<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR399683_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening participatiewet WIHW 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Cromstrijen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-09-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Cromstrijen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP 7 april 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening participatiewet WIHW 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">participatiewet artikel 6 2e lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-02-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-09-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV1512608</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening participatiewet WIHW 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Besluit van gemeenteraad</vet></al><al/><al>Documentnummer</al><al>Vergaderdatum</al><al>Commissie MZ 20 januari 2016</al><al/><al>Raad 16 februari 2016</al><al/><al>De raad van de gemeente Cromstrijen;</al><al>gelet op artikel 6, tweede lid van de Participatiewet;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om regels met betrekking tot de
                        re-integratie bij verordening vast te leggen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 januari
                        2016;</al><al>besluit:</al><al>1.Vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet 2016.</al><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet</vet><vet>WIHW
                        2016</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>Algemeen bestuur: de raad van de gemeente van de WIHW</al></li><li nr="-"><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onder a, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                        arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                        jaar;</al></li><li nr="-"><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                        arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                        jaar;</al></li><li nr="-"><al>wet: Participatiewet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verplichtingen van de persoon uit de doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon uit de doelgroep die deelneemt aan een voorziening is
                                gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de
                                wet, de Ioaw, de Ioaz en de Wet Structuur Uitvoering Werk en
                                Inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die aan de
                                aangeboden voorziening zijn verbonden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening,
                                niet voldoet aan het gestelde in het eerste lid, kan het college de
                                uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de
                                Afstemmingsverordening Participatiewet WIHW 2016</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een persoon uit de doelgroep, niet zijnde een
                                uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een voorziening,
                                verwijtbaar niet voldoet aan het gestelde in het eerste lid, kunnen
                                de gemaakte kosten van het traject of de voorziening(en) bij deze
                                persoon uit de doelgroep in rekening worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Om een betere afweging te kunnen maken omtrent de voorziening die
                                het meest geschikt is, kan de persoon uit de doelgroep, niet zijnde
                                een uitkeringsgerechtigde, verplicht worden mee te werken aan een
                                onderzoek naar de mogelijkheden van de persoon uit de doelgroep op
                                de arbeidsmarkt. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 9 en 10 aanbieden
                                aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot
                                de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en
                                10, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een
                                grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt aan de persoon uit de doelgroep ondersteuning bij
                                de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college dat
                                noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt,
                                waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet
                                op de mogelijkheden en capaciteiten van de persoon uit de doelgroep,
                                het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in het
                                arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld budgetplafond vormt
                                een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, met
                                    inachtneming van hetgeen daarover in de wet en deze verordening
                                    is bepaald, nadere regels stellen. Deze regels kunnen betrekking
                                    hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                            aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanvragen van
                                            voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over
                                            loonkostensubsidies;</al></li><li nr="d."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                            voorschotten; </al></li><li nr="e."><al>de intrekking of wijziging van de beschikking inzake de
                                            subsidieverlening of –vaststelling;</al></li><li nr="f."><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></li><li nr="g."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en
                                            het verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                            verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                            wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen
                                            13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                            niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                            behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                            geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik
                                            wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde
                                            voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld
                                            in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                                            wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening
                                            onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet
                                            meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van
                                            de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                            behoren gebruik maakt van de aangeboden
                                            voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                            voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening
                                            worden gesteld om in aanmerking te komen voor die
                                            voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Personen uit de doelgroepen zoals genoemd in artikel 7, eerste
                                    lid van de wet die van wie het gezinsinkomen hoger is dan 150%
                                    van het relevante sociaal minimum of van wie het vermogen meer
                                    bedraagt dan twee keer het bedrag van de vermogensvrijlating
                                    zoals genoemd in art 34, derde lid van de wet, komen wel in
                                    aanmerking voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling maar niet
                                    voor re- integratievoorzieningen gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2.</nr><titel>Soorten voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een
                                    persoon uit de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de duur en
                                    de hoogte van de subsidie en ten aanzien van de verplichtingen
                                    die aan de subsidie worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing van reguliere arbeid plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een organisatie aanwijzen die
                                    uitkeringsgerechtigden een dienstverband aanbiedt, gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd
                                    bij een inlenende organisatie. De detachering wordt vastgelegd
                                    in een schriftelijke overeenkomst tussen de partijen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                    arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een
                                            afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige
                                            werkloosheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                    leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                    vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt </al></li><li nr="c."><al>de duur van de werkstage</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de
                                    doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een
                                    leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig
                                    is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen
                                    betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of
                                            de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969,
                                            nog niet is geëindigd, of </al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie
                                            hebben behaald.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning en nazorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college moet aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                    persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die
                                    persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele
                                    begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in
                                    staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de werkgever waarbij een
                                    uitkeringsgerechtigde algemeen geaccepteerde arbeid heeft
                                    aanvaard, gedurende maximaal de periode van 6 maanden een
                                    voorziening bieden gericht op het in stand houden van de
                                    dienstbetrekking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Premie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan personen uit de doelgroep een premie als
                                        bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel j
                                        toekennen.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere regels over de hoogte alsmede de
                                        voorwaarden waaronder de premie zoals bedoeld in het eerste
                                        lid wordt verstrekt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Premie bij werken met behoud van uitkering
                                </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Aan de uitkeringsgerechtigde die in het kader van een traject
                                onbetaalde arbeid verricht kan tweemaal per jaar een premie worden
                                toegekend.</al><al> Voorwaarden voor het verkrijgen van de vergoeding zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitkeringsgerechtigde verricht de onbetaalde arbeid met
                                        als primair doel het opdoen van werkervaring en
                                        vaardigheden, die noodzakelijk zijn om betaalde arbeid te
                                        verrichten.</al></li><li nr="b."><al>de activiteiten vinden plaats onder begeleiding.</al></li><li nr="c."><al>de activiteiten mogen niet leiden tot concurrentievervalsing
                                        en/of verdringing van reguliere arbeid.</al></li><li nr="d."><al>de activiteiten worden verricht gedurende tenminste 18 uur
                                        per week, tenzij een arts, op grond van een arbeids-medische
                                        keuring vaststelt, dat de uitkeringsgerechtigde een
                                        afwijkend, geringer, aantal uren kan werken. De
                                        uitkeringsgerechtigde moet dan wel het maximale aantal
                                        belastbare uren werkzaam zijn geweest.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De premie bedraagt € 100,- per zes maanden of anders naar rato van
                                het aantal maanden waarin de uitkeringsgerechtigde overeenkomstig
                                het traject onbetaalde arbeid heeft verricht.</al></li><li nr="3."><al>Er bestaat geen recht op premie als de uitkeringsgerechtigde door
                                verwijtbaar gedrag voortijdig het traject werken met behoud van
                                uitkering heeft beëindigd of op ernstige wijze zijn
                                arbeidsinschakeling heeft belemmerd.</al></li><li nr="4."><al>De premie wordt achteraf uitbetaald.</al></li></lijst><al><onderstreept>Uitstroompremie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Aan de uitkeringsgerechtigde die aan het werk gaat en hierdoor
                                voor zijn levensonderhoud minimaal voor 6 maanden onafhankelijk is
                                van de Participatiewet, kan ambtshalve een uitstroompremie van
                                totaal € 750,00 worden toegekend.</al></li><li nr="2."><al>De premie wordt verstrekt indien tenminste zes maanden zelfstandig
                                in de kosten van het bestaan is voorzien.</al></li><li nr="3."><al>Om voor de uitstroompremie in aanmerking te komen moet
                                belanghebbende direct voorafgaand aan de werkaanvaarding minimaal
                                gedurende 24 maanden een bijstands- of IOAW/IOAZ uitkering hebben
                                ontvangen;</al></li><li nr="4."><al>De premie wordt alleen uitbetaald indien de belanghebbende in de
                                afgelopen vier jaar niet eerder een uitstroompremie heeft
                                ontvangen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke
                                    kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen aanspraak op de in het eerste lid genoemde vergoeding
                                    bestaat indien een beroep gedaan kan worden op een voorliggende
                                    voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht voor
                                    persoon uit de doelgroep toereikend en passend te zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12a.</nr><titel>Gedeeltelijke vrijlating van inkomsten wegens inkomsten uit
                                    arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingevolge artikel 31, tweede lid, onderdeel n van de wet worden
                                    inkomsten uit deeltijdarbeid gedurende ten hoogste zes
                                    aangesloten maanden gedeeltelijk vrijgelaten worden mits dit
                                    bijdraagt aan de arbeidsinschakeling;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingevolge artikel 31, tweede lid, onderdeel r van de wet worden
                                    inkomsten uit deeltijdarbeid gedurende ten hoogste dertig
                                    aaneengesloten maanden gedeeltelijk vrijgelaten mits dit
                                    bijdraagt aan de arbeidsinschakeling;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingevolge artikel 32, tweede lid, onderdeel z. van de wet worden
                                    inkomsten uit deeltijdarbeid gedeeltelijk vrijgelaten van een
                                    persoon van wie sprake is van een medische urenbeperking. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12b.</nr><titel>Kostenvergoeding, vrijwilligerswerk, mantelzorg en
                                    tegenprestatie</titel></kop><al>Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde een vergoeding
                                toekennen van aantoonbaar gemaakte kosten die de belanghebbende
                                heeft moeten maken om het vrijwilligerswerk, de mantelzorg of de
                                tegenprestatie te kunnen verrichten. </al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding wordt slechts toegekend indien het college
                                        voor het verrichten van de activiteiten vooraf toestemming
                                        heeft verleend en voor zolang de activiteiten het verkrijgen
                                        van betaalde arbeid niet verhinderen of bemoeilijken en voor
                                        zover er geen onkostenvergoeding zoals bedoeld in artikel
                                        31, lid 2 onder k. van de wet van de organisatie of
                                        organisaties waarbij de activiteiten worden verricht, is of
                                        wordt ontvangen.</al></li><li nr="2."><al>De uitkeringsgerechtigde verleent alle medewerking aan een
                                        met hem overeengekomen traject of anderszins met hem
                                        overeengekomen of aan hem opgelegde activeringsactiviteiten
                                        of tegenprestatie;</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding is bedoeld voor daadwerkelijk gemaakte kosten.
                                        De aanvrager toont met bewijsstukken aan welke kosten hij
                                        maakt c.q. heeft gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                    scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de uitvoering van lid 1 stelt het college nadere regels op.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                    artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                    persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                    verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                    begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                                    verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                    voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of zij
                                    uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                    college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen
                                    met een lange afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet,
                                    bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de
                                    volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen
                                    van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of
                                    aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                    arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college legt in nadere regels de omvang van het aanbod
                                    beschut werk vast en legt in nadere regels vast hoeveel plekken
                                    voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                    algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet
                                    onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                    werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke
                                    overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de
                                    werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat
                                    verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verstrekt aan persoon uit de doelgroep, telkens
                                    nadat hij gedurende zes maanden additionele werkzaamheden heeft
                                    verricht, een premie als bedoeld in artikel 10a, zesde lid,
                                    indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden
                                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op
                                    inschakeling in het arbeidsproces. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college biedt aan degene die op grond van dit artikel
                                    additionele werkzaamheden verricht en die niet beschikt over een
                                    startkwalificatie na een periode van zes maanden na aanvang van
                                    die werkzaamheden een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                    aan in de vorm van scholing of opleiding die de toegang tot de
                                    arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college
                                    een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden
                                    van de belanghebbende te boven gaat. Geen scholing of opleiding
                                    wordt aangeboden indien scholing of opleiding naar het oordeel
                                    van het college niet bijdraagt aan vergroting van de kans op
                                    inschakeling in het arbeidsproces van belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van de premie, zoals bedoeld in het derde lid, is
                                    geregeld in de beleidsregels. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De premie zoals bedoeld in het derde lid wordt geweigerd indien
                                    bij de beoordeling blijkt dat de persoon uit de doelgroep de aan
                                    de participatieplaats bedoelde verplichtingen in de voorafgaande
                                    zes maanden heeft geschonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                    activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                    zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                    geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                    activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                    persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een werkgever het voornemen heeft om een persoon uit de
                                    doelgroep in dienst te nemen, kan er voorafgaand aan de
                                    arbeidsovereenkomst een proefplaatsing worden ingezet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De proefplaatsing dient zo kort als mogelijk doch tot maximaal 3
                                    maanden te worden ingezet, met behoud van uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>No risk polis</titel></kop><al>Werkgevers kunnen bij ziekte van de werknemer gebruik maken van de
                                no- riskpolis die het UWV aanbiedt voor de gemeentelijke doelgroep
                                van de banenafspraak in het kader van de Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Voorzieningen gericht op zorg en hulpverlening</titel></kop><al>Het college kan aan personen uit de doelgroep een voorziening
                                aanbieden die is gericht op het bieden van ondersteuning voor het
                                verkrijgen van intensieve hulpverlening om problemen die een
                                belemmering vormen voor arbeidsinschakeling op te heffen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overige voorzieningen</titel></kop><al>Het college kan in de vorm van een experiment of een project andere
                                vormen van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aanbieden
                                aan personen uit de doelgroep.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon uit de
                            doelgroep afwijken van de bepalingen bij of krachtens deze verordening,
                            indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende
                            aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Wet inschakeling werkzoekenden</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor de uitvoering van de dienstbetrekkingen als
                            bedoeld in artikel 4 van Wet inschakeling werkzoekenden (WIW), zoals dit
                            artikel luidde op 31 december 2003, en stimuleert de uitstroom. </al><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt zorg voor de subsidiering van de
                                    dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de
                                    WIW, zoals dit artikel luidde op 31 december 2003. </al></li><li nr="2."><al>De dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten genoemd in het
                                    eerste en tweede lid, zijn vanaf het moment van inwerkingtreding
                                    van de Participatiewet voorzieningen in de zin van de
                                    Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en
                                    heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    Participatiewet WIHW 2016</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente
                        Cromstrijen in de openbare vergadering gehouden op 16 februari
                        2016.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die is gekregen, te weten het bij verordening regels
                    stellen waarin het beleid ten aanzien van haar re-integratietaak wordt
                    neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de
                    Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden
                    subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die
                    op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het
                    is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het
                    concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college
                    de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken.
                    Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep
                    aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het
                    college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                    re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de
                    voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is verplicht om regels op te nemen
                    in deze verordening:</al><lijst><li nr="·"><al> scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet); </al></li><li nr="·"><al> de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet
                            (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, </al></li></lijst><al> en tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet); </al><lijst><li nr="·"><al> participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="·"><al> no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al><cursief>Doelgroep</cursief>De doelgroep wordt gevormd door personen
                    zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het
                    betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde
                            lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen
                            b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in
                            dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezen uitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                    aangeboden voorziening.</al><tussenkop>Korte afstand tot de arbeidsmarkt (Doelgroep 1)</tussenkop><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs binnen zes maanden geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt.
                    Zie verder de toelichting bij artikel 4 van deze verordening.</al><tussenkop>Lange afstand tot de arbeidsmarkt (doelgroep 2)</tussenkop><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 4 van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 2. Verplichtingen van de persoon uit de doelgroep</tussenkop><al>In de wet is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht
                    op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in
                    het eerste lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd.</al><al>Het tweede lid biedt de verbinding met de Afstemmingsverordening
                    Participatiewet. Deze verordening regelt het opleggen van een maatregel indien
                    de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet. </al><al>Echter, voor personen zonder uitkering, Anw-ers en personen in gesubsidieerde
                    arbeid kan de uitkering niet worden verlaagd als maatregel. Daarom is in het
                    derde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen (een deel van) de kosten
                    die gemaakt zijn terug kan worden gevorderd. Daartoe is het noodzakelijk dat
                    afspraken hierover schriftelijk wordt vastgelegd.</al><al>Het college kan een persoon uit de doelgroep verplichten mee te werken aan een
                    onderzoek naar diens mogelijkheden en beperkingen, teneinde de juiste
                    voorziening aan te bieden e/of subsidie vast te stellen. Uit het
                    belastbaarheidsonderzoek en/of medisch onderzoek kan tevens een gedeeltelijke of
                    gehele ontheffing van de arbeidsplicht volgen. </al><tussenkop>Artikel 3. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet in
                    de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen, waarbij rekening
                    wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die
                    personen, worden vermeld. Hierin ligt besloten dat ook rekening wordt gehouden
                    met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap.
                    Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met
                    een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en
                    waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle
                    mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen
                    van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het
                    voorgaande uitvoering gegeven, door specifieke voorzieningen aan te bieden aan
                    personen met een korte of een lange afstand tot de arbeidsmarkt. </al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Het college houdt bij het inzetten van een voorziening niet alleen rekening met
                    de afstand tot de arbeidsmarkt. Het college moet bij de inzet van de
                    voorzieningen ook rekening houden met de omstandigheden en functionele
                    beperkingen van een persoon. In het vijfde lid is opgenomen waarmee het college
                    in ieder geval rekening moet houden.</al><tussenkop>Artikel 4. Subsidie- en budgetplafonds</tussenkop><tussenkop>Artikel 4. Subsidie- en budgetplafonds</tussenkop><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds
                    in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                    verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de
                    verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</al><al>Om de financiële risico’s te beheersen, kan een verdeling worden gemaakt van de
                    middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van
                    begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen
                    te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan het college bij verordening
                    subsidie- en budgetplafonds instellen.</al><al>De wet stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. Er dient te worden nagegaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er
                    geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening
                    een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument of vorm van ondersteuning wordt uitgeweken.</al><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het
                    kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die
                    subsidies inhouden, zoals de loonkostensubsidie. Een subsidieplafond dient wel
                    bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1
                    Awb).</al><tussenkop>Artikel 5. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). </al><tussenkop>Beëindiginggronden</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 6, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde
                    lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor
                    deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren, waarbij het verdiende loon ten
                    minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                    geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><tussenkop>Artikel 6. Loonkostensubsidie</tussenkop><al>Voor het verstrekken van subsidies is een wettelijke basis in een verordening
                    vereist. Daarin is, in lijn met het procedurele karakter van deze verordening,
                    alleen het minimale geregeld. De nadere regelgeving wordt vastgesteld door het
                    college. Het college dient bij het verlenen van een subsidie rekening te houden
                    met de EU-regelgeving rond staatssteun. Gesubsidieerde arbeid kan als één van de
                    voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling tebevorderen.
                    In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een
                    persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. </al><al><cursief>Compensatie</cursief>Het doel van de loonkostensubsidie is
                    het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het
                    wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon
                    (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan
                    de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te
                    compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te
                    bewerkstelligen. </al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><al>De in dit artikel opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op
                    personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen met een afstand tot
                    de arbeidsmarkt. De in dit artikel geregelde loonkostensubsidie moet dus worden
                    onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d
                    van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd
                    in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek
                    bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. Dit is neergelegd in de
                    verordeningloonkostensubsidie Participatiewet 2015Het gaat in
                    hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan personen als
                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is
                    vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen
                    van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                    hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 7. Detacheringsbaan</tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. </al><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.
                    In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. </al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 8. Werkstage</tussenkop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al><cursief>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring</cursief> De Hoge
                    Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk
                    verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van
                    de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de
                    regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een
                    gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een
                    onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een
                    vergoeding van gemaakte kosten.</al><al><cursief>Doelgroep aanbieden werkstage</cursief> Het college kan een persoon die
                    behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot
                    de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is
                    geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door
                    langdurige werkloosheid (artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van deze
                    verordening). Van langdurige werkloosheid is sprake als een persoon gedurende
                    twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen geweest op een uitkering.
                    In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar
                    dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een persoon gedurende vijf jaren
                    geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan worden aangenomen dat hij een
                    afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het college bevoegd hem een
                    werkstage aan te bieden. </al><tussenkop>Doel van de werkstage</tussenkop><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen
                    aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met
                    collega’s.</al><tussenkop>Opstellen schriftelijke overeenkomst</tussenkop><al>In het vierde is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst
                    wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen,
                    evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog
                    eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere
                    arbeidsverhouding.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9. Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader
                    van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het
                    college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat onder omstandigheden
                    ondersteuning kan worden geboden aan personen jonger dan achttien jaar en aan
                    personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald
                    en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het
                    mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het
                    bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 10. Persoonlijke ondersteuning en nazorg</tussenkop><al>In artikel 18 eerste lid wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader
                    geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden
                    en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten
                    van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische
                    ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat
                    de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden
                    zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een
                    werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder
                    begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam
                    kan zijn.</al><al>In het tweede lid wordt het bieden van nazorg mogelijk gemaakt. Het is
                    belangrijk ervoor te zorgen dat persoon uit de doelgroepen na uitstroom niet na
                    een korte periode terugvallen in de uitkering. De gemeente kan ertoe besluiten
                    veel aandacht te besteden aan nazorg, met als doel een werkelijk duurzame
                    plaatsing te realiseren. Bij dit artikel is ervan uitgegaan dat nazorg geboden
                    kan worden ná acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ongeacht of hiervoor
                    loonkostensubsidie is verleend aan de werkgever.</al><tussenkop>Artikel 11. Premie</tussenkop><al>In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een eenmalige premie kan worden
                    verstrekt (artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet). Voor
                    personen jonger dan 27 jaar is deze premie vrijgelaten (artikel 31, zevende lid,
                    van de Participatiewet).</al><al>In beleidsregels is vastgelegd wat de hoogte van de premie is en aan welke
                    voorwaarden voldaan moet worden. </al><tussenkop>Artikel 12. Overige vergoedingen</tussenkop><al>Het is denkbaar dat de gemeente, ter stimulering van de arbeidsinschakeling,
                    besluit diverse kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen. Het
                    kan hierbij gaan om de volgende kosten:</al><lijst><li nr="a."><al>Verhuiskosten;</al></li><li nr="b."><al>Reiskosten;</al></li><li nr="c."><al>Kosten voor kinderopvang;</al></li><li nr="d."><al>Kosten van werkaanvaarding.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 13. Scholing</tussenkop><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. </al><al><cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden
                    hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012
                    geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). [<cursief>Dit is
                        voor de volledigheid opgenomen in het derde lid.</cursief>]</al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                    persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een
                    startkwalificatie beschikt, dient aan deze persoon scholing of opleiding te
                    worden aangeboden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden
                    op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn
                    vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Er hoeft aan een persoon alleen
                    geen scholing of opleiding te worden aangeboden als dergelijke scholing of
                    opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven
                    gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan
                    vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit
                    volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 14. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                    deze in dienst neemt (eerste lid).</al><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk wordt een voorselectie
                    uitgevoerd. Tijdens de voorselectie wordt bepaald welke mensen in aanmerking
                    kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening moet
                    vastgelegd worden hoe deze voorselectie wordt uitgevoerd. Daarom is in het
                    tweede lid bepaald dat uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt (doelgroep 3) worden geselecteerd voor de beoordeling of zij
                    uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                    hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot
                    de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden
                    tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    wordt beslist of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als
                    sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan het college besluiten het
                    advies niet te volgen.</al><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    het college ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van het college. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.</al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze het college de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Het werk kan zelf
                    worden georganiseerd via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf zoals
                    een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere werkgevers
                    over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke dienstbetrekking
                    aanbieden.</al><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                    Daarom moet overleg worden gevoerd met partners om de omvang van het aanbod te
                    kunnen bepalen (vierde lid).</al><tussenkop>15. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet. Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder
                    met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><tussenkop>Additionele werkzaamheden</tussenkop><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld of de participatieplaats
                    de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de
                    Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk
                    24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de
                    participatieplaats wordt voorgezet. Als wordt geconcludeerd dat voortzetting van
                    de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk
                    bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar
                    verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te
                    worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt
                    opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de
                    Participatiewet).</al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. </al><tussenkop>Artikel 16. Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. <cursief>Begrip sociale
                        activering</cursief> Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het
                    verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                    arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op
                    zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c,
                    Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan
                    worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van
                    vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief> Het college kan aan een persoon
                    die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                    activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                    geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
                    voorziening (artikel 5, eerste lid).</al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.</al><tussenkop>College stemt duur activiteiten af op de persoon</tussenkop><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><tussenkop>Artikel 17 proefplaatsing</tussenkop><al>Om in het begin een goed beeld van de loonwaarde te krijgen is het mogelijk om
                    werknemers een</al><al>tijdje onbeloonde werkzaamheden te laten verrichten op een proefplaats. Hiervoor
                    geldt een maximum van drie maanden.</al><tussenkop>Artikel 18 No Risk Polis </tussenkop><al>Met de no-riskpolis zijn werkgevers die iemand uit de doelgroep van de
                    banenafspraak in dienst nemen, verzekerd voor de verplichting om loon door te
                    betalen bij ziekte.</al><tussenkop>Artikel 19. Voorzieningen gericht op zorg en hulpverlening</tussenkop><al>Een persoon uit de doelgroep is niet in staat tot re-integratie wanneer er
                    sprake is van ernstige beperkingen, waarbij er een zorgvraag is. Indien er
                    beperkingen zijn om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden dan kunnen er
                    voorzieningen worden aangeboden die deze beperkingen verminderen of oplossen.
                    Een voorziening gericht op zorg of hulpverlening kan worden ingezet wanneer door
                    het college aan de hand van onderzoek is vastgesteld dat persoon uit de
                    doelgroep geen perspectief of pas op (middel)lange termijn een reëel perspectief
                    heeft op arbeidsinschakeling en dat inzet van de voorzieningen wenselijk is. De
                    voorzieningen worden opgenomen in een zogenaamd zorgplan. </al><al>Artikel 55 van de wet biedt de mogelijkheid om naast de verplichtingen die
                    ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel
                    daaraan verbonden worden, verplichtingen op te leggen die strekken tot
                    arbeidsinschakeling. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het
                    zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.</al><tussenkop>Artikel 20. Overige voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om een bepaalde voorziening die
                    nog niet nader omschreven is, maar gericht op arbeidsinschakeling, tijdelijk of
                    als experiment in te zetten.</al><tussenkop>Artikel 21. Onvoorziene omstandigheden</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 22. Hardheidsclausule</tussenkop><al>De hardheidsclausule is ook van toepassing op de nadere regels (bij of krachtens
                    deze verordening). </al><tussenkop>Artikel 23. Wet inschakeling werkzoekenden en Besluit In- en
                    doorstroombanen</tussenkop><al>Omdat de WIW per 1 januari 2004 zijn vervallen is het noodzakelijk de lopende
                    afspraken met WIW-ers, inleners te borgen. Het betreft hier een beperkte groep
                    belanghebbenden die niet uitgebreid wordt. </al><al>De belanghebbenden, de voormalig WIW-ers, hebben een arbeidsovereenkomst die in
                    stand is gebleven onder de Participatiewet. Voor werknemers in vaste dienst kan
                    de arbeidsovereenkomst in theorie doorlopen tot het 65ste levensjaar van de
                    werknemer. Voor WIW-ers met een tijdelijke arbeidsovereenkomst geldt dat na
                    afloop ervan wordt bepaald of een voorziening in het kader van de
                    Participatiewet wordt ingezet. Dit hoeft geen nieuwe arbeidsovereenkomst te
                    zijn, maar een vorm van ondersteuning die adequaat is.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>