<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR40035_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2007-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand art. 8 en 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-09-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Toeslagenverordening WWB</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Montfoort;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 15 augustus
                        2006;</al><al>gehoord het advies van de raadscommissie d.d. 4 september 2006;</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al>Besluit:</al><al>Het volgende vast te stellen:</al><al>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2007</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>De wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>Gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c,
                                    van de wet;</al></li><li nr="c."><al>Verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging
                                    ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                    verzorgingstehuis.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2 </nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar
                                zijn.</al></li><li nr="2."><al>De bepalingen in deze verordening laten de toepassing van artikel
                                18, eerste lid, van de wet onverlet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste Hd, van de wet bedraagt
                                20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                heeft;</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste Hd, van de wet bedraagt
                                10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun
                                hoofdverblijf hebben.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>Kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar met
                                        een inkomen van ten hoogste de norm als bedoeld in artikel
                                        21, onder a, van de wet vermeerderd met 10 procent van de
                                        gehuwdennorm;</al></li><li nr="b."><al>Meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond van
                                        de Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="c."><al>Meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op, grond van
                                        de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten;</al></li><li nr="d."><al>Verzorgingsbehoevende die door belanghebbende worden
                                        verzorgd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10 procent
                            van de gehuwdennorm voor gehuwden die een woning delen met één of meer
                            anderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5 </nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond-
                                waaraan voor belang hebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten
                                verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond
                                wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging voor een schoolverlater als bedoeld in artikel 28 van de wet
                        bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm. Deze verlaging wordt toegepast
                        gedurende zes maanden na het tijdstip van beëindiging van een studie aan een
                        onderwijs- of beroepsopleiding.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende
                                        van 21 jaar betreft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende
                                        van 22 jaar betreft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>lm afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                                van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze
                                toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid
                                1 zou leiden.</al></li><li nr="3."><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een
                                belanghebbende op wie artikel 6 van toepassing is.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8 Anti</nr><titel>cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig dat de
                        toepasselijke bijstandsnorm en toeslag tezamen voor de belanghebbende ten
                        minste bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>40 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande</al></li><li nr="b."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder</al></li><li nr="c."><al>75 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9 </nr><titel>Uitvoer</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester
                        en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordeningkan worden aangehaald als Toeslagenverordening Wet werk en
                        bijstand 2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel> Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Toeslagenverordening Wet werk en bijstand wordt ingetrokken per 1
                            januari 2007.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel> Overgangsbepaling</titel></kop><al>Indien de belanghebbende op 31 december 2006 recht heeft op een uitkering op
                        grond van de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand en de
                        Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2007 leidt tot een lagere norm
                        en/of toeslag dan wordt de eerst van toepassing verklaarde norm en/of
                        toeslag gehandhaafd voor de duur dat de belanghebbende de uitkering blijft
                        ontvangen, doch uiterlijk tot 1 januari 2008, tenzij de uitkering inmiddels
                        was beëindigd en op een later tijdstip een nieuw recht ontstaat.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Montfoort, gehouden op 18 september 2006.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Algemene toelichting</al><al>1.Algemeen</al><al>Bij het opstellen van de verordening zijn beleidsmatig de volgende
                        onderdelen in overweging genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>Keuze tussen forfaitaire toeslagen/verlagingen en concrete
                                toeslagen/verlagingen bij de vaststelling in welke mate sprake is
                                van schaalvoordelen;</al></li><li nr="b."><al>Bevoegdheid om bij specifieke woonsituaties nadere bepalingen te
                                ontwerpen;</al></li><li nr="c."><al>Bevoegdheid om schoolverlaters tijdelijk een lagere norm of toeslag
                                te verlenen;</al></li><li nr="d."><al>Bevoegdheid om jongere alleenstaanden (21 of 22-jarigen) een lagere
                                toeslag te verlenen.</al></li></lijst><al>Ada</al><al> Het meest rechtvaardige is om alle schaalvoordelen die een belanghebbende
                        heeft concreet te berekenen en toe te rekenen aan de hoogte van de toeslag.
                        Dit is echter uiterst arbeidsintensief, niet handhaafbaar en discutabel
                        aangezien ook de wettelijk vastgestelde bijstandsnormen forfaitair zijn
                        vastgesteld. Het meest eenvoudige, handhaafbare en duidelijke voor de
                        belanghebbende is, een onderscheid te maken tussen degene die geheel
                        zelfstandig woont, en niet geheel zelfstandig woont. Gelet op de forfaitaire
                        normensystematiek van de WWB zelf, past een percentage van 20%
                        respectievelijk 10% van de maximale toeslag of verlaging voor niet geheel
                        zelfstandig wonende uitkeringsgerechtigden. Dit vormt dan ook de basis voor
                        de verordening.</al><al>Adb</al><al>In artikel 27 WWB is de bevoegdheid neergelegd om de toeslag of norm lager
                        vast te stellen bij een specifieke woonsituatie waarbij belanghebbende
                        lagere algemene bestaanskosten heeft. Dit kan het geval zijn bij krakers,
                        tijdelijke kostenloze opvang of indien woonlasten door een derde worden
                        betaald. Om te voorkomen dat iemand zonder reële woonlasten net zo veel of
                        zelfs nog meer ontvangt dan iemand die weliswaar woonlasten deelt, maar toch
                        een substantieel deel zelf moet voldoen, is het wenselijk van deze
                        bevoegdheid gebruik te maken. Van deze bevoegdheid is geen gebruik gemaakt
                        voor personen die geen woonruimte hebben. Uit de praktijk is gebleken dat
                        deze personen hoge kosten moeten maken om zich een dak boven hun hoofd te
                        verzekeren. Hiermee wordt niet de groep dak- en thuislozen bedoeld, deze
                        worden door een centrumgemeente opgevangen en voorzien van zakgeld.</al><al>Adc</al><al>Studenten hebben in de regel een toelage ontvangen krachtens de WSF 2000 of
                        WTOS. Het is niet de bedoeling dat schoolverlaters hun carrière met een
                        uitkering beginnen. Als dit onverhoopt toch het geval is, dient de prikkel
                        om arbeid in loondienst te vinden maximaal benut te worden. Dit past in het
                        uitgangspunt 'werk boven inkomen'. Feit is dat de 'standaard'
                        bijstandsuitkering voor een alleenstaande hoger is dan de voordien verkregen
                        toelage studiefinanciering. Als dan ook nog een extra toeslag wordt
                        verleend, zal de prikkel om te werken, verder afnemen. Gelet op afspraken
                        die versterking van de poortwachtersrol (= vermindering van de instroom)
                        stimuleren, alsmede vermindering van financiële risico's, is gebruikmaking
                        van deze bevoegdheid zinvol.</al><al>Add</al><al>Al in de Algemene bijstandswet (ABW) is door vrijwel iedere gemeente gebruik
                        gemaakt van de bevoegdheid om de toeslag voor 21- of 22-jarigen lager vast
                        te stellen. Dit is logisch, aangezien anders het gevaar ontstaat dat een
                        uitkeringsgerechtigde meer ontvangt dan iemand die (vrijwel) fulltime werkt.
                        'Daarnaast kan afgevraagd worden of aanvullend op een WW- of
                        Wajong-uitkering bijstand moet worden verstrekt. Ook deze uitkeringen zijn
                        het resultaat van vaststelling van jeugd-</al><al>minimumloon. Met dit inkomen zouden de algemene kosten van levensonderhoud
                        bestreden kunnen worden. Het is derhalve reëel om uit te gaan van dit
                        inkomen. Om een goed overzicht te behouden en uit systeemtechnische redenen
                        kan de verlaging van de toeslag het best worden uitgedrukt in een percentage
                        van de gehuwdennorm.</al><al>Er zijn situaties denkbaar dat toepassing van bovenstaande regeling kan
                        leiden tot onbillijkheden. Ten tijde van de Abw zijn de volgende situaties
                        genoemd: inwoning bij iemand die zorgbehoevend is;</al><al>9 inwoning van kinderen of jong-meerderjarigen (18 t/m 20 jarigen) met een
                        gering inkomen zoals een studietoelage, een bijstandsuitkering of inkomsten
                        uit een parttime-betrekking.</al><al>In het verleden heeft de gemeente een maximale toeslag verleend ingeval van
                        inwoning bij een zorgbehoevende. Dit omdat er sprake is van een
                        onvrijwillige situatie en er worden voor de maatschappij diverse kosten
                        bespaard doordat opname in een verzorgingstehuis wordt voorkomen. Hoewel er
                        schaalvoordelen zijn wegen deze niet op tegen de kosten die belanghebbende
                        moet maken, mede omdat de belanghebbende niet ontslagen wordt van zijn
                        verplichting om algemeen passende.arbeid te zoeken en aanvaarden. Overigens
                        blijkt in de praktijk dat er slechts sporadisch gebruik wordt gemaakt van
                        deze bepaling.</al><al>De gevolgen van het gezinsinkomen van een ouder met een jongmeerderjarig
                        kind (18 t/m 20 jaar) met een laag eigen inkomen, zijn ook redenen om nadere
                        bepalingen vast te stellen. Omdat de hoogte van een bijstandsuitkering voor
                        een 18 t/m 20 jarige zo laag is, dat feitelijk geen bijdrage verlangd kan
                        worden, is het bezwaarlijk om te concluderen dat een gezin schaalvoordelen
                        heeft doordat lasten gedeeld zouden worden. Dit zou ertoe kunnen leiden dat
                        het gezinsinkomen (met name van alleenstaande ouders) met enkele honderden
                        euro's per maand kan dalen. Dit is niet billijk, waardoor verlening van de
                        maximale toeslag gerechtvaardigd is. Wel is het noodzakelijk een duidelijke
                        grens vast te stellen betreffende de hoogte van het inkomen van het kind.
                        Een herkenbare grens is de bijstandsnorm die genoemd is in artikel 20 onder
                        a WWB (correspondeert met 50% van het minimumloon) vermeerderd met 10% van
                        de gehuwdennorm. Dit is een bedrag waarbij in ieder geval vastgesteld kan
                        worden of lasten al dan niet met elkaar gedeeld kunnen worden. Toetsing aan
                        dit bedrag is helder en uitvoerbaar.</al><al>Daarnaast is het redelijk een aparte bepaling ten behoeve van studerenden op
                        te nemen. Over het algemeen zullen studenten niet zodanig hoge
                        neveninkomsten hebben. Omdat een inkomsten-berekening bij studenten
                        daarnaast ingewikkeld en inefficiënt kan zijn, is het redelijk een ouder die
                        slechts een studerend kind heeft, de maximale toeslag te verlenen.</al><al>2.Norm, toeslag en verlaging</al><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                        bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. Dit systeem
                        is grotendeels overgenomen uit de Abw. In de WWB maakt het voor de
                        financiering door het Rijk echter geen verschil of bijstand is toegekend als
                        norm of als toeslag. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de
                        artikelen 20 tot en met 24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen
                        en verlagingen in de artikelen 25 tot en met 29 WWB. Het college is
                        verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een toeslag.
                        Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik
                        gemaakt te worden.</al><al><onderstreept>Norm</onderstreept></al><al>Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaan er een drietal
                        basisnormen (artikel 21 WWB),</al><al>te weten:</al><al>e gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm) •
                        alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm e alleenstaanden: 50% van de
                        gehuwdennorm</al><al><onderstreept>Toeslagen</onderstreept></al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande
                        ouder indien de algemeen</al><al>noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld kunnen worden. De
                        mogelijkheid tot het</al><al>delen van kosten wordt aanwezig geacht als naast betreffende belanghebbende
                        nog één of meer</al><al>anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als
                        huur, gas, water en</al><al>licht, maar ook krant etc. gedeeld worden.</al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering
                        maximaal bedraagt</al><al>voor:</al><al>s alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm</al><al>o alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm</al><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20%
                        van de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                        bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening.
                        Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol
                        spelen. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                        toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de
                        mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader
                        onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken. (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52
                        en 53.)</al><al><onderstreept>Verlagingen</onderstreept></al><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><al>e verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                        ander van algemeen</al><al>noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden (artikel 26 WWB);
                        verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB); a verlaging in
                        verband met het recentelijk beëindigen van een studie (artikel 28 WWB); e
                        verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij alleenstaanden
                        (artikel 29 WWB).</al><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 7 van de
                        verordening.</al><al>3.De Toeslagenverordening</al><al>In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 WWB is geregeld dat de
                        gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de
                        bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de
                        hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Het door het college
                        voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus worden vastgelegd
                        in de Toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het college het
                        beleid kan uitvoeren.</al><al><onderstreept>Categorieën</onderstreept></al><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter
                        moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen
                        tot in de praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor
                        een forfaitaire benadering. Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening
                        alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde of
                        uitzonderlijke gevallen heeft het college immers de bevoegdheid c.q. de
                        plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van
                        individualisering afwijkend vast te stellen.</al><al>In deze Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven
                        aan aUe verlagingen die de WWB mogelijk maakt. In artikel 8 van de
                        Toeslagenverordening wordt daarentegen het effect van samenloop van
                        verschillende verlagingen beperkt door minimum hoogtes voor te schrijven
                        waaraan de bijstand moet voldoen na toepassing van de verlagingen.</al><al>Eenvoudigheidshalve is ook de werking van de verordening beperkt tot
                        belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB
                        de mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden
                        van 18, 19 of 20 jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een
                        belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou
                        zijn dan een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare
                        omstandigheden, ligt het voor de hand dat het college eveneens op grond van
                        artikel 18 lid 1 WWB de bijstand aanpast (zie ook de artikelsgewijze
                        toelichting bij artikel 2 van de Toeslagenverordening).</al><al>4.Berekening toepasselijke bijstandsnorm</al><al>In de WWB is -in tegenstelling tot in de Abw- niet voorgeschreven, dat in
                        gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de
                        verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden van
                        het vervallen van het voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur
                        van de WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd
                        wordt. Voor de toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel
                        uit. Omdat noch uit de wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan
                        worden opgemaakt dat de wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging en
                        zwaarder gewicht te geven, blijft het bij voorrang toepassen van de
                        verlaging op de toeslag de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit
                        overigens aüeen bij de combinatie verlaging wegens woonsituatie en
                        leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met
                        de leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten.</al><al>Bovenstaande in acht nemend kan hoogte van de uitkering algemene bijstand
                        voor personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Basisnorm;</al></li><li nr="2a."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                                ouders);</al></li></lijst><al>OF 2b. Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen
                        (alleen bij gehuwden); 3. Korten met verlaging wegens woonsituatie; </al><al>4a.Korten met verlaging schoolverlater;</al><al>OF</al><al>4b.Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het restant
                        van) de toeslag.</al><al>De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden
                        toegepast. De Toeslagenverordening geeft aan welke verlaging geldt. Leidt de
                        uitkomst tot en lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in artikel
                        8 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand vaststellen
                        op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel. De uitkomst
                        van deze berekening laat ook een eventueel aan de orde zijnde afstemming van
                        de bijstand bij wijze van individualisering onverlet.</al><al/><al>Artikelsgewijze toelichting</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel> Begripsbepalingen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of Awb
                        niet afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval
                        van wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de Verordening
                        moet worden gewijzigd. Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is
                        gekozen, omdat de hoogte van deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in
                        artikel 21 onder c WWB. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto
                        minimumloon. Om een persoon als verzorgingsbehoevende in de zin van de
                        Toeslagenverordening aan te kunnen merken, moet belanghebbende aannemelijk
                        maken dat deze door hem verzorgde persoon bij ontsteltenis van de verzorging
                        zou zijn aangewezen op een verpleeg- of verzorgingstehuis. Er moet een
                        duidelijke indicatie zijn op grond waarvan de verzorgingsbehoevendheid kan
                        worden aangenomen, bij voorkeur een verklaring van deze strekking die is
                        afgegeven door een arts. Het feit dat een belanghebbende als verzorger van
                        een verzorgingsbehoevende is aan te merken is overigens geen reden om hem te
                        ontheffen van de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te zoeken en
                        te aanvaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel> Werkingssfeer</titel></kop><al>Hoewel de tekst van de artikelen 26, 27 en 28 WWB ook categoriale
                        verlagingen mogelijk maakt voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar, moet
                        dit niet opportuun geacht worden. De normen van artikel 20 WWB zijn laag
                        vastgesteld, vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van belanghebbenden.
                        Betreffende ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan- hun onderhoudsplicht
                        door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. In
                        dergelijke gevallen zou als het ware 'dubbel gekort' worden als hierdoor ook
                        nog krachtens de Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou worden.
                        Bovendien zou de toepassing van de categoriale verlagingen op
                        belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar de uitvoering van de
                        Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken.</al><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                        artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd
                        om op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. In
                        de praktijk zal dit zich gezien de geringe hoogte van de jongerennorm niet
                        veelvuldig voordoen, maar te denken valt aan de situatie waarin gehuwden met
                        een kind in een kraakpand wonen. De gehuwdennorm van artikel 21 onder c WWB
                        minus de verlaging van 5 onder a van de Toeslagenverordening leidt tot een
                        lager bedrag aan bijstand dan de norm van artikel 20 lid 2 onder c WWB. In
                        dergelijke uitzonderlijke situaties moet het college gebruik maken van zijn
                        bevoegdheid tot individualiseren.</al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om - zo nodig
                        in afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de
                        bijstand - de bijstand anders vaststellen, als dat gelet op de
                        omstandigheden, mogelijk en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt
                        uit artikel 30 lid 4 WWB. De individualiseringsplicht geldt evenzeer in
                        situaties waarin de Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de
                        uitvoering van de Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is
                        er voor gekozen om deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te
                        nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor
                        de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                        hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 lid 2 onder a
                        WWB.</al><al/><al>gemeente</al><al>MONTFOORT</al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                        dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden
                        (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook
                        daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                        verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. Zolang er geen sprake is van
                        een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet
                        alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. In de
                        toeslagen verordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van
                        de gehuwdennorm in het geval één of meer anderen in dezelfde woning zijn
                        hoofdverblijf hebben, ha het derde Hd wordt geregeld dat kinderen die niet
                        (meer) in de norm begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren
                        waardoor het niet aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van
                        het huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun
                        hoofdverblijf hebben. Daarbij is nadrukkelijk overwogen dat in de WSF 2000
                        en Wtos aan thuiswonende studenten reeds een lager bedrag wordt verstrekt.
                        Aangezien betreffende kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan
                        de alleenstaande ouder om zodanige inlichtingen te verstrekken dat kan
                        worden vastgesteld of de onderdelen a, b of c van toepassing zijn.</al><al>In onderdeel d van het derde lid wordt geregeld dat zorgbehoevende eveneens
                        niet worden meegeteld als personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf
                        hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende
                        vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al>ha de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide
                        echtgenoten de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar.
                        Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden.
                        Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet
                        van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf.</al><al>Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht
                        het aantal anderen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft. Evenals bij
                        alleenstaanden wordt vanaf de vierde persoon die in de woning zijn
                        hoofdverblijf heeft geen noemenswaardige vermindering van de algemeen
                        noodzakelijke kosten van het bestaan aanwezig geacht. Daarbij moet ook
                        bedacht worden dat in de praktijk bij meer bewoners van een woning, het ook
                        vaak om een grotere en duurdere woning gaat, zodat de feitelijke kosten van
                        het bestaan doorgaans niet lager uitvallen dan in gevallen waarin maar één
                        ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al><al>hi het tweede lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                        begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet
                        aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden,
                        niet meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben.
                        Daarbij is nadrukkelijk overwogen dat in de WSF 2000 en Wtos aan
                        thuiswonende studenten reeds een lager bedrag wordt verstrekt.</al><al>Aangezien de in het tweede Hd bedoelde kinderen niet in de bijstand begrepen
                        zijn, is het aan de ouders om zodanige inlichtingen te verstrekken, dat kan
                        worden vastgesteld of de onderdelen a, b of c van toepassing zijn.</al><al>Zorgbehoevenden worden eveneens niet meegeteld als personen die in dezelfde
                        woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet
                        wenselijk is om belanghebbenden vanwege deze verzorgingstaken te
                        confronteren met een verlaging van de norm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5 Verlaging woonsituatie</nr></kop><al>Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                        verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van
                        het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is
                        aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB.</al><al>Ten opzichte van artikel 35 lid 1 Abw is artikel 27 WWB ruimer. Artikel 35
                        lid 1 Abw voorzag enkel in een verlaging in het geval aan de door
                        belanghebbende bewoonde woning geen woonkosten verbonden waren. Blijkens de
                        toelichting op 27 WWB is de verruiming bedoeld om ook ingeval er helemaal
                        geen woning wordt bewoond, een verlaging te kunnen toepassen. In dit artikel
                        is onder onderdeel a een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de
                        woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het wordt
                        nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de
                        mate waarin woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk
                        lage woonkosten heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met
                        toepassing van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. In de
                        verordening wordt overigens niet het begrip 'woonkosten' gehanteerd, maar
                        'kosten van huur of hypotheeklasten'. Daarmee wordt duidelijk, dat het
                        hebben van kosten voor water, gas, licht en dergelijke, voor belanghebbende
                        niet afdoende is om een verlaging van krachtens dit artikel te voorkomen.
                        Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale Raad van Beroep
                        heeft gegeven aan de invulling van het begrip woonkosten in de zin van
                        artikel 35 hd 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en CRvB
                        06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)</al><al>In onderdeel b wordt de verlaging ingeval er door belanghebbende in het
                        geheel geen woning bewoond vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm.
                        Dit is in overeenstemming met de toelichting op artikel 27 WWB. Een
                        belanghebbende die geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen
                        noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van
                        woonkosten. Niettemin zijn de kosten van het bestaan niet zoveel lager als
                        voor een belanghebbende die kosteloos woont in een woning. Een dakloze wordt
                        immers geconfronteerd met de hogere kosten van het op straat leven, zoals
                        bijvoorbeeld de kosten van nachtopvang.</al><al>De hoogte van een verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op de
                        wijze waarop de bijstand verleend moet worden. Indien bijstand verleend
                        wordt aan daklozen, kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid om
                        een budgetteringsplicht op te leggen of de bijstand in natura (in de vorm
                        van opvang) te verlenen.</al><al>Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder
                        adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
                        persoonsgegevens op grond van artikel 40, lid 1 en 2, WWB, door bij AMvB
                        (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen centrumgemeenten. In onze regio
                        is Utrecht aangewezen als centrumgemeente. Niet elke belanghebbende zonder
                        woning is echter een adresloze die zich voor bijstandsverlening moet wenden
                        tot de centrumgemeente."</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging schoolverlaters</titel></kop><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 28 WWB is blijkens de toelichting op
                        dat artikel bedoeld</al><al>om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een veel betere
                        financiële positie te</al><al>brengen als toen hij nog aangewezen was op studiefinanciering of een
                        tegemoetkoming krachtens</al><al>de Wtos. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit-
                        of thuiswonende</al><al>student. Met deze omstandigheden wordt immers reeds rekening gehouden in
                        artikel 4 en 5 van de</al><al>Toeslagenverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><al>Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te
                        passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                        jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien
                        het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige
                        ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te
                        passen dan voor een 22-jarige.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat - overeenkomstig het bepaalde in
                        artikel 29 WWB - de verlaging voor een 21 - of 22-jarige alleen kan
                        plaatsvinden op de toeslag van artikel 25 WWB.</al><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 30
                        lid 2 onder b WWB om in de verordening vast te stellen dat de
                        schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de
                        verlaging voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                        schoolverlatersverlaging is gekozen, opdat een 21- of 22-jarige
                        schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige
                        schoolverlater op grond van artikel 6 van de Toeslagenverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8 Anti</nr><titel>cumulatiebeding</titel></kop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op
                        verschillende omstandigheden bij belanghebbende en kunnen elk afzonderlijk
                        als redelijk in betreffende omstandigheden worden beschouwd. Zonder dit
                        artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat -met name in situaties waarin
                        de schoolverlatersverlaging in combinatie met een van de andere
                        verlagingsgronden aan de orde is het college de bijstand vanwege deze
                        samenloop dermate laag zou moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake
                        meer zou zijn van adequate bijstandsverlening. In voorkomende gevallen zou
                        het college op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand hoger moeten
                        vaststellen. Daarom is er voor gekozen om reeds in de Toeslagenverordening
                        een minimum bedrag vast te leggen, waarop het college de bijstand (inclusief
                        eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen. Aan de
                        verplichting van artikel 30 lid 2 onder b WW, dat in de Toeslagenverordening
                        wordt vastgelegd, dat de schoolverlatersverlaging (artikel 28 WB) en de
                        leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig mogen worden
                        toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van artikel 7 van de
                        Toeslagenverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel> Uitvoering</titel></kop><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de
                        Toeslagenverordening bij het college. Indien zich er een situatie zou
                        voordoen, waarin deze verordening niet voorziet, heeft het college de
                        bevoegdheid om individueel een toeslag of verlaging te beoordelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie
                        van de wetgever, als gebruikt in de toelichting bij artikel 3 Invoeringswet
                        WWB (zie TK 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 8). Artikel 13</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de verordening kunnen bij hen die een
                        lopende uitkering hebben, zich negatieve inkomenseffecten voordoen, In de
                        wet wordt ten behoeve van de inkornens-vrijlating een afbouwregeling
                        gedurende een periode van een jaar gehanteerd. Een afbouwregeling zoals bij
                        inkomensvrijlating is echter erg arbeidsintensief. De oude regeling blijft
                        dan ook tot uiterlijk 1 januari 2008 van kracht voor hen die reeds een
                        uitkering ontvangen. Als de uitkering in deze periode wordt beëindigd,
                        waarna er op een later tijdstip een nieuw recht ontstaat, zijn wel de nieuwe
                        bepalingen geheel van toepassing.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>