<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR403547_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening gemeente Krimpenerwaard 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Krimpenerwaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Krimpenerwaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-46695.html">Gemeenteblad 16-04-2016, nr 46695</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening gemeente Krimpenerwaard 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 4:23 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 140 Wet op het primair onderwijs</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 96g Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening gemeente Krimpenerwaard 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Toepasselijkheid van deze verordening en begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door
                            burgemeester en wethouders, met uitzondering van subsidies waarvoor bij
                            afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en
                            subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet
                            bestuursrecht (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is).
                        </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kan van deze verordening worden afgeweken, maar
                            niet van de artikelen 2, 3, 6 en 9. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is
                            kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat deze verordening geheel of
                            gedeeltelijk van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op deze verordening zijn de artikelen en begrippen uit de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014
                            van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op
                            grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt
                            verenigbaar worden verklaard (PbEU L 127), dan wel later daarvoor in de
                            plaats tredende Europese regelgeving;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie
                            van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en
                            108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), verordening (EU)
                            nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing
                            van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de
                            landbouwproductiesector (PbEU L 352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014
                            van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen
                            107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en
                            aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de plaats
                            tredende Europese regelgeving;</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit
                            of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de
                            Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de
                            artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft
                            vastgesteld;</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van
                            financiering, die een economische activiteit uitoefent;</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Subsidieregelingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij nadere regeling
                            (‘subsidieregeling’) bepalen welke activiteiten in aanmerking kunnen
                            komen voor subsidie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een subsidieregeling vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>het maatschappelijke effect waar de gesubsidieerde activiteiten
                                    een bijdrage aan dienen te leveren;</al></li><li nr="b."><al>de activiteiten en, in voorkomend geval, de personen of
                                    instellingen die voor subsidie in aanmerking kunnen komen;</al></li><li nr="c."><al>indien van belang: het subsidieplafond en de wijze waarop de
                                    beschikbare middelen worden verdeeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een subsidieregeling kan verder bepalen dat de subsidie kan worden
                            vastgesteld zonder voorafgaande verleningsbeschikking, alsmede dat
                            afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een subsidieregeling kan worden bepaald dat aan een subsidieontvanger
                            ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van
                            de Algemene wet bestuursrecht, kunnen worden opgelegd, als ze strekken
                            tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een subsidieregeling kan worden bepaald dat een subsidieontvanger aan
                            burgemeester en wethouders een vergoeding van vermogenswaarden
                            verschuldigd is als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene
                            wet bestuursrecht. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de
                            vergoeding wordt bepaald. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In een subsidieregeling kan worden bepaald dat aan een subsidieontvanger
                            verplichtingen kunnen worden opgelegd die niet strekken tot
                            verwezenlijking van het doel van de subsidie. In de toelichting wordt
                            uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan. Het ontwerp van een
                            dergelijke subsidieregeling wordt gepubliceerd op de gemeentelijke
                            website; daarbij wordt aan eenieder de gelegenheid geboden gedurende een
                            maand na de publicatie wensen en zienswijzen ter kennis van burgemeester
                            en wethouders te brengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Subsidieplafonds en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen subsidieplafonds vaststellen. Bij
                            subsidieregeling kunnen zij de wijze van verdeling van de betrokken
                            subsidie bepalen. Indien geen wijze van verdeling is bepaald, zal het
                            beschikbare budget op basis van de criteria "bijdrage aan de
                            doelstellingen" en de "prijs- kwaliteitsverhouding" verdeeld worden. Het
                            college kan het subsidieplafond bij afzonderlijk besluit wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een subsidieplafond verlagen:</al><lijst><li nr="a."><al>als het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het
                                    betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; of</al></li><li nr="b."><al>als de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking
                                    heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het
                                    betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd
                            overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van
                            verlaging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Subsidies die zullen worden bekostigd ten laste van een begroting die
                            nog niet door de gemeenteraad is vastgesteld, worden verleend onder de
                            voorwaarde dat de begroting c.q. de begrotingswijziging die voor hun
                            bekostiging noodzakelijk is, door de raad wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verstrekken de raad jaarlijks ter informatie
                            een overzicht van de toegewezen en de al dan niet gedeeltelijk afgewezen
                            subsidies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover voor het aanvragen van een subsidie niet een formulier is
                                voorgeschreven waaruit blijkt welke gegevens moeten worden
                                verstrekt: vermeldt een aanvraag in elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie
                                        wordt gevraagd;</al></li><li nr="b."><al>de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden
                                        nagestreefd en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;</al></li><li nr="c."><al>een begroting van de kosten van de activiteiten en een
                                        dekkingsplan. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij
                                        anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve
                                        van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van
                                        zaken daarvan; </al></li><li nr="d."><al>als het een subsidie betreft die per boekjaar aan een
                                        rechtspersoon wordt verstrekt, de stand van de
                                        egalisatiereserve als bedoeld in artikel 10 op het moment
                                        van de aanvraag.</al></li><li nr="e."><al>als de aanvrager een onderneming is:</al><lijst><li nr="1°"><al>een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm
                                                ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen
                                                voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;</al></li><li nr="2°"><al>een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening
                                                (de-minimisverklaring).</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, legt een
                                exemplaar van zijn statuten over, een opgaaf van de zittende bestuursleden
                                alsmede een uittreksel uit het handelsregister waaruit blijkt welke personen
                                de rechtspersoon kunnen vertegenwoordigen, alsmede van het jaarverslag, de
                                jaarrekening en de balans van het jaar voorafgaande aan de aanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraag- en beschikkingstermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag van een subsidie die per kalenderjaar wordt aangevraagd
                            (‘jaarsubsidie’) wordt uiterlijk 1 juni voor het begin van het betrokken
                            jaar ingediend. Daarop wordt uiterlijk op 1 november beschikt. In
                            bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders deze termijn
                            verlengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Andere aanvragen om subsidie worden uiterlijk acht weken voor het begin
                            van de te subsidiëren activiteiten ingediend. Daarop wordt zo mogelijk
                            binnen vier, maar in elk geval binnen acht weken beschikt. In bijzondere
                            gevallen kunnen burgemeester en wethouders de termijn verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij aanvragen om een subsidie die, overeenkomstig artikel 108, derde lid
                            van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, worden
                            aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de
                            Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Algemene weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een subsidie wordt in elk geval geweigerd voor zover de verlening
                                een steunmaatregel zou vormen die in strijd is met artikel 107 of
                                108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese
                                Unie.</al></li><li nr="2."><al>Een subsidie kan in elk geval worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover te subsidiëren activiteiten in strijd zijn met
                                        een wettelijke regeling;</al></li><li nr="b."><al>voor zover activiteiten niet verenigbaar zijn met het
                                        gemeentelijke beleid;</al></li><li nr="c."><al>voor zover activiteiten zich niet in hoofdzaak richten op de
                                        gemeente of haar inwoners, tenzij de subsidie wordt gedekt
                                        door een specifieke uitkering van het Rijk die mede is
                                        bestemd voor andere gemeenten;</al></li><li nr="d."><al>als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor
                                        het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt
                                        gevraagd;</al></li><li nr="e."><al>als ernstig gevaar bestaat dat de subsidie mede zal worden
                                        gebruikt</al><lijst><li nr="·"><al>om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te
                                                verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te
                                                benutten, of</al></li><li nr="·"><al>om strafbare feiten te plegen,</al><al>een en ander als bedoeld in artikel 3 van de Wet
                                                bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar
                                                bestuur;</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>voor zover bepaalde groepen van deelname aan de activiteiten worden
                                uitgesloten en daarmee naar het oordeel van burgemeester en
                                wethouders niet een nuttig doel wordt gediend, zodat sprake is van
                                ontoelaatbare discriminatie;</al></li><li nr="g."><al>voor zover activiteiten gericht zijn op het uitdragen van
                                religieuze, levensbeschouwelijke of politieke overtuigingen;</al></li><li nr="h."><al>voor zover activiteiten zijn gericht op het maken van winst;</al></li><li nr="i."><al>als de aanvrager een bij of krachtens deze verordening gestelde
                                verplichting niet nakomt of als hij niet voldoet aan een daar
                                gestelde voorwaarde om voor de subsidie in aanmerking te kunnen
                                komen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><al>Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de
                        verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de
                        besteding van de subsidie dient te verantwoorden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de
                            subsidie is verleend niet of niet geheel zullen worden verricht of dat
                            niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal
                            worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld aan
                            burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een subsidieontvanger informeert burgemeester en wethouders onverwijld
                            schriftelijk over: </al><lijst><li nr="a."><al>beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging
                                    van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot
                                    ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al>relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                    verhouding met derden;</al></li><li nr="c."><al>ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de
                                    subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen
                                    kunnen worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de
                                    gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of
                                    bestuurders en het doel van de rechtspersoon.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Wijzigen en intrekken, terugvorderen subsidie</titel></kop><lijst><li nr="1."><lijst><li nr="a."><al>Als na de verlening blijkt dat de subsidiëring een steunmaatregel
                                vormt die in strijd is met artikel 107 of 108 van het Verdrag
                                betreffende de werking van de Europese Unie, wordt de subsidie
                                gewijzigd of ingetrokken en eventueel teruggevorderd.</al></li><li nr="b."><al>Burgemeester en wethouders vorderen een subsidie met rente
                                        terug als dit nodig is ter uitvoering van een
                                        terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een
                                        onherroepelijke rechterlijke uitspraak.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De subsidie kan worden gewijzigd of ingetrokken als na de verlening
                                alsnog blijkt dat ernstig gevaar bestaat dat de subsidie mede zal
                                worden gebruikt</al><lijst><li nr="·"><al>om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te
                                        verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten,
                                        of</al></li><li nr="·"><al>om strafbare feiten te plegen,</al></li></lijst></li></lijst><al>een en ander als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
                        integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Egalisatiereserve</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Is een jaarsubsidie verleend voor een in de loop van een kalenderjaar
                            uit te voeren activiteitenplan en blijkt dat daarvoor niet de gehele
                            subsidie nodig was, dan vormt de subsidieontvanger een egalisatiereserve
                            van ten hoogste tien procent van het subsidiebedrag. Bedraagt het
                            overschot meer dan tien procent, dan wordt het meerdere door
                            burgemeester en wethouders teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ontvanger van een andere dan een jaarsubsidie kan burgemeester en
                            wethouders verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. Dan is het
                            vorige lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de reserve een zeker
                            bedrag niet te boven mag gaan en dat ze slechts binnen een zekere
                            termijn kan worden gebruikt. Is de reserve gedurende deze termijn niet
                            geheel gebruikt, dan wordt het restant door burgemeester en wethouders
                            teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aanvraag om vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om vaststelling van een jaarsubsidie wordt uiterlijk 1 juni
                            na het betrokken jaar ingediend. Daarop wordt uiterlijk op 1 november
                            beschikt. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders deze
                            termijn verlengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om vaststelling van een andere subsidie wordt ingediend
                            uiterlijk acht weken nadat de laatste gesubsidieerde activiteit heeft
                            plaatsgevonden. Burgemeester en wethouders kunnen de termijn verlengen.
                            Op de aanvraag wordt zo mogelijk binnen vier maar in elk geval binnen
                            acht weken beschikt. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en
                            wethouders deze termijn verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Is een aanvraag om vaststelling niet tijdig ingediend, dan kunnen
                            burgemeester en wethouders een nieuwe termijn stellen. Is de aanvraag
                            niet binnen die termijn ingediend, dan kunnen zij de subsidie ambtshalve
                            vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Rekening en verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een subsidie van niet meer dan € 5.000 wordt ambtshalve vastgesteld.
                            Burgemeester en wethouders kunnen verlangen dat de gesubsidieerde
                            aantoont dat de gesubsidieerde activiteiten hebben plaatsgevonden, en
                            dat hij rekening en verantwoording aflegt over de aan de activiteiten
                            verbonden uitgaven en inkomsten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om vaststelling van een subsidie van meer dan € 5.000 gaat
                            vergezeld van een inhoudelijk verslag en een financieel verslag of
                            jaarrekening. In een inhoudelijk verslag moet worden aangegeven of de
                            activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn verricht en in hoeverre
                            de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd. Een
                            financieel verslag of jaarrekening bevat de aan de activiteiten
                            verbonden uitgaven en inkomsten en een balans van het afgelopen
                            subsidietijdvak met een toelichting daarop.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een subsidie van meer dan € 50.000 wordt aan burgemeester en
                            wethouders bij de verantwoording een accountantsverklaring overlegd.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Voorschotten</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen op een verleende subsidie voorschotten
                        verlenen voordat ze is vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen deze verordening, met uitzondering van
                            de artikelen 1<sup/>en 2, in individuele gevallen buiten toepassing
                            laten of daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen
                            voor de subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die
                            onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te
                            dienen doelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Slotbepalingen en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Algemene subsidieverordening Gemeente Bergambacht 2009, de
                                Subsidieverordening lokaal sociaal beleid gemeente Nederlek 2006,
                                Algemene subsidieverordening gemeente Nederlek 2002 de Algemene
                                subsidieverordening Ouderkerk 2011, Kadernotitie subsidiebeleid
                                Ouderkerk, Deelsubsidieverordening peuterspeelzalen Ouderkerk, de
                                Algemene subsidieverordening Schoonhoven 2013 – 2016, de Algemene
                                Subsidieverordening Vlist 2009, Verordening Materiele Gelijkstelling
                                Onderwijs Bergambacht, Verordening subsidiering godsdienst onderwijs
                                2005, Verordening Materiele Gelijkstelling Onderwijs Nederlek,
                                Verordening Materiele Gelijkstelling Onderwijs Ouderkerk,
                                Verordening Materiele Gelijkstelling Onderwijs Schoonhoven, Fonds
                                zorgzame buurt, Subsidieregeling Deskundigheidsbevordering
                                Vrijwilligerswerk, Verordening Materiele Gelijkstelling Onderwijs
                                Vlist, de Subsidieverordening Brede Scholen Vlist, Verordening
                                subsidiëring inzamelen oud papier 2006, Monumenten
                                subsidieverordening gemeente Nederlek 2007 en Subsidieverordening
                                Gemeentelijk Beschermd Dorpsgezicht vervallen zodra ze zijn
                                uitgewerkt.</al></li><li nr="2."><al>Het vaststellen van subsidies die op grond van de in het eerste lid
                                genoemde verordeningen zijn verleend geschiedt op basis van de
                                daarin geldende bepalingen.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerstvolgende
                                dag na bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot 1 april 2016.
                                Ze is voor het eerst van toepassing op subsidies voor activiteiten
                                die in het jaar 2017 worden uitgevoerd.</al></li><li nr="4."><al>Op de subsidiëring van voordien uit te voeren activiteiten zijn de
                                in lid 1 van dit artikel genoemde verordeningen van toepassing.
                            </al></li><li nr="5."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening
                                gemeente Krimpenerwaard 2017.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Krimpenerwaard, gehouden op donderdag 29 maart 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. K.E. Driehuijs</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. T.P.J. Bruinsma</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1 - ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al>A.<vet>Waarom een nieuwe Algemene subsidieverordening?</vet></al><al>Het vaststellen van een nieuw algemeen procedureel kader om subsidies te
                    verstrekken is een direct gevolg van de gemeentelijke herindeling van de
                    Krimpenerwaard. Het vervallen en vervangen van de verordeningen uit de vijf
                    voormalige gemeenten biedt de gelegenheid om het subsidie-instrument opnieuw in
                    te richten. Het biedt de gemeente de kans om te komen tot een benadering waarbij
                    het doel van de activiteiten en de daarbij beoogde effecten centraal worden
                    gesteld.</al><al>B.<vet>Subsidieverstrekking als beleidsinstrument</vet></al><al>De gemeenteraad stelt op basis van een coalitieakkoord en beleidskaders vast dat
                    er bepaalde effecten en doelstellingen dienen te worden gestimuleerd of
                    nagestreefd. Die effecten en doelen krijgen een plaats en een budget in de
                    programmabegroting. Voor de raad is het van groot belang dat de vastgestelde
                    doelen worden behaald binnen het budget dat hij daarvoor beschikbaar stelt. Het
                    college committeert zich aan de uitvoering van het beleid waarmee die effecten
                    en doelstellingen worden behaald. Voor die uitvoering heeft het college
                    verschillende beleidsinstrumenten tot zijn beschikking. Het college is
                    verantwoordelijk voor het kiezen van een zo effectief mogelijke mix van
                    instrumenten. Het verstrekken van subsidies is één van de instrumenten die het
                    college kan inzetten.</al><al>Met het verstrekken van subsidies worden bepaalde activiteiten, die een bijdrage
                    leveren aan het door de gemeenteraad vastgestelde beleid, van organisaties of
                    particulieren financieel ondersteund. De bevoegdheid van het college om het
                    subsidie-instrument in te zetten is een uitwerking van de dualistische
                    rolverdeling tussen raad en college. De raad stelt a) het procedurele kader van
                    de Algemene Subsidieverordening (hierna: ASV) vast, b) de inhoudelijke kaders
                    van het beleid en c) stelt indicatoren vast in de begroting met het oog op de
                    controlerende taak. De bevoegdheid tot vaststelling en wijziging van
                    subsidieplafonds door het college biedt de ruimte om de budgetten en
                    –doelstellingen aan te passen op actuele ontwikkelingen en nieuwe inzichten.
                    Vanzelfsprekend is het college daarbij gehouden aan de financiële én het
                    inhoudelijke kaders die de raad gesteld heeft voor het betreffende
                    begrotingsprogramma. </al><al>C.<vet>Opzet van de nieuwe verordening</vet></al><al>In de ASV wordt de hoofdstructuur van het subsidieproces geregeld. De
                    beleidsinhoudelijke elementen worden vervolgens in nadere regels,
                        <cursief>subsidieregelingen</cursief>, vastgelegd. Dit leidt ertoe dat de
                    ASV, als uniforme hoofdregel, op subsidieverstrekking van elk beleidsterrein van
                    toepassing kan zijn. De subsidieregeling kan namelijk ingericht worden op de
                    specifieke eisen die op een bepaald beleidsterrein gelden. De bevoegdheid tot
                    het vaststellen van subsidieregelingen wordt in artikel 2 van de ASV gedelegeerd
                    aan het college. In een subsidieregeling wordt in ieder geval vastgesteld welke
                    activiteiten in aanmerking komen voor subsidie. Verder kan worden vastgesteld
                    wat de doelgroep van de subsidie is, welke kosten in aanmerking komen, hoe het
                    beschikbare budget wordt verdeeld over de aanvragen, etc. Ook kan op punten
                    worden afgeweken van de hoofdregels zoals neergelegd in de ASV. Hierdoor is het
                    mogelijk een subsidieregeling op maat te snijden. Zeker waar een
                    subsidieregeling onder een Europees steunkader wordt gebracht verdient dit
                    aandacht.</al><al>Een aantal hoofdregels dat in de meeste gevallen zal worden toegepast, is in de
                    ASV opgenomen: aanvraag- en beschikkingstermijnen, belangrijke weigeringsgronden
                    (die kunnen worden aangevuld in een subsidieregeling, aangezien daar de
                    specifieke voorwaarden zullen worden genoemd om voor een subsidie in aanmerking
                    te kunnen komen), de mogelijkheid om verplichtingen te verbinden aan een
                    subsidie, de mogelijkheid om voorschotten te verlenen, het wijzigen of intrekken
                    van de subsidie na de verlening, de rekening en verantwoording en de definitieve
                    vaststelling van de subsidie nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht
                    – dat zijn de belangrijkste onderwerpen. Het voorgestelde systeem is flexibel.
                    De meeste regels van de ASV zullen normaliter kunnen gelden; maar voor enkele
                    typen subsidie is dat op onderdelen te zwaar (denk aan de waarderingssubsidies,
                    waarvoor heel lichte condities gelden), soms zullen aanvullende eisen nodig
                    zijn. Daarom is bepaald dat een subsidieregeling kan afwijken van de ASV
                    (behalve van artikel 2 en 3 en van de in de artikelen 6 en 9 opgenomen
                    weigerings-, wijzigings- en intrekkingsgronden). </al><tussenkop>Onderscheid subsidieregelingen en beleidsregels</tussenkop><al>De door het college vast te stellen subsidieregelingen zijn algemeen verbindende
                    voorschriften en dienen bekend gemaakt te worden én opgenomen te worden in de
                    Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving. Een beleidsregel heeft een andere
                    juridische karakter dan een subsidieregeling. Het gebruik van beleidsregels
                    dient zoveel mogelijk te worden vermeden. Beleidsregels vullen in hoe er
                    toepassing wordt gegeven aan een bestaande bevoegdheid van het bestuursorgaan
                    (artikel 4:81, eerste lid, van de Awb). Beleidsregels binden alleen het
                    bestuursorgaan zelf en werken niet extern. Met beleidsregels kunnen niet
                    rechtstreeks verplichtingen aan burgers worden opgelegd. In ieder geval kunnen
                    zaken als termijnen en subsidieverplichtingen niet worden geregeld via een
                    beleidsregel. Het is wel mogelijk om een omschrijving van regels die een uitleg
                    geven aan bepalingen uit de ASV en subsidieregelingen, zoals de afweging van
                    belangen of de vaststelling van feiten, op te stellen in de vorm van
                    beleidsregels. Zodra het echter gaat om normstelling dient de norm te worden
                    verwerkt in de artikelen van een algemeen verbindend voorschrift.</al><al>D.<vet>De Algemene Subsidieverordening in relatie tot de Algemene Wet
                        Bestuursrecht</vet></al><al>In de Algemene wet bestuursrecht stelt de wetgever in artikel 4:23 lid 1 dat een
                    bestuursorgaan slechts subsidie kan verstrekken op grond van een wettelijk
                    voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. </al><al>De wetgever heeft de gemeente uitgebreid gefaciliteerd om de inzet van het
                    subsidie-instrument af te bakenen ten opzichte van andere instrumenten en een
                    algemeen procedureel kader te regelen. Dat is nuttig, omdat de gemeente daarmee
                    niet het hele instrument opnieuw hoeft te ‘regelen’ of vast te leggen in een
                    verordening. De Algemene wet bestuursrecht regelt veel op subsidiegebied, zoals
                    de uitwerking van begrippen als ‘aanvraag’, ‘verlening’, ‘subsidieplafond’ en
                    bijvoorbeeld ook een aantal algemene weigeringsgronden. De gemeente dient wel
                    een voorschrift vast te stellen om daarmee de bevoegdheden van raad en college
                    af te bakenen en zaken te regelen die passen bij onze gemeente, zoals de
                    termijnen voor indiening van aanvragen én de te subsidiëren activiteiten. De ASV
                    is voor de gemeente het wettelijk voorschrift dat in artikel 2 lid 1 regelt dat
                    burgemeester en wethouders bij subsidieregeling kunnen bepalen welke
                    activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Middels de ASV kan het
                    subsidie-instrument bij subsidieregeling op maat worden gesneden op bijvoorbeeld
                    administratieve lastenverlichting. </al><al>E.<vet>Subsidiestructuur ASV 2017</vet></al><al>De raad stelt, als hoogste bestuursorgaan van de gemeente, vast dat er bepaalde
                        <cursief>effecten</cursief> en <cursief>doelstellingen</cursief> zijn die
                    dienen te worden gestimuleerd of nagestreefd. Die ambities krijgen een plaats en
                    een budget in de <cursief>programmabegroting</cursief>. De raad stelt jaarlijks
                    de programmabegroting vast. De programmabegroting bestaat uit een aantal
                        <cursief>programma's</cursief>. Elk programma heeft, afhankelijk van de
                    structuur van de begroting, één of meerdere doelstellingen met een beoogd
                    effect. Het college bepaalt de beleidsinstrumenten om die doelstelling te
                    bereiken, en bepaalt daarbij ook welk gedeelte van dit budget als subsidie
                    ingezet kan worden. Het college stelt het subsidieplafond, het maximaal
                    beschikbare budget per subsidiedoelstelling, vast in een
                        <cursief>subsidiestaat</cursief>. Op de subsidiestaat staan, geordend per
                    programma, alle subsidiedoelstellingen verzameld met daarbij het door het
                    college bepaalde maximale budget. De subsidiestaat wordt elk jaar rond de
                    vaststelling van de kadernota vastgesteld door het college en gepubliceerd op de
                    gemeentelijke website, onder voorbehoud van de vaststelling van de
                    programmabegroting in november. Het wijzigen van een subsidieplafond, bij
                    beleidsbijsturing, of het toevoegen van een nieuwe subsidiedoelstelling kan
                    middels een besluit van het college. De subsidiestaat wordt daarna aangepast
                    gepubliceerd. </al><al>Een <cursief>subsidieregeling</cursief> is de concrete uitwerking van de
                    subsidiedoelstelling en voorwaarden om in aanmerking te komen voor een subsidie.
                    Een subsidiedoelstelling bestaat bij voorkeur uit één subsidieregeling, maar
                    meerdere subsidieregelingen per subsidiedoelstelling is ook mogelijk. Een
                    subsidieplafond geldt voor de gehele subsidiedoelstelling. Een subsidieaanvraag
                    afwijzen op grond van onvoldoende budget kan alleen als het subsidieplafond is
                    bereikt. Als één subsidiedoelstelling is verdeeld over meerdere
                    subsidieregelingen, geldt dus het subsidieplafond van de subsidiedoelstelling en
                    niet van de afzonderlijke subsidieregeling. Bijvoorbeeld door middel van een
                    openbaar subsidieregister kunnen potentiële aanvragers nagaan of het
                    subsidieplafond al is bereikt.</al><al>Op basis van de subsidieregeling en de gepubliceerde subsidiestaat kunnen
                    aanvragers een aanvraag indienen voor te subsidiëren activiteiten. Zij weten
                    daarmee voor welke doelstelling/activiteiten subsidie kan worden aangevraagd,
                    welke voorwaarden van toepassing zijn en wat het maximale budget is dat de
                    gemeente wil uitgeven aan een bepaalde subsidiedoelstelling. </al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2 - ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al>Artikel 1.<vet>Toepasselijkheid van deze verordening en
                        begripsbepalingen</vet></al><al>In het eerste lid wordt beschreven voor welke subsidies deze verordening geldt. </al><al>De ruime afwijkingsmogelijkheid van de ASV bij subsidieregeling, die in de
                    algemene toelichting reeds ter sprake kwam, geldt niet voor alle artikelen uit
                    de ASV. Afwijking van de weigeringsgronden van artikel 6 lijkt niet nodig, en
                    meestal ook ronduit onwenselijk. Zo moet de weigeringsgrond ‘verboden
                    staatssteun’ (artikel 6, eerste lid) altijd kunnen worden toegepast. Ook de
                    bibob-toets (artikel 6, tweede lid, onderdeel e) moet altijd kunnen worden
                    uitgevoerd. Voor artikel 9 geldt hetzelfde. </al><al>Voor de begripsbepalingen wordt verwezen naar de begrippen in de Algemene wet
                    bestuursrecht om te voorkomen dat daarover verwarring kan ontstaan.</al><al>Artikel 2.<vet>Subsidieregelingen</vet></al><al>Met dit artikel verplicht de raad het college om in nadere regels,
                    subsidieregelingen, de te subsidiëren activiteiten te bepalen. De door het
                    college vast te stellen subsidieregelingen zijn algemeen verbindende
                    voorschriften en dienen net als ieder ander algemeen verbindend voorschrift
                    bekend gemaakt te worden én opgenomen te worden in de Centrale Voorziening
                    Decentrale Regelgeving. </al><al>Voor zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen
                    die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze
                    van uitbetalen, dient dit eveneens in de subsidieregeling te gebeuren. De
                    subsidieregeling is gericht op bepalen van de te subsidiëren activiteiten én het
                    ‘op maat snijden’ van indienings- en verantwoordingseisen op die activiteiten.
                    Aanvraagformulieren en verantwoordingsformulieren kunnen op de specifieke
                    regeling worden aangepast, zodat een aanvrager niet meer of minder gegevens
                    hoeft aan te leveren dan noodzakelijk is voor de beoordeling van de
                    aanvraag.</al><al>Lid 2 sub b bepaalt dat de subsidieregeling ook vermeldt aan welk
                    maatschappelijke effect de gesubsidieerde activiteiten een bijdrage moeten
                    leveren. Dit effect heeft een directe relatie met een vastgestelde beleidsnota
                    of een doelstelling uit de programmabegroting. </al><al>Lid 3 bepaalt dat een subsidieregeling kan bepalen dat een verstrekte subsidie
                    direct wordt vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening.
                    Daarnaast kan afdeling 4.2.8 uit de Awb (per boekjaar verstrekte subsidies aan
                    rechtspersonen) van toepassing worden verklaard.</al><al>Dit artikel bevat een aanvullende bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan
                    de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op
                    wat reeds mogelijk is direct op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).
                    De artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb maken het verder mogelijk om nog andere
                    verplichtingen aan een subsidie te verbinden, als de verordening daarvoor een
                    grondslag biedt; vandaar de leden 4 en 5. Die grondslag is in artikel 2 gegeven
                    met betrekking tot verplichtingen in het kader van het beheer en gebruik van
                    datgene wat met de subsidie tot stand is gebracht.</al><al>Artikel 4:37, eerste lid, van de Awb noemt een aantal verplichtingen dat aan een
                    subsidieontvanger kunnen worden opgelegd. De wet staat ook andere verplichtingen
                    toe, maar eist daarvoor een basis in een wettelijk voorschrift; </al><al>Het vierde lid betreft verplichtingen die buiten het eigenlijke doel van de
                    gesubsidieerde activiteit liggen. Ter illustratie de volgende situatie. Als een
                    jeugdsportvereniging, die traditioneel alleen is gericht op het lichamelijk
                    welzijn van de jongeren, daarnaast iets wil doen aan hun sociale ontwikkeling en
                    dáárvoor subsidie vraagt, kunnen verplichtingen welke eisen stellen aan de
                    kwaliteit van die inspanningen, ‘gewoon’ worden opgelegd op grond van het eerste
                    lid: die verplichting hangt dan rechtstreeks samen met het doel van de verleende
                    subsidie. Maar wenst het gemeentebestuur dat jeugdsportverenigingen, die het
                    eigenlijk voldoende vinden dat ze iets doen voor het lichamelijk welzijn van de
                    jeugd, daarvoor alleen subsidie kunnen krijgen als ze daarnaast aandacht gaan
                    besteden aan het sociale welzijn van de sportende jeugd, dan wordt van deze
                    verenigingen iets verlangd wat bovenop hun normale activiteiten komt, iets wat
                    zij normaliter niet tot hun doel zouden rekenen. Dat is de situatie waarop het
                    vierde lid van artikel 2 ziet. Voorgesteld wordt om, aansluitend bij de
                    bestaande praktijk, ook dat mogelijk te maken. Maar dan is er reden om de
                    totstandkoming van een subsidieregeling die daarin voorziet, van enkele extra
                    waarborgen te voorzien. Daarom wordt een enigszins verzwaarde
                    totstandkomingprocedure voorgesteld: het ontwerp van de regeling moet een maand
                    tevoren worden gepubliceerd op het internet. De beslissing blijft uiteindelijk
                    in handen van B&amp;W; wel moeten zij motiveren waarom zij de mogelijkheid
                    dringend nodig vinden. De definitieve subsidieregeling moet vervolgens, net als
                    alle andere, worden bekendgemaakt door plaatsing in het elektronisch
                    Gemeenteblad; zie artikel 139 Gemeentewet.</al><al>Artikel 3.<vet>Subsidieplafonds en
                        begrotingsvoorbehoud</vet></al><al>Om open-einde regelingen te voorkomen heeft de wetgever de mogelijkheid geboden
                    om subsidieplafonds in te stellen. De gemeente kan hiermee onder voorwaarden een
                    maximaal budget instellen bij subsidiering van bepaalde activiteiten. Uit het
                    oogpunt van werkbaarheid en in overeenstemming met de uitgangspunten van het
                    dualisme ligt de vaststelling van de subsidieplafonds bij het college. Het
                    college besluit op basis van de programmabegroting welk deel van de begroting
                    wordt ingezet voor subsidies, ter uitvoering van het beleid dat de gemeenteraad
                    heeft vastgesteld. Op basis van de kadernota stelt het college de
                    subsidieplafonds onder voorbehoud van de programmabegroting voorlopig vast voor
                    het volgende subsidiejaar. Het college stelt de subsidieplafonds bij indien de
                    vaststelling van de programmabegroting daar aanleiding toe geeft.</al><al>Het college stelt de subsidieplafonds vast (lid 1); bij de bekendmaking daarvan
                    wordt tevens de wijze van verdelen vermeld (eerste lid in combinatie met artikel
                    4:26, tweede lid, van de Awb) en wordt er, indien van toepassing, gewezen op de
                    mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (tweede en derde lid). De
                    subsidieplafonds worden bekend gemaakt voor de periode, waarop het betrekking
                    heeft, ingaat. Zo kunnen potentiele aanvragers tijdig weten hoeveel geld er
                    beschikbaar is. De subsidieaanvragen kunnen zonder nadere motivering worden
                    afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is. </al><al>Bij bekendmaking van het subsidieplafond dient ook de volgorde van verdeling van
                    het beschikbare budget te worden vermeld. Dat kan de eenvoudige regel ‘wie eerst
                    komt, eerst maalt’ zijn; een andere mogelijkheid is dat alle gegadigden zich
                    vóór een bepaalde datum moeten melden en dat het beschikbare bedrag volgens een
                    bepaalde sleutel over alle ‘reële’ aanvragen wordt verdeeld; of dat wordt
                    gekeken welke aanvragen de meest urgente of de meest nuttige zijn; loting is ook
                    toegestaan. Een subsidieplafond kan er in de praktijk toe leiden dat aanvragers
                    die wel aan de inhoudelijke criteria voldoen toch een afwijzende beschikking
                    krijgen omdat er geen middelen (meer) beschikbaar zijn. In de gemeentelijke
                    praktijk zal het voorkomen dat er behoefte is om aanvragen tegen elkaar af te
                    wegen en een keuze te maken voor de aanvraag die het meest op de gemeentelijke
                    beleidsdoelstellingen aansluit. Er is voor gekozen om de verdeling 'bijdrage aan
                    de doelstellingen' en 'prijs- kwaliteitsverhouding' als standaardverdeling van
                    de subsidieplafonds te gebruiken. </al><al>Als er een subsidie wordt verleend, maar de gemeentebegroting is nog niet
                    vastgesteld, dan moet er een zogenoemd begrotingsvoorbehoud (lid 4) worden
                    opgenomen. Er is in dat geval namelijk formeel nog geen financiële ruimte. De
                    subsidie wordt in dat geval slechts verleend onder de voorwaarde dat de raad
                    daarvoor geld beschikbaar zal stellen. Het college moet hier binnen 4 weken na
                    vaststelling of goedkeuring van de begroting een beroep op doen, anders vervalt
                    het begrotingsvoorbehoud (art 4:34, lid 3 Awb).</al><al>De raad stelt de programmabegroting vast, wat niet wegneemt dat hij geïnformeerd
                    wil worden over op welke wijze de beschikbare middelen worden ingezet, om dit te
                    borgen is in het 5<sup>e</sup> lid bepaald dat het college de raad jaarlijks
                    informeert over de toegewezen en al dan geheel of gedeeltelijk afgewezen
                    subsidieaanvragen.</al><al>Artikel 4.<vet>Aanvraag</vet></al><al>In dit artikel is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag overlegd
                    dienen te worden. Indien een subsidie wordt aangevraagd op basis van een
                    subsidieregeling zal de subsidieregeling en het aanvraagformulier vermelden
                    welke specifieke indieningsvereisten worden gevraagd. Voor subsidieaanvragen
                    gelden naast de vereisten van artikel 4 en van het eventuele aanvraagformulier
                    de eisen waaraan elke aanvraag om een beschikking moet voldoen volgens artikel
                    4:2 Awb. Dat zijn: vermelding van naam en adres van de aanvrager, datum en
                    aanduiding van wat men wenst. terwijl andere relevante gegevens moeten worden
                    vermeld of bijgesloten. Uit de aanvraagformulieren zal natuurlijk blijken dat
                    ook al deze gegevens nodig zijn.</al><al>Artikel 5.<vet>Aanvraag- en beschikkingstermijnen</vet></al><al>De indienings- en beschikkingstermijnen voor de jaarsubsidies voor het nieuwe
                    jaar lopen parallel aan die voor de vaststellingsbeschikkingen voor het vorige
                    jaar. De vroege indiening is van belang omdat met deze aanvragen rekening moet
                    kunnen worden gehouden bij het voorbereiden van de begroting; het gaat soms om
                    aanzienlijke bedragen, die én voor de instelling én voor de gemeente van gewicht
                    zijn. Doordat op 1 juni ook de stukken voor de afrekening over het vorige jaar
                    moeten zijn ingeleverd, kunnen de gegevens over het te verantwoorden jaar worden
                    betrokken bij de beslissing over de subsidieaanvraag voor het volgende jaar. </al><al> Voor de subsidieaanvrager is het ook van belang, ruim vóór het nieuwe jaar te
                    weten waarop men waarschijnlijk (zie het begrotingsvoorbehoud van artikel 3) mag
                    rekenen. Daarom is de beschikkingstermijn gesteld op vier maanden, een termijn
                    die normaliter moet kunnen worden gehaald. Het kan zo zijn dat de door de raad
                    vastgestelde begroting het nodig maakt dat minder subsidie kan worden verleend
                    dan genoemd in de eerdere verleningsbeschikking (of zelfs dat in het geheel geen
                    subsidie kan worden gegeven). In dat geval zullen de ‘rectificerende
                    beschikkingen’ zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de begroting aan de
                    betrokkenen worden toegezonden.</al><al> De termijn van ‘acht weken tevoren’ in andere gevallen (lid 2) zal soms
                    onhaalbaar zijn, bijv. als om goede redenen heel plotseling het idee opkomt om
                    iets op héél korte termijn te organiseren waarvan ook het gemeentebestuur vindt
                    dat dat echt wenselijk is. Dan zijn er twee mouwen die daaraan kunnen worden
                    gepast. Soms zal de subsidieregeling al een kortere termijn geven, of wellicht
                    zelfs bepalen dat in bijzondere gevallen een aanvraag-achteraf nog mogelijk is.
                    En ten tweede is er de algemene hardheidsclausule voor te knellende
                    termijnen.</al><al>De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie
                    aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een
                    eindebeslissing heeft genomen (derde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie
                    wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van
                    het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en vervolgens
                    teruggevorderd dient te worden. </al><al>Artikel 6.<vet>Algemene weigeringsgronden</vet></al><al>Weigeringsgronden voor subsidies zijn denkbaar op drie niveaus. Allereerst geeft
                    de Awb een aantal altijd geldende weigeringsgronden: overschrijding
                    subsidieplafond (artikel 4:25), de activiteiten zullen waarschijnlijk niet
                    worden uitgevoerd, of het is aannemelijk dat de aanvrager de aan de subsidie
                    verbonden verplichtingen niet zal nakomen of dat hij geen behoorlijke rekening
                    en verantwoording zal afleggen, onjuiste of onvolledige inlichtingen die B&amp;W
                    op het verkeerde been zetten, of faillissement, surséance van betaling of
                    schuldsaneringsregeling is aan de orde (artikel 4:35). In de tweede plaats kan
                    de ASV weigeringsgronden bevatten. En ten derde kan de ASV bepalen dat ook de
                    subsidieregelingen eigen weigeringsgronden kunnen bevatten.</al><al>Artikel 6 betreft in hoofdzaak het tweede niveau. Het geeft dan – in aanvulling
                    op de Awb – algemene weigeringsgronden die altijd van belang zijn. Als een
                    weigeringsgrond spreekt van ‘voor zover ...’, betekent het dat de geconstateerde
                    situatie niet tot weigering van de gehele subsidie hoeft te leiden. Het verdient
                    aanbeveling, in zo’n geval eerst contact op te nemen met de aanvrager om te
                    bezien of de wél mogelijke subsidie wel wenselijk en zinvol is.</al><al>Nu allereerst iets over het eerste lid, de staatssteunbepaling. Volgens artikel
                    107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie (VWEU)
                    zijn ‘steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen
                    bekostigd’ in beginsel onverenigbaar met de interne Europese markt en daarom
                    veelal ongeoorloofd; namelijk als ze ‘de mededinging door begunstiging van
                    bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen
                    … voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig
                    beïnvloedt’. De leden 2 en 3 van artikel 107 sommen een aantal steunmaatregelen
                    op die wél verenigbaar zijn, en artikel 108 VWEU geeft een procedure via
                    ‘Brussel’ voor twijfelgevallen. De hier genoemde maatregelen plegen te worden
                    aangeduid als ‘staatssteun’, wat moet worden begrepen als ‘overheidssteun’:
                    steun – zoals subsidie – van gemeente of provincie valt er ook onder. Het gaat
                    daarbij alleen om steun aan ondernemingen. Tegen de achtergrond van de bestaande
                    praktijk, waarbij subsidieontvangers bijna altijd particulieren of ‘ideële’
                    instellingen zijn, mag worden aangenomen dat van verboden staatssteun in ons
                    geval niet spoedig sprake zal zijn. Bovendien gaat het probleem pas spelen bij
                    grote bedragen. Maar om alle risico uit te sluiten, is ‘verboden staatssteun’
                    hier als eerste algemene weigeringsgrond opgenomen.</al><al>Het tweede lid bevat een hele reeks weigeringsgronden, die over het algemeen
                    voor zich spreken, maar hier gaat het steeds om facultatieve weigeringsgronden:
                    B&amp;W kúnnen op deze gronden weigeren, ze zijn er niet toe verplicht. Zo
                    kunnen ze de ernst van de weigeringsgrond afwegen tegen het belang van de
                    subsidiëring, kunnen zij eventueel passende verplichtingen aan de subsidie
                    verbinden, wellicht gedeeltelijk weigeren – zo kan maatwerk worden geleverd. </al><al>De weigeringsgrond van onder a. dat activiteiten niet in strijd zijn met een
                    wettelijke regeling spreekt voor zich. Het gaat hierbij om activiteiten die bij
                    wet verboden of strafbaar zijn, waaronder ook het aanzetten tot kwetsend,
                    godslasterend of onzedelijk gedrag.</al><al>De weigeringsgrond van onderdeel b, bij activiteiten die niet verenigbaar zijn
                    met gemeentelijk beleid, zou kunnen worden toegepast bij de aanvraag om een
                    subsidie waarop (nog) geen subsidieregeling van toepassing is. Als er een
                    subsidieregeling is voor het subsidiëren van bepaalde activiteiten, dan blijkt
                    uit dat feit op zichzelf immers al dat die activiteiten bijdragen aan de
                    verwezenlijking van gemeentelijk beleid. </al><al>Onderdeel e betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de
                    Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet
                    Bibob) niet kan doorstaan. Bij deze weigeringsgrond is niet van belang of de
                    activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel
                    zijn. Het gaat hierbij louter om de integriteit van de persoon dan wel
                    rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob
                    geen subsidie wenst te verlenen. Naast subsidie weigeren, kan het college in
                    dergelijke gevallen ook een reeds verleende en vastgestelde subsidie
                    intrekken.</al><al>Nog een opmerking bij onderdeel f. Als gediscrimineerd wordt bij het verlenen
                    van toegang tot activiteiten, dan is gemeentelijke subsidie niet op haar plaats.
                    Maar een enkele keer is er een goede reden om de toegang tot een gesubsidieerde
                    activiteit te beperken tot sommige groepen (en andere dus uit te sluiten),
                    namelijk wanneer daarmee juist die groepen worden bereikt welke bereikt moeten
                    worden; het zal hier vooral gaan om gevallen van ‘passende positieve
                    discriminatie’. Dan is er geen reden om niet te subsidiëren, het tegendeel zal
                    veeleer het geval zijn.</al><al>Onderdeel i tenslotte geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling
                    nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die
                    specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen. </al><al>Artikel 7.<vet>Verantwoording</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 8.<vet>Algemene verplichtingen van de
                        subsidieontvanger</vet></al><al>Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede
                    lid) die voor alle subsidieontvangers geldt.</al><al>Artikel 9.<vet>Wijzigen en intrekken, terugvorderen
                        subsidie</vet></al><al>De Awb geeft in de artikelen 4:48 – 4:51 een in beginsel gesloten stelsel van
                    wijzigings- en intrekkingsgronden. Maar buiten de Awb zijn naderhand ook andere
                    gronden voor intrekking mogelijk geworden; het betreft met name ‘verboden
                    staatssteun’ (het eerste lid) en de Wet bibob (tweede lid).</al><al>Wijzigen of intrekken van een reeds verleende subsidie als blijkt dat die heeft
                    geleid tot verboden staatssteun, is verplicht op grond van de artikelen 107 en
                    108 VWEU en het daarmee samenhangende beginsel van de ‘Unietrouw’, zo volgt uit
                    de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Om daarover geen
                    misverstand te laten bestaan, is het van belang deze wijzigings- en
                    intrekkingsgrond in de verordening op te nemen. De ‘bibob-ingreep’ is een
                    mogelijkheid die de Wet bibob geeft mits ze is vervat in een wettelijk
                    voorschrift, zoals een gemeentelijke verordening. Vandaar de wenselijkheid van
                    het tweede lid.</al><al>Artikel 10.<vet>Egalisatiereserve</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 11.<vet>Aanvraag om vaststelling</vet></al><al>Bij de vaststelling van het uiteindelijke subsidiebedrag kan blijken dat dit
                    bedrag lager uitvalt dan wat reeds aan voorschotten is betaald. Artikel 4:57 Awb
                    voorziet dan in de mogelijkheid van terugvordering of verrekening.</al><al>Artikel 12.<vet>Rekening en verantwoording</vet></al><al>Kenmerkend voor subsidies tot en met € 5.000 is dat deze op basis van vertrouwen
                    worden verleend; er wordt niet meer standaard om verantwoording gevraagd. In
                    plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij
                    niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 8). Achteraf kan een
                    risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger. Hierdoor
                    kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker
                    worden bespaard. Dit kan echter per gesubsidieerde activiteit verschillen.
                    Bijvoorbeeld in het geval van een subsidie voor de restauratie van een monument
                    wordt een subsidie vaak pas uitbetaald bij de vaststelling (na realisatie),
                    waarbij het praktisch gezien niet wenselijk is om eisen rond de
                    verantwoordingsplicht te laten vervallen.</al><al>Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening
                    al worden aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen
                    daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en
                    activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of
                    andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook
                    bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat
                    duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de
                    subsidie werd verstrekt.</al><al>Voor grote subsidies, dat wil zeggen hoger dan € 50.000, is het verplicht om bij
                    de verantwoording een accountantsverklaring te overleggen. </al><al>Artikel 13.<vet>Voorschotten</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>Artikel 14.<vet>Hardheidsclausule</vet></al><al>In de hardheidsclausule is aangegeven op welke onderdelen van de regeling deze
                    clausule van toepassing is. De te treffen voorziening, die niet in de
                    verordening is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie
                    te passen.</al><al>Artikel 15.<vet>Slotbepalingen en overgangsrecht</vet></al><al>Deze verordening heeft alleen toepassing op de subsidies die betrekking hebben
                    op activiteiten in 2017 of latere jaren, waarvoor de middelen ter beschikking
                    worden gesteld met de begrotingen voor 2017 en later. De aanvragen voor
                    jaarsubsidies voor 2017 moeten dan uiterlijk 1 juni 2016 zijn ingediend – zie
                    artikel 5, eerste lid –, en de belanghebbenden moeten daarvan op de hoogte
                    kunnen zijn. Daarvoor is allereerst vereist dat de subsidieregelingen ook tijdig
                    voor die datum gereed zijn, in elk geval die welke de jaarsubsidies betreffen.
                    In de maanden na 1 juni kan er vervolgens op deze aanvragen worden beschikt; die
                    subsidies kunnen dan alleen met een begrotingsvoorbehoud worden verleend, zie
                    artikel 3. </al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat de oude subsidieverordeningen van toepassing
                    blijven op de subsidies over 2016. Dat geldt ook voor de
                    vaststellingsbeschikkingen die in 2017 nog moeten worden genomen en voor de
                    beslissingen op bezwaarschriften die betrekking hebben op ‘oude’ subsidies, ook
                    als ze pas na 1 januari 2017 kunnen worden genomen. De nieuwe verordening en de
                    oude verordeningen kunnen op deze wijze conflictloos enige tijd naast elkaar
                    blijven bestaan: een bepaalde subsidie valt of onder een oude verordening of
                    onder de nieuwe, maar nooit onder twee of meer subsidieverordeningen tegelijk.
                    Zodoende levert de wat onbestemde vervaldatum die voortvloeit uit het eerste lid
                    geen rechtsonzekerheid op. Zodra vaststaat dat de oude verordeningen zijn
                    uitgewerkt, zal ze uit het bestand van geldende verordeningen worden
                    verwijderd.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 3 - ALGEMENE WET BESTUURSRECHT TITEL 4.2 (SUBSIDIES)</titel></kop><tussenkop>Afdeling 4.2.1. Inleidende bepalingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:21</tussenkop><al><vet>1.</vet>Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële
                    middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten
                    van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde
                    goederen of diensten.</al><al><vet>2.</vet>Deze titel is niet van toepassing op aanspraken of
                    verplichtingen die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift inzake:</al><lijst><li nr="a."><al>belastingen,</al></li><li nr="b."><al>de heffing van een premie dan wel een premievervangende belasting
                            ingevolge de Wet financiering sociale verzekeringen, of</al></li><li nr="c."><al>de heffing van een inkomensafhankelijke bijdrage dan wel een
                            bijdragevervangende belasting ingevolge de Zorgverzekeringswet.</al></li></lijst><al><vet>3.</vet>Deze titel is niet van toepassing op de aanspraak op
                    financiële middelen die wordt verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift
                    dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens
                    publiekrecht zijn ingesteld.</al><al><vet>4.</vet>Deze titel is van overeenkomstige toepassing op de
                    bekostiging van het onderwijs en onderzoek.</al><tussenkop>Artikel 4:22</tussenkop><al>Onder subsidieplafond wordt verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald
                    tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens
                    een bepaald wettelijk voorschrift.</al><tussenkop>Artikel 4:23</tussenkop><al><vet>1.</vet>Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van
                    een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden
                    verstrekt. </al><al><vet>2.</vet>Indien een zodanig wettelijk voorschrift is opgenomen in een
                    niet op een wet berustende algemene maatregel van bestuur, vervalt dat
                    voorschrift vier jaren nadat het in werking is getreden, tenzij voor dat
                    tijdstip een voorstel van wet bij de Staten-Generaal is ingediend waarin de
                    subsidie wordt geregeld. </al><al><vet>3.</vet>Het eerste lid is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>in afwachting van de totstandkoming van een wettelijk voorschrift
                            gedurende ten hoogste een jaar of totdat een binnen dat jaar bij de
                            Staten-Generaal ingediend wetsvoorstel is verworpen of tot wet is
                            verheven en in werking is getreden;</al></li><li nr="b."><al>indien de subsidie rechtstreeks op grond van een door de Raad van de
                            Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de
                            Europese Commissie vastgesteld programma wordt verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>indien de begroting de subsidie-ontvanger en het bedrag waarop de
                            subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt, of</al></li><li nr="d."><al>in incidentele gevallen, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren
                            wordt verstrekt.</al></li></lijst><al><vet>4.</vet>Het bestuursorgaan publiceert jaarlijks een verslag van de
                    verstrekking van subsidies met toepassing van het derde lid, onderdelen
                        <cursief>a</cursief> en <cursief>d</cursief>.</al><tussenkop>Artikel 4:24</tussenkop><al>Indien een subsidie op een wettelijk voorschrift berust, wordt ten minste
                    eenmaal in de vijf jaren een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de
                    effecten van de subsidie in de praktijk, tenzij bij wettelijk voorschrift anders
                    is bepaald.</al><tussenkop>Afdeling 4.2.2. Het subsidieplafond </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:25</tussenkop><al><vet>1.</vet>Een subsidieplafond kan slechts bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift worden vastgesteld.</al><al><vet>2.</vet>Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van
                    de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.</al><al><vet>3.</vet>Indien niet tijdig, dan wel in bezwaar of beroep of ter
                    uitvoering van een rechterlijke uitspraak omtrent verstrekking wordt beslist,
                    geldt de verplichting van het tweede lid slechts voor zover zij ook gold op het
                    tijdstip, waarop de beslissing in eerste aanleg werd genomen of had moeten
                    worden genomen. </al><tussenkop>Artikel 4:26</tussenkop><al><vet>1.</vet>Bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het
                    beschikbare bedrag wordt verdeeld.</al><al><vet>2.</vet>Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt de wijze
                    van verdeling vermeld.</al><tussenkop>Artikel 4:27</tussenkop><al><vet>1.</vet>Het subsidieplafond wordt bekendgemaakt voor de aanvang van
                    het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.</al><al><vet>2.</vet>Indien het subsidieplafond of een verlaging daarvan later
                    wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor voordien
                    ingediende aanvragen. </al><tussenkop>Artikel 4:28</tussenkop><al> Artikel 4:27, tweede lid, is niet van toepassing, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvragen voor het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is
                            vastgesteld ingevolge wettelijk voorschrift moeten worden ingediend op
                            een tijdstip waarop de begroting nog niet is vastgesteld of
                            goedgekeurd;</al></li><li nr="b."><al>het een verlaging betreft die voortvloeit uit de vaststelling of
                            goedkeuring van de begroting, en</al></li><li nr="c."><al>bij de bekendmaking van het subsidieplafond is gewezen op de
                            mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende
                            aanvragen.</al></li></lijst><tussenkop>Afdeling 4.2.3. De subsidieverlening </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:29</tussenkop><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald kan voorafgaand aan een
                    subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven,
                    indien een aanvraag daartoe is ingediend voor de afloop van de activiteit of het
                    tijdvak waarvoor de subsidie wordt gevraagd.</al><tussenkop>Artikel 4:30</tussenkop><al><vet>1.</vet>De beschikking tot subsidieverlening bevat een omschrijving
                    van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend.</al><al><vet>2.</vet>De omschrijving kan later worden uitgewerkt, voor zover de
                    beschikking tot subsidieverlening dit vermeldt.</al><tussenkop>Artikel 4:31</tussenkop><al><vet>1.</vet>De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van
                    de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.</al><al><vet>2.</vet>Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de
                    subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste
                    kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.</al><tussenkop>Artikel 4:32</tussenkop><al>Een subsidie in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen
                    wordt verleend voor een bepaald tijdvak, dat in de beschikking tot
                    subsidieverlening wordt vermeld.</al><tussenkop>Artikel 4:33</tussenkop><al>Een subsidie kan niet worden verleend onder de voorwaarde dat uitsluitend het
                    bestuursorgaan of uitsluitend de subsidie-ontvanger een bepaalde handeling
                    verricht, tenzij het betreft de voorwaarde dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de subsidie-ontvanger medewerkt aan de totstandkoming van een
                            overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening,
                            of</al></li><li nr="b."><al>de subsidie-ontvanger aantoont dat een gebeurtenis, niet zijnde een
                            handeling van het bestuursorgaan of van de subsidie-ontvanger, heeft
                            plaatsgevonden.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:34</tussenkop><al><vet>1.</vet>Voor zover een subsidie wordt verleend ten laste van een
                    begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, kan zij worden verleend
                    onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al><al><vet>2.</vet>De voorwaarde kan niet worden gesteld, voor zover zulks
                    voortvloeit uit het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust.</al><al><vet>3.</vet>De voorwaarde vervalt, indien het bestuursorgaan daarop niet
                    binnen vier weken na de vaststelling of goedkeuring van de begroting een beroep
                    heeft gedaan.</al><al><vet>4.</vet>Het beroep op de voorwaarde geschiedt bij een subsidie voor
                    een activiteit die door het bestuursorgaan ook in het voorafgaande
                    begrotingsjaar werd gesubsidieerd door een intrekking wegens veranderde
                    omstandigheden overeenkomstig artikel 4:50.</al><al><vet>5.</vet>In andere gevallen geschiedt het beroep op de voorwaarde door
                    een intrekking overeenkomstig artikel 4:48, eerste lid. </al><tussenkop>Artikel 4:35</tussenkop><al><vet>1.</vet>De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd
                    indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording
                            zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de
                            subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al><vet>2.</vet>De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden
                    geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                            verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                            beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of
                            ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
                            toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                            ingediend.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:36</tussenkop><al><vet>1.</vet>Ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening kan
                    een overeenkomst worden gesloten.</al><al><vet>2.</vet>Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard
                    van de subsidie zich daartegen verzet, kan in de overeenkomst worden bepaald dat
                    de subsidie-ontvanger verplicht is de activiteiten te verrichten waarvoor de
                    subsidie is verleend. </al><tussenkop>Afdeling 4.2.4. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:37</tussenkop><al><vet>1.</vet>Het bestuursorgaan kan de subsidie-ontvanger verplichtingen
                    opleggen met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt
                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en
                            inkomsten;</al></li><li nr="c."><al>het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden
                            die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;</al></li><li nr="d."><al>de te verzekeren risico’s;</al></li><li nr="e."><al>het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;</al></li><li nr="f."><al>het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte
                            activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover
                            deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;</al></li><li nr="g."><al>het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor
                            derden;</al></li><li nr="h."><al>het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel
                            393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het
                            bestuursorgaan gevoerde financiële beheer en de financiële
                            verantwoording daarover.</al></li></lijst><al><vet>2.</vet>Indien een verplichting als bedoeld in het eerste lid,
                    onderdeel <cursief>c</cursief>, wordt opgelegd, zijn de artikelen 4:3 en 4:4 van
                    overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop>Artikel 4:38</tussenkop><al><vet>1.</vet>Het bestuursorgaan kan de subsidie-ontvanger ook andere
                    verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de
                    subsidie.</al><al><vet>2.</vet>Indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust,
                    worden de verplichtingen opgelegd bij wettelijk voorschrift of krachtens
                    wettelijk voorschrift bij de subsidieverlening. </al><al><vet>3.</vet>Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust,
                    kunnen de verplichtingen worden opgelegd bij de subsidieverlening.</al><tussenkop>Artikel 4:39</tussenkop><al><vet>1.</vet>Verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het
                    doel van de subsidie kunnen slechts aan de subsidie worden verbonden voor zover
                    dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.</al><al><vet>2.</vet>Verplichtingen als bedoeld in het eerste lid kunnen slechts
                    betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde
                    activiteit wordt verricht.</al><tussenkop>Artikel 4:40</tussenkop><al>De verplichtingen kunnen na de subsidieverlening worden uitgewerkt, voor zover
                    de beschikking tot subsidieverlening dit vermeldt.</al><tussenkop>Artikel 4:41</tussenkop><al><vet>1.</vet>In de gevallen, genoemd in het tweede lid, is de
                    subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot
                    vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan het bestuursorgaan,
                    mits:</al><lijst><li nr="a."><al>dit bij wettelijk voorschrift of, indien de subsidie niet op een
                            wettelijk voorschrift berust, bij de subsidieverlening is bepaald,
                            en</al></li><li nr="b."><al>daarbij is aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt
                            bepaald.</al></li></lijst><al><vet>2.</vet>De vergoeding is slechts verschuldigd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de subsidie-ontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of
                            bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan
                            wijzigt;</al></li><li nr="b."><al>de subsidie-ontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of
                            beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of
                            bestemde goederen;</al></li><li nr="c."><al>de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden
                            beëindigd;</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de
                            subsidie wordt beëindigd, of</al></li><li nr="e."><al>de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.</al></li></lijst><al><vet>3.</vet>De vergoeding wordt vastgesteld binnen een jaar nadat het
                    bestuursorgaan op de hoogte is gekomen of kon zijn van de gebeurtenis die het
                    recht op vergoeding deed ontstaan, doch in ieder geval binnen vijf jaren na de
                    bekendmaking van de laatste beschikking tot subsidievaststelling.</al><tussenkop>Afdeling 4.2.5. De subsidievaststelling </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:42</tussenkop><al>De beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van de subsidie vast en
                    geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag overeenkomstig afdeling
                    4.2.7.</al><tussenkop>Artikel 4:43</tussenkop><al><vet>1.</vet>Indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven,
                    bevat de beschikking tot subsidievaststelling een aanduiding van de activiteiten
                    waarvoor subsidie wordt verstrekt.</al><al><vet>2.</vet>De artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 zijn van
                    overeenkomstige toepassing. </al><tussenkop>Artikel 4:44</tussenkop><al><vet>1.</vet>Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven,
                    dient de subsidie-ontvanger na afloop van de activiteiten of het tijdvak
                    waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie
                    in, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>de subsidie met toepassing van artikel 4:47, onderdeel
                                <cursief>a</cursief> , ambtshalve wordt vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald dat de
                            aanvraag wordt ingediend telkens na afloop van een gedeelte van het
                            tijdvak waarvoor de subsidie is verleend, of</al></li><li nr="c."><al>de vaststelling van de subsidie bij een overeenkomst als bedoeld in
                            artikel 4:36, eerste lid, anders is geregeld.</al></li></lijst><al><vet>2.</vet>Indien bij wettelijk voorschrift geen termijn is bepaald,
                    wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend binnen een bij de subsidieverlening
                    te bepalen termijn.</al><al><vet>3.</vet>Indien voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling
                    geen termijn is bepaald of de aanvraag na afloop van de daarvoor bepaalde
                    termijn niet is ingediend kan het bestuursorgaan de subsidie-ontvanger een
                    termijn stellen binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend.</al><al><vet>4.</vet>Indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend,
                    kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 4:45</tussenkop><al><vet>1.</vet>Bij de aanvraag tot subsidievaststelling toont de aanvrager
                    aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie
                    verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie voor de aanvang van de activiteiten
                    wordt vastgesteld.</al><al><vet>2.</vet>Bij de aanvraag tot subsidievaststelling legt de aanvrager
                    rekening en verantwoording af omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven
                    en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 4:46</tussenkop><al><vet>1.</vet>Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven,
                    stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening
                    vast.</al><al><vet>2.</vet>De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                            verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                            en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid,
                            of</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit
                            wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al><vet>3.</vet>Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de
                    werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden
                    kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de
                    vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.</al><tussenkop>Artikel 4:47</tussenkop><al>Het bestuursorgaan kan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve
                    vaststellen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is
                            bepaald binnen welke de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>toepassing wordt gegeven aan artikel 4:44, vierde lid, of</al></li><li nr="c."><al>de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot
                            subsidievaststelling wordt ingetrokken of ten nadele van de ontvanger
                            wordt gewijzigd.</al></li></lijst><tussenkop>Afdeling 4.2.6. Intrekking en wijziging </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:48</tussenkop><al><vet>1.</vet>Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan
                    de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen,
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben
                            plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                            verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                            en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit
                            wist of behoorde te weten, of</al></li><li nr="e."><al>met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, een beroep wordt gedaan op
                            de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al></li></lijst><al><vet>2.</vet>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het
                    tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging
                    anders is bepaald. </al><tussenkop>Artikel 4:49</tussenkop><al><vet>1.</vet>Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of
                    ten nadele van de ontvanger wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de
                            subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op
                            grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening
                            zou zijn vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit
                            wist of behoorde te weten, of</al></li><li nr="c."><al>indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft
                            voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.</al></li></lijst><al><vet>2.</vet>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het
                    tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of
                    wijziging anders is bepaald.</al><al><vet>3.</vet>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of
                    ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken
                    sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het
                    eerste lid, onderdeel <cursief>c</cursief>, sedert de dag waarop de handeling in
                    strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had
                    moeten zijn voldaan. </al><tussenkop>Artikel 4:50</tussenkop><al><vet>1.</vet>Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan
                    de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten
                    nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de subsidieverlening onjuist is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in
                            overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de
                            subsidie verzetten, of</al></li><li nr="c."><al>in andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen.</al></li></lijst><al><vet>2.</vet>Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid,
                    onderdeel <cursief>a</cursief> of <cursief>b</cursief>, vergoedt het
                    bestuursorgaan de schade die de subsidie-ontvanger lijdt doordat hij in
                    vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou
                    hebben gedaan.</al><tussenkop>Artikel 4:51</tussenkop><al><vet>1.</vet>Indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer
                    achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak
                    dezelfde voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering
                    van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde
                    omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde
                    voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een
                    redelijke termijn. </al><al><vet>2.</vet>Voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is
                    verleend sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop
                    aansluitend tijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, wordt de subsidie
                    voor het resterende deel van die termijn verleend, zo nodig in afwijking van
                    artikel 4:25, tweede lid.</al><tussenkop>Afdeling 4.2.7. Betaling en terugvordering </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:52</tussenkop><al><vet>1.</vet>Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de
                    subsidievaststelling betaald.</al><al><vet>2.</vet>Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust,
                    kan bij de subsidieverlening, of, indien geen beschikking tot subsidieverlening
                    is gegeven, bij de subsidievaststelling een van artikel 4:87, eerste lid,
                    afwijkende termijn voor de betaling van het subsidiebedrag worden
                    vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 4:53</tussenkop><al><vet>1.</vet>Het subsidiebedrag kan in gedeelten worden betaald, mits bij
                    wettelijk voorschrift is bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op welke
                    tijdstippen zij worden betaald.</al><al><vet>2.</vet>Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust,
                    kan het subsidiebedrag in gedeelten worden betaald, mits bij de
                    subsidieverlening, of indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven,
                    bij de subsidievaststelling, is bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op
                    welke tijdstippen zij worden betaald.4:54 [Vervallen per 01-07-2009]</al><al> Artikel 4:55 [Vervallen per 01-07-2009]</al><tussenkop>Artikel 4:56</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:56</tussenkop><al>De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot wordt
                    opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de
                    subsidie-ontvanger schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er
                    grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 4:48 of 4:49, tot en met de dag
                    waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de
                    dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn
                    verstreken.</al><tussenkop>Artikel 4:57</tussenkop><al><vet>1.</vet>Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde
                    subsidiebedragen terugvorderen.</al><al><vet>2.</vet>Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag bij
                    dwangbevel invorderen.</al><al><vet>3.</vet>Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag
                    verrekenen met een aan dezelfde subsidie-ontvanger voor dezelfde activiteiten
                    verstrekte subsidie voor een ander tijdvak.</al><al><vet>4.</vet>Terugvordering van een subsidiebedrag of een voorschot vindt
                    niet plaats voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de
                    handeling, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft
                    plaatsgevonden, vijf jaren zijn verstreken.</al><tussenkop>Afdeling 4.2.8. Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen </tussenkop><tussenkop>Paragraaf 4.2.8.1. Inleidende bepalingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:58</tussenkop><al><vet>1.</vet>Deze afdeling is van toepassing op per boekjaar verstrekte
                    subsidies, indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het
                    bestuursorgaan is bepaald.</al><al><vet>2.</vet>Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
                    deze afdeling van toepassing is op daarbij aangewezen subsidies.</al><tussenkop>Artikel 4:59</tussenkop><al><vet>1.</vet>Het bestuursorgaan dat met toepassing van deze afdeling een
                    subsidie verleent kan een of meer toezichthouders aanwijzen die zijn belast met
                    het toezicht op de naleving van de aan de ontvanger van die subsidie opgelegde
                    verplichtingen. </al><al><vet>2.</vet>De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld
                    in de artikelen 5:18 en 5:19.</al><tussenkop>Paragraaf 4.2.8.2. De aanvraag </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:60</tussenkop><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag van de
                    subsidie uiterlijk dertien weken voor de aanvang van het boekjaar ingediend. </al><tussenkop>Artikel 4:61</tussenkop><al><vet>1.</vet>De aanvraag van de subsidie gaat in ieder geval vergezeld
                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>een activiteitenplan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
                            daaraan geen behoefte is, en</al></li><li nr="b."><al>een begroting, tenzij deze voor de berekening van het bedrag van de
                            subsidie niet van belang is.</al></li></lijst><al><vet>2.</vet>Indien de aanvrager beschikt over een egalisatiereserve als
                    bedoeld in artikel 4:72, vermeldt de aanvraag de omvang daarvan. </al><tussenkop>Artikel 4:62</tussenkop><al>Het activiteitenplan behelst een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie
                    wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen en vermeldt per
                    activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen. </al><tussenkop>Artikel 4:63</tussenkop><al><vet>1.</vet>De begroting behelst een overzicht van de voor het boekjaar
                    geraamde inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking
                    hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.</al><al><vet>2.</vet>De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een
                    toelichting voorzien. </al><al><vet>3.</vet>Tenzij voor de activiteiten waarop de aanvraag betrekking
                    heeft nog niet eerder subsidie werd verstrekt, behelst de begroting een
                    vergelijking met de begroting van het lopende boekjaar en de gerealiseerde
                    inkomsten en uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het lopende boekjaar.</al><tussenkop>Artikel 4:64</tussenkop><al><vet>1.</vet>Tenzij de aanvraag wordt ingediend door een krachtens
                    publiekrecht ingestelde rechtspersoon, gaat deze, indien voor het jaar
                    voorafgaand aan het subsidiejaar geen subsidie werd aangevraagd, voorts
                    vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de
                            statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd, en</al></li><li nr="b."><al>de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2
                            van het Burgerlijk Wetboek dan wel de balans en de staat van baten en
                            lasten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken,
                            een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment
                            van de aanvraag.</al></li></lijst><al><vet>2.</vet>De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bescheiden dan
                    wel het verslag over de financiële positie zijn voorzien van een van een
                    accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
                    Wetboek afkomstige schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid
                    onderscheidenlijk een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is
                    gebleken.</al><al><vet>3.</vet>Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het
                    bestuursorgaan kan vrijstelling of ontheffing worden verleend van het in het
                    tweede lid bepaalde.</al><tussenkop>Artikel 4:65</tussenkop><al>Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie heeft
                    aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling
                    in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de
                    beoordeling van die aanvraag of aanvragen.</al><tussenkop>Paragraaf 4.2.8.3. De subsidieverlening </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:66</tussenkop><al>De subsidie wordt slechts verleend aan een rechtspersoon met volledige
                    rechtsbevoegdheid.</al><tussenkop>Artikel 4:67</tussenkop><al><vet>1.</vet>De subsidie wordt voor een boekjaar of voor een bepaald
                    aantal boekjaren verleend.</al><al><vet>2.</vet>Indien de subsidie voor twee of meer boekjaren wordt
                    verleend, wordt aan de subsidie de verplichting verbonden tot het periodiek aan
                    het bestuursorgaan verstrekken van de gegevens die voor de vaststelling van de
                    subsidie van belang zijn.</al><al><vet>3.</vet>De beschikking tot subsidieverlening vermeldt welke gegevens
                    de subsidie-ontvanger krachtens het tweede lid moet verstrekken, alsmede op
                    welke tijdstippen de gegevens moeten worden verstrekt.</al><tussenkop>Paragraaf 4.2.8.4. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:68</tussenkop><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening anders is bepaald,
                    stelt de subsidie-ontvanger het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar. </al><tussenkop>Artikel 4:69</tussenkop><al><vet>1.</vet>De subsidie-ontvanger voert een zodanig ingerichte
                    administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de
                    subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de
                    ontvangsten kunnen worden nagegaan.</al><al><vet>2.</vet>De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden
                    gedurende zeven jaren bewaard.</al><tussenkop>Artikel 4:70</tussenkop><al>Indien gedurende het boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te
                    ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en
                    inkomsten doet de subsidie-ontvanger daarvan onverwijld mededeling aan het
                    bestuursorgaan onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.</al><tussenkop>Artikel 4:71</tussenkop><al><vet>1.</vet>Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de
                    subsidieverlening is bepaald, behoeft de subsidie-ontvanger de toestemming van
                    het bestuursorgaan voor: </al><lijst><li nr="a."><al>het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al>het wijzigen van de statuten;</al></li><li nr="c."><al>het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van
                            registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van de
                            subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de
                            subsidiegelden;</al></li><li nr="d."><al>het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging,
                            vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of
                            pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn
                            verworven door middel van de subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede
                            zijn bekostigd uit de subsidie;</al></li><li nr="e."><al>het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van
                            geldlening;</al></li><li nr="f."><al>het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidie-ontvanger zich
                            verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor
                            schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk
                            medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;</al></li><li nr="g."><al>het vormen van fondsen en reserveringen;</al></li><li nr="h."><al>het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidie-ontvanger
                            in de gewone uitoefening van zijn gesubsidieerde activiteiten te
                            verrichten prestaties;</al></li><li nr="i."><al>het ontbinden van de rechtspersoon;</al></li><li nr="j."><al>het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn
                            surséance van betaling.</al></li></lijst><al><vet>2.</vet>Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken omtrent de
                    toestemming.</al><al><vet>3.</vet>De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden
                    verdaagd. </al><al><vet>4.</vet>Paragraaf 4.1.3.3 is van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 4:72</tussenkop><al><vet>1.</vet>Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de
                    subsidieverlening is bepaald, vormt de ontvanger een egalisatiereserve.</al><al><vet>2.</vet>Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke
                    kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend komt ten gunste
                    onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.</al><al><vet>3.</vet>De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend en zo veilig als
                    redelijkerwijs mogelijk is belegd.</al><al><vet>4.</vet>De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de
                    egalisatiereserve toegevoegd.</al><al><vet>5.</vet>In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, tweede lid,
                    onderdelen c, d en e, is de subsidie-ontvanger ter zake van de egalisatiereserve
                    vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan de
                    egalisatiereserve heeft bijgedragen.</al><tussenkop>Paragraaf 4.2.8.5. De subsidievaststelling </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:73</tussenkop><al>De subsidie wordt per boekjaar vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 4:74</tussenkop><al>De subsidie-ontvanger dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een
                    aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald of de subsidie met toepassing van artikel 4:67, tweede lid,
                    voor twee of meer boekjaren is verleend.</al><tussenkop>Artikel 4:75</tussenkop><al><vet>1.</vet>De aanvraag tot vaststelling gaat in ieder geval vergezeld
                    van een financieel verslag en een activiteitenverslag.</al><al><vet>2.</vet>Indien de subsidie-ontvanger ingevolge wettelijk voorschrift
                    verplicht is tot het opstellen van een jaarrekening als bedoeld in artikel 361
                    van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of indien dit bij de subsidieverlening is
                    bepaald, legt hij in plaats van het financieel verslag de jaarrekening over,
                    onverminderd artikel 4:45, tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 4:76</tussenkop><al><vet>1.</vet>Indien de subsidie-ontvanger zijn inkomsten geheel ontleent
                    aan de subsidie omvat het financiële verslag de balans en de exploitatierekening
                    met de toelichting en zijn het tweede tot en met vijfde lid van toepassing.</al><al><vet>2.</vet>Het financiële verslag geeft volgens normen die in het
                    maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht
                    dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent:</al><lijst><li nr="a."><al>het vermogen en het exploitatiesaldo, en</al></li><li nr="b."><al>voor zover de aard van het financiële verslag dat toelaat, omtrent de
                            solvabiliteit en de liquiditeit van de subsidie-ontvanger.</al></li></lijst><al><vet>3.</vet>De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en
                    stelselmatig de grootte en de samenstelling in actief- en passiefposten van het
                    vermogen op het einde van het boekjaar weer.</al><al><vet>4.</vet>De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw,
                    duidelijk en stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo van het boekjaar
                    weer.</al><al><vet>5.</vet>Het financiële verslag sluit aan op de begroting waarvoor
                    subsidie is verleend en behelst een vergelijking met de gerealiseerde inkomsten
                    en uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het boekjaar.</al><tussenkop>Artikel 4:77</tussenkop><al>Indien de subsidie-ontvanger zijn inkomsten in overwegende mate ontleent aan de
                    subsidie kan bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening worden
                    bepaald dat artikel 4:76 van overeenkomstige toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 4:78</tussenkop><al><vet>1.</vet>De subsidie-ontvanger geeft opdracht tot onderzoek van het
                    financiële verslag aan een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
                    van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.</al><al><vet>2.</vet>De accountant onderzoekt of het financiële verslag voldoet
                    aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het
                    activiteitenverslag, voor zover hij dat verslag kan beoordelen, met het
                    financiële verslag verenigbaar is.</al><al><vet>3.</vet>De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een
                    schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag.</al><al><vet>4.</vet>De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld
                    van de in het derde lid bedoelde verklaring.</al><al><vet>5.</vet>Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan
                    vrijstelling of ontheffing worden verleend van het eerste tot en met het vierde
                    lid.</al><tussenkop>Artikel 4:79</tussenkop><al><vet>1.</vet>Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan
                    worden bepaald dat de in artikel 4:78, eerste lid, bedoelde opdracht tevens
                    strekt tot onderzoek van de naleving van aan de subsidie verbonden
                    verplichtingen.</al><al><vet>2.</vet>Bij toepassing van het eerste lid gaat de opdracht vergezeld
                    van een bij of krachtens wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening vast
                    te stellen aanwijzing over de reikwijdte en de intensiteit van de controle.</al><al><vet>3.</vet>Bij toepassing van het eerste lid, gaat het financiële
                    verslag tevens vergezeld van een schriftelijke verklaring van de accountant over
                    de naleving door de subsidie-ontvanger van de aan de subsidie verbonden
                    verplichtingen. </al><tussenkop>Artikel 4:80</tussenkop><al>Het activiteitenverslag beschrijft de aard en omvang van de activiteiten
                    waarvoor subsidie werd verleend en bevat een vergelijking tussen de nagestreefde
                    en de gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>