<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR401900_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering gemeente Voorschoten 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Voorschoten</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Voorschoten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-16566.html">Gemeenteblad 2016, 16566</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering gemeente Voorschoten 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=8">Wet inburgering, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=19">Wet inburgering, art. 19, vijfde en zesde lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=23">Wet inburgering, art. 23, derde lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=24e">Wet inburgering, art. 24e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=24f">Wet inburgering, art. 24f</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=35">Wet inburgering, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0032031&amp;artikel=X">Wijzigingswet Wet inburgering, enz. (versterking eigen verantwoordelijkheid inburgeringsplichtige), art. X</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-02-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>4957</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet inburgering gemeente Voorschoten 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Voorschoten;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 december
                        2015,</al><al>gelet op de <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=8" struct="BWB">artikelen 8</extref>, <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=19" struct="BWB">19, vijfde en
                            zesde lid</extref>, <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=23" struct="BWB">23, derde lid</extref>, <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=24e" struct="BWB">24
                        e</extref>, <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=24f" struct="BWB">24f</extref> en <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=35" struct="BWB">35 van de Wet
                            inburgering</extref>, zoals deze luidde op 31 december 2012 en <extref doc="1.0:v:BWBR0032031&amp;artikel=X" struct="BWB">artikel X van
                            de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering (2012,
                            430)</extref>; </al><al>besluit: </al><al>• De verordening Wet inburgering gemeente Voorschoten 2016 vast te
                        stellen</al><al>VERORDENING WET INBURGERING GEMEENTE VOORSCHOTEN 2016</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Voorschoten;</al></li><li nr="b."><al>de <extref doc="1.0:v:BWBR0020611" struct="BWB">wet</extref>: de Wet inburgering zoals deze luidde op
                                        31 december 2012;</al></li><li nr="c."><al>de <extref doc="1.0:v:BWBR0032031" struct="BWB">wetswijziging</extref>: de wet van 13 september 2012
                                        tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten
                                        in verband met de versterking van de eigen
                                        verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb.2012,
                                        430).</al></li><li nr="d."><al>inburgeringsplichtige: persoon, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0032031&amp;artikel=X" struct="BWB">artikel X, 2e t/m 5e lid van de
                                        wetswijziging</extref></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de <extref doc="1.0:v:BWBR0020611" struct="BWB">wet</extref>, de
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0032031" struct="BWB">s</extref> en
                                de daarop berustende regelingen zijn van toepassing op de begrippen
                                die in deze verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de <extref doc="1.0:v:BWBR0032031" struct="BWB">wet</extref> en over
                                het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de gemeentelijke
                                website.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens per jaar de doeltreffendheid
                                en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inburgeringsaanbod</titel></kop><al>Het college biedt een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening
                            aan de inburgeringsplichtige, te weten: </al><lijst><li nr="a."><al>de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0011823&amp;artikel=8" struct="BWB">artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000</extref> en</al></li><li nr="b."><al>de geestelijke bedienaar, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=1" struct="BWB">artikel 1, onderdeel g van de wet</extref>, die geen
                                    oudkomer is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de wet,
                                    voor zover deze uiterlijk 31 december 2012 inburgeringsplichtig
                                    is geworden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening of de
                                taalkennisvoorziening aan de inburgeringsplichtige bedoeld in
                                artikel 3 onder a af op het startniveau en de vaardigheden, de
                                persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                                inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 onder a een
                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt
                                het college er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening op de
                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 onder a biedt het
                                college maatschappelijke begeleiding aan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening kan, naast
                                datgene dat in de wet is geregeld, een of meer van de volgende
                                onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>activiteiten gericht op arbeid of de werving daarvan, zoals
                                        stages, regulier of gesubsidieerd betaald werk,
                                        vrijwilligerswerk, bemiddeling naar arbeid,
                                        beroepsvaardigheden, etc.;</al></li><li nr="b."><al>activiteiten gericht op een vervolgopleiding of de
                                        voorbereiding daarop;</al></li><li nr="c."><al>activiteiten gericht op participatie, gezin en
                                        zelfredzaamheid;</al></li><li nr="d."><al>sociale vaardigheden, financiële administratie, computer en
                                        internet, opvoedingsondersteuning, gezondheid, thuisstudie
                                        met behulp van de computer, etc.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in beginsel in één keer of in ten hoogste 36 termijnen
                                betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot vaststelling van de
                                inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening de termijnen van
                                betaling vast. Indien het college de eigen bijdrage verrekent met de
                                algemene bijstand, wordt dat in de beschikking vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 bij
                            beschikking een of meer van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li><li nr="f."><al>het meewerken aan een onderzoek naar de gegrondheid van het
                                    verzuim als bedoeld in sub e van dit artikel.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=19" struct="BWB">artikel 19, eerste of tweede lid, van de wet</extref>
                                schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het adres waar de
                                inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 in de gemeentelijke
                                basisadministratie is ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening die wordt
                                aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan
                                die voorziening worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 aan wie een aanbod
                                wordt gedaan, deelt binnen 2 weken het college schriftelijk mee of
                                hij het aanbod al dan niet aanvaardt. Indien inburgeringsplichtige
                                een voorstel doet tot een andere invulling van het aanbod, dan zal
                                het college dit in overweging nemen en bij acceptatie een aangepast
                                aanbod doen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 het aanbod
                                aanvaardt, neemt het college binnen 2 weken na ontvangst van deze
                                mededeling het besluit tot vaststelling van de
                                inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening overeenkomstig het
                                gedane aanbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het college kan op verzoek van de inburgeringsplichtige een
                                persoonlijk inburgeringsbudget vaststellen, indien bijzonder
                                omstandigheden naar het oordeel van het college een speciale
                                voorziening vereisen. Het verzoek moet schriftelijk bij het college
                                worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van bijzonder omstandigheden is in ieder geval sprake indien een
                                gemeentelijke voorziening als bedoeld in artikel 4 niet geschikt is
                                omdat de inburgeringsplichtige hoogopgeleid is of zodanig fysieke of
                                psychische belemmeringen heeft dat een daarop aangepaste voorziening
                                noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college wijst het verzoek om een persoonlijk inburgeringsbudget
                                af, indien er naar het oordeel van het college geen sprake is van
                                bijzonder omstandigheden. Is er wel sprake van dergelijke
                                omstandigheden, dan volgt het college de in artikel 10 beschreven
                                procedure.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Voorbereiding en vaststelling persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in
                                artikel 8, stellen het college en de inburgeringsplichtige een
                                trajectplan op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op basis van het trajectplan worden er offertes opgevraagd bij twee
                                inburgeringsbedrijven. Het moet daarbij gaan om bedrijven die zijn
                                ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en die bovendien zowel over
                                een KCE-certificering als het Keurmerk Blik op Werk (Inburgeren)
                                beschikken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na ontvangst van de offertes doet de inburgeringsplichtige het
                                college een voorstel voor het volgen van een inburgeringsvoorziening
                                of taalkennisvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college keurt het voorstel van de inburgeringsplichtige voor het
                                volgen van een (duaal) inburgeringsprogramma goed, indien het
                                programma naar het oordeel van het college is om hem voor te
                                bereiden op en toe te leiden naar het inburgeringsexamen of
                                staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college keurt het voorstel van de inburgeringsplichtige voor het
                                volgen van een taalkennisvoorziening goed, indien deze
                                taalkennisvoorziening naar het oordeel van het college passend is om
                                hem de kennis van de Nederlandse taal te laten verwerven die
                                noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een Mbo-opleiding op
                                niveau 1 of 2.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als het college de voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget heeft vastgesteld, sluiten het college en de
                                inburgeringsplichtige een overeenkomst met het inburgeringsbedrijf
                                dat een programma heeft geoffreerd met de beste
                                prijs-kwaliteitsverhouding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de hoogte van de eigen bijdrage.</al></li><li nr="e."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage.</al></li><li nr="f."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt .</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 125,00 indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtige is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening
                                of taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de
                                wet of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=7" struct="BWB">artikel
                                    7, eerste lid, van de wet</extref> bedoelde termijn of binnen de
                                door het college op grond van <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=31" struct="BWB">artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet
                                </extref>verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft
                                behaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 11,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, bedraagt ten hoogste € 500,00 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                    <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=32" struct="BWB">artikel 32</extref> en/of <extref doc="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=33" struct="BWB">33 van
                                    de wet</extref> vastgestelde termijn zijn inburgeringsexamen
                                heeft behaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekken oude regeling en overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening Wet inburgering gemeente Voorschoten, zoals
                                vastgesteld op 1 maart 2007 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in lid 1 genoemde verordening blijft van toepassing op personen
                                aan wie reeds op grond daarvan een inburgeringsvoorziening is
                                toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Voorschoten 2016. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente
                        Voorschoten, gehouden op 4 februari 2016</ondertekening><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><divisie><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet inburgering gewijzigd. In de wet
                        zoals die gold tot 31 december 2012 was aan gemeenten een aantal belangrijke
                        taken toebedeeld. Door de gewijzigde wet zijn taken van de gemeenten komen
                        te vervallen. Gemeenten blijven op grond van het overgangsrecht een aantal
                        taken uitoefenen. Dit betreft met name inburgeraars die al met een traject
                        gestart zijn in staat te stellen dit af te maken. Daarnaast blijven de
                        gemeenten de oude inburgeraars handhaven.</al><al>Hoewel de gemeente Voorschoten met de oude ‘Verordening Wet Inburgering
                        Voorschoten’, ondanks het vervallen van een groot aantal artikelen, uit de
                        voeten kon is er nu uit praktische overweging gekozen voor een nieuwe
                        verordening. Met het vaststellen van deze verordening komt de verordening
                        uit 2007 te vervallen. </al><al>Met de wijzigingen is de verantwoordelijkheid voor inburgering bij de
                        inburgeringsplichtige gelegd. Dit betekent dat het tot de eigen
                        verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige behoort om te bepalen hoe
                        hij aan zijn inburgeringsplicht voldoet en dat hij daarvoor zelf de kosten
                        draagt. Daarmee vervalt de plicht van gemeenten om voor
                        inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen te zorgen. De taken die
                        de gemeente heeft ten aanzien van het oproepen van (potentieel)
                        inburgeringsplichtigen en het doen van een onderzoek (intake) vervallen
                        daarmee eveneens. </al><al>De doelgroep van de Wet inburgering is beperkt tot vreemdelingen die op of
                        na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel rechtmatig verblijf verkrijgen
                        voor verblijf in Nederland en (direct of in een later stadium) een
                        verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krijgen voor een niet-tijdelijk doel
                        (asiel of gezinsvorming/hereniging) of als geestelijke bedienaar. </al><al>De mogelijkheid voor gemeenten om vrijwillige inburgeraars (EU-onderdanen en
                        genaturaliseerde Nederlanders) op grond van de Wet inburgering een
                        inburgeringsvoorziening aan te bieden is komen te vervallen. Vrijwillige
                        inburgeraars kunnen net als iedere andere burger via het reguliere onderwijs
                        de noodzakelijke (taal)vaardigheid en kennis verwerven om volledig deel te
                        kunnen nemen aan de samenleving. </al><al>Op grond van het overgangsrecht dient de gemeente diegenen die al een aanbod
                        hebben gehad en zich momenteel voorbereiden op het inburgeringsexamen in
                        staat stellen dit voort te zetten en het examen af te leggen. De gemeenten
                        blijft handhaven dat de inburgeraars die vóór 1 januari 2013
                        inburgeringsplichtig zijn geworden aan hun inburgeringsplicht voldoen.
                        Voorts dient de gemeente een aanbod te doen aan asielgerechtigden en
                        geestelijke bedienaren die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn
                        geworden maar nog geen aanbod hebben gehad voor die datum. Daarbij blijft
                        ongewijzigd dat voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen een
                        inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening ook uit
                        maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid van de wet) bestaat. </al><al>Omdat na 1 januari 2013 zich nog geschillen kunnen voordoen tussen gemeenten
                        en degenen die op grond van de wet zoals die gold tot en met 31 december
                        2012 inburgeringsplichtig zijn, werken deze handhavingsbepalingen ook door
                        na 1 januari 2013. </al><al>De gemeente dient bij verordening regels te stellen met betrekking tot:</al><al>1. Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                        inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van
                        deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                        inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 van de wet). </al><al>2. Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen of
                        taalkennisvoorziening en over de rechten en plichten van de
                        inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening is vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en artikel 23,
                        derde lid, van de wet). </al><al>3. Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                        verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 van de wet). </al><al/></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting </titel></kop><al>NB: In de Wet inburgering worden de begrippen “inburgeringsvoorziening” en
                        “taalkennisvoorziening” gebruikt. In de hieronder staande toelichting worden
                        beide begrippen waar, waar mogelijk, afzonderlijk genoemd. In een enkel
                        geval wordt uit overweging van leesbaarheid het woord “voorziening”
                        gehanteerd, waarmee zowel inburgeringsvoorziening als taalkennisvoorziening
                        wordt aangeduid. </al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </vet></al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                        gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en
                        de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening. </al><al><vet>Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen
                        </vet></al><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente goed
                        te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet
                        inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                        informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. Wel
                        bepaalt artikel 8 van de wet dat de gemeenteraad bij verordening regels
                        vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                        inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van
                        deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                        inburgeringsvoorzieningen. </al><al>Bij de informatieverstrekking maakt de gemeente gebruik van
                        voorlichtingsmateriaal via de gemeentelijke website. Aanvullend daarop kan
                        mondeling informatie worden verstrekt indien belanghebbende hiernaar vraagt. </al><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over de
                        doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                        inburgeringsplichtigen. </al><al><vet>Artikel 3 Inburgeringsaanbod </vet></al><al>Vanaf 1 januari 2013 is het college alleen verplicht een
                        inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening aan te bieden aan
                        asielgerechtigden en geestelijke bedienaren die voor 1 januari 2013
                        inburgeringsplichtig zijn geworden. </al><al><vet>Artikel 4 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening </vet></al><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                        vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en samenstelling
                        van die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit
                        artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht
                        heeft voor de asielgerechtigde inburgeringsplichtige, een op de persoon
                        toegesneden inburgeringsvoorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                        inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening moet vaststellen. Bij het
                        bepalen van de geschiktheid van een voorziening kunnen de volgende factoren
                        een rol spelen: </al><al>• De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                        Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit. </al><al>• De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat
                        vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan het
                        verrichten van betaalde arbeid en/of het opvoeden van kinderen. </al><al>• De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan
                        bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                        inburgeringsplichtige moet vervullen. </al><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                        wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                        mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke
                        bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven. </al><al>Het tweede lid heeft betrekking op het aanbieden van een voorziening gericht
                        op arbeidsinschakeling. In geval van uitkeringsgerechtigde
                        inburgeringsplichtigen die een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                        ontvangen, kan het voordelen opleveren de inburgeringsvoorziening daarmee te
                        combineren. Uitgangspunt is wel, zo blijkt uit artikel 19, vierde lid, van
                        de wet, dat een aanbod voor een inburgeringsvoorziening aan een
                        uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtige niet wordt gedaan, indien dat
                        diens arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd moet
                        worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                        (reïntegratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening wordt aangeboden
                        aan een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een uitkering
                        ontvangt op grond van een andere socialezekerheidswet of
                        socialezekerheidsregeling én die verplicht is om arbeid te verkrijgen of te
                        aanvaarden (artikel 20, eerste lid van de wet). Het college is
                        verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                        inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid van de wet). Het tweede lid
                        van artikel 4 van de verordening draagt het college op om er voor te zorgen
                        dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de
                        reïntegratievoorziening. Aangezien deze voorzieningen in het kader van de
                        uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of –regelingen
                        ook door andere partijen dan het college (kunnen) worden verstrekt, zal het
                        college afspraken moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de
                        socialezekerheidswet of –regeling: het Uitvoeringsinstituut
                        werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of overheidswerkgevers
                        (artikel 21 van de wet). </al><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als
                        onderdeel van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan
                        opnemen. In de wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder
                        geval moet bestaan: een cursus die toeleidt naar het inburgeringsexamen of
                        het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en het eenmaal kosteloos
                        afleggen van het desbetreffende examen (artikel 19, derde lid van de wet). </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen maakt ook maatschappelijke
                        begeleiding een verplicht onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening of de
                        taalkennisvoorziening (artikel 19, zesde lid van de wet). Hierbij kan worden
                        gedacht aan trajectbegeleiding, periodieke voortgangsgesprekken, uitbreiding
                        van de opleiding in de vorm van een maatschappelijke stage of een aparte
                        module die gericht is op het verwerven van kennis van de Nederlandse
                        samenleving. </al><al>Het vierde lid bepaalt dat het college een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening kan aanbieden dat breder is dan datgene dat in de wet
                        is geregeld. Het gaat hierbij om extra ondersteuning gericht op
                        arbeidsinschakeling, een vervolgopleiding, zelfredzaamheid en deelname aan
                        de maatschappij dat in het kader van de inburgering bijdraagt aan het werven
                        van kennis van de Nederlandse samenleving</al><al><vet>Artikel 5 De inning van de eigen bijdrage </vet></al><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                        inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college
                        en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid van de
                        wet). De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt €
                        270. Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd
                        (artikel 23, tweede lid van de wet). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de eigen bijdrage bij
                        voorkeur ineens, en in maximaal 36 termijnen betaald dient te worden. Het
                        college kan de eigen bijdrage verrekenen met de uitkering.</al><al>Als het college wil overgaan tot verrekening, moet dat worden vastgelegd in
                        de beschikking tot toekenning van de inburgeringsvoorziening.</al><al><vet>Artikel 6 Opleggen van verplichtingen </vet></al><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid van de wet dat
                        bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en
                        plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening
                        of taalkennisvoorziening is vastgesteld. Dit artikel delegeert de
                        bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het artikel worden
                        genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een
                        inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening op te leggen. Het college
                        legt in de beschikking tot de vaststelling van de inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening deze verplichtingen vast. </al><al><vet>Artikel 7 De procedure van het doen van een aanbod </vet></al><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen
                        dat het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang
                        omdat zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is –
                        leidt tot een besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening. </al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod
                        van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan de
                        inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt
                        toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat ingeschreven
                        in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan over het feit dat
                        het college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de
                        uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met
                        het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking tot het
                        vaststellen van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening (die
                        eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze beschikking moet dan wel
                        dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het derde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige
                        het aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                        meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                        mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                        inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld. </al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente
                        meldt dat hij wel een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening wil,
                        maar dat hij gelet op zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou
                        willen zien in het aanbod van de gemeente. Als de gemeente hierop positief
                        reageert, zal ze het gedane aanbod moeten aanpassen. </al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                        inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                        voorbereiden op het inburgeringsexamen. </al><al><vet>Artikel 8 De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget </vet></al><al>In het eerste lid legt de gemeente vast dat op verzoek van een
                        inburgeringsplichtige een voorziening in de vorm van een persoonlijk
                        inburgeringsbudget kan worden verstrekt. Er dient dan wel, naar het oordeel
                        van het college, sprake te zijn van bijzondere omstandigheden. Dat kan
                        liggen in persoonsgebonden omstandigheden zoals hoogopgeleid zijn of
                        zodanige fysieke of psychische belemmeringen hebbend dat een daarop
                        aangepaste voorziening noodzakelijk is. </al><al>Omdat het aantal inburgeraars dat gebruik maakt van een gemeentevoorziening
                        steeds verder zal dalen, kan het college dat ook als een bijzondere
                        omstandigheid aanmerken en er voor kiezen om alleen nog gebruik te maken van
                        het instrument persoonsgebonden inburgeringsbudget t.b.v. een inburgering-
                        of taalkennis. </al><al><vet>Artikel 9 Voorbereiding en vaststelling persoonlijk inburgeringsbudget
                        </vet></al><al>In het eerste artikel is opgenomen dat voor de bepaling met betrekking tot
                        de voorbereiding en de vaststelling van het persoonsgebonden
                        inburgeringsbudget wordt een trajectplan opgesteld door het college en de
                        inburgeringsplichtige. </al><al>De bedrijven waarbij de offertes worden opgevraagd moeten aan bepaalde eisen
                        voldoen (lid 2). Tenslotte worden er in eisen gesteld aan het proces tot
                        vaststelling van het persoonsgebonden inburgeringsbudget. Voor deze
                        werkwijze is gekozen omdat de wet eist dat het te volgen traject toe leidt
                        naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I
                        of II. Het is daarom belangrijk dat het college het voorstel van de
                        inburgeraar keurt om er zeker van te zijn of deze toe leidt naar
                        bovenstaande examen. </al><al><vet>Artikel 10 De inhoud van de beschikking </vet></al><al>Het besluit tot het vaststellen van een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening is een beschikking. Dit betekent dat de
                        inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en
                        beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in ieder
                        geval in de beschikking moeten worden neergelegd. </al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                        rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden
                        vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                        medewerking te verlenen aan de uitvoering van de inburgeringsvoorziening
                        (artikel 23, eerste lid, van de wet). Handhaving hiervan is alleen mogelijk
                        als de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven
                        en aan de betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend
                        zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                        hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, van de wet). In
                        de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden gemaakt
                        (onderdeel c). </al><al>Onderdeel e bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                        termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                        plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                        bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 5 van de verordening. </al><al>Onderdeel f heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het
                        college een inburgeringsvoorziening vaststelt voor een oudkomer, dan moet
                        het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de
                        termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat. </al><al><vet>Artikel 11 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                            overtredingen </vet></al><al>Artikel 35 van de wet draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte
                        van de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                        overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 de wet zijn voor de
                        verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete
                        vastgelegd. De gemeente Voorschoten heeft ervoor gekozen niet de
                        maximumbedragen te hanteren, maar lagere bedragen vast te stellen.</al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen
                        en géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de
                        bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de
                        mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het
                        college daarbij ook zo nodig rekening houden met de omstandigheden waaronder
                        de overtreding is gepleegd (artikel 38, tweede lid van de wet). Deze
                        bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                        bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de
                        individuele omstandigheden van de betrokken inburgeringsplichtige. </al><al>In het kader van de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en
                        inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging
                        (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens
                        te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een
                        bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een maatregel op
                        grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of het opleggen van
                        een boete of maatregel op grond van een andere socialezekerheidswet of–
                        regeling. Artikel 37 van de wet bevat een regeling voor deze samenloop. In
                        dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval géén bestuurlijke
                        boete kan opleggen.</al><al><vet>Artikel 12 Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                            overtreding </vet></al><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                        overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 12
                        mogelijk is. De verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de
                        overtreding mogen uiteraard niet hoger zijn dan de maximumbedragen die in
                        artikel 34 van de wet worden genoemd.</al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                        inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                        boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel
                        12, derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 van de wet moet
                        het college in de boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen
                        de inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen dan wel
                        op een andere wijze aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan. Als de
                        inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen
                        niet heeft behaald, maakt het derde lid het mogelijk dat het college een
                        hogere boete vaststelt. Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een
                        nieuwe termijn moeten worden opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige
                        het inburgeringsexamen moet behalen. </al><al><vet>Artikel 13 Overgangsbepaling </vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich </al><al><vet>Artikel 14 Inwerkingtreding </vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al><vet>Artikel 15 Citeertitel </vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/></divisie></bijlage></regeling></body></cvdr>