<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR402427_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening algemene commissie voor de bezwaarschriften 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-04-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemernieuws en GVOP dd. 28 april 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening algemene commissie voor de bezwaarschriften 2016.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 7:13 Awb, artikelen 83, 84 en 147 gemeentewet.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-02-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening algemene commissie voor de bezwaarschriften 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Diemen;</al><al>ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;</al><al>gelezen het voorstel van het college d.d. 16 februari 2016;</al><al>gelet op de artikelen 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alsmede
                        de artikelen 83, 84 en 147 van de Gemeentewet;</al><al>besluiten</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                genomen;</al></li><li nr="·"><al>b. commissie: vaste commissie van advies voor de
                                bezwaarschriften;</al></li><li nr="·"><al>c. gemeente: de gemeente Diemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                            tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die
                            zijn ingediend tegen besluiten op grond van: </al><lijst><li nr="o"><al>a. een wettelijk voorschrift inzake heffing en invordering van
                                    belastingen of bij of krachtens de Wet waardering onroerende
                                    zaken;</al></li><li nr="o"><al>b. enig wettelijk voorschrift inzake sociale zekerheid of bij of
                                    krachtens de Participatiewet of Jeugdwet;</al></li><li nr="o"><al>c. enig wettelijk voorschrift bij of krachtens de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning, bijbehorende verordening of de
                                    Huisvestingswet;</al></li><li nr="o"><al>d. enig wettelijk voorschrift bij of krachtens de Wet
                                    inburgering;</al></li><li nr="o"><al>e. enig wettelijk voorschrift bij of krachtens de Ambtenarenwet
                                    of enige andere regeling, betrekking hebbend op
                                    rechtspositionele aangelegenheden aangaande medewerkers van de
                                    gemeente.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee
                            leden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De voorzitter en de leden worden door het college benoemd, geschorst
                            en ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het college benoemt een aantal plaatsvervangende leden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De voorzitter en de leden van de commissie kunnen geen deel uitmaken
                            van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het
                            bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De secretaris van de commissie is een door het college aangewezen
                            ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de
                            secretaris aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een
                            termijn van vier jaar. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment
                            ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het
                            college.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De aftredende of ontslag nemende voorzitter of leden van de commissie
                            blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.A</nr><titel>Presentiegeld</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De voorzitter van de commissie ontvangt voor het bijwonen van een
                            hoorzitting een vergoeding van € 241,51 (inclusief de reis- en
                            verblijfkosten).</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De leden van de commissie ontvangen voor het bijwonen van een
                            hoorzitting een vergoeding van € 150,00 (inclusief de reis- en
                            verblijfkosten).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                            aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt binnen
                            zeven werkdagen in handen van de commissie gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al>De commissie onderzoekt of de zaak in de minne kan worden geschikt alvorens
                        de zaak in behandeling wordt genomen. De secretaris verricht daartoe de
                        nodige handelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                        voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van
                        de commissie:</al><lijst><li nr="·"><al>a. artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="·"><al>b. artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een
                                termijn;</al></li><li nr="·"><al>c. artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft
                                tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="·"><al>d. artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="·"><al>e. artikel 7:6, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                            inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie
                            bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig
                            uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan
                            kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                            vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de
                            zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                            gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de
                            Awb.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien
                            van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het
                            verwerend orgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten
                            minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                            verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                            tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één
                            week voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden en het
                            verwerend orgaan meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of
                            afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het eerste
                            tot en met het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het aantal
                        leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger,
                        aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                        behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het
                        geding kan zijn. Zij laten zich zo nodig vervangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De zitting van de commissie is openbaar.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                            commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een
                            belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen
                            aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten,
                            vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 Awb vermeldt de namen van de
                            aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren
                            plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun gemachtigden
                            niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt het verslag hiervan
                            melding.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden,
                            die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van
                            de commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                            opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter
                            uit eigen beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit
                            onderzoek houden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift
                            aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                            belanghebbenden toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            kunnen binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de
                            voorzitter van de commissie een verzoek richten tot het beleggen van een
                            nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist op zo'n verzoek.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                            betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                            overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het
                            door haar uit te brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te
                            brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                            voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt
                            indien die minderheid dat verlangt.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                            beslissing op het bezwaarschrift.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de commissie
                            ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het advies wordt, onder medezending van het verslag, bedoeld in
                            artikel 15 en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en
                            nader verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het
                            bezwaarschrift dient te beslissen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de termijn
                            van 12 weken, genoemd in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb ,
                            ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies en
                            het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend orgaan tijdig
                            de beslissing te verdagen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                            belanghebbenden een afschrift.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Jaarverslag</titel></kop><al>De commissie brengt jaarlijks aan de bestuursorganen van de gemeente verslag
                        uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening algemene commissie voor de bezwaarschriften 2007 wordt
                        ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking op de in de Awb
                        voorgeschreven wijze</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening algemene commissie voor
                        de bezwaarschriften 2016.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 24 maart 2016.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening>De burgemeester, De secretaris,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>Deze verordening geeft een uitwerking van de behandeling van bezwaarschriften
                    door een adviescommissie. Om een volledig beeld te krijgen van de procedure die
                    moet worden gevolgd bij de behandeling van een bezwaarschrift is het
                    noodzakelijk om de bepalingen uit de Awb en de verordening naast elkaar te
                    plaatsen. In de artikelsgewijze toelichting zijn zo veel mogelijk onderdelen uit
                    de Awb opgenomen die van belang zijn in de behandelingsprocedure.</al><al>Ambtelijke commissie</al><al>De gemeente Diemen heeft voor bepaalde categorieën besluiten gekozen voor een
                    ambtelijke commissie. Een ambtelijke commissie hoeft zich niet te houden aan de
                    vereisten uit artikel 7:13 Awb. Doordat niet bij de bevestiging van ontvangst
                    van een bezwaarschrift verplicht moet worden medegedeeld dat een commissie zal
                    adviseren, maar doordat in de wet is bepaald dat dit zo spoedig mogelijk dient
                    te gebeuren heeft een gemeente de tijd en mogelijkheid om bezwaarschriften te
                    scheiden. De in deze verordening opgenomen bepalingen over het horen, de gang
                    van zaken tijdens de hoorzitting en het adviseren aan het bestuursorgaan kunnen
                    ook voor een ambtelijke commissie gelden. Voor het horen door een ambtelijke
                    commissie gelden de bepalingen uit artikel 7:5 Awb.</al><al>Bestuursorgaan</al><al>Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 19 maart
                    2003, LJN AF6023. is duidelijk dat de bezwaarschriftencommissie niet alleen een
                    adviescommissie is maar ook een bestuursorgaan. In deze Verordening zijn regels
                    opgenomen met betrekking tot de adviestaak van de commissie. De raad, het
                    college en de burgemeester stellen de commissie in en hebben daarmee zeggenschap
                    over de wijze waarop de commissie haar adviestaak uitoefent. Zo kunnen afspraken
                    met de commissie worden gemaakt over de termijnen waarbinnen de
                    bezwaarschriftencommissie advies uitbrengt. In het kader van de Wet dwangsom en
                    beroep is het van belang dat de commissie op tijd adviseert, zodat ook tijdig
                    een beslissing op het bezwaar kan worden genomen.</al><al>De raad, het college en de burgemeester hebben geen zeggenschap over de
                    uitoefening van de bevoegdheden door de commissie als bestuursorgaan. Voorts is
                    het op grond van de artikel 83 en 84 van de Gemeentewet niet toegestaan dat
                    raadsleden deel uitmaken van de commissie.</al><al>Er zijn een aantal mogelijkheden denkbaar waarbij de commissie als
                    bestuursorgaan optreedt. Dit is het geval als er een verzoek op grond van de Wet
                    openbaarheid bestuur (Wob) of Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt
                    ingediend of indien er een klacht wordt ingediend.</al><al>Op grond van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in
                    documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuurorgaan of
                    een onder verantwoordelijkheid van een bestuurorgaan werkzame instelling, dienst
                    of bedrijf.</al><al>De commissie dient te beslissen op Wob verzoeken om documenten die onder haar
                    berusten. Het gaat dan om alle documenten die vanuit de commissie worden
                    verzonden en om alle documenten die aan de commissie zijn gericht.</al><al>Ook is de bezwaarschriften commissie verantwoordelijk voor de verwerking van
                    persoonsgegevens in de zin van de Wbp. De verwerking van persoonsgegeven in het
                    kader van de behandeling van bezwaarschriften vindt plaats onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie. Voor het recht op inzage en het recht op
                    verbetering, aanvulling, verwijdering en afscherming (artikel 35 en 36 Wbp) zal
                    de belanghebbende zich tot de commissie moeten richten.</al><al>Op basis van artikel 9:1 Awb kan een ieder een klacht indienen over de wijze
                    waarop het bestuursorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van dat orgaan
                    werkzame persoon zich in een concrete situatie jegens de klager of iemand anders
                    heeft gedragen. Dit betekent dat niet alleen klachten over de commissie als
                    geheel, over een commissielid maar ook klachten over de secretaris moeten worden
                    afgedaan door de commissie zelf.</al><al>Eveneens kan een klacht over de commissie worden ingediend bij de Nationale
                    Ombudsman.</al><al>Het is mogelijk dat de commissie zelf een regeling opstelt voor de werkwijze en
                    besluitvorming in die gevallen dat zij optreedt als bestuursorgaan. Omdat dit
                    relatief weinig voorkomt is het ook mogelijk om tijdens een vergadering van de
                    gehele commissie hierover afspraken te maken.</al><al>Wet dwangsom en beroep</al><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep, onderdeel van de Awb, in werking
                    getreden. Voor de bezwaarschriftencommissie is deze wet op 2 punten van
                    belang.</al><al>Allereerst is met de inwerkingtreding van deze wet de beslistermijn voor een
                    bezwaarschrift verruimd. De termijn begint nu niet meer te lopen vanaf het
                    moment dat een bezwaar wordt ingediend maar vanaf het moment dat de
                    bezwaartermijn van het besluit is afgelopen. Deze regeling ziet op die gevallen
                    waarbij er meerdere bezwaren tegen 1 besluit worden ingediend, het is nu
                    mogelijk om deze gelijk te behandelen. Voorheen was het mogelijk dat er ruim 5
                    weken zat tussen het eerste ingediende bezwaarschrift en het laatste waardoor
                    het lastig was op op tijd het 1e bezwaarschrift af te handelen.</al><al>Daarnaast is de beslistermijn indien er een commissie is, verlengd van 10 naar
                    12 weken en de mogelijkheid om te verdagen van 4 naar 6 weken.</al><al>Wordt er niet op tijd een besluit genomen door het bestuursorgaan dan is het
                    mogelijk dat de bezwaarde een dwangsom aanvraagt. Dit proces wordt gestart door
                    het sturen van een ingebrekestelling. Dan heeft het bestuursorgaan nog twee
                    weken de tijd om het besluit te nemen. Gebeurt dit niet dan gaat automatisch de
                    dwangsom lopen, per dag, met een maximum van 42 dagen wat staat voor een bedrag
                    van €1260, -. Tegelijk met de ingebrekestelling kan er beroep worden ingesteld
                    bij de rechter. De rechter kan ook een passende dwangsom opleggen.</al><al>De Wet dwangsom en beroep zorgt ervoor dat bestuursorganen hun interne processen
                    goed inrichten zodat op tijd besluiten genomen kunnen worden. De
                    bezwaarcommissie maakt onderdeel uit van het proces om tot een beslissing op
                    bezwaar te komen. Het ligt voor de hand dat er afspraken worden gemaakt tussen
                    bestuursorgaan en commissie. Voor de commissie is het belangrijk dat zij zo snel
                    mogelijk de dossiers behorende bij het bezwaarschrift ontvangen van de
                    ambtelijke organisatie, voor het bestuursorgaan is het van belang dat de
                    commissie rekening houdt met de vergadercyclus van bijv. het college en dat
                    adviezen op tijd worden aangeleverd.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting op de verordening </tussenkop><al>algemene commissie voor de bezwaarschriften 2016.</al><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voorzover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordenende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot het instellen van de
                    commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepaling</tussenkop><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb
                    voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het begrip 'bestuursorgaan'
                    hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening voorkomt. Het bestuursorgaan
                    dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in de verordening aangeduid als
                    'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad betreffen, het college van
                    burgemeester en wethouders, de burgemeester of een commissie waaraan via
                    delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn
                    overgedragen.</al><tussenkop>Artikel 2. Inleidende bepaling commissie</tussenkop><al>In dit artikel is de keuze verwoord voor het horen en adviseren door een
                    gemeentelijke commissie. Deze commissie wordt via deze inleidende bepaling als
                    zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat onder het
                    maken van bezwaar dient te worden verstaan.</al><al>In het tweede lid zijn de bezwaarschriften opgenomen waarvoor het wenselijk is
                    om door middel van een andere methodiek te horen.</al><tussenkop>Artikel 3. Samenstelling van de commissie</tussenkop><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13
                    Awb.</al><al>De wet stelt als minimale eisen aan de samenstelling van een
                    adviescommissie:</al><lijst><li nr="·"><al>1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden
                            (artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Awb)</al></li><li nr="·"><al>2. De voorzitter maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder
                            verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste lid,
                            onder b, van de Awb)</al></li></lijst><al>Bij de beantwoording van de vraag voor welke samenstelling van de commissie
                    wordt gekozen , moet voor ogen worden gehouden welk doel met de commissie wordt
                    nagestreefd. In de eerste plaats moeten de personen die de commissie vormen in
                    die mate vakkundig zijn dat er van de commissie goede adviezen te verwachten
                    zijn. Hierbij kan gedacht worden aan personen die weten wat er speelt bij de
                    desbetreffende overheid (oud-bestuurders), maar ook aan deskundigen op het
                    gebied van geschillenbeslechting (juristen). De leden van de commissie moeten
                    gevoel hebben voor politieke en bestuurlijke verhoudingen. De taak van de
                    commissie is immers een bestuurlijke heroverweging, die naast de
                    rechtmatigheidstoetsing toetsing van de doelmatigheid omvat.</al><al>Aanzien er gekozen is voor een externe commissie is de volgende bepaling aan
                    artikel 3 worden toegevoegd:</al><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen geen deel uitmaken van of
                    werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.</al><al>Door de bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van
                    commissieleden aan het college. Het college is hiermee ook het orgaan dat indien
                    nodig het functioneren van de leden van de commissie evalueert. Indien een lid
                    van de commissie niet naar behoren functioneert is het in eerste instantie de
                    commissie die hierop actie zal ondernemen, het is immers een zelfstandig
                    bestuursorgaan. De voorzitter zal hierbij een rol spelen. Mocht een commissielid
                    niet zelf ontslag nemen dan is het uiteindelijk aan het college om op te treden.
                    Het ligt voor de hand dat voordat een dergelijke stap wordt genomen er diverse
                    gesprekken hebben plaatsgehad en dat er een dossier is gevormd. Bij de
                    bevoegdheid van het college om een lid te schorsen kan gedacht worden aan een
                    situatie waarbij het functioneren van een commissielid wordt onderzocht en deze,
                    hangende het overleg hierover, wordt geschorst.</al><al>Op 22 juli 2009 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het ontslag door
                    het college van leden van een bezwaarschriftencommissie, aanleiding was een
                    vertrouwensbreuk (gepubliceerd in JB 2009, 216). Met name in de uitspraak van de
                    Rechtbank, minder in die van de Afdeling, wordt ingegaan op de bevoegdheid van
                    het college om leden van de bezwaarschriftencommissie te ontslaan wegens een
                    vertrouwensbreuk. De commissie heeft als adviseur in zekere mate een
                    onafhankelijke rol ten opzichte van het college en daarom dient aan de commissie
                    ruimte te worden gelaten om op verantwoorde wijze invulling aan haar
                    onderzoeksbevoegdheden te geven. Het college mag daarom niet te lichtvaardig met
                    de ontslagbevoegdheid omspringen omdat anders de schijn zou kunnen ontstaan dat
                    een commissie(lid) aan de kant wordt geschoven vanwege een voor het
                    bestuursorgaan onwelgevallig standpunt. Tegelijkertijd is de commissie een
                    adviserend orgaan en ligt de eindverantwoordelijkheid voor de beslissing op het
                    bezwaar bij het bestuursorgaan. In verband hiermee achtte de Rechtbank en ook de
                    Afdeling het ontoelaatbaar dat de commissie het initiatief nam tot een
                    bemiddelingspoging door een derde, terwijl verweerder al had laten blijken niets
                    te voelen voor een dergelijke oplossing. Het feit dat de commissieleden voor een
                    periode van vier jaar worden benoemd doet niet ter zake; indien sprake is van
                    een vertrouwensbreuk is ontslag mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 4. Secretaris</tussenkop><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter ondersteuning
                    van de werkzaamheden.</al><tussenkop>Artikel 5. Zittingsduur</tussenkop><al>In de Verordening algemene commissie voor de bezwaarschriften 2007 was bepaald
                    dat de zittingsduur van de commissie gelijk liep met de zittingstermijn van de
                    raad. Dat heeft alleen een functie als raadsleden lid van de commissie zijn. Dit
                    is echter op grond van de Gemeentewet niet meer toegestaan.</al><al>Door de wijziging is er een mate van continuïteit bij de commissie, is het niet
                    meer zo dat op één moment de hele commissie opstapt, maar door natuurlijk
                    verloop zal dit meer gespreid zijn. Een lid kan bij zijn ontslag zelf het
                    tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan ook een later tijdstip kiezen om
                    zodoende eventueel nog bij de afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen
                    zijn. De bepaling van het derde lid is van orde. Een ontslagnemend lid kan niet
                    gedwongen worden ook feitelijk de functie te blijven vervullen.</al><tussenkop>Artikel 5.A Presentiegeld</tussenkop><al>Vergoeding van de werkzaamheden van de commissieleden dient conform artikel 96,
                    eerste lid, van de Gemeentewet bij een verordening van de raad te worden
                    vastgesteld:</al><tussenkop>De leden van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde
                    commissie ontvangen, voor zover zij geen lid zijn van de raad of het college,
                    een bij verordening van de raad vastgestelde vergoeding: </tussenkop><tussenkop>a. voor het bijwonen van vergaderingen van een commissie en </tussenkop><tussenkop>b. van reis- en verblijfkosten in verband met reizen binnen de
                    gemeente.</tussenkop><al>De vergoeding van de voorzitter en leden wordt ondergebracht in de nieuwe
                    Verordening algemene commissie voor de bezwaarschriften 2016. Hierdoor staan
                    alle gemeentelijke regels ten aanzien van de commissie in één regeling
                    beschreven. Het presentiegeld is inclusief de reis- en verblijfkosten, zoals
                    bedoeld in artikel 96, eerste lid onder b.</al><tussenkop>Artikel 6. Ingediend bezwaarschrift</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                    bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in
                    de Awb aan de orde komen:</al><lijst><li nr="·"><al>a. Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).</al></li><li nr="·"><al>b. De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12): </al><lijst><li nr="o"><al>1. De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7).</al></li><li nr="o"><al>2. De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die
                                    waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt
                                    (artikel 6:8).</al></li><li nr="o"><al>3. De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een
                                    combinatie van de verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing
                                    (artikel 6:9, tweede lid).</al></li><li nr="o"><al>4. Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat
                                    ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11).</al></li><li nr="o"><al>5. Bezwaar dat gericht is tegen het niet-tijdig nemen van een
                                    besluit, is niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12).</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>c. De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en
                            met 6:15): </al><lijst><li nr="o"><al>1. Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan
                                    waarbij het bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden
                                    vermeld dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. Dit
                                    kan ook in een later stadium: zie ook de opmerkingen in
                                    paragraaf 3 onder ambtelijke commissie (artikel 6:14).</al></li><li nr="o"><al>2. Doorzendplicht (artikel 6:15).</al></li></lijst></li></lijst><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs
                    kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                    wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van
                    het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van
                    ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren.
                    Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van
                    onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax
                    verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de termijn
                    te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn aangevangen
                    vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de ontvangende
                    faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een
                    bezwaarschrift verzenden per e-mail is vooralsnog niet mogelijk, omdat de
                    gemeente Diemen de elektronische weg daarvoor nog niet heeft opengesteld.
                    (art.2:15 Awb). Indien een bezwaarde per e-mail een bezwaarschrift heeft
                    ingediend terwijl het bestuursorgaan deze mogelijkheid niet heeft toegestaan,
                    dan dient het bestuursorgaan de verzender op de hoogte te brengen dat deze
                    manier niet mogelijk is en de verzender te verzoeken het bezwaarschrift alsnog
                    op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail ingediend bezwaarschrift
                    kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden verklaard.</al><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                    uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een
                    onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft
                    betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is
                    ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient namelijk de
                    bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen
                    indien de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid,
                    zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april
                    2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens
                    en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer
                    het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende.</al><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                    bezwaarschrift door de commissie gestart. </al><tussenkop>Artikel 7. Bemiddeling</tussenkop><al>Op deze manier kunnen misverstanden worden rechtgezet, het besluit nader worden
                    toegelicht etc. Dit kan leiden tot intrekking van het bezwaarschrift.</al><al>Door deze bepaling is procedureel vastgelegd dat een bemiddelingspoging mogelijk
                    is in het bezwaarschriftenproces. Door de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
                    beslissen is het van belang dat, indien er gesproken wordt over mogelijke
                    oplossingen buiten de bezwaarprocedure om, formeel wordt vastgelegd dat de
                    beslistermijn van het bezwaarschrift wordt opgeschort tot het moment dat aan de
                    secretaris wordt meegedeeld wat de uitkomst van de bemiddelingspoging is.</al><tussenkop>Artikel 8. Uitoefening bevoegdheden</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de toepassing
                    van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift
                    maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of een ander
                    lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn
                    in dit artikel dan ook niet genoemd.</al><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als
                    volgt.</al><al>Artikel 2:1, tweede lid</al><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan
                    niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><al>Artikel 6:6</al><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                    vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><al>Toelichting:</al><al>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld
                    door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn
                    daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle
                    gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel
                    dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met
                    een termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan).
                    Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                    geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door
                    een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Een zorgvuldige formulering
                    van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en waarin de termijn wordt
                    gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is noodzakelijk. Er zal
                    duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie verbonden is aan het
                    niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de facultatieve wijze
                    waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in verzuim zijn: het
                    bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De uiteindelijke
                    beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften
                    zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient
                    te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de
                    dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al>Artikel 6:17</al><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voorzover het de behandeling door de commissie
                    betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.</al><al>Het is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers
                    van de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de
                    aanvraag en het primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196).</al><al>Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het verstrekken
                    van afschriften van de desbetreffende stukken aan de gemachtigde van een
                    belanghebbende (HR 20 september 2000, JG 2001/30).</al><al>Artikel 7:4, tweede lid</al><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><al>Toelichting:</al><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van
                    hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet
                    gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte ter-inzage-legging.</al><al>Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om stukken
                    in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb.
                    Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><al>Artikel 7:6, vierde lid</al><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...].</al><al>Het derde lid van dit artikel luidt:</al><al>Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de
                    hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    aanwezigheid.</al><al>Toelichting</al><al>In het tweede lid van artikel 7:6 wordt de mogelijkheid gegeven om de
                    belanghebbenden afzonderlijk te horen. Een reden om dit te doen kan zijn dat
                    tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan
                    geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Het vierde lid geeft aan dat in
                    dit geval de verschillende partijen niet geïnformeerd hoeven te worden over wat
                    er in de afzonderlijke hoorzittingen is besproken.</al><tussenkop>Artikel 9. Vooronderzoek</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de bezwaarde in contact te treden
                    om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. Deze kosten komen ten
                    laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien
                    in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om
                    bijzondere kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat het college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in onderhavige bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een
                    machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college
                    door zo'n toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke
                    positie daardoor aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><tussenkop>Artikel 10. Hoorzitting</tussenkop><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 8 van deze
                    verordening.</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><lijst><li nr="·"><al>a. het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="·"><al>b. het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="·"><al>c. de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van
                            het recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="·"><al>d. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><al>Ad d.</al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op
                    artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het
                    aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In
                    artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het
                    bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3.</al><al>Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het
                    uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten worden.
                    Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een
                    bezwaarschrift, indien van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op
                    welke grond dat is geschied.</al><tussenkop>Artikel 11. Uitnodiging zitting</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.</al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van
                    12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie
                    artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie hierna).</al><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend.
                    Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen.
                    Met de inwerkingtreding van de wet Dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
                    is het verstandig om indien een bezwaarde verzoekt om uitstel en hiermee
                    ingestemd wordt, af te spreken dat daarmee de beslistermijn met eenzelfde
                    periode wordt opgeschort, en dit op papier te bevestigen</al><al>Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de tekst
                    ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij artikel 8).</al><al>Artikel 7:4</al><lijst><li nr="·"><al>1. Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen.</al></li><li nr="·"><al>2. Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het
                            bezwaarschrift/beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking
                            hebbende stukken, voorafgaand aan het horen, gedurende ten minste één
                            week voor belanghebbenden ter inzage.</al></li><li nr="·"><al>3. Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen.</al></li><li nr="·"><al>4. Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten
                            hoogste de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="·"><al>5. Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van
                            het tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="·"><al>6. Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                            belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten,
                            voorzover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de
                            toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.</al></li><li nr="·"><al>7. Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voorzover
                            ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een
                            verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.</al></li><li nr="·"><al>8. Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is.</al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43).</al><al>In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding van
                    stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><al>Artikel 7:8</al><lijst><li nr="·"><al>1. Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte
                            getuigen en deskundigen worden gehoord.</al></li><li nr="·"><al>2. De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de
                            belanghebbende die hen heeft meegebracht.</al></li></lijst><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><tussenkop>Artikel 12. Quorum</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                    bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie, terwijl
                    advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000,
                    GS 2000/ 7119, 5). In de Gemeentestem 2008, nr. 101 is een artikel verschenen
                    van mr. H. Piefers : “Horen en adviseren door een onvolledige
                    bezwaarschriftencommissie”.</al><tussenkop>Artikel 13. Niet-deelneming aan de behandeling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.</al><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast
                    dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is
                    (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al><tussenkop>Artikel 14. Openbaarheid zitting</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voorzover niet
                    bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting in
                    principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft
                    mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire,
                    medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan
                    de orde komen.</al><al>De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie,
                    die ingevolge artikel 16 van de verordening achter gesloten deuren
                    plaatsheeft.</al><tussenkop>Artikel 15. Schriftelijke verslaglegging</tussenkop><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt
                    gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijke vereisten aan het verslag worden
                    niet door de Awb geregeld. Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te
                    strekken dat van al het aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen.
                    Wel zal uit het verslag duidelijk moeten blijken wie namens welke partij
                    aanwezig was en wat door hen naar voren is gebracht.</al><al>Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb)
                    dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het
                    bezwaar aan belanghebbenden wordt toegezonden. Het verslag speelt ook een rol in
                    de raadkamer en bij het advies. Als een lid afwezig is geweest bij het horen en
                    de stemmen staken in de adviescommissie, dan hoeft bij de hernieuwde behandeling
                    in de commissie niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996, AB
                    1997/23).</al><tussenkop>Artikel 16. Nader onderzoek</tussenkop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman
                    9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het
                    bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder
                    dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                    dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><tussenkop>Artikel 17. Raadkamer en advies</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 14. De hoorzitting is in principe openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al>Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of
                    meer leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van
                    artikel 13) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 12); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb. Hoe het advies tot stand komt,
                    is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober
                    1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb
                    00/8620 en 00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    06-01-1997).</al><al>In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking getreden. Deze
                    wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten die een belanghebbende
                    maakt bij de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of administratief
                    beroepschrift. De bepalingen zijn opgenomen in art. 7:15, 7:28 en 8:75 Awb. Een
                    verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan voordat het
                    bestuursorgaan op het bezwaar of administratief beroep heeft beslist. Doorgaans
                    zal een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of mondeling tijdens de
                    hoorzitting worden gedaan. De bezwaarschriftencommissie adviseert in dat geval
                    ook over dit verzoek en zal aangeven of er recht is op een vergoeding en zo ja
                    over de hoogte van het vergoedingsbedrag. Dit laatste kan worden ontleend aan
                    het Besluit proceskosten bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 18. Uitbrengen advies en verdaging</tussenkop><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het
                    schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 12 weken, behoudens
                    in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van
                    verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie
                    dat indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald,
                    hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te
                    verdagen.</al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn
                    artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling
                    van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel
                    van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt
                    voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook
                    belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><al>Afronding van de procedure</al><al>De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en eindigt
                    er in feite mee - zie artikel 18 - dat door de commissie schriftelijk advies
                    wordt uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te
                    beslissen.</al><al>In de artikelen 7:11 (bezwaarschrift) Awb is geregeld wat er daarna dient te
                    gebeuren. Indien het bezwaar ontvankelijk is, dient op grondslag daarvan een
                    heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. Is een bezwaarschrift
                    niet ontvankelijk, dan wordt aan heroverweging niet toegekomen. Voor zover de
                    heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het
                    bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw
                    besluit. Dit nieuwe besluit treedt daarmee in de plaats van het oorspronkelijke
                    (bestreden) besluit.</al><al>Omdat in het verleden bestuursorganen nogal eens bij de beslissing op
                    bezwaarschriften louter toetsten op rechtmatigheid is in het eerste lid van art
                    7:11 vastgelegd dat het om een heroverweging gaat. Dat betekent dat de toetsing
                    niet beperkt moet blijven tot vragen van rechtmatigheid, maar binnen de grenzen
                    van de wet zich ook dient uit te strekken tot beleidsmatige en bestuurlijke
                    aspecten.</al><al>De heroverweging dient ex nunc plaats te vinden, dat wil zeggen dat rekening
                    moet worden gehouden met inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. De
                    feiten en omstandigheden van het moment waarop het nieuwe besluit wordt genomen
                    zijn van belang.</al><al>Daarnaast dient de heroverweging op grondslag van het bezwaar te geschieden.
                    Hieruit vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die geheel los van de
                    aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het
                    bestuursorgaan zal daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim naar
                    hun strekking moeten opvatten. Indien bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting blijkt
                    dat deze, ondanks een beperkte omschrijving in het bezwaarschrift, ruimer
                    bedoeld zijn, dan zal daarmee rekening moeten worden gehouden.</al><al>Verder is het de bedoeling van deze bepaling dat er geen verslechtering van de
                    positie van degene die het bezwaarschrift indient tijdens de
                    bezwaarschriftenprocedure mag optreden (verbod van reformatio in peius).
                    Natuurlijk staat dit er niet aan in de weg dat als een derde bezwaar maakt tegen
                    bijvoorbeeld een afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd kunnen worden.
                    Dit is het wezen van de bezwaarschriftenprocedure en niet in strijd met genoemd
                    beginsel.</al><al>In artikel 7:12 Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het bezwaarschrift
                    dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van de
                    beslissing wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat indien van het advies
                    van de commissie wordt afgeweken in de beslissing de reden van die afwijking
                    wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.</al><al>Tenslotte wordt verwezen naar artikel 6:23 Awb waarin wordt voorgeschreven dat
                    indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar, daarvan
                    bij de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt. Daarbij moet worden
                    aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden
                    ingesteld.</al><tussenkop>Artikel 19. Jaarverslag</tussenkop><al>De bezwaarschriftencommissie brengt jaarlijks verslag aan de raad, het college
                    en de burgermeester over haar werkzaamheden. De invulling van dit verslag is aan
                    de commissie gelaten. Voor de hand ligt dat wordt aangegeven welke aantallen
                    bezwaren zijn ingediend, wat de werkvoorraad was bij aanvang van het
                    kalenderjaar, hoeveel adviezen zijn uitgebracht, wat de adviezen inhielden
                    (niet-ontvankelijk, (deels) gegrond etc.) of het bestuursorgaan contrair heeft
                    besloten, in welke gevallen beroep wordt ingediend en wat de uitkomst van dit
                    beroep is.</al><al>In geval er een klacht is ingediend tegen de bezwaarschriftencommissie wordt dit
                    in het jaarverslag vermeld.</al><al>Het jaarverslag is ook een instrument voor de commissie om aan de
                    bestuursorganen adviezen te geven over de verbeterpunten op het gebied van
                    juridische kwaliteit.</al><tussenkop>Artikel 20. Intrekking oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 21. Inwerkingtreding</tussenkop><al>In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                    inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
                    geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten zoals
                    opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing op algemeen verbindende
                    voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft dat op besluiten, die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, van dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en
                    met 4A van toepassing zijn en wel voorzover de aard van de besluiten zich
                    daartegen niet verzet). Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt
                    zijn. </al><tussenkop>Artikel 22. Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening algemene commissie voor
                    de bezwaarschriften 2016.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>