<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR40331_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening leerlingenvervoer gemeente Rheden 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Rheden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Rheden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Regiobode, 01- 05-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer gemeente Rheden 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-04-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-05-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-05-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art 1, 3, 5, 18, 20, 22, 26, 30</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening leerlingenvervoer gemeente Rheden 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Rheden;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 april 2010;</al><al>gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
                        expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de <vet>‘Verordening leerlingenvervoer gemeente Rheden
                            2010’</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>leerlingenvervoer: het noodzakelijk geachte vervoer tussen de
                                    woning van de gehandicapte leerling en de voor de leerling
                                    toegankelijke school;</al></li><li nr="b."><al>school:</al><lijst><li nr="-"><al>een basisschool of speciale school voor basisonderwijs
                                            als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs (Stbl.
                                            1998, 495);</al></li><li nr="-"><al>een school voor speciaal onderwijs of speciaal en
                                            voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                            onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra
                                            (Stbl. 1998, 496);</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de
                                            Wet op het voortgezet onderwijs (Stbl. 1998, 512);</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling;</al></li><li nr="d."><al>leerling: een leerling van een school als bedoeld onder b;</al></li><li nr="e."><al>gehandicapte leerling: een leerling bedoeld onder d, die door
                                    een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet,
                                    of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan
                                    maken;</al></li><li nr="f."><al>woning: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk
                                    verblijft;</al></li><li nr="g."><al>afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs
                                    de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                    weg;</al></li><li nr="h."><al>vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer
                                    tussen de woning, dan wel de opstapplaats en de school dat
                                    plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de
                                    schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap
                                    van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk
                                    maakt;</al></li><li nr="i."><al>openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer
                                    volgens een dienstregeling per trein, metro, tram, bus,
                                    veerdienst of auto;</al></li><li nr="j."><al>aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer,
                                    taxi, treintaxi of bustaxi;</al></li><li nr="k."><al>eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of
                                    fiets;</al></li><li nr="l."><al>reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van
                                    de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids,
                                    minus maximaal 10 minuten indien en voorzover de leerling het
                                    schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt
                                    dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt
                                    tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids, een
                                    eventuele wachttijd, en de aankomst bij de woning;</al></li><li nr="m."><al>toegankelijke school:</al><lijst><li nr="-"><al>voor wat betreft basisscholen en speciale scholen voor
                                            basisonderwijs: de basisschool van de verlangde
                                            godsdienstige of levensbeschouwelijke richting, dan wel
                                            de openbare school of de speciale school voor
                                            basisonderwijs waarop de leerling is aangewezen van de
                                            verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke
                                            richting, dan wel de openbare school;</al></li><li nr="-"><al>voor wat betreft scholen voor (voortgezet) speciaal
                                            onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs: de
                                            school van de soort waarop de leerling is aangewezen van
                                            de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke
                                            richting, dan wel de openbare school van de soort waarop
                                            de leerling is aangewezen;</al></li></lijst></li><li nr="n."><al>inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001
                                    (Stbl. 2000, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van
                                    de ouders in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
                                    schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt
                                    gevraagd;</al></li><li nr="o."><al>opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al></li><li nr="p."><al>commissie voor de begeleiding: de commissie die is ingesteld
                                    door het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1
                                    van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde een instelling, of
                                    de bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen als bedoeld
                                    in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde
                                    instellingen, die hetzelfde expertisecentrum in stand
                                    houden;</al></li><li nr="q."><al>vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging van
                                    de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de
                                    leerling en zo nodig diens begeleider, of bekostiging van de
                                    goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling
                                    en zo nodig diens begeleider, of aanbieding van aangepast
                                    vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen;</al></li><li nr="r."><al>permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 23 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in
                                    artikel 18 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="t."><al>regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 10g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="u."><al>opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in
                                    artikel 10h, derde lid, Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="v."><al>ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van
                                    een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op
                                    de expertisecentra van leerlingen die zijn geplaatst op een
                                    basisschool of leerlingen die zijn geplaatst op een school voor
                                    voortgezet onderwijs en die naar het oordeel van het bevoegd
                                    gezag zonder die begeleiding zouden zijn aangewezen op het
                                    speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs;</al></li><li nr="w."><al>commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 28c van de Wet op de expertisecentra.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van
                                in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij
                                van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                                vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste
                                het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening
                                moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of
                                nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde
                                bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                kinderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de
                                bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand
                                tussen de woning, dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde
                                voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een
                                verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee
                                zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school
                                schriftelijk instemmen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het
                                bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is
                                gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer
                                scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn
                                gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar
                                eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard
                                dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs,
                                dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere
                                scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die
                                dichterbij de woning zijn gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen
                                met betrekking tot opstapplaatsen en de afstand tot de woning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitbetaling van de bekostiging</titel></kop><al>Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de
                            vervoerskosten de wijze en het tijdstip van de uitbetaling, alsmede de
                            tijdsduur van de verstrekte bekostiging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan
                                door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                vermelde gegevens of door indiening van een digitale aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende
                                schooljaar betreft, voor 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk
                                is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze
                                getroffen:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag voor
                                        1 juni is ingediend;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een
                                        aanvraag gedurende het schooljaar betreft, met dien
                                        verstande dat de datum waarop bekostiging wordt verstrekt
                                        niet ligt voor de datum van ontvangst van de aanvraag door
                                        het college.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op
                                de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding
                                van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen
                                aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                                verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en
                                het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt,
                                waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt
                                de aanspraak op bekostiging van de vervoerskosten terstond en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al><al>Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                                teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe
                                verstrekking van bekostiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend
                            de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de
                            bekostiging betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een
                            toelage, voorzover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op
                            de reiskosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>2</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE (NIET GEHANDICAPTE) LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging
                            verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de
                            woning, dan wel de opstapplaats en:</al><lijst><li nr="a."><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale
                                    school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de
                                    basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of</al></li><li nr="b."><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a
                                    bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die
                                    school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen
                                    dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs,
                                    bedoeld onder a.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een
                                leerling op een school voor primair onderwijs niet of slechts
                                gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking de beslissing te
                                betrekken van de permanente commissie leerlingenzorg over de
                                toelating van de leerling op een speciale school voor
                                basisonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie
                                leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van belang
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                                bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem
                                toegankelijke school meer dan zes km bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien
                                de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder
                                begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van 1 begeleider, indien de leerling jonger dan negen jaar is, en
                                door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt
                                aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het
                                openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                            vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs
                            of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt
                            aan het afstandscriterium van artikel 11, en:</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school
                                    of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                    vervoer kan worden teruggebracht; of</al></li><li nr="b."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel
                                    van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken
                                    van het vervoer per fiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren: </al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college
                                aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>3</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGENVAN SCHOLEN VOOR (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis
                                van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de
                                woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes
                                kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets indien
                                de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder
                                begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15a</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school cluster 4</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 geldt voor de leerling
                            die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4
                            bezoekt als dichtstbijzijnde toegankelijke school, de school die door de
                            commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van
                            toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van
                            het regionale expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is
                            verbonden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Commissie voor de begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een
                                leerling op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de commissie voor de begeleiding binnen vier schoolweken na
                                verzending van de adviesaanvraag geen advies heeft uitgebracht of
                                niet schriftelijk om verlenging van de adviestermijn met ten hoogste
                                twee weken heeft verzocht, wordt door het college het besluit
                                genomen zonder het advies van de commissie voor de begeleiding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve van het
                                college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn
                                lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of leeftijd,
                                niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                                gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan
                                het afstandscriterium van artikel 15, en:</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht,
                                        of:</al></li><li nr="b."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel
                                        zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                        bromfiets.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren: </al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Bekostiging vervoerskosten van gehandicapte leerlingen voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de kosten
                                van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien het college van
                                oordeel is dat de lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
                                handicap van de leerling dat vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten zoals
                                bedoeld in het eerste lid, is artikel 19 van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>4</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Bekostiging van de kosten van het weekeinde en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en
                            vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling
                            die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het
                            bepaalde in deze titel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Bekostiging kosten weekeinde en vakantievervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten van
                                het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde
                                gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de
                                weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde
                                schoolvakanties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de
                                leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer,
                                gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de
                                vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling
                                bezoekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met
                                uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18,
                                eerste lid onder a, artikel 18, tweede lid, en artikel 20.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>5</nr><titel>EIGEN BIJDRAGE EN BEKOSTIGING NAAR FINANCIËLE DRAAGKRACHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of
                                een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen
                                tezamen meer bedraagt dan € 22.050,00, wordt slechts bekostiging
                                verstrekt voorzover de kosten van het vervoer van die leerling de
                                kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde
                                afstand te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs
                                of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, in aanmerking
                                komen voor bekostiging van aangepast vervoer van die leerling,
                                betalen ouders elk schooljaar per leerling een eigen bijdrage die
                                gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel
                                11 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt
                                dan € 22.050,00.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de
                                zone-indeling in de regeling die is gebaseerd op artikel 30, eerste
                                lid, van de Wet personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs
                                zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer
                                of het daadwerkelijk gebruik ervan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag van € 22.050,00, genoemd in het eerste en tweede lid,
                                wordt met ingang van 1 januari 2010 jaarlijks aangepast aan de
                                wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen
                                werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,00. Het aangepaste
                                bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde
                                bedrag van € 22.050,00.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt,
                                wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de
                                financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van
                                de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor
                                basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de
                                financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het
                                bedrag van de kosten van het vervoer.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en
                                zijn afhankelijk van de hoogte van het gecorrigeerde verzamelinkomen
                                van de ouders in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.
                                Zij bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al><vet>Inkomen in euro’s</vet></al></entry><entry><al><vet>Eigen bijdragen in euro’s</vet></al></entry></row><row><entry><al> 0 - 30.500</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Nihil</al></entry></row><row><entry><al>30.500 - 36.500</al></entry><entry><al>120</al></entry></row><row><entry><al>36.500 - 42.000</al></entry><entry><al>505</al></entry></row><row><entry><al>42.000 - 48.000</al></entry><entry><al>940</al></entry></row><row><entry><al>48.000 - 54.500</al></entry><entry><al>1.375</al></entry></row><row><entry><al>54.500 - 60.500</al></entry><entry><al>1.810</al></entry></row><row><entry><al>60.500 en verder</al></entry><entry><al>Voor elke extra 4.500: 445 erbij</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van
                                1 januari 2010 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,00.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden
                                met ingang van 1 januari 2010 jaarlijks aangepast aan de wijziging
                                die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op
                                het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1
                                januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een
                                veelvoud van € 5,00.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>6</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN GEHANDICAPTE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS EN VOORTGEZET ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 verstrekt het college
                                bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt en vanwege een lichamelijke, verstandelijke of
                                zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer
                                gebruik kan maken. Ten aanzien van een leerling van een speciale
                                school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dienen zij bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn
                                        lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet
                                        in staat is -ook niet onder begeleiding- van openbaar
                                        vervoer gebruik te maken. Ten aanzien van een leerling van
                                        een speciale school voor basisonderwijs neemt het college
                                        artikel 9 in acht; of</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25
                                        en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht,
                                        of:</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25
                                        en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel
                                        zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                        bromfiets.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren: </al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van het
                                        openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;
                                    </al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr>7</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in individuele gevallen afwijken van de bepalingen
                                in deze verordening, indien de belangen die zijn gediend bij de
                                toepassing van deze verordening niet opwegen tegen de belangen die
                                zijn gediend bij afwijking ervan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan zonodig advies vragen aan de permanente commissie
                                leerlingenzorg, de commissie van begeleiding, de regionale
                                verwijzingscommissie of andere deskundigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor een leerling als bedoeld in titel 6 voor wie in het schooljaar
                                2001-2002 krachtens de Wet Rea een vervoersvoorziening werd
                                verstrekt, niet zijnde een voorziening in de vorm van een
                                bruikleenauto of een voorziening deel uitmakend van of samenhangend
                                met een leefvervoervoorziening, blijft, indien de ouders dat wensen,
                                zo nodig in afwijking van artikel 3 aanspraak bestaan op een
                                gelijkwaardige voorziening van en naar de school die de leerling in
                                schooljaar 2001-2002 bezocht, voor de tijd dat de leerling op de
                                betreffende school zit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de leerling van leerwegondersteunend onderwijs of
                                praktijkonderwijs die in het schooljaar 2001-2002 een
                                vervoersvoorziening kreeg naar een school voor speciaal voortgezet
                                onderwijs, leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs of een
                                opdc, blijft aanspraak bestaan op een vervoersvoorziening van en
                                naar de school of opdc die de leerling in het schooljaar 2001-2002
                                bezocht indien de afstand van de woning naar de school meer dan 6 km
                                bedraagt. Titel 5 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in titel 6 zijn voor de eerste maal van toepassing in
                                het schooljaar 2002-2003 op aanvragen voor een vervoersvoorziening
                                voor leerlingen die nog geen aanspraak op een vervoersvoorziening
                                hebben. Op het vervoer van leerlingen voorafgaand aan het schooljaar
                                2002-2003 en daarop betrekking hebbende geschillen, blijven de
                                regelingen zoals luidend voorafgaand aan de inwerkingtreding van
                                deze verordening van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 mei 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                            leerlingenvervoer gemeente Rheden 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 1 juni 2010, nr. 7.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Steeg, 1 juni 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Artikelsgewijze toelichting Verordening leerlingenvervoer gemeente Rheden 2010</label></kop><al><vet>Artikelsgewijze toelichting Verordening leerlingenvervoer gemeente Rheden
                        2010</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></al><al>In artikel 1 van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Rheden 2010 is een
                    aantal begrippen nader gedefinieerd, die regelmatig gebruikt worden in de
                    verordening.</al><al/><al><vet>Ad a School</vet></al><al><cursief>Speciale school voor basisonderwijs</cursief></al><al>De Wet op het primair onderwijs (WPO), die op 1 augustus 1998 in
                    werking is getreden, voorziet in de samenvoeging van het basisonderwijs en het
                    onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk
                    lerende kinderen (mlk) en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in een
                    wet. De scholen voor lom, mlk en iobk heten onder de WPO ‘speciale scholen voor
                    basisonderwijs’. </al><al/><al><cursief>School voor voortgezet onderwijs</cursief></al><al>Onder een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de WVO,
                    vallen het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen
                    voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
                    (vmbo), waar praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs deel van
                    uitmaken.</al><al/><al><cursief>Speciaal onderwijs (WEC)</cursief></al><al>De Wet op de expertisecentra (WEC) omvat al het overig speciaal en
                    voortgezet speciaal onderwijs. Het gaat om onderwijs voor doven, slechthorenden,
                    kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapten, lichamelijk
                    gehandicapten, kinderen opgenomen in het ziekenhuis, langdurig zieken, zeer
                    moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig
                    gehandicapten en onderwijs op pedologische instituten. </al><al/><al>De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><lijst><li nr="-"><al>cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel
                            meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap;</al></li><li nr="-"><al>cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en
                            kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudige
                            gehandicapte kinderen met een van deze handicaps;</al></li><li nr="-"><al>cluster 3: onderwijs aan langdurige zieke kinderen met een lichamelijke
                            handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende
                            kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze
                            handicaps;</al></li><li nr="-"><al>cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een
                            lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in
                            scholen verbond en aan pedologische instituten.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Particuliere scholen</cursief></al><al>Aanspraak op leerlingenvervoer kan zowel naar rijksbekostigde als particuliere
                    scholen bestaan, mits de particuliere school een onderwijsrichting
                    vertegenwoordigt en mits de particuliere school een ‘school’ in de zin van de
                    onderwijswetten is. Momenteel zijn het individuele leerplichtambtenaren die
                    beslissen of een particuliere school voldoende lijkt op bekostigde scholen. Op
                    rijksniveau bestaat het voornemen dit centraal te gaan bepalen.</al><al/><al><cursief>Andere onderwijsvormen</cursief></al><al>Het vervoer naar het middelbaar beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en
                    het universitair onderwijs valt onder geen enkele omstandigheid onder het
                    leerlingenvervoer. Gehandicapte leerlingen die een dergelijke opleiding volgen,
                    kunnen zich tot het UWV wenden voor een eventuele vergoeding.</al><al/><al><cursief>Hoogbegaafde leerling</cursief></al><al>Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het reguliere onderwijsaanbod niet
                    adequaat is en de leerling dientengevolge een school voor gewoon voortgezet
                    onderwijs bezoekt, dan behoeft de gemeente volgens de Afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State geen bekostiging van de kosten van het
                    leerlingenvervoer toe te kennen. De reden hiervoor is dat een school voor gewoon
                    voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de WEC (uitspraak van 9
                    november 1995, nr. H 01.95.0165; zie Jur. 21.8; in een uitspraak van 23 april
                    1998, nr. H01.98.0221 bevestigd).</al><al/><al><cursief>Besluit trekkende bevolking</cursief></al><al>Het Besluit trekkende bevolking van de WBO (Stbl. 465, 1985) bevat voorschriften
                    voor scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden (zoals
                    scholen voor kinderen van kermisexploitanten, schippers of circusmedewerkers).
                    De voorzieningen ten behoeve van deze groepen zijn opgenomen in de WPO en de
                    betreffende scholen worden aangemerkt als basisscholen. Belangrijkste overweging
                    hiervoor is, dat de desbetreffende kinderen in principe aangewezen zijn op het
                    reguliere basisonderwijs. Van overwegende orthopedagogische of didactische
                    benadering is geen sprake.</al><al>Dit betekent dat de ouders van de betreffende leerlingen aanspraak kunnen maken
                    op bekostiging van vervoer. Hiervoor gelden de bepalingen omtrent het vervoer
                    van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor
                    basisonderwijs (titel 2 van de verordening). </al><al>Een belangrijke uitzondering vormen:</al><lijst><li nr="-"><al>leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van
                            kermisexploitanten of van circusmedewerkers (titel B Besluit trekkende
                            bevolking);</al></li><li nr="-"><al>leerlingen die ligplaatsscholen bezoeken voor varende kinderen (titel C
                            Besluit trekkende bevolking).</al></li></lijst><al>Ouders van leerlingen die voornoemde scholen bezoeken, komen
                        <onderstreept>niet</onderstreept> voor bekostiging van vervoer in
                    aanmerking. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve
                    van het schoolbezoek, vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die
                    scholen.</al><al/><al><cursief>Medische behandeling en zorg</cursief></al><al>Gemeenten worden steeds vaker geconfronteerd met aanvragen van ouders voor
                    bekostiging van vervoer naar instellingen waar kinderen dagbehandelingen (zorg)
                    krijgen, al dan niet in combinatie met onderwijs. Gemeenten zijn hier in
                    principe niet toe verplicht. Het leerlingenvervoer betreft slechts het vervoer
                    naar en van een school op de schooltijden die zijn aangegeven in de schoolgids.
                    Dan gaat het dus om een onderwijsinstelling in de zin van de onderwijswetgeving;
                    zorginstellingen, medisch kinderdagverblijven en dergelijke worden hier niet toe
                    gerekend. Volgt een kind ook onderwijs op of nabij die locatie, dan kan het zijn
                    dat ouders een (gedeeltelijke) tegemoetkoming bij de gemeente kunnen krijgen.
                    Ook dan moet het gaan om onderwijs in de zin van onderwijswetgeving, dus moet de
                    instelling die het onderwijs verzorgt een ‘school’ zijn. Hierbij geldt dat
                    gemeenten vervoeren in aansluiting op het begin en einde van de schooldag
                    volgens de schoolgids (artikel 1, onderdeel g, van de verordening). Krijgen
                    kinderen voor, tijdens of na schooltijd zorg of behandelingen, dan zijn toch de
                    schooltijden leidend voor het leerlingenvervoer.</al><al/><al><vet>Ad b Ouders</vet></al><al>In de omschrijving van het begrip ‘ouders’ is het onderscheid dat in de WPO en
                    de WEC ten aanzien van ouders is aangebracht niet overgenomen. De WPO verstaat
                    onder ouders: ouders en voogden en verzorgers van kinderen.</al><al/><al>Voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is, dient een inkomen in de zin
                    van de Wet op de inkomstenbelasting aanwezig te zijn. Als de aanvrager een
                    rechtspersoon is (bijvoorbeeld een zorginstelling), dan valt deze formeel niet
                    onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting. In de bekostiging van
                    instellingen is vaak rekening gehouden met bekostiging van de kosten van het
                    dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en vakantievervoer. In
                    voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling contact worden
                    opgenomen.</al><al/><al><vet>Ad c Leerling</vet></al><al>In artikel 39, derde lid, van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en
                    tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen
                    bezoeken. Deze kinderen worden echter pas als zij de leeftijd van vier jaar
                    hebben bereikt leerling in de zin van de WPO (artikel 39, eerste lid, WPO). De
                    ouders kunnen dan ook pas vanaf het moment dat hun kind vier jaar is geworden
                    eventueel aanspraak maken op bekostiging van de vervoerskosten naar de
                    basisschool of speciale school voor basisonderwijs. De toelatingsleeftijd voor
                    kinderen in het speciaal onderwijs is geregeld in artikel 39 van de WEC.</al><al/><al>Voor leerlingen die op grond van de onderwijswetgeving toegelaten zijn op een
                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige
                    leeftijd hebben bereikt, of al voorbij zijn kunnen de ouders, indien zij voldoen
                    aan de voorwaarden van de gemeentelijke Verordening leerlingenvervoer, aanspraak
                    maken op bekostiging van de vervoerskosten.</al><al/><al>Voor het voortgezet onderwijs geldt dat zolang een leerling toegelaten is op een
                    school voor voortgezet onderwijs, en dus ‘leerling’ is van zo’n school, er
                    aanspraak kan bestaan op bekostiging op grond van titel 6 van de
                    verordening.</al><al/><al><cursief>Illegale leerlingen</cursief></al><al>Het recht op onderwijs, ook voor illegaal in ons land verblijvende leerlingen,
                    is gebaseerd op het principe dat jongeren waar ook ter wereld moeten worden
                    toegerust om aan het maatschappelijke leven deel te nemen, Nederland is hiertoe
                    ook internationale verdragsrechtelijke verplichtingen aangegaan. In de
                    Koppelingswet is zelfs vastgelegd dat illegale kinderen die voor hun
                    18<sup>e</sup> jaar een onderwijstraject zijn gestart het recht hebben om dit af
                    te maken. Hier vloeit uit voort dat illegale leerlingen in principe ook recht
                    hebben op leerlingenvervoer. Scholen en gemeenten hoeven leerplichtige
                    leerlingen niet te vragen naar de verblijfsstatus. Een schoolleider kan dus niet
                    als een opsporingsambtenaar worden ingezet.</al><al/><al><cursief>Asielzoekerskinderen</cursief></al><al>Voor kinderen die in een Asielzoekerscentrum (AZC) verblijven en naar school toe
                    gaan, bestaat de Richtlijn schoolvervoer asielzoekers. Deze richtlijn houdt in
                    dat het AZC het vervoer betaalt van het AZC naar de school. Dit betaalt het AZC
                    uit de middelen die het via het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA)
                    ontvangt.</al><al>Leerlingen die niet in een asielzoekerscentrum verblijven, vallen onder de
                    gemeentelijke regeling leerlingenvervoer. Gemeenten moeten leerlingen die in
                    aanmerking komen voor het leerlingenvervoer in principe vervoeren naar de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort en de richting.</al><al/><al><cursief>Besluit trekkende bevolking</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving ‘leerling’ geldt, evenals voor de
                    begripsomschrijving van ‘school’, dat die leerlingen zijn uitgesloten die een
                    rijdende school voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers
                    dan wel een ligplaatsschool voor varende kinderen bezoeken.</al><al/><al><vet>Ad d Gehandicapte leerling</vet></al><al>Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap
                    niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt
                    als een gehandicapte leerling in de zin van de verordening. </al><al/><al><vet>Ad e Woning</vet></al><al>Onder ‘woning’ wordt in de verordening verstaan: de plaats waar de leerling
                    structureel en feitelijk verblijft. Met andere woorden, de plaats van waaruit
                    het kind de school bezoekt. In dezen is het niet relevant in welke gemeente de
                    ouders en/of het kind staan ingeschreven.</al><al/><al>Niet ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun
                    officiële verblijf hebben in de zin van de artikelen 10 en verder van Boek I van
                    het Burgerlijk wetboek. Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk in een
                    andere gemeente verblijft in deze andere gemeente (in het algemeen) bekostiging
                    van de vervoerskosten van deze leerling aangevraagd moet worden (dit geldt
                    overigens niet indien het bijvoorbeeld een leerling betreft die vanwege een
                    vakantie van de ouders tijdelijk elders verblijft).</al><al/><al><cursief>Tijdelijk verblijf</cursief></al><al>Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de leerling in een andere gemeente
                    kan de vraag rijzen of het redelijk is dat deze gemeente de vervoerskosten moet
                    dragen. Door het incidentele karakter van dit vervoer laat het zich doorgaans
                    moeilijk organiseren binnen de bestaande gemeentelijke kaders, zodat dit vervoer
                    zeer veel extra kosten met zich mee kan brengen. Ook voor ouders is dit
                    omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname aan het vervoer opzeggen, bij
                    gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken later dienen zij het omgekeerde
                    te doen. Bovendien bevat de definitie van het begrip woning een structureel
                    element.</al><al/><al>In een voorkomend geval kan als volgt worden gehandeld. Als vooraf vaststaat dat
                    een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan zes weken) in een andere
                    gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan wordt dit
                    verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente (A).</al><al/><al>Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven
                    verzorgen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat het kind naar zijn eigen school
                    blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar
                    school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard
                    (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerskosten bestaan.</al><al/><al>In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere gemeente
                    verblijft verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te passen, namelijk dat in
                    de gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het leerlingenvervoer wordt
                    aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit verzoek op basis van de eigen
                    Verordening leerlingenvervoer. Deze verordening kan uiteraard andere criteria
                    bevatten dan de Verordening leerlingenvervoer van de oorspronkelijke
                    gemeente.</al><al/><al><cursief>Dagcentrum: twee woningen</cursief></al><al>Het uitgangspunt van de Verordening leerlingenvervoer is, dat slechts het
                    vervoer van de woning naar de onderwijsinstelling en vice versa wordt bekostigd.
                    In het geval een leerling vanuit een ouderlijke woning een school bezoekt en
                    vanuit die school, omwille van een medische of sociale indicatie, naar een
                    dagcentrum (bijvoorbeeld een Boddaertcentrum) reist, is de gemeente derhalve
                    niet verplicht het vervoer van school naar het dagcentrum te bekostigen.</al><al/><al>Als het dagcentrum als structureel feitelijk (eventueel tweede) verblijf
                    aangemerkt kan worden, <cursief>kan </cursief>een gemeente ervan uitgaan dat het
                    kind twee woningen in de zin van de verordening heeft, te weten de ouderlijke
                    woning en het dagcentrum en daarom toch besluiten tot bekostiging. Dit is een
                    keuze van de gemeente. Als de gemeente wel bekostigt, dan kan er vervoer van
                    huis naar school en van school naar het dagcentrum worden aangeboden. Het
                    dagcentrum wordt dan aangemerkt als tweede woning. Het vervoer van het
                    dagcentrum naar huis valt dan niet onder het leerlingenvervoer.</al><al/><al><cursief>Gescheiden ouders: twee woningen</cursief></al><al>Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van de
                    verordening. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van co-ouderschap, waarbij het
                    kind evenveel bij de ene als de andere ouder verblijft, kan gezegd worden dat er
                    sprake is van twee hoofdverblijven. Om aanspraak te maken op bekostiging van
                    leerlingenvervoer moeten beide ouders afzonderlijk, voor de dagen dat het kind
                    doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of
                    zij woonachtig is. Waar de leerling staat ingeschreven doet niet terzake;
                    doorslaggevend is de feitelijke verblijfplaats van de leerling.</al><al/><al>De betreffende gemeenten toetsen de aanvraag elk aan de eigen Verordening
                    leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt bekeken of er sprake is van een
                    woning in de zin van de verordening, of de school wel de dichtstbijzijnde
                    toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Het komt voor dat
                    slechts in één van beide gemeenten aanspraak op leerlingenvervoer bestaat,
                    doordat de school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is.</al><al/><al><vet>Ad f Afstand</vet></al><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Het verdient aanbeveling om
                    altijd dezelfde en de meest actuele routeplanner te hanteren en de ouders bij de
                    aanvraag te informeren over de wijze waarop de afstand wordt gemeten.</al><al/><al>Met betrekking tot het begrip ‘afstand’ heeft de Afdeling bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State bepaald dat de veiligheid van de weg op zich zelf
                    beoordeeld voldoende dient te zijn (uitspraak van 31 maart 1989, R03.87.2599;
                    zie Jur. 1.5). Het college mag niet volstaan met verwijzing naar een minder
                    veilige alternatieve route.</al><al/><al>Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het
                    afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor
                    begeleiding zorg te dragen indien de af te leggen route onveilig is, aldus de
                    Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 12 juni 1995,
                    nr. R03.93.5575; zie Jur. 1.6).</al><al/><al>De Afdeling bestuursrechtspraak is voorts van mening dat de route niet in alle
                    gevallen volledig toegankelijk moet zijn voor gemotoriseerd verkeer (uitspraak
                    van 12 juni 1995, nr. R03.93.5639; zie Jur. 1.7).</al><al/><al><vet>Ad g Vervoer</vet></al><al>De gemeente Rheden werkt met opstapplaatsen (zie ook de artikelsgewijze
                    toelichting bij artikel 1, onderdeel o). Voorts is ter verduidelijking opgenomen
                    dat het vervoer alleen plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de
                    schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Hiermee wordt voorkomen dat ouders
                    op basis van bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen aanvragen
                    indienen voor het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de leerling
                    te jong is om het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend indien de
                    structurele handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het volgen van
                    slechts een deel van het onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval wel
                    tijdens de schooltijd vervoerd te worden.</al><al/><al><vet>Ad h Openbaar vervoer</vet></al><al>Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet
                    personenvervoer (wet van 12 maart 1987, Stbl. 175). In deze Wet wordt onder
                    ‘openbaar vervoer’ verstaan: voor een ieder openstaand personenvervoer per
                    trein, metro, tram, bus, of auto volgens een dienstregeling. De Wet
                    personenvervoer definieert ‘dienstregeling’ als voor een ieder kenbaar schema
                    van reismogelijkheden. In de verordening is de begripsomschrijving ‘openbaar
                    vervoer’ uitgebreid met ‘veerdienst’.</al><al/><al><vet>Ad i Aangepast vervoer</vet></al><al>Taxivoer per tourincar of taxibus.</al><al/><al><vet>Ad j Eigen vervoer</vet></al><al>Onder eigen vervoer wordt vervoer verstaan vervoer per eigen motorvoertuig,
                    bromfiets of fiets.</al><al/><al><vet>Ad k Reistijd</vet></al><al>Onder ‘reistijd’ wordt in de verordening verstaan, de tijdspanne die ligt tussen
                    het verlaten van het huis en de aanvang van de schooldag, dan wel de tijdspanne
                    die ligt tussen het einde van de schooldag en de aankomst bij het huis. De
                    praktijk leert dat leerlingen, ongeacht of zij gebruikmaken van het
                    leerlingenvervoer, zich vaak zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op
                    het schoolplein bevinden. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de
                    reistijd. Dit betreft enkel de wachttijd aan het begin van de schooldag. De
                    eventuele wachttijd aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend bij de
                    totale reistijd.</al><al/><al><cursief>Schooltijden</cursief></al><al>Vanaf 1 augustus 2006 hebben scholen in het primair en het speciaal onderwijs
                    meer vrijheid om, in samenspraak met ouders, de schooltijden zelf in te vullen.
                    Voor scholen die vallen onder de WPO of de WEC geldt dat de leerlingen in de
                    eerste twee schooljaren ten minste 3.520 uren onderwijs en in de laatste zes
                    schooljaren tenminste 3.760 uren onderwijs ontvangen. Als voorwaarde is wel
                    gesteld dat de onderwijsactiviteiten evenwichtig over de dag verdeeld moeten
                    worden. Voor scholen vallend onder de WEC geldt daarnaast nog dat het onderwijs
                    aan leerlingen jonger dan 4 jaar ten minste 880 uren per schooljaar omvat en aan
                    leerlingen ouder dan 12 jaar ten minste 1.000 uren per schooljaar. Het is
                    mogelijk om voor alle groepen naast de woensdagmiddag een tweede vrije middag in
                    te voeren, of de verplichte lesuren in vier dagen per week te verzorgen. Een
                    school kan ook kiezen voor een zesdaagse lesweek.</al><al>Voor de bepaling van het recht op leerlingenvervoer wordt aangesloten op de
                    schoolgids die een school heeft uitgegeven. Indien een school dus van de nieuwe
                    regelgeving gebruikmaakt en dat vastlegt in de schoolgids dan moet de gemeente
                    dit honoreren.</al><al/><al><vet>Ad l Toegankelijke school</vet></al><al>De WPO kent het orgaan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl,
                    artikel 23 WPO). Deze commissie beslist op aanvraag van de ouders of een
                    leerling op het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is
                    aangewezen. Alleen als dit besluit positief is, kan een leerling op een speciale
                    school voor basisonderwijs worden opgenomen. Het college moet bij de beoordeling
                    van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Dit besluit is
                    overigens een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het
                    kader van de operatie Weer samen naar school is afgesproken dat, indien
                    vaststaat dat een leerling is aangewezen op een hulpklas bij een basisschool,
                    deze basisschool moet worden aangemerkt als de toegankelijke school, ook wanneer
                    dit niet de dichtstbijzijnde basisschool is, en dat derhalve vervoer naar deze
                    basisschool met hulpklas dient te worden bekostigd. </al><al>De Regionale Verwijzingscommissie bepaalt de toelaatbaarheid tot het
                    praktijkonderwijs. (artikel 10g van de WVO).</al><al/><al><vet>Ad m Inkomen</vet></al><al>Om te bepalen of op grond van artikel 23 een drempelbedrag kan worden geheven,
                    is het inkomen van ouders in het peiljaar nodig. Ouders kunnen een IB
                    60-formulier opvragen bij de Belastingdienst, waarop dit gecorrigeerde
                    verzamelinkomen staat vermeld.</al><al/><al><vet>Ad n Opstapplaats</vet></al><al>Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te
                    organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de
                    leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden
                    de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan
                    niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente
                    aangewezen opstapplaats.</al><al/><al><cursief>Reistijd naar opstapplaats</cursief></al><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr. R03.89.0419/83-107) acht de Afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State het kennelijk redelijk dat de gemeente
                    opstapplaatsen opstelt vanaf waar de leerling van het vervoer gebruik kan maken.
                    De afdeling vindt de reistijd, die in dit geval niet meer dan dertig minuten
                    bedraagt, alleszins redelijk.</al><al/><al><cursief>Veiligheid en begeleiding</cursief></al><al>Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van opstapplaatsen, dan is het van
                    belang dat de gemeente daarbij let op de af te leggen afstand van huis naar de
                    opstapplaats. Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan bestaande
                    halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig minuten, waar een beschutte
                    halteplaats aanwezig is (mede in verband met de weersomstandigheden). Het feit
                    alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg ligt en dus niet veilig genoeg
                    zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om af te zien van het aanwijzen
                    van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke gevallen verwacht worden dat
                    zij hun kinderen begeleiden tot ten minste het moment dat hun kinderen in het
                    voertuig zijn gestapt. (Zie ABRS 24 augustus 1992, nr. R03.90.1504/83-105.)</al><al/><al><cursief>Afstand</cursief></al><al>Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerskosten wordt ingediend,
                    blijft de afstand tussen de woning en de school relevant; het instellen van
                    opstapplaatsen verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders die op
                    bijvoorbeeld negen kilometer van de school wonen terwijl de gemeente op zes
                    kilometer afstand een opstapplaats heeft ingesteld, recht hebben op bekostiging
                    van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de resterende drie kilometer.
                    Ook blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt onverkort intact;
                    met andere woorden de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de
                    opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 13, onder a, en
                    artikel 18, eerste lid onder b, van de verordening.</al><al/><al><vet>Ad o Commissie voor de begeleiding</vet></al><al>De commissie voor de begeleiding is in de plaats gekomen voor de commissie van
                    onderzoek. De indicerende taken van de CvO zijn overgegaan naar de regionale
                    commissies van indicatiestelling (Cvi). De taken omtrent toewijzing van
                    (ambulante) begeleiding liggen bij de commissie voor de begeleiding, verbonden
                    aan een school.</al><al/><al><vet>Ad p Vervoersvoorziening</vet></al><al>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen
                    verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt.
                    Er dient een keuze te worden gemaakt tussen één van de drie weergegeven
                    mogelijkheden:</al><lijst><li nr="1."><al>een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college
                            noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en zo nodig diens
                            begeleider;</al></li><li nr="2."><al>de verstrekking van een abonnement of strippenkaart (al dan niet in de
                            vorm van een OV-chipkaart) voor de leerling en zo nodig diens
                            begeleider; of</al></li><li nr="3."><al>aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet
                            verzorgen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Ad q Permanente commissie leerlingenzorg</vet></al><al>De WPO kent de permanente commissie leerlingenzorg (pcl). Besluiten van de pcl
                    over de toelating van een leerling tot een speciale school voor basisonderwijs
                    dienen door het college bij de beoordeling van een aanvraag voor
                    leerlingenvervoer betrokken te worden, ingeval het college een negatieve
                    beschikking geeft op de gevraagde voorziening. Zie tevens de toelichting bij
                    onderdeel j.</al><al/><al><vet>Ad r Samenwerkingsverband</vet></al><al>Op basis van de WPO moeten basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs
                    die samenwerken, een zodanige zorgstructuur inrichten, dat voor elke leerling de
                    benodigde zorg kan worden geboden. Artikel 18 van de WPO geeft een regeling voor
                    de samenwerkingsverbanden.</al><al/><al><vet>Ad s Regionale verwijzigingscommissie</vet></al><al>De regionale verwijzingscommissie heeft op grond van artikel 10g van de WVO tot
                    taak te beoordelen of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar
                    is.</al><al/><al><vet>Ad t Opdc</vet></al><al>Opdc: orthopedagogisch en didactisch centrum. Bovenschoolse voorziening bedoeld
                    om leerlingen extra zorg te geven. Op een opdc kan ook onderwijs gegeven worden,
                    maar de leerlingen blijven ingeschreven op een school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al>Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een opdc en aanspraak maken op
                    vervoer op basis van titel 6, kunnen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer
                    naar het opdc. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs volgen aan een opdc en
                    gedeeltelijk aan een school voor voortgezet onderwijs, kunnen alleen in
                    aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar de school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al/><al><vet>Ad u Ambulante begeleiding</vet></al><al>Een ambulante begeleider is verbonden aan een school voor speciaal onderwijs en
                    geeft ondersteuning aan gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en
                    voortgezet onderwijs. De gemeente kan aan de ambulante begeleider van
                    gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs, voor wie een aanvraag
                    leerlingenvervoer wordt ingediend, advies vragen over de vervoersbehoefte van
                    die leerlingen.</al><al/><al><vet>Ad v Commissie voor de indicatiestelling</vet></al><al>Elk kind dat wordt aangemeld voor het speciaal onderwijs moet worden
                    geïndiceerd. De commissie voor de indicatiestelling beoordeelt aan de hand van
                    onafhankelijke landelijke criteria of een leerling in aanmerking komt voor
                    leerlinggebonden financiering en in welk cluster de leerling wordt
                    geplaatst.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                        vervoerskosten</vet></al><al>In de verordening worden de aanspraken van de ouders op gehele of gedeeltelijke
                    bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen naar scholen voor
                    basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs vastgelegd. Indien het college het vervoer zelf laat verzorgen, kan
                    het van ouders, die voor bekostiging van de vervoerskosten in aanmerking komen,
                    verlangen dat hun kinderen van dit vervoer gebruik maken Tevens kan zij van
                    ouders, aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten
                    toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen aan het vervoer van hun
                    leerlingen (artikel 2, tweede lid, van de verordening). </al><al/><al>De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van
                    leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor
                    basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de
                    afstand tussen de woning en de te bezoeken school. Indien de ouders weigeren of
                    nalatig zijn met betrekking tot de ingevolge de verordening te betalen bijdrage,
                    leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien
                    gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het
                    vervoer.</al><al/><al>Het behoeft geen betoog dat juist bij het aangepast vervoer afspraken kunnen
                    worden gemaakt met regiogemeenten om een zo efficiënt en goedkoop mogelijke
                    wijze van aangepast vervoer te organiseren. Tevens komt in artikel 2, tweede
                    lid, tot uitdrukking dat het eventuele drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk
                    van het inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. </al><al/><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet
                    in alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2, derde lid, van de
                    verordening is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze
                    verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de
                    gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze
                    verantwoordelijkheid van de ouders.</al><al/><al>In het vierde lid staat dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam
                    is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan doen in plaats van de
                    ouders/verzorgers.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school</vet></al><al>Een van de uitgangspunten van de artikelen 4 van de WPO, WVO en de WEC is dat de
                    gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening en het college bij de
                    uitvoering daarvan de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende
                    keuze voor een school dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde artikelen
                    bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en
                    bijzonder onderwijs. In de verordening is dit verankerd in artikel 3.
                    Bekostiging van de vervoerskosten wordt verstrekt over de afstand tussen de
                    woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school. Als
                    dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt: de school die naar afstand het
                    dichtstbijgelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende
                    (meest) begaanbare, veilige weg. </al><al>Als toegankelijke school is aan te merken wat betreft het primair onderwijs: de
                    school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                    de openbare school. Wat betreft (voortgezet) speciaal onderwijs wordt hier nog
                    een tweede criterium aan toegevoegd: de school van de soort waarop de leerling
                    is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De hier
                    bedoelde soorten zijn schooltypen zoals vermeld in artikel 2 van de WEC en
                    artikel 5 van de WVO. Op grond van de WPO dient voor de speciale scholen voor
                    basisonderwijs het vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het
                    samenwerkingsverband te worden bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de
                    verordening.</al><al/><al><cursief>Scholen met wachtlijsten</cursief></al><al>Het spreekt voor zich dat op een toegankelijke school wel ruimte voor de
                    leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Indien de
                    dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een
                    wachtlijst bestaat, dient bekostiging plaats te vinden naar de eerstvolgende
                    dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder
                    weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de
                    dichtstbijzijnde school. Indien de wachtlijst is opgelost -de gemeente dient
                    naar de duur van de wachtlijst te informeren- kan de bekostiging beperkt worden
                    tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is
                    geworden. Dit is ongeacht of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de
                    dichtstbijzijnde school gaat bezoeken: ouders zijn vrij om hun kind naar elke
                    school van hun keus te laten gaan, echter in het kader van het leerlingenvervoer
                    hoeft slechts een vervoerskostenvergoeding voor de dichtstbijzijnde,
                    toegankelijke school te worden verstrekt.</al><al/><al>Van belang hierbij is dat wanneer het college een aanvraag om bekostiging
                    afwijst in verband met de aanwezigheid van een dichterbij gelegen school van (de
                    aangewezen soort en van) dezelfde richting, het dient aan te tonen dat de
                    leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot die school. Hierbij kan nog
                    worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe school met slechts een
                    leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit groep 3 en
                    verder niet toegankelijk is.</al><al/><al>De leerling zal, indien hij niet toegelaten wordt op de desbetreffende
                    dichtstbijzijnde school, moeten uitzien naar een andere school. Deze school is
                    dan aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school. In een dergelijk
                    geval dient bekostiging van vervoer te worden verstrekt, naar deze andere
                    (dichtstbijzijnde) school.</al><al/><al><cursief>Stagevervoer</cursief></al><al>Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma en krijgt de leerling
                    dagelijks leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat in beginsel aanspraak op
                    leerlingenvervoer naar het stageadres. Dit is dan immers aan te merken als de
                    ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’. De gemeente kan scholen er op
                    attenderen dat stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben voor gemeenten.
                    Scholen kunnen dit aspect mee laten wegen in de plaatsing van leerlingen door
                    bijvoorbeeld een stageplek te zoeken op de route van het leerlingenvervoer.</al><al/><al><cursief>Hoogbegaafde kinderen en ‘toegankelijke school’</cursief></al><al>Ten aanzien van hoogbegaafde kinderen worden gemeenten regelmatig geconfronteerd
                    met aanvragen tot bekostiging van het vervoer naar scholen die zich richten op
                    dit type kinderen. In 2001 heeft de rechter een uitspraak hieromtrent gedaan
                    over een zaak die speelde in Emmen. De gemeente Emmen wees een soortelijk
                    verzoek af, omdat er voldoende onderwijsvoorzieningen zijn die dichterbij
                    gelegen zijn. Men vond geen reden de hardheidsclausule toe te passen. Met de
                    gemeente was de rechtbank van mening dat de aanvrager niet heeft aangetoond dat
                    dichter bijgelegen scholen niet geschikt zouden zijn. De rechter merkte op dat
                    zelfs als bewezen zou zijn dat deze school ongeschikt is, dit nog niet meebrengt
                    dat er aanspraak op een vervoersvoorziening zou kunnen zijn naar de verder weg
                    gelegen school. Het staat immers niet objectief vast dat deze school voor de
                    leerling wèl geschikt is en of dit dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school
                    is. De rechter vindt het dan wel mede op de weg van de gemeente liggen om aan te
                    geven welke dichterbij gelegen school geschikt is.</al><al/><al><cursief>Onderwijsrichting</cursief></al><al>In de parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen
                    leerlingenvervoer is uitgebreid aandacht besteed aan de richting van het
                    onderwijs. Om alle twijfels weg te nemen dat de afstand die voor bekostiging in
                    aanmerking komt maximaal betrekking heeft op de kortste voor de leerling
                    voldoende begaanbare en veilige weg naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting is, door
                    middel van een Vierde nota van wijziging (Kamerstuk 18841, nr. 21) in de
                    relevante artikelen expliciet opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar de
                    dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij het vervoer met
                    betrekking tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met
                    zich mee zou brengen, en de ouders met het vervoer naar die school
                    instemmen.</al><al/><al>Bovengenoemd uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school bezoekt
                    die, met voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting, verder van
                    de woning van de leerling is verwijderd, de aanspraak in principe beperkt blijft
                    tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtstbijzijnde bij de
                    woning gelegen school. Dit is echter geen verplichting. Het college kan
                    besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken indien vervoer
                    aanwezig is waarvan de kosten gelijk blijven ongeacht het aantal leerlingen dat
                    van dat vervoer gebruikmaakt.</al><al/><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning
                    van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper
                    zou zijn (of niet meer kosten met zich meebrengt), kan het college aan de ouders
                    vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor
                    een openbare school geldt hetzelfde.</al><al/><al>Het zogenoemde ‘richtingenvraagstuk’ heeft geleid tot veel jurisprudentie.
                    Aanvankelijk beperkte de jurisprudentie zich bij de vraag over het al dan niet
                    doen toekennen van een vervoerskostenbekostiging tot het zogenoemde ‘klassieke
                    richtingenbestand’. Kenmerkend hierbij is dat het gaat om stromingen van
                    levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook bijzonder onderwijs op algemene
                    grondslag is hierbij als richting aan te merken.</al><al/><al>In het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar onderwijs,
                    tot het klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder onderwijs gerekend
                    worden: scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, scholen voor
                    protestants-christelijk onderwijs, scholen voor gereformeerd (vrijgemaakt)
                    onderwijs (KB 28 december 1960, nr. 95; zie Jur 5.1), scholen voor
                    reformatorisch onderwijs, scholen voor algemeen bijzonder onderwijs (KB 15
                    december 1948, nr. 37; zie Jur. 5.2). </al><al/><al>Daarnaast kunnen in het christelijk onderwijs, wat betreft het
                    leerlingenvervoer, de volgende richtingen worden onderscheiden: gereformeerde
                    schoolvereniging, scholen met den bijbel, christelijk-nationaal, hervormd. In
                    jurisprudentie worden ook de zogenoemde evangelische scholen als een
                    afzonderlijke richting aangemerkt (RvS 11 februari 1997, AB 1998, 28).</al><al/><al>Daarnaast zijn ook de Joodse scholen als afzonderlijke richting aan te merken.
                    Gezien de statuten van Islamitische scholen wordt ervan uitgegaan dat ook zij
                    een eigen richting vertegenwoordigen. Hetzelfde geldt voor Hindoeïstische
                        scholen.</al><al/><al><cursief>Interconfessioneel onderwijs</cursief></al><al>Hieronder wordt verstaan onderwijs dat is gebaseerd op verschillende
                    geloofsovertuigingen. Interconfessionele scholen zijn meestal ontstaan uit de
                    fusie van een protestante en een katholieke school. Gezien de statuten van deze
                    scholen wordt dit type onderwijs niet als aparte richting ten opzichte van
                    andere confessionele scholen aangemerkt. </al><al/><al><cursief>‘Vrije scholen’</cursief></al><al>Deze scholen, die hun onderwijs stoelen op de antroposofische wijsbegeerte en
                    met name de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen geacht worden een bepaalde
                    richting in het onderwijs te vertegenwoordigen, aangezien het onderwijs wordt
                    gegeven vanuit een eigen mens- en wereldbeschouwing (KB 18 juni 1980, nr. 32;
                    zie Jur. 5.3). De vrije school is in Nederland bekend onder namen als Rudolf
                    Steinerschool, Parcivalschool en de Zonneschool.</al><al/><al><cursief>Overige scholen</cursief></al><al>Niet tot het begrip ‘richting’ wordt gerekend een bepaalde onderwijskundige
                    methode van een school. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen,
                    Montessorischolen, Daltonscholen en Freinetscholen. Deze scholen baseren hun
                    identiteit op de onderwijskundige inrichting van de school en niet op de
                    godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. </al><al>Montessorischolen c.a. kunnen onder meer van katholieke, protestante signatuur
                    zijn. Dit betekent dat er in dezen geen verschil bestaat tussen een ‘reguliere’
                    katholieke basisschool en een katholieke Montessorischool, etc. Relatief nieuw
                    zijn de zogenaamde ‘Iederwijsscholen’. Dit zijn particuliere scholen die sinds
                    2000 opverschillende plaatsen in Nederland gestart zijn. In het
                    algemeen worden deze scholen erkend als ’scholen’ in de zin van de
                    onderwijswetten. De identiteit van de school lijkt meer geënt op de
                    onderwijskundige inrichting, dan een godsdienst of levensovertuiging. Er is geen
                    jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat er sprake is van een afzonderlijke
                    richting.</al><al/><al><cursief>Verklaring van bezwaar</cursief></al><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, van de verordening dienen ouders, indien een
                    leerling een school voor basisonderwijs bezoekt op grotere afstand dan bepaald
                    in de verordening, terwijl zich dichterbij andere (openbare en bijzondere)
                    basisscholen bevinden, schriftelijk te verklaren, dat zij overwegende bezwaren
                    hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van de dichterbij
                    gelegen bijzondere basisscholen. </al><al>Een verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het
                    bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en niet tegen de
                    onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt. Sinds de
                    totstandkoming van onderwijswetgeving met betrekking tot de vrijheid van
                    onderwijs, is het oordeel over de bezwaren, die aan de richting van het
                    onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden: het
                    college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting
                    inhoudelijk te verifiëren.</al><al/><al>Ook onder de huidige regeling wordt deze gedragslijn in de jurisprudentie
                    gevolgd. Slechts in een enkel uitzonderlijk geval neemt de Afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State aan dat niet de richting van het
                    onderwijs, maar de kwaliteit daarvan, de keuze van de ouders heeft bepaald, in
                    tegenstelling tot de door de ouders afgelegde verklaring inzake hun bezwaar
                    tegen de overige richtingen en het openbaar onderwijs (ABRS, 10 april 1989,
                    R03.87.2455/98-86; zie Jur. 21.1. ABRS, 2 januari 1992, R03.89.0685/72-107; zie
                    Jur. 5.7). </al><al/><al>Op het college rust in deze gevallen een zware bewijslast. Aangetoond dient te
                    worden dat de bezwaren van de ouders in weerwil van de letter van hun verklaring
                    kennelijk niet de richting van het onderwijs betreffen. Zelfs indien ouders hun
                    kinderen aanvankelijk naar een openbare basisschool sturen, vervolgens naar een
                    katholieke basisschool en uiteindelijk wederom naar een openbare basisschool,
                    geeft de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak de ouders het voordeel
                    van de twijfel (ABRS, 24 maart 1988, R03.88.0917/S526098.00). Ook indien ouders
                    hun kind pas op twaalfjarige leeftijd naar de school met de door hen gewenste
                    richting sturen, dient het college de verklaring van de ouders, dat zij tegen de
                    overige richtingen en tegen het openbaar onderwijs bezwaar hebben te
                    respecteren, zeker nu de ouders aangaven dat zij hun kind aanvankelijk te jong
                    achtten om de afstand naar de gewenste school te overbruggen (ABRS, 17 februari
                    1989, R03.89.0286/S5137-58; zie Jur. 5.6). Ook het feit dat kinderen uit
                    hetzelfde gezin scholen van diverse richtingen bezoeken levert onvoldoende grond
                    op voor het oordeel dat de ouders hun keuze kennelijk niet met het oog op de
                    richting van het onderwijs hebben bepaald (ABRS, 9 december 1989,
                    R03.87.2975/72-86; zie Jur. 5.5).</al><al/><al><cursief>Speciaal onderwijs</cursief></al><al>Uiteraard geldt voor het (voortgezet) speciaal onderwijs dat het bovenstaande
                    slechts van toepassing is op dichterbij gesitueerde scholen van de soort waarop
                    de leerling is aangewezen.</al><al/><al>In dit kader is van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak heeft bevestigd
                    dat voor het antwoord op de vraag op welke soort speciaal onderwijs een leerling
                    is aangewezen slechts een keuze kan worden gemaakt uit de in artikel 2 van de
                    WEC onderscheiden soorten (ABRS, 2 januari 1992, R03.88.4075 en
                    R03.89.160/62-129; zie Jur. 21.2). ‘Binnen die soorten is geen nadere
                    onderverdeling aangebracht op basis waarvan onderscheid tussen (...) scholen
                    (...) kan worden gemaakt’. Slechts indien door de ouders wordt aangetoond -met
                    name via deskundigenrapporten- dat niet de dichtstbijgelegen school van de
                    gewenste richting en de aangewezen soort geschikt is maar een verder gelegen
                    school, neemt de afdeling aan dat de leerling op deze verder gelegen school
                    feitelijk is aangewezen, en is er voor het college aanleiding te bezien of met
                    toepassing van de hardheidsclausule het vervoer naar de verder gelegen school
                    dient te worden bekostigd.</al><al/><al>Op grond van de Wet leerlinggebonden financiering kunnen leerlingen die
                    geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal onderwijs tevens kiezen voor het
                    regulier onderwijs. Leerlingen die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    gaan, titel 3 van de verordening, maken onverminderd aanspraak op
                    leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen (zeer moeilijk
                    opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden aan pedologische
                    instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek)) geldt dat
                    zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de commissie voor
                    de indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven. Artikel 4, vijfde lid WEC
                    bepaalt namelijk dat de cluster 4-school waarvoor de cvi een advies heeft
                    afgegeven, wordt aangemerkt als de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Dit
                    geldt zolang de leerling woont in het gebied van het regionaal expertisecentrum
                    waar voornoemde commissie aan is verbonden.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief></al><al>School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op zes kilometer afstand
                    van de woning van de leerling. School B is een protestants-christelijke
                    basisschool en ligt op drie kilometer afstand van de woning van de leerling.
                    Indien de ouders nu schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen
                    de richting van de school die dichterbij gelegen is (i.c. school B), verstrekt
                    het college bekostiging voor het vervoer van de leerling naar school A.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een school voor algemeen-bijzonder basisonderwijs op drie
                    kilometer afstand van de woning. De ouders besluiten dat de leerling naar een
                    andere basisschool van dezelfde richting gaat, gelegen op zes kilometer afstand
                    van de woning. In dit geval verstrekt het college geen bekostiging voor het
                    vervoer naar deze basisschool op zes kilometer afstand (immers, het is niet de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school). Of bekostiging plaatsvindt naar de
                    basisschool op drie kilometer afstand, is afhankelijk van de door de
                    gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt) school op zeven kilometer
                    afstand van de woning. Op drie kilometer afstand wordt een nieuwe gereformeerde
                    (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In principe vervalt de bekostiging van de
                    vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand. Het is immers niet
                    meer de dichtstbijzijnde toegankelijke school.</al><al>Hierbij is echter een redelijke overgangsregeling gewenst. Aansluitend bij de
                    gangbare opvattingen hierover lijkt een overgangsperiode van circa twee jaren
                    reëel indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend. Na een dergelijke
                    overgangsperiode vervalt dan de bekostiging van de vervoerskosten naar de school
                    op zeven kilometer afstand van de woning.</al><al>Indien de ouders beslissen om de leerling eerder naar de dichterbij gelegen
                    school te sturen, vervalt de bekostiging op het moment dat de leerling de nieuwe
                    school bezoekt. Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de nieuwe basisschool, is
                    afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 4</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een openbare school op drie kilometer afstand van de
                    woning. Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een andere wijk in dezelfde
                    gemeente, waardoor de bezochte school niet meer de dichtstbijzijnde school voor
                    openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt nu op een afstand van acht
                    kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op bekostiging naar deze
                    school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de leerling toch op de verder
                    weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke overgangsperiode voor de hand
                    te liggen. Het college kan dan overwegen -indien daarmee het belang van de
                    leerling wordt gediend- bekostiging te verlenen voor het resterende schooljaar.
                    Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de dichterbij gelegen school is
                    afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 5</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een protestants-christelijke speciale school voor
                    basisonderwijs op zes kilometer afstand van de woning terwijl een
                    rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs en een
                    protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn gesitueerd (respectievelijk
                    op twee kilometer en drie kilometer). De ouders komen voor bekostiging van de
                    vervoerskosten in aanmerking indien zij schriftelijk verklaren overwegende
                    bezwaren te hebben tegen de richting van de dichterbij gelegen toegankelijke
                    school (i.c. de rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs).</al><al>De protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de
                    leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij gelegen
                    toegankelijke school.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 6</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een openbare basisschool op negen kilometer afstand van de
                    woning. Op zes kilometer afstand is ook een openbare basisschool gehuisvest,
                    terwijl er dichterbij gelegen scholen voor bijzonder basisonderwijs aanwezig
                    zijn. Het college verstrekt bekostiging van de vervoerskosten naar de school op
                    zes kilometer afstand van de woning, indien de ouders schriftelijk hebben
                    verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van deze dichterbij
                    gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes kilometer afstand is immers
                    aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school.</al><al/><al>V<cursief>oorbeeld 7</cursief></al><al>Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling is een reformatorische
                    basisschool gesitueerd. De leerling bezoekt een reformatorische basisschool op
                    acht kilometer afstand van de woning omdat op deze school godsdienstonderwijs
                    wordt gegeven volgens een bepaalde modaliteit, die niet tot uitdrukking komt in
                    de dichterbij gelegen reformatorische school. In dit geval bekostigt het college
                    niet de kosten van het vervoer naar de school, gelegen op een afstand van acht
                    kilometer.</al><al>Of bekostiging plaatsvindt naar de reformatorische basisschool op drie kilometer
                    afstand is afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 8</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor
                    basisonderwijs op twaalf kilometer afstand van de woning van de leerling, omdat
                    de onderwijskundige methode van die school geschikter blijkt voor de leerling
                    dan de onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op de
                    vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs, gelegen op een
                    afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling. Het college verstrekt
                    een eventuele bekostiging voor het vervoer van en naar de school gelegen op vijf
                    kilometer afstand.</al><al/><al><cursief>Voorbeeld 9</cursief></al><al>Een leerling bezoekt een openbare speciale school voor basisonderwijs binnen het
                    samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is,
                    terwijl er buiten het samenwerkingsverband een dichterbij de woning van de
                    leerling gelegen toegankelijke openbare speciale school voor basisonderwijs is.
                    Het college verstrekt bekostiging naar de school binnen het samenwerkingsverband
                    (zie artikel 9 van de modelverordening).</al><al/><al>Voor alle hiervoor weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders met
                    toepassing van de hardheidsclausule toch een -volledige- bekostiging kan
                    verstrekken indien daartoe naar de mening van het college aanleiding is.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Uitbetaling van de bekostiging</vet></al><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting voor de burger is het wenselijk dat het
                    aantal aanvragen zo veel mogelijk wordt beperkt. In dat kader verdient het de
                    aanbeveling om als gemeente te bezien of het passend en mogelijk is om voor de
                    gehele schoolperiode de bekostiging toe te wijzen. Wanneer te verwachten valt
                    dat er geen verandering optreedt in de situatie van de leerling en deze dus aan
                    de geldende criteria blijft voldoen, is het wenselijk te kiezen voor een
                    verstrekking voor de gehele schoolperiode. Aanvragers dienen wijzigingen die van
                    invloed zijn op de bekostiging direct door te geven aan het college. Het is
                    raadzaam aanvragers nadrukkelijk te wijzen op het feit dat ten onrechte genoten
                    bekostiging kan worden teruggevorderd, dan wel kan worden verrekend (zie ook
                    artikel 6).</al><al/><al>Indien er in de situatie van de leerling echter verbetering of verandering valt
                    te verwachten, dient te worden gekozen voor een verstrekking over een termijn
                    van één schooljaar (of een beperkt aantal schooljaren). Hierbij kan worden
                    gedacht aan de noodzaak van het passend vervoer: deze kan per jaar sterk
                    veranderen en dient dus jaarlijks opnieuw te worden bekeken. </al><al/><al>Nota bene: De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor dient
                    de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen, ook al wordt de
                    bekostiging voor een langere periode verstrekt. Dit zou kunnen vervallen als de
                    gemeente op termijn bij de belastingdienst de inkomensgegevens kan opvragen. </al><al/><al>Vanwege het creëren van beleidsruimte is in artikel 4 van de verordening
                    bepaald, dat het college bij de verstrekking van de bekostiging tevens de
                    termijn van de bekostiging bepaalt. In de beschikking wordt deze termijn
                    aangegeven. De gekozen formulering van artikel 4 van de verordening laat zoals
                    gezegd de ruimte om per geval de termijn van de bekostiging te bepalen. Stelt de
                    gemeenteraad zich echter op het standpunt dat de bekostiging te allen tijde tot
                    het einde van het aangevraagde schooljaar dient te lopen, verdient het
                    aanbeveling om de verordening in die zin aan te passen.</al><al/><al>Het college bepaalt bij verstrekking van bekostiging de wijze en het tijdstip
                    van uitbetaling. Bepaald zal onder andere dienen te worden of:</al><lijst><li nr="-"><al>de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op
                            declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag achteraf
                            geschiedt;</al></li><li nr="-"><al>de bekostiging, in het geval er sprake is van aangepast vervoer,
                            rechtstreeks aan de vervoersonderneming geschiedt.</al></li></lijst><al>Aangezien de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip van
                    betalen veel verschillende varianten laat zien, is in de modelverordening geen
                    expliciete keuze gemaakt. Afhankelijk van de lokale gewoonte of de lokale wensen
                    kan hieraan invulling worden gegeven. Wel kan in dit verband opgemerkt worden
                    dat bekostiging op declaratiebasis, bijvoorbeeld door het overleggen van
                    strippenkaarten of maandabonnementen, de betrouwbaarste indicator is.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Aanvraagprocedure</vet></al><al>Indien ouders menen voor bekostiging in aanmerking te komen, dienen zij hiertoe
                    een aanvraag in bij het college. Van gemeentezijde wordt hiervoor een (digitaal)
                    aanvraagformulier beschikbaar gesteld. </al><al/><al>In artikel 5 van de verordening zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent de
                    aanvraag van bekostiging van de vervoerskosten.</al><al>De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen plaatsvinden:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar, dient de
                            aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend te
                            worden;</al></li><li nr="2."><al>indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de
                            aanvraag gedurende het schooljaar worden ingediend.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Ad 1 Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe schooljaar
                    </cursief></al><al>Veelal zal ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend zijn dat
                    een leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat bezoeken. Ook
                    continuering van het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de aanvang van
                    het nieuwe schooljaar bij de ouders bekend. In dergelijke gevallen bepaalt
                    artikel 5, tweede lid, van de verordening dat de ouders, die in aanmerking
                    wensen te komen voor bekostiging van de vervoerskosten, voor 1 juni voorafgaande
                    aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de gemeente moeten indienen.</al><al/><al>Deze datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de
                    aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het schooljaar
                    gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in verband met de
                    -in voorkomend geval- vereiste werkzaamheden van de commissie van
                    onderzoek.</al><al/><al>Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het college
                    op grond van artikel 5, vierde lid, tot uiterlijk het begin van het nieuwe
                    schooljaar de tijd een besluit te nemen en aan de aanvragers af te geven. De
                    aanvraag dient dan wel juist en volledig te zijn ingevuld en voorzien te zijn
                    van de noodzakelijke bijlagen.</al><al/><al>Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is gekozen om de eventueel te
                    verwachten stormloop van aanvragen in de zomervakantie te kunnen verwerken. </al><al/><al>Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de verordening kan het voorkomen
                    dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor de gemeente.
                    Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een vakantiepiek, indien
                    het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of andere deskundigen
                    uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke
                    gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen
                    (artikel 5, vijfde lid, van de verordening). Uiterlijk een dag voor het
                    verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende
                    aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de
                    verdagingstermijn onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het
                    uitblijven van het advies van de commissie van onderzoek, is het van belang dat
                    er toch een beschikking wordt afgegeven. In een dergelijk geval ligt het voor de
                    hand een beschikking te geven, zonder bijvoorbeeld het advies van de commissie
                    van onderzoek af te wachten.</al><al>Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel
                    3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5 van de verordening zijn
                    opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen
                    beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4:13 van de Awb bepaalt
                    dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in
                    ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking
                    heeft gegeven.</al><al/><al><cursief>Ad 2 Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht
                        weken</cursief></al><al>In gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe schooljaar
                    om welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het in de meeste
                    gevallen niet haalbaar de beschikking voor het begin van het nieuwe schooljaar
                    af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de aanvraag -weliswaar ingediend voor
                    1 juni- onvolledig is of onjuist is ingevuld (tenzij de gecorrigeerde aanvraag
                    ook voor 1 juni bij de gemeente binnen is).</al><al/><al>Wanneer de aanvraag onjuist of onvolledig is ingevuld, zullen de ouders de
                    aanvraag moeten aanvullen of corrigeren. In artikel 4:15 van de Awb is bepaald
                    dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de
                    ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                    verstreken. Is er sprake van een bovengenoemde situatie dan is artikel 5, vierde
                    lid, van de verordening van toepassing. Hierin wordt bepaald dat het college
                    binnen acht weken na ontvangst van het formulier een beslissing neemt, nadat
                    ouders in voorkomend geval in de gelegenheid zijn gesteld de aanvraag met
                    ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al/><al>Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het schooljaar een aanvraag
                    plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien in de loop van het
                    schooljaar een leerling van schoolsoort wisselt (bijvoorbeeld van basisonderwijs
                    naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van het jaar verhuist
                    en daardoor een andere gelijksoortige school gaat bezoeken.</al><al/><al>In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6
                    maart 1992 (R03.88.7294/83-129; zie Jur. 21.3) staan de gevolgen van een
                    verhuizing centraal. Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de ouders
                    wijst op de noodzaak een aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te dienen mag
                    van de ouders worden verwacht dat zij onverwijld -maar uiterlijk binnen een week
                    na de berichtgeving van de voormalige woongemeente- een aanvraag bij de nieuwe
                    woongemeente indienen. Bij latere indiening is de nieuwe woongemeente niet
                    gehouden om de kosten van vervoer in de periode vanaf een week na de mededeling
                    van de oude woongemeente tot aan de uiteindelijke indiening van de aanvraag bij
                    de nieuwe woongemeente te bekostigen.</al><al/><al>Ook ten aanzien van de aanvraagprocedures geldt echter dat de
                    afwikkelingstermijnen niet haalbaar kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor geldt
                    dan ook de verdaging van de termijn met vier weken. Dezelfde criteria en
                    sancties gelden als onder ad 1 zijn gesteld.</al><al/><al>Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of beroep een
                    positieve beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van welke datum
                    de bekostiging wordt verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het
                    college de ingangsdatum van de bekostiging bepaalt. In het geval een aanvraag
                    voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de ingangsdatum van de bekostiging
                    in principe samenvallen met de eerste schooldag van het nieuwe schooljaar
                    (artikel 5, zesde lid, onder a). Hieronder dient dan de werkelijke start van het
                    schooljaar verstaan te worden en niet de wettelijke aanvangsdatum. De
                    bekostiging gaat uiteraard pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk
                    plaatsvindt.</al><al/><al><cursief>Geen bekostiging met terugwerkende kracht</cursief></al><al>Indien de aanvraag gedurende het schooljaar aan het college wordt gericht zal de
                    ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de in het
                    aanvraagformulier verzochte datum van ingang, <onderstreept>echter niet voor de
                        datum waarop de aanvraag wordt gedaan</onderstreept> (artikel 5, zesde lid,
                    onder b) (de datum van ontvangst). Het spreekt voor zich dat de gemeente haar
                    burgers in algemene zin dient te informeren omtrent eventuele rechten op
                    bekostiging van leerlingenvervoer.</al><al/><al><cursief>Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag</cursief></al><al>Zoals reeds eerder is opgemerkt geeft artikel 4:4 van de Awb de gemeente in het
                    algemeen de bevoegdheid om het gebruik van (digitale) aanvraagformulieren voor
                    te schrijven. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt
                    opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is
                    aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al><al/><al>Onder gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging van
                    verklaringen (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een
                    medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der
                    belasting, verklaring van overwegende bezwaren en eventuele andere
                    bewijsstukken.</al><al/><al>Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Awb verplicht deze gegevens te
                    overleggen, indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste beoordeling van
                    de aanvraag. Of gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een juiste
                    beoordeling wordt door het college bepaald. Uiteraard dient het begrip ‘juist’
                    redelijk geïnterpreteerd te worden. Criterium is: gegevens die van invloed zijn
                    op de aanvraag dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of
                    dat daadwerkelijk het geval is. </al><al/><al>Indien de aanvraag aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt
                    het college het aanvraagformulier terug of stelt ouders in de gelegenheid dit
                    digitaal te doen. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde
                    gegevens binnen vier weken aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen
                    gebruikgemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in
                    behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van
                    artikel 4:5, vierde lid van de Awb, dient in een voorkomend geval aan de
                    aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt
                    genomen.</al><al/><al>Uit een beschikking van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State (9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535; zie Jur. 8.1) wordt
                    duidelijk dat gemeenten bij een afwijzende beschikking zich niet louter kunnen
                    beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat
                    zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de
                    aanvrager is. De voorzitter overweegt het volgende: ‘Wij stellen voorop dat,
                    hoewel is gebleken dat het aanvraagformulier voor de in geding zijnde
                    reiskostenbekostiging onjuist dan wel onvolledig is ingevuld, de kennelijk
                    bedoeling van verzoeker, gezien de aanvragen van de voorafgaande jaren,
                    duidelijk is. Derhalve beschouwen wij de aanvraag als zijnde correct gedaan.’
                    Bij het in behandeling nemen van aanvragen zal de gemeente dus moeten letten op
                    de kennelijke bedoeling van de aanvrager zoals die uit aanvragen van de
                    voorafgaande jaren gebleken is.</al><al/><al><cursief>Verdagen</cursief></al><al>Het vijfde lid van artikel 5 geeft het college de mogelijkheid om de beslissing
                    op de aanvraag met vier weken te verdagen. Een beslissing van een bestuursorgaan
                    om een beslissing te verdagen is een beschikking in de zin van de Awb. Dit
                    betekent onder andere dat het bestuursorgaan een dergelijke beslissing dient te
                    motiveren (artikel 4:16 van de Awb) en dat de beslissing aan de belanghebbende
                    bekendgemaakt dient te worden (artikel 3:41 van de Awb).</al><al/><al><vet>Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen</vet></al><al>Artikel 6, eerste lid, van de verordening regelt dat ouders verplicht zijn
                    wijzigingen door te geven aan het college, die van directe invloed zijn op de
                    verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Ouders dienen dergelijke
                    wijzigingen onverwijld mede te delen aan het college.</al><al>Gegevens die van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder andere: </al><lijst><li nr="-"><al>wijziging van de reistijd, in verband met verandering in bijvoorbeeld
                            het openbaar vervoer;</al></li><li nr="-"><al>wijziging in het woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld
                            verhuizing;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>wijziging van de gezinssamenstelling;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet
                            begeleiden van leerlingen;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van het adres van de school;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>wijziging van de schooltijden van de school;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar
                            voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="-"><al>toekenning van bekostiging op grond van de Wet WIA , of op grond van
                            andere wet en regelgeving. </al></li></lijst><al/><al>Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de verstrekte
                    bekostiging in en verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                    vervoerskosten (artikel 6, tweede lid, van de verordening). Indien de wijziging
                    geen invloed op de bekostiging heeft gebeurt dit uiteraard niet. Wijziging in
                    het inkomen van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of
                    speciale school voor basisonderwijs volgen heeft in principe geen invloed op de
                    bekostiging van de vervoerskosten voor het desbetreffende jaar. Indien echter
                    sprake is van een structurele wijziging in het inkomen van de ouders die voor
                    hen ernstig nadelig is, kan het college vooruitlopend op het volgende schooljaar
                    de bekostiging aanpassen. Indien het college, zonder hiervan door de ouders
                    onverwijld op de hoogte te zijn gesteld, zelf wijzigingen vaststelt die van
                    invloed kunnen zijn op de bekostiging, kan het zijn dat ouders ten onrechte
                    bekostiging (hebben) ontvangen.</al><al/><al>Artikel 6, vierde lid, van de verordening biedt in dergelijke situaties een
                    kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen of in
                    mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging. Ook in
                    onderhavige gevallen geldt immers dat nadat de wijziging is vastgesteld de
                    bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt verstrekt. De beslissing
                    dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt (artikel 3:41 Awb).</al><al/><al><vet>Artikel 7 Peildatum leeftijd leerling</vet></al><al>Aangezien in de verordening het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een
                    van de volumebeperkende middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan niet in
                    aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding, verdient het aanbeveling een
                    peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Indien de leerling in
                    aanmerking komt voor openbaar vervoer onder begeleiding en in de verordening is
                    geen peildatum gekozen, zal in dat schooljaar waarin de leerling de leeftijd van
                    negen jaar bereikt, tweemaal een beschikking dienen te worden afgegeven,
                    namelijk voor de periode dat de leerling nog acht jaar is en voor de periode dat
                    de leerling de leeftijd van negen jaar heeft bereikt. Een dergelijke handelwijze
                    houdt nogal wat extra administratieve werkzaamheden in.</al><al>In de verordening (artikel 7) is dan ook gekozen voor een peildatum die geldt
                    voor het gehele schooljaar. Gekozen is voor de peildatum van 1 augustus van het
                    betreffende schooljaar, omdat deze datum samenvalt met de wettelijke start van
                    het schooljaar. Deze bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van
                    een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de verordening het
                    gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt (ook al wordt de leerling
                    halverwege het schooljaar negen jaar). Er hoeft dan ook maar 1 beschikking voor
                    het gehele schooljaar te worden afgegeven.</al><al/><al>Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke
                    leeftijdsgrens niet opgenomen. Het recht op leerlingenvervoer staat verder in
                    geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Inschrijving bij een WPO, WEC of
                    WVO school volstaat.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Andere vergoedingen</vet></al><al>Indien kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een
                    andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten
                    van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de
                    bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de Verordening
                    leerlingenvervoer. Dat geldt echter niet voor vergoedingen die worden verstrekt
                    door de IB-groep op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                    schoolkosten, die ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs
                    kunnen aanvragen. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten,
                    zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en is niet puur bestemd voor reiskosten.
                    Deze vergoeding mag daarom niet worden afgetrokken van de bekostiging
                    leerlingenvervoer.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale
                        school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</vet></al><al>Dit artikel is een aanvulling op artikel 3 van de verordening. Voor alle
                    onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 3, eerste lid. Artikel 4 van de
                    WPO bepaalt voor speciale scholen voor basisonderwijs echter dat het vervoer
                    naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband dient te worden
                    bekostigd. Dat zal veelal wel, maar hoeft niet de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school van zijn soort te zijn omdat buiten het samenwerkingsverband een
                    dichterbij gelegen speciale school kan zijn. Deze regeling is door de wetgever
                    getroffen om zo veel mogelijk opvang binnen het eigen samenwerkingsverband te
                    realiseren. Evenals bij de regeling voor basisscholen wordt bij het toekennen
                    van een voorziening voor leerlingenvervoer rekening gehouden met de
                    toegankelijkheid voor de leerling en de op godsdienst of levensbeschouwing
                    berustende keuze van de ouders. In artikel 9 wordt gesproken van de basisschool
                    waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond van artikel 3 van de
                    verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Is dit het geval, dan
                    is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt als gevolg van de verwijzing naar
                    artikel 3 van de verordening bij toepassing van onderdeel b ook hier het
                    vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorg</vet></al><al>In de WPO wordt aan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl) de taak
                    opgedragen om een besluit te nemen over de toelating van een leerling tot een
                    speciale school voor basisonderwijs. Het college moet bij de beoordeling van een
                    aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Daarnaast kunnen door
                    het samenwerkingsverband aan de pcl adviestaken worden opgedragen. Wanneer dat
                    is gebeurd dient het college het advies van de commissie bij de beoordeling te
                    betrekken. Omdat het een advies betreft, is het college daaraan echter niet
                    gebonden. Om de bestuurslast beperkt te houden is bepaald, dat het advies van de
                    pcl alleen moet worden betrokken, als het college een negatieve beschikking op
                    de gevraagde voorziening geeft.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                        fiets</vet></al><al>Artikel 11 van de verordening bepaalt dat de ouders van leerlingen die een
                    school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken,
                    in aanmerking kunnen komen voor bekostiging op basis van de kosten van het
                    openbaar vervoer dan wel vervoer per fiets, indien de afstand van de woning naar
                    de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school meer dan zes kilometer
                    bedraagt.</al><al/><al>Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding wordt
                    verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan
                    niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                    dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de leerling, de eventuele
                    handicap van de leerling, de veiligheid van de af te wijken route en de afstand.
                    Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor bijvoorbeeld de maanden maart tot
                    november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander
                    passend vervoer.</al><al>In artikel 11 van de verordening zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd om ouders
                    aanspraak te kunnen laten maken op bekostiging van de vervoerskosten. Hierbij
                    geldt als uitgangspunt: ‘bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel
                    de kosten van het vervoer per fiets’.</al><al/><al><cursief>Afstandscriterium</cursief></al><al>De artikelen 4 van de WPO en de WEC bepalen dat de gemeentelijke regeling kan
                    bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand. In de
                    verordening is deze afstand nader ingevuld door het stellen van een
                    kilometergrens. Als afstandscriterium wordt in de verordening zes kilometer
                    gehanteerd. In artikel 4, zevende lid, van de WPO is deze afstand als bovengrens
                    vastgelegd.</al><al/><al>In de uitspraak van 27 december 1989 (R03.88.7309; zie Jur. 1.4) heeft de
                    Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State duidelijkheid verschaft over
                    de wijze waarop de afstand tussen school en woning bepaald moet worden. Als er
                    een klein verschil (minder dan enkele honderden meters) bestaat tussen de meting
                    van de afstand door de ouders en de gemeente, dan kan niet volstaan worden met
                    het meten van de afstand door een autodagteller. In dit geval dient een methode
                    gebruikt te worden waardoor de exacte afstand kan worden bepaald, bijvoorbeeld
                    door middel van het gebruik van een geijkte teller, of een recente versie van
                    een routeplanner of navigatiesysteem. </al><al/><al>Van belang is tevens dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    in dezelfde uitspraak heeft bepaald dat bij het meten van de afstand niet mag
                    worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg (’s morgens) en de
                    terugweg (’s middags). Indien de reisafstand op de heenweg onder de in de
                    verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de terugweg daarboven -of
                    omgekeerd- dan ligt het naar het oordeel van de afdeling veeleer in de rede dat
                    een gedeeltelijke bekostiging -voor alleen de heen- dan wel de terugreis- wordt
                    verstrekt.</al><al/><al>Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de
                    wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4,
                    zevende en achtste lid, van de WEC). Met andere woorden: een voor de hand
                    liggend onderscheid in afstand voor jongere en oudere kinderen is niet mogelijk. </al><al/><al><cursief>Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginsel</cursief></al><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs heeft
                    de gemeente naast de vaststelling van een afstandsgrens en leeftijdsgrens nog
                    twee andere volumebeperkende maatregelen ter beschikking ter regulering van de
                    vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en het toepassen van het
                    draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer van leerlingen naar speciale
                    scholen voor basisonderwijs kan eveneens een drempelbedrag geheven worden, maar
                    is het toepassen van het draagkrachtbeginsel niet mogelijk. Zie verder de
                    toelichting bij artikel 23 en 24.</al><al/><al><cursief>Leerlingenvervoer naar dislocaties/nevenvestigingen</cursief></al><al>Artikel 11 e.v. en artikel 15 e.v. van de verordening bepalen dat het
                    college bekostiging verstrekt in de kosten van leerlingenvervoer, indien de
                    afstand van de woning van de leerling naar de dichtstbijzijnde voor de leerling
                    toegankelijke school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                    basisonderwijs, een school voor speciaal voortgezet onderwijs of (voortgezet)
                    speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer.</al><al/><al>Indien de school die de leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de
                    vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in
                    de zin van de Verordening leerlingenvervoer dienen te worden beschouwd. Deze
                    vraag zal zich in de praktijk vaker voordoen door met name de
                    schaalvergrotingsoperatie (T en B) in het basisonderwijs. Door deze operatie is
                    het aantal dislocaties toegenomen en zijn zelfstandige scholen omgevormd tot
                    nevenvestigingen.</al><al/><al>Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan aansluiting worden gezocht bij
                    de regelgeving inzake de huisvesting en materiële instandhouding in het primair
                    onderwijs, alsmede bij artikel 2, eerste lid, artikel 11 en artikel 15, eerste
                    lid van de Verordening leerlingenvervoer. Als uitgangspunt geldt dan dat de
                    feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht als school kan worden
                    beschouwd in de zin van de verordening.</al><al/><al>Concreet gaat het om de volgende situaties:</al><al/><al><cursief>1 Nevenvestiging in het basisonderwijs</cursief></al><al>Een nevenvestiging wordt in termen van de WPO (artikel 1) beschouwd als een deel
                    van de school op de plaats waar voor de vorming van de nevenvestiging een
                    zelfstandige school functioneerde. De eigen wettelijke positie van een
                    nevenvestiging komt onder andere tot uiting in een afzonderlijke normstelling
                    voor de instandhouding, in een afzonderlijke regeling voor de rijksbekostiging
                    van de huisvesting (los van de plaatsingscapaciteit van de hoofdvestiging) en in
                    de verplichting om voor de nevenvestiging een afzonderlijke
                    leerlingadministratie bij te houden.</al><al>Gelet op het voorgaande uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt het
                    voor de hand een nevenvestiging als een school in de zin van de verordening te
                    beschouwen.</al><al/><al><cursief>2 Dislocaties in het primair onderwijs</cursief></al><al>Een dislocatie kan, gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt,
                    eveneens als een school in de zin van de verordening worden beschouwd.</al><al/><al><cursief>3 Bekostiging</cursief></al><al>Het college verstrekt bekostiging indien de leerling de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke onderwijslocatie bezoekt, indien uiteraard aan de
                    criteria van de verordening op het gebied van richting en kilometergrens wordt
                    voldaan. Met een onderwijslocatie wordt zowel de hoofdvestiging als een
                    nevenvestiging of dislocatie bedoeld.</al><al/><al>Hieruit vloeit bijvoorbeeld voort dat indien een leerling een dislocatie bezoekt
                    die minder ver van de woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11
                    respectievelijk artikel 15 van de verordening, het college niet gehouden is
                    bekostiging te verstrekken voor de kosten van het leerlingenvervoer. Dit gaat
                    ook niet op indien de hoofdvestiging van de school zich wel verder weg van de
                    woning bevindt dan de kilometergrens.</al><al/><al>Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de kosten van
                    leerlingenvervoer te verstrekken indien de dichtstbijgelegen onderwijslocatie
                    van de gewenste soort en richting een nevenvestiging is die verder weg van de
                    woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11 respectievelijk artikel
                    15, terwijl de hoofdvestiging binnen deze kilometergrens is gelegen.</al><al/><al><cursief>4 Toegankelijkheid</cursief></al><al>De bekostigingsplicht van het college tot de dichtstbijzijnde voor de
                    leerling toegankelijke school kan van specifiek belang zijn indien de leerling
                    een school bezoekt met een nevenvestiging of een dislocatie.</al><al/><al>Indien een school een nevenvestiging of dislocatie heeft, kan het bevoegd gezag
                    bij de inrichting van het onderwijs bepalen dat de hoofdvestiging en de
                    nevenvestiging/dislocatie niet elk een volledig onderwijscurriculum verzorgen.
                    Indien bijvoorbeeld de dichtstbijgelegen locatie een dislocatie is waar slechts
                    onderwijs voor de bovenbouw wordt verzorgd, is deze locatie voor een leerling
                    uit de bovenbouw niet toegankelijk en wordt de verder gelegen dislocatie of
                    hoofdvestiging met onderwijs voor de bovenbouw als dichtstbijzijnde
                    onderwijslocatie aangemerkt. Indien aan de overige voorwaarden wordt voldaan
                    bekostigt het college het vervoer daarheen.</al><al/><al><cursief>5 Verbouwing van de school</cursief></al><al>Indien een school verbouwd wordt en leerlingen op een andere locatie opgevangen
                    worden, dan is het niet automatisch zo dat de gemeente alle leerlingen naar die
                    locatie vervoert. Per leerling moet de Verordening leerlingenvervoer van de
                    gemeente waar het kind woont worden toegepast. Voor leerlingen die al in het
                    leerlingenvervoer zitten, geldt artikel 6 van de verordening (doorgeven van
                    wijzigingen). Het college gaat dan opnieuw kijken of er aanspraak bestaat op
                    leerlingenvervoer. </al><al/><al>Voor leerlingen die niet in het leerlingenvervoer zitten, moet een aanvraag
                    worden ingediend. De gemeente gaat deze aanvraag toetsen. Hierbij wordt (onder
                    meer) gekeken of wordt voldaan aan de afstandsgrens en of het om de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort en de richting gaat. Maken
                    ouders geen aanspraak op leerlingenvervoer, dan moeten zij samen met de school
                    bekijken hoe de eventuele extra vervoerskosten worden opgevangen. Vaak regelen
                    scholen vervoer tussen de oude en nieuwe locatie. </al><al/><al><vet>Artikel 12 Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                        begeleider</vet></al><al>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling niet mogelijk is
                    zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan geen andere
                    ‘oudere’ leerlingen zijn die de leerling kunnen begeleiden, is deze begeleiding
                    een verantwoordelijkheid van de ouders. In artikel 12 van de verordening is
                    daaromtrent een regeling getroffen.</al><al>Uit artikel 12 blijkt:</al><lijst><li nr="-"><al>dat de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer moet
                            zijn om voor bekostiging van de vervoerskosten ten behoeve van een
                            begeleider in aanmerking te komen;</al></li><li nr="-"><al>dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders, indien de
                            leerling jonger dan negen jaar is. Met andere woorden: de regeling gaat
                            ervan uit dat een leerling van negen jaar en ouder in principe
                            zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in een
                            incidenteel geval niet zo, dan kan op grond van artikel 29 van de
                            verordening een uitzondering hierop gemaakt worden. In dit verband is
                            artikel 7 van de verordening van belang. Indien de leerling op 1
                            augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor het hele schooljaar
                            dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt ook al wordt de leerling
                            in de loop van het schooljaar negen jaar;</al></li><li nr="-"><al>dat door de ouders genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling
                            niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.
                            Hiervan kan onder andere sprake zijn indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer
                                    gebruik te maken;</al></li><li nr="-"><al>de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of
                                    meerdere malen moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en
                                    hij, gezien zijn leeftijd, te jong hiervoor is;</al></li><li nr="-"><al>de route van het uitstappunt van de bus naar de school
                                    gevaarlijke punten kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld
                                    verkeersbrigadiers niet mogelijk is).</al></li></lijst></li></lijst><al>Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden door
                    eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar vervoer,
                    psychologische verklaringen en medische verklaringen. In een aantal gevallen kan
                    het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In die gevallen dient de
                    situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college. Het college bepaalt
                    immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig vervoer van de leerling niet
                    mogelijk is.</al><al>Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is in principe niet van belang.
                    Ongeacht wie de leerling begeleidt, vindt de bekostiging van de kosten plaats
                    aan de ouders van de leerling. Indien een begeleider (al dan niet een ouder)
                    meer dan een leerling tegelijk begeleidt, geldt slechts bekostiging als ware er
                    sprake van de begeleiding van een leerling. Met andere woorden, indien
                    bijvoorbeeld een ouder drie leerlingen begeleidt met het openbaar vervoer, kan
                    het niet zo zijn dat de bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten
                    behoeve van de begeleider driemaal plaatsvindt. Artikel 12, tweede lid, van de
                    verordening bepaalt dan ook dat de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                    een begeleider voor bekostiging in aanmerking komen.</al><al/><al>In de uitspraak van 19 maart 1992 (nr. R03.89.6924/106) van de Afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het om de vraag in hoeverre
                    leerlingen zelf kunnen voorzien in de begeleiding van andere (jongere)
                    leerlingen. In aanscherping op de algemene lijn die de afdeling hierin volgt,
                    geeft de afdeling aan dat weliswaar leerlingen van elf jaar en ouder enige
                    begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar dat van een elfjarig kind niet
                    kan worden verwacht dat het zelfstandig twee of meer jongere kinderen door
                    moeilijke verkeerssituaties kan loodsen.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer</vet></al><al>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de
                    leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                    basisonderwijs bezoekt, dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te
                    worden verleend. Deze uitzonderingen zijn in artikel 13 van de verordening
                    vastgelegd.</al><al/><al>In veel gevallen zal het voorkomen dat het college het aangepast vervoer zelf
                    organiseert. Het drempelbedrag en de bijdrage op grond van de draagkracht zullen
                    dan door de ouders aan het college betaald moeten worden, in feite in ruil voor
                    het aangeboden vervoer.</al><al/><al><cursief>Onderdeel a. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf
                        uur</cursief></al><al>Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan
                    anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder
                    van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt bekostiging
                    op basis van de kosten van aangepast vervoer verstrekt.</al><al/><al>Overigens is het niet zo dat de ouders, indien zij op basis van het criterium
                    reistijd aanspraak op bekostiging van aangepast vervoer maken, van het college
                    kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt
                    teruggebracht (in het geval dat het college het vervoer zelf organiseert).</al><al/><al>Indien een schoolbusje meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium
                    overschreden worden. Slechts van belang is dat via individuele meting de
                    conclusie wordt getrokken, dat de totale reisduur van die leerling met het
                    openbaar vervoer meer dan anderhalf uur bedraagt en deze met het aangepast
                    vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                    teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.</al><al/><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (R03.89.0419/83-107; zie Jur. 3.5) geeft de
                    Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State enige richtlijnen met
                    betrekking tot centrale opstapplaatsen (buurtbussen). Hierbij dienen de
                    leerlingen van huis naar een opstapplaats te lopen/fietsen/worden gebracht.
                    Indien hiermee een reistijd is gemoeid van ten hoogste dertig minuten, en indien
                    de vertrektijden van de bus zodanig zijn afgestemd op de aanvangs- en eindtijden
                    van de lessen dat er niet of nauwelijks sprake is van wachttijden, is deze
                    constructie in beginsel alleszins redelijk te noemen, volgens de afdeling.
                    Wanneer de leerling gelet op zijn leeftijd begeleiding behoeft bij het vervoer
                    van huis naar de opstapplaats, acht de afdeling het reëel dat de ouders zelf
                    voor de begeleiding zorg dragen. Hierbij dient te worden aangetekend dat in de
                    onderhavige casus de leerlingen die dichterbij de school woonden dan de
                    kilometergrens van zes kilometer gewend waren om in zijn algemeenheid
                    vergelijkbare afstanden af te leggen naar reguliere bushalten, aldus de
                    afdeling.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b. Openbaar vervoer ontbreekt</cursief></al><al>In een aantal gemeenten komt het voor dat openbaar vervoer geheel ontbreekt of
                    zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor
                    het vervoer van woning naar school of vice versa. In principe kunnen de ouders
                    dan aanspraak maken op bekostiging op basis van aangepast vervoer. Hierbij kan
                    het college de volgende mogelijkheden overwegen: </al><lijst><li nr="-"><al>is een combinatie van vervoer haalbaar;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de vervoersonderneming kan verzocht worden om wijzigingen aan te brengen
                            in de dienstregeling of de mate van het openbaar vervoer, waardoor deze
                            vervoersvorm dienstbaar wordt voor het reizen van en naar de
                            school;</al></li><li nr="-"><al>het bevoegd gezag van de school kan verzocht worden de schooltijden af
                            te stemmen op de vervoerstijden;</al></li><li nr="-"><al>contact kan worden opgenomen met de rijksverkeersinspectie in het
                            betreffende gebied; deze kan eventueel een adviserende en bemiddelende
                            rol spelen;</al></li><li nr="-"><al>tevens kan nog bezien worden of het mogelijk is andersoortig vervoer te
                            organiseren tegen de kosten van openbaar vervoer.</al></li></lijst><al/><al>Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere mogelijkheden niet
                    uitvoerbaar zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken op basis van de
                    kosten van aangepast vervoer (of de leerling gebruik laten maken van het door de
                    gemeente verzorgde vervoer).</al><al/><al>Overigens biedt artikel 13, onder b, van de verordening het college de
                    mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met de
                    fiets naar school te gaan. Hierbij spelen de volgende overwegingen een
                    belangrijke rol:</al><lijst><li nr="-"><al>is de leerling zelfstandig genoeg om met de fiets naar school te
                            gaan;</al></li><li nr="-"><al>is de route die de leerling af moet leggen, veilig met de fiets af te
                            leggen. Is dat het geval, dan vindt een fietsbekostiging plaats (zie ook
                            de toelichting op artikel 12).</al></li></lijst><al/><al>In de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State van 4 februari 1988 (R03.87.7225/S6761) staat dat een bepaling in
                    de gemeentelijke verordening, die inhoudt dat alleen dan bekostiging wordt
                    verleend op basis van de kosten van aangepast vervoer indien openbaar vervoer
                    ontbreekt, in strijd is met de wet. Ook op andere gronden dan het ontbreken van
                    openbaar vervoer kan voor ouders aanspraak bestaan op bekostiging op basis van
                    de kosten van aangepast vervoer. Een zodanig geval kan zich voordoen indien de
                    reistijd die met het gebruik van het openbaar vervoer is gemoeid excessief lang
                    is en het alternatief van aangepast vervoer niet.</al><al/><al><cursief>Begeleiding door ouders</cursief></al><al>Begeleiding is primair een taak van de ouders. Als dat niet mogelijk is, dienen
                    zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan gevonden worden door bijvoorbeeld
                    een oppas, buren, familie of anderen in te schakelen. </al><al/><al><vet>Artikel 14 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</vet></al><al>Artikel 14 van de verordening geeft nadere regels omtrent de bekostiging van het
                    eigen vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen zelf naar
                    school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets
                    etc.), of een leerling die gebruikmaakt van fietsvervoer.</al><al>Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van het
                    college. Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor de
                    gemeente een goedkopere wijze van vervoer is. Hiervan is bijvoorbeeld geen
                    sprake indien voor de desbetreffende leerling nog plaats is in een aangepast
                    vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling anders zou kunnen reizen. Ook
                    kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling meespelen bij de beoordeling
                    van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van het vervoer per
                    fiets.</al><al>De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar de
                    ouders in principe op basis van de bepalingen in de verordening voor in
                    aanmerking komen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor openbaar vervoer;</al></li><li nr="b."><al>voor aangepast vervoer.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Ad a Openbaar vervoer</cursief></al><al>Indien ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                    vervoer en zij vervoeren de leerling met toestemming van het college zelf, dan
                    keert het college bekostiging uit op basis van het openbaar vervoer.</al><al/><al><cursief>Ad b Aangepast vervoer</cursief></al><al>Indien ouders in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van
                    aangepast vervoer en zij met toestemming van het college de leerling zelf
                    vervoeren, geldt een vergoeding per kilometer. De kilometervergoeding is
                    gebaseerd op Reisbesluit binnenland (Stbl. 1993, 144) en de Reisregeling
                    binnenland (Stcrt. van 22 maart 1993). In artikel 14, tweede tot en met vijfde
                    lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de Verordening
                    leerlingenvervoer is bepaald dat onder omstandigheden bekostiging aan ouders
                    wordt verstrekt die bestaat uit een bedrag op basis van een kilometervergoeding
                    afgeleid van de Reisregeling binnenland. De kilometervergoeding betreft
                    enkelvoudige reizen. Dit betekent dat indien het kind per auto vervoerd wordt,
                    in principe aanspraak bestaat op viermaal de afstand woning-school. </al><al/><al>Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de leerling
                    ook tussen de middag wordt vervoerd.</al><al/><al>Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer behoeven,
                    mag uitgegaan worden van de rijafstand uitgaande van de woning van de te
                    vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.</al><al/><al>In artikel 14, derde lid, van de verordening is bepaald, dat ouders aanspraak
                    maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding, indien zij meer dan 1
                    leerling tegelijk vervoeren en daarvoor van het college toestemming hebben
                    gekregen. Dit is ook het geval indien ouders in principe slechts aanspraak maken
                    op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer. </al><al/><al>Ten slotte bepaalt artikel 14, vijfde lid, van de verordening dat het college
                    bekostiging verstrekt op basis van het aantal kilometers fietsvervoer, indien de
                    leerling gebruikmaakt van het vervoer per fiets. Hiervan kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het college van oordeel is dat de leerling hiertoe in staat mag
                            worden geacht als openbaar vervoer ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>indien de ouders van de leerling dit wensen, bijvoorbeeld in het kader
                            van de bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor
                            toestemming geeft.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 15 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                        fiets</vet></al><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor
                    basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt:
                    bekostiging van de kosten van openbaar vervoer. Indien het college van oordeel
                    is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere deskundigen gehoord
                    te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk is, kan een andere
                    wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht worden, namelijk:</al><lijst><li nr="-"><al> openbaar vervoer onder begeleiding;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>aangepast vervoer al dan niet verzorgd door het college;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>eigen vervoer;</al></li><li nr="-"><al>een combinatie van bovenstaande vervoersmogelijkheden.</al></li></lijst><al>In de verordening is voor het (speciaal) onderwijs één afstandsgrens opgenomen,
                    namelijk zes kilometer. Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met het
                    bepaalde in artikel 20 van de verordening. Dit artikel bepaalt dat als de
                    afstand naar de school minder bedraagt dan zes kilometer, toch aangepast vervoer
                    moet worden verstrekt indien de handicap van de leerling dat vereist.</al><al/><al>Analoog aan de regeling voor de bekostiging van het vervoer naar scholen voor
                    basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs geldt ook ten aanzien van
                    de bekostiging van het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    dat het college de voor de gemeente goedkoopst mogelijke wijze van vervoer
                    bekostigt (dit kan bijvoorbeeld zijn een strippenkaart, een jaarabonnement of
                    een maandabonnement of een kilometervergoeding voor de (brom)fiets).</al><al/><al>Het college kan op grond van het tweede lid bepalen dat bekostiging voor de
                    fiets wordt verstrekt. Het college moet dan van oordeel zijn dat de leerling, al
                    dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                    dient in overweging worden genomen: de leeftijd van de leerling, de eventuele
                    handicap van de leerling, de veiligheid van de af te leggen route en de afstand.
                    Ook is het mogelijk een fietsvergoeding voor bijvoorbeeld de maanden maart tot
                    november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander
                    passend vervoer.</al><al/><al><vet>Artikel 15a Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school
                        cluster 4</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Commissie voor de begeleiding</vet></al><al>Het college kan advies inwinnen bij de commissie voor de begeleiding en/of de
                    ambulante begeleider van een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van de
                    gesteldheid van de leerling waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan advies
                    worden ingewonnen bij de schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd advies
                    geven. </al><al/><al>Als nadeel van een keuze voor de directeur/commissie voor de begeleiding als
                    adviserend orgaan geldt de veel gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens
                    subjectief van aard kunnen zijn. Zij zijn immers verbonden aan de ontvangende
                    school en er kunnen dan bepaalde belangen zijn bij het aannemen van het kind op
                    de desbetreffende school. Het is in dat kader van belang dat het college een
                    gemotiveerd advies vraagt van de directeur/commissie voor de begeleiding. Voorts
                    is in de verordening gekozen voor de mogelijkheid om ook andere deskundigen te
                    raadplegen. </al><al/><al>Van de mogelijkheid dat het college het advies van andere deskundigen in kan
                    winnen, kan gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het
                    college afwijkt van het advies van genoemde commissies, of in geval de
                    bijzondere handicap van de leerling dit vraagt. Andere deskundigen zijn
                    bijvoorbeeld medische specialisten, een orthopedagoog, de huisarts van de
                    leerling, een kinderpsycholoog, en dergelijke.</al><al/><al>In een dergelijk geval kan de gemeenteraad als alternatief een onafhankelijke
                    commissie van advies instellen, al dan niet in samenwerking met andere
                    gemeenten. Op deze wijze kan een onafhankelijk advies verkregen worden; de
                    commissie van advies is immers niet gekoppeld aan een bepaalde school. De
                    eventuele kosten verbonden aan een onafhankelijke commissie van advies zullen
                    dan wel door de (samenwerkende) gemeenten gedragen moeten worden.</al><al/><al>Er kan ook worden gekozen voor advisering door een schoolartsendienst of
                    geneeskundige dienst. De kosten verbonden aan de adviezen van een
                    schoolartsendienst of geneeskundige dienst, zullen veelal lager zijn dan de
                    kosten verbonden aan een apart ingestelde onafhankelijke commissie. Deze kosten
                    zullen echter ook voor rekening van de gemeente komen.</al><al/><al>Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer -bijvoorbeeld ‘veilige
                    route’-, dan kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het
                    desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de (verkeers)politie. Ook
                    voor deze deskundigen geldt dat zij een onafhankelijke positie innemen.</al><al/><al><cursief>Advisering bij negatieve beschikking</cursief></al><al>Om de bestuurslast beperkt te houden, is bepaald dat alleen in het
                    geval het college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft,
                    het advies van genoemde commissies daarbij moet worden betrokken. Indien het
                    voor een gemeente duidelijk is dat het aangevraagde vervoer voor de leerling
                    passend is (bijvoorbeeld omdat het een herhalingsaanvraag betreft of omdat de
                    handicap dat vervoer noodzakelijk maakt), behoeft het advies niet te worden
                    gevraagd. Uiteraard laat deze bepaling onverlet dat het advies van genoemde
                    commissies ook gevraagd kan worden indien de gemeente dit wenselijk vindt.</al><al>Volgens de verordening vindt advisering plaats indien het college een negatieve
                    beschikking op de gevraagde voorziening geeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan
                    om:</al><lijst><li nr="-"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet onder
                            begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets (artikel 15,
                            tweede lid);</al></li><li nr="-"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                            voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig gebruik kan
                            maken van het openbaar vervoer in verband met zijn verstandelijke of
                            lichamelijke handicap of leeftijd, waardoor vervoer onder begeleiding
                            noodzakelijk is (artikel 17, eerste lid, van de verordening);</al></li><li nr="-"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn
                            verstandelijke of lichamelijke handicap al dan niet in staat is -ook
                            niet onder begeleiding- van het openbaar vervoer gebruik te maken,
                            waardoor aangepast vervoer noodzakelijk is (artikel 18, eerste lid,
                            onder a, van de verordening);</al></li><li nr="-"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken van de
                            (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, eerste lid,
                            onder b, van de verordening);</al></li><li nr="-"><al>advisering aan het college indien het college wil afwijken van de
                            bepalingen zoals die omschreven zijn in titel 3 van de verordening.</al></li></lijst><al>In de verordening hebben de commissies slechts adviserende taken als het gestel
                    van de leerling betreft (verstandelijk of lichamelijk). De commissies hebben
                    geen adviserende taak indien het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer
                            door middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of
                            minder (artikel 18, onder a, van de verordening);</al></li><li nr="b."><al>de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, onder b, van de
                            verordening).</al></li></lijst><al>Het spreekt voor zichzelf dat de commissies het gemotiveerde advies aan het
                    college uitbrengen binnen een door het college te stellen termijn. Deze
                    commissies zijn een externe adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb. Dit
                    houdt in dat de algemene regels die in afdeling 3:3 van de Awb zijn gegeven van
                    toepassing zijn. Dit betekent onder andere dat het bestuursorgaan de adviseur
                    een termijn kan stellen waarbinnen het advies wordt verwacht, en dat in of bij
                    het besluit vermeld dient te worden wie de adviseur is die het advies heeft
                    uitgebracht.</al><al/><al><vet>Artikel 17 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                        een begeleider</vet></al><al>Indien ouders van een leerling op grond van artikel 15 van de verordening in
                    aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer,
                    en het college van oordeel is dat de leerling niet zelfstandig van het openbaar
                    vervoer of de fiets gebruik kan maken, komen de ouders tevens in aanmerking voor
                    bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                    begeleider. Uit artikel 17 blijkt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs moet
                            bezoeken die is aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke
                            school, en de afstand van de woning naar de school voor speciaal
                            onderwijs moet meer dan zes kilometer bedragen;</al></li><li nr="b."><al>de begeleiding slechts wordt bekostigd indien door de ouders genoegzaam
                            wordt aangetoond dat de leerling door zijn lichamelijke, verstandelijke
                            of zintuiglijke handicap dan wel door zijn leeftijd niet in staat is
                            zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></li></lijst><al/><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>indien de handicap dan wel de leeftijd van de leerling begeleiding
                            noodzakelijk maakt;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>indien de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of
                            meerdere malen over moet stappen op te gevaarlijke overstappunten en dit
                            gezien de leeftijd van de leerling onverantwoord is;</al></li><li nr="-"><al>indien de route van het uitstappunt van de bus naar de school te
                            gevaarlijke punten kent, en een adequate oplossing van deze gevaarlijke
                            punten niet mogelijk is (bijvoorbeeld verkeersbrigadiers etc.).</al></li></lijst><al/><al>Voor dit ‘genoegzaam aantonen’ geldt -analoog aan de desbetreffende bepaling
                    voor het openbaar vervoer onder begeleiding naar scholen voor basisonderwijs of
                    speciale scholen voor basisonderwijs- dat de bewijslast bij de ouders ligt.
                    Ouders dienen hiertoe verklaring(en) van deskundige(n) te overleggen. Indien het
                    college de aanvraag voor begeleiding afwijst, dient daarbij het advies van de
                    commissie voor de begeleiding of andere deskundigen (bijvoorbeeld specialist,
                    pedagoog en psycholoog) te worden betrokken. Het advies betreft dan de vraag of
                    de leerling, gezien zijn handicap dan wel leeftijd, niet zelfstandig van het
                    openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.</al><al/><al>In principe is het niet van belang wie de leerling uiteindelijk begeleidt. In de
                    regel zullen dit de ouders zijn. Het is echter ook denkbaar dat een ander
                    familielid, een oppas, buren, ouders van andere leerlingen, een kennis of een
                    klassenassistent de leerling begeleidt.</al><al/><al>Bij begeleiding door een klassenassistent dienen wel afspraken gemaakt te worden
                    met het bevoegd gezag van de betrokken school. Ook kan begeleiding in
                    groepsverband georganiseerd worden of via een rooster van verschillende
                    begeleiders. Is hiervan sprake, dan is artikel 17, derde lid, van de verordening
                    van toepassing; indien een begeleider meerdere leerlingen tegelijk begeleidt,
                    komen slechts de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor
                    bekostiging in aanmerking (zie tevens de toelichting op artikel 12).</al><al/><al>Door de Nederlandse Spoorwegen en de stads- en streekvervoerbedrijven is een
                    regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider van een
                    gehandicapte. Indien een gehandicapte hiervoor in aanmerking komt, verstrekt de
                    NS hem een legitimatiebewijs. Het legitimatiebewijs is bestemd voor die mensen
                    die vanwege een lichamelijke, geestelijke of zintuiglijke handicap niet of niet
                    onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. Het legitimatiebewijs is
                    wat het binnenland betreft geldig op onder meer:</al><lijst><li nr="a."><al>alle lijnen van de Nederlandse Spoorwegen;</al></li><li nr="b."><al>alle buslijnen in Nederland, zowel in het stads- als in het
                            streekvervoer;</al></li><li nr="c."><al>alle metro- en tramlijnen.</al></li></lijst><al/><al>Voorts blijkt het in de praktijk tot de mogelijkheden te horen dat afspraken met
                    de NS worden gemaakt over bijvoorbeeld het uitstappen van de leerling onder
                    begeleiding van de conducteur.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer</vet></al><al>Ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt dat
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer in principe
                    uitzondering is. Wel moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal
                    onderwijs gewaarborgd blijven. Daar waar vervoer, openbaar of aangepast,
                    noodzakelijk is, moet dit op passende wijze kunnen plaatsvinden. In artikel 18
                    van de verordening zijn deze waarborgen verankerd.</al><al/><al><cursief>Onderdeel a. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf
                        uur</cursief></al><al>Het college verstrekt ook bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer, indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school
                    of terug meer dan ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan
                    worden teruggebracht. Ook hierbij geldt dat het advies van de commissie voor de
                    begeleiding niet gevraagd hoeft te worden. Zie verder de toelichting op artikel
                    13 onder ad 1.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b. Openbaar vervoer ontbreekt</cursief></al><al>Artikel 18, eerste lid, onder b, van de verordening geeft een derde mogelijkheid
                    om aanspraak te maken op bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer. Dit lid bepaalt dat het college de kosten van het aangepast vervoer
                    bekostigt, indien openbaar vervoer ontbreekt. Tevens kan het voorkomen dat het
                    openbaar vervoer zo weinig frequent rijdt dat de leerling daarvan geen gebruik
                    kan maken. Echter, voordat het college beslist dat bekostiging van het aangepast
                    vervoer verleend wordt, kan het de mogelijkheden onderzoeken zoals in de
                    toelichting op artikel 13 is uitgewerkt. Ook kan het college bepalen dat de
                    leerling gebruik kan maken van het vervoer per (brom)fiets. Het college kan het
                    advies van de commissie voor de begeleiding en eventueel het advies van andere
                    deskundigen daarover vragen.</al><al/><al>Als de leerling gebruik dient te maken van een aangepaste fiets of driewieler of
                    met behulp van een tandem naar school gaat (als er een zogenaamde voorrijder
                    aanwezig is), kunnen de ouders op grond van de Wet WIA bij het UWV een
                    tegemoetkoming in de aanschafkosten vragen.</al><al/><al>De hoogte van de bekostiging van aangepast vervoer is uiteraard afhankelijk van
                    een eventueel drempelbedrag en een bijdrage afhankelijk van het inkomen van de
                    ouders (wat betreft het vervoer naar een school voor speciaal voortgezet
                    onderwijs).</al><al/><al><cursief>Medische begeleiding</cursief></al><al>Gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor de medische
                    begeleiding in het leerlingenvervoer. Dit blijkt uit een uitspraak van de
                    rechtbank Zwolle (Rechtbank Zwolle, 21 november 2007 Awb 06/1788, LJN: BB8810).
                    De gemeente stelde in het verweer dat vervoer iets anders is dan (medische)
                    zorgverlening. De rechter vindt dit geen beperkte uitleg van de wettelijke
                    bepalingen. De medische begeleiding hoort volgens de rechtbank thuis in het
                    zogenaamde 2e compartiment (tot 1 januari 2006 de Ziekenfondswet en sinds die
                    datum de Zorgverzekeringswet - de AWBZ).</al><al/><al><cursief>Advisering</cursief></al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, van de verordening dient het
                    college indien het de gevraagde voorziening niet of slechts gedeeltelijk toekent
                    het advies te vragen aan de commissie voor de begeleiding. Deze zal dan moeten
                    beoordelen of de leerling, gezien zijn lichamelijke, zintuiglijke of
                    verstandelijke handicap, niet in staat is -ook niet onder begeleiding- van het
                    openbaar vervoer gebruik te maken. Tevens kan het college het advies van andere
                    deskundigen inwinnen.</al><al/><al><vet>Artikel 19 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</vet></al><al>Met name bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    kan het voorkomen dat de ouders de leerlingen zelf wensen te vervoeren of te
                    laten vervoeren per auto. In artikel 19 van de verordening zijn hiervoor nadere
                    voorschriften gegeven.</al><al/><al><cursief>a Openbaar vervoer</cursief></al><al>Indien ouders de leerling zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren tegen
                    een (kilometer)vergoeding, is toestemming van het college noodzakelijk. Deze
                    toestemming is opgenomen in de verordening, omdat het college dient te bekijken
                    of deze wijze van vervoer daadwerkelijk de goedkoopste is. Is dat het geval, dan
                    kan het college desgewenst toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of
                    laten vervoeren.</al><al/><al><cursief>b Aangepast vervoer</cursief></al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                    vervoer en vervoeren zij de leerling, na toestemming van het college, zelf of
                    laten zij de leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het college een bedrag per
                    kilometer.</al><al/><al>Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling in titel 2 van de
                    verordening, namelijk een bedrag per kilometer, afgeleid van de Reisregeling
                    binnenland. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de
                    toelichting op artikel 14.</al><al/><al>In artikel 19, derde lid, van de verordening is tevens bepaald dat, indien het
                    college de ouders desgewenst heeft toegestaan meer dan een leerling zelf te
                    vervoeren of te laten vervoeren, bekostiging op basis van een
                    kilometervergoeding bestaat. Dit geldt ook indien de ouders aanspraak maken op
                    bekostiging gebaseerd op openbaar vervoer.</al><al/><al>Indien de ouders of het college van oordeel zijn dat de leerling met de fiets of
                    de bromfiets naar school en terug kan, wordt bekostiging verstrekt op basis van
                    een fietsvergoeding dan wel op basis van een bromfietsvergoeding.</al><al/><al>Indien het college van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het
                    (brom)fietsvervoer kan het advies van de commissie voor de begeleiding of andere
                    deskundigen worden ingewonnen.</al><al/><al><vet>Artikel 20 Bekostiging vervoerskosten</vet></al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat in principe voldaan dient te worden
                    aan het gestelde criterium in artikel 15 van de verordening (afstandsgrens), dat
                    is gebaseerd op artikel 4, zevende lid, van de WEC. Hierin is bepaald dat de
                    gemeenteraad kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van
                    de afstand tussen de woning en de school. Echter, artikel 4, zevende lid, van de
                    WEC bepaalt tevens dat gehandicapte leerlingen, die op ander vervoer dan
                    openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende wijze dienen te worden
                    vervoerd. In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een leerling, gezien zijn
                    handicap, ook over een afstand van minder dan zes kilometer aangepast vervoer
                    behoeft. Artikel 20 van de verordening voorziet in een dergelijke
                    voorziening.</al><al/><al>Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de school
                    die dichterbij is gelegen dan zes kilometer, dan kunnen ouders toch in
                    aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerskosten. (Deze leerlingen vallen
                    dus niet onder titel 6 van de verordening.) Hiervan kan bijvoorbeeld sprake
                    zijn, indien door de aard van de handicap aangepast vervoer technisch de enige
                    mogelijkheid is (bijvoorbeeld rolstoel).</al><al>Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de
                    beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van
                    andere deskundigen te betrekken. </al><al/><al>In het geval een WEC leerling gehandicapt is en recht heeft op aangepast
                    vervoer, kunnen de ouders ook kiezen voor de bekostiging van eigen vervoer. Deze
                    mogelijkheid is opgenomen in het derde lid. Artikel 19 is in dat geval van
                    overeenkomstige toepassing. Dit houdt onder meer in dat het college toestemming
                    moet geven voor het eigen vervoer.</al><al/><al><vet>Artikel 21 Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer
                        aan de in de gemeente wonende ouders</vet></al><al>Artikel 21 van de verordening bepaalt dat het college desgewenst de kosten
                    van het weekeinde- en vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente wonende
                    ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend
                    (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Dit
                    artikel valt in twee belangrijke onderdelen uiteen:</al><lijst><li nr="1."><al>het college van de gemeente waar de ouders wonen, bekostigt de kosten
                            van het weekeinde- en vakantievervoer;</al></li><li nr="2."><al>het college bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer,
                            indien het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin
                            noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Ad 1</cursief></al><al>Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op bekostiging van het
                    weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging verstrekt door het
                    college van de gemeente waar de ouders woonachtig zijn, en dus niet door het
                    college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin
                    verblijft. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat het college van
                    de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft, het
                    dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug dient
                    te bekostigen, indien de leerling daarvoor in aanmerking komt.</al><al>Het komt wel eens voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt
                    gescheiden zijn en dat de leerling het ene weekeinde naar zijn moeder en het
                    andere weekeinde naar zijn vader dient te worden vervoerd. Als de vader in een
                    andere gemeente woont dan de moeder dan dient iedere ouder zelfstandig een
                    aanvraag in te dienen bij de gemeente waar men woonachtig is. Het komt nogal
                    eens voor dat ouders het college vragen hun kind af en toe ook door de week naar
                    huis te vervoeren. Dergelijke verzoeken kunnen worden afgewezen. Het gaat hier
                    immers om weekeinde- en vakantievervoer. Indien daartoe aanleiding is, kan in
                    voorkomend geval bezien worden of toepassing gegeven dient te worden aan artikel
                    29 van de verordening.</al><al/><al><cursief>Ad 2</cursief></al><al>Essentieel voor de regeling is dat pas bekostiging van het weekeinde- en
                    vakantievervoer wordt verleend als het verblijf in het internaat of pleeggezin
                    noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs.
                    Woont de leerling niet meer bij zijn ouders om sociale of medische redenen (denk
                    aan uithuisplaatsing, crisisopvang), dan wordt dit vervoer niet door de gemeente
                    vergoed in het kader van het leerlingenvervoer. </al><al/><al>Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of
                    pleeggezin en het volgen van passend onderwijs. Dit betekent dat het college
                    geen bekostiging voor het weekeinde- en vakantievervoer verstrekt, als de
                    leerling passend onderwijs kan volgen dat met dagelijks vervoer vanuit het
                    ouderlijk huis bereikt kan worden. Tevens betekent dit dat het vervoer niet
                    wordt bekostigd van gemeentewege indien de leerling om medische of sociale
                    redenen in een internaat of pleeggezin verblijft. </al><al/><al>Voorbeeld: Een leerling is aangewezen op onderwijs voor dove kinderen. Vanuit de
                    ouderlijke woning is dit onderwijs niet bereikbaar met dagelijks vervoer.
                    Verblijf in een internaat of een pleeggezin in de buurt van een geschikte school
                    is daarom noodzakelijk. De ouders kunnen in de gemeente waar zij wonen een
                    aanvraag voor weekendvervoer indienen. </al><al/><al>Of plaatsing op het internaat om buiten het onderwijs gelegen redenen heeft
                    plaatsgevonden dient door de gemeente voldoende gemotiveerd te worden. De
                    gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat is
                    geplaatst (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 1995, nr.
                    R03.92.5415; zie Jur. 8.5).</al><al/><al><cursief>Slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs</cursief></al><al>Weekeinde- en vakantievervoer geldt dus slechts voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs. Met andere woorden: voor het volgen van primair onderwijs
                    wordt geen weekeinde- of vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of
                    pleeggezin. Een belangrijke consequentie hiervan is dat leerlingen die in een
                    internaat of een pleeggezin verblijven -omdat hun ouders een trekkend bestaan
                    leiden- niet voor bekostiging van het weekeinde en vakantievervoer in aanmerking
                    komen. Het betreft hier een vijftal categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van
                            circusmedewerkers;</al></li><li nr="2."><al>ligplaatsscholen voor varende kinderen;</al></li><li nr="3."><al>scholen voor kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="4."><al>afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="5."><al>scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en
                            circusmedewerkers.</al></li></lijst><al/><al>Deze scholen worden aangemerkt als basisscholen. Ouders van leerlingen die in
                    internaten of pleeggezinnen verblijven met het oog op het volgen van
                    bovengenoemde basisscholen, vallen dan ook niet onder het regime van het
                    weekeinde- en vakantievervoer, zoals in titel 4 van de verordening nader is
                    geregeld.</al><al/><al><vet>Artikel 22 Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer</vet></al><al>Welke wijze van vervoer conform artikel 21 wordt bekostigd wordt weergegeven in
                    artikel 22. Dit artikel van de verordening bepaalt welke bekostiging maximaal
                    wordt verleend, namelijk ten behoeve van:</al><lijst><li nr="1."><al>de reis van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en
                            terug in elk weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de
                            schoolvakanties;</al></li><li nr="2."><al>de reis van het internaat of het pleeggezin naar de woning van de ouders
                            en terug in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze
                            vakantie is opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling
                            bezoekt.</al></li></lijst><al/><al>Welke wijze van vervoer wordt bekostigd, bepaalt het college van de gemeente
                    waar de ouders wonen. Artikel 22, derde lid, van de verordening geeft aan dat de
                    bepalingen van titel 3 van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn op
                    de toekenning van bekostiging voor weekeinde- en vakantievervoer, met
                    uitzondering van artikel 16, artikel 17 tweede lid, artikel 18, eerste lid,
                    onder a, artikel 18, tweede lid en artikel 20 van de verordening. Zie verder de
                    toelichting bij deze artikelen. </al><al>Analoge toepassing van titel 3 van de verordening betekent dat:</al><lijst><li nr="1."><al>bekostiging van openbaar vervoer regel is indien aan de afstandscriteria
                            van artikel 15 wordt voldaan;</al></li><li nr="2."><al>het college tevens de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van
                            een begeleider kan bekostigen, in het geval door de ouders ten behoeve
                            van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op
                            zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap of leeftijd,
                            niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken
                            (artikel 17, eerste lid);</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school
                                    of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                    vervoer kan worden teruggebracht (artikel 18, eerste lid, onder
                                    a);</al></li><li nr="b."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel
                                    van het college van het (brom)fietsvervoer gebruik kan
                                    maken.</al><al>(Van het (brom)fietsvervoer zal, gezien de afstanden die
                                    overbrugd moeten worden, in principe geen gebruikgemaakt
                                    worden.</al><al>Overigens geldt met name voor het weekeinde- en vakantievervoer
                                    dat een combinatie van vervoer in veel gevallen mogelijk is.
                                    Bijvoorbeeld een combinatie trein-taxi, etc.;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren. De
                            bekostiging is dan afhankelijk van de bekostiging van het vervoer waarop
                            de ouders aanspraak zouden maken (artikel 19).</al></li></lijst><al/><al>De algemene bepalingen van titel 1 van de verordening zijn uiteraard ook van
                    toepassing, alsmede het bepaalde in titel 7.</al><al/><al><vet>Artikel 23 Drempelbedrag</vet></al><al>De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een
                    bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer; de zogenaamde
                    drempel. Het bedrag wordt <onderstreept>per leerling</onderstreept> in rekening
                    gebracht. Indien een leerling slechts een deel van het schooljaar gebruik maakt
                    van het leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in
                    rekening gebracht.</al><al/><al>Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de
                    gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning
                    tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. Invoering
                    van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan
                    deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. In de verordening is de
                    kilometergrens voor alle onderwijssoorten op zes kilometer gesteld (artikel 11,
                    eerste lid, en artikel 15, eerste lid). </al><al/><al>De doelgroep voor het drempelbedrag bestaat uit leerlingen die een school voor
                    basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor
                    speciaal voortgezet onderwijs bezoeken en waarvan de ouders een gezamenlijk
                    inkomen van meer dan € 24.300,00 (geïndexeerd) hebben. </al><al/><al>Voor leerlingen die onder titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in het
                    reguliere primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de ouders geen
                    drempelbedrag gevraagd mag worden. Ook wanneer de leerling zelf de aanvraag doet
                    mag geen drempelbedrag gevraagd worden. </al><al/><al>Het blijft mogelijk om voor elk van de genoemde onderwijssoorten een
                    verschillende kilometergrens te hanteren. Bovendien staat het de gemeente vrij
                    het drempelbedrag wel voor de ene maar niet voor de andere schoolsoorten in te
                    voeren.</al><al/><al><cursief>Toepassen hardheidsclausule of drempelbedrag
                    maximaliseren</cursief></al><al>Met name wanneer veel kinderen gebruikmaken van het leerlingenvervoer
                    en het inkomen van de ouders relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig
                    grote financiële belasting ontstaan. In de modelverordening is er voor gekozen
                    om dergelijke uitzonderingssituaties op te lossen door het verschuldigde
                    drempelbedrag op grond van de hardheidsclausule van artikel 29 niet geheel in
                    rekening te brengen. De gemeente kan er echter ook voor kiezen om in de
                    verordening te bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer,
                    bijvoorbeeld maximaal twee keer, per gezin geheven wordt. Bovendien is het
                    mogelijk om de inkomensgrens in de verordening hoger te leggen dan de in de wet
                    genoemde ondergrens van € 22.050,00.</al><al/><al>De mogelijkheid om de hardheidsclausule hier te hanteren, vloeit voort uit
                    jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de
                    verplichte eigen bijdrage. De afdeling heeft op 2 april 1990 (nr. R03.87.7147;
                    zie Jur. 9.4) een uitspraak gedaan over de bevoegdheid van gemeenten om de
                    ‘hardheidsclausule’ toe te passen op de verplichte eigen bijdrage van destijds f
                    200,00. De belangrijkste overweging in de uitspraak van de afdeling luidt als
                    volgt: ‘Naar het oordeel van de afdeling biedt noch artikel 24 van de
                    verordening noch artikel 4, dertiende lid, van de Interimwet enig
                    aanknopingspunt voor de opvatting van verweerders. Artikel 24 en artikel 4,
                    dertiende lid, geven een algemene afwijkingsbevoegdheid, welke niet is beperkt
                    tot nader aangegeven gevallen, zodat van alle bepalingen van de regeling
                    (verordening) kan worden afgeweken. Verweerders hebben derhalve ten onrechte
                    gemeend dat hun niet de bevoegdheid toekwam om ook van het bepaalde in artikel
                    21, eerste lid, van de verordening af te wijken.’ Deze uitspraak betekent dat de
                    hardheidsclausule van (nu) artikel 29 van de modelverordening ook toegepast kan
                    worden om in bijzondere omstandigheden de ouders geen of slechts een deel van
                    het drempelbedrag te laten betalen.</al><al/><al><cursief>Fietsvergoeding</cursief></al><al>Ten aanzien van het heffen van een drempelbedrag voor leerlingen die in
                    aanmerking komen voor een fietsvergoeding het volgende. De fietsvergoeding is in
                    een aantal gevallen lager dan het door de ouders verschuldigde drempelbedrag. Om
                    te voorkomen dat leerlingen die zouden kunnen fietsen daarvan om deze reden
                    afzien, is het raadzaam in dergelijke gevallen op grond van de hardheidsclausule
                    geen of slechts een deel van het drempelbedrag in rekening te brengen. Ook kan
                    worden overwogen de fietsvergoeding te verhogen. In dat geval geldt de hogere
                    fietsvergoeding uiteraard niet alleen voor leerlingen waarvoor een drempelbedrag
                    verschuldigd is, maar voor alle leerlingen die aanspraak maken op een
                    fietsvergoeding.</al><al/><al><cursief>Het begrip ‘inkomen’ </cursief></al><al>Onder inkomen moet worden verstaan: het gecorrigeerd verzamelinkomen in de zin
                    van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 in het peiljaar. Als peiljaar moet op
                    grond van de wet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
                    schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd. Ouders
                    kunnen op verschillende manieren hun gecorrigeerd verzamelinkomen aantonen.
                    Vanuit het oogpunt van lastenvermindering voor de burger is het wenselijk de
                    wijze te kiezen die de minste lasten voor de aanvrager oplevert. Wanneer de
                    benodigde gegevens reeds bekend zijn bij de sociale dienst omdat er tevens een
                    uitkering wordt ontvangen, dient gebruik te worden gemaakt van deze informatie.
                    Daarnaast kan een gemeente gegevens verkrijgen van het Inlichtingenburo. Indien
                    de gemeente zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kan de
                    aanvrager een kopie van zijn belastingaanslag sturen om zijn inkomen aan te
                    tonen. Tenslotte kunnen ouders een IB 60-formulier opvragen bij de
                    belastingdienst, waarop het gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld. </al><al/><al>In de meeste gevallen zal ten behoeve van het peiljaar het gecorrigeerd
                    verzamelinkomen voorhanden zijn. Indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van het
                    tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging wordt
                    gevraagd nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het
                    desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een
                    later stadium, als het gecorrigeerd verzamelinkomen in het peiljaar bekend is,
                    kan een definitieve berekening worden gemaakt.</al><al/><al>Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken,
                    wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de
                    dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Vervolgens kan het college besluiten
                    de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan
                    schriftelijk op de hoogte gesteld.</al><al/><al>De hoogte van het gecorrigeerd verzamelinkomen is voor het peiljaar 2011 (dus
                    ten behoeve van het schooljaar 2013-2014) vastgesteld op € 24.300,00, wat
                    betreft het innen van het drempelbedrag. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast
                    aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen
                    werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar
                    en afgerond op een veelvoud van € 450,00.</al><al/><al><cursief>Pleegouders</cursief></al><al>Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt
                    (zie de toelichting bij artikel 1, onderdeel b). Zij kunnen dus (als zij voldoen
                    aan de voorwaarden) een tegemoetkoming in de vervoerskosten krijgen. De Afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702
                    en R03.93.1773; zie Jur. 2.3) acht het redelijk dat als de verzorgers
                    pleegouders zijn, zij ook de financiële verplichtingen op zich nemen die uit de
                    eventuele honorering van een aanvraag tot bekostiging van vervoerskosten naar
                    school voortvloeien. De gemeente kan pleegouders dus een eigen bijdrage in
                    rekening brengen.</al><al/><al>In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een
                    justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij de
                    natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend.</al><al/><al>In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit in het
                    algemeen geen component voor de kosten van het schoolbezoek, die door de
                    gemeente in mindering gebracht kan worden op de gemeentelijke bekostiging voor
                    het leerlingenvervoer. Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis van de
                    Regeling vrijwillige pleegzorg, dienen bij een honorering van hun aanvraag tot
                    bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer door de gemeente ook het
                    drempelbedrag per schooljaar aan de gemeente te betalen, als hun inkomen boven
                    de inkomensgrens ligt. Tevens zullen de pleegouders de eventuele bijdrage naar
                    financiële draagkracht aan de gemeente moeten voldoen.</al><al/><al>Voogdij-instellingen kunnen ook als ‘ouder worden aangemerkt. Zij kunnen tevens
                    een aanvraag indienen. Bij hen kan echter geen drempelbedrag worden vastgesteld,
                    omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben.
                    (Deze wet ziet op natuurlijke personen.)</al><al/><al><cursief>Invordering drempelbedrag</cursief></al><al>Ten aanzien van de invordering van het drempelbedrag is het navolgende van
                    belang:</al><lijst><li nr="-"><al>In artikel 2, tweede lid, van de verordening is onder meer bepaald:
                            ‘Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin
                            bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.’Indien het
                            college zelf het vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders die
                            daarvoor in aanmerking komen het drempelbedrag aan de gemeente over te
                            maken. Doen zij dit niet of niet geheel dan vervalt de aanspraak.</al></li><li nr="-"><al>Indien het college dit wenst kan het weigerachtige ouders in gebreke
                            stellen en de (kanton)rechter verzoeken uit te spreken dat de ouders het
                            drempelbedrag dienen te betalen. Vervolgens kan met inschakeling van een
                            deurwaarder de bijdrage worden geïnd. Aangezien deze procedure nogal
                            omslachtig en duur is kan het, als er sprake is van aangepast vervoer,
                            raadzaam zijn het vervoer te stoppen. De ouders blijven echter op grond
                            van de Leerplichtwet verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun
                            kind. De praktijk leert dat een dergelijke maatregel zeer effectief
                            is.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 24 Financiële draagkracht</vet></al><al>Artikel 4 van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid om van ouders wier kinderen
                    een school voor basisonderwijs bezoeken en van wie de school ten minste twintig
                    kilometer van de woning is verwijderd, een van de draagkracht afhankelijke
                    bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer. Deze inkomensafhankelijke
                    bijdrage wordt per gezin geheven (in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per
                    leerling in rekening wordt gebracht) en kan dus alleen bij het reguliere
                    basisonderwijs worden gevraagd.</al><al/><al>In artikel 24 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken
                    wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke
                    ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als
                    van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die
                    aansluit bij artikel 4 van de WPO.</al><al/><al><vet>Artikel 25 Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                        begeleiding</vet></al><al>In titel 6 wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen in het regulier
                    primair en voortgezet onderwijs, die, vanwege eenlichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
                        handicap<cursief>,</cursief> niet of niet zelfstandig van het openbaar
                    vervoer gebruik kunnen maken, in aanmerking kunnen komen voor leerlingenvervoer.
                    Voor deze gehandicapte leerlingen geldt geen afstandscriterium. Gemeenten kunnen
                    aan de ambulante begeleider die verbonden is aan de reguliere school voor
                    primair of voortgezet onderwijs, advies vragen over passend vervoer voor deze
                    leerlingen (zie toelichting artikel 1). Mocht een leerling geen ambulante
                    begeleiding krijgen, dan kan de gemeente het advies van de schooldirecteur of
                    andere deskundigen vragen (bijvoorbeeld een GGD arts).</al><al/><al><cursief>Voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder
                        titel 6 vallen geldt, dat ze -overeenkomstig artikel 9- recht hebben op
                        vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het
                        samenwerkingsverband. Dit is geregeld in lid 1 van artikel
                    25.</cursief></al><al/><al><cursief>Structurele handicap</cursief></al><al>Indien in de verordening gesproken wordt van een handicap, wordt een structurele
                    handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer kennen wij geen tijdelijke handicap.
                    Dit betekent dat de gemeente geen vervoer hoeft te verzorgen om tijdelijke
                    medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling een gebroken been heeft. Ouders
                    hebben hier zelf een verantwoordelijkheid in. In sommige gevallen vergoedt de
                    ziektekostenverzekeraar een gedeelte. </al><al>Echter, het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan of
                    een meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij
                    een groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of krukken
                    vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling eventueel wel een
                    beroep doen op het leerlingenvervoer op basis van titel 6. De gemeente geeft dan
                    een beschikking af voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Als de
                    noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op
                    vervoer. Uitgangspunt is dat een leerling minimaal voor de termijn van drie
                    maanden afhankelijk is van rolstoel en/of krukken vanwege herstel of
                    revalidatie, voordat er eventueel sprake kan zijn van een vervoersvergoeding.
                    Concreet houdt dit in:</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op
                            leerlingenvervoer;</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de gemeente
                            bekijkt of de leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis van
                            titel 6.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 26 Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</vet></al><al>Ten aanzien van gehandicapte leerlingen die zelfstandig met het openbaar vervoer
                    kunnen reizen, maar die daartoe niet in staat zijn omdat het openbaar vervoer in
                    de regio ontbreekt, verwijzen wij naar de toelichting op artikel 13 ad 2.
                    Leerlingen die een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap hebben
                    waardoor ze niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, maken
                    aanspraak op aangepast vervoer indien het openbaar vervoer in de regio
                    ontbreekt. Zij zijn dan immers niet in staat om onder begeleiding met het
                    openbaar vervoer te reizen, omdat het niet aanwezig is. De gemeente heeft echter
                    wel de plicht om passend vervoer teverzorgen in zo’n geval,
                    dus aangepast vervoer. Daarom is in artikel 26 opgenomen dat indien de leerling
                    op grond van artikel 25 recht heeft op openbaar vervoer met begeleiding, terwijl
                    openbaar vervoer ontbreekt of te lang duurt, de leerling aanspraak op aangepast
                    vervoer kan maken. Zie verder de toelichting op artikel 25.</al><al/><al><vet>Artikel 27 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 25. Over eigen vervoer is een uitgebreide
                    toelichting te vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 27 wordt de
                    bekostiging gerelateerd aan de bekostiging waar ouders in principe op basis van
                    de verordening voor in aanmerking komen. Voor de leerlingen in titel 6 betekent
                    dit ofwel bekostiging op basis van openbaar vervoer met begeleiding (artikel 25)
                    ofwel aangepast vervoer (artikel 26).</al><al/><al><vet>Artikel 28 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                        voorziet</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van het
                    leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet.</al><al/><al>In de verordening zijn de hoofdlijnen van de bekostiging van het
                    leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete gevallen
                    voordoen, waarin de verordening niet voorziet. Te denken valt onder andere
                    aan:</al><lijst><li nr="-"><al>varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus
                            openbaar vervoer);</al></li><li nr="-"><al>begeleiding tijdens groepsvervoer;</al></li><li nr="-"><al>gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>varianten in het gebruik van eigen vervoer.</al></li></lijst><al/><al>Voor dergelijke en andere situaties waarin de verordening niet voorziet, is in
                    artikel 28 van de verordening bepaald dat het college beslist. Hierbij dient in
                    redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij deze besluitvorming dient te
                    zijn dat in de geest van de wet en de verordening gehandeld wordt.</al><al/><al>Het komt voor dat schoolbesturen of een groep ouders een vervoermiddel in eigen
                    beheer gebruiken om de leerlingen naar school te brengen. Van belang daarbij is
                    dat de aansprakelijkheid en het toezicht hierop bij de gemeente blijft.
                    Aansprakelijkheid is immers gekoppeld aan zorgplicht. Voor het vervoer gelden
                    dezelfde eisen als voor vervoersbedrijven.</al><al/><al><vet>Artikel 29 Afwijken van bepalingen</vet></al><al>Het college kan in individuele gevallen afwijken van de bepalingen in deze
                    verordening, indien de belangen die zijn gediend bij de toepassing van deze
                    verordening niet opwegen tegen de belangen die zijn gediend bij afwijking
                    ervan.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>