<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR403572_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Alblasserdam 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alblasserdam</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-04-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alblasserdam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Alblasserdam 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="HTTP://WETTEN.OVERHEID.NL/BWBR0035362/2015-01-01">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-02-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Alblasserdam 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>INLEIDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr></kop><al>Begripsomschrijvingen</al><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>24-uursopvang</cursief> tijdelijke opvang,
                                            bestaande uit verblijf en begeleiding;</al></li><li nr="b."><al><cursief>algemeen gebruikelijke voorziening</cursief>
                                            een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen
                                            met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en die
                                            niet - aanzienlijk - duurder is dan vergelijkbare
                                            producten;</al></li><li nr="c."><al><cursief>algemene voorziening</cursief> maatschappelijke
                                            voorziening zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet,
                                            die is gericht op beschermd wonen en opvang;</al></li><li nr="d."><al>beschermd wonen wonen in een accommodatie van een
                                            instelling met daarbij behorende toezicht en
                                            begeleiding, gericht op het bevorderen van
                                            zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en
                                            psychosociaal functioneren, stabilisatie van een
                                            psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van
                                            verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het
                                            afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd
                                            voor personen met psychische of psychosociale problemen,
                                            die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven
                                            in de samenleving;</al></li><li nr="e."><al><cursief>bijdrage</cursief> bijdrage in
                                                de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>budgetplan</cursief> een door of namens de cliënt
                                            opgesteld plan over het persoonsgebonden budget, waarin onder
                                            andere is opgenomen welke maatwerkvoorziening met welk te
                                            bereiken resultaat de cliënt wil inkopen met een
                                            persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="g."><al><cursief>college</cursief>het college van burgemeester
                                            en wethouders;</al></li><li nr="h."><al><cursief>maatwerkvoorziening</cursief>maatwerkvoorziening
                                            als omschreven in artikel 1.1.1 van de wet, die is gericht op
                                            beschermd wonen en opvang, en te verstrekken als voorziening in
                                            natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="i."><al><cursief>mantelzorger</cursief>een persoon die
                                            mantelzorg in de zin van artikel 1.1.1 van de wet biedt;</al></li><li nr="j."><al><cursief>melding</cursief> melding als bedoeld in artikel 2.3.2
                                            eerste lid van de wet;</al></li><li nr="k."><al><cursief>ondersteuningsplan</cursief>een door de
                                            cliënt en de aanbieder overeengekomen plan dat een concrete
                                            invulling bevat van de door de aanbieder te verlenen
                                            ondersteuning aan de cliënt, gebaseerd op de geïndiceerde
                                            ondersteuning;</al></li><li nr="l."><al><cursief>onderzoeksverslag</cursief>een weergave van
                                            de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van
                                            de wet;</al></li><li nr="m."><al><cursief> persoonsgebonden budget</cursief> een
                                            maatwerkvoorziening in de vorm van een geldbedrag waaruit namens
                                            het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen
                                            en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren,
                                            en die een cliënt van derden heeft betrokken;</al></li><li nr="n."><al><cursief>persoonlijk plan</cursief> persoonlijk
                                    plan als bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid van de wet;</al></li><li nr="o."><al><cursief>voorliggende voorziening</cursief> voorziening op grond
                                            van een andere wettelijke bepaling;</al></li><li nr="p."><al><cursief>voorzieninginnatura</cursief>
                                            maatwerkvoorziening die in eigendom, in bruikleen of in de vorm
                                            van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="q."><al><cursief>wet</cursief> Wet maatschappelijke ondersteuning
                                            2015.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt
                                    en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde
                                    betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015
                                    en de Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Reikwijdte </titel></kop><al>Deze verordening regelt de algemene voorzieningen en
                            maatwerkvoorzieningen met betrekking tot beschermd wonen en opvang.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>PROCEDUREREGELS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De melding wordt gedaan door of namens de cliënt bij het
                                    college.</al></li><li nr="2."><al>De melding vindt plaats op de door het college voorgeschreven
                                    wijze.</al></li><li nr="3."><al>Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk
                                    en geeft de cliënt zeven dagen de tijd een persoonlijk plan in
                                    te leveren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Cliëntondersteuning </titel></kop><al>Het college wijst cliënten die een melding doen en hun mantelzorgers op
                            de mogelijkheid zich gedurende de procedure desgewenst te laten bijstaan
                            door een onafhankelijke cliëntondersteuner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Onderzoek en gesprek </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek met de
                                    cliënt, en/of degene die namens de cliënt de melding heeft
                                    gedaan, en/of de vertegenwoordiger van de cliënt, waar mogelijk
                                    de mantelzorger(s), en/of desgewenst personen uit het sociale
                                    netwerk.</al></li><li nr="2."><al>Het college vraagt voor het gesprek aan de cliënt alle gegevens
                                    en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij
                                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, te verschaffen.
                                    Hiertoe behoort in ieder geval een identificatiedocument als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht,
                                    tenzij het college daarover al beschikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Onderzoeksverslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger een
                                    onderzoeksverslag.</al></li><li nr="2."><al>het college voegt opmerkingen of latere aanvullingen van de
                                    cliënt toe aan het onderzoeksverslag en verstrekt het aangepaste
                                    onderzoeksverslag aan de cliënt of diens vertegenwoordiger.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>De aanvraag </titel></kop><al>De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet door of namens de cliënt
                            schriftelijk worden ingediend door middel van een door het college
                            vastgesteld aanvraagformulier of een ondertekend onderzoeksverslag.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Medewerking cliënt </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college is, onverminderd artikel 2.3.8 van de wet, in ieder
                                    geval bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de
                                    beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt op te roepen in persoon te verschijnen op een
                                            door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                            bevragen;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt op een door het college te bepalen plaats en
                                            tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen
                                            te laten bevragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De cliënt is verplicht medewerking te verlenen aan de oproep als
                                    bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging en/of
                                    onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b.</al></li><li nr="3."><al>Indien de cliënt geen gehoor kan geven aan de oproep op een door
                                    het college te bepalen plaats en tijdstip te verschijnen, dan
                                    kan een huisbezoek plaatsvinden, waaraan de cliënt verplicht
                                    zijn medewerking moet verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Advisering </titel></kop><al>Het college is bevoegd om, indien dit van belang kan zijn voor de
                            beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, zich te laten
                            adviseren door een daartoe geschikte instantie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Ondersteuningsplan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, indien dit van belang is voor de beoordeling
                                    van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en/of het bepalen
                                    van de benodigde maatwerkvoorziening, een ondersteuningsplan
                                    laten opstellen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 2.6 is van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>BEOORDELING AANSPRAAK OP MAATWERKVOORZIENING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Uitgangspunt bij beoordeling maatwerkvoorziening</titel></kop><al>Het college neemt het onderzoeksverslag, en indien aanwezig het
                            ondersteuningsplan, als uitgangspunt bij de beoordeling van de aanspraak
                            voor een maatwerkvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Algemene criteria</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er bestaat aanspraak op een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover deze noodzakelijk is om de cliënt in staat te
                                            stellen tot het zich handhaven in de samenleving;</al></li><li nr="b."><al>voor zover deze als de goedkoopst passende voorziening
                                            aan te merken is;</al></li><li nr="c."><al>indien deze een passende bijdrage levert aan het
                                            voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd
                                            wonen en opvang en aan het realiseren van een situatie
                                            waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel
                                            mogelijk weer op eigen kracht, of indien dit niet
                                            mogelijk is voor cliënt, met een toenemende mate van
                                            zelfredzaamheid, te handhaven in de samenleving.</al></li><li nr="d."><al>voor zover de cliënt de problemen bij het zich handhaven
                                            in de samenleving niet kan verminderen of wegnemen:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="2."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="3."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="4."><al>met hulp van andere personen uit het sociale netwerk;</al></li><li nr="5."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen;</al></li><li nr="6."><al>door het verrichten van maatschappelijk nuttige
                                    activiteiten.</al><lijst><li nr="e."><al>voor zover de cliënt die de thuissituatie heeft
                                            verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn
                                            veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de problemen
                                            bij het zich handhaven in de samenleving niet kan
                                            verminderen of wegnemen:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="2."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="3."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="4."><al>met hulp van andere personen uit het sociale netwerk;</al></li><li nr="5."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen;</al></li><li nr="6."><al>door het verrichten van maatschappelijk nuttige
                                    activiteiten.</al></li><li nr="2."><al>Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de voorziening voor de persoon van de cliënt
                                            algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de cliënt een beroep kan doen op een
                                            voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel,
                                            wordt geacht voor de cliënt toereikend en passend te
                                            zijn of die de kosten van de maatwerkvoorziening als
                                            niet noodzakelijk heeft aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>indien de cliënt niet of onvoldoende meewerkt aan het
                                            opstellen, evalueren of nakomen van het
                                            ondersteuningsplan.</al></li><li nr="d."><al>indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de
                                            cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen
                                            als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of
                                            aan de in deze verordening gestelde verplichtingen;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan nadere regels stellen inzake de toegang tot
                                    maatwerkvoorzieningen en de aard, inhoud en omvang van de te
                                    verstrekken maatwerkvoorzieningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Criteria beschermd wonen</titel></kop><al>De cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen, indien hij,
                            onverminderd de in de wet en in artikel 3.2 van deze verordening
                            genoemde criteria, voldoet aan alle volgende criteria: </al><lijst><li nr="a."><al>Er is noodzaak tot verblijf in een veilige/beschermde omgeving
                                    in een accommodatie van een instelling, als onderdeel van de
                                    ondersteuningsbehoefte, met intensieve begeleiding en met het
                                    daarbij behorende toezicht.</al></li><li nr="b."><al>De cliënt kan onvoldoende beroep doen op het sociale
                                    netwerk.</al></li><li nr="c."><al>Er is geen inzet van ambulante begeleiding in de
                                    thuissituatie.</al></li><li nr="d."><al>Er is geen sprake (meer) van klinische behandeling op grond van
                                    de Zorgverzekeringswet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Criteria 24-uursopvang</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De cliënt komt in aanmerking voor 24-uursopvang, indien hij,
                                    onverminderd de in de wet en de verordening genoemde criteria,
                                    voldoet aan alle volgende criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>Er is een noodzaak tot verblijf in een veilige omgeving,
                                            als onderdeel van de ondersteuningsbehoefte, met
                                            intensieve begeleiding.</al></li><li nr="b."><al>Er is sprake van (dreigende) uithuiszetting, dakloosheid
                                            en/of thuisloosheid.</al></li><li nr="c."><al>De cliënt kan onvoldoende beroep doen op het sociale
                                            netwerk.</al></li><li nr="d."><al>Er is sprake van ernstige problemen op minimaal drie van
                                            de leefgebieden van de zelfredzaamheidsmatrix.</al></li><li nr="e."><al>De cliënt verschaft inzicht in zijn financiële situatie
                                            (incl. schulden) en werkt mee aan het financieel beheer
                                            en oplossen van zijn financiële problematiek.</al></li><li nr="f."><al>De cliënt werkt actief mee aan een
                                            hulpverleningstraject.</al></li><li nr="g."><al>De cliënt heeft een dagbesteding of zet zich in om
                                            minimaal voor 20 uur een zinvolle dagbesteding te
                                            hebben.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De cliënt komt maximaal 1 jaar in aanmerking voor
                                    24-uursopvang.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>PERSOONSGEBONDEN BUDGET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Criteria persoonsgebonden budget </titel></kop><al>Het college weigert de verlening van een persoonsgebonden budget: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de cliënt het door het college vastgestelde budgetplan
                                    niet heeft overgelegd of onvolledig ingevuld heeft
                                    overgelegd;</al></li><li nr="b."><al>indien de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het
                                    college te bespreken of, na voor een gesprek daarover te zijn
                                    opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;</al></li><li nr="c."><al>indien de cliënt surseance van betaling heeft aangevraagd of
                                    failliet is verklaard;</al></li><li nr="d."><al>indien ten aanzien van de cliënt de schuldsaneringsregeling
                                    natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een
                                    verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;</al></li><li nr="e."><al>indien de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de
                                    verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde
                                    verplichtingen;</al></li><li nr="f."><al>indien het naar het oordeel van het college onvoldoende
                                    aannemelijk is dat met het persoonsgebonden budget zal worden
                                    voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit;</al></li><li nr="g."><al>indien de cliënt naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                    niet in staat kan worden geacht het persoonsgebonden budget te
                                    beheren, tenzij de cliënt het beheren laat uitvoeren door een
                                    gemachtigde die:</al><lijst><li nr="-"><al>niet de natuurlijke persoon is die, via het
                                            persoonsgebonden budget, de ondersteuning verleent.</al></li><li nr="-"><al>niet werkzaam is bij of via de rechtspersoon waar de
                                            ondersteuning met het persoonsgebonden budget wordt
                                            betrokken.</al></li><li nr="-"><al>niet de rechtspersoon is, of gelieerd is aan de
                                            rechtspersoon waar ondersteuning met het
                                            persoonsgebonden budget wordt betrokken.</al></li></lijst></li><li nr="h."><al>indien de beperkingen kunnen worden gecompenseerd met een
                                    collectieve voorziening;</al></li><li nr="i."><al>indien op voorhand vaststaat dat binnen korte tijd vervanging
                                    van de maatwerkvoorziening nodig is;</al></li><li nr="j."><al>indien sprake is van vervanging van een maatwerkvoorziening in
                                    natura waarvan de afschrijftermijn nog niet is verstreken;</al></li><li nr="k."><al>indien bekend is dat de cliënt op een zodanige termijn gaat
                                    verhuizen dat de afschrijftermijn van de maatwerkvoorziening ten
                                    tijde daarvan nog niet zal zijn verstreken;</al></li><li nr="l."><al>indien sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie
                                    als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet;</al></li><li nr="m."><al>voor zover het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding
                                    buiten Nederland;</al></li><li nr="n."><al>voor zover het persoonsgebonden budget is bedoeld voor
                                    bemiddelingskosten of begeleidings- of administratiekosten in
                                    verband met het beheren van het persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Hoogte persoonsgebonden budget </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen
                                    en opvang wordt, indien sprake is van beschermd wonen en opvang
                                    door professionele hulpverleners conform de geldende
                                    kwaliteitsstandaarden, bepaald aan de hand van en op ten hoogste
                                    de prijs waarvoor het college deze beschermd wonen en opvang
                                    heeft gecontracteerd.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan, onverminderd het eerste lid, nadere regels
                                    stellen over de hoogte van het persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Tarief persoonsgebonden budget in sociaal netwerk </titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden betreffende
                            het tarief waaronder een cliënt de mogelijkheid heeft een
                            persoonsgebonden budget te besteden bij een persoon die behoort tot zijn
                            sociale netwerk.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>BIJDRAGE IN DE KOSTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Maatwerkvoorzieningen </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor beschermd wonen en
                                    24-uursopvang.</al></li><li nr="2."><al>De bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld op
                                    het toegestane maximumbedrag in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015,
                                    met dien verstande dat de bijdrage niet meer bedraagt dan de
                                    kostprijs.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan nadere regels stellen inzake de
                                    verschuldigdheid, inhoud en hoogte van de bijdrage.</al></li><li nr="4."><al>De eigen bijdrage voor 24-uursopvang wordt vastgesteld en geïnd
                                    door de instelling waar de cliënt verblijft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Algemene voorzieningen </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor crisisopvang.</al></li><li nr="2."><al>De bijdrage voor crisisopvang wordt vastgesteld op het
                                    toegestane maximumbedrag in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, met
                                    dien verstande dat de bijdrage niet meer bedraagt dan de
                                    kostprijs.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan nadere regels stellen inzake de
                                    verschuldigdheid, inhoud en hoogte van de bijdrage.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Kostprijs </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kostprijs van een voorziening in natura is gelijk aan de
                                    prijs waarvoor het college de voorziening in natura betrekt van
                                    een gecontracteerde aanbieder.</al></li><li nr="2."><al>De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het
                                    bedrag van het persoonsgebonden budget.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan, onverminderd het eerste en tweede lid, nadere
                                    regels stellen over (het bepalen van) de kostprijs.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>BEËINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Beëindiging </titel></kop><al>Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een toegekende
                            aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen
                            of opschorten, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet wordt voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de
                                    wet of de verordening;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt wordt opgenomen in een instelling in de zin van de Wet
                                    toelating zorginstellingen of in een ziekenhuis;</al></li><li nr="c."><al>de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen van het gebruik,
                                    verantwoording en administratie van de maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt is overleden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Herziening en intrekking </titel></kop><al>Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een besluit tot
                            toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of
                            gedeeltelijk herzien of intrekken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de wet
                                    of deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die
                                    gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                    bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;</al></li><li nr="c."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na
                                    toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de
                                    maatwerkvoorziening is getroffen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Terugvordering </titel></kop><al>Indien het besluit tot toekenning van een aanspraak op een
                            maatwerkvoorziening is herzien of ingetrokken, kan het college,
                            onverminderd artikel 2.4.1 van de wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget
                                    terugvorderen;</al></li><li nr="b."><al>de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in
                                    natura terugvorderen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Fraudepreventie </titel></kop><al>Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Onderdeel van dit
                            beleid is dat het college cliënten informeert over de rechten en
                            plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn
                            verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik
                            daarvan. Ter controle van het beroep op algemene- en
                            maatwerkvoorzieningen wordt onder meer gebruik gemaakt van
                            bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van de samenloopsignalen
                            die daaruit voortkomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Controle </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de
                                    maatwerkvoorziening en kan daarbij onder meer gebruikmaken van
                                    huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de
                                    samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college kan
                                    daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor de
                                    aanspraak op een maatwerkvoorziening onderzoeken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan onderzoek doen naar de reden van de beëindiging
                                    van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en op basis daarvan
                                    besluiten nemen met betrekking tot de rechtmatigheid van de
                                    maatwerkvoorziening en de wederzijds tussen het college en de
                                    cliënt resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Nadere regels </titel></kop><al>Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere
                            regels stellen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>KWALITEIT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Kwaliteitseisen </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanbieder van een voorziening zorgt voor een goede kwaliteit
                                    van de voorziening, wat in ieder geval betekent dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht
                                            is;</al></li><li nr="b."><al>de voorziening is afgestemd op de persoonlijke situatie
                                            van de cliënt;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening is afgestemd op andere vormen van zorg of
                                            hulp die de cliënt ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>de beroepskracht die een voorziening levert, handelt in
                                            overeenstemming met de professionele standaard;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening voldoet aan de door de aanbieder en het
                                            college overeengekomen kwaliteitseisen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen over welke verdere eisen
                                    worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                                    betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                    begrepen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Prijs-kwaliteitverhouding </titel></kop><al>Het college houdt bij de inkoop van beschermd wonen en opvang door
                            derden en het vaststellen van de tarieven daarvan in ieder geval
                            rekening met: </al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken en/of de te leveren
                                    voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de vereiste deskundigheid en vaardigheden van de
                                    beroepskrachten;</al></li><li nr="c."><al>de arbeidsvoorwaarden passend bij de vereiste deskundigheid en
                                    vaardigheden van de beroepskrachten en de zwaarte van de
                                    functie;</al></li><li nr="d."><al>de kwaliteitseisen die aan beschermd wonen en opvang worden
                                    gesteld;</al></li><li nr="e."><al>de reële marktprijs van de beschermd wonen en opvang.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>KLACHTENAFHANDELING EN MEDEZEGGENSCHAP</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>Regeling voor klachtenafhandeling </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Iedere aanbieder van een voorziening heeft een regeling voor
                                    afhandeling van klachten van cliënten.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe
                                    op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Regeling voor medezeggenschap </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college regelt indien nodig dat de aanbieder een regeling
                                    voor medezeggenschap van cliënten heeft.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe
                                    op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van
                                    aanbieders.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>10</nr><titel>BURGERPARTICIPATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in
                                    ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de
                                    voorbereiding van het beleid betreffende beschermd wonen en
                                    opvang, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de
                                    Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop
                                    inspraak wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                    voorstellen voor het beleid betreffende beschermd wonen en
                                    opvang te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over
                                    verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende beschermd wonen
                                    en opvang, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol
                                    effectief te kunnen vervullen.</al></li><li nr="3."><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                    periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                    aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                    deelname aan het overleg benodigde informatie en
                                    ondersteuning.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt nadere regels ter uitvoering van het tweede en
                                    derde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>Wmo adviesraad </titel></kop><al>De Wmo adviesraad adviseert het college over het beleid betreffende
                            beschermd wonen en opvang.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>11</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Hardheidsclausule </titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen bij de verstrekking van
                            maatwerkvoorzieningen op verzoek van de cliënt ten gunste van de cliënt
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening en de daarop gebaseerde
                            regels, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Evaluatie </titel></kop><al>Evaluatie van het door het college gevoerde beleid vindt plaats via de
                            reguliere bestuursrapportages van het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Overgangsrecht </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Alblasserdam
                                    2015 wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van deze
                                    verordening, met dien verstande dat zij van toepassing blijft
                                    ten aanzien van een op grond daarvan genomen besluit totdat het
                                    college, onder intrekking van dit besluit, een nieuw besluit op
                                    grond van deze verordening heeft genomen.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze
                                    verordening en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van
                                    de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op
                                    grond van deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen op grond van
                                    Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Alblasserdam 2015
                                    genomen besluiten, worden afgehandeld op grond van de
                                    Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Alblasserdam
                                    2015.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Inwerkingtreding </titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking 1 dag na publicatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.5</nr><titel>Citeertitel </titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening beschermd wonen en
                            opvang gemeente Alblasserdam 2016". </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Deze door de gemeenteraad vastgestelde verordening bevat de regels over
                    beschermd wonen en opvang. Formeel gezien kent de Wmo 2015 geen onderscheid
                    tussen centrumgemeenten en regiogemeenten en ziet de verplichting van de wet
                    t.a.v. beschermd wonen en opvang dus op alle gemeenten. Echter, voor opvang en
                    beschermd wonen is tussen het Rijk en de VNG afgesproken de huidige materiële
                    situatie, dus de constructie met de centrumgemeenten, voorlopig te handhaven
                    (zie Kamerstukken II, 2013 – 2014, 33 841, nr. 34). De middelen voor opvang en
                    beschermd wonen zullen dus voorlopig worden uitgekeerd aan de centrumgemeenten
                    (i.c. Dordrecht). Wel blijft het zo dat regiogemeenten een schriftelijk mandaat
                    moeten geven aan de centrumgemeente wanneer zij de bevoegdheid tot het bepalen
                    van de toegang, het afgeven van de beschikkingen en het daadwerkelijk
                    verstrekken van opvang en beschermd wonen mandateren aan de centrumgemeente. Als
                    – zoals de bedoeling is – na verloop van tijd de centrumgemeentenconstructie
                    wordt afgeschaft, kunnen gemeenten ook een ander samenwerkingsverband mandaat
                    geven.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 1 INLEIDING</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen. Daarbij is ervoor gekozen om de
                    (meeste) wettelijke begripsbepalingen niet over te nemen. De begrippen
                    maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget zijn wel opgenomen in artikel 1.1
                    om te verduidelijken dat een maatwerkvoorziening twee leveringsvormen kent
                    (natura en pgb) en dat een persoonsgebonden budget dus een leveringsvorm van een
                    maatwerkvoorziening is.</al><tussenkop>Lid 1 onder a 24-uursopvang</tussenkop><al>Bij 24-uursopvang gaat het om het bieden van tijdelijke opvang, bestaande uit
                    verblijf en begeleiding. Het betreft een doorstroomvoorziening op weg naar een
                    meer passende en perspectief biedende woonvorm.</al><al/><tussenkop>Lid 1 onder b Algemeen gebruikelijke voorziening</tussenkop><al>Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt
                    af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het
                    begrip “algemeen gebruikelijk” is al geconcretiseerd in de Wmo
                    2007-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Om duidelijk te maken wat
                    in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de
                    jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende
                    voorzieningen die:</al><lijst><li nr="-"><al>in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>niet speciaal voor personen met een beperking bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet duurder is dan vergelijkbare producten.</al></li></lijst><al>Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook
                    voor de cliënt algemeen gebruikelijk is.</al><al/><tussenkop>Lid 1 onder c Algemene voorziening</tussenkop><al>Voor de duidelijkheid is aangegeven dat de algemene voorziening, voor zover in
                    deze verordening is geregeld, alleen betrekking hebben op opvang en beschermd
                    wonen.</al><al/><tussenkop>Artikel 1.2 Reikwijdte</tussenkop><al>Dit artikel regelt de reikwijdte van deze verordening. Deze verordening heeft
                    alleen betrekking op de algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen met
                    betrekking tot beschermd wonen en opvang.</al><al>Voor de overige maatwerkvoorzieningen en voor de algemene voorzieningen zijn of
                    worden aparte verordeningen opgesteld.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 2 PROCEDUREREGELS</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 Melding</tussenkop><al>Dit artikel beschrijft wie de melding kan doen en hoe de melding kan worden
                    gedaan. In principe kan iedereen een signaal afgeven dat iemand behoefte heeft
                    aan maatschappelijke ondersteuning. Echter de melding in de zin van artikel
                    2.3.2 van de wet, waarop een onderzoek moet volgen, kan alleen worden gedaan
                    door of namens de cliënt. Dat hoeft dus niet de cliënt zelf te zijn, maar kan
                    bijvoorbeeld ook een mantelzorger of familielid zijn.</al><al>De cliënt heeft na bevestiging van de melding zeven dagen de tijd een
                    persoonlijk plan in te leveren. Het gaat hier om zeven dagen, niet om zeven
                    werkdagen.</al><al/><tussenkop>Artikel 2.2 Cliëntondersteuning</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de wet dat het
                    college de cliënt na de melding inlicht over de mogelijkheid van
                    cliëntondersteuning. Voor deze cliëntondersteuning is geen bijdrage
                    verschuldigd.</al><al/><tussenkop>Artikel 2.3 Onderzoek en gesprek</tussenkop><al>Het onderzoek en de inhoud daarvan is al uitgebreid omschreven in de wet. Daarom
                    is bewust gekozen de wijze van toegang summier in de verordening op te nemen.
                    Wel bepaalt het tweede lid dat een gesprek altijd deel uitmaakt van het
                    onderzoek. Bij voorkeur vindt het gesprek mondeling bij de cliënt thuis plaats
                    (daarbij kan een familielid, hulpverlener of onafhankelijke cliëntondersteuner
                    aanwezig zijn). De cliënt kan zelf bepalen wie er met hem/haar aanwezig is bij
                    het gesprek naar aanleiding van de melding. En dus kan de cliënt bepalen of
                    degene die namens hem/haar de melding heeft gedaan aanwezig is en of een
                    vertegenwoordiger aanwezig is. Tevens kan de cliënt beslissen of hij/zij gebruik
                    wil maken van onafhankelijke cliëntondersteuner tijdens het gesprek. Dus bij een
                    melding namens een cliënt hoeft de melder niet bij het gesprek aanwezig te zijn,
                    dat is ter keuze van de cliënt. </al><al>Is een gesprek thuis niet mogelijk, dan wordt uitgeweken naar een spreekuur bij
                    de gemeente of bij een dienstverlener. Tot slot kan in sommige gevallen ook een
                    telefoongesprek volstaan (bv bij aanpassing van een reeds bestaande
                    voorziening). Afhankelijk van de melding en de situatie wordt daarmee bepaald
                    hoe het gesprek vorm wordt gegeven.</al><al/><tussenkop>Artikel 2.4 Onderzoeksverslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 7 van de wet
                    opgenomen. Het eerste lid borgt dat altijd een schriftelijke weergave van de
                    uitkomsten van het onderzoek wordt verstrekt. Dit wordt het onderzoeksverslag
                    genoemd.</al><al/><tussenkop>Artikel 2.5 De aanvraag</tussenkop><al>Dit artikel beschrijft wie de aanvraag kan doen en hoe de aanvraag kan worden
                    gedaan. Een aanvraag kan alleen schriftelijk worden gedaan door of namens de
                    cliënt.</al><al/><tussenkop>Artikel 2.6 Medewerking cliënt en huisgenoten</tussenkop><al>Dit artikel is grotendeels een nadere uitwerking van de medewerkingsplicht van
                    artikel 2.3.8 van de wet. Het tweede lid bevat de verplichting voor de cliënt om
                    medewerking te verlenen.</al><al/><tussenkop>Artikel 2.7 Advisering</tussenkop><al>Het kan noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de gevraagde voorziening een
                    beroep te doen op een (medisch) adviseur. Als daar aanleiding voor is biedt dit
                    artikel daartoe de mogelijkheid.</al><tussenkop>Artikel 2.8 Ondersteuningsplan</tussenkop><al>Bij het bepalen van de aanspraak op de maatwerkvoorziening beschermd wonen of
                    opvang kan worden gewerkt met een ondersteuningsplan. Dit ondersteuningsplan,
                    dat tussen cliënt en de aanbieder wordt overeengekomen, bevat een concrete
                    invulling van de door de aanbieder te verlenen ondersteuning aan de cliënt,
                    gebaseerd op de geïndiceerde ondersteuning. </al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 3 BEOORDELING AANSPRAAK OP MAATWERKVOORZIENING</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 3.2 Algemene criteria </tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><tussenkop>Onder b</tussenkop><al>De voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt, dienen
                    naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend als de meest goedkope te zijn.
                    Datgene wat de cliënt als een meest passende oplossing voor zijn beperkingen
                    beschouwt wordt meegewogen in de beoordeling van het verantwoord zijn van de
                    voorziening. Ook het criterium inzake de kosten van de voorziening, speelt een
                    rol bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet verantwoord zijn van
                    een voorziening. Voorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
                    voorziening passender maken, komen in beginsel niet voor vergoeding in
                    aanmerking.</al><al/><tussenkop>Onder d en e</tussenkop><al>Hier wordt benadrukt, voor wat betreft het beschermd wonen (onder d) en opvang
                    (onder e), dat het verstrekken van een maatwerkvoorziening in het kader van de
                    wet nadrukkelijk de hekkensluiter is. Alleen wanneer iemand echt niet zelf of
                    met hulp van zijn omgeving, of met algemene voorzieningen of door het verrichten
                    van maatschappelijk nuttige activiteiten in staat is tot zelfredzaamheid of
                    participatie, moet er een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Het college zal
                    dus zorgvuldig onderzoeken wat de cliënt op eigen kracht of met hulp van
                    personen uit zijn sociale netwerk (gebruikelijke hulp, mantelzorg of anderszins)
                    kan doen om de problematiek te verkleinen of op te lossen en wat gebruikmaken
                    van algemene voorzieningen daaraan kan bijdragen.</al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><tussenkop>Onder a</tussenkop><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de voorziening voor de persoon
                    van de cliënt algemeen gebruikelijk is. Voor het begrip algemeen gebruikelijk
                    wordt verwezen naar de toelichting op artikel 1.1.</al><al/><tussenkop>Onder b</tussenkop><al>De wet bevat geen bepaling, zoals artikel 2 Wmo, die regelt dat een aanspraak op
                    grond van een andere wet voorgaat. Daarom is een dergelijke bepaling in de
                    verordening opgenomen. Ook regelt de verordeningsbepaling, vergelijkbaar aan
                    artikel 15 van de Wet werk en bijstand, dat kosten die in de voorliggende
                    voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt, niet voor vergoeding in
                    aanmerking komen.</al><al/><tussenkop>Onder c</tussenkop><al>In artikel 2.3.8 van de wet is de medewerkingsplicht van de cliënt opgenomen. En
                    in artikel 2.6 van deze verordening is voor de cliënt een specifieke
                    medewerkingsplicht neergelegd. Verleent de cliënt geen medewerking dan kan de
                    aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld en volgt een
                    afwijzende beschikking.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 4 PERSOONSGEBONDEN BUDGET</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 4.1 Criteria persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Artikel 2.3.6 lid 2 en 4 van de wet bevatten een aantal (deels facultatieve)
                    criteria om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget. In
                    aanvulling daarop bevat dit artikel een aantal weigeringsgronden voor een
                    persoonsgebonden budget. Deze sluiten deels aan bij de verplichting voor de
                    cliënt om een budgetplan te overleggen, indien hij in aanmerking wil komen voor
                    een persoonsgebonden budget. Voor het overige zijn de weigeringsgronden
                    grotendeels afgeleid van de Regeling subsidies AWBZ.</al><al/><tussenkop>Artikel 4.2 Hoogte persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Dit artikel bevat de hoofdregel voor het bepalen van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget. Kern van de hoofdregel is dat het persoonsgebonden
                    budget nooit meer bedraagt dan de prijs die het college betaalt bij verstrekking
                    in natura. Het college kan, met inachtneming van de hoofdregel, nadere regels
                    stellen over de hoogte van het persoonsgebonden budget. Daarbij zijn er diverse
                    mogelijkheden, zoals tariefdifferentiatie en rekening houden met de
                    overheadkosten die zijn verdisconteerd in de prijzen die met aanbieders worden
                    overeengekomen.</al><al/><tussenkop>Artikel 4.3 Tarief persoonsgebonden budget in sociaal netwerk</tussenkop><al>Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden betreffende het tarief
                    waaronder een cliënt de mogelijkheid heeft een persoonsgebonden budget te
                    besteden bij een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Een cliënt mag
                    diensten betrekken van personen die behoren tot het sociale netwerk. Die
                    vrijheid mag de gemeente niet beperken. De gemeente mag alleen voorwaarden
                    stellen ten aanzien van het tarief. In dit artikel is daarvan gebruik gemaakt in
                    die zin dat het aan het college wordt overgelaten om nadere regels te
                    stellen.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 5 BIJDRAGE IN DE KOSTEN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 5.1 Maatwerkvoorziening</tussenkop><al>Het eerste lid van dit artikel regelt dat een cliënt een bijdrage is
                    verschuldigd beschermd wonen en 24-uursopvang. De bijdrage voor 24-uursopvang
                    wordt vastgesteld en geïnd door de instelling waar de cliënt verblijft. </al><al>Voor de hoogte wordt aansluiting gezocht bij maxima in de landelijke regeling
                    (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Overigens mag de bijdrage niet meer bedragen dan
                    de kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan de gemeente kwijt is aan
                    kosten voor het verstrekken van de voorziening.</al><al/><tussenkop>Artikel 5.2 Algemene voorzieningen</tussenkop><al>Alleen voor de algemene voorziening ‘crisisopvang’ is een bijdrage verschuldigd.
                    Voor de hoogte wordt aansluiting gezocht bij maxima in de landelijke regeling
                    (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Overigens mag de bijdrage niet meer bedragen dan
                    de kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan de gemeente kwijt is aan
                    kosten voor het verstrekken van de voorziening.</al><al/><tussenkop>Artikel 5.3 Kostprijs</tussenkop><al>In dit artikel is de wijze van berekening van de kostprijs weergegeven. De
                    kostprijs is bij een voorziening in natura de prijs die de gemeente aan de
                    leverancier/aanbieder betaalt, inclusief kosten als onderhoud, reparatie en
                    verzekering. Bij een persoonsgebonden budget is de kostprijs gelijk aan het
                    bedrag van het persoonsgebonden budget.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 6 BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN
                    TERUGVORDERING</tussenkop><al>De wettelijke bepalingen over met name terugvordering zijn summier en artikel
                    2.3.10 van de wet maakt geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds beëindiging
                    en anderzijds intrekking en herziening. Van beëindiging is sprake indien de
                    aanspraak op een maatwerkvoorziening wordt aangetast met ingang van het heden of
                    naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak op een Wmo-voorziening
                    over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd. Herzien is het over
                    een periode in het verleden afwijkend vaststellen van de aanspraak op een
                    maatwerkvoorziening.</al><al>Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en herziening, geen
                    terugwerkende kracht. Het college moet, voordat het collegebesluit tot
                    intrekking van een voorziening wordt genomen, een afweging maken tussen alle bij
                    het te nemen besluit betrokken belangen, waarbij het belang van belanghebbende
                    om te participeren zwaar dient te wegen.</al><al>In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen. Alleen indien de cliënt
                    onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
                    of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, kan het
                    college op grond van de wet overgaan tot terugvordering. Er is voor gekozen om
                    de terugvorderingsgronden uit te breiden. Er moet wel onderscheid worden gemaakt
                    tussen de terugvorderingsbepaling in de wet en de terugvorderingsgronden in de
                    verordening voor wat betreft de invordering. Bij de terugvorderingsgronden in de
                    verordening moet de invordering langs civielrechtelijke weg moet geschieden. Dit
                    betekent onder meer dat in elk afzonderlijk geval moet worden aangetoond dat er
                    sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW). In de praktijk
                    zal de onverschuldigdheid van de betaling ontstaan door het nemen van een
                    herzienings- of intrekkingsbesluit. Bij de in de wet opgenomen
                    terugvorderingsgrond heeft het college de mogelijkheid het terug te vorderen
                    bedrag bij dwangbevel in te vorderen. Er is sprake van een executoriale titel,
                    waarmee direct beslag kan worden gelegd.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 7 BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK</tussenkop><al>In dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze het ten onrechte ontvangen van
                    maatwerkvoorzieningen alsmede het misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet
                    wordt bestreden. Belangrijk is om de cliënt bij de verstrekking van een
                    maatwerkvoorziening nadrukkelijk te wijzen op zijn rechten en plichten en te
                    wijzen op de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het college
                    controleert de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en bij het vermoeden
                    van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Het college kan bij de controle
                    onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en
                    bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 8 KWALITEIT</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 8.1 Kwaliteitseisen</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3
                    lid 2 onder c van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen,
                    eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                    begrepen.</al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om te bepalen welke
                    kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen
                    zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen
                    personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3
                    lid 2 onder c van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de
                    kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en verder van de wet en die
                    zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat
                    een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de
                    gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken
                    aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid zijn een
                    aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.</al><al/><tussenkop>Artikel 8.2 Prijs-kwaliteitverhouding</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4 van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van
                    een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter
                    waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een
                    voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel
                    2.6.6 lid 1 van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te
                    worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om
                    te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering
                    worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij
                    het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee
                    wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de
                    activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat
                    de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij
                    de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste
                    activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg
                    voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 9 KLACHTENAFHANDELING EN MEDEZEGGENSCHAP</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 9.1 Regeling voor klachtenafhandeling</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder e van de wet. Dit
                    artikel legt aan iedere aanbieder de verplichting op om een klachtenregeling te
                    hebben. Het college zal toezien op de naleving daarvan.</al><al/><tussenkop>Artikel 9.2 Regeling voor medezeggenschap</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder f van de wet. Het
                    college moet ervoor zorgen dat de aanbieder, indien het college dat noodzakelijk
                    vindt, over een regeling voor medezeggenschap beschikt. In dat geval ziet het
                    college ook toe op de naleving ervan.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 10 BURGERPARTICIPATIE</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 10.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet, dat
                    bepaalt dat een aantal onderwerpen ten aanzien van de wijze waarop ingezetenen
                    en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden
                    betrokken, in de verordening moeten worden geregeld.</al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo 2015-beleid als op andere
                    terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de
                    bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de
                    exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 11.1 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    cliënt kan afwijken van de bepalingen van deze verordening of de daarop
                    gebaseerde regels indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende
                    aard leidt. Juist omdat het in de wet om maatwerk gaat zal het college er niet
                    aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk
                    toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van
                    overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale
                    omstandigheden te verwachten is, immers, bij de afwegingen gaat het al om een
                    individuele beoordeling. Als desondanks bij die zeer persoonlijke afweging toch
                    nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een
                    vangnet.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>