<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR401578_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verzamelverordening P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2016, 39780</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verzamelverordening P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Onbekend</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8"/><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8a"/><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8b"/><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=35"/><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=35"/><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-05-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verzamelverordening P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dongen</al><lijst><li nr="•"><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;
                            </al></li><li nr="•"><al>gelet op artikel 108 en 147 van de Gemeentewet; </al></li><li nr="•"><al>gelet op de artikelen 8 , 8a en 8b Participatiewet;</al></li><li nr="•"><al>gelet op artikel 35 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers; </al></li><li nr="•"><al>gelet op artikel 35 wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="•"><al>gelet op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; </al></li><li nr="•"><al>gelet op de wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                                SZW-wetgeving;</al></li><li nr="•"><al>gelet op de Wet taaleis Participatiewet en het onderliggende besluit
                                taaltoets Participatiewet, </al></li></lijst><al>besluit vast te stellen, </al><al><vet>Verzamelverordening P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2016</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>§ 1 algemeen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Definities</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>P-wet:</cursief> Participatiewet</al></li><li nr="b."><al><cursief>Bbz</cursief>: het Besluit bijstandverlening
                                    zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="c."><al><cursief>IOAW</cursief> : Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers ;</al></li><li nr="d."><al><cursief>IOAZ</cursief>: Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al><cursief>De wet: </cursief>de P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz te
                                    samen;</al></li><li nr="f."><al><cursief>Algemene bijstand</cursief>: de bijstand bedoeld in
                                    artikel 5, onderdeel b, van de P-wet;</al></li><li nr="g."><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief>: 1° toepasselijke norm als
                                    bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de P-wet, of 2° grondslag
                                    van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel
                                    5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond
                                    van de IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Grondslag</cursief>: de uitkeringsnorm zoals bedoeld in
                                    artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Bijzondere bijstand:</cursief> de bijstand bedoeld in
                                    artikel 5, onderdeel d, van de P-wet;</al></li><li nr="j."><al><cursief>Belanghebbende</cursief>: de alleenstaande,
                                    alleenstaande ouder of het gezin dat recht heeft op een
                                    uitkering dan wel een voorziening in het kader van de wet;</al></li><li nr="k."><al><cursief>Uitkering: </cursief>in de context van deze verordening
                                    wordt onder uitkering verstaan de bijstandsuitkering of de
                                    grondslag IOAW / IOAZ;</al></li><li nr="l."><al><cursief>Uitkeringsgerechtigde</cursief>: een persoon die een
                                    uitkering ontvangt ingevolgde de P-wet, IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="m."><al><cursief>Re-integratieverplichting</cursief>: de verplichting om
                                    gebruik te maken van een voorziening gericht op inschakeling in
                                    of het verkleinen van de afstand tot de arbeid waaronder
                                    begrepen begeleiding naar maatschappelijke participatie en het
                                    meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                    arbeidsinschakeling en/ of de geschiktheid voor scholing/
                                    opleiding;</al></li><li nr="n."><al><cursief>Inlichtingenplicht: </cursief>de verplichtingom op
                                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
                                    alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk
                                    is dat deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of
                                    het recht op bijstand; </al></li><li nr="o."><al><cursief>Medewerkingsverplichting: </cursief>de verplichting
                                    ommee te werken aan de noodzakelijk geachte voorziening, aan een
                                    onderzoek naar het recht op uitkering, eventueel via een
                                    huisbezoek als ook naar de voortgang van het
                                    re-integratietraject;</al></li><li nr="p."><al><cursief>Benadelingsbedrag</cursief>: het bedrag dat ten
                                    onrechte of teveel is of wordt verleend als uitkering;</al></li><li nr="q."><al><cursief>Recidive:</cursief> hiervan is sprake wanneer een
                                    belanghebbende zich binnen 12 maanden na de vorige als
                                    verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een
                                    verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie dan wel hetzelfde
                                    artikel zoals genoemd in deze verordening dan wel de wet. Alleen
                                    bij de boete is de recidiveperiode vastgesteld op 5 jaar.</al></li><li nr="r."><al><cursief>Verlaging/maatregel:</cursief> het verlagen van de
                                    bijstand of grondslag op grond van artikel 18 tweede lid van de
                                    P-wet resp. 20 lid 2 IOAW/ IOAZ;</al></li><li nr="s."><al><cursief>Waarschuwing</cursief>: het besluit waarin afgezien
                                    wordt van het opleggen van een maatregel of boete, maar waarin
                                    wel wordt bevestigd dat er sprake is van het verwijtbaar niet
                                    nakomen van verplichtingen;</al></li><li nr="t."><al><cursief>Voorziening</cursief>: een door het college
                                    noodzakelijk geachte voorziening gericht op inschakeling in de
                                    arbeid of zelfstandige maatschappelijke participatie waaronder
                                    begrepen een onderzoek naar de belastbaarheid en de noodzaak tot
                                    inzet van loonkostensubsidie;</al></li><li nr="u."><al><cursief>Doelgroep re-integratie</cursief>: personen aan wie op
                                    grond van artikel 7 eerste lid onder a van de P-wet of op grond
                                    van artikel 34 van de IOAW, of op grond van artikel 34 van de
                                    IOAZ door de gemeente ondersteuning bij re-integratie kan worden
                                    geboden;</al></li><li nr="v."><al><cursief>Participatie</cursief>: het naar vermogen meedoen in de
                                    samenleving door o.a. het verrichten van betaald regulier of
                                    gesubsidieerd werk, het volgen van scholing, het verrichten van
                                    maatschappelijk nuttige activiteiten of een tegenprestatie;</al></li><li nr="w."><al><cursief>Loonkostensubsidie</cursief>: de subsidie op de loonsom
                                    die het college kan verstrekken aan een werkgever om een
                                    werknemer met een verminderde loonwaarde vanwege een beperking
                                    al dan niet tijdelijk in dienst te nemen;</al></li><li nr="x."><al><cursief>Verminderde loonwaarde</cursief>: hiervan is sprake
                                    wanneer een persoon vanwege een beperking niet in staat is het
                                    wettelijk minimumloon te verdienen;</al></li><li nr="y."><al><cursief>Plan van aanpak</cursief>: een plan van aanpak zoals
                                    bedoeld in artikel 44a van de P-wet of een trajectplan;</al></li><li nr="z."><al><cursief>Tegenprestatie</cursief>: onbeloonde maatschappelijk
                                    nuttige activiteiten die worden verricht, eventueel naast of in
                                    aanvulling op beloonde arbeid, en die niet leiden tot
                                    verdringing op de arbeidsmarkt. De werkzaamheden hoeven niet te
                                    leiden tot het versterken van het arbeidsperspectief en dienen
                                    als wederdienst voor de ontvangen uitkering;</al></li><li nr="aa."><al><cursief>Wachttijd (27-) </cursief>wettelijk bepaalde periode
                                    van vier weken waarin de belanghebbende verplicht is zelf op
                                    zoek te gaan naar werk en om de mogelijkheden van regulier
                                    onderwijs te onderzoeken. Pas hierna wordt de aanvraag ingediend
                                    en het recht op inkomensondersteuning en ondersteuning naar
                                    participatie onderzocht;</al></li><li nr="bb."><al><cursief>Duurzame arbeidsinschakeling:</cursief> algemeen
                                    geaccepteerde arbeid die over een periode van ten minste zes
                                    maanden wordt verricht en waar geen voorziening aan verbonden is
                                    in de vorm van loonkostensubsidie;</al></li><li nr="cc."><al><cursief>Bestuurlijke boete</cursief>: een boete die door een
                                    daartoe bevoegde overheidsdienst zonder tussenkomst van het
                                    Openbaar Ministerie of een rechter kan worden opgelegd. Deze
                                    boete heeft een straffend karakter;</al></li><li nr="dd."><al><cursief>Beslagvrije voet</cursief>: beslagvrije voet als
                                    bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van
                                    Burgerlijke Rechtsvordering, deel van het inkomen waarop geen
                                    beslag mag worden gelegd;</al></li><li nr="ee."><al><cursief>Recidiveboete</cursief>: bestuurlijke boete als bedoeld
                                    in artikel 18a, vijfde lid, van de P-wet; </al></li><li nr="ff."><al><cursief>Bezit</cursief><cursief>: </cursief>waarde van de
                                    bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of
                                    redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de
                                    bewoonde woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld
                                    in artikel 50, eerste lid, van de P-wet; </al></li><li nr="gg."><al><cursief>Verrekenen</cursief><cursief>: </cursief>de verrekening
                                    als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van P-wet.</al></li><li nr="hh."><al><cursief>Mantelzorg</cursief>: langdurige zorg, gedurende 10 uur
                                    of meer per week, die niet in het kader van een hulpverlenend
                                    beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, maar door personen
                                    uit diens directe omgeving. De zorgverlening overstijgt de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar en vloeit
                                    rechtstreeks voort uit de sociale relatie;</al></li><li nr="ii."><al><cursief>Flankerende voorziening</cursief>: de inzet van deze
                                    voorziening is een randvoorwaarde voor de belanghebbende voor
                                    deelname aan re-integratievoorzieningen en nakoming van
                                    arbeidsverplichtingen (waaronder schuldhulpverlening en
                                    kinderopvang);</al></li><li nr="jj."><al><cursief>No-risk polis</cursief>: een verzekering die de
                                    financiële gevolgen van ziekte van de in dienst genomen
                                    uitkeringsgerechtigde voor een werkgever afdekt;</al></li><li nr="kk."><al><cursief>Diagnose</cursief>: een onderzoek naar de mogelijkheden
                                    op de arbeidsmarkt van een uitkeringsaanvrager of
                                    uitkeringsgerechtigde dat wordt verwerkt in een plan van aanpak.
                                    Indien noodzakelijk wordt een nader onderzoek naar de
                                    arbeidsmogelijkheden en beperkingen uitgevoerd, eventueel door
                                    een externe deskundige, teneinde het plan van aanpak vast te
                                    stellen.</al></li><li nr="ll."><al><cursief>Participatiepartner:</cursief> re-integratiebedrijf,
                                    werkgever of maatschappelijke partner, waarmee de gemeente
                                    samenwerkt in het kader van de P-wet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>§ 2 Re-integratie en Tegenprestatie</label></kop><paragraaf><kop><label>§ 2.1 algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Opdracht en taak van het college </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening ten
                                    behoeve van de persoon die behoort tot de doelgroep
                                    re-integratie en die dit naar het oordeel van het college nodig
                                    heeft bij de arbeidsinschakeling of zelfstandige
                                    maatschappelijke participatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod
                                    aan ondersteuning en voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening of
                                    ondersteuning rekening met de mogelijkheden en omstandigheden
                                    van de belanghebbende. Deze omstandigheden hebben in ieder geval
                                    betrekking op zorgtaken van die persoon zoals beschreven in de
                                    beleidsregels, eventuele structurele beperkingen en de
                                    mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van
                                    flankerende voorzieningen die belemmeringen voor re-integratie
                                    en arbeidsinschakeling kunnen opheffen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbieden van
                                    voorzieningen prioriteren naar gelang de financiële
                                    mogelijkheden en rekening houden met maatschappelijke,
                                    economische en conjuncturele ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
                                    voorzieningen of doelgroepen en draagt daarbij zorg voor een
                                    evenwichtige verdeling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Aanspraak </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voorzieningen kunnen worden verstrekt aan een belanghebbende dan
                                    wel aan de werkgever van de belanghebbende. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op basis van een screening en eventueel een (verdiepende)
                                    diagnosestemt het college de ondersteuning en voorzieningen af
                                    op het vergroten van de zelfredzaamheid van de belanghebbende
                                    via de kortste weg naar duurzame arbeidsinschakeling dan wel een
                                    zo hoog mogelijke arbeidsproductiviteit. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college legt het individuele aanbod van een voorziening aan
                                    een persoon vast in een plan van aanpak.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning voor zover er een
                                    beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die
                                    voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of
                                    maatschappelijke participatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie maar geen
                                    bijstandsuitkering ontvangt, heeft, tenzij in de wet anders is
                                    bepaald, geen aanspraak op ondersteuning krachtens deze
                                    verordening indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het gezinsinkomen hoger is dan 110% van het wettelijk
                                            minimumloon en/of het vermogen hoger is dan het maximaal
                                            vrij te laten vermogen conform de P-wet;</al></li><li nr="b."><al>deze persoon betaalde arbeid verricht gedurende meer dan
                                            12 uur per week, tenzij de voorziening nodig is om dit
                                            werk te behouden dan wel uit te breiden;</al></li><li nr="c."><al>niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze
                                            persoon bereid dan wel in staat is om tenminste 12 uur
                                            per week algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De restricties zoals opgenomen in lid 6 kunnen buiten
                                    beschouwing worden gelaten, indien het een jonggehandicapte met
                                    arbeidsvermogen betreft, die na 31 december 2014 is uitgestroomd
                                    uit het praktijkonderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs of
                                    een ROC-entree opleiding. Dit geldt enkel voor de voorzieningen
                                    die daartoe in de beleidsregels zijn aangewezen en tot uiterlijk
                                    een jaar na de datum van uitstroom. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te
                                    bieden als een eerdere voorziening voortijdig is beëindigd
                                    vanwege een reden, zoals opgenomen in artikel 5 sub a en e.
                                </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 2.2 Voorzieningen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4 Voorzieningen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep
                                    re-integratie:</al><lijst><li nr="a."><al>(laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid;
                                        </al></li><li nr="c."><al>ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van
                                            belemmeringen voor de arbeidsinschakeling, waaronder
                                            begeleiding op en aanpassingen van de werkplek en
                                            scholing;</al></li><li nr="d."><al>verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan
                                            maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="e."><al>Anderszins een voorziening verstrekken in verband met
                                            bepaalde specifieke re-integratie activiteiten, nader te
                                            bepalen in de beleidsregels zoals vermeld in lid 3 van
                                            dit artikel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan een werkgever (financiële) ondersteuning
                                    bieden ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de
                                    doelgroep re-integratie, anders dan de loonkostensubsidie, zoals
                                    opgenomen in §2.3 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                    beleidsregels vast, waarin de voorzieningen en de bijbehorende
                                    voorwaarden zijn opgenomen, voor zover daarover in deze
                                    verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Beëindigen van een voorziening </label></kop><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                        P-wet of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ of IOAW niet
                                        (langer) nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep re-integratie; </al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de P-wet; </al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening; </al></li><li nr="e."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening en de
                                        beleidsregels worden gesteld om in aanmerking te komen voor
                                        die voorziening;</al></li><li nr="g."><al>door het college wordt vastgesteld dat voortzetting van de
                                        voorziening niet wenselijk is omdat de participatiepartner,
                                        niet of in onvoldoende mate aan de op hem rustende
                                        verplichtingen krachtens het Burgerlijk Wetboek en/of de
                                        geldende voorwaarden voldoet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a, van de P-wet een uitkeringsgerechtigde voor wie de
                                    kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die
                                    daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt,
                                    onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten zoals
                                    bedoeld in artikel 10a van de P-wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele
                                    werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 10a P-wet verricht,
                                    ontvangt conform lid 6 van dat artikel ieder half jaar een
                                    premie, mits naar vermogen is meegewerkt aan het vergroten van
                                    de kans op arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op basis van artikel 10a van de P-wet of artikel
                                    38a IOAW/IOAZ aan uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder en
                                    die niet beschikt over een startkwalificatie scholing aanbieden
                                    met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in
                                    artikel 31, tweede lid, onder j van de P-wet. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt beleidsregels op ten aanzien van de
                                    participatieplaats, voor wat betreft de premie zoals bedoeld in
                                    lid 2, de scholing zoals bedoeld in lid 3 en de voorwaarden en
                                    verplichtingen die daaraan verbonden zijn.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 2.3 voorzieningen voor mensen met verminderde loonwaarde of beperkingen richting werk</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7 Participatievoorziening beschut werk </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, bij wijze van voorselectie, ambtshalve
                                    beoordelen of een belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 7 lid
                                    1 onderdeel a P-wet, uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                                    heeft. Het college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend
                                    personen met beperkingen richting werk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit de voorselectie zoals bedoeld in lid 1 een
                                    belanghebbende naar voren komt die vermoedelijk uitsluitend in
                                    een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, dan wint het
                                    college een advies ter beoordeling van het arbeidsvermogen in
                                    bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
                                    vaststelt dat het een belanghebbende betreft die alleen met een
                                    hoge mate van ondersteuning en aanpassing van het werk in staat
                                    is om arbeid te verrichten, dan vraagt het college, indien er
                                    een of meerdere voorzieningen zoals bedoeld in artikel 10b lid 1
                                    P-wet beschikbaar zijn, een advies beschut werk aan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ten behoeve van de persoon, van wie het college
                                    heeft geoordeeld dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                    onder aangepaste omstandigheden kan werken, alle overige
                                    voorzieningen inzetten, zoals opgenomen in de P-wet en deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college bepaalt jaarlijks het aantal in te zetten plekken
                                    beschut werk ten behoeve van de onder lid 1 genoemde
                                    doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college biedt personen zoals bedoeld in lid 1 in beginsel
                                    een alternatieve passende voorziening aan, wanneer er geen
                                    voorziening zoals bedoeld in artikel 10b lid 1 P-wet voorhanden
                                    is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 No-risk polis (tijdelijk vervallen - zie toelichting)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals
                                            omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                            P-wet; en</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                            wettelijk minimumloon te verdienen; en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                            arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van de regionaal
                                    overeengekomen gevalideerde methodiek Dariuz.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 2.4 Studietoeslag</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10 Indienen verzoek </label></kop><al>Een verzoek voor studietoeslag als bedoeld in artikel 36b, eerste
                                lid, van de P-wet, wordt ingediend middels een door het college
                                vastgesteld formulier. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Mogelijkheid tot verdienen wettelijk minimumloon </label></kop><al>Het college controleert of de aanvrager voldoet aan de vereisten van
                                artikel 36b en stelt vast of de belanghebbende niet in staat is tot
                                het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden
                                heeft tot arbeidsparticipatie. Bij twijfel vraagt het college een
                                externe organisatie om advies.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen </label></kop><al>Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen
                                voor een individuele studietoeslag. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Hoogte individuele studietoeslag </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele studietoeslag bedraagt € 100 per maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de individuele studietoeslag wordt aangepast
                                    indien relevante ontwikkelingen daarom vragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Betaling individuele studietoeslag </label></kop><al>Een individuele studietoeslag wordt per studiejaar eenmalig als één
                                bedrag uitbetaald.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 2.5 Tegenprestatie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 15 Doelgroep en doel tegenprestatie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de doelgroep van de tegenprestatie behoren alle
                                    belanghebbenden van 18 jaar of ouder, die de pensioengerechtigde
                                    leeftijd nog niet hebben bereikt en die een uitkering ontvangen
                                    op grond van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van het verrichten van een tegenprestatie is om
                                    belanghebbenden maatschappelijk nuttige werkzaamheden te laten
                                    verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Inhoud van een tegenprestatie </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                    werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als
                                    tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: </al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                            arbeidsmarkt; en </al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie instrument: en </al></li><li nr="c."><al>in de organisatie waarin ze worden verricht, worden
                                            verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid;
                                            en</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van de tegenprestatie
                                    beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                                    werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de
                                    voorwaarden die daarbij gelden, voor zover daarover in deze
                                    verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Het opdragen van een tegenprestatie </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college
                                    rekening met de volgende factoren: </al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende moet de tegenprestatie naar vermogen
                                            kunnen verrichten; </al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                            van een belanghebbende worden in aanmerking genomen;
                                        </al></li><li nr="c."><al>de wensen van de belanghebbende ten aanzien van de
                                            inhoud van de tegenprestatie, waaronder begrepen een
                                            eventueel voorstel voor wat betreft de inhoud van de
                                            tegenprestatie van de belanghebbende zelf.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Duur en omvang van een tegenprestatie </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van de tegenprestatie wordt opgedragen voor een
                                    maximale duur van drie maanden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal acht uur per
                                    week. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts
                                    eenmaal worden opgedragen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Afzien van het opleggen van een tegenprestatie </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een
                                    belanghebbende mantelzorg verricht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien de
                                    belanghebbende naar het oordeel van het college reeds voldoende
                                    maatschappelijk nuttige activiteiten verricht. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>§ 3 Afstemming en bestuurlijke boete</label></kop><paragraaf><kop><label>§ 3.1 Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 20 Het opleggen van een verlaging van de uitkering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan zoals bedoeld in de P-wet dan wel de
                                    verplichtingen genoemd in deze verordening en/of de wet, met
                                    uitzondering van artikel 17, eerste lid, P-wet en artikel 13
                                    IOAW en IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het
                                    zich zeer ernstig misdragen zoals omschreven in artikel 34 van
                                    deze verordening, wordt overeenkomstig deze verordening een
                                    verlaging van de uitkering opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging van de uitkering wordt afgestemd op de ernst van
                                    de gedraging en de omstandigheden waarin een belanghebbende of
                                    zijn gezin verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21 Besluit</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het besluit tot het opleggen van de verlaging of waarschuwing
                                    van de uitkering wordt in ieder geval vermeld: de reden van de
                                    verlaging/waarschuwing, de eventuele duur en hoogte van de
                                    verlaging als ook de afweging van de individuele belangen zoals
                                    bedoeld in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd, wordt
                                    gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                    dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing op
                                    grond van deze verordening. Daarom tellen ook deze besluiten mee
                                    voor recidive.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 Afzien van het opleggen van een verlaging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een verlaging
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 2 jaar voor constatering daarvan
                                            door het college heeft plaatsgevonden en het is niet de
                                            gedraging zoals bedoeld in de geüniformeerde
                                            maatregelen, zoals opgenomen in artikel 18 lid 4
                                            P-wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging indien
                                    het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op
                                    grond van dringende redenen, wordt aan de belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 Ingangsdatum, tijdvak en recidive</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de verlaging
                                    in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum
                                    waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging van de
                                    uitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                                    uitgegaan van de voor die maand geldende toepasselijke
                                    bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd als er sprake is van een
                                    besluit op aanvraag, voor zover de uitkering nog niet is
                                    uitbetaald. In deze situatie werkt het verlagen van de uitkering
                                    terug tot de ingangsdatumdatum van de uitkering dan wel de datum
                                    waarop het verzuim betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college, indien een
                                    belanghebbende zich in een maand schuldig maakt aan meerdere
                                    maatregelwaardige gedragingen en de belanghebbende al is gehoord
                                    en in kennis gesteld is van de opgelegde maatregel, de tweede en
                                    volgende maatregelen opleggen in de maand(en) volgend op de
                                    maand waarover de eerste maatregel is opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het
                                    zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud
                                    hebben ontvangen in de vorm van een geldlening op grond van het
                                    Bbz, de verlaging met terugwerkende kracht worden betrokken bij
                                    de definitieve vaststelling van die bijstand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij samenloop van verschillende gedragingen die het niet nakomen
                                    van verplichtingen inhouden, wordt de hoogte en duur van de
                                    verlaging vastgesteld op de gedraging met de hoogste
                                    verlaging.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De uitkering wordt verlaagd voor de duur van één maand, tenzij
                                    sprake is van: </al><lijst><li nr="a."><al>recidive, dan wordt de hoogte en indien dat niet
                                            mogelijk is de duur van de verlaging verdubbeld, tenzij
                                            in deze verordening of de wet anders is bepaald;</al></li><li nr="b."><al>verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een
                                            afwijkende duur is vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien door beëindiging van de uitkering de verlaging niet of
                                    niet volledig kan worden toegepast, kan bij een eventuele nieuwe
                                    aanvraag binnen de termijn van 1 jaar de verlaging of het deel
                                    dat nog niet is uitgevoerd alsnog worden geëffectueerd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 De berekeningsgrondslag van de verlaging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke
                                    bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verlaging bestaat uit een percentage van de toepasselijke
                                    bijstandsnorm, dan wel uit een percentage van het
                                    benadelingsbedrag, zoals opgenomen in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van artikel 12 (onderhoudsplicht ouders)
                                            P-wet; </al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie
                                            tot het recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding
                                            geeft; </al></li><li nr="c."><al>het bijzondere bijstand betreft voor woonkosten en
                                            premie voor arbeidsongeschiktheidsverzekering aan
                                            zelfstandigen die een uitkering voor levensonderhoud
                                            (hebben) ontvangen krachtens het Bbz of IOAZ.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan bijzondere
                                    bijstand worden afgestemd op de wijze zoals beschreven in
                                    artikel 32 lid 5 van deze verordening wanneer sprake is van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan afstemming
                                    plaatsvinden door de bijstand bij een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het
                                    bestaan te verstrekken als geldlening op basis van artikel 48,
                                    tweede lid, onder b, P-wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25 Waarschuwing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij gedragingen uit de tweede categorie zoals
                                    bedoeld in 27 sub b en 29 sub b van deze verordening, in plaats
                                    van een verlaging, een waarschuwing opleggen, indien het college
                                    hiertoe in de individuele omstandigheden aanleiding ziet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een waarschuwing wordt niet afgegeven wanneer sprake is van
                                    recidive zoals bedoeld in artikel 23 lid 6 onderdeel a van deze
                                    verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 Horen van belanghebbende(n)</label></kop><al>Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hiervan
                                kan afgezien worden als:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft
                                        gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of
                                        omstandigheden; of</al></li><li nr="b."><al>binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de
                                        inlichtingenplicht; of</al></li><li nr="c."><al>het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst
                                        van de gedraging of de invloed van eventuele individuele
                                        omstandigheden. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 3.2 Gedragingen en bijbehorende maatregelen</label></kop><sub-paragraaf><kop><label>§ 3.2.1 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 27 Gedragingen P-wet</label></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen
                                    geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op
                                    grond van de artikelen 9 en 9a van de P-wet niet of onvoldoende
                                    wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                                    categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het door een persoon, jonger dan 27 jaar, niet
                                                  of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                                  uitvoeren of evalueren van een plan van
                                                  aanpak;</al></li><li nr="2."><al>het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of
                                                  passende scholing te verkrijgen, te aanvaarden en
                                                  te behouden gedurende de wachttijd van 4 weken na
                                                  melding voor jongeren tot 27 jaar;</al></li><li nr="3."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door
                                                  het college opgedragen tegenprestatie naar
                                                  vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                                  onderdeel c, P-wet;</al></li><li nr="4."><al>het niet naar vermogen meewerken aan de arbeids-
                                                  en re-integratieverplichtingen, die gemeente
                                                  Dongen verbindt aan de aanvraag
                                                  levensonderhoud.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen
                                                  geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit
                                                  niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in
                                                  artikel 18, vierde lid, van de P-wet;</al></li><li nr="2."><al>het door een alleenstaande ouder niet voldoen
                                                  aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan
                                                  de in artikel 9a, eerste lid, P-wet bedoelde
                                                  ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van
                                                  de ontheffing van de arbeidsplicht;</al></li><li nr="3."><al>het zich niet (tijdig) laten registeren als
                                                  werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                                  Werknemersverzekeringen of het niet (tijdig) laten
                                                  verlengen van de registratie;</al></li><li nr="4."><al>andere gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                                  belemmeren, niet zijnde gedragingen genoemd in
                                                  artikel 18, vierde lid, P-wet;</al></li><li nr="5."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan de
                                                  taaltoets zoals bedoeld in artikel 18b lid 2
                                                  P-wet, waarvoor belanghebbende een schriftelijke
                                                  uitnodiging heeft ontvangen. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28 Niet nakomen overige verplichtingen P-wet</label></kop><al>Indien een belanghebbende nadere verplichtingen als bedoeld in
                                    artikel 55 P-wet die strekken tot arbeidsinschakeling niet
                                    nakomt, wordt een verlaging van de uitkering van 50% gedurende 1
                                    maand toegepast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29 Gedragingen IOAW en IOAZ</label></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen
                                    geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op
                                    grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of
                                    onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                                    categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                                  arbeid;</al></li><li nr="2."><al>het door eigen toedoen niet behouden van
                                                  algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="3."><al>het weigeren van een passend re-integratie
                                                  aanbod;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door
                                                  het college opgedragen tegenprestatie naar
                                                  vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                                  onderdeel f, IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="5."><al>het niet naar vermogen meewerken aan de arbeids-
                                                  en re-integratieverplichtingen, die gemeente
                                                  Dongen verbindt aan de aanvraag
                                                  levensonderhoud.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen
                                                  geaccepteerde arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>het niet naar vermogen meewerken aan een door
                                                  het college aangeboden voorziening als bedoeld in
                                                  de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                                  onderdeel e, IOAW/IOAZ, waaronder begrepen het
                                                  niet naar vermogen deelnemen aan
                                                  taalwervingslessen voor mensen die onvoldoende de
                                                  Nederlandse taal beheersen; </al></li><li nr="3."><al>het door een alleenstaande ouder niet voldoen
                                                  aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan
                                                  de in artikel 38, eerste lid, IOAW/IOAZ bedoelde
                                                  ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van
                                                  de ontheffing van de arbeidsplicht;</al></li><li nr="4."><al>het zich niet (tijdig) laten registeren als
                                                  werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                                  Werknemersverzekeringen of het niet (tijdig) laten
                                                  verlengen van de registratie;</al></li><li nr="5."><al>andere gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                                  belemmeren.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30 Hoogte en duur van de verlaging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 27
                                        en 29 van deze verordening, wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij
                                                gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij
                                                gedragingen van de tweede categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op basis van individuele omstandigheden
                                        besluiten om in afwijking van lid 1, onderdeel a, van dit
                                        artikel de maatregel te effectueren door gedurende 2 maanden
                                        de uitkering met 50% te verlagen.</al></lid></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>§ 3.2.2 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 31 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichtingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in
                                        artikel 18, vierde lid, van de P-wet niet of onvoldoende
                                        nakomt, bedraagt de verlaging 100 % van de bijstandsnorm
                                        gedurende 1 maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op basis van individuele omstandigheden
                                        besluiten om in afwijking van lid 1, onderdeel a, van dit
                                        artikel de maatregel te effectueren door gedurende 2 maanden
                                        de uitkering met 50% te verlagen.</al></lid></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>§ 3.2.3 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 32 tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
                                        heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in
                                        lid 4 van dit artikel en artikel 33 van deze verordening,
                                        dan wordt een verlaging van de uitkering opgelegd die wordt
                                        afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in lid 1 wordt op de volgende wijze
                                        vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van het benadelingsbedrag als dit gelijk of
                                                lager is dan € 4.000;</al></li><li nr="b."><al>20% van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan €
                                                4.000.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld
                                        bedraagt de verlaging 20% van de uitkering gedurende één
                                        maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan
                                        van een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het
                                        verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder
                                        dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging
                                        worden opgelegd van 100%. Deze bepaling geldt alleen voor de
                                        P-wet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor bijzondere
                                        bijstand geen gebruik maakt van een voorliggende
                                        voorziening, die gezien haar aard passend en toereikend is
                                        voor de soort kosten waarvoor bijzondere bijstand is
                                        aangevraagd, wordt de bijzondere bijstand verlaagd met het
                                        bedrag waarin de voorliggende voorziening zou hebben
                                        voorzien. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als toepassing van lid 4 leidt tot onbillijkheden wordt
                                        toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48, tweede
                                        lid, onder b, P-wet en wordt de uitkering verstrekt in de
                                        vorm van een geldlening voor de duur van het eerder dan wel
                                        langer bijstandsafhankelijk zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 verlies van een passende voorliggende voorziening</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 32 van deze
                                        verordening wordt een verlaging van de uitkering opgelegd
                                        van 100% gedurende één maand, indien belanghebbende geen
                                        beroep meer kan doen op een passende en toereikende
                                        voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt
                                        verrekend met een bestuurlijke boete, gerekend vanaf de
                                        start van de verrekening;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 32 van deze
                                        verordening wordt, indien een belanghebbende voor de aanvang
                                        van de uitkering algemeen geaccepteerde arbeid verwijtbaar
                                        niet heeft behouden, waardoor hij in bijstandsbehoeftige
                                        omstandigheden is geraakt, een verlaging toegepast gedurende
                                        een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging zoals bedoeld in lid 2 wordt vastgesteld op de
                                        hoogte van het netto inkomen inclusief vakantietoeslag, maar
                                        bedraagt maximaal 100% van de van toepassing zijnde
                                        bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het inkomen zoals bedoeld in lid 2 wordt in beginsel
                                        berekend op basis van het laatst ontvangen loon gedurende
                                        een gehele maand. Indien het een wisselend inkomen betreft,
                                        dan wordt de hoogte vastgesteld op basis van het gemiddelde
                                        maandinkomen gedurende de drie maanden voorafgaand aan het
                                        moment waarop de bijstandsbehoeftige omstandigheden
                                        aanvingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 34 Zeer ernstig misdragen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover
                                        personen en instanties, die zijn belast met de uitvoering
                                        van de P-wet, als bedoeld in artikel 9, zesde lid van de
                                        P-wet, kan de uitkering worden verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het
                                        college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                                        rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW,
                                        IOAZ of Bbz, kan de uitkering worden verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het agressieprotocol treedt in werking in geval van een zeer
                                        ernstige misdraging. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college legt een maatregel op van 100% gedurende één
                                        maand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij recidive legt het college een maatregel op van 100%
                                        gedurende 3 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 Niet nakomen van overige verplichtingen</label></kop><al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het college
                                    opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55 P-wet, niet
                                    zijnde de gedragingen als bedoeld in artikel28 of 32 van
                                    deze verordening, niet of onvoldoende nakomt, wordt een
                                    verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende
                                            nakomen van nadere verplichtingen die verband houden met
                                            de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                                            bijstand;</al></li><li nr="b."><al>40% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende
                                            nakomen van nadere verplichtingen die strekken tot
                                            vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="c."><al>100% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende
                                            nakomen van nadere verplichtingen die strekken tot
                                            beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></artikel></sub-paragraaf></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 3.3 Bestuurlijke boete</label></kop><sub-paragraaf><kop><label>§ 3.3.1 Schending inlichtingenplicht</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 36 Niet nakomen van de inlichtingenverplichting en bestuurlijke boete </label></kop><al>vervallen – zie toelichting</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 37 Matigen en afzien van opleggen bestuurlijke boete</label></kop><al>vervallen – zie toelichting</al></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>§ 3.3.2 Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive (alleen P-wet)</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 38 Verrekenen zonder beslagvrije voet bij voldoende bezit</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal
                                        de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het
                                        college de recidiveboete de eerste drie maanden zonder
                                        inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt
                                        gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf de eerste van
                                        de maand volgend op de dagtekening waarop de bestuurlijke
                                        boete is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 39 Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste
                                        driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent
                                        het college de recidiveboete gedurende één maand zonder
                                        inachtneming van de beslagvrije voet. De verrekening
                                        geschiedt vanaf de eerste van de maand volgend op de
                                        dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid,
                                        verrekent het college de recidiveboete in de daarop volgende
                                        twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende
                                        blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de
                                        toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook
                                        middelen gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid,
                                        onderdelen n en r, P-wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</label></kop><al>In afwijking van de artikelen 38 en 39 van deze verordening kan
                                    het college de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije
                                    voet verrekenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in
                                            de artikelen 38 en 39 zou leiden tot huisuitzetting van
                                            belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 41 Eerder opgelegde bestuurlijke boete</label></kop><al>De artikelen in deze paragraaf zijn van overeenkomstige
                                    toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld
                                    in artikel 18a, eerste lid, P-wet, indien en voor zover deze
                                    boete nog niet is betaald op het moment van verrekening.</al></artikel></sub-paragraaf></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>§ 4. Handhaving: Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 42 Hoogwaardig handhaven</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude dan wel van
                                misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet is ingericht naar het
                                landelijk model voor hoogwaardig handhaven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt beleidsregels op met betrekking tot hoogwaardig
                                handhaven waarbij tenminste wordt aangegeven hoe wordt
                                geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorlichting over de regelgeving alsmede de daaraan
                                        verbonden gevolgen bij misbruik en oneigenlijk gebruik;</al></li><li nr="b."><al>de wijze van verificatie van gegevens en van informatie
                                        uitwisseling met derden;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop controles worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop fraude wordt opgespoord en afgehandeld.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 43 Controle</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering
                                en kan daarbij gebruikmaken van controlemiddelen zoals een
                                heronderzoeksplan, huisbezoeken, risicoprofielen,
                                bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit
                                voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en
                                tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de
                                uitkering en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de
                                rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college
                                en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling
                                daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 44 Aangifte bij het Openbaar Ministerie</label></kop><al>Indien een schending van de inlichtingenplicht leidt tot benadeling van
                            de gemeenten, doet het college aangifte bij het Openbaar Ministerie, in
                            overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt
                            gehanteerde uitgangspunten in de Aanwijzing Sociale
                            Zekerheidsfraude.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 45 Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</label></kop><al>Het college stelt beleidsregels op met betrekking tot herziening, terug-
                            en invordering waarbij tenminste wordt geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot herziening, terugvordering en invordering van
                                    een verstrekte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>op welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering dan
                                    wel van invordering kan worden afgezien;</al></li><li nr="c."><al>met welke frequentie heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 46 Verhaal</label></kop><al>Het college stelt beleidsregels op met betrekking tot verhaal op de
                            onderhoudsplicht waarin tenminste wordt geregeld:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot verhaal;</al></li><li nr="b."><al>wanneer en op welke wijze er wordt afgezien van het nemen van
                                    een verhaalsbesluit en het invorderen van de te verhalen
                                    voorziening;</al></li><li nr="c."><al>met welke frequentie heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>§ 5 Slotbepalingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 47 Hardheidsclausule </label></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan </al><al>tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Hierbij moet vermeld
                            worden dat voorzieningen en uitkeringsverlening altijd afgestemd wordt
                            op de individuele situatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 48 Citeertitel </label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verzamelverordening P-wet,
                            IOAW, IOAZ en Bbz 2016”. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 49 Inwerkingtreding </label></kop><al>De verordening treedt in werking vanaf de dag na bekendmaking. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 50 Intrekking oude verordeningen en overgangsrecht</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De “Verzamelverordening P-wet, IOAW, IOAZ, Bbz 2015” wordt op het
                                moment zoals bedoeld in artikel 49 ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor wat betreft de re-integratieparagraaf geldt het
                                volgende:een persoon die gebruik maakt van een toegekende
                                voorziening op grond van de in artikel 49 genoemde verordening, die
                                moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden voor de duur
                                dat deze is verstrekt.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz
                        2016</titel></kop><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Per 1 januari 2015 is de Participatiewet (P-wet) ingevoerd. De P-wet maakt
                    onderdeel uit van de 3 grote transities op het sociale domein, waarmee centrale
                    overheidstaken naar gemeenten zijn gekomen. Met de overheveling van deze taken
                    naar de P-wet is de Sociale Werkvoorziening ‘op slot gegaan’ voor nieuwe
                    instroom en ook jonggehandicapten met arbeidspotentieel kunnen niet meer
                    instomen in de Wajong. Het zittende bestand SW en Wajong blijft bij resp. de
                    Diamantgroep en UWV. Personen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn,
                    kunnen nog wel aanspraak maken op een Wajong uitkering vanuit het UWV. </al><al/><al>Begin 2015 zijn naast de invoering van de P-wet ook de WWB maatregelen 2015
                    doorgevoerd. Deze bevatten o.a. de kostendelersnorm, waardoor het gemeentelijk
                    beleid op toeslagen en verlagingen geschrapt is. Deze verordeningsplicht is dan
                    ook sinds afgelopen jaar vervallen. Daarnaast zijn er een aantal gedragingen
                    expliciet in de wet opgenomen, waaraan een wettelijke maatregel is gekoppeld.
                    Deze verplichtingen worden de geüniformeerde verplichtingen genoemd.</al><al/><al>Met de invoering van de P-wet zijn een aantal nieuwe, verplichte verordeningen
                    geïntroduceerd. Dit zijn: tegenprestatie, loonkostensubsidie en beschut werk.
                    Deze verordeningen zijn in deze verzamelverordening gerangschikt onder de
                    paragraaf re-integratie en tegenprestatie. Verder komen de afstemmings- (incl.
                    bestuurlijke boete) en handhavingsverordening terug. Er is voor gekozen een
                    groot deel van de verplichte verordeningen samen te voegen tot één
                    verzamelverordening. Dit omdat de onderwerpen zeer nauw samenhangen en vanwege
                    de lokale wens om de uitvoering te vereenvoudigen en regels terug te dringen. Er
                    zijn nog een aantal aparte verordeningen: individuele inkomenstoeslag en
                    inspraak (cliëntenparticipatie).</al><al/><al>Met ingang van 2015 zijn er duidelijke aanscherpingen te zien op het
                    afstemmings- en handhavingsbeleid. Met name de geüniformeerde maatregelen in de
                    wet liggen hieraan ten grondslag. Hier staat een minimale maatregel van 100%
                    gedurende 1 maand voor. Ook is heel duidelijk sprake van een kanteling in
                    denken: minder inzet van voorzieningen, vooral begeleiding naar de reguliere
                    arbeidsmarkt en wie begeleiding nodig heeft krijgt deze zo kortdurend en gericht
                    mogelijk</al><al/><al>Het kabinet beschrijft deze ontwikkelingen als volgt:</al><al/><al><vet><cursief>Individueel, maatschappelijk én financieel belang nieuwe aanpak
                        </cursief></vet></al><al><cursief>“Ieder mens heeft recht op zelfbeschikking, verdient de kans het beste
                        uit zichzelf te halen en zich te ontplooien. We schrijven niemand af, maar
                        spreken iedereen aan. Een baan is immers de beste sociale zekerheid.
                        Natuurlijk zorgen we samen voor wie echt niet kan meedoen.” Zo beschrijft
                        het regeerakkoord van dit kabinet het individuele belang dat iedereen die
                        dat kan, ook naar vermogen meedoet. Meedoen naar vermogen dient daarnaast
                        ook een maatschappelijk en economisch belang. De arbeidsmarkt staat voor
                        grote veranderingen. Voor het eerst sinds decennia neemt het aantal
                        werkenden af. Als er niets gebeurt, komt de samenleving straks mensen tekort
                        om het werk te doen. Terwijl er intussen om uiteenlopende redenen nog veel
                        mensen langs de kant staan die (gedeeltelijk) wel kunnen werken. Dat is
                        sociaal en economisch ongewenst.</cursief><sup/><sup/></al><al/><al>Voor mensen met een arbeidsbeperking die hierdoor niet in staat zijn om het
                    wettelijk minimum uurloon te verdienen, zijn specifieke voorzieningen
                    voorgeschreven welke op maat (voor de Hart van Brabantgemeenten) in deze
                    verordening terug te zien zijn. Het college zal deze algemeen geformuleerde
                    regels nog nader uitwerken in beleidsregels.</al><al/><al><cursief>Aanpassingen in verband met de </cursief><cursief>invoering
                        P-wet</cursief></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot voorzieningen,
                    specifiek voor mensen met verminderd arbeidsvermogen. Hieronder valt ook de
                    studietoeslag, die verstrekt wordt aan niet-uitkeringsgerechtigden ter
                    ondersteuning bij hun studie. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in
                    beleidsregels om te komen tot maatwerk en toch zo veel als mogelijk
                    uniformiteit. </al><al/><al><cursief>Aanpassing in verband met WWB maatregelen 2015</cursief></al><al>De maatregel behorend bij de geüniformeerde verplichtingen is sinds januari 2015
                    opgenomen in de verordening. Vanwege de invoering van de kostendelersnorm is de
                    toeslagenparagraaf vervallen. Er zijn beleidsregels opgesteld waarin de regels
                    rondom de commerciële huurdeling zijn opgenomen. Verder staat de tegenprestatie
                    in de paragraaf "re-integratie en tegenprestatie" opgenomen.</al><al/><al><cursief>Aanpassingen in verband met Wet taaleis</cursief></al><al>Per 1 januari 2016 treedt de Wet taaleis in werking. Wie niet kan aantonen dat
                    hij aan het gewenste taalniveau voldoet, is verplicht om een taaltoets af te
                    leggen. Hoewel de regels in verband met de Wet taaleis voor het grootste deel in
                    de wet zijn opgenomen, heeft de wetgever verzuimd om een bepaling op te nemen
                    die regelt dat het college kan sanctioneren wanneer iemand niet verschijnt bij
                    de taaltoets. Om deze reden dienen gemeenten deze maatregelwaardige gedraging
                    vanaf 2016 op te nemen in de verordening. </al><al/><al>De Verzamelverordening 2015 is als volgt opgebouwd:</al><lijst><li nr="1."><al>algemene bepalingen</al></li><li nr="2."><al>re-integratie en tegenprestatie</al></li><li nr="3."><al>maatregelen (afstemming) incl. bestuurlijke boete</al></li><li nr="4."><al>handhaving</al></li><li nr="5."><al>slotbepalingen</al></li></lijst><al/><al><vet>§1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1. Definities</vet></al><al>De centrale rol van participatie in de bijstandsverlening (werk boven inkomen en
                    iedereen doet mee) raakt in het bijzonder de doelgroep, het karakter en de
                    reikwijdte van begrippen als participatie en voorzieningen. De in de
                    verzamelverordening gebruikte begrippen sluiten zoveel als mogelijk aan bij die
                    van de wetgeving. Dit uit het oogpunt van helderheid en structuur. Hiermee wordt
                    het voor de burger makkelijker om de samenhang te doorzien tussen het doel van
                    de wetgeving en de in de verordening uitgewerkte beleidskaders. Voor zover er
                    definities niet in de verordening zijn opgenomen, gelden deze zoals in de wet
                    bedoeld.</al><al/><al>De definities in deze paragraaf gelden voor de gehele Verzamelverordening,
                    tenzij hierop in de paragrafen een uitzondering voor wordt gegeven.</al><al/><al><vet>§2 Re-integratie</vet></al><al>Dit hoofdstuk regelt het ondersteunen en het aanbieden van voorzieningen aan
                    werkzoekenden die behoren tot de doelgroep. De opdracht hiertoe is geregeld in
                    artikel 7 van de P-wet en 34 IOAW. Voor de IOAZ en Bbz gelden deze regels niet
                    vanwege de specifieke doelgroep en bepalingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Opdracht en taak van het college</vet></al><al>Het college biedt voorzieningen en ondersteuning, zoals bedoeld in deze
                    verordening, aan personen aan die behoren tot de doelgroep re-integratie. Door
                    het college wordt een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of een voorziening
                    gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende (het meest)
                    doelmatig is met het oog op arbeidsinschakeling. Het is aan het college om te
                    zorgen voor voldoende aanbod van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en
                    re-integratie. Het college zorgt voor een gevarieerd aanbod aan voorzieningen en
                    legt deze vast in de beleidsregels.</al><al/><al>Bij het aanbieden van een voorziening of ondersteuning, houdt het college
                    rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                    bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de P-wet. </al><al>Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is
                    in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een
                    handicap. De doelstelling van dit verdrag is<cursief> het bevorderen, beschermen
                        en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap
                        van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en
                        het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente
                    waardigheid.</cursief></al><al/><al>Daarnaast dient het college bij het aanbieden van ondersteuning of een
                    voorziening rekening te houden met de zorgtaken van de belanghebbende. Onder
                    deze zorgtaken worden ten minste verstaan de opvang van ten laste komende
                    kinderen en het verrichten van mantelzorg. Door het college worden beleidsregels
                    opgesteld over de inhoud van deze zorgtaken en de manier waarop daarmee rekening
                    wordt gehouden. </al><al/><al>Soms hebben personen hulp of ondersteuning nodig, anders dan direct gericht op
                    arbeid, om de stap richting de arbeidsmarkt te kunnen maken. Dit kan
                    bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er sprake is van een ernstige
                    schuldenproblematiek. In lid vier is opgenomen dat het college de inzet van
                    flankerende voorzieningen bevordert. Bij deze voorzieningen kan dus gedacht
                    worden aan een traject in het kader van schuldhulpverlening maar bijvoorbeeld
                    ook kinderopvang. De inzet van een dergelijke voorziening kan (in het
                    individuele geval) een randvoorwaarde zijn voor wat betreft deelname aan
                    re-integratievoorzieningen en nakoming van arbeidsverplichtingen. Let wel: de
                    gemeente hoeft niet perse zelf alle voorzieningen te organiseren, maar houdt wel
                    rekening met de beschikbaarheid ervan.</al><al/><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Het college zal naar aanleiding
                    van een aanspraak op ondersteuning altijd een individuele afweging maken of zij
                    die aanspraak wil en kan honoreren. Het ontbreken van financiële middelen kan
                    echter niet de reden zijn om aanvragen op ondersteuning af te wijzen. Wel kan
                    per voorziening een plafond worden ingebouwd. Het college dient in zo'n geval na
                    te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. In het
                    individuele geval is het altijd aan de gemeente om te beoordelen of er überhaupt
                    ondersteuning noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te
                    bereiken doel van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn. Hierbij
                    kan de afweging gemaakt worden voor het goedkoopste adequate alternatief.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Aanspraak </vet></al><al>Met de wijziging van de WWB per 1 januari 2012, heeft de Regering de
                    verplichtingen voor jongeren tot 27 jaar aangescherpt. Onder meer is toen voor
                    de jongere tot 27 jaar een zoektermijn van 4 weken ingevoerd (vanaf de datum van
                    melding). In deze periode dient de jongere aantoonbare inspanningen te
                    verrichten om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en zijn mogelijkheden
                    voor de terugkeer naar regulier onderwijs te onderzoeken. </al><al/><al>Steeds meer gemeenten hebben in de praktijk de zoektermijn uitgebreid en ook
                    toepassing op personen van 27 jaar en ouder. Hoewel er zeker scherpe randjes aan
                    de toepassing hiervan zaten, werd vooruit gelopen op de verwachting dat de
                    zoektermijn als algehele maatregel in de P-wet zou worden opgenomen. Dat is niet
                    gebeurd. Het invoeren van de zoektermijn voor personen van 27 jaar en ouder is
                    onder de P-wet daarmee een beleidskeuze geworden. Dongen heeft ervoor gekozen de
                    zoektijd voor personen van 27 jaar en ouder niet in te zetten. Er wordt wel een
                    inspanning gericht op de arbeidsinschakeling en re-integratie gevraagd van een
                    belanghebbende die een uitkering aanvraagt. Indien een belanghebbende hier niet
                    aan voldoet dan wordt een maatregel bezien. Het college betrekt bij het afwegen
                    van de belangen bij het aanbieden van voorzieningen onder meer de situatie op de
                    arbeidsmarkt, de mate van investering in een belanghebbende (eerder aangeboden
                    voorzieningen), het vooruitzicht op inkomen uit betaalde arbeid als ook de
                    mogelijkheid van een voorliggende voorziening, waaronder voor jongeren de
                    terugkeer naar het reguliere onderwijs. </al><al/><al>De aanspraak voor mensen zonder uitkering, die wel tot de doelgroep behoren,
                    wordt beperkt naar inkomen en vermogen. Ook dit past in de nieuwe visie op
                    re-integratie waarbij de steeds schaarsere middelen worden ingezet voor de
                    doelgroepen die dit het hardste nodig hebben. In verband met de invoering van de
                    kostendelersnorm wordt de inkomensgrens gesteld op 110% van het Wettelijk
                    minimum loon (WML) en niet de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Toepassing
                    van de (kostendelers)norm zou te snel tot uitsluiting van voorzieningen leiden.
                    Maar het hanteren van het 110% WML heeft ook consequenties. </al><al/><al>Het toepassen van de restricties die gelden voor niet-uitkeringsgerechtigden,
                    kan gevolgen hebben voor de groep jonggehandicapten. Wanneer zij buiten de in
                    lid 6 genoemde voorwaarden vallen, kunnen zij geen aanspraak maken op
                    ondersteuning richting de arbeidsmarkt. Zij zouden daar voorheen, toen de Wajong
                    nog toegankelijk was voor jongeren met arbeidspotentieel, wel aanspraak op
                    hebben kunnen maken. Het is onwenselijk dat deze kwetsbare groep, die over het
                    algemeen wel degelijk begeleiding nodig heeft om de stap naar de arbeidsmarkt te
                    kunnen maken, buiten de boot valt. Daarom is in lid 7 opgenomen dat voor de
                    doelgroep van jonggehandicapten bepaalde voorzieningen ingezet kunnen worden,
                    ook als zij niet voldoen aan de gestelde voorwaarden (m.b.t. het gezinsinkomen,
                    het vermogen en de mate van inzetbaarheid). Het gaat dan o.a. om de begeleiding
                    op de werkplek, ondersteuning bij het zoeken en aanvaarden van werk. In de
                    beleidsregels staat per instrument aangegeven of de uitzonderingsbepaling van
                    toepassing is. </al><al/><al>Merk op dat in lid 5 het zinsdeel "tenzij in de wet anders is bepaald" is
                    opgenomen. In verschillende gevallen zijn de beperkende voorwaarden niet van
                    toepassing. De gemeente is verantwoordelijk voor de ondersteuning van personen
                    met een indicatie banenafspraak en/of een verlaagde loonwaarde. Zij kunnen een
                    aanvraag indienen voor voorzieningen zoals loonkostensubsidie en hebben met dit
                    recht op loonkostensubsidie wettelijk ook recht op ondersteunende voorzieningen
                    op de werkplek (artikel 10c en 10da Participatiewet). </al><al/><al><vet>Artikel 4 Voorzieningen </vet></al><al>De P-wet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet
                    bieden. Het criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de
                    arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand tot de arbeidsmarkt
                    van een persoon, kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="·"><al>activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                            vrijwilligerswerk);</al></li><li nr="·"><al>het leren van vaardigheden of kennis; </al></li><li nr="·"><al>het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk);</al></li><li nr="·"><al>de mogelijkheid om met behoud van uitkering te werken (inclusief
                            vergoeding);</al></li><li nr="·"><al>Etcetera.</al></li></lijst><al/><al>De voorzieningen voor werkgevers zou je ook in verschillende categorieën kunnen
                    opdelen. Zo kan de werkgever gestimuleerd worden om een persoon uit de doelgroep
                    werkervaring op te laten doen in zijn bedrijf dan wel de persoon in dienst te
                    nemen. De gemeente zou bijvoorbeeld een deel van de opleidingskosten voor haar
                    rekening kunnen nemen. Ook kan er door middel van een voorziening worden
                    gecompenseerd voor een verminderde loonwaarde of productiviteit van een
                    belanghebbende. Dit betreft bijvoorbeeld loonkostensubsidie, zoals opgenomen in
                    artikel 9. </al><al/><al>In dit artikel zijn dus de verschillende categorieën voorzieningen opgenomen die
                    het college tot haar beschikking heeft bij het ondersteunen van belanghebbenden
                    richting de arbeidsmarkt. Onder deze categorieën vallen meer specifieke
                    instrumenten zoals bijvoorbeeld bemiddeling van de werkzoekende, scholing,
                    proefplaatsen etc. Deze individuele voorzieningen zijn door het college
                    uitgewerkt in beleidsregels. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Beëindigen van een voorziening</vet></al><al>In artikel vijf zijn de beëindigingsgronden opgenomen die gelden voor
                    voorzieningen die zijn toegekend. Er staat beschreven dat het college een
                    voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dit kan. Een voorziening kan
                    bijvoorbeeld worden beëindigd als een persoon niet in voldoende mate meewerkt
                    aan de betreffende voorziening. In een dergelijk geval zal overigens ook een
                    afstemming van uitkering worden bezien. </al><al/><al>Onderdeel g is, anders dan in onderdeel a. tot en met f., gericht op de
                    werkgever en niet op de persoon die gebruik maakt van de voorziening. Indien een
                    participatiepartner niet voldoet aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de
                    voorziening, bijvoorbeeld het bieden van bepaalde ondersteuning op de werkvloer,
                    dan kan de voorziening ook worden beëindigd. Het is wel van belang dat er door
                    de werkgever of uitvoeringsorganisatie een overeenkomst is ondertekend waarin de
                    geldende voorwaarden in verband met de voorziening staan beschreven. </al><al>Er moet worden opgelet met de reikwijdte van deze bepaling, aangezien die
                    beperkt is. Dit lid kan niet worden toegepast wanneer er reeds in wettelijke
                    bepalingen is vastgelegd wanneer aan de voorwaarden is voldaan. Dat is het geval
                    bij de voorzieningen beschut werk en loonkostensubsidie. Wanneer er een
                    arbeidsovereenkomst is gesloten tussen werkgever en werknemer geldt het
                    burgerlijk recht en heeft de werkgever enkel verplichtingen richting de
                    werknemer (en niet jegens de gemeente). </al><al/><al>De P-wet voorziet niet in een wettelijke bepaling tot terugvordering van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet-bijstandsgerechtigde of werkgever/re-integratiepartner kunnen
                    de kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient in een dergelijk geval te
                    geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar</vet></al><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de P-wet). Het
                    college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                    algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><al/><al><cursief>Additionele werkzaamheden</cursief></al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal, maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de P-wet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de P-wet). Zo niet, dan wordt de participatieplaats beëindigd.
                    Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw
                    beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert
                    dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen
                    factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de
                    participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter, in dat geval dient een
                    andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de P-wet).
                    Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a,
                    tiende lid, van de P-wet).</al><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie. Voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de P-wet).
                    Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft
                    meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van
                    de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid,
                    onderdeel d, van de P-wet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdeel j, van de P-wet. In verband hiermee is de hoogte van de
                    premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Bij het
                    bepalen van de hoogte van de premie zijn de risico's van de armoedeval
                    betrokken.<sup/></al><al/><al>De premie wordt per zes maanden verstrekt. Aangezien in artikel 6 wordt verwezen
                    naar de premie zoals genoemd in artikel 31, lid 2, onderdeel j, is ook bij de
                    hoogte van de premie aansluiting gezocht bij voornoemd artikel. De hoogte van de
                    premie is per jaar bepaald op 25% van het in artikel 6, lid 2, onderdeel j.
                    genoemde bedrag, thans € 2.340,00<sup/>. Het bedrag per periode van 6 maanden
                    zoals genoemd in artikel 10a, lid 6 is derhalve thans telkens € 292,50.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Participatievoorziening beschut werk </vet></al><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door eenlichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingenvan de werkplek nodig heeft, dat
                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hijdeze
                    in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk kan de gemeente een
                    voorselectie uitvoeren. Als devoorselectie wordt uitgevoerd, dan wordt door het
                    college bepaald welke mensen in aanmerking kunnenkomen voor beschut werk, en op
                    welk moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij dezevoorselectie
                    uitvoeren. Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in
                    een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de P-wet). Het is voor
                    een individu niet mogelijk om hiervoor een aanvraag in te dienen.</al><al/><al>Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of eenvoorgedragen persoon tot de doelgroep beschut
                    werk behoort. Sinds medio 2015 betreft dit niet enkel een boordeling voor
                    beschut werk, maar een integraal advies: een advies beoordeling arbeidsvermogen.
                    Het advies van het UWV geeft uitsluitsel op de vraag of het een belanghebbende
                    betreft die alleen met een hoge mate van ondersteuning en aanpassing van het
                    werk in staat is om arbeid te verrichten. Als dat het geval is dan kan de
                    gemeente, indien er beschutte werkplaatsen beschikbaar zijn, een advies beschut
                    werk aanvragen bij het UWV. </al><al/><al>Indien is het advies is afgegeven dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk'
                    behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                    beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    P-wet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke
                    dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de P-wet). Hoe de
                    dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van
                    gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een
                    gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering)
                    in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken.</al><al/><al>Om een dienstbetrekking beschut te laten slagen is het veelal nodig om
                    aanvullende voorzieningen in te zetten.Denk hierbij aan een jobcoach of fysieke
                    aanpassingen op de werkplek of in de werkomgeving. Deze</al><al>voorzieningen en de bijbehorende voorwaarden worden vastgelegd in de
                    beleidsregels, tezamen met deandere voorzieningen.</al><al/><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werkde gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbareplaatsen bij werkgevers.</al><al/><al>Met de bepaling in lid 6 wordt gewaarborgd dat personen die zijn aangewezen op
                    beschut werk een passende alternatieve voorziening krijgen aangeboden indien er
                    op dat moment geen beschutte werkplekken beschikbaar zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 8 No-risk polis</vet></al><al>De no-risk polis, zoals hij voorheen door gemeentes kon worden verstrekt aan
                    werkgevers, bestaat niet meer als zodanig. De reden hiervoor is dat er op de
                    markt geen aanbieder is bij wie een dergelijke polis kan worden afgenomen.
                    Gemeenten zijn wel druk bezig om te bezien of op een andere wijze het risico
                    voor werkgevers kan worden afgedekt of kan worden verminderd. Op dit moment is
                    daarvoor nog geen instrument beschikbaar.</al><al/><al>In 2015 bestond er nog een verordeningsplicht ten aanzien van de no-risk polis.
                    Deze verplichting is tijdelijk vervallen.</al><al/><al><cursief>No-riskpolis geldt wel voor doelgroep baanafspraak en doelgroep beschut
                        werk</cursief></al><al>De no-riskpolis is echter wel van toepassing voor de doelgroep banenafspraak en
                    beschut werk. Wanneer een werkgever een persoon die valt onder deze doelgroepen
                    in dienst neemt, dan is de no-riskpolis van rechtswege van toepassing. Wanneer
                    de werknemer ziek wordt dan treedt deze no-riskpolis - die wordt uitgevoerd door
                    het UWV - in werking. De gemeente heeft daar voor wat betreft deze doelgroep
                    geen rol in. Het is wel belangrijk dat dit benadrukt wordt door de gemeente,
                    wanneer een werkgever iemand uit het doelgroepenregister in dienst neemt of in
                    dienst wil nemen. Dit kan namelijk een extra stimulans zijn voor de werkgever om
                    de werknemer met een arbeidsbeperking een kans te bieden. </al><al/><al><vet>Artikel 9 Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en
                    loonwaarde</vet></al><al>De loonkostensubsidie zoals beschreven in dit artikel kan uitsluitend worden
                    ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie,
                    als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de P-wet: personen met
                    een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per
                    definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor een langere periode worden
                    ingezet. Met dit instrument compenseert de gemeente werkgevers voor de
                    verminderde productiviteit van de werknemer. </al><al/><al>In artikel 10c van de P-wet is bepaald dat het aan college is om vast te stellen
                    of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van
                    de P-wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of
                    mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor
                    hen wordt ingezet. In artikel 9, tweede lid, is vastgelegd welke criteria
                    daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan
                    artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de P-wet. Daarin is immers wettelijk de
                    doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd. </al><al/><al><onderstreept>Loonwaardebepaling</onderstreept></al><al>In de P-wet en in de concept lagere regelgeving zijn de wettelijke eisen
                    neergelegd waaraan de loonwaarde methodiek moet voldoen. Daarbinnen wordt aan
                    gemeenten en regio’s beleidsvrijheid gegeven. De P-wet bepaalt dat de methode
                    van loonwaardebepaling waarvoor wordt gekozen in de gemeentelijke verordening
                    wordt vastgelegd. </al><al/><al>Gemeenten moesten begin 2015 regionale afspraken maken over de
                    loonwaardebepaling in het Werkbedrijf. Het opstellen van een methodiek voor
                    loonwaardebepaling hing dus samen met de vorming van het Werkbedrijf. Voor onze
                    gemeente betreft dat de arbeidsmarktregio Hart van Brabant. Door middel van een
                    aanbestedingsprocedure is gekozen voor de loonwaardemethodiek Dariuz. In artikel
                    9 is opgenomen dat dit de loonwaardemethodiek is die door de regio wordt
                    ingezet. Het instrument voldoet aan voorwaarden van het Ontwerpbesluit
                    Loonkostensubsidie Participatiewet en is door het ministerie goedgekeurd. </al><al/><al>Naast de keuze van het instrument zijn er ook verschillende andere afspraken
                    gemaakt met betrekking tot de loonwaardemeting zoals die door de regiogemeentes
                    wordt uitgevoerd. Zo is bijvoorbeeld afgesproken dat gemeenten gebruik kunnen
                    maken van elkaars loonwaardespecialisten en dat een accountmanager die de
                    plaatsing heeft verzorgd nooit degene kan zijn die de loonwaardemeting
                    uitvoert.</al><al/><al><vet>§ 2.4 Studietoeslag</vet></al><al><cursief>Voorwaarden individuele studietoeslag </cursief></al><al>Artikel 36b, eerste lid, van de P-wet spreekt zowel over verzoek als aanvraag.
                    Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de individuele
                    omstandigheden van een persoon - een individuele studietoeslag verlenen.
                    Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag: </al><lijst><li nr="·"><al>18 jaar of ouder is; </al></li><li nr="·"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                            de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; </al></li><li nr="·"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            P-wet heeft; en </al></li><li nr="·"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet
                            in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.</al><al/></li></lijst><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                    WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                    studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd
                    en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt, is niet in de P-wet geregeld
                    en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele studietoeslag op
                    grond van de P-wet. Voor het recht op een individuele studietoeslag is het dan
                    ook voldoende dat een persoon recht heeft op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming. De persoon zal - als aanvrager van de toeslag - aannemelijk
                    moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft,
                    bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving
                    bij een bepaalde opleiding te overleggen. </al><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de P-wet zijn niet van toepassing bij
                    verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                    P-wet). De aanvraag moet worden ingediend bij het college en er wordt geen
                    rekening gehouden met een eventuele draagkracht van de ouders (artikel 12). Een
                    individuele studietoeslag kan niet als lening worden verstrekt als een persoon
                    met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 van de P-wet is namelijk
                    niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid,
                    van de P-wet). Ook artikel 52 van de P-wet is niet van toepassing op de
                    individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de P-wet). Dit maakt dat
                    de individuele studietoeslag niet kan worden verstrekt in de vorm van een
                    voorschot. </al><al/><al><vet>Artikel 10 Indienen verzoek </vet></al><al>De persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden te voldoen zoals
                    genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de P-wet. Onder aanvraag wordt verstaan:
                    een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van
                    de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend
                    (artikel 4:1 van de Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen omtrent de wijze
                    waarop het verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de P-wet moet
                    worden ingediend, staat in deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan
                    middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien
                    als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een
                    schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de
                    aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de P-wet. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon </vet></al><al>In eerste instantie onderzoekt het college zelf of er sprake is van verminderd
                    arbeidsvermogen op basis van beschikbare gegevens. Wanneer het college niet in
                    staat is zelf deze beoordeling te maken, dan zal er extern advies worden
                    ingewonnen. </al><al/><al><vet>Artikel 12 Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen
                    </vet></al><al>Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een
                    individuele studietoeslag. We kiezen voor deze periode omdat we dan de bijstand
                    onbelast kunnen verstrekken. Voordeel van eenmalige verstrekking is dat er
                    alleen bij de aanvraag hoeft te worden gekeken of belanghebbende voldoet aan
                    alle voorwaarden. We hoeven niet later ook nog te onderzoeken of iemand is
                    blijven studeren. Wel zal bij een nieuwe aanvraag voor een volgende periode weer
                    op dat moment onderzocht moeten worden of iemand voldoet aan de criteria. Een
                    studiejaar start op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende
                    jaar.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Hoogte individuele studietoeslag </vet></al><al>De studietoeslag wordt per persoon toegekend. Een individuele studietoeslag
                    bedraagt € 100 per maand. Is er sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk
                    voldoen aan de voorwaarden voor een individuele studietoeslag, dan komen zij
                    afzonderlijk in aanmerking voor een individuele studietoeslag. Voor de hoogte
                    van de studietoeslag is geen indexering opgenomen. De reden hiervoor is onder
                    andere dat het ‘indexeringsjaar’ niet gelijk loopt met het studiejaar. Dat niet
                    wordt aangesloten bij de indexering, betekent niet dat de hoogte van de toeslag
                    in de toekomst niet zal wijzigen. Indien relevante ontwikkelingen daarom vragen,
                    zal de toeslag in hoogte worden aangepast. Bij een volgende maal dat de
                    verordening gewijzigd wordt vastgesteld, zal worden bezien of de hoogte van de
                    toeslag aanpassing behoeft. Indien relevante ontwikkelingen daarom vragen zal de
                    aanpassing in hoogte eerder plaatsvinden.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Betaling individuele studietoeslag </vet></al><al>Een individuele studietoeslag wordt eenmalig per studiejaar in één bedrag
                    uitbetaald. Dit is het bedrag zoals neergelegd in artikel 13 van deze
                    verordening x 12 maanden. Bij de start van een nieuw studiejaar kan een persoon
                    opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Hiertoe dient
                    een nieuwe aanvraag worden ingediend.</al><al/><al><vet>§ 2.5 Tegenprestatie</vet></al><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeidsinschakeling. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel
                    c, van de P-wet. Deze mogelijkheid staat al langere tijd in de wet, maar met de
                    invoering van de WWB maatregelen 2015 is de verplichting tot het opstellen van
                    een verordening opgenomen. Opvallend hierbij is dat de wet nog steeds een
                    discretionaire bevoegdheid aan het college geeft om de tegenprestatie op te
                    dragen en niet spreekt van een wettelijke verplichting. Maar de verplichte
                    verordening geeft een ander signaal aan gemeenten: ze worden geacht de
                    tegenprestatie te regelen, maar hebben de vrijheid om deze naar vermogen op te
                    leggen.</al><al/><al>De mogelijkheid tot het opleggen van een tegenprestatie is beperkt door hetgeen
                    is opgenomen in artikel 4 EVRM rondom gedwongen arbeid. De arbeid moet van korte
                    duur, incidenteel en onbeloond zijn en het mag beslist geen verdringing
                    opleveren op de arbeidsmarkt. </al><al/><al><vet>Artikel 15 Doelgroep en doel </vet></al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie geldt in beginsel voor
                    iedereen die een uitkering ontvangt. Dit geldt niet alleen voor belanghebbenden
                    met een uitkering op grond van de P-wet, maar ook voor belanghebbenden met een
                    uitkering op grond van de IOAW of IOAZ. Het opleggen van een tegenprestatie naar
                    vermogen is geen middel, maar een doel. Doel is om uitkeringsgerechtigden, die
                    tot dusver aan de zijlijn stonden, te prikkelen om zich in te zetten voor de
                    samenleving als tegenprestatie voor de ontvangen uitkering.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Inhoud van een tegenprestatie </vet></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Het
                    college dient hierbij maatwerk toe te passen. </al><al/><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie het college van
                    hem verwacht. </al><al/><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    </cursief></al><al>In de wet is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                    onderscheiden van de reguliere betaalde werkzaamheden: het moet om iets extra’s
                    gaan waar normaal gesproken geen banen voor zijn. </al><al/><al>De in dit artikel gestelde voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste
                    kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis
                    (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14) en op de eisen van het EVRM. </al><al/><al>In de beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden zij in ieder
                    geval als tegenprestatie kunnen inzetten (artikel 16, tweede lid, van deze
                    verordening). Deze werkzaamheden kunnen gezien worden als een uitwerking van
                    artikel 16 van deze Verordening.</al><al/><al><cursief>Samenwerking met maatschappelijke organisaties: </cursief></al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                    vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Een
                    vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een belangrijk
                    hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
                    bepalen. </al><al/><al>De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie
                    inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat
                    voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de P-wet en de
                    parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al><al/><al><vet>Artikel 17 Het opdragen van een tegenprestatie </vet></al><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te dragen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zoja, welke tegenprestatie zij aan de
                    belanghebbende opdraagt. Tegen een besluit tot het opdragen van een</al><al>tegenprestatie kan een belanghebbende bezwaar en beroep aantekenen (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49).Het college moet rekening houden met de
                    individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder</al><al>leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke
                    omstandigheden zoals zorgtaken. Het collegedraagt de werkzaamheden immers op
                    ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staatis de
                    werkzaamheden te verrichten.</al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallentijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, vande P-wet). De
                    verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing op
                    eenbelanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk eninkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid,
                    van de P-wet).De verplichting tot tegenprestatie is bovendien niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit</al><al>is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de P-wet
                    (artikel 9, zevende lid, van de P-wet).</al><al/><al>Voorts houden we bij het opdragen van een tegenprestatie rekening met praktische
                    omstandigheden zoalsreistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en de vergoeding
                    hiervan.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Duur en omvang van een tegenprestatie </vet></al><al>De uitvoering van de tegenprestatie kunnen we opdragen voor de maximale duur van
                    drie maanden. Let wel: het gaat hier om de termijn waarop de belanghebbende
                    daadwerkelijk werkzaam is op de tegenprestatie, niet de termijn waarop deze is
                    opgelegd zonder dat hiervoor ook gewerkt wordt.</al><al/><al>Er moet sprake zijn van een korte duur: daarom is er voor gekozen om maximaal 8
                    uur per week een tegenprestatie op te dragen. Daarnaast kan de rest van de week
                    nog steeds voldaan worden aan een eventuele re-integratie – of
                    arbeidsverplichting. </al><al/><al>We leggen binnen een periode van twaalf maanden een tegenprestatie slechts
                    eenmaal op. Het gaat hierbij om een aaneengesloten periode van twaalf maanden.
                    De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de re-integratie van
                    een belanghebbende. </al><al/><al><vet>Artikel 19 afzien van het opleggen van een tegenprestatie</vet></al><al>Er is een aantal redenen waarom geen tegenprestatie wordt opgelegd. De regering
                    heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd voor mantelzorg in de nota van
                    wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    24, p. 6). Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening
                    en is het verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs
                    noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie op.
                    Daarnaast leggen we geen aanvullende tegenprestatie op als iemand al voldoende
                    maatschappelijk actief is en op deze wijze een tegenprestatie levert aan de
                    maatschappij. </al><al/><al><vet>§ 3 Afstemming en bestuurlijke boete</vet></al><al>Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving in werking getreden. Sinds die datum is het college verplicht een
                    bestuurlijke boete op te leggen als sprake is van schending van de
                    inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid van het college om bij schending van
                    de inlichtingenplicht een maatregel op te leggen is verdwenen.</al><al>Gaat het om schending van een andere verplichting dan de inlichtingenplicht, dan
                    is een maatregel nog wel aan de orde. Denk bijvoorbeeld aan schending van de
                    medewerkingsplicht, arbeid- en re-integratieverplichting, aan tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid, het zich zeer ernstig misdragen of het niet
                    nakomen van nadere verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging
                    van de bijstand. </al><al/><al>In paragraaf 3.1 en 3.2 is de verplichting als bedoeld in artikel 18 van de
                    P-wet uitgewerkt om vorm en inhoud te geven aan een sanctiebeleid (vaststellen
                    afstemmingsverordening). Het verlagen van de uitkering is voorgeschreven als de
                    belanghebbende naar het oordeel van het college:</al><lijst><li nr="-"><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="-"><al>de uit de wet voortvloeiende verplichtingen, anders dan benoemd in
                            artikel 17, eerste lid, P-wet niet of onvoldoende nakomt.</al></li></lijst><al/><al>Het sanctiebeleid is uitgewerkt vanuit de visie, dat een uitkering als een
                    tijdelijke overbrugging moet worden gezien naar participatie met betaald
                    (gesubsidieerd) werk. Op grond van de eigen verantwoordelijkheid zijn
                    uitkeringsgerechtigden wettelijk verplicht al datgene te doen (en na te laten)
                    wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Zij worden hierin
                    ondersteund en aangemoedigd via eventuele voorzieningen. De tegenhanger hiervan
                    is het sanctiebeleid. Als een noodzakelijk traject naar participatie wordt
                    gefrustreerd, wordt metterdaad en streng gehandeld (lik op stuk beleid). Ook
                    waar het agressie/geweld tegen die dienstverleners die de wetten uitvoeren
                    betreft.</al><al/><al><vet>§ 3.1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Maatwerk uitgewerkt in de artikelen 20 t/m 22</vet></al><al>Het sanctiebeleid moet voldoen aan de vereisten van de P-wet en de Algemene wet
                    bestuursrecht. Deze bepalingen komen tegemoet aan de beginselen van
                    zorgvuldigheid, rechtszekerheid en motivering bij het opleggen van een sanctie.
                    De gestelde waarborgen verduidelijken de rechtspositie van de klant in relatie
                    tot de P-wet-inkomensgarantie op minimumniveau.</al><al/><al><vet>Artikel 20 Besluit</vet></al><al>De regels, zoals deze voortkomen uit constante jurisprudentie, worden hierbij
                    aangehaald: Een maatregel wordt beoordeeld op:</al><lijst><li nr="·"><al>De ernst van de gedraging - welke verplichting is niet of niet correct
                            nagekomen;</al></li><li nr="·"><al>De individuele omstandigheden - soms zijn de omstandigheden zodanig dat
                            de gedraging niet aan te rekenen valt en soms kunnen de omstandigheden
                            ook een reden zijn om geen maatregel op te leggen. </al></li></lijst><al>Met name deze laatste overweging is maatwerk, nu hier uitgegaan wordt van de
                    individuele situatie van de belanghebbende.</al><al/><al><vet>Artikel 22 Afzien van het opleggen van een verlaging</vet></al><al>Nieuw is hier dat er een termijn is gesteld waar binnen het college een
                    maatregel kan opleggen. Deze termijn geldt alleen voor de niet-geüniformeerde
                    maatregelen van artikel 18 lid 4 P-wet. Concreet betekent dit dat als de
                    gedraging meer dan 2 jaar voordat het college deze constateert heeft
                    plaatsgevonden, er wordt afgezien van het opleggen van een maatregel. Let wel:
                    dit geldt dus niet voor de schending van de inlichtingenplicht!</al><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als hier dringende
                    redenen voor zijn: dit zal niet vaak het geval zijn. Gedacht moet worden aan de
                    zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 P-wet. </al><al/><al><vet>Artikel 23 Ingangsdatum en tijdvak en recidive</vet></al><al>Lid 1: de verlaging kan pas ingaan op het moment dat iemand hiervan op de hoogte
                    is gesteld, dus als hij of zij de beschikking heeft ontvangen. Daarom gaat de
                    verlaging in de maand volgend op de maand waarin de beschikking wordt verstuurd
                    in. Meestal wijzigt de toepasselijke norm niet. Voor de effectuering van de
                    verlaging geldt de norm in de maand waarin deze wordt geëffectueerd om te
                    voorkomen dat iemand financieel onevenredig wordt benadeeld. Een voorbeeld
                    hierbij is dat iemand de norm alleenstaande heeft op het moment dat de
                    maatregelwaardige gedraging wordt geconstateerd en leeft als gehuwde (met de
                    norm tweepersoonshuishouden) op het moment dat de verlaging wordt geëffectueerd.
                    Als er 10% gedurende 1 maand wordt opgelegd, zal deze geëffectueerd worden op de
                    norm behorend bij een tweepersoonshuishouden. In dit geval is de verlaging
                    hoger, maar het kan andersom ook zo zijn dat de verlaging lager wordt als de
                    situatie omgekeerd is (tweepersoonshuishouden wordt alleenstaande).</al><al/><al>Lid 2: De verlaging kent geen terugwerkende kracht en gaat in per de eerste van
                    de maand volgend op de beschikkingsdatum. Uitzondering hierop is bij de
                    aanvraag. Als er dan sprake is van een maatregelwaardige gedraging gaat deze in
                    per ingangsdatum van de uitkering of datum gedraging, als deze hierna ligt, mits
                    de uitkering niet al is uitbetaald. Is de uitkering al wel uitbetaald, dan geldt
                    de hoofdregel van de eerste van de maand volgend op de beschikking.</al><al/><al>Lid 5: Als er sprake is van meerdere maatregelwaardige gedragingen, dan zal
                    altijd de maatregel met de hoogste sanctie worden opgelegd. De sancties worden
                    dus niet bij elkaar opgeteld en opgelegd.</al><al/><al>Lid 6 sub b: Bij recidive is de duur van de verlaging in principe altijd twee
                    maanden, ook als er sprake is van een derde of vierde overtreding. Dit in
                    afwijking van de geüniformeerde verlagingen, waarbij de duur van de verlaging
                    bij herhaalde niet nakoming is gesteld op drie maanden. </al><al/><al>In het geval een verlaging van 100% gedurende een maand wordt opgelegd, wordt
                    bij recidive de duur van de verlaging verdubbeld. In het geval een verlaging van
                    50% gedurende een maand wordt opgelegd, wordt bij recidive de hoogte van de
                    verlaging verdubbeld.</al><al/><al>Lid 7: als de uitkering is beëindigd, kan er geen verlaging van de uitkering
                    meer worden geëffectueerd. Wanneer de klant binnen een jaar een nieuwe uitkering
                    aanvraagt en deze wordt toegekend, dan kan de verlaging of het deel dat nog niet
                    is geëffectueerd alsnog worden geëffectueerd op de nieuwe uitkering vanaf de
                    ingangsdatum. </al><al/><al><vet>Artikel 24 De berekeningsgrondslag van de maatregel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. </al><al/><al><vet>Artikel 25 Waarschuwing</vet></al><al>In plaats van het opleggen van een verlaging kan bij gedragingen van de
                    2<sup>e</sup> categorie zoals bedoeld in artikel 27 sub b en artikel 29 sub b
                    van deze verordening worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                    waarschuwing. Dit kan alleen in de situaties waarin de verordening dit toestaat.
                    De waarschuwing telt mee voor de recidive en moet hiertoe dan ook beschikt en
                    geregistreerd worden.</al><al/><al><vet>Artikel 26 Horen van de belanghebbende(n)</vet></al><al>De belanghebbende moet worden gehoord en het besluit moet altijd schriftelijk
                    worden genomen. Vanzelfsprekend zijn de bepalingen van de Algemene wet
                    bestuursrecht hierop ook van toepassing. In dit artikel staan alleen de
                    bijzondere bepalingen voor de uitvoering van de P-wet.</al><al/><al>De sanctie gaat pas in als de belanghebbende hier van op de hoogte is gesteld.
                    Het college kan slechts in bepaalde situaties, zoals opgenomen in deze
                    verordening, gemotiveerd afzien van het horen. </al><al/><al><vet>§ 3.2 Gedragingen en bijbehorende maatregelen</vet></al><al><vet>§ 3.2.1 Niet nakomen van de <onderstreept>niet
                            geüniformeerde</onderstreept> verplichtingen met betrekking tot de
                        arbeidsinschakeling</vet></al><al><vet>Artikel 27 Gedragingen P-wet</vet></al><al>De artikelen 27 en 30 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel
                    27 worden schendingen van verplichtingen uit de P-wet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die hierin worden genoemd zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 30 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. </al><al/><al><cursief>Gedragingen in de eerste categorie</cursief></al><al>De gedragingen die hier genoemd worden, wegen allemaal zeer zwaar gelet op de
                    eigen verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde om al datgene te doen
                    wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Een tekortkoming
                    van deze aard druist zo in tegen het uitgangspunt van participatie naar
                    vermogen, dat een verlaging van de uitkering van 100% voor de duur van één maand
                    proportioneel wordt geacht. Deze verlaging wordt bovendien redelijk en billijk
                    geacht, omdat de belanghebbende door diens opstelling, houding of gedrag niet
                    zelf in het bestaan kan voorzien. Daarnaast wordt hiermee aangesloten bij de in
                    de wet genoemde (wel geüniformeerde) maatregelen.</al><al/><al><cursief>Gedragingen in de tweede categorie</cursief></al><al>De gedragingen die hier genoemd wegen minder zwaar dan de gedragingen in de
                    eerste categorie. Gelet op de aard van de gedragingen in relatie tot het
                    teruglopende participatiebudget, wordt een verlaging van 50% gedurende 1 maand
                    niet disproportioneel geacht. Vanaf 1 januari 2016 kan de verlaging in verband
                    met het niet of niet voldoende meewerken aan de taaltoets ook in de
                    afstemmingsparagraaf worden opgenomen. </al><al/><al><vet>Artikel 28 Niet nakomen overige verplichtingen P-wet</vet></al><al>Artikel 55 van de P-wet geeft het college de bevoegdheid om personen
                    verplichtingen op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie van de
                    klant. Deze verplichtingen worden beperkt tot een viertal categorieën, te
                    weten:</al><lijst><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>Dit artikel ziet op de verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling. De
                    overige verplichtingen komen terug in artikel 35.</al><al/><al>Voorbeeld van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling:</al><al>-het zich onderwerpen, op advies van een arts, aan een noodzakelijke behandeling
                    van medische aard, omdat de beperkingen arbeidsinschakeling in de weg staan. </al><al/><al>Bij het niet nakomen van deze verplichtingen wordt een verlaging van de
                    uitkering van 50% gedurende 1 maand opgelegd. </al><al/><al><vet>Artikel 29 Gedragingen IOAW en IOAZ</vet></al><al>De artikelen 29 en 30 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel
                    29 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die hierin worden genoemd zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 30 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                    van betaalde arbeid. Omdat de Wet taaleis niet van toepassing is voor de IOAW is
                    die bepaling in dit artikel niet opgenomen. </al><al/><al><vet>Artikel 30 Hoogte en duur van de verlaging</vet></al><al>In lid 1 staan de verlagingspercentages behorende bij de verlagingswaardige
                    gedragingen als bedoeld in de artikelen 27 en 29.Met
                    de Wet Maatregelen WWB 2015 zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                    bijbehorende maatregelen geïntroduceerd (artikel 18, vierde en vijfde lid, van
                    de P-wet). Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming van de
                    gedragingen in de eerste categorie als bedoeld in de artikelen 27 en 29 aan te
                    sluiten bij de maatregelen voor het schenden van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen. Dit omwille van duidelijkheid. Bovendien zijn diverse
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen in de eerste
                    categorie. </al><al/><al>In lid 2 is bepaald dat het college op basis van individuele omstandigheden kan
                    besluiten de verlaging van 100% gedurende een maand op te delen in 2 maanden
                    verlaging van 50%. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gezinnen met kleine
                    kinderen die door de verlaging van 100% in dusdanige problemen komen dat de
                    huisvesting in het geding komt. Hierbij moet opgemerkt worden dat het hebben van
                    kinderen op zich niet de reden is voor deze spreiding, het moet gaan om de
                    gehele situatie.</al><al/><al><vet>§ 3.2.2 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                        tot de arbeidsinschakeling</vet></al><al><vet>Artikel 31 Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                        arbeidsverplichting</vet></al><al>In lid 1 is bepaald dat bij het verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, de verlaging van de uitkering 100% gedurende een maand
                    bedraagt. Dit is volgens de P-wet de minimale verlaging (artikel 18 lid 5).</al><al/><al>Volgens lid 2 kan het college op basis van individuele omstandigheden besluiten
                    de verlaging van 100% gedurende een maand op te delen in 2 maanden verlaging van
                    50%. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gezinnen met kleine kinderen die
                    door de verlaging van 100% in dusdanige problemen komen dat de huisvesting in
                    het geding komt. Hierbij moet opgemerkt worden dat het hebben van kinderen op
                    zich niet de reden is voor deze spreiding, het moet gaan om de gehele
                    situatie.</al><al/><al>Als er sprake is van recidive (het niet of onvoldoende nakomen van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een
                    belanghebbende een eerste verlaging is opgelegd wegens schending van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting), bedraagt de verlaging 100% gedurende 2
                    maanden. </al><al/><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    verlaging, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de P-wet).</al><al/><al>Wettelijk heeft de belanghebbende de mogelijkheid om zich te herstellen. Hij kan
                    hiervoor een verzoek doen en moet aantonen nu wel te voldoen aan de
                    verplichtingen. Deze mogelijkheid is verder uitgewerkt in de beleidsregels.</al><al/><al><vet>§ 3.2.3 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</vet></al><al><vet>Artikel 32 tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een
                            alimentatievordering.</al></li></lijst><al/><al>De sanctie wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. Wanneer er geen
                    benadelingsbedrag kan worden vastgesteld (maar er is wel benadeling), dan wordt
                    een verlaging van 20% van de uitkering gedurende 1 maand opgelegd.</al><al/><al>Bij het onverantwoord interen van vermogen of het weggeven (schenken) van
                    vermogen is de hoogte van de sanctie gekoppeld aan de duur van de schadelast
                    voor de gemeente. Deze maatregel geldt niet voor de IOAW nu deze regeling geen
                    vermogensbepaling kent. Wanneer er sprake is van versneld interen of wegschenken
                    van vermogen wordt de uitkering gedurende het eerder bijstandsafhankelijk zijn
                    met 100% verlaagd. Als dit tot problemen leidt kan bijstand in de vorm van een
                    lening worden verstrekt conform artikel 48 van de wet. Versneld interen van
                    vermogen wordt berekend naar de systematiek van 1,5 x de norm per maand. </al><al/><al><vet>Artikel 33 Verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening
                    </vet></al><al>Iemand die vanwege recidive wel recht heeft op een voorliggende voorziening die
                    niet tot uitbetaling komt, kan vanaf dat moment aanspraak maken op bijstand. De
                    voorliggende voorziening is namelijk niet meer passend en toereikend. Er bestaat
                    wel formeel recht, maar het komt niet meer tot uitbetaling. Als iemand een
                    beroep doet op bijstand vanwege verrekening van de bestuurlijke boete, wordt een
                    maatregel opgelegd van 100% gedurende de eerste maand gerekend vanaf de start
                    van de verrekening van de voorliggende voorziening. </al><al/><al>Als dan de beslagvrije voet bij een voorliggende voorziening op nihil wordt
                    gesteld, dan wordt een – bij ministeriële regeling bepaald – deel van de
                    zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen vrijgesteld. Het vrij te laten
                    deel van de uitkering kan afhankelijk worden gesteld van de leefsituatie. Wordt
                    de beslagvrije voet op nihil gesteld en krijgt iemand als gevolg daarvan
                    bijstand, dan ontstaat de situatie dat iemand op papier twee (volledige)
                    uitkeringen ontvangt. Dit heeft gevolgen voor de toeslagen, nu het jaarinkomen
                    op papier hoog is. Er zal dus geen recht meer zijn op huur- en zorgtoeslag en
                    kindgebonden budget waardoor de kosten van bestaan niet meer betaald kunnen
                    worden uit de bijstandsuitkering. Om dit op te lossen is in de P-wet geregeld
                    dat dit vrijgelaten bedrag voor de bijstand niet als middel wordt aangemerkt
                    (artikel 31 lid 2 sub x P-wet). </al><al/><al>Daarnaast is een bepaling opgenomen die betrekking heeft op de situatie waarin
                    iemand, voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, verwijtbaar werkloos wordt. In een
                    dergelijk geval doet iemand een beroep op de uitkering, terwijl dat niet nodig
                    was geweest indien hij de baan behouden had. Deze gedraging heeft een verlaging
                    van de uitkering tot gevolg die is opgenomen in lid 2 en 3. </al><al/><al><vet>Artikel 34 Zeer ernstig misdragen</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de P-wet. Onder de term ‘zeer ernstig misdragen’ dient in elk
                    geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief (fysiek) contact
                    met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt
                    bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een
                    persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel,
                    evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer
                    ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende
                    impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het
                    opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek
                    en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens
                    als zeer ernstige misdraging te beschouwen.<sup/>Ook verbaal geweld valt onder
                    de noemer 'zeer ernstige misdraging'.</al><al/><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de P-wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten
                    van hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de
                    werkzaamheden' wordt aangegeven dat de verlaging van de uitkering alleen
                    opgelegd kan worden bij misdragingen in het kader van de uitvoering van de
                    P-wet. Als er sprake is van misdragingen jegens de met de uitvoering van de
                    P-wet belaste personen en instanties zonder dat deze bezig zijn met de
                    uitvoering van de P-wet (dus evt. in hun privésituatie), wordt altijd aangifte
                    gedaan en kan een gebouwverbod worden opgelegd.</al><al/><al>Bij zeer ernstige misdragingen treedt het agressieprotocol in werking. Dit
                    protocol voorziet in onder meer een ordegesprek, het doen van justitiële
                    aangifte (altijd bij fysiek geweld) en een gebouwverbod. Daarnaast wordt een
                    verlaging van de uitkering van 100% gedurende een maand opgelegd. Bij recidive
                    wordt de uitkering gedurende 3 maanden met 100% verlaagd. Dit omdat de impact
                    van zeer ernstig misdragen op de personen maar ook op de organisatie dermate
                    groot zijn, dat dit zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Deze hoogte heeft
                    naast een repressief ook een preventief aspect.</al><al/><al><vet>Artikel 35 Niet nakomen overige verplichtingen</vet></al><al>Artikel 55 van de P-wet geeft het college de bevoegdheid om personen
                    verplichtingen op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie van de
                    klant. Deze verplichtingen worden beperkt tot een viertal categorieën, te
                    weten:</al><lijst><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling (geregeld in artikel
                            28 van deze verordening);</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; en</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al/><al>De sanctie wordt afgestemd op het soort verplichting dat niet wordt nagekomen en
                    de impact hiervan op de bijstandsverlening.</al><al/><al><vet>§ 3.3 Bestuurlijke boete</vet></al><al><vet>§3.3.1 Schending inlichtingenplicht</vet></al><al>In de P-wet (artikel 18a) is bepaald, dat het college een bestuurlijke boete
                    oplegt als de inlichtingenplicht wordt geschonden. Het college is verplicht de
                    bestuurlijke boete met de lopende uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij
                    deze verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden.
                    Is er echter sprake van een recidiveboete (binnen 5 jaar), dan kan het college
                    besluiten gedurende maximaal drie maanden zonder beslagvrije voet te verrekenen.
                    De P-wet verplicht de gemeenteraad in een verordening regels te stellen over de
                    bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Deze
                    bevoegdheid van de gemeenteraad kan op veel verschillende manieren worden
                    ingevuld, echter strekt deze zich slechts uit over het al dan niet in acht nemen
                    van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. De wetgever geeft
                    gemeenten verder heel weinig beleidsruimte waar het gaat om terugvorderen
                    (verplicht) en het opleggen van een boete (ook verplicht).</al><al/><al><vet>Artikel 36 Niet nakomen van de inlichtingenverplichting en
                        </vet><vet>bestuurlijke boete (vervallen)</vet></al><al>Deze bepaling is hier opgenomen als zijnde vervallen. De reden hiervan is dat er
                    met betrekking tot deze bepaling geen verordeningsplicht bestaat. Omdat de
                    regelgeving omtrent dit onderwerp momenteel volop in ontwikkeling is, is ervoor
                    gekozen de bepalingen omtrent de bestuurlijke boete (met uitzondering van de
                    bepalingen omtrent het verrekenen van de bestuurlijke boete bij recidive – zie
                    paragraaf 3.3.2.) op te nemen in de beleidsregels in plaats van de verordening.
                    Op deze manier zijn we flexibeler voor wat betreft het voeren van actueel
                    beleid, wanneer medio 2016 nieuwe wetgeving gepresenteerd wordt. Hieronder wordt
                    kort toegelicht welke ontwikkelingen zich hebben voorgedaan. </al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2013 trad de ‘Wet aanscherping handhaving en
                    sanctiebeleid SZW-wetgeving (Fraudewet) in werking. De Fraudewet
                    (her)introduceerde de bestuurlijke boete bij schending van de
                    inlichtingenplicht. Op 24 november 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB)
                    een uitspraak gedaan in het kader van toepassing van de Fraudewet en het op deze
                    wet gebaseerde Boetebesluit sociale zekerheidswetten (Boetebesluit).</al><al/><al>Recent heeft ook de Nationale ombudsman een rapport uitgebracht over de
                    Fraudewet. Zowel in de uitspraak als het rapport komt naar voren dat de
                    toepassing van de Fraudewet vaak zijn doel voorbij schiet. De boetes zijn
                    onevenredig zwaar en de opgelegde boetes worden ten onrechte niet altijd
                    individueel afgestemd. Naar aanleiding van voornoemde uitspraak van de CRvB en
                    het verschenen rapport van de Nationale ombudsman heeft de minister aangegeven
                    in de zomer van 2016 met nieuwe wetgeving te komen. De aanpassingen betreffen
                    primair het overgangsrecht en het boeteregime. Daarnaast worden de
                    waarschuwingsmogelijkheid en de criteria van verminderde verwijtbaarheid
                    uitgebreid. Totdat de aanpassingen van wet- en regelgeving in werking treden,
                    blijft het college gehouden het boeteregime zoals neergelegd door de uitspraak
                    van de CRvB toe te passen. </al><al/><al>De bepalingen zoals opgenomen in deze verordening worden dus - aangepast aan de
                    uitspraak van de CRvB - opgenomen in de beleidsregels.</al><al/><al><vet>Artikel 37 Matigen en afzien van opleggen bestuurlijke boete
                        (vervallen)</vet></al><al>Zie toelichting artikel 36.</al><al/><al><vet>§ 3.3.2 Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive
                        (alleen P-wet)</vet></al><al><vet>Artikel 38 Verrekenen zonder beslagvrije voet bij voldoende
                    bezit</vet></al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de P-wet. Eventueel
                    aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet op het bezit in
                    mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de P-wet
                    zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die vanwege de volledige
                    verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de
                    bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig
                    moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen
                    voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin
                    bewoonde (eigen) woning.</al><al/><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 38 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                    beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal de
                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen
                    worden.</al><al/><al><vet>Artikel 39 Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</vet></al><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet (dus 100% van de uitkering). Voor de overige twee maanden vindt weliswaar
                    verrekening met in achtneming van de beslagvrije voet plaats, maar niet
                    volledig. Belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80%
                    van de toepasselijke bijstandsnorm. Voor het percentage van 80% is aansluiting
                    gezocht bij de invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij
                    notoire wanbetalers. Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van
                    de toepasselijke bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste
                    lid, van de Invorderingswet 1990. Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting
                    gegeven aan het principe dat fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om
                    belanghebbenden die herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar
                    mag een duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden
                    met de zorgplicht van gemeenten en de vangnetfunctie van de bijstand. Het
                    volledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden
                    kan kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden,
                    nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten. </al><al/><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n of r, van de P-wet worden vrijgelaten voor de algemene
                    bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de bijstandsnorm,
                    tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus
                    niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende
                    nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3.</al><al/><al><vet>Artikel 40 Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</vet></al><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt geacht. Het gaat daarbij altijd om individuele
                    omstandigheden waaraan het college zal moeten toetsen.</al><al/><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de
                    artikelen 38 en 39 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige
                    verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende en diens
                    gezin. Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door de volledige
                    verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar
                    verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien.</al><al/><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende
                    reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het
                    woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende
                    redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het college rekening houden met de
                    bescherming van de beslagvrije voet.</al><al>Van dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat slechts om incidentele
                    gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende en diens
                    gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn. Het enkele
                    feit dat het belanghebbende door de verrekening aan middelen ontbreekt om in het
                    bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken
                    van dringende redenen.</al><al/><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet
                    gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het college waarvan hij
                    uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In
                    artikel 60b, tweede lid, van de P-wet is geregeld dat het college die de
                    uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende
                    tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de beslissing op
                    dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de eigen gemeentelijke
                    verordening zijn vastgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 41 Eerder opgelegde bestuurlijke boete</vet></al><al>In artikel 60b, derde lid, van de P-wet is bepaald dat de bevoegdheid om te
                    verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder opgelegde
                    bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college die
                    eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt dit artikel dat de
                    bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn.</al><al/><al><vet>§ 4 Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik</vet></al><al>In deze paragraaf is de verplichting uitgewerkt als bedoeld in artikel 8b van de
                    P-wet: in het kader van goed financieel beheer regels opstellen voor de
                    bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van de wet. Deze regels moeten waarborgen dat aan de eisen
                    van rechtmatigheid wordt voldaan. Gelet op de financiële verantwoordelijkheid
                    van de gemeente is naast controle van de rechtmatigheid van de bijstand ook het
                    beheersen van het volume in de bijstand belangrijk. Een effectieve handhaving
                    vertaalt zich immers in een besparing op het BUIG budget.</al><al>Het beleid voor handhaving is sinds langere tijd ingericht naar het model van
                    hoogwaardig handhaven.</al><al/><al>Dit model voor integraal en hoogwaardig handhaven is opgebouwd uit vier pijlers,
                    waarvan twee preventief en twee repressief van aard zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>goede en tijdige voorlichting over rechten en verplichtingen;</al></li><li nr="2."><al>het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor
                            spontane naleving P-wet);</al></li><li nr="3."><al>het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en
                            misbruik en</al></li><li nr="4."><al>het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik.</al></li></lijst><al/><al>Het college werkt de pijlers van hoogwaardig handhaven verder uit in
                    beleidsregels en richtlijnen voor de uitvoering.</al><al/><al>Het rechtmatig verstrekken van uitkeringen, het voorkomen en het bestrijden van
                    oneigenlijk gebruik en misbruik van de P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 is
                    gewaarborgd door te werken naar de uitgangspunten van het landelijke model voor
                    programmatisch en hoogwaardig handhaven. De vier visievelden van dat model
                    worden in samenhang uitgevoerd. De nadruk ligt op preventie en
                    gedragsverandering (spontaan naleven verplichtingen). Voorkomen is beter dan
                    genezen.</al><al/><al><vet>Artikel 44 Aangifte bij het Openbaar Ministerie</vet></al><al>Er wordt geen bestuurlijke boete opgelegd als er aangifte wordt gedaan bij het
                    OM, vanwege het beginsel “ne bis in idem” (niet 2x straffen voor hetzelfde
                    feit). Als het OM echter besluit niet tot vervolging over te gaan, dan kan er
                    wel worden gesanctioneerd. Dit kan wel enige tijd later zijn, omdat het OM de
                    aangifte zal moeten beoordelen en dat kost tijd.</al><al/><al><vet>Artikel 45 Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</vet></al><al>Ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bruto uitkering door
                    oneigenlijk gebruik of misbruik van de P-wet, IOAW, IOAZ of Bbz 2004, wordt in
                    beginsel altijd volledig teruggevorderd volgens de door het college vastgestelde
                    beleidsregels terugvordering en verhaal. Deze beleidsregels voorzien mede in het
                    afzien van het terugvorderen van (marginale) kosten van bijstand, de termijn
                    waarover naar draagkracht moet worden terugbetaald en het matigen dan wel
                    afboeken (kwijtschelden) van terug te vorderen kosten van bijstand.</al><al/><al>De slotbepalingen behoeven geen toelichting</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>