<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR402516_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing Delfland 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Delfland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Delfland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waterschapsblad nr. 8893, 31 december 2014.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing Delfland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 7.2 van de Waterwet, artikel 73, 110 en artikel 122c tot en met 122l van de Waterschapswet en artikel 6.12 van het Waterschapsbesluit</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1158249</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verontreinigingsheffing Delfland 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het
                        aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de
                        bijbehorende bodem en oevers, flora en fauna ten aanzien waarvan het
                        waterschap ingevolge artikel 3.2 van de Waterwet is aangewezen als
                        beheerder, met uitzondering van de gronden die ingevolge artikel 3.1 of 3.2
                        van de Waterwet zijn aangewezen als drogere oevergebieden;</al><al>b. stoffen: de stoffen genoemd in artikel 9 van deze verordening;</al><al>c. lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer
                        bij het waterschap;</al><al>d. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een
                        afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen
                        blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in
                        gebruik te worden gegeven;</al><al>e. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk
                        geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een
                        zuiveringtechnisch werk of een openbaar vuilwaterriool;</al><al>f. openbaar vuilwaterriool: een voorziening voor de inzameling en het
                        transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een
                        rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;</al><al>g. zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van stedelijk
                        afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel een
                        rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de zuivering van
                        stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende
                        werk voor het transport van stedelijk afvalwater;</al><al>h. stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met
                        bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander
                        afvalwater;</al><al>i. ambtenaar belast met de heffing: de krachtens de Gemeenschappelijke
                        regeling Regionale Belasting Groep aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel
                        124, vijfde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet;</al><al>j. ambtenaar belast met de invordering: de krachtens de Gemeenschappelijke
                        regeling Regionale Belasting Groep aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel
                        124, vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet;</al><al>k. watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid,
                        van de Waterschapswet;</al><al>l. drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                        Drinkwaterwet;</al><al>m. ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm tapwater,
                        onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al><al>n. drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste
                        lid, van de Drinkwaterwet;</al><al>o. warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                        Drinkwaterwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bijlagen</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><lijst><li nr="-"><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                berekening;</al></li><li nr="-"><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in artikel
                                122k, derde lid, van de Waterschapswet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een directe belasting
                                geheven ter zake van lozen.</al></li><li nr="2."><al>Aan de heffing worden onderworpen:</al></li><li nr=""><al>a. ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een
                                bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;</al></li><li nr=""><al>b. ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van een
                                zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat
                                zuiveringtechnisch werk in beheer is;</al></li><li nr=""><al>c. ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a of b: degene
                                die loost.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het tweede lid onder a, wordt:</al></li><li nr=""><al>a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden
                                aangemerkt als gebruik door het door de ambtenaar belast met de
                                heffing aangewezen lid van dat huishouden;</al></li><li nr=""><al>b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in
                                gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die het deel
                                in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft
                                gegeven is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan
                                wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr=""><al>c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte
                                voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de
                                ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte ter
                                beschikking heeft gesteld is bevoegd de heffing als zodanig te
                                verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is
                                gesteld.</al></li><li nr="4."><al>De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de
                                bekostiging van het beheer van het watersysteem door het
                                Hoogheemraadschap van Delfland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al> Het lozen met behulp van een openbaar vuilwaterriool;</al></li><li nr="b."><al> Het lozen vanuit een zuiveringstechnisch werk door het
                                Hoogheemraadschap van Delfland zelf;</al></li><li nr="c."><al> Het lozen van stoffen afkomstig vanuit een zuiveringstechnisch werk
                                anders dan door het Hoogheemraadschap van Delfland zelf, mits de
                                hoeveelheid stoffen niet is toegenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als
                                bedoeld in artikel 18 is verschuldigd bij het begin van het
                                heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de
                                heffingsplicht.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                                eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                                verschuldigd voor zoveel 365e gedeelten van de voor dat jaar
                                verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de
                                heffingsplicht, nog volle dagen overblijven.</al></li><li nr="3."><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het
                                eerste lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat
                                aanspraak op ontheffing voor zoveel 365e gedeelten van de voor dat
                                jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de
                                heffingsplicht, nog volle dagen overblijven.</al></li><li nr="4."><al>Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de
                                dagtekening van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag
                                tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></li><li nr="5."><al>Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de
                                heffingsplichtige het gebruik van de woonruimte beëindigt en direct
                                aansluitend het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit
                                eveneens wordt geloosd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verzoek tot het doen van aangifte</titel></kop><al>Met betrekking tot de verontreinigingsheffing geheven van gebruikers van
                        bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan
                        door:</al><lijst><li nr="a."><al> het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;</al></li><li nr="b."><al> het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt
                                verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in artikel 7.
                            </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijze van aangifte</titel></kop><al>Het doen van aangifte geschiedt door:</al><lijst><li nr="a."><al> het inleveren of toezenden van het aangiftebiljet met de daarbij
                                gevraagde bescheiden;</al></li><li nr="b."><al> het op elektronische wijze toezenden van de door de betreffende
                                programmatuur gevraagde gegevens.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Heffingsjaar</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Grondslag en heffingsmaatstaf</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de
                                hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een
                                kalenderjaar worden geloosd.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van
                                de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. De
                                vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></li><li nr="3."><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                                stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                                zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                                stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                                verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking
                                tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van
                                54,8 kilogram zuurstof.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere
                                stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en
                                analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en
                                berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage I
                                opgenomen voorschriften.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse
                                geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde
                                in artikel 11.</al></li><li nr="3."><al>De meting en de bemonstering geschieden zodanig dat:</al><al>a. de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de
                                werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al><al>b. het verkregen monster representatief is voor de totale
                                hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit het
                                bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt geloosd.</al></li><li nr="4."><al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met
                                een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor
                                aanvang van het heffingsjaar ter kennis van de ambtenaar belast met
                                de heffing. Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het
                                heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de
                                ingebruikname of de wijziging ter kennis van de ambtenaar belast met
                                de heffing gebracht.</al></li><li nr="5."><al>De ambtenaar belast met de heffing:</al><al>a. kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in
                                afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A ,
                                opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit
                                noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het derde lid,
                                onderdelen a en b;</al><al>b. beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting en
                                bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van de
                                in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien de
                                heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan aan
                                het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>c. beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden
                                afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                                dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse hierdoor niet
                                wordt beïnvloed;</al><al>d. kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c
                                nadere voorschriften geven.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>a. de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt
                                afgeweken;</al><al>b. de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                c;</al><al>c. de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                d;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                de beschikking wordt gegeven.</al></li><li nr="7."><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge
                                het vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op
                                hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift
                                te verenigen.</al></li><li nr="8."><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                                beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                                lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel> Beperkte meting, bemonstering en analyse </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor
                                de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan
                                met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in
                                een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar
                                belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in
                                afwijking van het bepaalde in artikel 10, tweede lid. Het besluit op
                                aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
                                Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>a. een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het
                                onderzoek dienen te worden betrokken;</al><al>b. de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij
                                ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe
                                aangewezen etmalen daarvan;</al><al>c. de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten
                                worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar
                                bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                geloosde, respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende
                                beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van
                                onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in
                                die beschikking is opgenomen.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                                zuurstofverbruik bedoeld in artikel 9 in belangrijke mate is
                                beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen,
                                wordt op aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een
                                correctie toegepast.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld
                                in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                                beschikking bevat in elk geval:</al><al>a. de wijze van berekening van de correctie;</al><al>b. de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                correctie van toepassing is;</al><al>c. de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                meting, bemonstering en analyse;</al><al>d. een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, kan het
                                aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik
                                in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan
                                worden vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze
                                verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                                vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                                kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van
                                de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                                berekend volgens de formule A x B, waarbij:</al><al> A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                                water;</al><al> B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in
                                Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de
                                vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten
                                behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de
                                bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                                worden vastgesteld aan de hand aan watermeterstanden die aan het
                                begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de
                                ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem
                                nader vast te stellen wijze.</al></li><li nr="4."><al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³
                                als bedoeld in het tweede lid wordt ingevolge artikel 7.3, vijfde
                                lid, van de Waterwet bepaald met toepassing van de algemene
                                maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k, tweede lid, van
                                de Waterschapswet.</al></li><li nr="5."><al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                                aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef,
                                bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt
                                verkregen bij berekening op de voet van artikel 10, eerste lid,
                                beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                                vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die worden geloosd vanuit een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de
                                uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente
                                opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis
                                van het tweede lid.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                                vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per
                                deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                                vervuilingseenheden.</al></li><li nr="3."><al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het
                                eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een
                                bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door de gebruiker
                                aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die
                                bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een
                                evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                                aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al></li><li nr="4."><al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van
                                een bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid,
                                van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie
                                vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid
                                op één vervuilingseenheid gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Franchise en drempel (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Meetverplichting (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van de
                        aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 10
                        tot en met 14, voorzover deze van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de
                        stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk
                        voor het zuiveren van afvalwater worden geloosd gesteld op drie
                        vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt
                        dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op
                        één vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                        gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al><al>Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                        vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                        vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                        aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van
                        het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de loop van
                        het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de
                        heffing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 10, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die vanuit een woonruimte worden geloosd, gesteld op
                                drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die
                                vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden geloosd,
                                bedraagt één vervuilingseenheid.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                                bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor
                                verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt
                                geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden
                                tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van
                                een bedrijfsruimte.</al></li><li nr="3."><al>Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte
                                wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het
                                heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid
                                vastgesteld met ingang van de eerste dag volgend op de dag waarin
                                die situatie is ontstaan.</al></li><li nr="4."><al>Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat ná de
                                dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De
                                heffingsplichtige kan daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar
                                belast met de heffing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Schatting</titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een
                        kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen,
                        indien door de heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="a."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                                overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                meting, bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde
                                op basis van artikel 13, eerste of vijfde lid, 14, eerste lid, 18,
                                eerste lid, of 19, eerste lid, niet mogelijk is;</al></li><li nr="c."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                meting, bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde
                                op basis van artikel 13, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de
                                heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als
                                bedoeld in dat artikel is gedaan;</al></li><li nr="d."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de
                                in artikel 10, 11 of 12 bedoelde toestemming.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tarief</titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 94,38 per vervuilingseenheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De aanslag bedoeld in artikel 3 is invorderbaar twee maanden na de
                                dagtekening van het aanslagbiljet.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan de aanslag,
                                indien deze het bedrag van € 5.000,00 niet te boven gaat, op verzoek
                                van de belastingschuldige door middel van automatische incasso
                                worden ingevorderd in maximaal 10 gelijke maandelijkse termijnen. De
                                eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het
                                aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand
                                later.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Het minimum termijnbedrag bij automatische incasso bedraagt €
                                15,00.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Belastingaanslagen van minder dan € 5,00 worden niet opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel wordt het
                                totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen als één
                                aanslag aangemerkt.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in dit artikel geldt alléén voor aanslagen vastgesteld
                                ingevolge artikel 19, eerste lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Intrekking en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verordening verontreinigingsheffing Delfland 2014’, vastgesteld
                                bij besluit van 21 november 2013, nr. 1084719 wordt ingetrokken met
                                ingang van de in het derde lid genoemde datum, met dien verstande
                                dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor
                                die datum hebben voorgedaan.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De ‘Verordening verontreinigingsheffing Delfland 2015’ treedt in
                                werking met ingang van de eerste dag na die van de
                                bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing ingevolge deze verordening is 1
                                januari 2015.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 18 december 2014. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Verenigde Vergadering voornoemd, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de Secretaris , de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. drs. P.I.M. van den Wijngaart mr. M.A.P. van Haersma Buma</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>Tabel A </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Voor analyse op </al></entry><entry><al>Omgevingstemperatuur </al></entry><entry><al>Omgevingstemperatuur </al></entry><entry><al>Methode conservering </al></entry><entry><al>Maximale bewaartijd </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> tijdens transport </al></entry><entry><al> tot einde bewaartermijn </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Biochemisch zuurstofverbruik </al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen onder uitsluiting van licht.</al></entry><entry><al>1 dag</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry><al>1 mnd (indien BZV &lt; =50 mg/l)</al><al>6 mnd (indien BZV &gt;50 mg/l)</al></entry></row><row><entry><al>Chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met H2SO4 tot pH &lt; 2</al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met H2SO4 tot pH &lt; 2</al></entry><entry><al>1 maand</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter voor de
                    verontreinigingsheffing, maar wordt aangewend bij toepassing van
                    berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit
                    berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik
                    toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van de
                    biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</al><al> B Analysevoorschriften </al><al> Paragraaf 1 Algemeen </al><al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen
                    op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het
                    water als zodanig </al><al>uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn
                    verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het
                    Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen wordt
                    aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een normblad
                    wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de
                    bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse Staatscourant heeft
                    plaatsgevonden.</al><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de
                    desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond moeten kunnen
                    worden.</al><al> Paragraaf 2 Analyse </al><al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze zoals die is aangegeven in
                    tabel B.</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al> Tabel B </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al> Parameter/stof </al></entry><entry><al> Ontsluiting volgens normblad </al></entry><entry><al> Meting volgens normblad </al></entry><entry><al> Aantoonbaar- heidsgrens </al></entry></row><row><entry><al>chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN 6633 of</al><al>NEN-ISO 15705 1)</al></entry><entry><al>5 mg/l 2)</al></entry></row><row><entry><al>biochemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN-EN 1899-1</al></entry><entry><al>volgens norm</al></entry></row><row><entry><al>som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry><al>NEN 6645</al></entry><entry><al>NEN 6604 of </al><al>ISO 15923</al></entry><entry><al>0,5 mg/l</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN 6646</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11732</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>NEN-EN 12260</al></entry><entry><al>NEN-EN 12260</al><al>voor correctie </al><al>nitriet/nitraat:</al><al>NEN-EN-ISO 13395, NEN 6604 of </al><al>ISO 15923-1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>NEN-ISO 5663</al></entry><entry><al>NEN 6604 of</al><al> ISO 15923-1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN-ISO 5663</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>NEN 6646</al></entry><entry><al>NEN 6646</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN 6604 of</al><al> ISO 15923</al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al> 1 ) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 is toepasbaar voor onverdunde
                    monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l en
                    chloridenconcentraties die lager zijn dan 1.000 mg/l. De ambtenaar belast met de
                    heffing kan voorts de methode niet toepasbaar verklaren indien naar zijn oordeel
                    andere omstandigheden daartoe aanleiding geven. </al><al> 2 ) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 heeft een aantoonbaarheidsgrens
                    van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600nm en 15 mg/l voor titrimetrische
                    detectie (gebaseerd op één enkelvoudige meting van één laboratorium) wanneer
                    cuvetten worden gebruikt met een bereik van maximaal 1.000 mg/l. </al><al> C Berekeningsvoorschriften </al><al> I Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden (artikel 6, derde
                    lid):</al><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik wordt
                    berekend door het totale aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de in het
                    kalenderjaar afgevoerde zuurstofbindende stoffen te delen door 54,8
                    kilogram.</al><al> Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal afgevoerde
                    zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de formule:</al><al> Q x (CZV + 4,57 x N– Kj ) </al><al>----------------------------</al><al> 1000</al><al/><al> In deze formule wordt verstaan onder:</al><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;</al><al> CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel B van deze
                    bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l;</al><al> N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens de in
                    onderdeel B van de deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l.</al><al> II Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet of
                    nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een
                    correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk </al><al>100 – T</al><al>----------</al><al> 75</al><al> waarbij</al><al> T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet
                    afbreekbare stoffen.</al><al> III Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 11, wordt gebruik gemaakt
                    van de volgende formule:</al><al> x N</al><al> n = , waarbij</al><al> + N</al><al> n = het berekende aantal meetdagen;</al><al> N = het aantal dagen per jaar waar op wordt afgevoerd;</al><al> n = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van de
                    gemiddelde hoeveelheid zuurstofverbruik van de onderzoeksresultaten gedurende
                    het heffingsjaar;</al><al> tso = toelaatbare statistische onnauwkeurigheid = 35/e 0,000175*VeO </al><al> VeO = vervuilingswaarde van de afgevoerde zuurstofbindende stoffen.</al><al> Toelichting </al><al>Bijlage I is in zijn geheel vernieuwd. Ten opzichte van de vorige versie zijn de
                    volgende wijzigingen aangebracht. In de tabellen A en B zijn de voorschriften
                    met betrekking de zware metalen en de zouten verdwenen. Voorts is in tabel B
                    NEN-ISO 15705, de zogeheten cuvettenmethode, opgenomen als analysemethode om het
                    chemisch zuurstofverbruik te bepalen. Omdat deze methode, naast ingeval van
                    hoger zuurstofverbruik en/of hogere chloridenconcentraties, ook bij andere
                    eigenschappen van afvalwater niet toepasbaar is of tot afwijkende uitkomsten kan
                    leiden, kan de heffingsambtenaar besluiten om in dergelijke gevallen de methode
                    niet toe te staan. </al><al>In onderdeel C zijn de berekeningsvoorschriften met betrekking tot andere dan
                    zuurstofbindende stoffen komen te vervallen.</al><al>Voorts zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht.</al><al>Bijlage II. Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 7.3b, vijfde lid, Waterwet,
                    juncto artikel 122k, derde lid, Waterschapswet)</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Klasse</al></entry><entry><al>Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met
                                        betrekking tot het zuurstofverbruik</al><al>per ³ ingenomen water</al></entry><entry><al>Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal
                                        vervuilingseenheden per m³ ingenomen water in het
                                        heffingsjaar</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>ondergrens</al></entry><entry><al>bovengrens</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>&gt; 0</al></entry><entry><al>0,0013</al></entry><entry><al>0,0010</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>&gt; 0,0013</al></entry><entry><al>0,0020</al></entry><entry><al>0,0016</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>&gt; 0,0020</al></entry><entry><al>0,0031</al></entry><entry><al>0,0025</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>&gt; 0,0031</al></entry><entry><al>0,0048</al></entry><entry><al>0,0039</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>&gt; 0,0048</al></entry><entry><al>0,0075</al></entry><entry><al>0,0060</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>&gt; 0,0075</al></entry><entry><al>0,012</al></entry><entry><al>0,0094</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>&gt; 0,012</al></entry><entry><al>0,018</al></entry><entry><al>0,015</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>&gt; 0,018</al></entry><entry><al>0,029</al></entry><entry><al>0,023</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>&gt; 0,029</al></entry><entry><al>0,045</al></entry><entry><al>0,036</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>&gt; 0,045</al></entry><entry><al>0,070</al></entry><entry><al>0,056</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>&gt; 0,070</al></entry><entry><al>0,11</al></entry><entry><al>0,088</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>&gt; 0,11</al></entry><entry><al>0,17</al></entry><entry><al>0,14</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>&gt; 0,17</al></entry><entry><al>0,27</al></entry><entry><al>0,21</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>&gt; 0,27</al></entry><entry><al>0,42</al></entry><entry><al>0,33</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>&gt; 0,42</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>0,5</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/><titel/></kop><al>Algemeen</al><al>Bij Wet van 18 december 2013 (Stb. 2014. 21) is de Waterwet op een aantal
                    onderdelen gewijzigd. De wijzigingen raken onder meer de verontreinigingsheffing
                    en bestaan uit het repareren van enkele omissies en het vervallen van de zware
                    metalen en zouten als heffingsparameters. De wet is op 1 juli 2014 in werking
                    getreden (Stb. 2014, 155). In het verlengde daarvan moet de modelverordening
                    verontreinigingsheffing 2010 op enkele onderdelen worden gewijzigd.</al><al>Behalve de verordening zelf moet ook Bijlage I ingrijpend worden aangepast.
                    Omwille van doelmatigheid is gekozen voor een geheel nieuwe versie. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijs </vet></al><al>In artikel 4, onderdeel a, wordt “een vuilwaterriool” vervangen door: een
                    openbaar vuilwaterriool.</al><al>Met de Invoeringswet Waterwet (Stb. 2009, 489) is “een openbaar vuilwaterriool”
                    onbedoeld gewijzigd in “ een vuilwaterriool”. Met deze wijziging wordt dit
                    hersteld.</al><al/><al>In artikel 9 vervallen het vierde en het vijfde lid.</al><al>Met deze wijziging vervallen de zware metalen en de zouten als
                    heffingsparameters.</al><al/><al>In artikel 13, vierde lid, wordt “artikel 7.3b” vervangen door: artikel
                    7.3.</al><al>Dit betreft het herstel van een schrijffout.</al><al>De artikelen 15 en 16 vervallen.</al><al/><al>Met het vervallen van de zware metalen en de zouten als heffingsparameters
                    kunnen ook de voorschriften ten aanzien van franchise, drempel en
                    meetverplichting vervallen.</al><al/><al>In artikel 17 wordt “16” vervangen door: 14.</al><al/><al>Met het vervallen van de artikelen 15 en 16 wordt de vervuilingswaarde alleen
                    nog bepaald op basis van de som van de aantallen vervuilingseenheden als
                    berekend overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14.</al><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                            berekening</titel></kop><al><vet>Toelichting</vet></al><al><cursief> Algemeen </cursief></al><al/><al><vet> Definitiebepalingen </vet></al><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al><al>a etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                        etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;</al><al>b debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende het etmaal;</al><al>c debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van magnetische
                        inductie) het debiet gemeten wordt;</al><al>d momentaan debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende een moment
                        van meting;</al><al>e kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van een
                        van toepassing zijnde standaard;</al><al>f droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een doorstroming
                        van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt gesimuleerd;</al><al>g nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een
                        nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt
                        geleid;</al><al>h gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten
                        leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in
                        contact staat met de buitenlucht;</al><al>i open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende
                        afvalwater in contact staat met de buitenlucht;</al><al>j moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                        de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut;</al><al>k bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het begin van
                        de voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de analyse;</al><al>l aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het
                        monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan
                        worden vastgesteld, zijnde 3x de spreiding van
                        binnenlabreproduceerbaarheid.</al><al/><al><vet> A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling</vet></al><al><vet> Paragraaf 1 Algemeen</vet></al><al>De meet- en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden
                        regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De
                        meet- en bemonsteringsvoorzieningen worden overeenkomstig onderstaande
                        bepalingen respectievelijk NEN 6600-1 2009 geïnstalleerd en onderhouden. Een
                        afvalwaterstroom kan zowel in een open als in een gesloten meetsysteem
                        worden gemeten en bemonsterd.</al><al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                        bemonstering.</al><al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het samengestelde
                        etmaalverzamelmonster.</al><al><vet> Paragraaf 2 Meting</vet></al><al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                        gemeten.</al><al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden
                        bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het
                        watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het
                        laatstbedoelde geval mag de per etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater
                        niet groter zijn dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid
                        water.</al><al><vet> 2.1 Open meetsystemen </vet></al><al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.</al><al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:</al><al>1 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                        minder dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                        debiet;</al><al>2 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                        minder dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het gemeten
                        debiet.</al><al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het
                        etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet,
                        gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                        overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd. In
                        het kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking
                        gemaakt tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van
                        het kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van
                        de afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater
                        over de periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele
                        verschil wordt hierbij worden aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt
                        ook de temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en
                        gecorrigeerd bij afwijking.</al><al><vet> 2.2 Gesloten meetsystemen </vet></al><al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                        mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                        debiet.</al><al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare mechanische
                        pulsteller.</al><al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een
                        printer of datalogger.</al><al><vet> Inbouw</vet></al><al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem wordt
                        een ‘af fabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de
                        meterspecifieke kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of meterconstante
                        staat aangegeven. Natte kalibratie in ingebouwde toestand vindt direct
                        plaats na inwerkingstelling van de debietmeter.</al><al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij het inbouwen wordt rekening gehouden worden met de mogelijkheid tot
                        het uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.</al><al>b De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt minimaal vijf
                        maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de
                        meter.</al><al>c De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal twee maal
                        de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.</al><al>d De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is exact gelijk
                        aan de diameter van de meetbuis.</al><al>e Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit.</al><al>f De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig gevuld is met
                        water.</al><al>g De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een
                        aardelektrode die is ingebouwd in de meter.</al><al><vet> Natte kalibratie</vet></al><al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde
                        toestand nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet
                        tevens een droge kalibratie te worden uitgevoerd.</al><al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie
                        jaarlijks plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf
                        meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik op een
                        ijkbevoegde- of NKO-geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan
                        worden herleid naar de nationale volumestandaard van het Nederlands
                        Meetinstituut.</al><al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in ingebouwde
                        toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie wordt verstaan dat een
                        vooraf nauwkeurig bepaalde hoeveelheid water door de te kalibreren meter
                        wordt geleid (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld bij een onder b
                        genoemde instelling), dan wel dat tijdelijk een tweede, bij voorkeur op
                        hetzelfde meetprincipe gebaseerd meetsysteem in serie wordt geplaatst en
                        fungeert als moedermeter, dan wel op een andere, door de ambtenaar belast
                        met de heffing goedgekeurde methode.</al><al>b Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een moedermeter,
                        wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd bij minimaal de volgende
                        vijf meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik. De
                        natte kalibratie vindt plaats op een ijkinstallatie van een ijkbevoegde- of
                        NKO-geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid
                        naar de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi).
                        Ook wanneer de moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op één van de
                        genoemde installaties, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of
                        meetwagen waarin deze in de praktijk zal worden ingezet.</al><al>c Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b bepaalde
                        moet blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit kalibratierapport wordt
                        bij die van het gekalibreerde meetsysteem gevoegd.</al><al>d Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te kalibreren
                        meetsysteem geleid, dat minimaal 2.000 waarnemingen worden bereikt. Bij
                        gebruik van een moedermeter vindt de natte kalibratie plaats in het
                        meetbereik waarin de te kalibreren meter onder normale
                        bedrijfsomstandigheden functioneert.</al><al>e Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water van de te
                        kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer daarvan sprake is) door
                        middel van printers of dataloggers met een frequentie van minimaal éénmaal
                        per uur geregistreerd. In geval van het toepassen van dataloggers worden ook
                        de ruwe, onbewerkte data bij het kalibratierapport gevoegd.</al><al>f Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die
                        betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede werking
                        gecontroleerd.</al><al><vet> Droge kalibratie</vet></al><al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar droog
                        gekalibreerd, tenzij in dat jaar een natte kalibratie plaatsvindt.</al><al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen de
                        elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze controle blijkt dat de
                        meetbuis (mogelijk) vervuild is, dient deze te worden gereinigd.</al><al>b Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de weerstand of de
                        geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven. Wanneer de meetbuis is
                        gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het
                        kalibratierapport vermeld.</al><al>c Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur, voor
                        zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede
                        werking gecontroleerd.</al><al>d Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter is dan 5%,
                        wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in ingebouwde toestand nat
                        gekalibreerd, volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij een natte
                        kalibratie.</al><al><vet> Kalibratierappor</vet>t </al><al>Van een debietmeter moet het meest recente kalibratierapport bij de aangifte
                        overgelegd worden.</al><al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke
                        op het bedrijf, of als complete mobiele meetset op een ijkbank van een
                        daartoe bevoegde instantie), worden de volgende aspecten vastgesteld én
                        gerapporteerd op het kalibratierapport:</al><al>– de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking);</al><al>– eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);</al><al>– de justering (softwarematige aanpassing van de
                        correctiefactor/meterconstante);</al><al>– de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                        aanpassing/justering;</al><al>– de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al><al><vet> Paragraaf 3 Bemonstering </vet></al><al><vet> 3.1 Algemeen, instelling en uitvoering van apparatuur</vet></al><al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                        monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met NEN
                        6600-1 (Water–Monsterneming Deel 1: Afvalwater 2009), met dien verstande dat
                        bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders
                        bepaald.</al><al><vet> Paragraaf 4 Monsterbehandeling </vet></al><al><vet> 4.1 Algemeen</vet></al><al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600-1
                        (Water-Monsterneming Deel 1: Afvalwater 2009) en conform paragraaf 9 van NEN
                        6600-1 (2009) wordt na monsterneming geconserveerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3
                        (2012). De monsters worden gekoeld en in donker bewaard tussen 1° en 5° C.
                        Van elk verzameld monster wordt een representatief deel van drie liter
                        gedurende 24 uur in een goed gesloten vat/fles bij maximaal 5° C in het
                        donker te worden bewaard ten behoeve van contra-analyse door het waterschap.
                        De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor
                        contra-analyse vanwege de heffingsambtenaar van het waterschap worden om en
                        om gevuld. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat het monster voor de
                        analyse op een heffingsparameter door de heffingplichtige en voor de
                        desbetreffende contra-analyse vanwege de heffingsambtenaar van het
                        waterschap zoveel mogelijk identiek zijn.</al><al><vet> 4.2 Conservering en maximale bewaartermijn </vet></al><al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de
                        bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als
                        een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch
                        geconserveerd, geschiedt dit binnen twaalf uur na afloop van het etmaal. De
                        eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in
                        aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de
                        conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn.</al><al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden voor
                        de onderscheidenlijk uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve
                        van een analyse vangt na het einde van het etmaal aan, binnen de maximale
                        bewaartermijn die bij de desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De
                        voorbehandeling van het monster ten behoeve van de analyse, waaronder
                        ondermeer wordt begrepen het ontdooien van bevroren monsters, wordt
                        uitgevoerd op een wijze en binnen een zodanige termijn dat daardoor de</al><al> representativiteit van het monster niet wordt verstoord. Een monster dat op
                        één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd wordt niet
                        gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse, waarvoor
                        op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de
                        chemische conservering gelden.</al></bijlage></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>