<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR399481_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ WIHW 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Korendijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoeksche Waard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, 26632 en 148317</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ WIHW 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Participatiewet, artikel 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=35"/><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-09-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-10-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>aanpassing artikel 7, lid 1.1</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>KDK/07549</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>artikel 7, lid 1.1 is gewijzigd bij besluit van 13 september 2016</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ WIHW 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>KDK/07549/i.03174</al><al>De gemeenteraad van de gemeente Korendijk;</al><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        12 januari 2016;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen zelfstandigen;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om de regels bij het verlagen van de
                        uitkering, bedoeld in artikel 18, tweede lid en de periode van de
                        verlaging van de bijstand, bedoeld in artikel 18, vijfde en zesde lid
                        bij verordening te regelen; </al><al>besluit vast te stellen: </al><al><vet>de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ WIHW
                        2016</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen in deze verordening en die niet nader worden
                            omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de
                            Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers, de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet structuur
                            uitvoeringsorganisatie.</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="-"><al>bijstandsnorm:</al><al> 1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                    onderdeel c, van de Participatiewet, of</al><al> 2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op
                                    grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen;</al><al> uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of
                                    een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de
                            Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="1"><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij het besluit tot opleggen van een verlaging wordt
                                            rekening gehouden met de ernst van het feit, de mate van
                                            verwijtbaarheid en de omstandigheden van persoon of
                                            gezin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als de
                                belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van een verlaging als elke vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor
                                    dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                    redenen, krijgt de belanghebbende hiervan schriftelijk
                                    bericht.</al></li><li nr="4."><al>De gedraging telt wel mee voor de bepaling van recidive.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                                over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij is de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende
                                bijstandsnorm het uitgangspunt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is
                                uitbetaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm c.q. de
                                    grondslag in artikel 5 IOAW/IOAZ.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet,
                                            of</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                    hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘ bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                    ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                    Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de niet
                                geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de
                                arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Gedragingen
                                Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende
                            waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een
                            verplichting op grond van de artikelen 9 en 9a van de Participatiewet
                            niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën: </al><al>1. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                            werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het
                            niet tijdig laten verlengen van de registratie; </al><al>1.1 eerste categorie: a<cursief>. </cursief>het verwijtbaar geen gehoor
                            geven aan een uitnodiging in het kader van de re-integratie in het
                            arbeidsproces; b. het verwijtbaar niet verschijnen op een oproep voor
                            het afnemen van de taaltoets of het geheel of gedeeltelijk weigeren van
                            het afnemen van de taaltoets.</al><al>2. tweede categorie: a. het niet of onvoldoende meewerken aan het
                            opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in
                            artikel 44a van de Participatiewet; b. het onvoldoende nakomen van
                            verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid van de
                            Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27
                            jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43,
                            vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                            verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de
                            Participatiewet; c het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten
                            blijken, de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                            onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft
                            geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een
                            alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                            Participatiewet; d. het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek
                            naar en/ofverrichten van een door het college opgedragen
                            tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet; 3. derde categorie: het niet naar
                            vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover
                            dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde
                            lid, van de Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeelte-lijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37
                            en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de Wet inkomens- voorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of
                                            de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
                                            voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang
                                            vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                            voorziening;</al></li><li nr="c."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsonge- schikte werkloze werknemers of
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                                            inkomensvoor- ziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38,
                                            eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37,
                                            eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen
                                            36, eerste l lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de
                                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit
                                            heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van die voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Het zich niet houden aan het verlof- en verzuimprotocol</titel></kop><al>De bijstand van de belanghebbende wordt verlaagd indien er sprake is van
                            verzuim dat in strijd is met het verlof- en verzuimprotocol van arbeids-
                            en/of activeringscentra die door het college worden aangewend voor de
                            re-integratie en activering van uitkeringsgerechtigden. Voor iedere
                            verzuimdag of verzuimdagdeel bedraagt de verlaging 100% voor die dag of
                            dat dagdeel. Dit wordt per kalendermaand beoordeeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>5% van de bijstandsnorm c.q. de grondslag in artikel 5 IOAW/IOAZ
                                    gedurende een maand bij gedragingen van de eerste
                                    categorie;</al></li><li nr="b."><al>40% van de bijstandsnorm c.q. de bruto grondslag in artikel 5
                                    IOAW/IOAZ gedurende een maand bij gedragingen van de tweede
                                    categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm c.q. de bruto grondslag in artikel 5
                                    IOAW/IOAZ gedurende een maand bij gedragingen van de derde
                                    categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende twee
                            maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11, kan de verlaging worden
                            uitgesmeerd over drie maanden. Hierbij geldt een maatregel van 100% over
                            de eerste maand. Het meerdere wordt dan gelijkelijk over de
                            eerstvolgende twee maanden verrekend. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op de periode dat de
                                belanghebbende eerder of langer recht heeft op bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een periode van drie maanden of korter, 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een periode van drie tot zes maanden, 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende een periode van drie maanden;</al></li><li nr="c."><al>bij een periode van zes maanden en langer, 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende zes maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In individuele gevallen kan het college besluiten te kiezen voor de
                                mogelijkheid om de bijstand in de vorm van een geldlening te
                                verstrekken op grond van artikel 48, tweede lid, onderdeel b van de
                                Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>De uitkering van de belanghebbende wordt verlaagd indien hij:</al><lijst><li nr="a."><al>Met 20% van de uitkeringsnorm gedurende een maand indien de
                                    belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt door agressief
                                    verbaal gedrag dat niet op een medewerker persoonlijk is
                                    gericht. Hieronder wordt mede verstaan het gedrag per brief,
                                    telefoon, e-mail, internet en/of andere sociale media;</al></li><li nr="b."><al>Met 40% gedurende een maand indien iemand zich verbaal agressief
                                    gedraagt dat op een medewerker persoonlijk is gericht. Hieronder
                                    wordt mede verstaan het gedrag per brief, telefoon, e- mail,
                                    internet en/of andere sociale media;</al></li><li nr="c."><al>Met 100% gedurende een maand indien de belanghebbende zich
                                    ernstig misdraagt door het gebruik van fysieke agressie tegen
                                    een medewerker of een object, dan wel door het tonen van een
                                    wapen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
                            bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de
                                    aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="c."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is. Als de totale verlaging meer dan
                                100% bedraagt, wordt de uitkering in de eerste maand met 100%
                                verlaagd en het restant in de eerstvolgende maand(en).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging
                                een afzonderlijke sanctie opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van
                                de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van
                                de belanghebbende niet verantwoord is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, tweede of derde lid, 8,
                                tweede of derde lid, 12, eerste lid, of 14 opnieuw schuldig maakt
                                aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens het percentage
                                van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld, tenzij de verlaging 100
                                % bedraagt. In dat geval wordt de duur van de periode
                                verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, 8, eerste lid
                                of 13 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging,
                                wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging
                                verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                bijstandsnorm gedurende drie maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Cumulatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere
                                verwijtbare gedragingen, welke nog niet afzonderlijk hebben geleid
                                tot een verlagingsbesluit, worden de percentages van verlaging bij
                                elkaar opgeteld en op de bijstand toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de verlaging genoemd in het eerste lid meer dan 100%, wordt
                                de bijstand gedurende de eerste maand volledig verlaagd en het
                                meerdere in de daaropvolgende maand(en).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al><vet>Nadere regels</vet></al><al>Het college kan voor de uitvoering van deze verordening nadere
                            beleidsregels vaststellen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien de toepassing
                            daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Bij gebruik van
                            de hardheidsclausule moet, om precedentwerking te voorkomen, duidelijk
                            worden gemotiveerd wat de reden is om in een bepaalde situatie van de
                            bepalingen af te wijken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en heeft
                                terugwerkende kracht tot en met</al><al> 1 januari 2016</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als:
                                    <vet>‘</vet><vet>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en
                                    IOAZ WIHW 2016</vet><vet>’</vet></al><al/><al/></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Korendijk </ondertekening><ondertekening> d.d. 16 februari 2016</ondertekening><ondertekening> de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening> drs. A. Goslings drs. S. Stoop</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet</tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening is de duur van
                    de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen. Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar
                    oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van
                    toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten
                    aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en
                    artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas
                    wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan
                    belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de
                    strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch
                    te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een
                    ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer
                    ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet
                    op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al> In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. <cursief>Afstemmen in de
                        IOAW en de IOAZ</cursief></al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van
                    de Wet inkomensvoor-ziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te
                    weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van
                    de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening
                    (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een
                    boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al><tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op
                    een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling
                    valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk
                    betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te
                    verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van
                    de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van
                    medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet
                    als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al> Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening.</al><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief> Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze
                    verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende
                    bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en
                    verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake
                    is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm
                    verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en
                    artikel 5 van de IOAZ.</al><tussenkop>Benadelingsbedrag</tussenkop><al>Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een
                    hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het bepalen
                    van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering,
                    zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de
                    bestuurlijke boete.</al><tussenkop>Artikel 2 Het besluit tot opleggen van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                    voorzien.</al><tussenkop>Artikel 4 Afzien van verlaging</tussenkop><al>Afzien van verlagen</al><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel
                    20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan het college
                    te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende
                    gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van
                    een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is vanwege de
                    afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een
                    verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging
                    buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><tussenkop>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering. <cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen</cursief> De wet schrijft bij overtreding van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van
                    de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid,
                    van de Participatiewet moet het college een op te leggen maatregel of een
                    opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en
                    diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens het college -
                    dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op
                    grond van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten de maatregel op
                    een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen. </al><al><cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief> Het doen van
                    een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet van het
                    opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een verlaging bij
                    recidive is geregeld in artikel 16.</al><tussenkop>Artikel 5 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de
                    hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm.</al><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden
                    opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald. Dit benadrukt het
                    lik-op-stuk-beleid.</al><tussenkop>Artikel 6 BerekeningsgrondslagBijstandsnorm</tussenkop><tussenkop>Bijstandsnorm</tussenkop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken
                    naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de
                    IOAZ. </al><tussenkop>Bijzondere bijstand</tussenkop><al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in
                    dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als
                    daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. </al><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag.</al><tussenkop>Artikel 7 Gedragingen Participatiewet</tussenkop><al>De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid.</al><tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 7
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen. </al><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (onderdeel c)</tussenkop><al>Deze verwijtbare gedraging behoort niet tot de geüniformeerde verplichtingen
                    zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet staan de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                    geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met honderd procent
                    gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een
                    maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 10. </al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 7,
                    derde lid, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst><tussenkop>Tegenprestatie</tussenkop><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie wordt maatwerk geleverd. Daarbij betrekt
                    het college de wensen van de belanghebbende en houdt zij rekening met diens
                    mogelijkheden en beperkingen. Indien de belanghebbende desondanks niet of
                    onvoldoende wil meewerken aan een onderzoek naar en/of het verrichten van een
                    tegenprestatie is een financiële prikkel op zijn plaats. </al><tussenkop>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</tussenkop><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    verlaagt het college de uitkering. De verlaging kan in principe al worden
                    toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 6 van deze
                    verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou
                    wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een
                    belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat.
                    Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de
                    herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de
                    afstemmingsverordening (zie artikel 7, tweede lid, onderdeel b).</al><tussenkop>Artikel 8 Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop><al>De artikelen 8 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8
                    worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                    van betaalde arbeid.</al><tussenkop>Artikel 10 Hoogte en duur van de verlaging</tussenkop><al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 7 en
                    8.</al><al>Er is gekozen voor een afstemmingsregime bij gedragingen zoals bedoeld in de
                    artikelen 7 en 8 dat afwijkt van de maatregel bij schending van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
                    de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in de artikelen 7 en 8
                    genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen.</al><tussenkop>Artikel 11 Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                    periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet) t.w.
                    twee maanden. </al><tussenkop>Artikel 12 Verrekenen verlaging</tussenkop><tussenkop>Artikel 12 Verrekenen verlaging</tussenkop><al>Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending
                    van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging uit te smeren over
                    meerdere maanden. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten
                    hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een
                    derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid,
                    tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt,
                    kan de verlaging worden stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige
                    uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een
                    facultatieve bepaling. </al><al>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden Er is voor gekozen gebruik te maken van
                    de mogelijkheid tot het uitsmeren van de verlaging bij een eerste schending van
                    een geüniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de
                    recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan
                    worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li><li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li><li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li></lijst><al> De maand van oplegging</al><al>In het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de "maand van
                    oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld:
                    de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend gemaakt. Geen
                    verrekening bij recidive Is sprake van een tweede of volgende schending van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen
                    van de maatregel niet mogelijk. Artikel 12 bepaalt immers dat verrekenen
                    uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 11 van deze
                    verordening én als sprake is van bijzondere omstandigheden. Recidive is niet
                    geregeld in artikel 11, maar in artikel 17, derde lid, van deze verordening en
                    artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet. Daarom is
                    verrekenen bij recidive niet mogelijk. </al><tussenkop>Artikel 13 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet
                    worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen
                    9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de
                    Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de
                    regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 10 en 16, derde lid, van
                    deze verordening.</al><al>Op grond van artikel 13 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt
                    gedaan.</al><tussenkop>Bijstand in de vorm van een geldlening</tussenkop><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college
                    er ook voor kiezen te besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te
                    verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 14 Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><tussenkop>Participatiewet (eerste lid)</tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB
                    en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Met de
                    zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de
                    misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                    Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                    komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
                    Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.</al><tussenkop>IOAW en IOAZ (tweede lid)</tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'. Het college kan alleen een verlaging opleggen als er een verband
                    bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het
                    vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers geen
                    afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het recht
                    op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig
                    misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere)
                    aan de uitkering verbonden verplichting. Vandaar dat in het tweede lid wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van IOAW of
                    IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een
                    (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit
                    eigen beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze
                    gedraging geen sanctie mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 15 Niet nakomen van overige verplichtingen</tussenkop><al>DeParticipatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen
                    verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55
                    van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een
                    viertal categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van
                    de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom
                    altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de
                    bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit
                    artikel vastgestelde verlaging.</al><tussenkop>Artikel 16 Samenloop van gedragingen</tussenkop><al><cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                        geschonden</cursief> Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één
                    gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd
                    in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de
                    hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de
                    hoogste verlaging is gesteld.</al><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                        verplichtingen worden geschonden</cursief> Het tweede regelt samenloop als
                    sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere
                    verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid,
                    van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop'
                    genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging
                    toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is
                    anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van
                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een
                    belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele
                    omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete</tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al><al> Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren
                    door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een
                    gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in
                    dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de
                    afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele
                    andere maatregelen (vierde lid).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 17 Recidive</tussenkop><tussenkop>Verdubbeling duur verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit
                    hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware
                    verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van duur van de maatregel
                    in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                    gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens
                    dringende redenen – op grond van artikel 4, tweede lid, van deze verordening en
                    eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien van het opleggen
                    van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen van een
                    verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien
                    van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van
                    twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is
                    opgelegd, is verzonden.</al><tussenkop>Verdubbeling hoogte verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen is
                    gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging.</al><tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot
                    uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor
                    toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van
                    dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                    vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. </al><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste
                    keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke
                    verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging.</al><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen. </al><tussenkop>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</tussenkop><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich
                    zeer ernstig misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is
                    opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, eerste lid), dan is
                    geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft.
                    Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het
                    opstellen van een plan van aanpak (artikel 7, tweede lid, onderdeel a) en
                    vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, tweede lid,
                    onderdeel d). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee
                    verschillende verplichtingen zijn geschonden. </al><tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie
                    maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet
                    gegeven marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 20 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Indien de toepassing van de bepalingen in de verordening tot onbillijkheden van
                    overwegende aard leidt, geeft artikel 21 de wettelijke grondslag om in
                    bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende daarvan af te wijken. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>