<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR404193_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-04-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.officielebekendmakingen.nl">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">de Participatiewet en de Verordening Participatiewet 2015;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-10-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016000973</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Beleidsregels Participatiewet</al><al>Op 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking. De raad heeft
                        ingestemd met de kadernotitie Participatiewet en de verordening
                        Participatiewet. Voor een goede uitvoering is het noodzakelijk dat een
                        aantal voorzieningen uit de verordening verder wordt uitgewerkt. Hiertoe
                        dient dit document met beleidsregels.</al><al>In deze beleidsregels komen enkele onderwerpen aan bod die niet voorkomen in
                        de verordening Participatiewet. Het gaat dan met name om voorzieningen die
                        zich bevinden op het snijvlak van de Participatiewet en Wet maatschappelijke
                        ondersteuning (WMO).</al><al>Met de drie decentralisaties bundelt de overheid regelingen en budgetten en
                        legt de regie daarover in één hand. Het college wil door het opnemen van
                        beleidsregels op het snijvlak van de Participatiewet en de WMO de deels
                        gescheiden werelden in het sociaal domein meer met elkaar verbinden. Het
                        principe is dat er één regeling is voor iedereen die (gedeeltelijk) in staat
                        is om te werken. Het is daarom belangrijk om de samenhang te kunnen
                        zien.</al><al>Waar het gaat om samenhang tussen Participatiewet en WMO is de aandacht
                        gevestigd op overlap in doelgroepen en voorzieningen, bijvoorbeeld bij
                        vervoersvoorzieningen en de voorziening dagbesteding. Vanuit de ambitie om
                        te komen tot één klant, één plan wordt verbinding aangebracht waar dit
                        mogelijk is en meerwaarde heeft voor de burger en organisatie.</al><al>Het doel van het college is om zo veel mogelijk mensen aan het werk te
                        helpen of de kansen op arbeidsparticipatie op de langere termijn te
                        verbeteren. De voorzieningen beschreven in deze beleidsregels kunnen
                        daarvoor worden ingezet. Meedoen naar vermogen is het uitgangspunt waarbij
                        de voorzieningen uit hoofdstuk 2 meer zijn gericht op (betaald) werk en de
                        voorzieningen uit hoofdstuk 3 op het verbeteren van toekomstperspectief op
                        de lange termijn.</al><al>Beleidsregels Participatiewet 2015</al><al>Het college van de gemeente Apeldoorn;</al><al>gelet op de bevoegdheidsbepalingen in de Participatiewet en der Verordening
                        Participatiewet 2015;</al><al>overwegende dat het college bevoegd is beleidsregels vast te stellen met
                        betrekking tot de uitvoering van deze verordening:</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de navolgende</al><al>Beleidsregels Participatiewet 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Beleid en algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Beleidsregels Participatiewet </vet></al><al>Op 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking. De raad heeft
                            ingestemd met de kadernotitie Participatiewet en de verordening
                            Participatiewet. Voor een goede uitvoering is het noodzakelijk dat een
                            aantal voorzieningen uit de verordening verder wordt uitgewerkt. Hiertoe
                            dient dit document met beleidsregels.</al><al>In deze beleidsregels komen enkele onderwerpen aan bod die niet
                            voorkomen in de verordening Participatiewet. Het gaat dan met name om
                            voorzieningen die zich bevinden op het snijvlak van de Participatiewet
                            en Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). </al><al>Met de drie decentralisaties bundelt de overheid regelingen en budgetten
                            en legt de regie daarover in één hand. Het college wil door het opnemen
                            van beleidsregels op het snijvlak van de Participatiewet en de WMO de
                            deels gescheiden werelden in het sociaal domein meer met elkaar
                            verbinden. Het principe is dat er één regeling is voor iedereen die
                            (gedeeltelijk) in staat is om te werken. Het is daarom belangrijk om de
                            samenhang te kunnen zien. </al><al>Waar het gaat om samenhang tussen Participatiewet en WMO is de aandacht
                            gevestigd op overlap in doelgroepen en voorzieningen, bijvoorbeeld bij
                            vervoersvoorzieningen en de voorziening dagbesteding. Vanuit de ambitie
                            om te komen tot één klant, één plan wordt verbinding aangebracht waar
                            dit mogelijk is en meerwaarde heeft voor de burger en organisatie. </al><al>Het doel van het college is om zo veel mogelijk mensen aan het werk te
                            helpen of de kansen op arbeidsparticipatie op de langere termijn te
                            verbeteren. De voorzieningen beschreven in deze beleidsregels kunnen
                            daarvoor worden ingezet. Meedoen naar vermogen is het uitgangspunt
                            waarbij de voorzieningen uit hoofdstuk 2 meer zijn gericht op (betaald)
                            werk en de voorzieningen uit hoofdstuk 3 op het verbeteren van
                            toekomstperspectief op de lange termijn. </al><al><vet>Beleidsregels Participatiewet 2015</vet></al><al>Het college van de gemeente Apeldoorn;</al><al>gelet op de bevoegdheidsbepalingen in de Participatiewet en der
                            Verordening Participatiewet 2015; </al><al>overwegende dat het college bevoegd is beleidsregels vast te stellen met
                            betrekking tot de uitvoering van deze verordening:</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de navolgende</al><al><vet>Beleidsregels Participatiewet 2015</vet></al><al><vet><cursief>Inhoudsopgave</cursief></vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="89*"/><colspec colname="col2" colwidth="11*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Inhoud</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Pagina </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 1 </vet><vet>Beleid en a</vet><vet>lgemene bepalingen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1 Begripsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2 Doelstelling en reikwijdte</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3 Subsidie- en budgetplafond </al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4 Ondersteuning
                                                niet-uitkeringsgerechtigden</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5 Verdringing </al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 2 Voorzieningen</vet><vet> gericht op re</vet><vet>-i</vet><vet>ntegratie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6 Diagnose-instrument </al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 7 Activeringsprogramma</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 8 Bemiddeling</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 9 Groepsgerichte aanpak en trainingen </al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 10 Proefplaatsing</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 11 Werkervaringsplaats</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 12 Detachering</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 13 Stage</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 14 Persoonlijke ondersteuning en jobcoaching
                                            </al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 15 Ondersteuning bij Leer-werktraject</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 16 Scholing en Opleiding</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 17 Individueel re-integratietraject</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 18 Werkgeverssubsidie </al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 19 No risk-polis</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 20 Loonkostensubsidie </al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 21 Werkplekaanpassingen</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 22 Vervoersvoorziening </al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 23 Kinderopvang</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 3 Voorzieningen gericht op
                                                  participatie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 24 Sociale activering</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 25 Participatieplek</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 26 Vrijwilligerswerk</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 27 Tegenprestatie </al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 28 Participatievoorziening beschut
                                                werken</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 29 Dagbesteding</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 30 Hardheidsclausule</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 31 Inwerkingtreding </al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 32 Citeertitel</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Toelichting </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>arbeidsbeperkt: een persoon die een structurele functionele
                                        of andere beperking heeft waardoor het verkrijgen of
                                        verrichten van werk wordt belemmerd;</al></li><li nr="b."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onder a, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>nugger: niet-uitkeringsgerechtigde, persoon als bedoeld in
                                        de wet, artikel 6, lid 1 onder a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsbepalingen van de Participatiewet alsmede van de
                                verordening Participatiewet 2015 zijn op deze beleidsregels van
                                toepassing, tenzij daarvan in de begripsbepalingen uitdrukkelijk
                                wordt afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelstelling en reikwijdte</titel></kop><al>In deze beleidsregels wordt de ondersteuning die het college biedt bij
                            de arbeidsinschakeling van werkloze belanghebbenden behorende tot de
                            doelgroep als bedoeld in artikel 1 onder b nader uitgewerkt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Subsidie- en Budgetplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt op welke wijze de voorzieningen van de
                                Verordening Participatiewet 2015 worden ingezet en hoe de
                                beschikbare bedragen en aantallen worden verdeeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een door het college ingesteld plafond bereikt is, kan een
                                specifieke voorziening op grond daarvan worden geweigerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Ondersteuning niet- uitkeringsgerechtigden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor niet - uitkeringsgerechtigden (nuggers) wordt de
                                basisdienstverlening van het Werkplein Activerium ingezet, tenzij
                                naar oordeel van het college inzet van een voorziening buiten de
                                basisdienstverlening in het individuele geval noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het hanteren van
                                criteria bij het aanbieden van een voorziening aan nuggers buiten de
                                basisdienstverlening:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor nuggers tot 27 jaar ligt de focus op preventie. De
                                        nadruk ligt op doorstroom vanuit onderwijs en terugleiding
                                        naar onderwijs waarbij het verhogen van de kans op het halen
                                        van een startkwalificatie het uitgangspunt is.</al></li><li nr="b."><al>Voor nuggers met een arbeidsbeperking die wel ondersteuning
                                        nodig hebben om te kunnen werken naar vermogen ligt de focus
                                        op ondersteuning door middel van een werkplekaanpassing of
                                        begeleiding op de werkplek.</al></li><li nr="c."><al>Voor nuggers die niet onder de categorie jongeren of
                                        arbeidsbeperkten vallen kunnen voorzieningen worden ingezet
                                        buiten de basisdienstverlening. Deze voorzieningen zijn
                                        gericht op het voorkomen van instroom in de uitkering en het
                                        vergroten van de kans op succesvolle plaatsing op de
                                        arbeidsmarkt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verdringing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van verdringing wanneer een werknemer zijn baan
                                verliest en een andere werknemer onder andere arbeidsvoorwaarden of
                                omstandigheden dezelfde werkzaamheden gaat verrichten waardoor er
                                geen sprake is van een gelijk speelveld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij het inzetten van een voorziening voor de
                                doelgroep toetsen op verdringing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen gericht op re-integratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Diagnose</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan met betrekking tot een belanghebbende een diagnose
                                stellen teneinde te bepalen welke afstand de betrokkene heeft tot de
                                arbeidsmarkt en welke (re-integratie) voorzieningen noodzakelijk
                                zijn om reguliere arbeid te vinden of belemmeringen hiervoor weg te
                                nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na een zelf verricht onderzoek kan besloten worden advies van derden
                                in te winnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Activeringsprogramma</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het doel van een activeringsprogramma is het behouden of bevorderen
                                van arbeidsritme, verbetering van de werknemers- en
                                sollicitatievaardigheden en/of ondersteuning bij de toeleiding naar
                                een baan of een opleiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een activeringsprogramma direct na de melding of
                                aanvraag van een uitkering als voorziening inzetten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een persoon wordt verwacht dat hij/zij maximaal 36 uur per week
                                deelneemt aan het volledige programma.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor personen jonger dan 27 jaar waarvoor de scholingsplicht geldt
                                wordt ingezet op een activeringsprogramma gericht op deelname aan
                                uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al>1.Onder bemiddeling wordt verstaan het bij elkaar brengen van
                            werkgever en</al><al>uitkeringsgerechtigde, waarvan verwacht wordt dat de
                            uitkeringsgerechtigde binnen </al><al>een jaar kan uitstromen naar reguliere arbeid.</al><al>2.Het college kan indien nodig en om het doel te bewerkstelligen de
                            bemiddeling combineren met een andere voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Groepsgerichte aanpak en trainingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                groepsgerichte aanpak of training aanbieden indien dit noodzakelijk
                                wordt geacht voor de arbeidsinschakeling</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Noodzakelijkheid: de groepsgerichte aanpak of training is voor de
                                persoon van belang omdat hij/zij zonder deze voorziening niet naar
                                een situatie kan toegroeien waarin hij/zij klaar is voor
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De groepsgerichte aanpak of training kan gericht zijn op een
                                specifieke doelgroep, functie of het wegnemen van een
                                gemeenschappelijke belemmering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zet met het oog op kosten-baten afwegingen waar mogelijk
                                een groepsgerichte aanpak en/of training in.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een proefplaatsing bij een werkgever aanbieden
                                indien dit naar de mening van het college noodzakelijk is om met
                                behoud van uitkering op een onbetaalde werkplek zijn of haar
                                arbeidsbekwaamheid te tonen, zodat bij diezelfde werkgever
                                vervolgens instroom in regulier betaald werk plaats kan vinden. 2.
                                Nadere voorwaarden en duur van de voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>De duur van de proefplaats regulier is maximaal drie maanden
                                        en kan eenmalig met 3 maanden worden verlengd.</al></li><li nr="b."><al>De werkgever heeft naar het oordeel van het college de
                                        serieuze intentie de persoon bij goed functioneren na afloop
                                        van de proefplaats een regulier arbeidscontract zonder
                                        proeftijd of uitzendbeding aan te bieden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkervaringsplaats aanbieden
                                gericht op arbeidsinschakeling als deze behoort tot de doelgroep en
                                indien de persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een grote
                                        afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige
                                        werkloosheid en waarbij het voor de persoon belangrijk is om
                                        arbeidsvaardigheden te verwerven; of</al></li><li nr="b."><al>actief is geweest op de arbeidsmarkt, maar door persoonlijke
                                        of economische omstandigheden het werk is kwijtgeraakt en
                                        waarbij het voor de persoon belangrijk is om
                                        arbeidsvaardigheden in stand te houden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkervaringsplaats is, naast het aanleren en
                                ontwikkelen van elementaire werknemersvaardigheden, het opdoen van
                                werkervaring, het opdoen of behouden van werkritme en uitstroom uit
                                de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanbieding van een werkervaringsplaats vindt plaats gedurende
                                maximaal 36 uur per week voor een periode van maximaal 6
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het (leer) doel van de werkervaringsplaats;</al></li><li nr="b."><al>de werkzaamheden die de belanghebbende gaat verrichten;</al></li><li nr="c."><al>de begin- en einddatum van de werkervaringsplaats alsmede
                                        het aantal uren per week.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij een werkervaringsplaats is geen sprake van een dienstverband; de
                                werkzaamheden worden met behoud van uitkering uitgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Detachering</titel></kop><al>De verordening Participatiewet is voor dit artikel leidend. Het artikel
                            krijgt geen nadere uitwerking in beleidsregels. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Stage</titel></kop><al>De verordening Participatiewet is voor dit artikel leidend. Het artikel
                            krijgt geen nadere uitwerking in beleidsregels. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning en jobcoaching</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                                opgedragen taken aanbieden. Deze ondersteuning kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>persoonlijke ondersteuning en begeleiding door een
                                        medewerker van het Activerium.</al></li><li nr="b."><al>persoonlijke ondersteuning door een gecertificeerde
                                        jobcoach.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarden om in aanmerking te komen voor jobcoaching zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>noodzakelijkheid: jobcoaching is voor de werknemer van
                                        belang omdat hij/zij zonder deze tijdelijke begeleiding niet
                                        naar een situatie kan toegroeien waarin hij/zij uiteindelijk
                                        zonder begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                                        zijn;</al></li><li nr="b."><al>de persoon is woonachtig binnen de gemeente Apeldoorn;</al></li><li nr="c."><al>de persoon behoort tot de doelgroep van de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als
                                        bedoeld in artikel 6, lid1, sub e van de Participatiewet
                                        en/of heeft een structurele functionele beperking als gevolg
                                        van een ziekte of handicap/gebrek;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval waarin een persoon niet tot de doelgroep behoort onder
                                lid 2 kan worden besloten om voor de persoon indien noodzakelijk
                                jobcoaching in te zetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Ondersteuning bij Leer-werktraject</titel></kop><al>De verordening Participatiewet is voor dit artikel leidend. Het artikel
                            krijgt geen nadere uitwerking in beleidsregels. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Scholing en opleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor jongeren onder de 27 jaar geldt op grond van artikel 13 lid
                                    2 Participatiewet een scholingsplicht: </al><lijst><li nr="a."><al>Het college legt jongeren tot 27 jaar de verplichting op
                                            om zich maximaal in te spannen om een startkwalificatie
                                            te bemachtigen.</al></li><li nr="b."><al>Een jongere tot 27 jaar kan voor de duur van maximaal 12
                                            maanden ontheven worden van de verplichting zoals
                                            genoemd in lid 1 als er sprake is van in de persoon
                                            gelegen omstandigheden die conflicterend werken met de
                                            mogelijkheid tot het volgen van uit ’s Rijks kas
                                            bekostigd onderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij de beoordeling van de noodzaak van de scholing wordt
                                    rekening gehouden met de voor belanghebbende geldende kortste
                                    weg naar duurzame arbeid, zijn arbeids- en opleidingsverleden
                                    alsmede de duur van zijn werkloosheid.</al></li><li nr="3."><al>Voor de scholing die wordt aangeboden geldt dat de goedkoopste
                                    en de meest adequate scholingsmogelijkheid moet worden
                                    benut.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Individueel re-integratietraject</titel></kop><al>De verordening Participatiewet is voor dit artikel leidend. Het artikel
                            krijgt geen nadere uitwerking in beleidsregels. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Werkgeverssubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bepalen welk soort werkgeverssubsidies wordt
                                aangeboden, onder welke voorwaarden en voor welk bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de meest adequate, goedkope, kwalitatief
                                verantwoorde oplossing. De kosten van de werkgeverssubsidie dienen
                                proportioneel zijn, dat wil zeggen dat de subsidie moet opwegen
                                tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al>De verordening Participatiewet is voor dit artikel leidend. Het artikel
                            krijgt geen nadere uitwerking in beleidsregels. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op twee manieren vaststellen of een persoon behoort
                                tot de doelgroep loonkostensubsidie.</al><lijst><li nr="a."><al>ambtshalve of;</al></li><li nr="b."><al>schriftelijk op verzoek van een belanghebbende.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college neemt daarbij de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep;</al></li><li nr="b."><al>de persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en;</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                        arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de hand van nadere criteria bepalen of de inzet
                                van de voorziening loonkostensubsidie voor de persoon die behoort
                                tot de doelgroep het meest passend is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De loonkostensubsidie wordt verleend als:</al><lijst><li nr="a."><al>Een arbeidsovereenkomst van minimaal 12 uur kan worden
                                        overlegd;</al></li><li nr="b."><al>De arbeidsovereenkomst voor minimaal 6 maanden is
                                        aangegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De loonwaarde wordt vastgesteld door gebruik te maken van een
                                gecertificeerde methode die voldoet aan de Regeling
                                loonkostensubsidie Participatiewet. Het college maakt gebruik van
                                het loonwaardemeetinstrument waarvoor binnen de arbeidsmarktregio
                                uniform is gekozen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Aan het verstrekken van loonkostensubsidie is geen termijn
                                verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Werkplekaanpassingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, indien een aanpassing van de werkplek noodzakelijk
                                is voor de werkzoekende/werknemer met een arbeidsbeperking om
                                zijn/haar werk uit te voeren, een werkplekaanpassing aanbieden aan
                                de belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarden zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>noodzakelijkheid, de werkplekaanpassing is nodig om de
                                        werkzoekende/werknemer zijn/haar werk te kunnen laten
                                        uitvoeren;</al></li><li nr="b."><al>de persoon is woonachtig binnen de gemeente Apeldoorn;</al></li><li nr="c."><al>de persoon behoort tot de doelgroep van de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als
                                        bedoeld in artikel 6, lid1, sub e van de Participatiewet
                                        en/of heeft een structurele functionele beperking als gevolg
                                        van een ziekte of handicap/gebrek.</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor
                                        de duur van tenminste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per
                                        week. Het toekennen van een werkplekaanpassing gedurende de
                                        proefplaatsing behoort tot de mogelijkheden op voorwaarde
                                        dat er zekerheid is dat na de proefplaatsing er een
                                        arbeidsovereenkomst volgt;</al></li><li nr="f."><al>er is geen sprake van een voorliggende voorziening,
                                        bijvoorbeeld een bouwbesluit waaruit blijkt dat de
                                        desbetreffende werkgever zelf verantwoordelijk is voor de
                                        werkplekaanpassing;</al></li><li nr="g."><al>algemeen gebruikelijke werkplekaanpassingen die tot de
                                        standaarduitrusting van de werkgever behoren worden ook niet
                                        vergoed. Hiervan is sprake indien van de werkgever, op basis
                                        van wat gangbaar is in het bedrijfsleven, verwacht mag
                                        worden dat hij de investering zelf doet;</al></li><li nr="h."><al>de gemeente stelt jaarlijks een budgetplafond in voor deze
                                        voorziening en biedt de meest adequate en goedkoopste en
                                        kwalitatief verantwoorde oplossing. De kosten van de
                                        werkplekaanpassing dienen proportioneel zijn, dat wil zeggen
                                        dat de investering in de werkplekaanpassing moet opwegen
                                        tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Vervoersvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een werkzoekende/werknemer met arbeidsbeperking door zijn/haar
                                beperking niet zelfstandig kan reizen en/of niet zelfstandig gebruik
                                kan maken van het openbaar vervoer, is het mogelijk in het geval de
                                werkzoekende een baan vindt, om bij de gemeente een
                                vervoersvoorziening aan te vragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarden zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>noodzakelijkheid (de werkzoekende kan door zijn/haar
                                        beperking niet zelfstandig reizen en/of niet zelfstandig
                                        gebruik maken van het openbaar vervoer);</al></li><li nr="b."><al>de voorziening wordt alleen gebruikt voor woon/werk
                                        verkeer;</al></li><li nr="c."><al>de persoon is woonachtig binnen de gemeente Apeldoorn:</al></li><li nr="d."><al>de persoon behoort tot de doelgroep van de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="e."><al>de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als
                                        bedoeld in artikel 6, lid 1, sub e van de Participatiewet
                                        en/of heeft een structurele functionele beperking als gevolg
                                        van een ziekte of handicap/gebrek.</al></li><li nr="f."><al>er sprake is van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor
                                        de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per
                                        week. Een vervoersvoorziening kan ook worden toegekend
                                        gedurende de proefplaatsing (fase vooraf aan
                                        arbeidsovereenkomst);</al></li><li nr="g."><al>een eventuele vervoersvergoeding van de werkgever wordt in
                                        mindering gebracht op de toe te kennen
                                        vervoersvoorziening;</al></li><li nr="h."><al>de persoon kan geen aanspraak maken op een voorliggende
                                        voorziening, bijvoorbeeld vervoersvoorziening WMO, UWV of
                                        via een zorgverzekeraar; en,</al></li><li nr="i."><al>De gemeente stelt jaarlijks een budgetplafond in voor deze
                                        voorziening en biedt de meest adequate en goedkoopste en
                                        kwalitatief verantwoorde oplossing. De kosten van de
                                        vervoersvoorziening dienen proportioneel zijn, dat wil
                                        zeggen dat de investering in de vervoersvoorziening moet
                                        opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Beleidsregel Kinderopvang</titel></kop><al>Aan personen uit de doelgroep die in verband met het volgen van een
                            re-integratietraject/voorziening ten behoeve van instroom in algemeen
                            geaccepteerde arbeid, kinderopvang nodig hebben, worden deze kosten
                            vergoed voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>De Wet Kinderopvang, een kinderopvangtoeslag of een kind
                                    gebonden budget geen voorliggende voorziening is, en;</al></li><li nr="b."><al>De werkgever geen voorzieningen heeft getroffen ten behoeve van
                                    kinderopvang.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen gericht op participatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Sociale Activering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Sociale activering is het verrichten van onbeloonde
                                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                                    arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet
                                    mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie
                                    (artikel 6 lid 1 onderdeel c Participatiewet).</al></li><li nr="2."><al>De voorziening wordt ingezet indien een belanghebbende een grote
                                    afstand heeft tot de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="3."><al>Het doel van deze voorziening is een eerste stap op weg naar
                                    reguliere arbeid te zetten dan wel, indien arbeidsinschakeling
                                    nog niet mogelijk is, zelfstandige maatschappelijke participatie
                                    mogelijk te maken.</al></li><li nr="4."><al>Indien er sprake is van sociale activering in de vorm van
                                    maatschappelijke participatie is er geen duur en minimaal aantal
                                    uren aan verbonden (maatwerk). Indien sociale activering wordt
                                    gezien als opstap naar reguliere arbeid maakt het onderdeel uit
                                    van een traject/plan van aanpak en is er een termijn en
                                    urencriterium aan gekoppeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Participatieplek</titel></kop><al>1.Met een participatieplek wordt een participatieplaats bedoeld (artikel
                            10a Participatiewet). Een participatieplaats bestaat uit het verrichten
                            van onbetaalde additionele werkzaamheden. Dit zijn primair op de
                            arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden die naast of in aanvulling op
                            reguliere arbeid plaats vinden.</al><al>2.De voorziening is bedoeld voor uitkeringsgerechtigden voor wie de kans
                            op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor
                            vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. Het betreft
                            personen die zijn vrijgesteld van een deel van de arbeidsverplichtingen.
                            Deze ontheffing geldt voor maximaal 3 jaar. Wel zijn ze verplicht
                            beschikbaar te zijn voor de mogelijkheden op het gebied van
                            participatie, zoals deelname aan een participatieplaats.</al><al>3.De duur van een participatieplaats bedraagt maximaal 2 jaar. Het
                            aantal uren bedraagt minimaal 1 à 2 dagdelen per week. In beginsel
                            bedraagt de duur van de participatieplaats 1 jaar. Vervolgens kan worden
                            overwogen om de duur te verlengen met maximaal 1 jaar.</al><al>4.Een belanghebbende heeft na afloop van elke 6 maanden dat hij
                            werkzaamheden op een participatieplaats heeft verricht, en indien hij
                            naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het
                            vergroten van zijn kansen op inschakeling in het arbeidsproces, recht op
                            een premie van € 50,-. Uit efficiency oogpunt vindt berekening en
                            uitbetaling van de premie na beëindiging van de participatieplek
                            plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vrijwilligerswerk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Vrijwilligerswerk is werk dat in enig georganiseerd verband,
                                    onverplicht en onbetaald wordt verricht ten behoeve van anderen
                                    of de samenleving.</al></li><li nr="2."><al>Vrijwilligerswerkis bedoeld voor uitkeringsgerechtigden
                                    voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is
                                    en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de
                                    arbeidsmarkt. Het betreft personen die zijn vrijgesteld van een
                                    deel van de arbeidsverplichtingen. Deze ontheffing geldt voor
                                    maximaal 3 jaar. Wel zijn ze verplicht beschikbaar te zijn voor
                                    de mogelijkheden op het gebied van participatie, zoals het
                                    verrichten van vrijwilligerswerk.</al></li><li nr="3."><al>De duur van vrijwilligerswerk is onbepaald. Het aantal uren
                                    bedraagt minimaal 2 dagdelen per week.</al></li><li nr="4."><al>De wet kent verschillende maximale vrijlatingsbedragen met
                                    betrekking tot (on)kostenvergoedingen voor vrijwilligerswerk.
                                    Het college maakt gebruik van de maximale vrijlatingen van
                                    (on)kostenvergoeding, die op grond van artikel 31, tweede lid,
                                    onderdeel k, Participatiewet, mogelijk zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Tegenprestatie</titel></kop><al>1.De tegenprestatie betreft het naar vermogen verrichten van door het
                            college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
                            verricht worden naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet
                            leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt (artikel 9 lid 1 onderdeel c
                            Participatiewet).</al><al>2.De tegenprestatie heeft betrekking op uitkeringsgerechtigden in het
                            kader van de Participatiewet. Personen die volledig en duurzaam
                            arbeidsongeschikt zijn, hoeven volgens de wet geen tegenprestatie te
                            verrichten (artikel 9 lid 5 Participatiewet).</al><al>3.De tegenprestatie kan als instrument ingezet worden om participatie te
                            bevorderen.</al><al>4.Indien de tegenprestatie als instrument wordt ingezet, gelden de
                            volgende uitgangspunten:</al><al>a.Het instrument dient een constructieve bijdrage te leveren aan het
                            bevorderen van</al><al>arbeidsinschakeling en participatie.</al><al>b.Het initiatief voor invulling van de tegenprestatie kan zowel bij de
                            uitkeringsgerechtigde als het Activerium liggen.</al><al>c.De tegenprestatie kan een verplichtend karakter hebben.</al><al>5.De tegenprestatie bedraagt maximaal 4 uur per week gedurende maximaal
                            3 maanden. De tegenprestatie kan maximaal 4 keer per jaar worden
                            opgedragen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Participatievoorziening beschut werken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden (artikel 10b
                                Participatiewet) aan een persoon uit de doelgroep die door een
                                lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige
                                mate van begeleiding op en aanpassing en van de werkplek nodig
                                heeft, dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan
                                worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, indien een persoon voldoet aan de hieronder
                                gestelde criteria, de persoon doorverwijzen naar het UWV voor de
                                wettelijk verplichte beoordeling. De volgende doelgroepen komen in
                                aanmerking voor beschut werk:</al><lijst><li nr="a."><al>personen die recht hebben op een gemeentelijke
                                        (Participatiewet) uitkering;</al></li><li nr="b."><al>personen die nu al een uitkering hebben op grond van de WWB
                                        cq Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>personen met een indicatie Wsw;</al></li><li nr="d."><al>personen zonder uitkering (bijvoorbeeld schoolverlaters)
                                        voor wie het instrument wordt ingezet om
                                        uitkeringsafhankelijkheid te voorkomen;</al></li><li nr="e."><al>personen die (uiteindelijk) in staat zijn een loonwaarde
                                        tussen de 20% en 50% te behalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt een persoon voor de voorziening beschut werk:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanstelling tussen de 0,65 en 0,80 fte;</al></li><li nr="b."><al>een tijdelijk contract op 100% Wettelijk Minimumloon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt de aantallen instroom per jaar vast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college belegt de uitvoering van beschut werk in 2015 bij
                                Felua-groep</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De voorziening beschut werken kan worden gekoppeld aan
                                loonkostensubsidie. Deze is in principe niet gebonden aan een
                                termijn en kan indien nodig voor een langere periode worden
                                ingezet.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan bij een loonwaarde lager dan 20% samen met de cliënt
                                bekijken welke voorziening het meest passend is. Hierbij kan ook een
                                vorm van (arbeidsmatige) dagbesteding worden aangeboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Dagbesteding</titel></kop><al>1.Dagbesteding is een voorziening die ondersteuning biedt aan kwetsbare
                            doelgroepen in de volgende vorm (Subsidieregeling Algemene Voorzieningen
                            Wmo 2015):</al><al>a.arbeidsmatige dagbesteding met als doelstelling het aanbrengen van
                            ritme en structuur in de</al><al> dag. Te denken valt aan verschillende doelgroepen zoals: ouderen met
                            somatische en</al><al> psychosomatische problemen, mensen met psychiatrische problemen of
                            verstandelijke of</al><al> lichamelijke beperkingen en personen met niet aangeboren hersenletsel
                            (NAH). (<cursief>Zie tevens </cursief></al><al><cursief> beleidsregel participatievoorziening beschut werk)</cursief><cursief>;</cursief></al><al>b.dagprogramma met als doelstelling het aanbrengen van ritme en
                            structuur in dag, het</al><al> onderhouden van de zelfregie en het verminderen van het sociaal
                            isolement en zo mogelijk</al><al> een verlichting bieden aan de mantelzorger.</al><al>2.Dagbesteding staat los van het hebben van een
                            bijstandsuitkering. Wel is het zo dat de aanwezigheid van dagbesteding
                            een factor is waar rekening mee gehouden dient te worden bij het
                            onderzoek naar de reïntegratiemogelijkheden.</al><al>3.Dagbesteding wordt gezien als een belangrijke indicatie voor het al
                            dan niet mogelijk zijn van verdere activeringsmogelijkheden.
                            Uitkeringsgerechtigden (Participatiewet) met een indicatie dagbesteding
                            zijn ontheven van (een deel van) de arbeidsverplichtingen. Deze
                            ontheffing geldt voor maximaal 3 jaar.</al><al>4.Een indicatie dagbesteding wordt in principe afgegeven voor de duur
                            van 1 jaar maar hier kan vanaf worden geweken. Uitgangspunt bij de
                            dagbesteding algemene voorzieningen is maximaal 4 dagdelen per persoon
                            per week. Indien een algemene voorziening ontoereikend is, wordt
                            verwezen naar een maatwerkvoorziening binnen de Wmo.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slot bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van een belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels indien toepassing leidt
                            tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1
                            januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De beleidsregels worden aangehaald als: beleidsregels Participatiewet
                            2015. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn
                        op 12-10-2015.</ondertekening><ondertekening>Gewijzigd bij besluit d.d. 21 januari 2016 (gewijzigd art. 26, vierde
                        lid)</ondertekening><ondertekening>Gepubliceerd in Gemeenteblad d.d. 28 januari 2016</ondertekening><ondertekening>Inwerking getreden d.d. 29 februari 2016 en terugwerkend tot 1 januari
                        2015.</ondertekening><ondertekening>Burgemeester en wethouders van Apeldoorn,</ondertekening><ondertekening>De secretaris,</ondertekening><ondertekening>……………………..</ondertekening><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>………………………</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Beleid en algemene bepalingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepaling </tussenkop><al>Dit artikel bevat een aantal begripsbepalingen. </al><tussenkop>Artikel 2 Doelstelling en reikwijdte </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><tussenkop>Artikel 3 Subsidie- en budgetplafond </tussenkop><al>Het eerste lid stelt dat het college bepaalt op welke wijze de voorzieningen van
                    de Verordening Participatiewet 2015 worden ingezet en hoe de beschikbare
                    bedragen en aantallen worden verdeeld. Om de financiële risico’s te beheersen
                    kan een verdeling worden gemaakt van de middelen over de verschillende
                    voorzieningen. Voor de voorzieningen werkplekaanpassingen en
                    vervoersvoorzieningen is in dit kader besloten om een budgetplafond in te
                    stellen. De budgetplafonds voor deze voorzieningen zijn vastgesteld in de
                    begroting voor 2015. </al><al>Het tweede lid stelt dat indien een door het college ingesteld plafond bereikt
                    is, een specifieke voorziening op grond daarvan kan worden geweigerd. </al><tussenkop>Artikel 4 Ondersteuning niet-uitkeringsgerechtigden</tussenkop><al>Een niet-uitkeringsgerechtigde (nugger) kan aanspraak maken op ondersteuning van
                    de gemeente in het kader van de wet. Dit artikel geeft aan dat voor nuggers de
                    basisdienstverlening van het Activerium wordt ingezet. Daarbij kan worden
                    gedacht aan werkgeversbenadering, vacatureaanbod en bemiddeling. </al><al>Indien noodzakelijk naar het oordeel van het college kan een voorziening buiten
                    de basisdienstverlening worden ingezet. Bij de beoordeling van de
                    noodzakelijkheid biedt het onderscheid binnen de doelgroep nuggers een handvat
                    voor de uitvoering waarbij vanuit prioritering onderscheid wordt gemaakt tussen:
                    jongeren tot 27 jaar, nuggers met een arbeidsbeperking en nuggers die noch onder
                    jongeren noch onder arbeidsbeperkt vallen. Inspanningen voor nuggers worden
                    primair gericht op het voorkomen van instroom in de uitkering, terugleiding naar
                    het onderwijs van voortijdige schoolverlaters, de doorstroom vanuit het
                    onderwijs naar een (vervolg)opleiding of de arbeidsmarkt en de ondersteuning van
                    nuggers met een arbeidsbeperking om te werken of mee te doen naar vermogen.</al><tussenkop>Artikel 5 Verdringing </tussenkop><al>De Participatiewet biedt verschillende voorzieningen waarbij in de praktijk
                    situaties kunnen ontstaan waarbij de scheidslijn tussen ‘vergoeden’ of
                    ‘verdienen’ belemmerend kan werken of zelfs tot verdringing of concurrentie
                    tussen doelgroepen leidt. Denk daarbij aan beschut werk versus arbeidsmatige
                    dagbesteding, de inzet van een tegenprestatie of als een vrijwilliger taken gaat
                    uitvoeren die eerst betaald werden uitgevoerd. De gemeente is hier alert op en
                    een toetsing op verdringing is een van de mogelijkheden om ongewenste effecten
                    tegen te gaan. Een toetsing vindt bijvoorbeeld plaats doordat medewerkers van
                    Activerium bij een vacature navragen hoe deze is vrijgekomen. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Voorzieningen gericht op re-integratie</tussenkop><tussenkop>Artikel 6 Diagnose-instrument</tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat het college een diagnose kan stellen om te
                    bepalen welke afstand de betrokkene heeft tot de arbeidsmarkt en welke
                    voorziening noodzakelijk is om aan het werk te gaan of belemmeringen hiervoor
                    weg te nemen. Hiertoe behoort ook het ook het signaleren van taalachterstanden
                    en het aanbieden van taalbevordering aan laaggeletterden.Voor het
                    vaststellen van de diagnose staan verschillende instrumenten ter beschikking. De
                    medewerker van het Activerium stelt bijvoorbeeld een diagnose op, op basis van
                    de door de belanghebbende verstrekte gegevens.</al><al>Lid twee stelt dat indien nodig ook advies van derden kan worden ingewonnen.
                    Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de diensten van UWV en de diensten
                    van het diagnosecentrum van Felua groep. </al><tussenkop>Artikel 7 Activeringsprogramma</tussenkop><al>Het doel van een activeringsprogramma is het behouden of bevorderen van
                    arbeidsritme, verbetering van de werknemers- en sollicitatievaardigheden en/of
                    ondersteuning bij de toeleiding naar een baan of een opleiding. Het college kan
                    een activeringsprogramma direct na de melding of aanvraag van een uitkering als
                    voorziening inzetten voor maximaal 36 uur per week. Gedacht kan worden aan :
                    voorlichting, sollicitatietrainingen, lichte productiewerkzaamheden met behoud
                    van uitkering, bemiddeling en eventuele stages of leerwerkplekken. Voor personen
                    jonger dan 27 jaar waarvoor de scholingsplicht geldt wordt ingezet op een
                    activeringsprogramma gericht op deelname aan uit ‘s Rijks kas bekostigd
                    onderwijs. </al><al>Niet te verwarren met de voorziening sociale activering waarbij het (nog) niet
                    gaat om het vinden en krijgen van werk. Het actief zijn en uit het sociale
                    isolement halen staat voorop. Deze vorm van sociale activering is bedoeld voor
                    personen waarbij deelname aan een participatieplaats of vrijwilligerswerk nog
                    een stap te ver is en staat beschreven onder artikel 24. </al><tussenkop>Artikel 8 Bemiddeling </tussenkop><al>Onder bemiddeling wordt verstaan het bij elkaar brengen van werkgever en </al><al>uitkeringsgerechtigde. Gedacht kan worden aan bemiddeling zoals deze plaatsvindt
                    door het Activerium, waarbij werkzoekenden worden gematcht op vacatures,
                    speeddates, Jobhunting . Verwacht wordt dat de uitkeringsgerechtigde binnen een
                    jaar kan uitstromen naar reguliere arbeid. Ook wordt het zelf-zoekgedrag van de
                    uitkeringsgerechtigde gestimuleerd. </al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat het college indien nodig de bemiddeling kan
                    combineren met een andere voorziening. Hierbij kan gedacht worden aan een
                    cursus, scholing of bijvoorbeeld jobcoaching.</al><tussenkop>Artikel 9 Groepsgerichte aanpak en trainingen</tussenkop><al>Een groepsgerichte aanpak of training kan door het college worden aangeboden
                    indien dit voor de persoon van belang is omdat hij/zij zonder deze voorziening
                    niet naar een situatie kan toegroeien waarin hij/zij klaar is voor
                    arbeidsinschakeling. De groepsgerichte aanpak of training kan gericht zijn op
                    een specifieke doelgroep, functie of het wegnemen van een gemeenschappelijke
                    belemmering. Daarbij valt te denken aan project jonge moeders,
                    sollicitatietrainingen of bijvoorbeeld een aanpak voor ex-gedetineerden. </al><al>In het vierde lid staat dat met het oog op kosten-baten afwegingen het college
                    waar mogelijk een groepsgerichte aanpak en/of training inzet. </al><tussenkop>Artikel 10 Proefplaatsing </tussenkop><al>Het college kan een proefplaatsing bij een werkgever aanbieden indien dit naar
                    de mening van het college noodzakelijk is om met behoud van uitkering op een
                    onbetaalde werkplek zijn of haar arbeidsbekwaamheid te tonen, zodat bij
                    diezelfde werkgever vervolgens instroom in regulier betaald werk plaats kan
                    vinden. In het tweede lid, onderdeel a, is bepaald dat de proefplaats maximaal
                    drie maanden duurt en kan eenmalig met 3 maanden worden verlengd indien de
                    werkgever kan aantonen waarom een proefplaatsing van langer dan drie maanden
                    wenselijk is. </al><al>In het tweede lid, onderdeel b, is bepaald dat de werkgever naar het oordeel van
                    het college de serieuze intentie moet hebben de persoon bij goed functioneren na
                    afloop van de proefplaats een regulier arbeidscontract zonder proeftijd of
                    uitzendbeding aan te bieden. Indien het contract korter is dan zes maanden, kan
                    in overleg met de werkgever gekeken worden naar mogelijkheden om de werknemer in
                    verband met de relatief korte duur van het contract tegemoet te komen in
                    bijvoorbeeld de vorm van een opleiding, cursus of andere ondersteunende
                    activiteiten. </al><tussenkop>Artikel 11 Werkervaringsplaats </tussenkop><al>Een werkervaringsplaats is gericht op arbeidsinschakeling van personen die nog
                    niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt heeft. Het doel van een werkervaringsplaats is, naast het aanleren
                    en ontwikkelen van elementaire werknemersvaardigheden, het opdoen van
                    werkervaring, het opdoen of behouden van werkritme en uitstroom uit de
                    uitkering.</al><al>Aanbieding van een werkervaringsplaats vindt plaats gedurende maximaal 36 uur
                    per week voor een periode van maximaal 6 maanden.</al><al>Het doel, de werkzaamheden, begin- en einddatum en het aantal uren per week van
                    de worden schriftelijk vastgelegd. De werkzaamheden worden met behoud van
                    uitkering uitgevoerd. </al><al>Het college is er op alert dat de werkervaringsplaats uitsluitend wordt
                    verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt </al><tussenkop>Artikel 12 Detachering </tussenkop><al>Geen nadere toelichting op dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 13 Stage </tussenkop><al>Geen nadere toelichting op dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 14 Persoonlijke ondersteuning en jobcoaching </tussenkop><al>In dit artikel is een onderscheid gemaakt tussen persoonlijke ondersteuning
                    enerzijds en jobcoaching waarbij een gecertificeerde jobcoach wordt ingezet
                    anderzijds. De inzet van een gecertificeerde jobcoach hoeft niet altijd nodig te
                    zijn omdat er allerlei andere vormen van persoonlijke ondersteuning kunnen
                    worden aangeboden door medewerkers van Activerium (eigen jobcoaches, andere
                    vormen van coaching op de werkplek). De voorziening jobcoach wordt ook in
                    principe beperkt tot de wettelijke doelgroep (loonkostensubsidie en/of
                    arbeidsbeperking) omdat voor andere doelgroepen andere vormen van begeleiding
                    mogelijk zijn. Het inzetten van een jobcoach voor iemand buiten de wettelijke
                    doelgroep is mogelijk mits deze inzet noodzakelijk blijkt. Bij de beoordeling
                    van de noodzakelijkheid wordt onder andere betrokken: het kosten-baten plaatje
                    en in hoeverre de inzet van een gecertificeerde jobcoach bijdraagt aan
                    re-integratie. </al><tussenkop>Artikel 15 Ondersteuning bij leer- werktraject </tussenkop><al>Geen nadere toelichting op dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 16 Scholing en opleiding </tussenkop><al>Scholing kan educatie op diverse niveaus betreffen. Bij inzet van de voorziening
                    wordt rekening gehouden met de voor belanghebbende geldende kortste weg naar
                    duurzame arbeid en met de goedkoopste en de meest adequate scholingsmogelijkheid </al><al>Voor jongeren onder de 27 jaar geldt op grond van artikel 13 lid 2
                    Participatiewet </al><al>een scholingsplicht. Indien deze verplichting niet wordt nagekomen, heeft dit
                    uitsluiting van de Participatiewet en de re-integratievoorzieningen tot gevolg
                    op basis van art. 13 lid 2 Participatiewet. Een jongere die met het volgen van
                    een opleiding zijn arbeidskansen vergroot, heeft in beginsel een
                    scholingsplicht. </al><al>Een jongere tot 27 jaar kan voor de duur van maximaal 12 maanden ontheven worden
                    van de verplichting zoals genoemd in lid 1 wanneer een jongere geobjectiveerd
                    aantoont dat hij geen regulier onderwijs kan volgen of wanneer dit in
                    redelijkheid (nog) niet van hem gevergd kan worden (cognitief, medisch,
                    psychisch, andere persoonlijke omstandigheden).</al><tussenkop>Artikel 17 Individuele re-integratieovereenkomst </tussenkop><al>Geen nadere toelichting op dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 18 Werkgeverssubsidie</tussenkop><al>Het college kan bepalen welk soort werkgeverssubsidies kan worden aangeboden,
                    onder welke voorwaarden en voor welk bedrag. Besloten is de werkgeverssubsidie
                    vormvrij te houden zodat op dit gebied maatwerk kan worden geleverd. </al><al>Het college biedt de meest adequate, goedkope, kwalitatief verantwoorde
                    oplossing. De kosten van de werkgeverssubsidie dienen proportioneel te zijn, dat
                    wil zeggen dat de subsidie moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar
                    werk. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn kunnen bijvoorbeeld de
                    afwegingen worden betrokken:</al><lijst><li nr="-"><al>de kosten van de subsidie;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal
                            maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd);</al></li><li nr="-"><al>de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren dat
                            de persoon gaat werken;</al></li><li nr="-"><al>de motivatie van de persoon;</al></li><li nr="-"><al>en de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en
                            eventuele andere lasten.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 19 No risk-polis</tussenkop><al>Geen nadere toelichting op dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 20 Loonkostensubsidie</tussenkop><al>Loonkostensubsidie zoals beschreven in dit artikel kan uitsluitend worden
                    ingezet als de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld
                    in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Het college
                    draagt personen voor die zouden kunnen behoren tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op
                    ondersteuning in de vorm van loonkostensubsidie, is er geen afdwingbaar recht op
                    ondersteuning op de manier zoals de belanghebbende dat mogelijk zou willen zien.
                    Bij de bepaling van de ondersteuning zal altijd onderzocht worden wat de
                    mogelijkheden en meeste passende voorziening is die kan worden aangeboden.
                    Vanuit dat oogpunt kan de medewerker vanuit zijn of haar professionaliteit van
                    tevoren aangeven of de voorziening loonkostensubsidie voor de belanghebbende op
                    dat moment de meest geschikte voorziening is om in te zetten. </al><al>Bij de beoordeling of loonkostensubsidie de meest passende voorziening is om in
                    te zetten kunnen de volgende criteria in acht worden genomen:</al><lijst><li nr="-"><al>De kosten en baten van de loonkostensubsidie dienen proportioneel zijn,
                            dat wil zeggen dat de investering moet opwegen tegen de
                            opbrengsten.</al></li><li nr="-"><al>De kans van slagen en motivatie: dat wil zeggen schat de professional in
                            dat de persoon gemotiveerd is en een kans maakt om succesvol aan de slag
                            te gaan en te blijven.</al></li><li nr="-"><al>Is er sprake van een arbeidsovereenkomst of een voornemen tot een
                            arbeidsovereenkomst met een werkgever?</al></li><li nr="-"><al>De omvang van de arbeidsovereenkomst dient proportioneel te zijn in
                            termen van het aantal uren dat de persoon gaat werken met als minimum
                            een arbeidsovereenkomst van 12 uur per week en minimaal 6 maanden voor
                            een zinvolle invulling van de arbeidsparticipatie.</al></li></lijst><al>Indien besloten wordt dat loonkostensubsidie wordt ingezet als voorziening volgt
                    een loonwaardemeting. Het college maakt voor de loonwaardemeting gebruik van een
                    gecertificeerd instrument waarvoor binnen de arbeidsmarktregio uniform is
                    gekozen. </al><tussenkop>Artikel 21 Werkplekaanpassingen </tussenkop><al>Het onderdeel werkplekaanpassing staat niet beschreven in de verordening
                    Participatiewet. Om belanghebbenden op dit gebied te kunnen faciliteren is er
                    voor gekozen om het onderdeel als beleidsregel op te nemen. In de beleidsregel
                    staat onder welke voorwaarden het college een werkplekaanpassing kan aanbieden
                    waarbij de noodzaak, de mogelijke inzet van voorliggende voorzieningen en een
                    goed beeld van de kosten-baten in acht worden genomen Zoals vermeld bij
                    artikel3 Subsidie- en budgetplafond,zijn de kosten voor deze
                    voorziening op dit moment moeilijk in te schatten. Door tevens voorwaarden
                    rondom budgetplafonds bij deze voorziening op te nemen in de beleidsregels wordt
                    de balans gezocht tussen maatschappelijke verantwoordelijkheid en financieel
                    rendement. </al><al> Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere
                    betrokken:</al><lijst><li nr="-"><al>De kosten van de werkplekaanpassing.</al></li><li nr="-"><al>De duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal
                            maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd.</al></li><li nr="-"><al>De omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren dat
                            de persoon gaat werken.</al></li><li nr="-"><al>De opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en
                            eventuele ander lasten (bijvoorbeeld in het kader van de WMO) in relatie
                            tot de kosten van de werkplekaanpassing.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 22 Vervoersvoorziening</tussenkop><al>Het onderdeel vervoersvoorziening staat niet beschreven in de verordening
                    Participatiewet. Om belanghebbenden op dit gebied te kunnen faciliteren is er
                    voor gekozen om het onderdeel als beleidsregel op te nemen. In beleidsregel
                    staat onder welke voorwaarden het college een vervoersvoorziening kan aanbieden
                    waarbij de noodzaak, de mogelijke inzet van voorliggende voorzieningen en een
                    goed beeld van de kosten-baten in acht worden genomen Zoals vermeld bij artikel
                    3 Subsidie- en budgetplafondzijn de kosten voor deze voorziening op dit
                    moment moeilijk in te schatten. </al><al>Door tevens voorwaarden rondom budgetplafonds bij deze voorziening op te nemen
                    in de beleidsregels wordt de balans gezocht tussen maatschappelijke
                    verantwoordelijkheid en financieel rendement. </al><al>Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere
                    betrokken:</al><lijst><li nr="-"><al>De kosten van de vervoersvoorziening.</al></li><li nr="-"><al>De duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal
                            maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd.</al></li><li nr="-"><al>De omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren dat
                            de persoon gaat werken.</al></li><li nr="-"><al>De opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en
                            eventuele ander lasten (bijvoorbeeld in het kader van de WMO) in relatie
                            tot de kosten van de vervoersvoorziening.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 23 Kinderopvang </tussenkop><al>Geen nadere toelichting op dit artikel.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Voorzieningen gericht op participatie </tussenkop><tussenkop>Artikel 24 Sociale activering </tussenkop><al>Sociale activering binnen Activerium (unit Participatie) heeft de focus van
                    maatschappelijke participatie: zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven staat voorop (onderdeel van aanpak Talent). Het gaat (nog)
                    niet om het vinden en krijgen van werk. Het actief zijn en uit het sociale
                    isolement halen staat voorop. Deze vorm van sociale activering is bedoeld voor
                    personen waarbij deelname aan een participatieplaats of vrijwilligerswerk nog
                    een stap te ver is. Ze zijn gedeeltelijk ontheven van de arbeidsverplichtingen.
                    Deze ontheffing geldt voor maximaal 3 jaar. Wel bestaat de verplichting zich
                    beschikbaar te stellen voor sociale activering. Bij sociale activering kan
                    worden gedacht aan deelname aan activiteiten of koffie drinken in een
                    buurthuis.</al><al>In incidentele gevallen wordt sociale activering gezien als opstap naar
                    reguliere arbeid als onderdeel van een reïntegratietraject. Dit kan geïnitieerd
                    worden door zowel de klantmanager werk als participatie. Bij het niet nakomen
                    van de afspraken is (formeel) artikel 9 lid 4 onderdeel h van de
                    Maatregelverordening van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 25 Participatieplek</tussenkop><al>Met een participatieplek wordt een participatieplaats bedoeld (artikel 10a
                    Participatiewet). De voorziening is bedoeld voor uitkeringsgerechtigden voor wie
                    de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor
                    vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. Het betreft personen die
                    zijn vrijgesteld van een deel van de arbeidsverplichtingen. Deze ontheffing
                    geldt voor maximaal 3 jaar. Wel zijn ze verplicht beschikbaar te zijn voor de
                    mogelijkheden op het gebied van participatie, zoals deelname aan een
                    participatieplaats. Bij voorbeelden van participatieplaatsen kan gedacht worden
                    aan koffie/thee rondbrengen, chauffeur, telefoniste, maatje, klusjesman,
                    gastvrouw, keukenvrijwilliger, zorgvrijwilliger. </al><tussenkop>Artikel 26 Vrijwilligerswerk </tussenkop><al>Vrijwilligerswerkis bedoeld voor uitkeringsgerechtigden voor wie de kans
                    op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet
                    bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. Het betreft personen die zijn vrijgesteld
                    van een deel van de arbeidsverplichtingen.Groot verschil met de
                    participatieplaats is de mate van begeleiding. Vrijwilligers worden, in
                    tegenstelling tot personen op een participatieplaats, geacht (redelijk)
                    zelfstandig hun werkzaamheden te verrichten. Een deel van de
                    uitkeringsgerechtigden die vrijwilligerswerk verrichten hebben dit werk op eigen
                    initiatief gevonden. Vrijwilligerswerk kan een eindstation of tussenstop zijn.
                    Zo kunnen uitkeringsgerechtigden vanuit sociale activering of een
                    participatieplaats doorgroeien naar vrijwilligerswerk. Tevens kan
                    vrijwilligerswerk een opstap zijn naar (een) reïntegratie (-plek) of betaald
                    werk.</al><al>De wet kent verschillende maximale vrijlatingsbedragen met betrekking tot (on-)
                    kostenvergoedingen voor vrijwilligerswerk. Onderscheid wordt gemaakt naar
                    “regulier” vrijwilligerswerk en vrijwilligerswerk in het kader van een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</al><al>Vanaf 1 januari 2006 geldt een bedrag van ten hoogste € 95,- per maand met een
                    maximum van € 764,- per jaar voor “regulier” vrijwilligerswerk. Voor een
                    kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk in het kader van een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in <onderstreept>artikel
                        7 lid 1 onderdeel a Participatiewet</onderstreept> geldt een bedrag van ten
                    hoogste </al><al>€ 150,- per maand met een maximum van € 1.500,00 per jaar. De vrijlating (on-)
                    kostenvergoeding is geregeld in artikel 31 lid 2 onderdeel k
                    Participatiewet.</al><al>Het college maakt gebruik van de maximale vrijlatingen van (on)kostenvergoeding
                    in het kader van vrijwilligerswerk, die op grond van artikel 31,tweede lid,
                    onderdeel k, Participatiewet mogelijk zijn. Niet elk bedrag kan worden begrepen
                    onder een kostenvergoeding waarvoor de vrijlatingsgrens geldt. </al><al>De Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2015:2617) heeft zich erover
                    uitgelaten dat aard en strekking van de betaling zich ertegen kunnen verzetten
                    dat elk bedrag moet worden begrepen onder een kostenvergoeding. Hierbij kunnen
                    factoren meespelen als: </al><lijst><li nr="-"><al>maakt de vrijwilligersorganisatie zelf onderscheid tussen de
                            verschillende kostenvergoedingen?;</al></li><li nr="-"><al>staan de kosten op zichzelf los van het verrichten van het eigenlijke
                            vrijwilligerswerk? Zo staat een reiskostenvergoeding voor het reizen
                            naar het vrijwilligerswerk en weer naar huis, op zichzelf los van het
                            verrichten van het eigenlijke vrijwilligerswerk;</al></li><li nr="-"><al>is de kostenvergoeding redelijk? Bijvoorbeeld bij reiskostenvergoeding:
                            is deze beperkt tot het door de fiscus geaccepteerde bedrag? </al></li></lijst><al>De wetgever heeft de maximale vrijlatingsbedragen afgestemd op de bedragen zoals
                    die gelden op grond van artikel 2, zesde lid van de Wet op de Loonbelasting.
                    Daarom wordt aangesloten bij de fiscale regels om te bepalen of een bedrag wordt
                    begrepen onder een kostenvergoeding </al><al>waarvoor de vrijlatingsgrens geldt. Dit betekent onder andere dat vergoeding van
                    werkelijk gemaakte en aantoonbare kosten geen gevolgen heeft voor de uitkering,
                    maar betaling van forfaitaire vergoedingen wel als de vrijlatingsgrens daardoor
                    wordt overschreden.</al><tussenkop>Artikel 27 Tegenprestatie</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat de reïntegratieverplichting binnen de Participatiewet meer
                    en betere handvatten biedt voor het bevorderen van arbeidsinschakeling en
                    participatie dan de tegenprestatie waar veel wettelijke restricties gelden. Het
                    college wil wel de mogelijkheid openhouden om gebruik te maken van de
                    tegenprestatie. De tegenprestatie kan dan als instrument ingezet worden om
                    participatie te bevorderen. Maatwerk is daarbij belangrijk. </al><al>Vrijwilligerswerk en tegenprestatie lijken op elkaar maar zijn niet identiek.
                    Vrijwilligerswerk is onverplicht terwijl de tegenprestatie opgelegd wordt. Het
                    soort werkzaamheden kan wel overeenkomen. Vrijwilligerswerk dat voldoet aan de
                    voorwaarden van een tegenprestatie kan worden aangemerkt als een
                    tegenprestatie.</al><al>Mantelzorg is langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep
                    wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving,
                    waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt Indien mantelzorg naar
                    het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is, draagt het college
                    aan degene die mantelzorg verricht geen tegenprestatie op.</al><tussenkop>Artikel 28 Participatievoorziening beschut werken</tussenkop><al>In de notitie Beschut werk is bepaald onder welke voorwaarden en in welke mate
                    de voorziening beschut werk wordt aangeboden. Beschut werk wordt een voorziening
                    voor een afgebakende doelgroep. Personen moeten in staat zijn een loonwaarde te
                    behalen tussen 20% en 50%. Medewerkers met een loonwaarde van minder dan 20%
                    hebben een te ‘beperkt’ verdien vermogen hebben. Voor deze medewerkers zijn
                    andere voorzieningen voor handen zoals bijvoorbeeld arbeidsmatige dagbesteding
                    genoemd onder lid 7. </al><al>Tegelijkertijd geldt voor personen met een loonwaarde van boven de 50% dat een
                    werkgever kan ‘verdienen’ aan de inzet van een medewerker en liggen oplossingen
                    met marktpartijen (bijvoorbeeld detacheringen) meer voor de hand. </al><al>Personen krijgen een aanstelling tussen de 0,65 fte en 0,80 fte. Wettelijk is
                    bepaald dat bij beschut werk sprake moet zijn van een arbeidsovereenkomst met de
                    gemeente als werkgever (rechtstreeks of via een BV, NV of stichting) en de
                    beloning moet minimaal het wettelijk minimumloon zijn. </al><al>De instroom is vastgesteld op 10 personen in 2015 en 15 personen in 2016. Gezien
                    de samenwerking met Felua-groep binnen de Participatiewet en gezien de aanwezige
                    kennis en expertise wordt de uitvoering voor beschut werk in 2015 belegt bij
                    Felua-groep. </al><tussenkop>Artikel 29 Dagbesteding </tussenkop><al>Dagbesteding is een voorziening vanuit de Wmo maar bevindt zich wel op het
                    snijvlak van JZW en Activerium. Binnen Activerium (unit Participatie) is de
                    aanwezigheid van dagbesteding een factor waar rekening mee gehouden dient te
                    worden bij het zoeken naar (verdere) activeringsmogelijkheden. Veelal is
                    dagbesteding het maximale mogelijk (op dat moment). Om belanghebbenden op dit
                    gebied te kunnen faciliteren is er voor gekozen om het onderdeel als
                    beleidsregel op te nemen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 30 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Geen nadere toelichting op dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 31 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Geen nadere toelichting op dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 32 Citeertitel</tussenkop><al>Geen nadere toelichting op dit artikel.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>