<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR40310_1</dcterms:identifier><dcterms:title>nr 10.02 Parkeerverordening Zevenaar 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-04-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post, 31-3-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Parkeerverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art 2a Wegenverkeerswet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verkeer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>nr 10.02 Parkeerverordening Zevenaar 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zevenaar</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        Zevenaar;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2a van de
                        Wegenverkeerswet 1994 ;</al><al>gezien het advies van de afdeling Ontwikkeling d.d. ...;</al><al><vet>b e s l u i t</vet>:</al><al>vast te stellen de volgende Parkeerverordening Zevenaar 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>I.</nr><titel>DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens1990
                                    ;</al></li><li nr="·"><al>b. motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV
                                    1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1
                                    onder ia van het RVV 1990 ;</al></li><li nr="·"><al>c. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of
                                    laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd
                                    die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of
                                    uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen
                                    van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar
                                    verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen
                                    of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is
                                    verboden;</al></li><li nr="·"><al>d. houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig
                                    opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven
                                    in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register
                                    van opgegeven kentekens;</al></li><li nr="·"><al>e. parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met
                                    inbegrip van verzamelparkeermeters en hetgeen naar
                                    maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur
                                    wordt verstaan;</al></li><li nr="·"><al>f. parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor
                                    parkeerbelasting wordt geheven door middel van
                                    parkeerapparatuur; g. belanghebbendenplaats: een parkeerplaats
                                    die </al><lijst><li nr="o"><al>a. is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV
                                            1990 , of</al></li><li nr="o"><al>b. gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit
                                            bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor
                                            zover deze plaats niet is uitgezonderd;</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>h. vergunning: een door het college verleende vergunning,
                                    krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren
                                    op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of
                                    belanghebbendenplaatsen;</al></li><li nr="·"><al>i. vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan
                                    wie een vergunning is verleend;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>II.</nr><titel>PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN
                            VERGUNNINGBEWIJZEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten
                                aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders.
                                Het college kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als
                                bedoeld in artikel 3, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen
                                vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is
                                toegestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning
                                verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of
                                parkeerapparatuurplaatsen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van
                                een vergunning.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Een vergunning kan worden verleend aan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in
                                        een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door
                                        vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen
                                        aanwezig zijn (categorie I);</al></li><li nr="o"><al>b. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een
                                        beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar
                                        belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te
                                        gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie
                                        II); c. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die op
                                        de loonlijst staat bij een bedrijf of instelling gevestigd
                                        in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door
                                        vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen
                                        aanwezig zijn (categorie III);</al></li><li nr="o"><al>d. een eigenaar of houder van een voertuig die vanwege het
                                        spoedeisende karakter snel en op korte afstand van de
                                        bestemming hulp moet kunnen bieden in een gebied waar
                                        belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te
                                        gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie
                                        IV); </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook
                                verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet
                                voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum
                                aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per
                                categorie vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen
                                verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede
                                verdeling van de beschikbare parkeerruimte. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een
                                aanvraag voor een vergunning.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten
                                hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn
                                wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Een vergunning wordt voor ten hoogste 1 jaar verleend.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="o"><al>a. de periode waarvoor de vergunning geldt;</al></li><li nr="o"><al>b. het gebied waarvoor de vergunning geldt;</al></li><li nr="o"><al>c. de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het
                                        motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen:</al><lijst><li nr="·"><al>a. op verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="·"><al>b. wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen
                                    beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de
                                    vergunning is verleend;</al></li><li nr="·"><al>c. wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de
                                    omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de
                                    vergunning;</al></li><li nr="·"><al>d. wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van
                                    vergunningen komt te vervallen;</al></li><li nr="·"><al>e. wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn
                                    betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan;</al></li><li nr="·"><al>f. wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de
                                    vergunning verbonden voorschriften;</al></li><li nr="·"><al>g. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="·"><al>h. om redenen van openbaar belang.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>III.</nr><titel>VERBODSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een
                                belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan
                                aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:</al><lijst><li nr="o"><al>a. zonder vergunning;</al></li><li nr="o"><al>b. zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is
                                        voorzien van de voor dat motorvoertuig afgegeven
                                        vergunning;</al></li><li nr="o"><al>c. in strijd met de aan de vergunning verbonden
                                        voorschriften.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
                                eerste lid van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere
                            middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op
                            de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig,
                                te plaatsen of te laten staan: </al><lijst><li nr="o"><al>a. op een parkeerapparatuurplaats;</al></li><li nr="o"><al>b. op een belanghebbendenplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp
                                op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te
                                laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt
                                belemmerd of verhinderd.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
                                eerste lid van dit artikel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>IV.</nr><titel>STRAFBEPALING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de
                            eerste categorie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>V.</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de door het college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening Zevenaar
                            2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van
                            bekendmaking.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 24 februari 2010</al></slotformulering><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>Parkeerbeleid is vanouds een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk verkeer-
                    en vervoerbeleid. Parkeerbeleid is van belang in verband met de verbetering van
                    de bereikbaarheid en leefbaarheid op lokaal en regionaal niveau. Via
                    parkeerbeleid kunnen gemeenten de verdeling van de vaak schaarse parkeerruimte
                    reguleren en overlast voorkomen. Een goed instrument dat gemeenten kunnen
                    gebruiken voor de parkeerregulering is het invoeren van betaald parkeren en
                    parkeren door vergunninghouders (ook wel belanghebbendenparkeren). Veel grote en
                    middelgrote gemeenten passen dit instrument reeds vele jaren toe. Ook in
                    kleinere gemeenten met veel voorzieningen en met een regionale functie wordt in
                    toenemende mate betaald parkeren ingevoerd.</al><al>In het verleden heeft de VNG drie varianten voor een model-Parkeerverordeningen
                    en drie varianten voor een model-Verordeningen Parkeerbelastingen
                    opgesteld:</al><lijst><li nr="·"><al>1. model voor fiscale afhandeling;</al></li><li nr="·"><al>2. model voor strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’</al></li><li nr="·"><al>3. model voor een gecombineerde fiscale en strafrechtelijke afhandeling
                            via de ‘Wet Mulder’.</al></li></lijst><al>Bij het model voor de fiscale afhandeling wordt de handhaving door de gemeenten
                    zelf gedaan door middel van het opleggen van een fiscale naheffingsaanslag,
                    wanneer iemand niet, niet geheel of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting
                    via de aangewezen parkeerapparatuur heeft voldaan.</al><al>Bij de strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’ wordt de handhaving door
                    de politie, bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s) en het openbaar ministerie
                    gedaan. Bij de gecombineerde variant wordt de handhaving via beide wegen
                    uitgevoerd.</al><al>Voor zover wij weten hebben (nagenoeg) alle gemeenten die betaald parkeren
                    hebben ingevoerd gekozen voor de fiscale afhandeling (variant 1). Op zich niet
                    vreemd, omdat gemeenten op deze manier de handhaving van het betaald parkeren
                    zelf in de hand hebben. De kosten die gemeenten hiervoor moeten maken kunnen
                    voor een groot deel worden gedekt door de opbrengsten van de naheffingsaanslag
                    (anno 2008 max. € 49 per naheffingsaanslag). De andere varianten worden niet (of
                    nauwelijks) toegepast. Dit is voor de VNG aanleiding geweest om nog slechts één
                    model-Parkeerverordening en één model-Verordening Parkeerbelastingen op te
                    stellen. Deze beide model-verordeningen sluiten naadloos op elkaar aan. De
                    Zevenaarse verordening is gebaseerd op beide modelverordeningen.</al><al>In de verordening wordt vooral aandacht besteed aan het verlenen van
                    parkeervergunningen en is een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het
                    zonder vergunning parkeren op een belanghebbendenplaats en het plaatsen van
                    andere voorwerpen op parkeerplaatsen die bestemd zijn voor betaald parkeren of
                    belanghebbendenparkeren.</al><al>De verordening gaat vooral over (het ontstaan van) de belastingplicht, de
                    maatstaf en de wijze van de heffing, de betaling en de naheffingsaanslag.</al><tussenkop>FISCALISERING EN BELANGHEBBENDENPARKEREN</tussenkop><al>Alleen het parkeren bij parkeerapparatuur (parkeermeters, parkeerautomaten en
                    verder alles wat hieronder kan worden verstaan) kan worden gefiscaliseerd. Bij
                    deze apparatuur wordt een parkeerbelasting geheven. Het college van burgemeester
                    en wethouders wijst de gebieden aan waar het betaald parkeren wordt ingevoerd.
                    Bij niet-, niet geheel of niet tijdige betaling van de parkeerbelasting wordt
                    het verschuldigde parkeergeld nageheven en worden ook de kosten van de
                    naheffingsaanslag doorgerekend.</al><al>Bij belanghebbendenparkeren wordt ook een parkeerbelasting betaald voor het
                    verkrijgen van een parkeervergunning, waarmee in een bepaald gebied mag worden
                    geparkeerd. Het college van burgemeester en wethouders wijst de gebieden aan
                    waar belanghebbendenparkeren wordt ingevoerd. Wanneer iemand zijn auto zonder
                    vergunning parkeert in een belanghebbendengebied (aangeduid met bord E9 uit
                    bijlage 1 van het RVV 1990), kan geen naheffingsaanslag worden opgelegd. Het
                    zonder vergunning parkeren is strafbaar gesteld in de verordening in artikel 9
                    en komt in principe alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’
                    in aanmerking.</al><al>Gemeenten hebben de mogelijkheid om de handhaving binnen belanghebbendengebieden
                    toch te fiscaliseren. Zij kunnen dit doen door in het belanghebbendengebied ook
                    parkeerapparatuur neer te zetten, nadat dit gebied door het college ook als
                    betaald parkeergebied is aangewezen. In feite is dan sprake van een gecombineerd
                    gebied voor betaald parkeren én belanghebbendenparkeren. Wanneer iemand in zo’n
                    gebied parkeert zonder vergunning én zonder betaling van de parkeerbelasting,
                    kan alsnog een naheffingsaanslag worden opgelegd. Dit betekent wel dat op de
                    parkeerplaatsen, die voor belanghebbendenparkeren bestemd waren, ook andere
                    parkeerders geduld moeten worden. In Zevenaar is het de bedoeling dergelijke
                    gebieden met een gecombineerd regime aan te wijzen conform het raadsbesluit van
                    21 oktober 2009. </al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Aanhef</tussenkop><al>In de aanhef van de Parkeerverordening dienen de artikelen 149 Gemeentewet en 2a
                    Wegenverkeerswet 1994 opgenomen te worden. Op grond van het eerste artikel mogen
                    autonome verordeningen worden opgesteld en op grond van het tweede artikel
                    behouden gemeenten hun autonome regelgevende bevoegdheid ten aanzien van het
                    onderwerp waarin de Wegenverkeerswet voorziet, voorzover die regels niet in
                    strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voorzover
                    verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.</al><tussenkop>AFDELING I DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>b.motorvoertuigen</al><al>Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet kunnen parkeerbelastingen worden
                    geheven voor het parkeren met voertuigen. In de model-Parkeerverordening is
                    ervoor gekozen om de werking van deze verordening te beperken tot
                    motorvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1 onder z van het RVV 1990 met
                    inbegrip van brommobielen. In dit artikel wordt onder motorvoertuigen verstaan:
                    ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met
                    trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails
                    te worden voortbewogen’. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1 onder ia)
                    gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een
                    carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van
                    motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels
                    voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders
                    en passagiers van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten zich in het
                    verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het
                    parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de Parkeerverordening en
                    de Verordening parkeerbelastingen ook van toepassing te verklaren op
                    brommobielen.</al><al>c.parkeren</al><al>In de Parkeerverordening is aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip
                    parkeren in artikel 225 van de Gemeentewet en dus niet bij de definitie uit
                    artikel 1 onder ac. van het RVV 1990. Er is gekozen voor deze definitie, omdat
                    het invoeren van betaald parkeren en vergunninghoudersparkeren ook gebaseerd is
                    op artikel 225 van de Gemeentewet.</al><al>d.houder</al><al>In de definitie van het begrip houder komt het begrip ‘motorrijtuig’ voor. Dit
                    is gedaan, omdat in de WVW 1994 bepaald is dat motorrijtuigen over een kenteken
                    moeten beschikken. Het RVV 1990, waarin onder andere bepalingen over parkeren
                    zijn opgenomen, spreekt daarentegen over motorvoertuigen. Dit is op zich
                    verwarrend, maar materieel gezien komen de definities van beide begrippen
                    goeddeels overeen.</al><tussenkop>AFDELING II PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN
                    VERGUNNINGBEWIJZEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Het aanwijzen van de gebieden en plaatsen waar en de tijden waarop met een
                    vergunning op belanghebbendenplaatsen geparkeerd kan worden, dient bij of
                    krachtens deze verordening te worden geregeld. Het aanwijzen van de gebieden,
                    plaatsen en tijden voor het parkeren bij parkeerapparatuur gebeurt op basis van
                    de Verordening Parkeerbelastingen Zevenaar 2010. Uit praktische overwegingen is
                    de aanwijzingsbevoegdheid bij het college neergelegd. Het spreekt voor zich dat
                    de aanwijzing van gebieden geschiedt conform het raadsbesluit op 21 oktober 2009
                    inzake de vaststelling van de Nota Betaald Parkeren en Selectieve toegang.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Het college kan parkeervergunningen afgeven voor het parkeren op plaatsen voor
                    belanghebbenden of met parkeerapparatuur. Het college kan tevens nadere regels
                    stellen voor het indienen van aanvragen en het verlenen van de
                    parkeervergunning. Hierbij kan worden gedacht aan het stellen van
                    indieningsvereisten voor het aanvragen van een parkeervergunning. </al><al>Ook kan het college regels stellen voor personen of bedrijven die nog niet in
                    het vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen
                    afzienbare tijd gaan doen. Zij zouden alvast op een eventuele wachtlijst voor
                    een parkeervergunning kunnen worden gezet. Wel zullen zij voldoende hard moeten
                    kunnen maken dat zij ook daadwerkelijk in het betreffende gebied gaan wonen of
                    zich daar gaan vestigen met een bedrijf. Denk hierbij een koopcontract of
                    huurcontract.</al><al>In het derde lid worden verschillende categorieën belanghebbenden genoemd die in
                    aanmerking kunnen komen voor een parkeervergunning. In de verordening zijn vier
                    categorieën opgenomen: bewoners, bedrijven, werknemers en medewerkers van
                    hulpdiensten ten behoeve van de uitvoering van hun taak. Tot deze laatste
                    categorie behoren bijvoorbeeld huisartsen en verloskundigen. </al><al>In het vierde lid is een soort hardheidsclausule opgenomen. In bijzondere
                    gevallen kan het college ook een (tijdelijke) parkeervergunning verlenen aan de
                    eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de
                    vereisten die in het derde lid zijn opgenomen. Hierbij kan onder andere worden
                    gedacht aan de eerder genoemde personen of bedrijven die nog niet in het
                    vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen
                    afzienbare tijd gaan doen.</al><al>Om te voorkomen dat er voor een bepaald gebied teveel parkeervergunningen worden
                    uitgegeven, is het verstandig om direct bij de invoering van een
                    belanghebbendengebied het maximum aantal uit te geven vergunningen te bepalen.
                    Hierbij kan ook onderscheid worden gemaakt naar de verschillende categorieën
                    parkeervergunningen, waarbij het in de praktijk vooral zal gaan om het aantal
                    bewonersvergunningen en bedrijfsvergunningen. Hoewel een parkeervergunning geen
                    absoluut recht geeft op een parkeerplaats in een aangewezen
                    belanghebbendengebied, moet de vergunninghouder er wel op kunnen vertrouwen dat
                    hij zijn auto doorgaans kwijt kan in dat gebied. Wanneer het maximum aantal uit
                    te geven parkeervergunningen is bereikt, kan het college de parkeervergunning
                    weigeren en de betreffende persoon of het betreffende bedrijf op een wachtlijst
                    plaatsen</al><al>Op grond van het zesde lid kunnen met het oog op een goede verdeling van de
                    beschikbare parkeerruimte aan de vergunning zowel beperkingen worden verbonden
                    met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de
                    tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. Vergunningen kunnen ook worden
                    verleend voor bepaalde zones, om te voorkomen dat vergunninghouders overal
                    elders in de gemeente gratis kunnen parkeren.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een
                    beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om voor de
                    aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de termijnen in de verordening zelf
                    opgenomen. In de verordening is een beslistermijn van vier weken opgenomen, die
                    eenmaal met ten hoogste vier weken kan worden verlengd. Normaal gesproken moet
                    een parkeervergunning binnen vier weken kunnen worden verstrekt. Mocht dit in
                    een enkel geval onverhoopt niet lukken, dan kan deze termijn worden verlengd met
                    vier weken.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>De termijnen waarvoor de parkeervergunningen worden verleend, verschillen sterk
                    van gemeente tot gemeente. Het varieert van vergunningen voor onbepaalde tijd
                    tot vergunningen voor een periode van 1 jaar. Om een goede controlemogelijkheid
                    te behouden gaan wij uit van een maximale periode van 1 jaar. </al><al>Om de controle op de naleving van het belanghebbendenparkeren efficiënt te laten
                    verlopen, moet zo min mogelijk informatie op de vergunning worden vermeld. Een
                    overmaat aan informatie bemoeilijkt de waarneming voor de controleurs (veel
                    lezen, kleine letters etcetera). Wanneer er toch behoefte bestaat aan meer
                    informatie, zou deze op de achterzijde van de vergunning vermeld kunnen worden.
                    Ook is het denkbaar de vergunning vouwbaar uit te voeren of een bijlage te
                    verstrekken. Om fraude te bemoeilijken (het maken van bij voorbeeld een
                    fotokopie) is het denkbaar de vergunning in meer kleuren uit te voeren. In dat
                    geval moet gelet worden op de kleurechtheid van de inkt en/of het papier. Een
                    andere maatregel is de vergunning te voorzien van bijzondere kenmerken
                    (bijvoorbeeld een hologram).</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven dat het college een
                    parkeervergunning 'kan’ intrekken of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven
                    dat het ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders staat of
                    een vergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken of gewijzigd, wanneer een
                    van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief
                    bedoeld. Om andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen voor situaties waarin er sprake is van een gebied
                    waarbinnen géén betaald parkeerregime geldt, maar waarbinnen alléén met een
                    parkeervergunning mag worden geparkeerd. Zoals in de algemene toelichting
                    aangegeven kan géén fiscale naheffingsaanslag worden opgelegd bij het zonder
                    vergunning parkeren in een belanghebbendengebied ‘sec’. De fiscale aanpak van
                    het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet op artikel 234 van de
                    Gemeentewet, alleen mogelijk bij parkeerapparatuurplaatsen. Daarom moet in de
                    verordening een strafbepaling worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke
                    handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking komt.</al><al>Alleen indien sprake is van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én
                    belanghebbendenparkeren, kan wél een naheffingsaanslag worden opgelegd, wanneer
                    iemand parkeert zonder geldige vergunning én zonder te betalen in de
                    parkeerapparatuur.</al><al>Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige)
                    vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan immers wel het
                    fiscale regime gehanteerd worden.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Ook dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen die niet
                    gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot
                    fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden.</al><al>Een 'bijvulverbod' is niet opgenomen, omdat dit in strijd zou zijn met het
                    fiscale regime. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald,
                    is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die
                    verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een
                    naheffingsaanslag opgelegd. Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder
                    een strafbaar feit plegen, terwijl hij wél aan zijn belastingplicht voldoet. Een
                    bijvulverbod is derhalve onder een fiscaal regime niet mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen,
                    op parkeerapparatuur- en belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke
                    voorwerpen belemmert het normale gebruik van de bedoelde parkeerplaatsen en
                    doorkruist daarmee de beoogde parkeerregulering. Het gaat hier om gedragingen
                    die zich niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook,
                    ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan, in de verordening worden
                    opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun
                    verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de
                    tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak
                    kan als bijkomende straf op een overtreding worden gesteld.</al><al>Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop de
                    zwaarste strafsanctie te stellen. Er is daarom gekozen voor een hechtenis van
                    maximaal een maand of een geldboete van de eerste categorie. Het openbaar maken
                    van de rechterlijke uitspraak is een bijkomende straf waarvan bij
                    parkeerovertredingen weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan in de
                    Parkeerverordening is daarom achterwege gelaten.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, zo
                    volgt uit artikel 5:11 Awb. Deze personen kunnen (deels) categoraal en (deels)
                    individueel worden aangewezen. Voor een uitgebreide toelichting op deze
                    bepalingen verwijzen wij naar de toelichting op in de model Algemene
                    Plaatselijke Verordening (APV) van de VNG.</al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>Gezien de nauwe samenhang die er bestaat tussen de Parkeerverordening en de
                    Verordening Parkeerbelastingen, dienen deze gelijktijdig in werking te treden.
                </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>