog mogelijk indien de
                        inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Wordt een dergelijke verlaging
                        toegepast, dan moet tevens een besluit tot herziening van de
                        inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde lid WIJ worden genomen.
                        De verlaging dient te worden toegepast met ingang van de eerste van de maand
                        waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. De verlaging is gelijk aan het
                        percentage van een gehele maand-WIJ-norm ongeacht of al dan niet gedurende
                        de gehele maand recht bestaat op de inkomensvoorziening. Uiteraard kan de
                        verlaging nooit meer bedragen dan het bedrag waar men recht op heeft.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Samenloop van gedragingen</titel>
          </kop>
          <al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op de
                        schending van de verplichtingen genoemd in artikel 2, eerste lid van deze
                        verordening door de jongere die in een kalendermaand plaatsvinden. Indien
                        hiervan sprake is, dan dient voor het toepassen van de verlaging te worden
                        uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste verlaging van toepassing is.
                    </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de
                            wet</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Indeling in categorieën met verlagingspercentages</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Algemeen</cursief>
          </al>
          <al>De gedragingen die een schending van artikel 45 van de wet inhouden
                        betreffen de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging
                        van het werkleeraanbod. In de verordening is gekozen voor wee categorieën
                        met twee verschillende verlagingspercentages. Hierbij is de ernst van de
                        gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                        naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor de arbeidsinschakeling
                        van de jongere en de uitvoering van het werkleeraanbod. </al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>lid 1: Eerste categorie</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft het onvoldoende meewerken aan het
                        opstellen van een plan m.b.t. de arbeidsinschakeling waaronder het onderzoek
                        naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Ook is in deze categorie
                        opgenomen het op advies van een arts zich te onderwerpen aan een
                        noodzakelijke behandeling van medische aard. Dit laatste staat vermeld in
                        artikel 45 sub f van de wet. Er is aansluiting gezocht bij de nieuwe
                        afstemmingsverordening WWB en de hier genoemde gedragingen zijn
                        vergelijkbaar met de in die verordening genoemde gedragingen in de tweede
                        categorie. Er is gekozen voor een verlaging van 30% gedurende één maand
                        omdat het hier gaat om de minder positieve houding met betrekking tot de
                        medewerkings-verplichting.</al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>lid 2: Tweede categorie</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>In de tweede categorie gaat het om gedragingen welke belemmerd werken voor
                        het aanvaarden van algemeen geaccepteerd werk, het niet of onvoldoende
                        meewerken aan het behoud van werk. Er is gekozen voor een verlaging van 50%
                        gedurende één maand omdat het hier gaat om een negatieve houding van de
                        jongere. Ook hier is aansluiting gezocht bij de Afstemmingsverordening WWB
                        en deze gedragingen komen overeen met de in die verordening genoemde
                        gedragingen in de derde catagorie. </al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>lid 3 </cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Met een verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                        aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien de verlaging wegens
                        dringende redenen niet is geëffectueerd. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Het afgeven van een termijn van orde</titel>
          </kop>
          <al>Om te voorkomen dat bij het niet behoorlijk nakomen van de
                        inlichtingenplicht direct een verlaging van de inkomensvoorziening volgt, is
                        er voor gekozen om een termijn van orde af te geven. Hiermee wordt de
                        jongere in de gelegenheid gesteld om zonder financiële gevolgen de
                        tekortkoming binnen een door het college van B&amp;W te stellen termijn
                        ongedaan te maken. Hierbij kan gedacht worden aan het niet tijdig inleveren
                        van het mutatieformulier of het niet verschijnen op een uitnodiging. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13</nr>
            <titel>Te laat verstrekken van gegevens (hersteltermijn)</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Eerste lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Indien de jongere de voor de verstrekking van de inkomensvoorziening van
                        belang zijnde gegevens of bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het
                        college het recht op de inkomensvoorziening opschorten (artikel 40, eerste
                        lid, van de wet). </al>
          <al>Het college geeft de jongere vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn
                        verzuim kan herstellen (de hersteltermijn).</al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Tweede lid </cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Wordt de gevraagde informatie binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                        verstrekt, dan wordt het recht op inkomensvoorziening voortgezet en wordt
                        een verlaging toegepast van 10%. </al>
          <al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een aanvraag niet
                        aan de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de
                        rechtmatigheid van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet
                        vaststellen. De aanvraag moet dan worden afgewezen en het opleggen van een
                        verlaging is in dergelijke gevallen niet aan de orde.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14</nr>
            <titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                            voor</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>de inkomensvoorziening en de kosten van het werkleeraanbod</vet>
          </al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Eerste lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>In artikel 44, eerste lid van de wet is bepaald dat de jongere op verzoek of
                        onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                        omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                        invloed kunnen zijn op zijn werkleeraanbod of op het recht op
                        inkomensvoorziening. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                        hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel
                        betaalde bedrag aan inkomensvoorziening alsmede de kosten van het
                        werkleeraanbod. </al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Tweede lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>In dit lid is bepaald dat als het benadelingsbedrag minder bedraagt dan €
                        100,00 er geen verlaging opgelegd, maar wordt er volstaan met het geven van
                        een waarschuwing. Wanneer er echter sprake is van recidive binnen een
                        termijn van 12 maanden gerekend vanaf de datum van bekendmaking van de
                        waarschuwing, wordt er een verlaging opgelegd van 5% gedurende de periode
                        van één maand. </al>
          <al>Dit om te voorkomen dat regelmatig terugkomende minimale fraudes niet
                        bestraft worden. </al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Derde lid </cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>In dit lid worden de benadelingsbedragen vermeld met daaraan gekoppeld de
                        verlagingspercentages. Uiteraard dient tevens de ten onrechte verstrekte
                        inkomensvoorziening te worden terugbetaald.</al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Vijfde lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>
            <cursief>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</cursief>
          </al>
          <al>Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om
                        proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie
                        (OM) indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan €
                        10.000,- (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Is er echter sprake van
                        “witte” fraude (door koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht)
                        dan is de gemeente primair verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van €
                        35.000,00. Is het benadelingsbedrag hoger dan is altijd het OM aan zet. Dit
                        geldt ook voor gevallen waarin er met de jongere geen uitkeringsrelatie meer
                        bestaat en dus geen verlaging meer kan worden toegepast. In het vijfde lid
                        is vastgelegd dat van een verlaging wordt afgezien als inmiddels vervolging
                        is ingesteld door het OM of als er een schikking is getroffen. In dergelijke
                        situaties is een verlaging niet meer opportuun.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15</nr>
            <titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                            gevolgen</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>voor de inkomensvoorziening of kosten van het werkleeraanbod</vet>
          </al>
          <al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                        onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen
                        heeft voor de hoogte van de bijstand of de inzet van re-integratiemiddelen.
                        Een voorbeeld van nulfraude is het niet melden van een niet-rechthebbende
                        partner of het opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. </al>
          <al>Ook hier wordt in eerste instantie volstaan met het geven van een
                        waarschuwing. Bij recidive volgt een verlaging van de
                        inkomensvoorziening.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>16</nr>
            <titel>Zeer ernstige misdragingen</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Eerste lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>Onder de term “zeer ernstige misdragingen” kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel wordt beschouwd.</al>
          <al>Gemeenten kunnen alleen een verlaging opleggen indien er een verband bestaat
                        tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente
                        bij het vaststellen van een recht op een werkleeraanbod en/of
                        inkomensvoorziening. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer
                        enstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die
                        rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet. In artikel 41,
                        eerste lid van de wet wordt gesproken over “het zich jegens het college zeer
                        ernstig misdragen”. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                        tegenover leden van het college an hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                        opleggen van een maatregel. Of dit ook “a contrario” betekent dat geen
                        maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer ernstige
                        misdragingen jegens externe uitvoerders van de WIJ, zoals het UWV
                        WERKbedrijf, re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet
                        duidelijk. De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar, in het kader van de
                        WWB, tot dusver niet over uitgelaten.</al>
          <al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                        volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                        ernstiger) worden onderscheiden: </al>
          <lijst>
            <li nr="·"><al>verbaal geweld (schelden); </al></li>
            <li nr="·"><al>discriminatie; </al></li>
            <li nr="·"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk); </al></li>
            <li nr="·"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); </al></li>
            <li nr="·"><al>mensgericht fysiek geweld; </al></li>
            <li nr="·"><al>combinatie van agressievormen. </al></li>
          </lijst>
          <al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgevonden. </al>
          <al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                        geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand
                        het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                        (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). </al>
          <al>Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en
                        dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk
                        zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel
                        groter is dan bij frustratiegeweld. </al>
          <al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte
                        bij de politie. Het college legt een verlaging op, terwijl de functionaris
                        tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al>
          <al>
            <vet>
              <cursief>Tweede lid</cursief>
            </vet>
          </al>
          <al>In dit lid wordt de mogelijkheid geboden om bij herhaald zeer enstige
                        misdragen de jongere uit te sluiten van een inkomensvoorziening. In de
                        Algemene toelichting op de wet is de mogelijkheid gesteld om bij herhaald
                        wangedrag de jongere wel tijdelijk uit te sluiten van het recht op een
                        werkleeraanbod maar niet van de inkomensvoorziening. </al>
          <al>Gelet op de wens van de wetgever om bij herhaald zeer ernstige misdragingen
                        de jongere (tijdelijk) uit te sluiten van een inkomensvoorziening, is bij
                        recidive in beginsel een percentage van 100% van toepassing gedurende de
                        periode van uitsluiting van het werkleeraanbod. Dit kan dus voor meerdere
                        maanden maar hierbij geldt wel de bepaling in artikel 22 sub b van de wet
                        dat binnen een maand de uitsluiting van het werkleeraanbod heroverwogen moet
                        worden, vanwege de grote consequenties en gelet op het belang van duurzame
                        arbeidsparticipatie.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>17</nr>
            <titel>Hardheidsclausule</titel>
          </kop>
          <al>Om de mogelijkheid te hebben om in uitzonderlijke gevallen in het voordeel
                        van de jongere af te wijken van de bepalingen van deze verordening is er een
                        hardheidsclausule opgenomen. Indien hiervan gebruik wordt gemaakt, dan moet
                        dit gemotiveerd worden toegelicht.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>18</nr>
            <titel>Uitvoering</titel>
          </kop>
          <al>De uitvoering van de Afstemmingsverordening bij het college van burgemeester
                        en wethouders.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>19</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt genoemd Afstemmingsverordening Wet investeren in
                        jongeren.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>20</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>De Afstemmingsverordening treedt in werking met ingang van 1 oktober
                        2009.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>