<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR40085_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorziening maatschappelijke ondersteuning</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning </intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>gemeente Montfoort 2010</vet></al><al><vet>Versie d.d. 28 oktober 2009 </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Wet</cursief>: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al><cursief>Compensatiebeginsel</cursief>: de algemene verplichting
                                    aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen
                                    op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen
                                    een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij
                                    zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                                    participatie;</al></li><li nr="c."><al><cursief>Beperkingen</cursief>: moeilijkheden die een persoon
                                    heeft met het uitvoeren van activiteiten;</al></li><li nr="d."><al><cursief>Persoon met beperkingen</cursief>: een persoon die ten
                                    gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en
                                    psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij
                                    het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van
                                    het huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het
                                    verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                    per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen en het op
                                    basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al></li><li nr="e."><al><cursief>Mantelzorger</cursief>: een persoon, die niet in het
                                    kader van een hulpverlenende beroep langdurige zorg verleent aan
                                    een hulpbehoevende persoon uit diens directe omgeving, welke
                                    zorgverlening rechtstreeks voorvloeit uit de sociale relatie en
                                    de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt,
                                    als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>Zelfredzaamheid</cursief>: het lichamelijk,
                                    verstandelijk, geestelijk en financiële vermogen om
                                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale
                                    maatschappelijke verkeer mogelijk maken;</al></li><li nr="g."><al><cursief>Maatschappelijke participatie</cursief>: normale
                                    deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren
                                    van een huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich
                                    in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Algemene voorziening</cursief>: een voorziening die
                                    wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een
                                    beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en
                                    adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                    ondervindt;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Individuele voorziening</cursief>: een voorziening die
                                    individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening
                                    geen adequate oplossing biedt;</al></li><li nr="j."><al><cursief>Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten</cursief>:
                                    een door het college vast te stellen bijdrage, die bij de
                                    verstrekking van een voorziening in natura (een eigen bijdrage),
                                    een persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage) of een
                                    financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald moet
                                    worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning van toepassing zijn;</al></li><li nr="k."><al><cursief>Voorziening in natura</cursief>: een voorziening die in
                                    eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="l."><al><cursief>Persoonsgebonden budget</cursief>: een geldbedrag,
                                    zoals bedoeld in artikel 6 en 6 a van de wet, waarmee de
                                    aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan
                                    verwerven en waarop de in deze verordening en het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van toepassing
                                    zijn;</al></li><li nr="m."><al><cursief>Financiële tegemoetkoming</cursief>: een tegemoetkoming
                                    in de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op
                                    het inkomen van de aanvrager;</al></li><li nr="n."><al><cursief>Algemeen gebruikelijk</cursief>: naar geldende
                                    maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel
                                    bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager
                                    behorend;</al></li><li nr="o."><al><cursief>Meerkosten</cursief>: kosten van een mogelijk krachtens
                                    de wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten
                                    uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te
                                    beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="p."><al><cursief>Huisgenoot</cursief>: een huisgenoot is iemand met wie
                                    de aanvrager een gezamenlijke huishouding voert, overeenkomstig
                                    artikel 1, lid 4 en 5 van de wet;</al></li><li nr="q."><al><cursief>Budgethouder</cursief>: een persoon aan wie ingevolge
                                    deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend en die
                                    aan het college van burgemeester en wethouders verantwoording
                                    over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd
                                    is;</al></li><li nr="r."><al><cursief>Leefeenheid</cursief>: een eenheid bestaande uit
                                    gehuwde personen die al dan niet tezamen met een of meer
                                    ongehuwde minderjarige personen duurzaam een huishouden voeren,
                                    dan wel uit een meerderjarige ongehuwde persoon die met een of
                                    meer ongehuwde minderjarige personen duurzaam een huishouden
                                    voert”. Onder gehuwde personen worden ook begrepen de ongehuwd
                                    samenwonenden en andere volwassenen die met elkaar en/of met
                                    kinderen samenwonen.</al></li><li nr="s."><al><cursief>College</cursief>: het college van burgemeester en
                                    wethouders van de gemeente Montfoort</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2 Compensatiebeginsel &amp; toekenning en weigering van
                                voorzieningen</vet></al><al>1.Bij het behandelen van een aanvraag voor een voorziening dient het
                            college rekening te </al><al>houden met </al><lijst><li nr=""><al>a.de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de
                                    aanvrager;</al></li><li nr=""><al>b.de verplichting zoals vermeld in artikel 4, eerste lid van de
                                    wet;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>c.de persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 4, 5 en 6 van de wet;</al></li><li nr=""><al>d.persoonskenmerken, behoeften en capaciteit van de
                                    aanvrager.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Een voorziening kan worden toegekend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                            gebied van het voeren van het huishouden, het
                                            verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal
                                            verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van
                                            medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan
                                            op te heffen of te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de
                                            goedkoopst adequate voorziening kan worden
                                            aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is
                                            gericht.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Een voorziening wordt niet toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                            algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                            Montfoort;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking
                                            hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau
                                            voor sociale woningbouw;</al></li><li nr="d."><al>voor zover aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                            van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de
                                            situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen
                                            waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                            aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken
                                            heeft gemaakt;</al></li><li nr="f."><al>indien de voorziening waarop de aanvraag betrekking
                                            heeft reeds eerder krachtens deze, of voorafgaande
                                            versie van deze verordening is verstrekt en de normale
                                            afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                            verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte
                                            voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                            omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                            rekenen.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 3 Keuzevrijheid</vet></al><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze tussen een
                            voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt geboden
                            aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Montfoort neergelegde criteria.</al><al><vet>Artikel 4 Voorziening in natura</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt en de gemeente
                                    wordt geen eigenaar van de verstrekking dan is de
                                    bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of
                                    dienstverleningsovereenkomst tussen de leverancier en de
                                    aanvrager van toepassing.</al></li><li nr="b."><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt en de gemeente
                                    wordt eigenaar van de verstrekking dan is de
                                    bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of
                                    dienstverleningsovereenkomst gemeente Montfoort van
                                    toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5 Financiële tegemoetkoming</vet></al><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming zijn de voorwaarden
                            uit het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort van
                            toepassing.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op het persoonsgebonden budget, zoals genoemd in de artikelen 6
                                    lid 1 en 6 a van de wet, zijn de volgende voorwaarden van
                                    toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten
                                            aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget wordt, met
                                            uitzondering van het persoonsgebonden budget voor
                                            vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld artikel
                                            5 lid 2 van de Wet op de loonbelasting 1964, afgeleid
                                            van de tegenwaarde van de in de betreffende situatie te
                                            verstrekken voorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>het persoonsgebonden budget wordt, indien noodzakelijk,
                                            aangevuld met een vergoeding voor aanvullende kosten,
                                            zoals vastgelegd in het Besluit maatschappelijke
                                            ondersteuning gemeente Montfoort;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                            vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het
                                            Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                            Montfoort;</al></li><li nr="e."><al>op het persoonsgebonden budget is de Overeenkomst
                                            persoonsgebonden budget gemeente Montfoort van
                                            toepassing.</al></li></lijst></li></lijst><al>2.De toekenning, de omvang en de looptijd van het te verstrekken
                            persoonsgebonden budget worden in de beschikking opgenomen.</al><lijst><li nr="3."><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt
                                    waarin is aangegeven aan welke vereisten de voorziening moet
                                    voldoen waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt.</al></li><li nr="4."><al>Na het nemen van de beschikking wordt het persoonsgebonden
                                    budget overgemaakt op een door de aanvrager opgegeven
                                    rekeningnummer, tenzij hiertegen overwegende bezwaren
                                    bestaan.</al></li><li nr="5."><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                    persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                    verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor
                                    noodzakelijke stukken, zoals genoemd in het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente …[naam], op verzoek van
                                    het college te verstrekken. Vervolgens wordt door het college
                                    beoordeeld of aanleiding bestaat om het persoonsgebonden budget
                                    geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7 Eigen bijdragen en eigen aandeel</vet></al><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is
                            de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële
                            tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het college legt in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort de omvang van deze
                            eigen inbreng vast.</al><al>Een ogenblik geduld, bezig met zoeken..</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>HULP BIJ HET HUISHOUDEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 8 Vormen van hulp bij het huishouden </vet></al><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9 Primaat van de algemene hulp bij het
                            huishouden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder a
                                    vermelde voorziening in aanmerking komen, indien het voor deze
                                    persoon onmogelijk is om zelf een of meer huishoudelijke taken
                                    uit te voeren en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en
                                    adequaat kan oplossen, aangezien deze persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen heeft op grond van ziekte of
                                            gebrek; of</al></li><li nr="b."><al>problemen ondervindt bij de uitvoering van
                                            mantelzorg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder b
                                    en c vermelde voorzieningen in aanmerking komen indien</al><lijst><li nr="a."><al>de in artikel 8, onder a genoemde voorziening
                                            onvoldoende tot een oplossing leidt; of</al></li><li nr="b."><al>de in artikel 8, onder a genoemde voorziening niet
                                            beschikbaar is.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 10 Gebruikelijke zorg</vet></al><al>In afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon als bedoeld
                            in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 4, 5 en 6 van de wet niet
                            in aanmerking voor hulp bij het huishouden indien deze persoon deel
                            uitmaakt van een leefeenheid waarin een of meer huisgenoten wel in staat
                            staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten.</al><al><vet>Artikel 11 Omvang van de hulp bij het huishouden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden
                                        <onderstreept>in natura</onderstreept> wordt uitgedrukt in
                                    klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende
                                    uren kunnen worden toegekend:</al><al>Klasse 1: 0 tot en met 1,9 uur per week;</al><al> Klasse 2: 2 tot en met 3,9 uur per week;</al><al>Klasse 3: 4 tot en met 6,9 uur per week;</al><al> Klasse 4: 7 tot en met 9,9 uur per week;</al><al>Klasse 5: 10 tot en met 12,9 uur per week;</al><al>Klasse 6: 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></li><li nr="2."><al>De omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden in de
                                    vorm van een <onderstreept>persoonsgebonden
                                        budget</onderstreept> wordt uitgedrukt in uren, afgerond
                                    naar decimalen, per week.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 12 Omvang van het persoonsgebonden budget</vet></al><al>De bedragen die per tijdseenheid van een uur, zoals genoemd in artikel
                            11, tweede lid, in de vorm van een persoonsgebonden budget worden
                            verstrekt, worden jaarlijks door het college vastgesteld en opgenomen in
                            het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>WOONVOORZIENINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 13 Vormen van woonvoorzieningen</vet></al><al>Ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden kan
                            het college, de volgende woonvoorzieningen verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 14 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op
                                individuele woonvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder a
                                    vermelde voorziening in aanmerking komen indien aantoonbare
                                    beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de
                                    woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit
                                    snel en adequaat kan oplossen.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder b,
                                    c en d vermelde voorziening in aanmerking komen indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek een
                                    aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de voorziening
                                    als bedoeld in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>onvoldoende tot een oplossing leidt; of</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De in lid 1 en 2 genoemde beperkingen staan in een direct
                                    oorzakelijk verband met de bouwkundige of woontechnische staat
                                    van de woning zelf, waaronder begrepen de toegankelijkheid van
                                    de woning.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 15 Soorten individuele woonvoorzieningen</vet></al><al>De in artikel 13 onder b, c en d genoemde voorzieningen kunnen bestaan
                            uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Primaat van de verhuizing en de uitraasruimte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 15 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het
                                    normale gebruik van de woning belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 15 onder b. en c. in aanmerking worden gebracht
                                    wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk
                                    is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.</al></li><li nr="3."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld
                                    in artikel 15, onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond
                                    van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig
                                    ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen
                                    afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot
                                    rust kan komen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 17 Primaat van de losse woonunit</vet></al><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al><al><vet>Artikel 18 Uitsluitingen</vet></al><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                                    vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur;</al></li><li nr="b."><al>het treffen van voorzieningen in woongebouwen, die specifiek
                                    gericht zijn op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag
                                    worden dat reeds voorzieningen zijn getroffen in de
                                    gemeenschappelijke ruimten of dat voorzieningen bij nieuwbouw of
                                    renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden
                                    meegenomen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 19 Hoofdverblijf</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager
                                    zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan
                                    de voorziening wordt getroffen.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                    woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van
                                    één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in
                                    een op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen
                                    erkende instelling.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de
                                    gemeente waar de aan te passen woning staat.</al></li><li nr="4."><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de
                                    in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college
                                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort
                                    vastgesteld maximumbedrag.</al></li><li nr="5."><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels
                                    een woonvoorziening bewerkstelligen dat de aanvrager de
                                    woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 20 Financiële tegemoetkoming aanpassing woonwagen,
                                woonschip en binnenschip</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    aanpassingskosten van een woonwagen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen ten tijde van
                                            het indienen van de aanvraag nog minimaal 5 jaar is;
                                        </al></li><li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                            aanmerking komt;</al></li><li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag
                                            voor een woonvoorziening bij de gemeente op de
                                            standplaats stond; en</al></li><li nr="d."><al>de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van
                                            een bewoningsvergunning als bedoeld in de
                                            Woningwet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    aanpassingskosten van een woonschip indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van het woonschip ten tijde van
                                            indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar
                                            is;</al></li><li nr="b."><al>het woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag
                                            nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven
                                            liggen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de technische levensduur van de woonwagen of het
                                    woonschip ten tijde van indiening van de aanvraag minder dan
                                    vijf jaar is, of de standplaats van de woonwagen binnen vijf
                                    jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet
                                    tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, wordt een
                                    maximum vergoeding gesteld aan de aanpassingskosten zoals
                                    vermeld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning van de
                                    gemeente Montfoort.</al></li><li nr="4."><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                    aanpassingskosten van een binnenschip dien de aanpassing
                                    betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun
                                    gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in
                                    artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit
                                    (Stb. 1987,466), van een binnenschip, dat in het register
                                    bedoeld in artikel 781 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als
                                    zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de
                                    maatregel teboekgestelde schepen 1992 en bedrijfsmatig wordt
                                    gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens
                                    de meetbrief bedoeld in het metingsbesluit binnenvaartuigen 1978
                                    een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het
                                    vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef
                                    bedoelde.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 21 Aanvullende begrenzing recht op
                            woonvoorzieningen</vet></al><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe, op grond van belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek,
                                    geen aanleiding bestond en geen andere belangrijke reden
                                    aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                    beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                    tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend
                                    door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                    ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
                                    extra trapleuningen;</al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat, op basis
                                    van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie, te voorzien was
                                    dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en daarmee geen
                                    sprake is van een onverwacht intredende noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, uitsluitend
                                    voor zover de aanvraag een verhuiskostenvergoeding betreft;</al></li><li nr="f."><al>de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
                                    geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden;</al></li><li nr="g."><al>de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                                    instelling gericht op het verstrekken van zorg;</al></li><li nr="h."><al>in de verlaten woonruimte geen problemen bestonden met het
                                    normale gebruik van de woning;</al></li><li nr="i."><al>de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
                                    voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                    materialen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr></kop><al><vet>Terugbetaling bij verkoop </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een woonvoorziening kan leiden tot een waardestijging van de
                                    woning. De eigenaar-bewoner die recht heeft op een
                                    woonvoorziening bestaande uit een aanbouw, moet bij verkoop van
                                    de woning deze verkoop direct melden aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid geldt alleen als de verkoop plaats vindt binnen
                                    10 jaar na gereedmelding van de voorziening.</al></li><li nr="3."><al>De meerwaarde van de woning dient volgens het in het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort door het
                                    college vastgelegde afschrijvingsschema te worden
                                    terugbetaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 23 Vormen van vervoersvoorzieningen</vet></al><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 24 Het recht op een algemene voorziening</vet></al><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 23, onder a vermelde voorziening
                            in aanmerking komen indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte
                            of gebrek het onmogelijk maken om:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik te maken van het openbaar vervoer;</al></li><li nr="b."><al>het openbaar vervoer te kunnen bereiken.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 25 Het primaat van het collectief vervoer</vet></al><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 23, onder b. en c. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 23,
                                    onder a., onmogelijk maken dan wel</al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 23, onder a., niet
                                    aanwezig is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 26 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk
                                    inkomen van gehuwde personen - - meer bedraagt dan in het
                                    Besluit maatschappelijke ondersteuning Montfoortvoor de diverse
                                    categorieën genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een
                                    personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een
                                    met een auto vergelijkbare voorziening en de daarmee
                                    samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet in aanmerking
                                    komen voor verstrekking of vergoeding.</al></li><li nr="2."><al>de uitwerking van de hoogte van de vergoeding Montfoort</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van
                                    de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke
                                    participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen
                                    in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven
                                    van alledag;</al></li><li nr="2."><al>In afwijking op het gestelde in het eerste lid wordt rekening
                                    gehouden met de vervoersbehoefte buiten de directe woon- of
                                    leefomgeving in een situatie waarin een bovenregionaal contact
                                    alleen door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het
                                    bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende
                                    vereenzaming te voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                    participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste
                                    een omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot
                                    2000 kilometer mogelijk maken.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6 VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING</titel></kop><structuurtekst><al/><al><vet>Artikel 28 Vormen van rolstoelvoorzieningen</vet></al><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een algemene
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    sportvoorziening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 29 Primaat algemene rolstoelvoorziening bij
                                incidenteel</vet> rolstoelgebruik en sportvoorziening</al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 2, onder a.
                                    vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                    incidenteel zittend verplaatsen in en rond de woning
                                    noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond
                                    van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere
                                    wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 2, onder b.
                                    en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks
                                    zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en
                                    hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                    Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                    adequate oplossing bieden.</al></li><li nr="3."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 2, onder d.
                                    vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                    sportbeoefening zonder een daarvoor geschikte sportvoorziening,
                                    bijvoorbeeld een sportrolstoel, onmogelijk maken.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 2, lid 1 en 2 komt een
                            persoon die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij op grond van de AWBZ geen recht heeft op een
                            rolstoel. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>HET VERKRIJGEN VAN VOORZIENINGEN EN HET MOTIVEREN VAN
                            BESLUITEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 31 Gebruik aanvraagformulier</vet></al><al>Een aanvraag van een voorziening kan schriftelijk of elektronisch worden
                            ingediend. Voor de aanvraag van een voorziening stelt het college een
                            formulier ter beschikking. </al><al><vet>Artikel 32 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten</vet></al><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het Wmo-loket gemeente
                            Montfoort, in welk loket zowel aanvragen voor voorzieningen inzake de
                            wet alsook informatie overzorg inzake de Algemene
                            Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen worden ingediend respectievelijk
                            verkregen.</al><al>Artikel 33 Inlichtingen, onderzoek, advies</al><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn
                                    voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene
                                    door wie een aanvraag is ingediend:</al></li><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college
                                    te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een
                                    of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of
                                    onderzoeken.</al></li><li nr="2."><al>Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen
                                    adviesinstantie om advies indien:</al></li><li nr="a."><al>de aanvrager die nog niet eerder een aanvraag in het kader van
                                    deze verordening heeft ingediend en het een voorziening betreft
                                    waarvan de kosten naar verwachting het bedrag als genoemd in het
                                    Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort te
                                    boven zal gaan;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen zal worden
                                    afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat voor het overige gewenst vindt.</al></li><li nr="3."><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                    adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in
                                    de International Classification of Functions, Disabilities and
                                    Impairments, de ICF classificatie.</al></li><li nr="4."><al>De beschikking vermeldt op welke wijze in dat individuele geval
                                    wordt bijgedragen aan het behouden en bevorderen van de
                                    zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van
                                    mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of
                                    een psychosociaal probleem.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                            stemmen op de situatie van de aanvrager laat het college onderzoek
                            verrichten naar de situatie van de aanvrager.</al><al><vet>Artikel 35 Wijzigingen in de situatie</vet></al><al>De verkrijger van een toegewezen voorziening is verplicht aan het
                            college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op
                            het recht op een voorziening.</al><al><vet>Artikel 36 Intrekking van een voorziening</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze
                                    verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al></li><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens
                                    zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend
                                    geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li><li nr="2."><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of
                                    een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt
                                    dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na
                                    uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de
                                    voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 37 Terugvordering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ingeval de aanspraak op een voorziening is ingetrokken kan op
                                    basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of
                                    persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.</al></li><li nr="2."><al>In geval de aanspraak op een in eigendom verstrekte voorziening
                                    is ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien
                                    de voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                    gegevens.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 38 Hardheidsclausule</vet></al><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al><al><vet>Artikel 39 Indexering</vet></al><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit Wet
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort geldende bedragen
                            verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens
                            het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 2 jaar
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. Het college zendt hiertoe telkens na 2 jaar na de
                            inwerkingtreding van de verordening aan de raad een verslag over de
                            doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2010.</al><al> Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort 2007
                            .</al><al>Artikel 42 Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Montfoort 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Montfoortop2009.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de verordening voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Montfoort 2010</titel></kop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Aan de invoering van de Wmo per 1 januari 2007 is een behandeling voorafgegaan
                    die door de vele amendementen de wet een ander aanzicht heeft gegeven. De
                    consequenties hiervan waren in 2007 niet direct te overzien. De Wet
                    maatschappelijke ondersteuning is een wet die verdere invulling behoeft en
                    uiteindelijk door jurisprudentie een duidelijke vorm zal krijgen. Bij de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning is dan bovendien nog sprake van het gegeven dat
                    het kernbegrip van de wet, het zogenaamde compensatiebeginsel, bij amendement
                    aan de wet is toegevoegd, waardoor een begripsomschrijving van dit cruciale
                    begrip ontbreekt, met het gevolg dat de toelichting op het amendement
                    uitgangspunt is voor de vormgeving van dit compensatiebeginsel.</al><al>De verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning geeft invulling aan
                    de in de Wet maatschappelijke ondersteuning gegeven opdracht regels te stellen
                    bij verordening. In deze verordening is wederom vormgegeven
                    aan het compensatiebeginsel zonder de regels van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten en de regels rond de functie huishoudelijke verzorging uit de
                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geheel los te laten. </al><al>In 2008 is een ontwikkeling op gang gekomen om naar een invulling van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning te gaan die meer recht doet aan de bedoeling van
                    de wetgever, o.a door uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. De komende
                    jaren zal die ontwikkeling zich voort zetten. </al><al>Project De Kanteling</al><al>De Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) is momenteel met een tiental
                    gemeenten bezig met het project <cursief>De Kanteling</cursief>. Doel van het
                    project is om een nieuwe manier van werken te stimuleren die mensen met een
                    beperking betere kansen biedt om volwaardig mee te doen aan de samenleving. </al><al>De VNG betrekt de cliëntenorganisaties, landelijk en lokaal, bij het project. De
                    gemeenten die meedoen aan de pilots betrekken nadrukkelijk ook de burger, Wmo
                    -raad en lokale belangenorganisaties.</al><al>Het compensatiebeginsel vergt van gemeenten én burgers een nieuwe benadering: </al><lijst><li nr="-"><al>gemeenten zullen meer tijd moeten nemen in het eerste gesprek met de
                            klant;</al></li><li nr="-"><al>het gesprek wordt meer vraagverhelderend, minder beoordelend;</al></li><li nr="-"><al>burgers moeten afstappen van het zogenaamde claimdenken en alle
                            mogelijkheden verkennen om hun probleem op te lossen. </al></li></lijst><al>Bij het vinden van oplossingen staan behoud van regie over het eigen leven en
                    zelfredzaamheid voorop. </al><al>De VNG zal naar aanleiding van de resultaten een nieuwe modelverordening
                    opstellen (verwachting: eind 2010).</al><al>Uitwerking wet</al><al>In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen 4, 5, 6, 15,
                    19 en 26 Wmo.</al><al>In de Wmo komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen uit de AWBZ en
                    de Wvg bij elkaar. Voorzieningen die tot 1 januari 2007 onder de Welzijnswet
                    vallen en na die datum onder de Wmo, worden als voorliggende voorzieningen
                    aangeboden en worden daarom niet in deze verordening opgenomen. De in deze
                    verordening opgenomen algemene voorzieningen zijn in principe ook als
                    voorliggende voorzieningen te beschouwen, maar omdat algemene voorzieningen een
                    plaats hebben in deze verordening, zijn zij nog wel benoemd en van een primaat
                    voorzien. Het is niet ondenkbaar dat deze algemene voorzieningen op termijn
                    terug te vinden zullen zijn bij de onbenoemde voorliggende voorzieningen zoals
                    maaltijdvoorziening en personenalarmering.</al><al>Alle bedragen en bijbehorende regelgeving worden opgenomen in een (financieel)
                    Besluit. </al><tussenkop>Wetswijzigingen Wmo per 1 januari 2010</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2010 wordt de Wmo aangepast. De wetswijziging is
                    beperkt van omvang en bevat de volgende elementen: </al><lijst><li nr="1."><al>De voorheen bestaande keuzemogelijkheid tussen de voorziening in natura
                            en het persoonsgebonden budget wordt aangepast in een keuze tussen het
                            ontvangen van een voorziening in natura, of een
                                <onderstreept>vergelijkbaar en toereikend</onderstreept>
                            persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een alfahulp;</al></li><li nr="2."><al>Een geïnformeerde toestemming voor de burger;</al></li><li nr="3."><al>Een overlegbepaling, gericht op overname van personeel van oud-gegunde
                            aanbieders door nieuw-gegunde aanbieders.</al></li></lijst><al>Als de burger ondersteuning in natura wenst, regelt de gemeente de voorziening
                    voor de burger door het sluiten van contracten met een zorgaanbieder. De burger
                    is hiermee uitsluitend de ontvanger van de voorziening en mag op geen enkele
                    wijze worden geconfronteerd met enige verantwoordelijkheid als werkgever of
                    opdrachtgever. Met ingang van 1 januari 2010 is het dus wettelijk uitgesloten
                    dat een zorgaanbieder de voorziening in natura via een alfahulp of een
                    zelfstandige levert als de burger daardoor ongewild werkgever of opdrachtgever
                    wordt. Voor onze gemeente geldt deze regel al per 1 juli 2009. Bij de
                    aanbesteding vorig jaar is al rekening gehouden met de komende wetswijziging. </al><al>In artikel 15, eerste lid onder b van het Raamcontract Hulp bij het Huishouden
                    staat:</al><tussenkop>Het is de Opdrachtnemer niet toegestaan om Hulp in natura te verlenen via
                    de alfahulpen-constructie. De cliënt treedt nooit op als werkgever van de
                    medewerker die de dienstverlening verzorgt. Ook eventuele onderaannemers mogen
                    geen Opdrachtgeverschap of werkgeversverantwoordelijkheid voor Hulp bij het
                    huishouden bij de cliënt neerleggen. In uitzondering op de voornoemde beperking
                    kan de Opdrachtnemer met voorafgaande instemming van Opdrachtgever een
                    “afbouwmogelijkheid Alfahulpen” treffen die er toe leidt dat uiterlijk - doch
                    niet na ingangsdatum van een daarop betrekking hebbende wettelijke maatregel -
                    op 01-07-2009 kan worden voldaan aan de verplichtingen in dit
                    artikel.</tussenkop><al>De afbouw leverde in de praktijk geen problemen op. Ongeveer 85% van de
                    alfahulpen is in dienst getreden bij de zorgaanbieders, zo’n 10% gaat als
                    freelancer werken voor de zorgaanbieders en ongeveer 5% van de alfahulpen is
                    gestopt of blijft alfahulp. In het laatste geval kunnen klanten die hun alfahulp
                    willen houden een persoonsgebonden budget aanvragen.</al><tussenkop>Geïnformeerde toestemming</tussenkop><al>Het is belangrijk dat de burger daadwerkelijk weet waarvoor hij kiest. Daarom
                    regelt de wet per 1 januari 2010 expliciet de geïnformeerde toestemming.
                    Gemeenten worden hierdoor verplicht om hun burgers in duidelijke en
                    begrijpelijke bewoordingen te informeren over de consequenties van de keuze die
                    de burger maakt. </al><al>De gevolgen van de wetswijziging voor de verordening zijn beperkt tot de
                    hierboven, onder 1. genoemde keuzemogelijkheid. De onder 2. en 3. genoemde
                    wijzigingen hebben geen invloed op de verordening, het betreft wettelijke
                    verplichtingen.</al><al> Algemene toelichting</al><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip
                    “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen.</al><al>Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid
                    en Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat het volgende:</al><tussenkop>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                    maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                    beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                    compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                    beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte van
                    de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                    resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag bepalen
                    welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde doel/resultaat te
                    bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het uitgangspunt dat daar waar
                    mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen verantwoordelijkheid van burgers moet
                    het mogelijk zijn om aan de aanspraak op ondersteuning een inkomenstoets te
                    koppelen. Omdat het om maatschappelijke participatie gaat, is dit te
                    rechtvaardigen. Daartoe dienen op centraal niveau regels gesteld te
                    worden.</tussenkop><tussenkop>In het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft het de
                    voorkeur van de</tussenkop><tussenkop>Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen naar de WMO,
                    zodat de</tussenkop><tussenkop>wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie blijft naast de WMO
                    een Welzijnswet</tussenkop><tussenkop>bestaan, waarin de collectieve (gemeenschapsgerichte) voorzieningen
                    worden ondergebracht. Deze voorzieningen zijn immers algemeen van aard en
                    bedoeld voor iedere ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele
                    beperkingen. Voor deze voorzieningen acht de Raad het niet gewenst een
                    wettelijke aanspraak in het leven te roepen. Deze aanbeveling heeft betrekking
                    op het niveau van de aanspraak (c.q. voorziening), niet op het niveau van de
                    uitvoering. Op het tweede niveau kan immers, ook bij een individuele aanspraak
                    (bijvoorbeeld vervoer) een ‘collectieve’ voorziening worden aangewend
                    (bijvoorbeeld openbaar vervoer).</tussenkop><tussenkop>Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in een verplichting
                    om bepaalde met name te noemen voorzieningen te verstrekken (zorgplicht), maar
                    te omschrijven in termen van het te bereiken resultaat (compensatieplicht), kan
                    onzekerheid ontstaan over wat nu precies als recht geldt. Om die reden is het
                    volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op te nemen wanneer sprake is van
                    een gelijkwaardige uitgangspositie van burgers. Dat is immers het resultaat
                    waarop de gemeente, ook in rechte, kan worden aangesproken. Dit betekent dat
                    geoperationaliseerd moet worden wat de termen ‘zelfredzaamheid’ en
                    ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke activiteiten moet iemand
                    daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?</tussenkop><tussenkop>Door het te bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te
                    nemen is het volgens de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te
                    nemen voor de indicatiestelling.”</tussenkop><al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><tussenkop>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien in
                    met name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde artikel
                    ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de
                    zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich
                    verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te
                    verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan
                    het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf
                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer
                    mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in
                    ieder geval verstaan het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik
                    van een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig
                    kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale,
                    bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere
                    mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te
                    kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de
                    gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of
                    Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                    begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                    individuele gevallen vast te stellen.</tussenkop><tussenkop>De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit
                    artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig de bestuurlijke
                    structuur van de wet op het lokale niveau bepaald met inachtneming van alle
                    bepalingen over de totstandkoming van het lokale beleid en de betrokkenheid van
                    burgers en cliënten daarbij.”</tussenkop><al>Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatiebeginsel in het
                    amendement is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen,
                    in artikel 1. onder b.</al><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen: </al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden te voeren,</al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning,</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="d."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan.</al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    verordening als volgt uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                            name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                            verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden genoemd;</al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend)
                            de sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit
                            de Wvg;</al></li><li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                            verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de
                    hoofdstukindeling.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om
                        <cursief>individuele voorzieningen</cursief> moet gaan. Om te voorzien in
                    het snel en regelarm treffen van veel voorkomende eenvoudige voorzieningen is in
                    deze verordening het begrip <cursief>algemene voorzieningen</cursief> opgenomen.
                    Dit type voorziening kwam in de Wvg voor onder de noemer <cursief>collectief
                        vervoer</cursief>. In deze verordening wordt het begrip algemene voorziening
                    gebruikt voor alle onderdelen van het compensatiebeginsel. De mogelijkheid wordt
                    geschapen voor algemene woonvoorzieningen, algemene hulp bij het huishouden,
                    algemene vervoersvoorzieningen en algemene rolstoelvoorzieningen. Wat houden
                    deze algemene voorzieningen in concreto in? Het kan gaan om scootermobielpools,
                    rolstoelen voor incidenteel gebruik (rolstoelpools), collectief vervoer,
                    klussen- en boodschappendiensten, etcetera. Deze opsomming is uitdrukkelijk niet
                    limitatief, aangezien het een nieuw type voorziening betreft, waarvoor de
                    komende jaren nieuwe invullingen zullen ontstaan. Met name op het terrein van
                    hulp bij het huishouden is het een nieuw begrip.</al><al>Kenmerkend voor algemene voorzieningen is dat de gemeente deze voorzieningen
                    organiseert, inkoopt en ter beschikking stelt, los van of vooruitlopend op
                    individuele aanvragen terzake. Het zal in de regel gaan om steunpunten, depots,
                    pools, waar de betreffende voorzieningen op voorraad worden gehouden, al of niet
                    op wijkniveau. </al><al>Algemene voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan procedures kunnen
                    worden aangeboden: met geen of slechts een lichte toegangstoets en zonder eigen
                    bijdragen.</al><al>De voordelen van deze algemene voorzieningen zijn een snelle en simpele
                    oplossing van de problemen, zonder bureaucratie en zonder eigen bijdragen. In
                    plaats van de soms complexe advisering wordt in dit kader van het veel lichtere
                    begrip toegangsbeoordeling gebruik gemaakt. Het is uitdrukkelijk niet de
                    bedoeling van deze algemene voorzieningen om daarmee de mogelijkheid van de
                    aanvrager tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget in te perken.</al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                    aspecten.</al><al> Artikelsgewijze toelichting</al><tussenkop>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>Ad a.</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al><al>Ad b.</al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Van Miltenburg c.s. (Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2005-2006, 30 131, nr. 65) aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het
                    amendement is geen begripsomschrijving van dit begrip opgenomen. Ook in de wet
                    is daarom geen begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel
                    opgenomen. Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                    verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies
                    van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het
                    compensatiebeginsel. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is
                    gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft
                    de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het onderdeel
                    “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel
                    1, lid 1, onder a. van de Wvg.</al><al>Ad c.</al><al>De term “beperkingen”is ontleend aan de ICF, de
                    International Classification of Functioning, Disability, and Health, opgesteld
                    door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van
                    de Verenigde Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel
                    genoemde amendement-Van Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.”</al><al>Ad d.</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen
                    ten gevolge van ziekte of gebrek”toegevoegd. Mede in
                    verband met de begrenzing van de doelgroep zal immers een objectief criterium
                    nodig zijn. Hierdoor blijft jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip van toepassing.</al><al>Aan deze formulering is de nieuwe doelgroep “personen met een chronisch
                    psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep is afkomstig uit
                    de AWBZ-regelgeving (Besluit zorgaanspraken).</al><al>Ad. e.</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg”in de wet (artikel 1,
                    lid 1 onder b, van de Wmo). </al><al>Ad f.</al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds onder a.
                    genoemde amendement-Van Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet
                    heeft toegevoegd.</al><al>Ad g.</al><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het amendement-Van Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel
                    aan de wet heeft toegevoegd.</al><al>Ad h.</al><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                    voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De
                    verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen
                    eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende
                    voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk
                    van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt
                    worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op
                    verzoek zal er aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven,
                    zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.</al><al>Ad i.</al><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt
                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het
                    college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal
                    een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang
                    zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat,
                    kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze
                    verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen
                    worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en
                    personenalarmering.</al><al>Ad j.</al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze
                    eigen bijdrage kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op
                    basis van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere
                    regels kunnen worden gesteld. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door
                    middel van het vaststellen van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. In
                    deze AMvB is bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben voor het vaststellen
                    van een eigen bijdrage en een eigen aandeel, als ze daartoe willen
                    overgaan.</al><al>Ad k.</al><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al><al>Ad l.</al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het college
                    bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn
                    keuze, waaronder de vergoeding voor dienstverlening aan huis als bedoeld in de
                    zogenaamde “Regeling dienstverlening aan huis.” Nadere uitwerking omtrent de
                    relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij behorende
                    persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Montfoort.</al><al>Ad m.</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet per se een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al><al>Ad n.</al><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke
                    overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele
                    situatie, ook zonder zijn beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen
                    worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als
                    algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                    maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen
                    gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden
                    aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed
                    worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is
                    de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het
                    gaat daarbij om voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet speciaal voor mensen met een beperking bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel.</al></li></lijst><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder, onder
                        p.</al><al>Ad o.</al><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1,
                    lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager
                    vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft
                    deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen
                    noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor
                    een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet
                    gericht.</al><al>Ad p.</al><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke
                    zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling
                    Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling
                    voor huishoudelijke zorg. De definïëring van het begrip huisgenoot is op enkele
                    punten aangepast om te voorkomen dat problemen die in de AWBZ met dit begrip
                    speelden ook naar de wet overgaan. Zo is in plaats van ‘volwassenen’ de term
                    ‘meerderjarigen’ opgenomenen is het begrip
                    ‘gemeenschappelijke huishouding voeren’ vervangen door het begrip
                    ‘gemeenschappelijk een woning bewonen’.</al><al>Ad q.</al><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al><al>Ad r.</al><al>Het begrip leefeenheid is in 2007 opgenomen in de verordening op advies van de
                    toenmalige Wmo-raad.</al><al>Ad s.</al><al>Begrip college opgenomen zodat <cursief>het college van burgemeester en
                        wethouders van de gemeente Montfoort </cursief>niet iedere keer voluit
                    geschreven hoeft te worden</al><tussenkop>Artikel 2 Compensatiebeginsel &amp; toekenning en weigering van
                    voorzieningen</tussenkop><al>Artikel 2 lid 1</al><al>Op advies van de interim Wmo-raad Woerden (maart 2009) is de kern van het begrip
                    compensatiebeginsel verder uitgewerkt in de verordening. In de vorige
                    verordening stond het begrip alleen vermeld bij de definities en in de
                    toelichting. Aan deze wens is gehoor gegeven, gelet op het belang van dit
                    begrip.</al><al>Ad a. </al><al>Het gaat bij de compensatieplicht om het compenseren van beperkingen in de
                    zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Volgens de CRvB brengt artikel
                    4 van de wet mee dat de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie de
                    doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college moet zijn gericht
                    (CRvB 10-12-2008, nr. 08/3206 Wmo). </al><al> Ad b.</al><al>Artikel 4, eerste lid van de wet bevat de verplichting voor het college om
                    compenserende voorzieningen te treffen. </al><al>Ad c. Hierin wordt de doelgroep nader omschreven. De compensatieplicht heeft
                    betrekking op de persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                    onderdeel 4, 5 en 6 van de wet. </al><al>Ad d.</al><al>Artikel 4 lid 2 Wmo bepaalt dat het college bij het bepalen van de voorzieningen
                    rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de
                    voorziening, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van
                    kosten zelf in maatregelen te voorzien. </al><al>Artikel 2 lid 2</al><al>Ad a.</al><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de Modelverordening Wet
                    voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk
                    is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan
                    om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium
                    verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking
                    bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde
                    situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap
                    op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen
                    verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de
                    prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd
                    zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan
                    mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij
                    verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan
                    worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord
                    op de vraagof er al dan niet sprake is van een langdurige
                    noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd
                    betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door
                    een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet
                    voor een voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt.
                    Betrokkene kan een beroep doen op hulpmiddelendepots in het kader van de AWBZ.
                    Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen,
                    welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar
                    precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot
                    situatie verschillen. </al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al><al>Ad b.</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de
                    aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het
                    adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn,
                    de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling
                    van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om
                    gemeenschapsgeld. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
                    voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                    aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een
                    voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt.
                    Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar
                    product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het
                    kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden,moge het
                    duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient
                    te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te
                    verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de
                    aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip
                    goedkoopst adequaat geeft het college sturingsmogelijkheden binnen het beleid. </al><al>Ad c. </al><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individueleprobleem staat dan ook centraal bij de
                    beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de
                        wet.</al><al>Artikel 2 lid 3</al><al>Ad a. </al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn
                    voorzieningenwaarover een met de aanvrager vergelijkbare
                    persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                        voorzieningenhoeven niet te worden verstrekt. Dit
                    beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving
                    (AAW/WAO, voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie
                    geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen
                    in artikel 1, onder n. van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen
                    gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde
                    voorziening. Daarnaast speelt de -financiële- situatie van de aanvrager een rol,
                    bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag.
                    Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een
                    uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een
                    dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede
                    ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in
                    diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere
                    uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten
                    vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap
                    immers ook niet gebeuren.</al><al>Ad b.</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                    compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel
                    artikel 11 van de wet spreekt over “ingezetenen van de gemeente”. Dit artikel
                    moet opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten
                    waar de aanvrager niet feitelijk woonachtig is.</al><al>Ad c.</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit
                    2003. Het gaat daarbij om minimumeisen. Woonvoorzieningen die op dat
                    uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit;
                    duurdere grotere of andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een
                    duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder
                    dit niveau.Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit
                    welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het college hierop een
                    uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete
                    situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze
                    bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd
                    vanwege het feit dat men in een veel grotere ofmeer luxe
                    woning woont, geeft deze bepaling een duidelijke grens aan.</al><al>Ad d.</al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan.In dergelijke gevallen kan dat
                    leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met
                    zich meebrengt. Voor dergelijke situaties is deze onder d. genoemde bepaling
                    bedoeld.</al><al>Ade. en f.</al><al>In artikel 2 lid 3, onder e. en f. geeft de verordening een tweetal gronden voor
                    weigering aan. Onder e. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                    aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de
                    voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                    voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over
                    de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden
                    gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de
                    aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                    genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst
                    adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee
                    laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een
                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al><al>Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat dit artikel
                    niet zonder meer kan worden toegepast. Wanneer ook na aanschaf c.q. realisering
                    van de voorziening beoordeeld kan worden of deze noodzakelijk is, en zo ja,wat
                    de goedkoopst-adequate voorziening is, en zal zo nodig tot vergoeding moeten
                    worden overgegaan. Pas nadat het college een positieve beschikking voor een
                    verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in
                    aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de gemeente een afweging heeft
                    gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de
                        aanvragertot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde
                    wordt tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de
                        aanvragerreeds is verhuisd, met een claim voor een
                    verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het
                    echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning anders
                    aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente
                    gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Maar
                    in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk
                    toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier uiteraard niet
                    te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde
                    onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing,
                    zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake de te
                    betrekken woning. </al><al>Onder f. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden
                    als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2 VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Keuzevrijheid</tussenkop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en
                    een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan
                    om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget. Het
                    college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van
                    bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te
                    verstrekken.</al><al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid:
                    namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere
                    aanbieders. </al><al>Artikel 4 Voorziening in natura</al><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de aanvrager. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het college
                    eigenaar blijft van de verstrekte naturavoorziening of het college de zorg in
                    natura zelf geregeld heeft. Artikel 10 van de wet stelt weliswaar dat het
                    verlenen van maatschappelijke ondersteuning zo veel mogelijk aan derden moet
                    worden overgelaten,maar als dat redelijkerwijs niet
                    mogelijk is, kan gekozen worden voor het door de gemeente zelf verlenen van de
                    maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is een overeenkomst als bedoeld
                    in artikel 4 uiteraard niet nodig.</al><al>Een alternatieve situatie zou kunnen zijn de situatie waarin het college een
                    derde inschakelt voor verstrekking van naturavoorzieningen en deze derde
                    eigenaar blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer het college een
                    derde inschakelt voor het verlenen van zorg. In die situatie dient artikel 4 en
                    de toelichting hierop aangepast te worden.</al><al>Artikel 5 Financiële tegemoetkoming</al><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling,
                    die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze
                        verordening,biedt daartoe de
                        mogelijkheid.</al><al>Artikel 6 Persoonsgebonden budget</al><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                    artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de
                    bepalingen in artikel 6 en 6a van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij
                    toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze
                        vooreen toereikend en (met een naturavoorziening)
                    vergelijkbaar persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene
                    voorzieningen vallen niet onder deze eis.</al><al>Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is afgeleid
                    van de tegenwaarde van de te verstrekken naturavoorziening. Er moet immers een
                    referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd.
                    Uitzondering op laatstgenoemde regel is het persoonsgebonden budget voor de
                    vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van de Wet op
                    de loonbelasting 1964, zoals dat per 1 januari 2010 wordt opgenomen in de wet.
                    Deze vergoeding kan immers naar zijn aard niet worden gerelateerd aan de kosten
                    van een naturavoorziening.</al><al>Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                    instandhoudingskosten (onderhoud en reparatie) van de voorziening. Maar het kan
                    ook gaan om een aanvulling voor servicekosten en verzekering bij een vergoeding
                    voor een arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van de Wet op de
                    loonbelasting 1964 voor dienstverlening aan huis. </al><al>Voor de diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden
                    gegeven in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort, dat
                    door het college moet worden vastgesteld. </al><al>Lid 1, onder d. bepaalt dat het college de omvang van een persoonsgebonden
                    budget bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van verschillende
                    persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen. Daarbij zullen, ter
                    bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn.
                    Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Montfoort en de beleidsregels. Verder is onder e. bepaald
                    dat er, om misverstanden zoveel mogelijk te voorkomen, een overeenkomst wordt
                    getekend omtrent de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget wordt
                    verstrekt. </al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd. De gemeente houdt rekening
                    met de financiële omstandigheden van de aanvrager bij het vaststellen van het
                    moment van overmaken van het budget.</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een programma van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden
                    budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het programma van eisen is dus een
                    belangrijk document; als niet aan het programma van eisen wordt voldaan kan dat
                    gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget. </al><al>Lid 4 van artikel 6 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het
                    persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen
                    door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling
                    in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden of in situaties waarin er
                    twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de
                    gemeente worden beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge
                    terugvorderingbedragen. Wel is het belangrijk dat er zoveel mogelijk rekening
                    wordt gehouden met de wensen van de aanvrager.</al><al>Indien de aanvrager het persoonsgebonden budget wenst te laten overmaken op het
                    de rekening van een derde, bijvoorbeeld op die van een servicebureau voor beheer
                    van persoonsgebonden budgetten, kunnen er tegen deze derde overwegende bezwaren
                    zijn. In een dergelijk geval kan het college op basis van dit artikellid
                    weigeren het persoonsgebonden budget op het opgegeven rekeningnummer te
                    storten.</al><al>Lid 5. </al><al>De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding
                    van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te
                    stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden
                    budgets besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is dus aan de raad en
                    het college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en daarbij de afweging te
                    maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze controle.</al><al>In dit lid is de steekproefsgewijze controle opgenomen, waarbij een bepaald
                    gedeelte van detoegekende persoongebonden budgetten wordt
                    gecontroleerd via het opvragen van gegevens bij de budgethouders. </al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                    persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de in
                    hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al><al>Ook zou door gemeenten gekozen kunnen worden voor de volledige
                    controlemogelijkheid. Afhankelijk van de vraag waarvoor het persoonsgebonden
                    budget is bedoeld en de wijze waarop de noodzakelijke voorziening is verkregen,
                    worden bepaalde bewijsstukken opgevraagd bij de budgethouder. Een factuur is
                    nodig in situaties waarin voorzieningen zijn aangeschaft bij een leverancier,
                    bijvoorbeeld een rolstoel of een scootermobiel. Een betalingsbewijs kan van
                    belang kan zijn in situaties waarin er geen nota is, bijvoorbeeld bij een
                    tweedehands aankoop bij een particulier of uitbetaling aan een dienstverlener,
                    bijvoorbeeld iemand die hulp bij het huishouden heeft verleend. Een
                    salarisadministratie kan noodzakelijk zijn in situaties waarin men iemand in
                    dienst heeft genomen voor het verrichten van hulp bij het huishouden.</al><al>Ook bij deze keuze geldt: mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het
                    toegekende persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan
                    dient de in hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al><tussenkop>Artikel 7 Eigen bijdragen en eigen aandeel </tussenkop><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te
                    stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van
                    deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van de
                    wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het
                    college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning wordt vastgelegd. De Raad
                    heeft hierbij ingevolge de Algemene Maatregel van Bestuur de mogelijkheid binnen
                    de grenzen die de Algemene Maatregel van Bestuur stelt de verschillende bedragen
                    vast te stellen. Deze afwijkende bedragen kunnen in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Montfoort worden opgenomen.</al><al>Het is de bedoeling van de wetgever geweest dat bij aanvragen door of ten
                    behoeve van personen jonger dan 18 jaar geen eigen bijdragen, maar ook geen
                    eigen aandeel verschuldigd is. Hoewel dit ten aanzien van het eigen aandeel niet
                    als zodanig is geformuleerd, ligt het voor de hand hierin één lijn te
                    trekken.</al><al>Artikel 4.1., lid 3 van de AMvB bepaalt dat bij roerende zaken die in eigendom
                    worden verschaft of bij bouwkundige of woontechnische aanpassingen de eigen
                    bijdrage of het eigen aandeel over maximaal 39 perioden van vier weken (= 3
                    jaar) gevraagd mag worden. Dit artikel geeft de invulling daarvan.</al><al>In de gemeente Montfoort wordt naast de <onderstreept>hulp bij het
                        huishouden</onderstreept> een eigen bijdrage gevraagd bij een
                        <onderstreept>aanpassing van een eigen auto</onderstreept> en
                        <onderstreept>bij een bouwkundige of woontechnische aanpassing van meer dan
                        € 5.000,- van een woning die eigendom is van de
                    aanvrager</onderstreept>.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 HULP BIJ HET HUISHOUDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 Vormen van hulp bij het huishouden</tussenkop><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”, in
                    hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                    “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan
                    hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht. </al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te
                    geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening
                    het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan in drie vormen als voorziening worden aangeboden.
                    Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige
                    dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en
                    aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het
                    huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt, met name voor eenvoudige
                    werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte. Het is aan
                    een gemeente om te bezien of zij deze vorm van hulp bij het huishouden in hun
                    verstrekkingenpakket wil opnemen.</al><al>Onder b. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Ook hier gaat het
                    om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de onder a. genoemde
                    vorm. Het verschil zit echter in de toekenningsprocedure, die meer op de persoon
                    is afgestemd, en in de regel meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en
                    langduriger behoefte aan hulp.</al><al>Onder c.is genoemd het persoonsgebonden budget (pgb) voor
                    hulp bij het huishouden. Met dit pgb moet de aanvrager zelf hulp inhuren.</al><al>Artikel 9 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</al><al>In artikel 9 lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan
                    maken van een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien deze in
                    de gemeente voorhanden is. In aanmerking komen in eerste instantie personen met
                    een aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of gebrek. Verder komen in
                    aanmerking mantelzorgers in het kader van dezogenaamde
                    ‘respijtzorg’, dat wil zeggen dat de noodzaak aanwezig is om mantelzorgers te
                    ontlasten. Nota bene: het is daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het
                    huishouden van de mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het
                    huishouden van degene die de mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk.</al><al>Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van een primaat in
                    deze verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie wordt bezien
                    of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op adequate wijze kan
                    oplossen. </al><al>Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat is
                    of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                    huishouden aan de orde. Lid 2 moet dus in samenhang met lid 1 worden gelezen. De
                    individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in natura of uit een
                    persoongebonden budget. Het college bepaalt wanneer iemand voor een
                    persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn vastgelegd
                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort </al><al>Artikel 10 Gebruikelijke zorg</al><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door middel van dergelijke
                    gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                    huishouden. In de door het college vast te stellen beleidsregels wordt bepaald
                    hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van
                    een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden.</al><al>Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat een beroep op
                    gebruikelijke zorg hoge eisen stelt aan het onderzoek dat aan een besluit
                    voorafgaat. Indien het verstrekkingenbeleid dit bepaalt zullen bijvoorbeeld de
                    betreffende huisgenoten gehoord moeten worden. Ook de zogenaamde dreigende
                    overbelasting zal nauwkeurig onderzocht dienen te worden, waarbij het oordeel
                    van een adviserend arts vaak niet zal kunnen ontbreken.</al><al>Artikel 11 Omvang van de hulp bij het huishouden</al><al>Omdat hulp bij het huishouden uiteindelijk altijd in de vorm van dienstverlening
                    zal worden verstrekt, moet de omvang in uren worden vastgesteld. </al><al>Er kan ook een andere keuze gemaakt worden. In de AWBZ werd tot de invoering van
                    de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn te vergelijken met standaardporties.
                    Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en een maximaal aantal uren per week
                    binnen een vaste bandbreedte. Indien men bijvoorbeeld een indicatie heeft voor
                    1,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in klasse 1. Mocht de behoefte aan hulp van de
                    aanvrager enigszins stijgen of dalen binnen de bandbreedte van de toegekende
                    klasse, dan hoeft daarvoor niet opnieuw geïndiceerd en beschikt te worden. Voor
                    de gemeente is dat een administratief voordeel, voor aanvragers ook. Materieel
                    kan het voor aanvragers binnen de speelruimte van de klasse echter enigszins
                    negatief of positief uitpakken, afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijke
                    uren zorg. Als die zorgbehoefte, uitgedrukt in uren, zich onderaan de
                    bandbreedte bevindt, is men voordelig uit; is de behoefte aan uren gelegen vlak
                    onder het plafond van de klasse, is het voordeel minder. Zolang de objectief
                    vastgestelde behoefte echter binnen de bandbreedte blijft, is er sprake van een
                    toereikende voorziening. Voor zover hulp bij het huishouden nodig is die klasse
                    6 overstijgt, is het mogelijk additionele uren aan deze hoogste klasse toe te
                    voegen. </al><al>Op advies van de interim Wmo-raad Woerden wordt de omvang van de toe te kennen
                    hulp bij het huishouden in de vorm van een <onderstreept>persoonsgebonden
                        budget</onderstreept> uitgedrukt in uren. Dit is geregeld in het tweede lid.
                    In het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort wordt door het
                    college jaarlijks het uurbedrag vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 12 Omvang van het persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en sluit nauw aan op de keuze voor het werken
                    met uren, genoemd in artikel 11. Jaarlijkse vastlegging houdt verband met
                    prijsindexering, zoals genoemd in artikel 39. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 4 WOONVOORZIENINGEN</tussenkop><al>Artikel 13 Woonvoorzieningen</al><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><al>Ad a. </al><al>De algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een mogelijkheid om
                    snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te krijgen. Te denken
                    valt aan klussendiensten, snel beschikbare voorzieningen uit depot en mogelijk
                    andere, nog te ontwikkelen voorzieningen;</al><al>Ad b. </al><al>Een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in de
                    vorm van een</al><al>financiële tegemoetkoming<vet><cursief> -</cursief></vet>op individuele basis-
                    verstrekt, bijvoorbeeld de losse tillift of een</al><al>douchestoel;</al><al>Ad c.</al><al>Het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld een verhuiskostenvergoeding;</al><al>Ad d.</al><al>De financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren en soms
                    ook</al><al>rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd in artikel 7
                    lid 2 en artikel 19 van de wet.</al><tussenkop>Artikel 14 Primaat collectieve woonvoorzieningen en recht op
                    individuele</tussenkop><tussenkop> woonvoorzieningen</tussenkop><al>In eerste instantie zal worden bezien of een probleem bij het normale gebruik
                    van de woning (de zogenaamde “elementaire woonfuncties”) kan worden opgelost met
                    een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij het zoeken naar
                    een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem, dus een probleem bij
                    het normale gebruik van de woning, zie de toelichting op het amendement dat
                    leidde tot artikel 4 van de wet (amendement-Van Miltenburg c.s., Tweede Kamer,
                    vergaderjaar 2005-2006, 30 131, nr. 65). </al><al>Als een algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is
                    in de gemeente, moet het probleem middels een individuele voorziening worden
                    opgelost; dat kan zijn een woonvoorziening in natura of een persoonsgebonden
                    budget.</al><al>Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de
                    Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor
                    situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan
                    met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf.
                    Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast et cetera
                    zijn dus niet van belang. Deze algemene eis uit de Wvg-jurisprudentie is daarom
                    opgenomen in lid 3 van dit artikel</al><al>Artikel 15 Soorten woonvoorzieningen</al><al>Ad a.</al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het college maakt de
                    afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een
                    woningaanpassing. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed
                    mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                    gemeente.</al><al>Ad b. en c.</al><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening waarbij geen
                    sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk
                    met name een persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m. COPD/CARA
                    verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden begrepen hulpmiddelen voor
                    baden, wassen en douchenwelke niet nagelvast aan de woning zijn
                    bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee categorieën
                    roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening in natura
                    worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur, zodat hergebruik mogelijk
                    is.</al><al>Ad d.</al><al>De uitraasruimte werd in de Wet voorzieningen gehandicapten expliciet genoemd
                    als woonvoorziening, in de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt deze
                    voorziening niet genoemd. Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning echter
                    niet wordt beoogd om het beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet
                    voorzieningen inhoudelijk te verbreden, noch om dat te versmallen, is de
                    uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die
                    op basis van het vervallen artikel 1, lid 1, onder e. van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten kan worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een
                    persoon die tengevolge vaneen beperking in de vorm van een
                    ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of
                    tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die alleen op
                    basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking kan
                    worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme
                    ruimte.</al><al>Artikel 16 Primaat van de verhuizing en uitraasruimte</al><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag
                    voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning
                    een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. Dit
                    primaat van de verhuizing blijkt uit de samenhang tussen de leden a. en b. van
                    artikel 16. </al><al>In feite gaat het bij het primaat van de verhuizing om een specifieke toepassing
                    van de algemene regel dat in beginsel wordt gekozen voor de goedkoopst adequate
                    voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van de verhuizing
                    is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het
                    dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn gesteld. In de eerste plaats moeten
                    de financiële gevolgen van de verhuizing voor de woonlasten binnen aanvaardbare
                    financiële grenzen vallen, een eis die ook onder de wet gesteld kan worden.
                    Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan
                    worden gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde
                    termijn. Dat houdt dus in dat het collegezicht moet hebben
                    op de woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om
                    binnen die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte
                    aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere relevante
                    aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke beleidsregels, kunnen,
                    afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de afweging omtrent het toepassen
                    van het primaat van de verhuizing in een concreet geval. </al><al>De in lid 3 genoemde uitraasruimte was onder de Wvg in de wet genoemd, in de Wmo
                    is niet dat meer het geval. Omdat de Wmo de Wvg opvolgt is het nodig de
                    uitraasruimte elders, namelijk in de verordening te regelen. In artikel 16 lid 3
                    is geregeld dat de uitraasruimte bedoeld is voor een specifieke groep
                    gehandicapten, met specifieke problemen. Het gaat bij de uitraasruimte, bij
                    wijze van uitzondering, niet om het compenseren van problemen bij het normale
                    gebruik van de woning, maar om het tot rust komen. De uitraasruimte is dus geen
                    zogenaamde snoezelkamer. De uitraaskamer is evenmin bedoeld om overlast voor
                    huisgenoten te beperken.</al><al>Artikel 17 Primaat van de losse woonunit</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicaptenkonden gemeenten
                    woningaanpassingen duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren
                    bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten
                    voor eigen rekening van de gemeente komen. Als het gaat om grote aanpassingen
                    aan huurwoningen die opnieuw kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van
                    mensen met beperkingen, kan de investering over een langere periode afgeschreven
                    worden. In gevallen waarin dat niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het
                    primaat van losse woonunits. In situaties waarin de mogelijkheid in de concrete
                    situaties bestaat, wordt aan gebruikvan een dergelijke unit
                    voorrang gegeven middels deze bepaling<cursief>. </cursief></al><al>Artikel 18 Uitsluitingen</al><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen
                    van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als
                    zodanig aangemerkt worden. Verder worden geen woonvoorzieningen verstrekt in
                    gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor mensen met een beperking.
                    Hetzelfde geldt indien voorzieningen in dergelijke gebouwen (ook in de
                    wooneenheden) bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                    kunnen worden meegenomen. </al><al>Artikel 19 Hoofdverblijf</al><al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                    expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de
                    inwoners van de gemeente. Artikel 11 van de wet geeft echter wel een aanwijzing
                    in die richting door vermelding van “ingezetenen van de gemeente”. Een ander
                    aanknopingspunt voor de regel dat alleen inwoners van een bepaalde gemeente in
                    aanmerking komen voor (individuele) Wmo-voorzieningen is het feit dat er met de
                    wet geen inhoudelijke uitbreiding van de werking van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is beoogd. </al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie (Gba) uitsluitsel.
                    Voor bepaalde zorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders
                    kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk
                    verblijft heeft de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval
                    van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de
                    woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of
                    zalhebben' op te nemen voor situaties waarin de aanvrager
                    naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten
                    bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken, zie ook artikel
                    20, onder b.</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren AWBZ-bewoners uitgesloten van het
                    recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd door
                    gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een woonruimte voor
                    bezoek aan ouders of andere familieleden. Deze bovenwettelijke uitzondering was
                    alleen gebaseerd op de gemeentelijke verordening. Omdat met de wet niet wordt
                    beoogd om de omvang van de onder de Wet voorzieningen gehandicapten geregelde
                    zorgplicht in te krimpen of uit te breiden, is de optie van het bezoekbaar maken
                    ook weer in de verordening opgenomen in artikel 19. Verdere verplichtingen dan
                    hier genoemd in de verordening heeft de gemeente derhalve niet. “Bezoekbaar
                    maken” wordt in de verordening daarom gelimiteerd tot het bereikbaar maken van
                    de woonruimte zelf en enkele essentiële ruimten daarin, en kan bovendien in
                    financiële zin worden gemaximeerd, zie lid 4. Onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten werd hiervoor vaak wordt een bedrag gehanteerd dat gelijk was aan
                    het bedrag voor een verhuiskostenvergoeding.</al><al>Artikel 20 Financiële tegemoetkoming aanpassing woonwagen, woonschip en
                    binnenschip </al><al>Dit artikel is overgenomen uit de oude Wvg-verordening. Alhoewel aanvragen
                    hiervoor zelden voorkomen kan het handig zijn om dit artikel in de
                    Wmo-verordening op te nemen.</al><al>Artikel 21 Aanvullende begrenzing recht op woonvoorzieningen </al><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet ereen
                    duidelijke samenhang zijn tussen de in de eigen woonruimte (en de toegang
                    daartoe) ondervonden woonproblemen en de beperking die men heeft. Aanvragen voor
                    woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere factoren dan die beperking,
                    kunnen worden geweigerd op grond van dit artikel.</al><al>Ad a.</al><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woningis dan de
                    voornaamste oorzaak van de ondervonden woonproblemen. Deze bepaling heeft
                    voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke
                    reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is
                    de zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing
                    vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.</al><al>Ad. b.</al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 19, lid 1,
                    waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende
                    woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”. </al><al>Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal
                    moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen
                    woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en
                    zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar burgers goed
                    moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan
                    kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn
                    situatie meest geschikte woning.</al><al>Ad c.</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in
                        hoofdzaakzijn gericht op het individu en op diens eigen
                    woonruimte, worden in beginsel geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten
                    van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten
                    gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in de verordening genoemde
                    voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten. De opsomming is limitatief, dat wil
                    zeggen dat er niet meer hoeft te worden verstrekt dan er in de verordening is
                    genoemd. Toegankelijkheidsproblemen zullen dan in de regel wel op andere wijze
                    gecompenseerd moeten worden, mogelijk door toepassing van het primaat van de
                    verhuizing.</al><al>Ad d.</al><al>Onder d. wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen. Veel verhuizingen
                    zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men
                    heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis naar een
                    zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat
                    de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig
                    wonen.</al><al>Mogelijk kunnen in bepaalde situaties ook andere voorzieningen dan
                    verhuiskostenvergoedingen geweigerd worden op basis van deze bepaling. Daarbij
                    moet worden gedacht aan situaties waarin gemeenten ouderen tijdig wijzen op de
                    eigen verantwoordelijkheid en naar de mogelijkheid om een woning te zoeken die
                    bij de leeftijd past. Als men dan, ondanks het feit dat men ondubbelzinnig is
                    gewezen op de eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden er zijn, desondanks
                    geen maatregelen neemt en men komt in een ongeschikte woning voor voorzienbare
                    woonproblemen te staan, dan kunnen ook andere woonvoorzieningen dan
                    verhuiskostenvergoedingen worden geweigerd. De grondslag voor deze bepaling is
                    gelegen in artikel 4 lid 2 Wmo, waarin wordt gesteld dat geen recht op
                    maatschappelijke ondersteuning bestaat voorzover men zelf in staat is om
                    oplossingen te realiseren. In dit geval gaat het om preventieve oplossingen voor
                    voorzienbare problemen. Deze verordeningsbepaling is uiteraard alleen toepasbaar
                    als gemeenten ook een beleid hebben ontwikkeld en toepassen om de Wmo-doelgroep
                    intensief en gericht te informeren en als er daadwerkelijk alternatieven
                    aanwezig zijn om woonproblemen te voorkomen. </al><al>Jurisprudentie zal zich uiteraard op dit punt nog moeten ontwikkelen.</al><al>Ad e.</al><al>In feite gaat het bij verhuizing vanuit het ouderlijk huis of vanuit een
                    vergelijkbare situatie naar een zelfstandige woonruimte om een algemeen
                    gebruikelijke verhuizing. Een dergelijke verhuizing staat dus op zichzelf los
                    van de beperkingen die men heeft. Ook zal verhuisd moeten worden naar een zo
                    adequaat mogelijke woning. Voorzieningen aan de woning waarheen vanuit het
                    ouderlijk huis wordt verhuisd zijn uiteraard wel mogelijk, mits verhuisd is naar
                    de op dat moment beschikbare meest geschikte woning.</al><al>Ad f.</al><al>Woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen ook niet –
                    als hoofdverblijf – adequaat gemaakt worden. Daarvoor zal dus per definitie geen
                    woonvoorziening worden verstrekt; aanpassen leidt niet tot een adequate situatie
                    en verhuizen vanuit een dergelijke woning naar een woning die wel geschikt is om
                    het gehele jaar te bewonen kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Ook
                    zonder handicap zal men immers moeten verhuizen naar een woning de wel het
                    gehele jaar bewoonbaar is.</al><al>Ad g.</al><al>De Wmo is onder meer gericht op het behoud c.q. het bevorderen van de
                    zelfstandigheid en is als opvolger van de Wvg ook bedoeld voor mensen die nog
                    zelfstandig kunnen blijven wonen. Op het moment dat men verhuist naar een
                    AWBZ-instelling, valt men feitelijk buiten de Wmo-doelgroep, omdat het, ook met
                    ondersteuning, niet meer mogelijk is zelfstandig een huishouden te voeren.</al><al>Ad h.</al><al>Werden in de verlaten woonruimte geen problemen ondervonden met het normale
                    gebruik van de woning dan was er geen in de handicap, in relatie tot de
                    bouwkundige staat van de woning, gelegen oorzaak voor de verhuizing en is er
                    geen ruimte voor een verhuiskostenvergoeding.</al><al>Ad i.</al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Modelverordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen.Het is daarbij zaak onderscheid te maken tussen de
                    constructie, waarbij een bepaald materiaal is toegepast, en de aard van het
                    gebruikte materiaal zelf.</al><al>Artikel 22 Terugbetaling bij verkoop</al><al>De verordening Wet voorzieningen gehandicapten (oud) bevatte een zogenaamde
                    anti-speculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze verordening terug en heeft
                    als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de
                    waardestijging, die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond
                    van de wet. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum
                    reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten
                    gevolge van de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en in
                    hoeverre in een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt,
                    aangezien er een afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het
                    effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot
                    de te verwachten baten.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5 HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL </tussenkop><al>Artikel 23 Vormen van te verstrekken voorzieningen</al><al>Ad a.</al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten heeft ontwikkeld. Naast het collectief vervoer kan ook worden
                    gedacht aan de mogelijkheden voor het opzetten van scootermobielpools, zoals in
                    sommige verzorgingshuizen al op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    gebeurde.</al><al>Ad b.</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In de
                    beleidsregels c.q. het verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke
                    voorwaarden men voor een bepaald soort voorziening in aanmerking komt.</al><al>Ad c.</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is
                    het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Montfoort uitgewerkt.</al><al>Artikel 24 Het recht op een algemene voorziening</al><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de
                    persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend
                    zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor
                    een voorziening terzake. </al><al>Algemene criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel zijn
                    het ten gevolge van een beperking niet kunnen bereiken of kunnen gebruiken van
                    het openbaar vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen
                    gehandicapten voorafgaande AAW en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken
                    naar de loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens).</al><al>Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking
                    niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                    problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                    daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een
                    adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden worden
                    buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan
                    worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan was de
                    problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de wet, bij
                    gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat het probleem
                    niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak
                    aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al><al>Artikel 25 Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening</al><al>Artikel 25 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. van artikel 23. Men kan
                    voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen: </al><al>a indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een
                        collectievevervoersvoorziening of; </al><al>b indien er geen algemene voorziening aanwezig is.</al><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                    collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft
                    niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten van bijzonder belang bij mensen
                    die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met een loopafstand van maximaal
                    circa 100 meter). Alleen collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen
                    adequate voorziening.</al><al>In onze gemeente is een collectieve vervoersvoorziening aanwezig (Regiotaxi
                    Veenweide).</al><al>Artikel 26 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is in de rechtspraak van de Centrale
                    Raad van Beroep bepaald dat het stellen van een inkomensgrens voor een
                    forfaitaire tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 x de
                    bijstandsnorm niet in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met een
                        dergelijkinkomen wordt geacht de kosten van het lokaal
                    vervoer of bezit en gebruik van een auto zelf te kunnen dragen. Er is een
                    duidelijke relatie met het begrip “algemeen gebruikelijk”; indirect worden de
                    kosten van vervoer in relatie tot het inkomen algemeen gebruikelijk geacht. </al><al>Middels dit artikel kunnen gemeenten een keuze maken voor het bepalen van de
                    hoogte van het inkomen waarbij een auto en de daarmee samenhangende kosten als
                    algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd.</al><al>Artikel 27 Omvang in gebied en in kilometers</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de zorgplicht voor vervoer beperkt
                    tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of
                    leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder c. over “het zich
                    lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt beperkter te zijn dan de
                    zorgplicht onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar aangezien met de Wet
                    maatschappelijke ondersteuningniet is beoogd de reikwijdte
                    van de Wet voorzieningen gehandicapten te beperken of uit te breiden, is er geen
                    reden om aan te nemen dat alleen de letterlijk lokale verplaatsingen onder de
                    wet zullen vallen. Vandaar dat in dit artikel, conform de onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van de
                    eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale zorgplicht,
                    zoals die ook in de Wvg-jurisprudentie is omschreven. Uiteraard ook
                    rekeninghoudend met het compensatiebeginsel.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een vervoersvoorziening of een
                    combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis
                    minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen. Deze jurisprudentie wordt hier
                    vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd de werkingssfeer van de Wet
                    voorzieningen gehandicapten uit te breiden.</al><al> HOOFDSTUK 6 VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING</al><al>Artikel 28 Vormen van rolstoelvoorzieningen</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                    aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is dat niet het geval, maar aangezien met deze wet niet wordt
                    beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande Wet voorzieningen
                    gehandicapten te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als
                    de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond de
                    woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een definitie van
                    een rolstoel is niet te geven, daarom wordt hier onder het begrip “rolstoel” een
                    rolstoel begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die kent. Deze rolstoel
                    kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een
                    (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op
                    grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de Regeling
                    Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden
                    gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel
                    van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op
                    grond van andere regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken,
                    rollators, wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van
                    onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij
                    valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en
                    andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal
                    verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een
                    bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                    verstrekt.</al><al>Bij artikel 2 is gekozen voor de mogelijkheden een rolstoel in de vorm van een
                    algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een rolstoel voor
                    incidenteel gebruik. Deze rolstoelen voor incidenteel gebruik hoefden onder de
                    Wet voorzieningen gehandicapten formeel niet te worden verstrekt, hoewel dat in
                    de praktijk wel vaak gebeurde. Deze optie geeft een regeling waarbij wel
                    incidenteel noodzakelijke rolstoelen worden verstrekt, maar dan via een algemene
                    rolstoelvoorziening. </al><al>Dit is geregeld onder a. Het betreft dan situaties waarbij soms een rolstoel
                    nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder rolstoel
                    plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel kan in die situaties ingevuld
                    worden via een rolstoelpool waarop de betrokkene een beroep op kan doen.
                    Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal rolstoelen weinig frequent wordt
                    gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool worden daarentegen wel frequent
                    gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een rolstoel uit de
                    pool te lenen. De pool moet dan ook voldoende geschikte rolstoelen op voorraad
                    hebben. Onder b. en c. betreft het de individuele rolstoel voor dagelijks
                    zittend gebruik, terwijl onder d. de sportrolstoel wordt genoemd.</al><tussenkop>Artikel 29 Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel
                    rolstoelgebruik en sportvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel uit een
                    rolstoelpool in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van de
                    rolstoel, terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
                    budget verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks zittend
                    verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is. Geen rolstoel
                    wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of andere
                    hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel
                    kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op
                    dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is. De nadere
                    verstrekkingscriteria worden vastgelegd in de beleidsregels.</al><al>Indien de rolstoel niet noodzakelijk is voor incidenteel gebruik, maar voor
                    dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning kan de rolstoel verstrekt
                    worden als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget. Een rolstoel
                    uit de rolstoelpool is dan immers geen adequatevoorziening. </al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een persoonsgebonden
                    budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet
                    mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel
                    uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere sportvoorzieningen
                    worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een sportrolstoel zoals een
                    handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor het lokaal verplaatsen
                    nodig is.</al><al>Artikel 30 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</al><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen – zo stelt artikel 15 Besluit zorgaanspraken - indien de AWBZ-bewoner
                    zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie “behandeling” geniet in één en
                    dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde
                    voldoet, is er ook geen recht op een AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente
                    een rolstoel moeten worden verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning. </al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie
                    “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende
                    situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden
                    “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide
                    AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen
                    recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide
                    functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                    AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen,
                    waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere
                    instelling. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 7 HET VERKRIJGEN VAN VOORZIENINGEN EN HET MOTIVEREN VAN
                    BESLUITEN</tussenkop><al>Artikel 31 Gebruik aanvraagformulier</al><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden
                    ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat
                    vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt
                    ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op
                    een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van
                    de wet die niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan
                    echter niet zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet
                    bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de
                    aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te
                    bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een
                    ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te
                    worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor
                    de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de
                    gegevens.</al><al>Als de gemeente daar de mogelijkheid toe kent kan een aanvraag ook elektronisch
                    worden ingediend.</al><al>Over het algemeen zal een aanvraag ingediend worden bij de gemeente waar de
                    aanvrager zijn hoofdverblijf heeft. Een uitzondering hierop is geregeld in
                    artikel 19. Voor groepen personen die geen vaste woonplaats hebben (zoals
                    schippers van binnenvaartschepen en kermisexploitanten) geldt dat zij hun
                    aanvraag indienen bij de gemeente waar zij staan ingeschreven of een briefadres
                    hebben.</al><al>Artikel 32 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</al><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006 ,
                    nr. 30 131-54) is in artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de
                    gemeenteraad bij verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de
                    toegang tot individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het
                    gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                    is geregeld. </al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder a.
                    ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van
                    toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen
                    krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is
                    geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en
                    toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling
                    “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ) worden genoemd,
                    terwijl in de toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd
                    onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ
                    en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals
                    hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen
                    raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien zal de
                    concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan een
                    typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen onder de
                    verantwoordelijkheid van het college. De door de raad vast te stellen
                    verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket,waarbij de
                    nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moeten worden. </al><al>Artikel 33 Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</al><al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college
                    bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen
                    op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken
                    en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met
                    de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. </al><al>In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is in de wet niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet
                    worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter
                    onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in
                    het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet
                    opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende,
                    zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een eenduidige vermelding onmogelijk
                    maakt. </al><al>Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de
                    betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht om
                    een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces reeds
                    eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op
                        hetmoment van de aanvraagnodig
                    lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het begin duidelijk geobjectiveerd
                    wordt wat er medisch gezien speelt bij de betrokken aanvrager. Het spreekt voor
                    zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar deze wet voor diegenen die al een
                    voorziening hadden niet gesproken wordt van eerste aanvraag. Van eerste aanvraag
                    wordt gesproken als een aanvrager in zijngeheel niet bekend
                    is bij deze wet.</al><al>Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder tweede lid sub b., kan
                    uiteraard alleen maar op basis van een medisch advies. </al><al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                    onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom
                    van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij
                    verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de
                    aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het
                    bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare
                    aandoeningen: (m)moa’s.</al><al>Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht.
                    Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door
                    deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is
                    verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het
                    oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen. </al><al>Lid 3 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld
                        Gezondheidsorganisatie.Deze bepaling is in de
                    verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement 65,
                    waarin staat“Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk
                    biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments
                    (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om
                    de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Mede omdatbij de indicatiestelling van de diverse functies
                    in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie
                    gebruik wordt gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen
                    de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al><al>Lid 4 vertaalt de opdracht van artikel 26 lid 1 van de wet naar de verordening
                    en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze de genomen
                    beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                    de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                        beperkingof een chronisch psychisch probleem en van
                    mensen met een psychosociaal probleem.</al><al>Artikel 34 Samenhangende afstemming </al><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen
                    samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is
                    bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke
                    zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit
                    cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals het genoemde in de
                    toelichting op artikel 32 van deze verordening, gaat het hier naar zijn aard om
                    uitvoeringsbeleid. In 3is een specifieke onderzoeksverplichting aan het college
                    opgelegd. </al><tussenkop>Artikel 35 Wijzigingen in de situatie</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 36 Intrekking van een voorziening</tussenkop><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te
                    wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich meebrengen.
                    Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de
                    verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht
                    er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                    voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking
                    een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening ,
                    omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de
                    feiten.</al><al>Intrekking kan met terugwerkende kracht, bijvoorbeeld bij het opzettelijk
                    verstrekken van onjuiste gegevens. Beëindiging van het recht op een voorziening
                    is ook aan de orde bij verhuizing naar een andere gemeente en bij overlijden, en
                    gaat in het algemeen in op het moment van of na de beschikking.</al><tussenkop>Artikel 37 Terugvordering</tussenkop><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te
                    vorderen.Indien er, naar later blijkt, ten onrechte is
                    uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan het
                        collegede voorziening geheel of gedeeltelijk
                    terugvorderen. Het besluit tot herziening van het recht op de voorziening en de
                    daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals
                    bijvoorbeeld in de Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is
                    wel sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde
                    betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke
                    basis biedt. </al><al>Wanneer deze zaken gaan om een bedrag van € 5.000,- of minder worden ze
                    behandeld door de kantonrechter. Bij de kantonrechter kan in persoon zonder
                    advocaat of zonder andere gemachtigde worden geprocedeerd. Bij een bedrag boven
                    de € 5.000, - komt de zaak voor bij de gewone civiele rechter van de rechtbank.
                    Dan moet men een advocaat inschakelen, en zijn er kosten verbonden.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de
                        aanvragersprake is van verwijtbaarheid. Wanneer deze
                    dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen.
                    Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de
                        aanvragerin gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen
                    de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam vooraf een
                    inschatting te maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de mogelijke
                    kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen gekeken
                    worden naar de kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar
                    mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een
                    deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding
                    binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
                    de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden
                    teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de
                    tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat.
                    Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling
                    pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 37 is dus
                    niet van toepassing op woningaanpassingen.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN </tussenkop><al>Artikel 38 Hardheidsclausule</al><al>Artikel 38 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van
                    de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen.
                    Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de betrokken
                    persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar,
                    bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van
                    belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste
                    woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                    worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere
                    periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met
                    nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                    aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al><al>Artikel 39 Indexering</al><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                    Montfoort, te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze verordening
                    gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de
                    gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur zoals op 22 mei 2006 naar de
                    Tweede Kamer gezonden bepaalt in artikel 4.5. lid 1 dat ook de bedragen van de
                    eigen bijdragen jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie
                    worden gewijzigd bij ministeriële regeling. </al><al>Artikel 40 Evaluatie</al><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden. Dat</al><al>beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad neergelegd in
                    de</al><al>verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de bevoegdheid van het college
                    is</al><al>neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft,
                    bijvoorbeeld omdat</al><al>het voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te
                    leiden tot</al><al>aanpassing van de verordening of van de beleidsregels.</al><al>Artikelen 41 en 42 Inwerkingtreding en citeertitel</al><al>In artikel 41 zijn opgenomen de datum van inwerkingtreding, de daarmee
                    samenhangende intrekking van de voorafgaande verordening. </al><al>Artikel 42 bevat de citeertitel, waaronder de verordening kan worden aangehaald.
                    Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>