<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR400891_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">WerkSaam Westfriesland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Drechterland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Enkhuizen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoorn</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Koggenland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Medemblik</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Opmeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Stede Broec</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Blad Gemeenschappelijke Regeling</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-03-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling WerkSaam
                        Westfriesland, gevestigd te Hoorn;</al><al/><al>Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur WerkSaam Westfriesland dd 4
                        februari 2016;</al><al/><al>Gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al/><al>Gelet op artikel 15, lid 2, onderdeel c van de Gemeenschappelijke Regeling
                        WerkSaam Westfriesland</al><al/><al>Overwegende dat WerkSaam Westfriesland bij verordening nadere regels dient
                        vast te stellen met betrekking tot de re-integratie van werkzoekenden;</al><al/><al>Besluit de Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2016 als volgt
                        vast te stellen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Algemeen Bestuur: Algemeen Bestuur van WerkSaam Westfriesland
                                </al></li><li nr="b."><al>Anw: Algemene nabestaandenwet</al></li><li nr="c."><al>Anw-er: personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op
                                    grond van de Algemene nabestaandenwet</al></li><li nr="d."><al>Beleidsregels: nadere regels rondom re-integratievoorzieningen
                                    die door het dagelijks bestuur kunnen worden vastgesteld.</al></li><li nr="e."><al>Dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van WerkSaam
                                    Westfriesland</al></li><li nr="f."><al>Doelgroep: Personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a
                                    van de Participatiewet en personen die een uitkering ontvangen
                                    volgens de IOAW en IOAZ. </al></li><li nr="g."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers</al></li><li nr="h."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</al></li><li nr="i."><al>Jongeren: personen uit de doelgroep tot de leeftijd van 27
                                    jaar</al></li><li nr="j."><al>Mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt</al></li><li nr="k."><al>Nugger: een niet-uitkeringsgerechtigde zoals omschreven in
                                    artikel 7 lid 1 sub a onder 7 van de Participatiewet.</al></li><li nr="l."><al>Regiogemeenten: de gemeenten die deelnemen aan WerkSaam
                                    (Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer,
                                    Stede Broec)</al></li><li nr="m."><al>WerkSaam: De gemeenschappelijke regeling WerkSaam
                                    Westfriesland</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur houdt bij het aanbieden van de in deze
                                verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden
                                en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben
                                in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur informeert de gemeenteraad tweemaal per jaar
                                over de doeltreffendheid van het beleid. Hierin is in ieder geval
                                het oordeel van de cliëntenraad opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een of meer budgetplafonds vaststellen
                                voor de verschillende voorzieningen of een plafond instellen voor
                                het maximaal aantal personen dat in aanmerking komt voor een
                                specifieke voorziening. Een door het dagelijks bestuur ingesteld
                                budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een
                                specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur plaatst een persoon uit de doelgroep
                                uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet
                                onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de
                                arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt een beleidsplan vast waarin wordt
                                vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende
                                voorzieningen, het dagelijks bestuur in ieder geval kan aanbieden.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening kan worden beëindigd wanneer: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                        Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de
                                        artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het dagelijks bestuur de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het dagelijks bestuur
                                        niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van
                                        de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li><li nr="h."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt verhuist buiten
                                        de gemeentegrenzen van de regiogemeenten, tenzij het een
                                        voorziening betreft als omschreven in artikel 12. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstage / Werken met behoud van uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon uit de doelgroep een werkstage
                                gedurende 6 maanden gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als
                                deze behoort tot de doelgroep. Deze periode kan maximaal met nog
                                eens 6 maanden worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een plan van aanpak wordt in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de duur van de stage, en</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stemt de duur van de in het eerste lid
                                bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan zorgen voor toeleiding van een persoon die
                                behoort tot de doelgroep door middel van het inzetten van een
                                detachering, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon zoals bedoeld in lid 1 wordt voor het verrichten van
                                arbeid gedetacheerd bij een inlenende organisatie en ontvangt een
                                arbeidsovereenkomst van WerkSaam. De detachering wordt vastgelegd in
                                een schriftelijke overeenkomst tussen WerkSaam en inlenende
                                organisatie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                een scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de scholing/opleiding moet noodzakelijk zijn voor het slagen
                                        van het traject of plan van aanpak; </al></li><li nr="b."><al>de scholing/opleiding wordt bij voorkeur ingezet als dit de
                                        kortste weg is naar algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen jonger dan
                                        27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen
                                        volgen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                van artikel 18b van de Participatiewet een taaltraject aanbieden dat
                                is gericht op arbeidsinschakeling. Een taaltraject voldoet in ieder
                                geval aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>het taaltraject omvat in ieder geval één of meer van de
                                        volgende onderdelen: spreekvaardigheid, luistervaardigheid,
                                        gespreksvaardigheid, schrijfvaardigheid,
                                        leesvaardigheid;</al></li><li nr="b."><al>het taaltraject moet binnen een redelijke termijn leiden tot
                                        een verbetering van de Nederlandse taal;</al></li><li nr="c."><al>het taaltraject omvat een omschrijving hoe de verbetering
                                        van de Nederlandse taal wordt gevolgd;</al></li><li nr="d."><al>het taaltraject houdt rekening met persoonlijke
                                        mogelijkheden en omstandigheden.</al><al>Het dagelijks bestuur biedt geen taaltraject aan een persoon
                                        die volledig is ontheven van de arbeidsplicht als bedoeld in
                                        artikel 9 van de Participatiewet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht
                                op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet
                                onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het dagelijks bestuur, de werkgever en de
                                persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt
                                per termijn van 6 maanden:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 150,-- bij een gemiddelde ureninzet van 3 tot 12 uur per
                                        week;</al></li><li nr="b."><al>€ 250,-- bij een gemiddelde ureninzet van 12 uur of meer per
                                        week</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie wordt alleen verstrekt mits in die zes maanden voldoende
                                is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan
                                een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van
                                een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat
                                hij deze persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of zij
                                uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken kan het dagelijks bestuur
                                ondersteunende voorzieningen inzetten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk
                                en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk worden vastgesteld.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de
                            doelgroep ten aanzien van wie het dagelijks bestuur van oordeel is dat
                            een leer-werktraject nodig is, voor zover het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning / Jobcaching</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het dagelijks bestuur
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Doelgroep loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt vast of een persoon behoort tot de
                                doelgroep loonkostensubsidie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het dagelijks bestuur de volgende criteria in acht: </al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                        Participatiewet; </al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en </al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het dagelijks bestuur stelt vast of en zo ja welke externe
                                organisatie adviseert met betrekking tot het oordeel of een persoon
                                behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, met in achtneming van
                                de in het tweede lid neergelegde criteria. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt vast welke methode wordt gehanteerd om
                                de loonwaarde van een persoon vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het dagelijks bestuur de volgende minimumeisen in
                                acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de methode bevat richtlijnen op grond waarvan de prestatie
                                        van de werknemer wordt bepaald;</al></li><li nr="b."><al>de methode is transparant, betrouwbaar en inzichtelijk
                                        beschreven, en</al></li><li nr="c."><al>de loonwaarde hangt niet af van degene die de loonwaarde
                                        bepaalt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt vast of en zo ja welke externe
                                organisatie adviseert met betrekking tot devaststelling van de
                                loonwaarde van een persoon. De externe organisatie neemt daarbij de
                                in artikel 2 lid 1 omschreven methode in acht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stemt het bepaalde in artikel 2, lid 1 tot en
                                met 3, af met de partners die betrokken zijn bij het
                                Werkbedrijf.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan
                                een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen
                                geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een
                                uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon
                                uit de doelgroep die gedurende een aaneengesloten periode van 24
                                maanden of langer op een uitkering aangewezen is of is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie kan worden aangevraagd vanaf de zevende tot de negende
                                maand na de indiensttreding, mits een dienstverband aanwezig
                                is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de uitstroompremie bedraagt € 1.000.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan gebruik maken van de in artikel 31, lid 2,
                                sub n en r van de Participatiewet geboden mogelijkheden om inkomsten
                                gedeeltelijk vrij te laten en kan ter nadere uitvoering van de
                                inkomstenvrijlating beleidsregels vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de vrijlating van een gedeelte van de inkomsten gedurende
                                maximaal zes maanden, genoemd in artikel 31, lid 2, sub n, geldt een
                                maximale periode van 24 maanden waarbinnen de vrijlating toegepast
                                kan worden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Re-integratie niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan re-integratievoorzieningen inzetten voor
                                niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de re-integratie van niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers
                                gelden de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de niet-uitkeringsgerechtigde of Anw-er heeft geen
                                        dienstbetrekking en is verplicht ingeschreven te staan als
                                        werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf;</al></li><li nr="b."><al>de niet-uitkeringsgerechtigde of Anw-er moet zich voor
                                        minimaal 12 uur per week beschikbaar stellen voor algemeen
                                        geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>de noodzaak voor ondersteuning moet aanwezig zijn en wordt
                                        vastgesteld door het dagelijks bestuur;</al></li><li nr="d."><al>de ondersteuning moet te allen tijde gericht zijn op
                                        bevordering van arbeidsinschakeling en vormt altijd de
                                        kortste weg richting algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="e."><al>het dagelijks bestuur bepaalt welk aanbod passend is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur doet, als een niet-uitkeringsgerechtigde of
                                Anw-er aanspraak wil maken op ondersteuning, binnen maximaal 3
                                maanden een aanbod dat past binnen de kaders van deze verordening en
                                het beschikbaar gestelde budget.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur van WerkSaam kan met de betrokkene afspraken
                                maken over de gevolgen van het niet nakomen van afspraken of het
                                voortijdig afbreken van een re-integratietraject.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Er wordt geen re-integratievoorziening ingezet als het
                                (netto)inkomen van de aanvrager en diens partner tezamen hoger is
                                dan anderhalf keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het
                                vermogen van de aanvrager en diens partner tezamen mag niet hoger
                                zijn dan het toepasselijke vrij te laten vermogen als bedoeld in
                                artikel 34, lid 3 van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan ten gunste van de persoon afwijken van de
                                bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening
                                leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, die de uitvoering van deze verordening betreffen,
                                waarin deze verordening niet voorziet, beslist het dagelijks
                                bestuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze gewijzigde verordening treedt in werking op de dag van
                                    bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    WerkSaam Westfriesland 2016.</al></li><li nr="3."><al>Gelijktijdig met inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                                    gewijzigde Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2015
                                    ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 24 maart
                        2016</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De secretaris, M. Olierook</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, A.J. de Jong</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die het algemeen bestuur heeft gekregen, te weten het bij
                    verordening regels stellen waarin het beleid van WerkSaam Westfriesland ten
                    aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere
                    aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de
                    daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren
                    van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en
                    beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het dagelijks bestuur van WerkSaam de bevoegdheid gegeven om op
                    een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet
                    bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het dagelijks bestuur van WerkSaam noodzakelijk
                    geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is
                    ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het
                    dagelijks bestuur in ieder geval kan aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is het dagelijks bestuur van
                    WerkSaam verplicht om regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening.</al><al/><al><cursief>f. Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste
                        lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c,
                                van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA),
                                artikel 35, vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36,
                                derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het
                                inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                                jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
                                persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in
                                artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                                Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                (hierna: IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                (hierna: IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het
                        dagelijks bestuur aangeboden voorziening.</al><al/><al><cursief>i. Jongeren tot 27 jaar</cursief></al><al>Jongeren vormen een aparte categorie, omdat de wet afwijkende regels heeft
                        opgesteld voor jongeren tot 27 jaar. Uitgangspunt hierbij is dat de jongere
                        een startkwalificatie behaalt of (duurzaam) uitstroomt naar werk, een stage
                        of een leerwerkplek. </al><al/><al><cursief>k. Niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers)</cursief></al><al>WerkSaam zet ook re-integratievoorzieningen in voor
                        niet-uitkeringsgerechtigden, ofwel nuggers. Dit zijn werkzoekenden die niet
                        in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Participatiewet
                        (bijvoorbeeld omdat de partner een te hoog inkomen heeft), maar die voor hun
                        re-integratie wel een beroep willen doen op de ondersteuning en
                        voorzieningen van WerkSaam. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><al><cursief>Lid 1. Rekening houden met omstandigheden en functionele
                                beperkingen. </cursief></al><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                            moet het dagelijks bestuur in de verordening de verdeling van de
                            voorzieningen over personen bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met
                            de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin
                            ligt besloten dat het dagelijks bestuur ook rekening houdt met de
                            omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap.
                            Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                            personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het
                            bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle
                            personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele
                            vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging
                            van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande
                            uitvoering gegeven.</al><al/><al><cursief>lid 2. Verslag doeltreffendheid</cursief></al><al>Het algemeen bestuur van WerkSaam zendt tweemaal per jaar een verslag
                            over de doeltreffendheid van het re-integratiebeleid. Dit verslag moet
                            het oordeel van de cliëntenraad bevatten. </al><al/><al><cursief>Lid 3. Budgetplafonds of maximaal aantal
                            personen</cursief></al><al>Aan het inzetten van voorzieningen zijn kosten verbonden. Deze kosten
                            verschillen, afhankelijk van de aard van de voorziening. Het dagelijks
                            bestuur kan een grens stellen aan het aantal personen dat van een
                            specifieke voorziening gebruik mag maken.</al><al/><al><cursief>Lid 4. Concurrentieverhoudingen / Geen
                            verdringing</cursief></al><al>In dit lid is bepaald dat de re-integratie voorziening uitsluitend wordt
                            verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al><cursief>Lid 1.</cursief></al><al>Behoeft geen verdere toelichting. </al><al/><al><cursief>Lid 2. Beëindiginggronden</cursief></al><al>Het tweede lid geeft aan dat het dagelijks bestuur een voorziening kan
                            beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt
                            hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of
                            het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij
                            deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de
                            toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                            rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</al><al/><al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen in de gevallen
                            zoals opgenomen in artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een
                            voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen
                            geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel
                            7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit
                            punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in
                            artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b
                            en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze
                            doelgroep geldt dat het dagelijks bestuur ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren, in
                            het geval dat de beloning ten minste het minimumloon bedraagt en ten
                            behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is
                            verstrekt. </al><al/><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                            re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                            bijstandsgerechtigde, noch van een niet-bijstandsgerechtigde kunnen die
                            kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op
                            grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><al/><al>Bij verhuizing blijft WerkSaam, die de loonkostensubsidie heeft
                            vastgesteld, gedurende de hele looptijd van de dienstbetrekking
                            verantwoordelijk voor de uitbetaling. Er is verder geen beperking in de
                            duur van de loonkostensubsidie. Die kan doorlopen zolang de
                            dienstbetrekking duurt tot de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd
                            heeft bereikt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstage / Werken met behoud van uitkering (MBU)</titel></kop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij
                            een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst
                            toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                            arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                            gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals
                            de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is
                            overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke
                            invulling van de overeenkomst.</al><al/><al><cursief>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en
                            ervaring</cursief></al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van
                            het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht
                            is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer.
                            Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning.
                            Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding
                            ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden
                            gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte
                            kosten.</al><al/><al><cursief>Doelgroep aanbieden werkstage/MBU</cursief></al><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                            werkstage aanbieden. </al><al/><al><cursief>Doel van de werkstage/MBU</cursief></al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                            werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                            geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt
                            dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling
                            afdwingt.</al><al/><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om
                            het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de
                            zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om
                            te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de
                            tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In
                            de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd
                            komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al/><al><cursief>Opstellen plan van aanpak</cursief></al><al>In het derde lid is bepaald dat voor de werkstage een plan van aanpak
                            wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel en de duur van de stage
                            worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door dit plan van
                            aanpak kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet
                            gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk
                            gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroep is
                            arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen
                            staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. </al><al/><al><cursief>Begrip sociale activering</cursief></al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                            maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of,
                            als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige
                            maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c,
                            Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering
                            kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding,
                            verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de
                            wijk of buurt.</al><al/><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief></al><al>Het dagelijks bestuur kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                            activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de
                            mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde
                            arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
                            voorziening (artikel 5, eerste lid).</al><al/><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b,
                            van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op
                            sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een
                            persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen
                            waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die
                            mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te
                            maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel
                            personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar
                            de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te
                            bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                            maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel,
                            arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die
                            persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht
                            op sociale activering.</al><al/><al><cursief>Het dagelijks bestuur stemt duur activiteiten af op de
                                persoon</cursief></al><al>Het tweede lid geeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid om de duur
                            van activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen.
                            Het dagelijks bestuur moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en
                            capaciteiten van een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende
                            behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk
                            zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                            dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te
                            doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de
                            banen vormgegeven worden. </al><al/><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het
                            dienstverband. Het dagelijks bestuur zorgt ervoor dat een persoon een
                            dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde
                            kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt
                            bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken
                            afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                            werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de
                            werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de
                            begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en
                            inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud
                            van het werk. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><al><cursief>Startkwalificatie</cursief></al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een HAVO- of VWO-diploma of een
                            diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing
                            kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                            startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan
                            scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie.
                                <cursief>Jongeren</cursief>Personen jonger dan 27 jaar die nog
                            mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs
                            kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt
                            bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de
                            Participatiewet). Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde
                            lid.</al><al/><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief></al><al>Wanneer een persoon die in aanmerking komt voor een participatieplaats
                            niet over een startkwalificatie beschikt, dient het dagelijks bestuur
                            aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf
                            zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De
                            scholing of opleiding moet gericht zijn op vergroting van de kansen op
                            de arbeidsmarkt. Het dagelijks bestuur hoeft aan een persoon alleen geen
                            scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding
                            naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven
                            gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan
                            vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                            persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.
                            Zie ook artikel 8 van deze verordening over de voorziening
                            participatieplaatsen. </al><al/><al>Lid 3.</al><al>Dit lid regelt dat WerkSaam taaltrajecten kan aanbieden als sprake is
                            van onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen uit de doelgroep. Voor
                            personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een
                            participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                            Participatiewet [en het eerste lid van artikel 8 van deze verordening]).
                            Het dagelijks bestuur kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of
                            ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats
                            aanbieden.</al><al/><al><cursief>Additionele werkzaamheden</cursief></al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht.
                            Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken
                            of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op
                            tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken
                            waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee
                            worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de
                            uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op
                            het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een
                            duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                            participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel
                            10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het
                            dagelijks bestuur of de participatieplaats de kans op
                            arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de
                            Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd.
                            Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw
                            beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als het dagelijks
                            bestuur van WerkSaam concludeert dat voortzetting van de
                            participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren
                            aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de
                            participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                            dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende
                            lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke
                            beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de
                            Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft
                            recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere
                            zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a,
                            zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar
                            het oordeel van het dagelijks bestuur voldoende heeft meegewerkt aan het
                            vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie
                            moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid,
                            onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                            grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet.
                            In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                            vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van
                            de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden
                            betrokken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                            persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of
                            psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                            aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever
                            redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt
                            (eerste lid).</al><al/><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert het
                            dagelijks bestuur van WerkSaam een voorselectie uit. Tijdens de
                            voorselectie bepaalt het dagelijks bestuur welke mensen in aanmerking
                            kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment.</al><al/><al>Het dagelijks bestuur kan ambtshalve vaststellen of een persoon
                            uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid,
                            van de Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon
                            nodig. Het dagelijks bestuur maakt uit de personen uit de doelgroep een
                            voorselectie. Het dagelijks bestuur moet bij het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling of de
                            geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                            aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het dagelijks
                            bestuur met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep
                            beschut werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                            voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b,
                            tweede lid, van de Participatiewet). </al><al/><al><cursief>Stap 3: besluit WerkSaam Westfriesland</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen beslist Het dagelijks bestuur of iemand tot de
                            doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een
                            onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen, kan het dagelijks bestuur van WerkSaam
                            besluiten het advies niet te volgen.</al><al/><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                            zorgt het dagelijks bestuur ervoor dat deze persoon in een
                            dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat
                            (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om
                            een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking
                            (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Hoe de
                            dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van
                            het dagelijks bestuur van WerkSaam. Een dienstbetrekking kan
                            bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV
                            of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte
                            omgeving bij reguliere werkgevers werken.</al><al/><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en
                            legt vast hoeveel plekken voor beschut werk beschikbaar zijn. Het aanbod
                            is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij
                            werkgevers. Daarom moet het dagelijks bestuur overleg voeren met
                            partners om de omvang van het aanbod te kunnen bepalen (vierde
                            lid).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                            ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het dagelijks bestuur moet dan wel
                            van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning
                            nodig moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is
                            geregeld in artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de
                            Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het dagelijks
                            bestuur uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden
                            aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst><al/><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                            jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit
                            school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie
                            kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de
                            mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan
                            ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van
                            achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een
                            startkwalificatie kunnen behalen.</al><al/><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                            onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van
                            artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie
                            dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is
                            vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of
                            daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid,
                            onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het dagelijks bestuur
                            vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                            volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan
                            bieden. </al><al/><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het dagelijks
                            bestuur onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen
                            jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die
                            nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een
                            leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is
                            een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het
                            bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking
                            van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.]</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning of Jobcoaching</titel></kop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader
                            geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste
                            tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij
                            het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een
                            systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning
                            noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning
                            in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten.
                            Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                            begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via
                            een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                            zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om
                            de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld
                            dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan
                            regulier werk te helpen. </al><al/><al><cursief>Compensatie</cursief></al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor
                            het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet
                            worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle
                            kan inzetten. Zo kan het dagelijks bestuur van WerkSaam een
                            loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het
                            verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie
                            van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen.</al><al/><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt
                            vastgesteld of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort:
                            op schriftelijke aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is
                            alleen mogelijk bij:- personen die algemene bijstand ontvangen;-
                            personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35,
                            vierde lid, onderdeel b, en36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk
                            en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is
                            verleend;- personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;- personen met een uitkering op grond van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers, en- personen met een uitkering op grond van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen.</al><al/><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan het
                            dagelijks bestuur is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de wet is het aan het
                            dagelijks is om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot
                            de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor
                            hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz.
                            62). In artikel 1, tweede lid, is vastgelegd welke criteria daarbij in
                            acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel
                            6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers
                            wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.</al><al/><al>Bij de vaststelling of iemand behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie kan het dagelijks bestuur zich eventueel laten
                            adviseren door een derde partij. Het dagelijks bestuur draagt dan
                            personen voor die zouden kunnen behoren tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie bij deze derde partij en neemt daarbij eveneens de in
                            het tweede lid neergelegde criteria in acht. Op basis van het advies
                            beslist het dagelijks bestuur of iemand tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als
                            een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever
                            voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het
                            dagelijks bestuur de loonwaarde van die persoon vaststelt. Hiervoor is
                            geen aanvraag vereist. Het dagelijks bestuur kan zich laten adviseren
                            door een derde partij met betrekking tot de vaststelling van de
                            loonwaarde van een persoon (artikel 12, tweede lid, van deze
                            verordening). De vastgestelde loonwaarde legt het dagelijks bestuur vast
                            in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens
                            (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen.</al><al>Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het dagelijks bestuur
                            loonkostensubsidie aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van
                            de Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><al>Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een
                            persoon die algemene bijstand ontving, uitstroomt. De premie kan worden
                            aangevraagd vanaf zeven maanden na indiensttreding. Onder langdurig
                            werkloze wordt verstaan een persoon die gedurende een aaneengesloten
                            periode van 24 maanden of langer aangewezen is (geweest) op een
                            uitkering. Daarnaast moet een persoon bij aanvraag van de premie in
                            dienst zijn bij een werkgever. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid om een gedeelte
                            van de inkomsten uit arbeid vrij te laten. Nadere regels zijn benoemd in
                            de beleidsregel inkomstenvrijlating WerkSaam Westfriesland. De
                            inkomstenvrijlating genoemd in artikel 31 lid 2 onder n van de wet mag
                            in maximaal 24 maanden toegepast worden. Eventueel resterende maanden
                            aan vrijlating vervallen na 24 maanden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Re-integratie niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers</titel></kop><al>Gelet op het feit dat er minder budget voor re-integratie beschikbaar is
                            dan in voorgaande jaren, maar er mogelijk wel meer
                            niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers) een beroep doen op ondersteuning
                            bij re-integratie (vanwege de wijzigingen voor jonggehandicapten),
                            worden er eisen gesteld aan nuggers. Voor Anw-ers gelden dezelfde
                            eisen.</al><al/><al>Een nugger/Anw-er moet, als hij in aanmerking wil komen voor
                            ondersteuning, in ieder geval ingeschreven staan als werkzoekende bij
                            het UWV. Ook geldt er een inkomens- en vermogenstoets. Daarnaast moet de
                            noodzaak voor ondersteuning aanwezig zijn. Het dagelijks bestuur stelt
                            de noodzaak voor ondersteuning bij re-integratie vast. </al><al/><al>Wanneer een nugger/Anw-er in aanmerking komt voor ondersteuning, dan
                            wordt er binnen de redelijke termijn van 3 maanden een aanbod
                            gedaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel heeft betrekking op de hardheidsclausule en maakt het
                            mogelijk in het voordeel van de cliënt af te wijken van hetgeen in de
                            verordening is vastgelegd.</al><al/><al>Het dagelijks bestuur beslist in gevallen waarin deze verordening
                            onverhoopt niet voorziet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>