<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR399693_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Tegenprestatie Participatiewet WIHW 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Korendijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-03-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoeksche Waard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, 26622</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Tegenprestatie Participatiewet WIHW 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8a">Participatiewet, artikel 8a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-02-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-03-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>KDK/07548</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Tegenprestatie Participatiewet WIHW 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>KDK/07548/i.03172</al><al>De gemeenteraad van de gemeente Korendijk;</al><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        12 januari 2016;</al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid onder b van de Participatiewet;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om de regels met betrekking tot het
                        opdragen van een tegenprestatie, bij verordening te regelen;</al><al>besluitvast te stellen: </al><al><vet>de Verordening Tegenprestatie
                    </vet><vet>Participatiewet</vet><vet>WIHW 2016</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>tegenprestatie: opgedragen maatschappelijk
                                    nuttige werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling
                                    op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                                    arbeidsmarkt;</al></li><li nr="-"><al>mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                                    beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien
                                    van jeugdigen en zorg en overige diensten, als bedoeld in de
                                    Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeien uit een
                                    tussen personen bestaande sociale relatie en die niet worden
                                    verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt een keer per twee jaar aan de gemeenteraad een
                                verslag over de doeltreffendheid van het beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van
                                de cliëntenraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing van reguliere arbeid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt, ter nadere uitvoering van deze verordening, een
                                beleidsplan vast, waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                                werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden, op welke
                                doelgroep de nadruk ligt bij het opdragen van een tegenprestatie en
                                de voorwaarden die daarbij gelden, voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende moet in staat zijn de tegenprestatie te
                                        verrichten;</al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende
                                        moeten in overweging worden genomen;</al></li><li nr="d."><al>als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of
                                        vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden
                                        gehouden;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>De tegenprestatie wordt opgedragen ‘naar vermogen’. Hier past geen
                            minimaal aantal uren bij.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op, indien een belanghebbende
                            mantelzorg verricht, voor zover het verrichten van mantelzorg naar het
                            oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Kostenvergoeding</titel></kop><al>Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde een kostenvergoeding voor
                            het verrichten van de tegenprestatie toekennen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De belanghebbende is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk
                                    om aan te geven welke tegenprestatie hij gaat leveren. Als hij
                                    niets kan vinden kan de belanghebbende ondersteuning krijgen bij
                                    het zoeken van een tegenprestatie.</al></li><li nr="2."><al>Het college draagt geen tegenprestatie op, indien geen
                                    werkzaamheden voorhanden zijn, die als tegenprestatie kunnen
                                    worden opgedragen. Indien in de eigen gemeente geen
                                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, kan de
                                    tegenprestatie ook in een andere gemeente binnen de Hoeksche
                                    Waard worden opgelegd.</al></li><li nr="3"><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt, omdat geen
                            werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college telkens binnen
                            drie maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn, die als
                            tegenprestatie kunnen worden opgedragen</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en heeft
                            terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: </al><al><vet>‘</vet><vet>Verordening tegenpres</vet><vet>tatie Participatiewet
                                WIHW 2016’</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Korendijk </ondertekening><ondertekening> d.d. 16 februari 2016</ondertekening><ondertekening> de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening> drs. A. Goslings drs. S. Stoop</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet
                                WIHW 2016</vet></al><al>De Participatiewet (PW) geeft de gemeenteraad de opdracht een
                            verordening vast te stellen met betrekking tot het opdragen van een
                            tegenprestatie. Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten
                            naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Een belanghebbende van
                            achttien jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd
                            is vanaf de dag van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te
                            verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van
                            de Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar
                            vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                            en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Als het college een tegenprestatie
                            vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven
                            van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende
                            immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht wordt (zie
                            Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan
                            het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                            plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,
                            van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van
                            toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                            arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en
                            inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                            Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                            toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een
                            ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet
                            (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Afstemmen </cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en
                            re-integratieverplichting geldt voor het niet nakomen van de
                            tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd overeenkomstig de
                            afstemmingsverordening.</al><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratie-instrument </cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het
                            ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft
                            niet primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te
                            bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de
                            samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). De tegenprestatie
                            is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt
                            en is niet bedoeld als re-integratie-instrument. Voorts mag een
                            tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                            re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt
                            geldt werk boven uitkering. </al><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                            verordening regels vast te stellen over het opdragen van een
                            tegenprestatie aan mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van
                            18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht
                            is neergelegd in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet.
                            Het is aan de gemeente om de duur, omvang en inhoud van de
                            tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). </al><al><cursief>Ontwikkelen beleid door college </cursief></al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                            verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig
                            de verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet. </al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting Verordening tegenprestatie
                                Participatiewet WIHW</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                            deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening. </al><al><cursief>Mantelzorg </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van
                            mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat
                            wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel
                            1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning).
                            Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader
                            van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                            personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks
                            voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                            huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip 'mantelzorg' is van
                            belang omdat artikel 6 van deze verordening bepaalt dat het college geen
                            tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht
                            voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het
                            college redelijkerwijs noodzakelijk is. </al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals
                            neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier
                            belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn: </al><al> er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                            zorgverlener; </al><al> mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; </al><al> het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al><al> het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. </al><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK
                            2004-2005, 30 169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK
                            2005-2006, 30 131, nr. C. </al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg
                            van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                            Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te
                            stellen of sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat
                            onder gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de definitie van
                            gebruikelijke zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke
                            zorg wordt in dat Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse
                            zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar
                            onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden
                            voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor
                            het functioneren van dat huishouden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><al>Het college zendt één keer per twee jaar aan de gemeenteraad een verslag
                            over de doeltreffendheid van het beleid inzake het opdragen van een
                            tegenprestatie. </al><al><cursief>Cliëntenraad betrekken bij beleid </cursief></al><al>Uit artikel 2, tweede lid, van deze verordening volgt nadrukkelijk dat
                            de cliëntenraad moet worden betrokken bij de verantwoording over het
                            beleid. Hier kan een relatie worden gelegd met de verordening
                            cliëntenparticipatie, die de gemeenteraad moet vaststellen op grond van
                            artikel 47 Participatiewet. Het verslag over het beleid inzake het
                            opdragen van een tegenprestatie moet het oordeel van de cliëntenraad
                            bevatten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al> Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 3 van deze verordening stelt
                            voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie. Het college
                            dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie.
                            Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van
                            belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere
                            relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers
                            opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook
                            in staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het
                            een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden.
                            Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke
                            tegenprestatie van hem wordt verwacht (zie Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            </cursief></al><al>In artikel 3, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                            tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                            onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt
                            verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                            werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van
                            keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de
                            overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><al><cursief>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet </cursief></al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                            additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                            werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze
                            verordening genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie
                            in te zetten werkzaamheid: </al><al>a) naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; </al><al>b) niet is bedoeld als re-integratie-instrument; </al><al>c) wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                            organisatie waarin deze worden verricht; en </al><al>d) niet leidt tot verdringing. </al><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                            tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK
                            2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al><al>In een beleidsplan kan het college vastleggen welke werkzaamheden in
                            ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 3, tweede
                            lid, van deze verordening). Deze werkzaamheden voldoen aan de in artikel
                            3, eerste lid, van deze verordening gestelde voorwaarden. </al><al>Het college kan in een beleidsplan vastleggen welke werkzaamheden in
                            ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 3, tweede
                            lid, van deze verordening). </al><al><cursief>Samenwerking met maatschappelijke organisaties:</cursief></al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals:
                            welzijnsinstellingen, vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of
                            sportvoorzieningen. Om ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, is het van belang dat contacten
                            worden onderhouden met maatschappelijke organisaties. Een
                            vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een
                            belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te bepalen. De gemeente kan ervoor kiezen uitsluitend
                            werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen als tegenprestatie in te zetten
                            of werkzaamheden zowel binnen als buiten de gemeentegrenzen in te
                            zetten. Zie hierover de toelichting bij artikel 7 van deze verordening. </al><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de
                            re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn
                            op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als
                            re-integratie-instrument. Het betreffen werkzaamheden die worden
                            verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen
                            leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden
                            kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie
                            mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen
                            niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit
                            volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en
                            de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p.
                            14).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen.
                            Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                            opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie
                            kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                            p. 49). </al><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan
                            het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                            plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,
                            van de Participatiewet). De verplichting tot het verrichten van een
                            tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig
                            en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                            Participatiewet) De verplichting tot tegenprestatie is niet van
                            toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een
                            ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet
                            (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Weigering tegenprestatie </cursief></al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie
                            te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur
                            van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3,
                            p. 29). </al><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie </cursief></al><al>In artikel 4, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                            factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een
                            tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht. </al><al><cursief>Factor: tegenprestatie 'naar vermogen'</cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar
                            vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar
                            vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een
                            belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers,
                            niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden
                            opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3,
                            p. 30). </al><al><cursief>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                            persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                            belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het
                            fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen
                            van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts
                            wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met
                            praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van
                            kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten
                            verricht. </al><al>F<cursief>actor: persoonlijke wensen en kwaliteiten
                                belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het
                            college rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van
                            belanghebbende. De regering vindt het immers belangrijk dat een
                            belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende kan zelf ideeën
                            aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. Het
                            college kan in beleidsregels bepalen wanneer een belanghebbende zijn
                            keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar
                            maakt aan het college. Het college beoordeelt de door belanghebbende
                            zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van
                            belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                            tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde
                            bij of krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid
                            beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen
                            van een belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen.
                            Draagt belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college
                            belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als belanghebbende geen
                            voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het college
                            een werkzaamheid op. Het is immers aan het college, en niet aan een
                            belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende. </al><al><cursief>Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                                belanghebbende</cursief></al><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie
                            rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al
                            maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien
                            een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit verricht, kan het
                            college in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit
                            aan te merken als tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een
                            belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat
                            hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de
                            tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een
                            voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder
                            of een gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke
                            activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang. </al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college kan
                            ook besluiten vrijwilligerswerk aan te merken als tegenprestatie.
                            Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol spelen. Omdat
                            vrijwilligerswerk veelzijdig van aard is, is geen begripsomschrijving
                            opgenomen. </al><al>Onder vrijwilligerswerk wordt in het algemeen verstaan: werk dat in enig
                            verband onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de
                            samenleving (vergelijk TK 2005-2006, 30 334, nr. 1, p. 2). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. </al><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van
                            een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang
                            van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te
                            zijn. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis
                            van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 30). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Artikel 6 van de verordening bepaalt dat indien een belanghebbende
                            mantelzorg verricht en het college het verrichten hiervan
                            redelijkerwijze noodzakelijk vindt, zij geen tegenprestatie opdraagt. De
                            regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van
                            wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33
                            801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de
                            criteria van het begrip mantelzor, zoals neergelegd in artikel 1 van
                            deze verordening. Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van
                            deze verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college
                            redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt zij geen tegenprestatie op.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Kostenvergoeding</titel></kop><al>Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde een kostenvergoeding voor
                            het verrichten van de tegenprestatie toekennen. Dit betreft bijvoorbeeld
                            reiskosten buiten de gemeente, kosten van kinderopvang en andere
                            noodzakelijk te maken kosten. Indien de organisatie waar de
                            belanghebbende de tegenprestatie verricht de kosten vergoedt, vergoedt
                            het college uiteraard die kosten niet meer. Het gaat dus alleen om
                            kosten die niet elders worden vergoed. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al><cursief>Opdragen tegenprestatie binnen en buiten
                                gemeentegrenzen</cursief></al><al>Artikel 8 van deze verordening bepaalt dat de belanghebbende in eerste
                            instantie zelf op zoek gaat naar werkzaamheden die hij als
                            tegenprestatie kan verrichten. Als hem dat niet lukt kan het college
                            ondersteuning bieden. Mocht dat ook niet lukken dan kan het college zelf
                            een tegenprestatie aanbieden. In deze verordening kiest het college
                            ervoor dat, indien geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden
                            zijn binnen de eigen gemeentegrenzen, buiten de gemeentegrenzen gezocht
                            moet worden naar maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Ter uitvoering
                            hiervan kan worden samengewerkt met de gemeenten die deel uitmaken van
                            de Gemeenschappelijke Regeling WIHW. Indien het college besluit geen
                            tegenprestatie op te leggen omdat geen onbeloonde maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt telkens na drie maanden een
                            heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel
                            maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. Dit is geregeld
                            in artikel 8, tweede lid, van deze verordening. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>