<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR403964_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Lochem</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, 51129</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Lochem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.3-2.1.6, art. 2.3.6, art. 2.6.6</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-06-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Lochem</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Lochem
                        2016</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Lochem,</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        8 maart 2016;</al><al/><al> gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende
                        lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7,2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid
                        van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten te ondersteunen als zij
                        dusdanige beperkingen ondervinden bij hun maatschappelijke participatie
                        en zelfredzaamheid dat zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp,
                        met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking
                        van algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen
                        voorzien;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten met psychische of
                        psychosociale problemen en belanghebbenden die de thuissituatie hebben
                        verlaten, al dan niet in verband met risico's voor hun veiligheid als
                        gevolg van huiselijk geweld, te ondersteunen bij het zich handhaven in
                        de samenleving als zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                        mantelzorg , of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking
                        van algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen
                        voorzien;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen
                        met betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning;</al><al/><al>besluit vast te stellen de Verordening wet maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Lochem.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1:</nr><titel>Begrippen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>Algemeen
                                        gebruikelijke</cursief><cursief>voorziening:</cursief>een
                                    voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is
                                    dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou
                                    (hebben kunnen) beschikken;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Algemene</cursief><cursief>voorziening</cursief>:
                                    aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand
                                    onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden
                                    van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op
                                    maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Beleidsregels</cursief>: Beleidsregels wet
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Lochem 2015;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Besluit</cursief>: Besluit wet maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Lochem 2015;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Bijdrage</cursief><cursief> in</cursief><cursief>
                                        de</cursief><cursief>kosten</cursief>: bijdrage
                                    als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Het</cursief><cursief>Gesprek</cursief>: Het
                                    gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel
                                    2.3.2 eerste lid van de Wet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Hoofdverblijf</cursief>: De plaats waar een cliënt de
                                    meeste nachten per jaar doorbrengt;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Hulpvraag</cursief>: behoefte aan maatschappelijke
                                    ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de
                                    wet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Ingezetene</cursief>: cliënt die hoofdverblijf heeft in
                                    de gemeente Lochem;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Melding</cursief>: kenbaar maken van de hulpvraag aan
                                    het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de
                                    wet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Onverwijld</cursief>: zo spoedig mogelijk, doch in
                                    ieder geval binnen drie werkdagen;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Persoon
                                        gebonden</cursief><cursief>Budget</cursief>:
                                    bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor
                                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                                    die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van
                                    derden heeft betrokken;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Persoonlijk</cursief><cursief>plan</cursief>:
                                    plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel
                                    2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet,
                                    beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar
                                    zijn mening het meest is aangewezen;</al></li><li nr="-"><al><cursief>Wet</cursief>: Wet maatschappelijke ondersteuning
                                    2015.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Zorg</cursief><cursief>in</cursief><cursief>
                                        natura</cursief>: een voorziening in de vorm van goederen in
                                    bruikleen of in eigendom of als persoonlijke
                                    dienstverlening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2:</nr><titel>Melding, onderzoek en aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college
                                worden gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding en
                                maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze en
                                onafhankelijke cliëntondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek
                                op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis
                                cliëntondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het
                                indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen
                                na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als
                                bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatie en identificatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de
                                gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waar
                                over hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, stelt het college de
                                identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als
                                bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in
                                    artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en
                                    toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt
                                    zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.</al></li><li nr="2."><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college
                                    onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in
                                    overleg met de cliënt afzien van een gesprek.</al></li><li nr="3."><al>Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt
                                    gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor
                                    zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn
                                    familie.</al></li><li nr="4."><al>Factoren die in ieder geval deel uitmaken van het onderzoek en
                                    de basis voor het gesprek zijn als volgt:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de
                                            cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om
                                            ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke
                                            hulp of met een voorziening welk voor de cliënt als
                                            algemeen gebruikelijk mag worden beschouwd, zijn
                                            zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te
                                            verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen
                                            op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere
                                            personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot
                                            verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn
                                            participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet
                                            doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                            mantelzorger van de cliënt;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                                            voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld
                                            in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot
                            verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te
                            voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheden om door middel van voorliggende
                                            voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en
                                            zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en
                                            andere partijen op het gebied van publieke gezondheid,
                                            jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen,
                                            te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke
                                            ondersteuning;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te
                                            verstrekken;</al></li><li nr="i."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing
                                            van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de
                                            wet verschuldigd zal zijn, en</al></li><li nr="j."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van
                                            een Pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen
                                            wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens
                                    vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld
                                    welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een
                                    verstrekkingsvorm en wat de gevolgen van die keuze zijn.</al></li><li nr="6."><al>Het college wijst de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger op de
                                    mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 7 in te
                                    dienen.</al></li><li nr="7."><al>Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger
                                    een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek,
                                    waaronder een verslag van het gesprek als bedoeld in het derde
                                    lid.</al></li><li nr="8."><al>Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een
                                    maatwerkvoorziening, wordt dit opgenomen in het verslag van het
                                    gesprek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan
                                nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is
                                uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een
                                cliënt schriftelijk bij het college worden ingediend of met een
                                ondertekend gespreksverslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ondertekend verslag van het gesprek kan, indien de cliënt dit
                                wenst, worden beschouwd als aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening,
                                verstrekt het college desgevraagd terstond een document als bedoeld
                                in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                het onderzoek, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend
                                of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:</al><lijst><li nr="a."><al>Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        bevragen.</al></li><li nr="b."><al>Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen
                                        en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                                advies vragen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet
                                        eerder een voorziening heeft gehad c.q met wie niet eerder
                                        een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd.</al></li><li nr="b."><al>Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel
                                        eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals
                                        bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische
                                        omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde
                                        omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort
                                        van voorziening kunnen beïnvloeden.</al></li><li nr="c."><al>Het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3:</nr><titel>Maatwerkvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Criteria voor maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of
                            psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in
                            staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt
                            deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen
                            of wegnemen</al><lijst><li nr="I."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="II."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="III."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="IV."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;</al></li><li nr="V."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen</al></li><li nr="VI."><al>met gebruikmaking van voorzieningen die voor de cliënt als
                                    algemeen gebruikelijk mogen worden beschouwd.</al></li></lijst><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van
                            het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende
                            bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat
                            wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in
                            de eigen leefomgeving kan blijven, en/of</al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                            samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en
                            de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband
                            met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor
                            zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan
                            verminderen of wegnemen</al><lijst><li nr="I."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="II."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="III."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="IV."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of</al></li><li nr="V."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen.</al></li></lijst><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van
                            het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende
                            bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd
                            wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt
                            in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te
                            handhaven in de samenleving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de
                            goedkoopst compenserende voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover met betrekking tot de problematiek die in het
                                        gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot
                                        ondersteuning, een voorziening op grond van een andere
                                        wettelijke bepaling bestaat;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                                        hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit
                                        zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene
                                        voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="d."><al>indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen
                                        gebruikelijk is;</al></li><li nr="e."><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt na de
                                        melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of
                                        geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk
                                        toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan
                                        worden vastgesteld;</al></li><li nr="f."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening
                                        die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige
                                        wettelijke bepaling of regeling en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken
                                        is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening
                                        verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet
                                        aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel
                                        of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;</al></li><li nr="g."><al>voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is
                                        gericht;</al></li><li nr="h."><al>indien de cliënt tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid heeft betoond.</al></li><li nr="i."><al>Indien de voorziening op therapeutische basis wordt
                                        aangevraagd of een therapeutisch doel dient;</al></li><li nr="j."><al>als deze niet langdurig noodzakelijk is;</al></li><li nr="k."><al>indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente
                                        Lochem.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen woonvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in
                                        de woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                        kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen,
                                        ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers;</al></li><li nr="c."><al>voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten
                                        betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen,
                                        het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het
                                        aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen
                                        van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de
                                        gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een
                                        voorziening voor verhuizing en inrichting;</al></li><li nr="d."><al>Een woonvoorziening voor de aanpassing van een
                                        gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex is niet
                                        mogelijk als het wooncomplex specifiek is bestemd voor de
                                        huisvesting van ouderen of personen met een beperking.</al></li><li nr="e."><al>indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor
                                        geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de
                                        zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden
                                        voor verhuizing aanwezig is;</al></li><li nr="f."><al>indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij
                                        daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door
                                        het college.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit binnen twee weken na ontvangst op de aanvraag
                                voor een maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening,
                                wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als
                                persoonsgebonden budget wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt
                                de beschikking in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>de ingangsdatum en duur van de verstrekking;</al></li><li nr="c."><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij
                                        door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de
                                        kostprijs van de voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van
                                persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>aan welk resultaat het persoonsgebonden budget kan worden
                                        besteed;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit
                                        tot stand is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarop het
                                        persoonsgebonden budget ziet;</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget, en</al></li><li nr="f."><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij
                                        door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de
                                        kostprijs van de voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een Pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6
                                van de wet, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht
                                        voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering
                                        van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale
                                        netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat te achten de
                                        aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te
                                        voeren;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de
                                        maatwerkvoorziening als persoonsgeboden budget wenst
                                        geleverd te krijgen;</al></li><li nr="c."><al>naar oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten,
                                        hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die
                                        tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en
                                        cliëntgericht worden verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vierde lid, van de wet
                                verstrekt het college geen Pgb voor zover de aanvraag betrekking
                                heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening
                                van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de
                                ingekochte voorziening noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een zaak wordt
                                bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de
                                in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in
                                natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover dit geen onderdeel is van het persoonsgebonden budget,
                                kan het bedrag worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en
                                verzekering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening is
                                opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris,
                                vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een cliënt ten behoeve van wie een persoonsgebonden budget wordt
                                verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                maatregelen onder de volgende voorwaarden betreffende het tarief
                                betrekken van een persoon, die hoort tot het sociale netwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>Deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn
                                        diensten dan door het college in het Besluit vastgestelde
                                        tarief. Dit lagere tarief wordt door het college in het
                                        Besluit vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het
                                        persoonsgebonden budget worden betaald.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden
                                na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat
                                waarvoor het is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de hoogte
                                van het persoonsgebonden budget;</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij de verstrekking van het Pgb wordt op basis van maatwerk een
                                brede afweging gemaakt. Hierin worden naast de belangen van zowel de
                                cliënt en het sociale netwerk ook de financiële en maatschappelijke
                                belangen afgewogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de
                                verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van
                                het doel waarvoor ze verstrekt zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking
                                tot de controle op de besteding.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4:</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>Voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een
                                        persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt
                                bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>Door een aanbesteding;</al></li><li nr="b."><al>Na een consultatie in de markt, of</al></li><li nr="c."><al>In overleg met de aanbieder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het
                                verstrekte bedrag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bedragen die gelden voor een bijdrage in de kosten zijn gelijk
                                aan de bedragen opgenomen in het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning (AMvB).</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget
                                wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een
                                minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd
                                door:</al><lijst><li nr="a."><al>de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                        tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                        Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en</al></li><li nr="b."><al>degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag
                                        uitoefent over een cliënt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage
                                verschuldigd indien de ouders Van het gezag over de cliënt zijn
                                ontheven of ontzet.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                        verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>Wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze
                                        bijdrage is; en</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling op welke wijze de kostprijs
                                van een maatwerkvoorziening en Pgb wordt bepaald.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De eigen bijdragen voor maatwerkvoorzieningen, en algemene
                                voorzieningen voor zover het langdurige ondersteuning betreft in de
                                vorm van individuele of groepsgerichte begeleiding of huishoudelijke
                                ondersteuning, worden geheven door het CAK.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Het college werkt de in lid 10 genoemde voorzieningen waarvoor een
                                eigen bijdrage verschuldigd en de langdurigheidstermijn in nadere
                                regels uit.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>De bijdragen in de kosten voor crisisopvang in Deventer worden door
                                de aanbieder van deze dienst vastgesteld en geïnd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5:</nr><titel>Kwaliteit en veiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen,
                                waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen, door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie
                                        van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van
                                        zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun
                                        werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen
                                        handelen in overeenstemming met de professionele
                                        standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de
                                kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                                deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervarings- onderzoek en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval
                                rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot
                                        de zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                        personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                        werkoverleg; en</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van personeel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in
                                ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening
                                        van de leverancier worden gevraagd, zoals:</al><lijst><li nr="I."><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de
                                                voorziening;</al></li><li nr="II."><al>instructie over het gebruik van de voorziening;</al></li><li nr="III."><al>onderhoud van de voorziening, en</al></li><li nr="IV."><al>verplichte deelname in bepaalde
                                                samenwerkingsverbanden.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                            geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder
                            en wijst een toezichthoudendambtenaar aan.</al><lijst><li nr="2."><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                    zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                    onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></li><li nr="3."><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de
                                    wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en
                                    adviseert het college over het voorkomen van verdere
                                    calamiteiten en het bestrijden van geweld.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen
                                    gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
                                    verstrekking van een voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                    college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling
                                    van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot
                                    heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of
                                    2.3.6 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                    beslissing als bedoeld in artikel2.3.5 of 2.3.6 van de wet
                                    herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                    beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het Pgb is
                                    aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het Pgb niet meer toereikend is te
                                    achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
                                    Pgb verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het Pgb niet of voor een
                                    ander doel gebruikt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een beslissing tot verlening van een Pgb kan worden ingetrokken
                                    als blijkt dat het Pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                                    aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                    verlening heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="4."><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid,
                                    onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of
                                    onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft
                                    plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die
                                    daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of
                                    gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten
                                    maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten Pgb.</al></li><li nr="5."><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                    ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></li><li nr="6."><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                    ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></li><li nr="7."><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                    geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen
                                    van Pgb͛s.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6:</nr><titel>Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten
                                in de gemeente kan bestaan uit een financiële, materiële of
                                immateriële waardering<cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college werkt in de beleidsregels de waardering van
                                mantelzorgers nader uit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten beperking of chronische
                                problemen</titel></kop><al>Het college kan in de beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning
                            regels stellen voor de tegemoetkoming aan personen met een beperking of
                            chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband
                            houdende aannemelijke meerkosten hebben, ter ondersteuning van de
                            zelfredzaamheid en de participatie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7:</nr><titel>Klachten, medezeggenschap en inspraak</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van geleverde
                                algemene – en maatwerkvoorzieningen op grond van deze verordening of
                                gemeentelijke financiering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders van dagbesteding of dagopvang waarbij steeds meer dan 10
                                cliënten tegelijkertijd aanwezig zijn, dienen te beschikken over een
                                regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                                besluiten van de aanbieder die voor de cliënten van belang
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van
                                het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning,
                                overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde
                                regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming
                                over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om
                                hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede
                                en derde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8:</nr><titel>Overgangsrecht en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur in 2016 vastgestelde en gevoerde beleid
                            wordt in 2017 geëvalueerd en daarna eens per twee jaar. Het college
                            zendt hiertoe telkens aan de gemeenteraad een verslag over de
                            doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt
                                afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing
                                van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                                leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De thans geldende Verordening wet maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Lochem 2015, vastgesteld op 13 oktober 2014 wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Lochem 2015 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening wet
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Lochem 2015, vastgesteld op
                                13 oktober 2014 en waarop nog niet is beslist bij het in werking
                                treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden
                                afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening wet
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Lochem .</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Lochem op 18 april 2016. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING</titel></kop><al>Artikelsgewijze toelichting op de Modelverordening maatschappelijke
                    ondersteuning 2015</al><tussenkop>HOOFDSTUK 1: Begrippen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Algemeen gebruikelijke voorziening</tussenkop><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat
                    deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen)
                    beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr.
                    06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr.
                    AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of
                    sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het
                    beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen)
                    beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling
                    kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol
                    spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al></li><li nr="-"><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten
                            die algemeen gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="-"><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                            ontworpen?</al></li><li nr="-"><al>Mag de voorziening voor de persoon als cliënt als algemeen gebruikelijk
                            worden beschouwd ? </al></li></lijst><tussenkop>Beleidsregels</tussenkop><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><tussenkop>Besluit</tussenkop><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><tussenkop>Bijdrage in de kosten</tussenkop><al>Uit artikel 2.1.4 van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een
                    bijdrage in de kosten. Cliënten betalen voor hun ondersteuning een bijdrage.
                    Deze bijdrage wordt afhankelijk gesteld van het inkomen en het vermogen. Op
                    grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de wet zijn bij Algemene Maatregel van Bestuur
                    nadere regels (Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015) gesteld. Daarin is
                    bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad (het college bij delegatie door de
                    gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de omvang van de eigen bijdrage.</al><al>Ook voor een algemene voorziening kan een bijdrage van de cliënt in de kosten
                    worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning), maar deze bijdrage kan, anders dan
                    die voor een maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn, tenzij deze bij
                    het CAK wordt aangemeld.</al><tussenkop>Hulpvraag</tussenkop><al>De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in
                    artikel 2.1.4 lid 1 van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan
                    maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat
                    allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is.</al><al>Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op
                    voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een
                    zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is
                    noodzakelijk.</al><tussenkop>Ingezetene</tussenkop><al>De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor
                    een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel
                    1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op Beschermd Wonen en Opvang
                    in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland
                    zijn, maar niet persé van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat
                    een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college
                    van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de
                    jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het
                    gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in de
                    Basisregistratie Personen belangrijk is, maar niet doorslaggevend.</al><tussenkop>Melding</tussenkop><al>Een ieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden
                    maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding
                    zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek
                    (laten) instellen. Indien een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de
                    beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen
                    maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te
                    stellen.</al><tussenkop>Onverwijld</tussenkop><al>De wet en deze verordening spreken op verschillende momenten van ‘onverwijld’.
                    Het ligt altijd aan de concrete omstandigheden van een zaak wat daaronder moet
                    worden verstaan. Het is echter ook van belang voor de cliënt dat hij een indruk
                    heeft waar hij vanuit kan gaan. Dit tweede perspectief zou men zodanig van
                    belang kunnen vinden, dat deze passage in de verordening wordt opgenomen. Het
                    komt de rechtszekerheid ten goede en laat binnen de drie werkdagen voldoende
                    ruimte voor maatwerk.</al><tussenkop>Persoonlijk plan</tussenkop><al>In het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk -
                    de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van
                    de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst,
                    beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel</al><al>2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e Wmo, worden onderzocht door het college.
                    Doordat de cliënt hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een
                    persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze
                    waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig
                    is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de cliënt een
                    persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid
                    van het sociale netwerk van cliënten in de Wmo versterkt.</al><tussenkop>Wet</tussenkop><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Melding</tussenkop><al>De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning,
                    de hulpvraag. De melding is, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting, niet
                    gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan elektronisch of telefonisch
                    worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bijvoorbeeld op locatie bij het
                    sociale wijkteam. In het eerste lid van artikel 2 is nog eens benadrukt dat de
                    melding het middel is van een cliënt om zijn hulpvraag bij het college neer te
                    leggen en dat deze vormvrij is. De melding kan door of namens de cliënt worden
                    gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als
                    vertegenwoordiger kan optreden.</al><al>In het tweede lid is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de
                    ontvangst bevestigt, hoewel dit ook blijkt uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet.
                    Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van
                    de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging
                    van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. De gemeente kan hier wel voor
                    kiezen in verband met de registratie en zorgvuldigheid. Daarom is de
                    schriftelijke bevestiging als optie opgenomen in het artikel.</al><tussenkop>Artikel 3. Cliëntondersteuning</tussenkop><al>De verplichtingen die in dit artikel genoemd worden, zijn ook neergelegd in de
                    artikelen 2.2.4, lid 1 onderdeel a en 2.3.2 lid 3van de wet. Vooral het wijzen
                    op de beschikbare cliëntondersteuning zal een specifieke plek gaan innemen in de
                    procedure na de melding. In het kader van de volledigheid is het dan ook hier
                    als optionele bepaling opgenomen.</al><al>Cliëntondersteuning is gedefinieerd in artikel 1.1.1 van de wet. De
                    cliëntondersteuning is gratis en er kan ook geen bijdrage in de kosten voor
                    worden gevraagd.</al><tussenkop>Artikel 4. Persoonlijk plan</tussenkop><al>De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden, zijn ook opgenomen
                    in artikel 2.3.2 van de wet. Omdat het een specifieke plaats inneemt in de
                    volgorde van de procedure, is het hier op de plaats in de procedure nogmaals
                    ingevoegd. Het persoonlijk plan is in de wet opgenomen door middel van een
                    amendement (TK 2013-2014, 33841 nr. 70). Doordat de cliënt voorafgaand aan het
                    onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college
                    direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn
                    persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te
                    participeren. Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen.</al><tussenkop>Artikel 5. Informatie en identificatie</tussenkop><al>Ook voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet,
                    concreet de artikelen</al><al>2.3.2 lid 7 en 2.3.4 lid 1. Analoog aan artikel 4:2 Awb, dat voor de
                    aanvraagfase van een besluit regelt dat de aanvrager de nodige gegevens moet
                    verstrekken, is met lid 1 van artikel 4 geregeld dat de cliënt daartoe ook in de
                    voorafgaande onderzoeksfase gehouden is. In de Memorie van Toelichting op
                    artikel 2.3.4. lid 1 Wmo is beschreven welke documenten onder artikel 1 Wet op
                    de identificatieplicht vallen, zoals bedoeld in lid 2 van artikel 5.</al><tussenkop>Artikel 6. Het Onderzoek</tussenkop><al>Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2
                    lid 4 de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt
                    in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat
                    persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In artikel 6 wordt
                    benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat het past in het
                    stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij
                    betrokken wordt.</al><al>In lid 7 is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het
                    gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van hetgeen besproken is. Als
                    de cliënt aangeeft geen prijs te stellen op het ontvangen van de weergave van
                    het onderzoeksresultaat en/of het verslag kan verzending daarvan achterwege
                    blijven. In het kader van de zorgvuldigheid dient het college hier niet te
                    snel</al><al>vanuit te gaan. De cliënt zal ondubbelzinnig en schriftelijk moeten verklaren
                    geen prijs te stellen op het ontvangen van de genoemde bescheiden.</al><al>De tweede toevoeging slaat een brug tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt
                    ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar
                    de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering.</al><tussenkop>Artikel 7. Aanvraag</tussenkop><al>In het kader van de volgorde van de procedure herhaalt artikel 7 in lid 1 de
                    wet: de aanvraag kan pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken
                    van de zes wekentermijn. Artikel 2.3.5, lid 1 van de wet maakt duidelijk dat de
                    aanvraag ziet op een maatwerkvoorziening. Andere oplossingen die tot
                    tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke
                    participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet. De
                    elektronische aanvraag is als optie opgenomen, omdat het college op grond van
                    artikel 2:15 lid 1 Awb kenbaar moet maken dat deze weg is geopend. Bij de
                    optionele toevoegingen is de mogelijkheid geboden om voor de aanvraag een
                    formulier vast te stellen dat de cliënt dient te gebruiken en is de mogelijkheid
                    geopend dat ook een ondertekend verslag als aanvraagformulier kan dienen. Met
                    dit artikel wordt ook uitgewerkt de verplichting, neergelegd in artikel 2.1.3,
                    eerste lid en tweede lid, onder a van de wet, waarin is bepaald dat de
                    gemeenteraad bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt
                    vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.</al><tussenkop>Artikel 8. Advisering</tussenkop><al>Lid 1 van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is de
                    degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een
                    aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te
                    verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip
                    en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen
                    deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de
                    beoordeling van de aanspraak op een voorziening.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.</al><al>In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal
                    in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het
                    college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet
                    advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur
                    is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties
                    hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat
                    nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de
                    eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het
                    sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.</al><al>In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt
                    aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk
                    aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per
                    gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente
                    anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente
                    gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening
                    limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt.
                    De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in
                    detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting
                    uitgewerkt.</al><al>In lid 2 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de
                    goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze
                    verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel
                    compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij
                    gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve
                    maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat
                    zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding
                    in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van
                    een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald
                    wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een
                    vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat
                    betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk
                    zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden
                    aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te
                    verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de
                    belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het
                    begrip goedkoopst compenserend geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen
                    het beleid.</al><tussenkop>Artikel 10. Voorwaarden en weigeringsgronden</tussenkop><al>In rechtbankjurisprudentie is herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil
                    er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten
                    hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in
                    het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van
                    afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor
                    de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien.
                    Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel
                    2.1.3, tweede lid onder a van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke
                    criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.</al><al>Ad. a</al><al>De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de
                    Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben
                    met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen.
                    Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval
                    aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond
                    van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening
                    toegekend.</al><al>Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de
                    cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een
                    voorliggende voorziening (CRvB 09- 11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011,
                    nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk
                    moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een
                    voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere
                    wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien
                    vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr.
                    09/1082 WMO).</al><al>Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling
                    slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een
                    voorliggende voorziening (CRvB 22-05- 2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan
                    niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo.</al><al>Ad. b</al><al>Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet
                    centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als
                    afwijzingsgrond.</al><al>Ad. c</al><al>Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening.
                    Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is
                    hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond.</al><al>Ad. d</al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat
                    deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen)
                    beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr.
                    06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr.
                    AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of
                    sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het
                    beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen)
                    beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling
                    kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol
                    spelen:</al><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die
                    algemeen gebruikelijk worden geacht?</al><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?</al><al>Ad. e</al><al>Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat
                    deze al door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen
                    mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te
                    verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan
                    in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt
                    voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet
                    overeenstemt met wat het college als goedkoopst adequate voorziening
                    beschouwt.</al><al>Ad. f</al><al>In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het
                    gaat om een vergoeding of verstrekking die al eerder heeft plaatsgehad, terwijl
                    het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld
                    door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen
                    schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol
                    spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere
                    dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde
                    van de opstal. Dit risico dient in de</al><al>opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de
                    woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze
                    verordening worden gedaan.</al><al>Ad. g</al><al>De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet
                    om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en
                    algemene voorzieningen geschikte instrumenten.</al><al>Ad. h</al><al>De eigen verantwoordelijkheid van cliënten speelt een prominentere rol in de
                    Wmo, getuige bijvoorbeeld CRvB 21-5-2012, nr. 11/5321 WMO. Onderdeel h is
                    optioneel opgenomen om de eigen verantwoordelijkheid daadwerkelijk weer te geven
                    in de verordening zodat het kan dienen als beoordelings- en afwijzingsgrond. De
                    CRvB heeft echter herhaaldelijk (zo ook in de hier genoemde uitspraak)
                    geoordeeld dat de eigen verantwoordelijkheid binnen de Wmo een grote rol speelt,
                    zodat een grondslag niet expliciet nodig lijkt te zijn.</al><al>Ad i.</al><al>De maatwerkvoorziening moet passen binnen het doel van de Wmo. In de loop der
                    jaren is veel jurisprudentie ontstaan over de vraag of iets tot de Wmo of
                    bijvoorbeeld de zorgverzekeringswet hoort. Een redenatie zou kunnen zijn: “ een
                    hoog-laagbad draagt bij aan het verminderen van bewegingsbeperkingen bij iemand
                    met reuma waardoor iemand beter kan participeren”. Maar de Wmo voorziet niet
                    overal in en is niet bedoeld om op therapeutische gronden dergelijke
                    voorzieningen te verstrekken. Er zou een hellend vlak ontstaan waardoor steeds
                    meer voorzieningen naar participatie en zelfredzaamheid geredeneerd worden..
                    Daarom is deze regel opgenomen.</al><al>Ad j.</al><al>Dit is een oud regel die zijn nut verdient door inwoners gebruik te laten maken
                    van onder andere de hulpmiddelen uitleen. Voorzieningen die kortdurend nodig
                    zijn, zijn daar veel sneller en gemakkelijker te verkrijgen dan via de gemeente,
                    die daarvoor altijd eerst onderzoek moet doen.</al><al>In het tweede lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op
                    een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de
                    term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 11. Beschikking</tussenkop><al>De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie
                    krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor
                    is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit
                    artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking
                    moeten worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 12. Persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een Pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een Pgb alleen
                    wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6,
                    tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een Pgb aan te
                    vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 103).</al><al>In de volgende leden wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder
                    b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald
                    op welke wijze de hoogte van een Pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de
                    hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II
                    2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld
                    kan</al><al>bepalen dat het Pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die
                    voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in
                    natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te
                    brengen in de hoogte van het Pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven
                    hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen
                    hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de
                    verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt
                    geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de
                    kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten,
                    zzp’ers zonder diploma’s e.d.).</al><al>Een aanvraag voor een Pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het Pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    Pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het Pgb slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een Pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers-
                    of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief></al><al>Een Pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een Pgb is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in
                    natura.</al><al>Ten aanzien van het zesde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van
                    het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft
                    aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is
                    de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval
                    beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp
                    overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                    aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met
                    betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten
                    (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook
                    hiervoor een Pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een
                    Pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat
                    de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                    veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede
                    lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in
                    artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de
                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid
                    geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt
                    (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).</al><al>In het zevende lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de
                    besteding van het persoonsgebonden budget. Dit dient de rechtszekerheid en
                    voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan.</al><tussenkop>Artikel 13. Controle</tussenkop><al>Op grond van artikel 2.3.6 vierde lid dienen in de verordening regels te worden
                    gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen
                    of persoonsgebonden budget alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                    wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het
                    gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet.</al><tussenkop>Artikel 14. Bijdrage in de kosten</tussenkop><al>De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor
                    maatwerkvoorzieningen in natura en in de vorm van een persoonsgebonden budget
                    alsmede voor algemene voorzieningen. In het tweede lid is het uitgangspunt
                    benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen:
                    de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. In het derde en vierde lid is
                    uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt. In het vijfde lid zijn de bedragen
                    van het het Besluit maatschappelijke ondersteuning (AMvB) van overeenkomstige
                    toepassing verklaard. Dat wil zeggen dat een maximale eigen bijdrage wordt
                    gevraagd, maar dat die begrensd is door het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning (AMvB). In lid 12 is gevolg gegeven aan artikel 2.1.4, zevende
                    lid, waar is bepaald dat in de verordening wordt bepaald welke instantie de
                    bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een
                    persoonsgebonden budget voor opvang vaststelt en int.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen<cursief>.</cursief></al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.</al><al>In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is
                    verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.</al><tussenkop>Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening
                    gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                        arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                    wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde
                    lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor
                    het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                    voorziening.</al><tussenkop>Artikel 18. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering </tussenkop><al>Dit artikel is toegevoegd om in de praktijk handen en voeten te geven aan
                    veranderende omstandigheden waardoor intrekking of wijziging van de toegekende
                    voorziening nodig is.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 6: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten </tussenkop><tussenkop>Artikel 19. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of Pgb, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten
                    wonen.</al><tussenkop>Artikel 20 Cliëntondersteuning</tussenkop><al>In artikel 2.1.7 van de wet is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald
                    dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of
                    psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten
                    hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de
                    zelfredzaamheid en de participatie.</al><al>De tegemoetkoming kan op aanvraag worden verstrekt. De beslissing op een
                    dergelijke aanvraag is een beschikking.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak </tussenkop><tussenkop>Artikel 21. Klachtregeling</tussenkop><al>In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor
                    de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien
                    van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op
                    te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).</al><al>In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich</al><al>bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een
                    gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of
                    over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over
                    een gedraging van de</al><al>aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder).</al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    gemeente voor het indienen van de klacht open.</al><al>In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd</al><tussenkop>Artikel 22. Medezeggenschap</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                    besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist
                    is.</al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder al verwezenlijkt via
                    de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten.</al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling
                    voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de
                    in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling
                    op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).</al><al>In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 23. Betrekken van ingezetenen bij beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.</al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning.</al><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de medezeggenschap vorm te geven.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 8: Overgangsrecht en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 25. Nadere regels en hardheidsclausule</tussenkop><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen
                    om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te
                    beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
                    Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                    verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke
                    beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is
                    van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan
                    de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule
                    vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid
                    terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><tussenkop>Artikel 26. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de AWBZ overgaan naar
                    de Wmo, zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4. In dit artikel is het
                    overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het tweede lid is duidelijk
                    gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft
                    plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen die
                    nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening
                    beoordeeld zullen worden. Omdat dit voor de cliënt nadelige gevolgen kan hebben,
                    is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als
                    dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit moet voorkomen dat de cliënt
                    gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is
                    geweest en zijn rechtspositie door het tijdverloop wordt aangetast. </al><tussenkop>Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de
                    verordening dient te worden aangehaald.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>