<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR401701_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Oisterwijk 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-41459.html">GB 2016-41584</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Oisterwijk 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Oisterwijk 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2016 gemeente
                        Oisterwijk</al><al>De raad van de gemeente Oisterwijk:</al><lijst><li nr="·"><al>gelet op artikel 108 en 147 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="·"><al>gelet op de artikelen 8, 8a en 8b Participatiewet;</al></li></lijst><al>·gelet op artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al><al>·gelet op artikel 35 wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al>·gelet op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004; </al><al>·gelet op de wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving; </al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d.
                        2 februari 2016</al><al><vet>Besluit</vet><vet> vast te stellen</vet><vet>:</vet></al><al>de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2016 gemeente
                        Oisterwijk</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>P-wet:</cursief> Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al><cursief>Bbz</cursief>: Besluit bijstandverlening
                                        zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="c."><al><cursief>IOAW</cursief>: Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al><cursief>IOAZ</cursief>: Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al><cursief>De wet: </cursief>de P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz
                                        tezamen;</al></li><li nr="f."><al><cursief>Algemene bijstand</cursief>: de bijstand als
                                        bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de P-wet;</al></li><li nr="g."><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief>: 1° toepasselijke norm als
                                        bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de P-wet, of 2°
                                        grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de
                                        IOAW/IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond
                                        van de IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Grondslag</cursief>: de uitkeringsnorm zoals
                                        bedoeld in artikel 5 van de IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Bijzondere bijstand:</cursief> de bijstand bedoeld
                                        in artikel 5, onderdeel d, van de P-wet;</al></li><li nr="j."><al><cursief>Belanghebbende</cursief>: de alleenstaande,
                                        alleenstaande ouder of het gezin dat recht heeft op een
                                        uitkering dan wel een voorziening in het kader van de
                                        wet;</al></li><li nr="k."><al><cursief>Uitkering: </cursief>in de context van deze
                                        verordening wordt onder uitkering verstaan de
                                        bijstandsuitkering of de grondslag IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="l."><al><cursief>Uitkeringsgerechtigde</cursief>: een persoon die
                                        een uitkering ontvangt ingevolge de P-wet, IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="m."><al><cursief>Re-integratieverplichting</cursief>: de
                                        verplichting om gebruik te maken van een voorziening gericht
                                        op inschakeling in of het verkleinen van de afstand tot
                                        arbeid waaronder begrepen begeleiding naar maatschappelijke
                                        participatie en het meewerken aan een onderzoek naar de
                                        mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en/of de geschiktheid
                                        voor scholing/opleiding;</al></li><li nr="n."><al><cursief>Inlichtingenplicht: </cursief>de
                                        verplichtingom op verzoek of onverwijld uit eigen
                                        beweging mededeling te doen van alle feiten en
                                        omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze
                                        van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het
                                        recht op bijstand; </al></li><li nr="o."><al><cursief>Medewerkingsverplichting: </cursief>de verplichting
                                        ommee te werken aan de noodzakelijk geachte
                                        voorziening, aan een onderzoek naar het recht op uitkering,
                                        eventueel via een huisbezoek als ook naar de voortgang van
                                        het re-integratietraject;</al></li><li nr="p."><al><cursief>Benadelingsbedrag</cursief>: het bedrag dat ten
                                        onrechte of teveel is of wordt verleend als uitkering;</al></li><li nr="q."><al><cursief>Recidive:</cursief> hiervan is sprake wanneer een
                                        belanghebbende zich binnen 12 maanden na de vorige als
                                        verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan
                                        een verwijtbare gedraging zoals die genoemd wordt in deze
                                        verordening dan wel de wet. Alleen bij de boete is de
                                        recidiveperiode vastgesteld op 5 jaar.</al></li><li nr="r."><al><cursief>Verlaging/m</cursief><cursief>aatregel:</cursief>
                                        het verlagen van de bijstand of grondslag op grond van
                                        artikel 18, tweede lid, van de P-wet resp. 20, tweede lid,
                                        van de IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="s."><al><cursief>Waarschuwing</cursief>: het besluit waarin afgezien
                                        wordt van het opleggen van een maatregel of boete, maar
                                        waarin wel wordt bevestigd dat er sprake is van het
                                        verwijtbaar niet nakomen van verplichtingen;</al></li><li nr="t."><al><cursief>Voorziening</cursief>: een door het college
                                        noodzakelijk geachte voorziening gericht op inschakeling in
                                        de arbeid of zelfstandige maatschappelijke participatie
                                        waaronder begrepen een onderzoek naar de belastbaarheid en
                                        de noodzaak tot inzet van loonkostensubsidie;</al></li><li nr="u."><al><cursief>Doelgroep re-integratie</cursief>: personen aan wie
                                        op grond van artikel 7, eerste lid, onder a, van de P-wet of
                                        op grond van artikel 34 van de IOAW/IOAZ door de gemeente
                                        ondersteuning bij re-integratie kan worden geboden;</al></li><li nr="v."><al><cursief>Participatie</cursief>: het naar vermogen meedoen
                                        in de samenleving door o.a. het verrichten van betaald
                                        regulier of gesubsidieerd werk, het volgen van scholing, het
                                        verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of een
                                        tegenprestatie;</al></li><li nr="w."><al><cursief>Loonkostensubsidie</cursief>: de subsidie op de
                                        loonsom die het college kan verstrekken aan een werkgever om
                                        een werknemer met een verminderde loonwaarde vanwege een
                                        beperking al dan niet tijdelijk in dienst te nemen;</al></li><li nr="x."><al><cursief>Verminderde loonwaarde</cursief>: hiervan is sprake
                                        wanneer een persoon vanwege een beperking niet in staat is
                                        het wettelijk minimum uurloon te verdienen;</al></li><li nr="y."><al><cursief>Plan van aanpak</cursief>: een plan van aanpak
                                        zoals bedoeld in artikel 44a van de P-wet;</al></li><li nr="z."><al><cursief>Tegenprestatie</cursief>: onbeloonde
                                        maatschappelijk nuttige activiteiten die worden verricht,
                                        eventueel naast of in aanvulling op beloonde arbeid, en die
                                        niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De
                                        werkzaamheden hoeven niet te leiden tot het versterken van
                                        het arbeidsperspectief en dienen als tegenprestatie voor de
                                        ontvangen uitkering;</al></li><li nr="aa."><al><cursief>Wachttijd (27-)</cursief>:wettelijk
                                        bepaalde periode van vier weken waarin de belanghebbende
                                        jonger dan 27 jaar verplicht is zelf op zoek te gaan naar
                                        werk en om de mogelijkheden van regulier onderwijs te
                                        onderzoeken. Pas hierna wordt de aanvraag ingediend en het
                                        recht op inkomensondersteuning en ondersteuning naar
                                        participatie onderzocht;</al></li><li nr="bb."><al><cursief>Duurzame arbeidsinschakeling:</cursief> algemeen
                                        geaccepteerde arbeid die over een periode van ten minste zes
                                        maanden wordt verricht en waar geen voorziening aan
                                        verbonden is in de vorm van loonkostensubsidie;</al></li><li nr="cc."><al><cursief>Bestuurlijke boete</cursief>: een boete die door
                                        een daartoe bevoegde overheidsdienst zonder tussenkomst van
                                        het Openbaar Ministerie of een rechter kan worden opgelegd.
                                        Deze boete heeft een straffend karakter;</al></li><li nr="dd."><al><cursief>Beslagvrije voet</cursief>: beslagvrije voet als
                                        bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
                                        van Burgerlijke Rechtsvordering, deel van het inkomen waarop
                                        geen beslag mag worden gelegd;</al></li><li nr="ee."><al><cursief>Recidiveboete</cursief>: bestuurlijke boete als
                                        bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de P-wet; </al></li><li nr="ff."><al><cursief>Bezit</cursief><cursief>: </cursief>waarde van de
                                        bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt
                                        of redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het
                                        in de bewoonde woning met bijbehorend erf gebonden vermogen,
                                        bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de P-wet; </al></li><li nr="gg."><al><cursief>Verrekenen</cursief><cursief>: </cursief>de
                                        verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van de
                                        P-wet;</al></li><li nr="hh."><al><cursief>Mantelzorg</cursief>: langdurige zorg, gedurende 10
                                        uur of meer per week, die niet in het kader van een
                                        hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende
                                        door personen uit diens directe omgeving, waarbij de
                                        zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                                        relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                        overstijgt;</al></li><li nr="ii."><al><cursief>Flankerende voorziening</cursief>: de inzet van
                                        deze voorziening is een randvoorwaarde voor de
                                        belanghebbende voor deelname aan re-integratievoorzieningen
                                        en nakoming van arbeidsverplichtingen (waaronder
                                        schuldhulpverlening en kinderopvang);</al></li><li nr="jj."><al><cursief>No-risk polis</cursief>: een verzekering die de
                                        financiële gevolgen van ziekte van de in dienst genomen
                                        uitkeringsgerechtigde voor een werkgever afdekt;</al></li><li nr="kk."><al><cursief>Participatiepartner</cursief>:
                                        re-integratiebedrijf, werkgever of maatschappelijke partner,
                                        waarmee de gemeente samenwerkt in het kader van de
                                        P-wet.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>Re-integratie en tegenprestatie</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht en taak van het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening ten
                                behoeve van de persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie en
                                die dit naar het oordeel van het college nodig heeft bij de
                                arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke participatie.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening of
                                ondersteuning rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de
                                belanghebbende. Deze omstandigheden hebben in ieder geval betrekking
                                op zorgtaken van die persoon zoals beschreven in de beleidsregels,
                                eventuele structurele beperkingen, de mogelijkheid dat hij behoort
                                tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de
                                voorziening beschut werk.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van flankerende
                                voorzieningen die belemmeringen voor re-integratie en
                                arbeidsinschakeling kunnen opheffen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbieden van voorzieningen
                                prioriteren naar gelang de financiële mogelijkheden en rekening
                                houden met maatschappelijke, economische en conjuncturele
                                ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
                                voorzieningen of doelgroepen en draagt daarbij zorg voor een
                                evenwichtige verdeling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voorzieningen kunnen worden verstrekt aan een belanghebbende dan wel
                                aan de werkgever van de belanghebbende. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de ondersteuning en voorzieningen af op het
                                vergroten van de zelfredzaamheid van de belanghebbende via de
                                kortste weg naar duurzame arbeidsinschakeling dan wel een zo hoog
                                mogelijke arbeidsproductiviteit. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college legt het individuele aanbod van een voorziening aan een
                                persoon vast in een plan van aanpak.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning voor zover er een beroep
                                kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die voldoende
                                bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of maatschappelijke
                                participatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie maar geen
                                bijstandsuitkering ontvangt, heeft geen aanspraak op ondersteuning
                                krachtens deze verordening indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het gezinsinkomen hoger is dan 110% van het wettelijk
                                        minimumloon en/of het vermogen hoger is dan het maximaal
                                        vrij te laten vermogen conform de P-wet;</al></li><li nr="b."><al>deze persoon betaalde arbeid verricht gedurende meer dan 12
                                        uur per week, tenzij de voorziening nodig is om dit werk te
                                        behouden dan wel uit te breiden;</al></li><li nr="c."><al>niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze persoon
                                        bereid dan wel in staat is om tenminste 12 uur per week
                                        algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De restricties zoals opgenomen in lid 5 kunnen buiten beschouwing
                                worden gelaten, indien het een jonggehandicapte met arbeidsvermogen
                                betreft, die na 31 december 2014 is uitgestroomd uit het
                                praktijkonderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs of een
                                ROC-entree opleiding. Dit geldt enkel voor de voorzieningen die
                                daartoe in de beleidsregels zijn aangewezen en tot uiterlijk een
                                jaar na de datum van uitstroom. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te bieden
                                als een eerdere voorziening voortijdig is beëindigd vanwege een
                                reden, zoals opgenomen in artikel 5, sub a en e, van deze
                                verordening.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.2</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep
                                re-integratie:</al><lijst><li nr="a."><al>(laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid;
                                    </al></li><li nr="c."><al>ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van
                                        belemmeringen voor de arbeidsinschakeling, waaronder
                                        begeleiding op en aanpassingen van de werkplek en
                                        scholing;</al></li><li nr="d."><al>verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan
                                        maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="e."><al>anderszins een voorziening verstrekken in verband met
                                        bepaalde specifieke re-integratie activiteiten, nader te
                                        bepalen in de beleidsregels zoals vermeld in lid 3 van dit
                                        artikel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan een werkgever (financiële) ondersteuning bieden
                                ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep
                                re-integratie, anders dan de loonkostensubsidie, zoals opgenomen in
                                § 2.3 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                beleidsregels vast, waarin de voorzieningen en de bijbehorende
                                voorwaarden zijn opgenomen, voor zover daarover in deze verordening
                                geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beëindigen van een voorziening</titel></kop><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                    als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de P-wet of de artikelen
                                    13 en 37 van de IOAZ/IOAW niet (langer) nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                    tot de doelgroep re-integratie; </al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij
                                    het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a, onder 2, van de P-wet; </al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                    bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of niet meer
                                    geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                    voorziening; </al></li><li nr="e."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                    gebruik maakt van de aangeboden voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
                                    aan de voorwaarden die in deze verordening en de beleidsregels
                                    worden gesteld om in aanmerking te komen voor die
                                    voorziening.</al></li><li nr="g."><al>door het college wordt vastgesteld dat voortzetting van de
                                    voorziening niet wenselijk is, omdat de participatiepartner niet
                                    of in onvoldoende mate aan de op hem rustende verplichtingen
                                    krachtens het Burgerlijk Wetboek en/of de geldende voorwaarden
                                    voldoet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel
                                a, van de P-wet een uitkeringsgerechtigde voor wie de kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor
                                vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten zoals bedoeld in artikel
                                10a van de P-wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden
                                verricht zoals bedoeld in artikel 10a van de P-wet, ontvangt conform
                                lid 6 van dat artikel ieder half jaar een premie mits naar vermogen
                                is meegewerkt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op basis van artikel 10a van de P-wet of artikel 38a
                                van de IOAW/IOAZ aan uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder die
                                niet beschikken over een startkwalificatie scholing aanbieden met
                                als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in artikel
                                31, tweede lid, onder j, van de P-wet. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt beleidsregels op ten aanzien van de
                                participatieplaats, voor wat betreft de premie zoals bedoeld in lid
                                2, de scholing zoals bedoeld in lid 3 en de voorwaarden en
                                verplichtingen die daaraan verbonden zijn.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.3</nr><titel>Voorzieningen voor mensen met verminderde loonwaarde of beperkingen
                            richting werk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, bij wijze van voorselectie, ambtshalve beoordelen
                                of een belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                onderdeel a, van de P-wet, uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie heeft. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met beperkingen richting werk.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit de voorselectie, zoals bedoeld in lid 1, een
                                belanghebbende naar voren komt die vermoedelijk uitsluitend in een
                                beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie heeft, dan kan het college een advies ter
                                beoordeling van het arbeidsvermogen inwinnen bij het
                                Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen vaststelt
                                dat het een belanghebbende betreft die alleen met een hoge mate van
                                ondersteuning en aanpassing van het werk in staat is om arbeid te
                                verrichten, dan kan het college, indien er een of meerdere
                                voorzieningen zoals bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de
                                P-wet, beschikbaar zijn, een advies beschut werk aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ten behoeve van de persoon, van wie het college
                                heeft geoordeeld dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                                aangepaste omstandigheden kan werken, alle overige voorzieningen
                                inzetten, zoals opgenomen in de P-wet en deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college bepaalt het aantal in te zetten plekken beschut werk ten
                                behoeve van de onder lid 1 genoemde doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan personen, zoals bedoeld in lid 1, een alternatieve
                                passende voorziening aanbieden, wanneer er geen voorziening, zoals
                                bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de P-wet, voorhanden is.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>No-risk polis (tijdelijk vervallen – zie toelichting)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de P-wet; en</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen; en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                        arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van de regionaal
                                overeengekomen gevalideerde methodiek Dariuz.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.4</nr><titel>Studietoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek voor studietoeslag als bedoeld in artikel 36b, eerste lid,
                            van de P-wet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld
                            formulier. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Mogelijkheid tot verdienen wettelijk minimumloon</titel></kop><al>Het college controleert of de aanvrager voldoet aan de vereisten van
                            artikel 36b van de P-wet en stelt vast of de belanghebbende niet in
                            staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel
                            mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie. Bij twijfel vraagt het
                            college een externe organisatie om advies.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen</titel></kop><al>Een persoon kan slechts eenmaal per 6 maanden in aanmerking komen voor
                            een individuele studietoeslag. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag bedraagt € 225,00 netto per maand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag wordt per maand uitbetaald.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.5</nr><titel>Tegenprestatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Doelgroep en doel tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de doelgroep van de tegenprestatie behoren alle belanghebbenden
                                van 18 jaar of ouder, die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet
                                hebben bereikt en die een uitkering ontvangen op grond van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van het verrichten van een tegenprestatie is om
                                belanghebbenden maatschappelijk nuttige werkzaamheden te laten
                                verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;
                                en </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van de tegenprestatie
                                beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                                werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de belanghebbende moet de tegenprestatie naar vermogen kunnen
                                verrichten; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                                belanghebbende worden in aanmerking genomen; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de wensen van de belanghebbende ten aanzien van de inhoud van de
                                tegenprestatie, waaronder begrepen een eventueel voorstel voor wat
                                betreft de inhoud van de tegenprestatie van de belanghebbende
                                zelf.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van de tegenprestatie wordt opgedragen voor een
                                maximale duur van twaalf maanden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal acht uur per week.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts
                                eenmaal worden opgedragen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Afzien van het opleggen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                                mantelzorg verricht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien de belanghebbende
                                naar het oordeel van het college reeds voldoende maatschappelijk
                                nuttige activiteiten verricht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van de tegenprestatie aan
                                bepaalde groepen uitkeringsgerechtigden en legt dat, indien van
                                toepassing, vast in beleidsregels.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Afstemming en bestuurlijke boete</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Het opleggen van een verlaging van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan zoals bedoeld in de P-wet dan wel de
                                verplichtingen genoemd in deze verordening en/of de wet, met
                                uitzondering van artikel 17, eerste lid, van de P-wet en artikel 13
                                van de IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het
                                zich zeer ernstig misdragen zoals omschreven in artikel 34 van deze
                                verordening, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging van
                                de uitkering opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging van de uitkering wordt afgestemd op de ernst van de
                                gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden
                                verweten en de omstandigheden waarin hij of zijn gezin
                                verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Besluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het besluit tot het opleggen van de verlaging of waarschuwing van
                                de uitkering wordt in ieder geval vermeld: de reden van de
                                verlaging/waarschuwing, de eventuele duur en hoogte van de verlaging
                                als ook de afweging van de individuele belangen zoals bedoeld in
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd, wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing op grond
                                van deze verordening. Daarom tellen ook deze besluiten mee voor
                                recidive.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Afzien van het opleggen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 2 jaar voor constatering daarvan door
                                        het college heeft plaatsgevonden en het geen gedraging
                                        betreft zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                        P-wet (geüniformeerde arbeidsverplichtingen). </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op
                                grond van dringende redenen, wordt aan de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de verlaging in
                                op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum waarop
                                het besluit tot het opleggen van de verlaging van de uitkering aan
                                de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                voor die maand geldende toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd als er sprake is van een besluit op aanvraag,
                                voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. In deze situatie
                                werkt het verlagen van de uitkering terug tot de ingangsdatum van de
                                uitkering dan wel de datum waarop het verzuim betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen
                                betreft die een uitkering voor levensonderhoud hebben ontvangen in
                                de vorm van een geldlening op grond van het Bbz, de verlaging met
                                terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve
                                vaststelling van die bijstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij samenloop van verschillende gedragingen die het niet nakomen van
                                verplichtingen inhouden, wordt de hoogte en duur van de verlaging
                                vastgesteld op de gedraging met de hoogste verlaging.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De uitkering wordt verlaagd voor de duur van één maand, tenzij
                                sprake is van: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>recidive, dan wordt de duur van de verlaging verdubbeld tenzij in
                                deze verordening anders is bepaald;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een afwijkende duur
                                is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien door beëindiging van de uitkering de verlaging niet of niet
                                volledig kan worden toegepast, kan bij een eventuele nieuwe aanvraag
                                binnen de termijn van 1 jaar de verlaging of het deel dat nog niet
                                is uitgevoerd alsnog worden geëffectueerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>De berekeningsgrondslag van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verlaging bestaat uit een percentage van de toepasselijke
                                bijstandsnorm, dan wel uit een percentage van het benadelingsbedrag,
                                zoals opgenomen in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 (onderhoudsplicht ouders) van de
                                        P-wet; </al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot
                                        het recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft;
                                    </al></li><li nr="c."><al>het bijzondere bijstand betreft voor woonkosten en premie
                                        voor arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die
                                        een uitkering voor levensonderhoud (hebben) ontvangen
                                        krachtens het Bbz of de IOAZ.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan bijzondere bijstand
                                worden afgestemd op de wijze zoals beschreven in artikel 32, vijfde
                                lid, van deze verordening wanneer sprake is van tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan afstemming
                                plaatsvinden door de bijstand bij een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het
                                bestaan te verstrekken als geldlening op basis van artikel 48,
                                tweede lid, onder b, van de P-wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Waarschuwing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij gedragingen uit de tweede categorie zoals
                                bedoeld in artikel 27, sub b, en artikel 29, sub b, van deze
                                verordening, in plaats van een verlaging een waarschuwing opleggen,
                                indien het college hiertoe in de individuele omstandigheden
                                aanleiding ziet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een waarschuwing wordt niet afgelegd wanneer sprake is van recidive
                                zoals bedoeld in artikel 23, lid 5, onderdeel a, van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Horen van belanghebbende(n)</titel></kop><al>Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de
                            gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hiervan kan
                            afgezien worden als:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft
                                    gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of
                                    omstandigheden; of</al></li><li nr="b."><al>binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de
                                    inlichtingenplicht; of</al></li></lijst><al>c.het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de
                            gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.2</nr><titel>Gedragingen en bijbehorende maatregelen</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.2.1</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Gedragingen P-wet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9 en 9a van de P-wet niet of onvoldoende wordt nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie:</al></li><li nr="1."><al>het door een persoon niet of onvoldoende meewerken aan het
                                    opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak;</al></li><li nr="2."><al>het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of passende scholing
                                    te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden gedurende de
                                    wachttijd van 4 weken na melding voor jongeren tot 27 jaar;</al></li><li nr="3."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel
                                    9, eerste lid, onderdeel c, van de P-wet;</al></li><li nr="4."><al>het niet naar vermogen meewerken aan de arbeids- en
                                    re-integratieverplichtingen, die gemeente Oisterwijk verbindt
                                    aan de aanvraag levensonderhoud.</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al></li><li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als
                                    bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de P-wet;</al></li><li nr="2."><al>het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de
                                    re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 9a,
                                    eerste lid, van de P-wet bedoelde ontheffing, wat heeft geleid
                                    tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht;</al></li><li nr="3."><al>het zich niet (tijdig) laten registeren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet
                                    (tijdig) laten verlengen van de registratie;</al></li><li nr="4."><al>andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren,
                                    niet zijnde gedragingen genoemd in artikel 18, vierde lid, van
                                    de P-wet;</al></li><li nr="5."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan de taaltoets zoals
                                    bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de P-wet, waarvoor
                                    belanghebbende een schriftelijke uitnodiging heeft
                                    ontvangen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Niet nakomen overige verplichtingen P-wet</titel></kop><al>Indien een belanghebbende nadere verplichtingen als bedoeld in artikel
                            55 van de P-wet die strekken tot arbeidsinschakeling niet nakomt, wordt
                            een verlaging van de uitkering van 50% gedurende 1 maand toegepast.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie:</al></li><li nr="1."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="2."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid;</al></li><li nr="3."><al>het weigeren van een passend re-integratie aanbod;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel
                                    37, eerste lid, onderdeel f, IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="5."><al>het niet naar vermogen meewerken aan de arbeids- en
                                    re-integratieverplichtingen, die gemeente Oisterwijk verbindt
                                    aan de aanvraag levensonderhoud.</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al></li><li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>het niet naar vermogen meewerken aan een door het college
                                    aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste
                                    lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, IOAW/IOAZ, waaronder
                                    begrepen het niet naar vermogen deelnemen aan taalwervingslessen
                                    voor mensen die onvoldoende de Nederlandse taal beheersen; </al></li><li nr="3."><al>het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de
                                    re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 38,
                                    eerste lid, IOAW/IOAZ bedoelde ontheffing, wat heeft geleid tot
                                    het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht;</al></li><li nr="4."><al>het zich niet (tijdig) laten registeren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet
                                    (tijdig) laten verlengen van de registratie;</al></li><li nr="5."><al>andere gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                    belemmeren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 27 en 29
                                van deze verordening, wordt vastgesteld op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de
                                eerste categorie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de
                                tweede categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op basis van individuele omstandigheden besluiten om
                                in afwijking van lid 1, onderdeel a, van dit artikel de maatregel te
                                effectueren door gedurende 2 maanden de uitkering met 50% te
                                verlagen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.2.2</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                                vierde lid, van de P-wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de
                                verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op basis van individuele omstandigheden besluiten om
                                in afwijking van lid 1 van dit artikel de maatregel te effectueren
                                door gedurende 2 maanden de uitkering met 50% te verlagen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.2.3</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in lid 4 van dit
                                artikel en artikel 33 van deze verordening, dan wordt een verlaging
                                van de uitkering opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in lid 1 wordt op de volgende wijze
                                vastgesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>10% van het benadelingsbedrag als dit gelijk of lager is dan €
                                4.000;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>20% van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan € 4.000.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de
                                verlaging 20% van de uitkering gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een
                                schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de
                                bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer
                                bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden opgelegd van 100%.
                                Deze bepaling geldt alleen voor de P-wet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor bijzondere bijstand
                                geen gebruik maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar
                                aard passend en toereikend is voor de soort kosten waarvoor
                                bijzondere bijstand is aangevraagd, wordt de bijzondere bijstand
                                verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou
                                hebben voorzien. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als toepassing van lid 4 leidt tot onbillijkheden wordt toepassing
                                gegeven aan het bepaalde in artikel 48, tweede lid, onder b, van de
                                P-wet en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening
                                voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening
                                wegens recidiveboete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 32 van deze verordening
                                wordt een verlaging van de uitkering opgelegd van 100% gedurende één
                                maand, indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op een
                                passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze
                                volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete, gerekend vanaf
                                de start van de verrekening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 32 van deze verordening
                                wordt, indien een belanghebbende voor de aanvang van de uitkering
                                algemeen geaccepteerde arbeid verwijtbaar niet heeft behouden,
                                waardoor hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden is geraakt, een
                                verlaging toegepast gedurende een maand. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging, zoals bedoeld in lid 2, wordt vastgesteld op de hoogte
                                van het netto inkomen inclusief vakantietoeslag, maar bedraagt
                                maximaal 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het inkomen, zoals bedoeld in lid 3, wordt in beginsel berekend op
                                basis van het laatst ontvangen loon gedurende een gehele maand.
                                Indien het een wisselend inkomen betreft, dan wordt de hoogte
                                vastgesteld op basis van het gemiddelde maandinkomen gedurende de
                                drie maanden voorafgaand aan het moment waarop de
                                bijstandsbehoeftige omstandigheden aanvingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Zeer ernstig misdragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover personen en
                                instanties, die zijn belast met de uitvoering van de P-wet, als
                                bedoeld in artikel 9, zesde lid van de P-wet, kan de uitkering
                                worden verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het college
                                of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                                houden met de uitvoering van de IOAW, IOAZ of Bbz, kan de uitkering
                                worden verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het agressieprotocol treedt in werking in geval van een ernstige
                                misdraging. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college legt een maatregel op van 100% gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij recidive legt het college een maatregel op van 100% gedurende 3
                                maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de P-wet, niet zijnde de
                            gedragingen als bedoeld in artikel28 of 32 van deze verordening,
                            niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging
                            wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                    nadere verplichtingen die verband houden met de aard en het doel
                                    van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="b."><al>40% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                    nadere verplichtingen die strekken tot vermindering van de
                                    bijstand;</al></li><li nr="c."><al>100% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                    nadere verplichtingen die strekken tot beëindiging van de
                                    bijstand.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.3</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.3.1</nr><titel>Schending inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenverplichting en bestuurlijke
                                boete</titel></kop><al>vervallen – zie toelichting</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Matigen en afzien van opleggen bestuurlijke boete</titel></kop><al>vervallen – zie toelichting </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.3.2</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive (alleen
                            P-wet)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Verrekenen zonder beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete de eerste drie maanden zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf de eerste van de maand volgend op de
                                dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf de eerste van de
                                maand volgend op de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent
                                het college de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op
                                een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een
                                inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r,
                                van de P-wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 38 en 39 van deze verordening kan het
                            college de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet
                            verrekenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 38 en 39 zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boete</titel></kop><al>De artikelen in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van</al><al>de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de P-wet,
                            indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van
                            verrekening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4</nr><titel>Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik (handhaving)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Hoogwaardig handhaven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude dan wel van
                                misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet is ingericht naar het
                                landelijk model voor hoogwaardig handhaven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt beleidsregels op met betrekking tot hoogwaardig
                                handhaven waarbij tenminste wordt aangegeven hoe wordt
                                geregeld:</al><al>a.de voorlichting over de regelgeving alsmede de daaraan verbonden
                                gevolgen bij misbruik en oneigenlijk gebruik;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de wijze van verificatie van gegevens en van informatie uitwisseling
                                met derden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de wijze waarop controles worden uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de wijze waarop fraude wordt opgespoord en afgehandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering
                                en kan daarbij gebruikmaken van controlemiddelen zoals een
                                heronderzoeksplan, huisbezoeken, risicoprofielen,
                                bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit
                                voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en
                                tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de
                                uitkering en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de
                                rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college
                                en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling
                                daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Aangifte bij het Openbaar Ministerie</titel></kop><al>Indien een schending van de inlichtingenplicht leidt tot benadeling van
                            de gemeenten, doet het college aangifte bij het Openbaar Ministerie, in
                            overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt
                            gehanteerde uitgangspunten in de Aanwijzing Sociale
                            Zekerheidsfraude.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</titel></kop><al>Het college stelt beleidsregels op met betrekking tot herziening, terug-
                            en invordering waarbij tenminste wordt geregeld:</al><lijst><li nr=""><al>a.op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot herziening, terugvordering en invordering van
                                    een verstrekte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>op welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering dan
                                    wel van invordering kan worden afgezien;</al></li><li nr="c."><al>met welke frequente heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Verhaal</titel></kop><al>Het college stelt beleidsregels op met betrekking tot verhaal op de
                            onderhoudsplicht waarin tenminste wordt geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot verhaal;</al></li><li nr="b."><al>wanneer en op welke wijze er wordt afgezien van het nemen van
                                    een verhaalsbesluit en het invorderen van de te verhalen
                                    voorziening;</al></li><li nr="c."><al>met welke frequentie heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In bijzondere gevallen kan afgeweken worden van de bepalingen in deze
                            verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende
                            aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verzamelverordening gemeente
                            Oisterwijk 2016’. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz
                                    2015-A’ wordt met de inwerkingtreding van de
                                    ‘Verzamelverordening gemeente Oisterwijk 2016’ ingetrokken.
                                </al></li><li nr="2."><al>Een belanghebbende aan wie op grond van paragraaf 2 van de
                                    Verzamelverordening WWB, Ioaw, Ioaz en Bbz 2015-A een
                                    voorziening is verstrekt, behoudt deze voorziening en de daaraan
                                    verbonden rechten en verplichtingen voor de duur dat deze is
                                    verstrekt en zo lang aan de voorwaarden wordt voldaan.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Oisterwijk op</ondertekening><ondertekening>17 maart 2016.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>Nelleke van Wijk Hans Janssen</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>INHOUDSOPGAVE</vet></al><al>§ 1. Algemeen…………………………………………………………………… 4</al><al>§ 2. Re-integratie en tegenprestatie………………………………………….. 6</al><al> § 2.1 Algemene bepalingen…………………………………………… 6</al><al> § 2.2 Voorzieningen.…………………………………………………… 7</al><al>§ 2.3 Voorzieningen voor mensen met verminderde loonwaarde</al><al> of beperkingen richting werk…………………………………. 8</al><al> § 2.4 Studietoeslag…………………………………………………..... 9 </al><al> § 2.5 Tegenprestatie…………………………………………………… 9</al><al>§ 3. Afstemming en bestuurlijke boete………………………………………. 11</al><al>§ 3.1 Algemene bepalingen………………………………………….. 11</al><al>§ 3.2 Gedragingen en bijbehorende maatregelen………………….. 13</al><al> § 3.2.1 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen</al><al> met betrekking tot de arbeidsinschakeling………………... 13</al><al> § 3.2.2 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen</al><al> met betrekking tot de arbeidsinschakeling………………... 14</al><al>§ 3.2.3 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging………… 14</al><al> § 3.3 Bestuurlijke boete……………………………………………….. 16</al><al> § 3.3.1 Schending inlichtingenplicht…………………………………. 16 </al><al>§ 3.3.2 Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive
                    16</al><al>§ 4. Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik (handhaving)………………
                    17</al><al>§ 5. Slotbepalingen……………………………………………………………… 18</al></bijlage></regeling></body></cvdr>