<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91-->
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR399390_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goirle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goirle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-31144.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAlle%26spd%3d20160316%26epd%3d20160316%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dGoirle%26orgt%3dgemeente%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad, 2016, 31144</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artt. 108, 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artt. 8, 8a, 8b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-03-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      
      Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2016
    
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1:</nr>
            <titel>Algemeen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1:</nr>
              <titel>Definities</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>Algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b,
                                van de PW;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>c.</lidnr>
              <al>Belanghebbende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin
                                dat recht heeft op een uitkering dan wel een voorziening in het
                                kader van de wet;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>d.</lidnr>
              <al>Benadelingsbedrag: het bedrag dat ten onrechte of teveel is of wordt
                                verleend als uitkering;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>e.</lidnr>
              <al>Beslagvrije voet: de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen
                                47c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering,
                                deel van het inkomen waarop geen beslag mag worden gelegd;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>f.</lidnr>
              <al>Bestuurlijke boete: een boete die door een daartoe bevoegde
                                overheidsdienst zonder tussenkomst van het Openbaar Ministerie of de
                                rechter kan worden opgelegd. Deze boete heeft een straffend
                                karakter.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>g.</lidnr>
              <al>Bezit: waarde van de bezittingen waarover de belanghebbende of zijn
                                gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering
                                van het in de bewoonde woning met bijbehorend erf gebonden vermogen,
                                zoals bedoeld in artikel 50, eerste lid, PW;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>h.</lidnr>
              <al>Bijstandsnorm: de toepasselijke norm als bedoeld in artikel 5,
                                onderdeel c, PW, dan wel de grondslag van de uitkering zoals bedoeld
                                in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 IOAZ;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>i.</lidnr>
              <al>Bijzondere bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5,
                                onderdeel d, PW;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>j.</lidnr>
              <al>Diagnose: een onderzoek naar de mogelijkheden op de arbeidsmarkt van
                                een uitkeringsaanvrager of uitkeringsgerechtigde dat wordt verwerkt
                                in een plan van aanpak. Indien noodzakelijk wordt een nader
                                onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden en beperkingen uitgevoerd,
                                eventueel door een externe deskundige, teneinde een plan van aanpak
                                vast te stellen;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>k.</lidnr>
              <al>Doelgroep re-integratie: personen aan wie op grond van artikel 7,
                                eerste lid, onderdeel a, PW, of op grond van artikel 34 IOAW, of op
                                grond van artikel 34 IOAZ door de gemeente ondersteuning bij de
                                re-integratie kan worden geboden;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>l.</lidnr>
              <al>Duurzame arbeidsinschakeling: algemeen geaccepteerde arbeid die over
                                een periode van ten minste zes maanden wordt verricht en waar geen
                                voorziening aan verbonden ins in de vorm van
                                loonkostensubsidie;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>m.</lidnr>
              <al>Flankerende voorziening: een voorziening, waarvan de inzet een
                                randvoorwaarde is voor de belanghebbende voor deelname aan
                                re-integratievoorzieningen en nakoming van de arbeidsverplichtingen,
                                waaronder schulddienstverlening en kinderopvang;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>n.</lidnr>
              <al>Grondslag: de uitkeringsnorm zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en
                                artikel 5 IOAZ;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>o.</lidnr>
              <al>Inlichtingenplicht: de verplichting om op verzoek of onverwijld uit
                                eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden
                                waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn
                                op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>p.</lidnr>
              <al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>q.</lidnr>
              <al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>r.</lidnr>
              <al>Loonkostensubsidie: de subsidie op de loonsom die het college kan
                                verstrekken aan een werkgever om een werknemer met een verminderde
                                loonwaarde vanwege een beperking al dan niet tijdelijk in dienst te
                                nemen;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>s.</lidnr>
              <al>Mantelzorg: langdurige zorg, gedurende 10 uur of meer per week, die
                                niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                                hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij de
                                zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>t.</lidnr>
              <al>Medewerkingsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de
                                noodzakelijk geachte voorziening, aan een onderzoek naar het recht
                                op uitkering, eventueel via een huisbezoek, als ook naar de
                                voortgang van een re-integratietraject;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>u.</lidnr>
              <al>No risk polis: een verzekering die de financiële gevolgen van ziekte
                                van de in dienst genomen uitkeringsgerechtigde voor een werkgever
                                afdekt;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>v.</lidnr>
              <al>Participatie: het naar vermogen meedoen in de samenleving door onder
                                andere het verrichten van betaald regulier of gesubsidieerd werk,
                                het volgen van scholing, het verrichten van maatschappelijk nuttige
                                activiteiten of een tegenprestatie;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>w.</lidnr>
              <al>Participatiepartner: re-integratiebedrijf, werkgever of
                                maatschappelijke partner, waarmee de gemeente samenwerkt in het
                                kader van de PW;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>x.</lidnr>
              <al>Plan van aanpak: een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a
                                van de PW of een trajectplan;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>y.</lidnr>
              <al>PW: de Participatiewet;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>z.</lidnr>
              <al>Recidive: hiervan is sprake wanneer een belanghebbende zich binnen
                                12 maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde
                                categorie, dan wel hetzelfde artikel, zoals genoemd in deze
                                verordening dan wel in de wet. Alleen bij de boete is de
                                recidiveperiode vastgesteld op 5 jaar;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>aa.</lidnr>
              <al>Recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde
                                lid, van de PW;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>bb.</lidnr>
              <al>Re-integratieverplichting: de verplichting om gebruik te maken van
                                een voorziening gericht op inschakeling in of het verkleinen van de
                                afstand tot de arbeid, waaronder begrepen begeleiding naar
                                maatschappelijke participatie en het meewerken aan een onderzoek
                                naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en/of de geschiktheid
                                voor scholing of opleiding;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>cc.</lidnr>
              <al>Tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten die
                                worden verricht, eventueel naast of in aanvulling op beloonde
                                arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De
                                werkzaamheden hoeven niet te leiden tot het versterken van het
                                arbeidsperspectief en dienen als wederdienst voor de ontvangen
                                uitkering;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>dd.</lidnr>
              <al>Uitkering: in de context van deze verordening wordt verstaan onder
                                uitkering de bijstandsuitkering op grond van de PW of de grondslag
                                IOAW of IOAZ;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>ee.</lidnr>
              <al>Uitkeringsgerechtigde: een persoon die uitkering ontvangt ingevolge
                                de PW, IOAW of IOAZ;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>ff.</lidnr>
              <al>Verlaging/maatregel: het verlagen van de bijstand of grondslag op
                                grond van artikel 18, tweede lid, PW, of artikel 20, tweede lid,
                                IOAW of artikel 20, tweede lid, IOAZ;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>gg.</lidnr>
              <al>Verminderde loonwaarde: hiervan is sprake wanneer een persoon
                                vanwege een beperking niet in staat is het wettelijk minimum uurloon
                                te verdienen;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>hh.</lidnr>
              <al>Verrekenen: de verrekening zoals bedoeld in artikel 60, vierde lid,
                                PW;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>ii.</lidnr>
              <al>Voorziening: een door het college noodzakelijk geachte voorziening
                                gericht op inschakeling in de arbeid of zelfstandige
                                maatschappelijke participatie waaronder begrepen een onderzoek naar
                                de belastbaarheid en de noodzaak tot inzet van
                                loonkostensubsidie;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>jj.</lidnr>
              <al>Waarschuwing: het besluit waarin afgezien wordt van het opleggen van
                                een maatregel of boete, maar waarin wel wordt bevestigd dat er
                                sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van verplichtingen;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>kk.</lidnr>
              <al>Wachttijd: wettelijk bepaalde periode van vier weken waarin de
                                belanghebbende, jonger dan 27 jaar, verplicht is zelf op zoek te
                                gaan naar werk en om de mogelijkheden van regulier onderwijs te
                                onderzoeken. Pas hierna wordt de aanvraag ingediend en het recht op
                                inkomensondersteuning en ondersteuning naar participatie
                                onderzocht;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>ll.</lidnr>
              <al>Wet: de PW, IOAW, IOAZ en Bbz tezamen.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2:</nr>
            <titel>Re-integratie en tegenprestatie</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.1:</nr>
              <titel>Algemene bepalingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2:</nr>
                <titel>Opdracht en taak van het college</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening ten
                                    behoeve van de persoon die behoort tot de doelgroep
                                    re-integratie en die dit naar het oordeel van het college nodig
                                    heeft bij de arbeidsinschakeling of zelfstandige
                                    maatschappelijke participatie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod
                                    aan ondersteuning en voorzieningen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening of
                                    ondersteuning rekening met de mogelijkheden en omstandigheden
                                    van de belanghebbende. Deze omstandigheden hebben in ieder geval
                                    betrekking op zorgtaken van die persoon zoals beschreven in
                                    beleidsregels, eventuele structurele beperkingen en de
                                    mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van
                                    flankerende voorzieningen die belemmeringen voor re-integratie
                                    en arbeidsinschakeling kunnen opheffen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het college kan bij het bepalen van het aanbieden van
                                    voorzieningen prioriteren naar gelang de financiële
                                    mogelijkheden en rekening houden met maatschappelijke,
                                    economische en conjuncturele ontwikkelingen. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
                                    voorzieningen of doelgroepen en draagt daarbij zorg voor een
                                    evenwichtige verdeling.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>3:</nr>
                <titel>Aanspraak</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Voorzieningen kunnen worden verstrekt aan een belanghebbende dan
                                    wel aan de werkgever van de belanghebbende. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Op basis van een screening en eventueel een (verdiepende)
                                    diagnose stemt het college de ondersteuning en voorzieningen af
                                    op het vergroten van de zelfredzaamheid van de belanghebbende
                                    via de kortste weg naar duurzame arbeidsinschakeling dan wel een
                                    zo hoog mogelijke arbeidsproductiviteit. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college legt het individuele aanbod van een voorziening aan
                                    een persoon vast in een plan van aanpak.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning voor zover er een
                                    beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die
                                    voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of
                                    maatschappelijke participatie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Een persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie maar geen
                                    bijstandsuitkering ontvangt, heeft geen aanspraak op
                                    ondersteuning krachtens deze verordening indien:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>het gezinsinkomen hoger is dan 110% van het wettelijk
                                            minimumloon en/of het vermogen hoger is dan het maximaal
                                            vrij te laten vermogen conform de PW;</al></li>
                  <li nr="b."><al>deze persoon betaalde arbeid verricht gedurende meer dan
                                            12 uur per week;</al></li>
                  <li nr="c."><al>niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze
                                            persoon bereid dan wel in staat is om tenminste 12 uur
                                            per week algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten.
                                        </al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>De restricties zoals opgenomen in het vijfde lid kunnen buiten
                                    beschouwing worden gelaten, indien het een persoon betreft die
                                    is opgenomen in het Doelgroepenregister Wet banenafspraak. Dit
                                    geldt enkel voor de voorzieningen die daartoe in de
                                    beleidsregels zijn aangewezen en zolang zij in het
                                    Doelgroepenregister Wet banenafspraak zijn opgenomen. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Het college kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te
                                    bieden als een eerdere voorziening voortijdig is beëindigd
                                    vanwege een reden, zoals opgenomen in artikel 5 sub a en e.
                                </al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.2:</nr>
              <titel>Voorzieningen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>4:</nr>
                <titel>Voorzieningen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep
                                    re-integratie:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>(laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li>
                  <li nr="b."><al>begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid;
                                        </al></li>
                  <li nr="c."><al>ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van
                                            belemmeringen voor de arbeidsinschakeling, waaronder
                                            begeleiding op en aanpassingen van de werkplek en
                                            scholing;</al></li>
                  <li nr="d."><al>verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan
                                            maatschappelijke participatie;</al></li>
                  <li nr="e."><al>anderszins een voorziening verstrekken in verband met
                                            bepaalde specifieke re-integratie activiteiten, nader te
                                            bepalen in de beleidsregels zoals vermeld in het derde
                                            lid van dit artikel.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan aan een werkgever (financiële) ondersteuning
                                    bieden ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de
                                    doelgroep re-integratie, anders dan de loonkostensubsidie, zoals
                                    opgenomen in paragraaf 2.3 van deze verordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                    beleidsregels vast, waarin de voorzieningen en de bijbehorende
                                    voorwaarden zijn opgenomen, voor zover daarover in deze
                                    verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5:</nr>
                <titel>Beëindigen van een voorziening</titel>
              </kop>
              <al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de PW
                                        of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ of IOAW niet (langer)
                                        nakomt; </al></li>
                <li nr="2."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep re-integratie; </al></li>
                <li nr="3."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de PW; </al></li>
                <li nr="4."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening; </al></li>
                <li nr="5."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; </al></li>
                <li nr="6."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening en de
                                        beleidsregels worden gesteld om in aanmerking te komen voor
                                        die voorziening.</al></li>
                <li nr="7."><al>door het college wordt vastgesteld dat voortzetting van de
                                        voorziening niet wenselijk is omdat de participatiepartner,
                                        niet of in onvoldoende mate aan de op hem rustende
                                        verplichtingen krachtens het Burgerlijk Wetboek en/of de
                                        geldende voorwaarden voldoet.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6:</nr>
                <titel>Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a, van de PW een uitkeringsgerechtigde voor wie de
                                    kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die
                                    daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt,
                                    onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten zoals
                                    bedoeld in artikel 10a van de PW.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele
                                    werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 10a van de PW verricht,
                                    ontvangt conform het zesde lid van dat artikel ieder half jaar
                                    een premie mits naar vermogen is meegewerkt aan het vergroten
                                    van de kans op arbeidsinschakeling. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college kan op basis van artikel 10a van de PW of artikel
                                    38a van de IOAW/IOAZ aan uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of
                                    ouder en die niet beschikt over een startkwalificatie scholing
                                    aanbieden met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te
                                    verkleinen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in
                                    artikel 31, tweede lid, onder j van de PW. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het college stelt beleidsregels vast ten aanzien van de
                                    participatieplaats, voor wat betreft de premie zoals bedoeld in
                                    het tweede lid, de scholing zoals bedoeld in het derde lid en de
                                    voorwaarden en verplichtingen die daaraan verbonden zijn.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.3:</nr>
              <titel>Voorzieningen voor mensen met verminderde loonwaarde of
                                beperkingen richting werk</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7:</nr>
                <titel>Participatievoorziening beschut werk</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>a.</lidnr>
                <al>Het college kan, bij wijze van voorselectie, ambtshalve
                                    beoordelen of een belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 7,
                                    eerste lid, onderdeel a PW, uitsluitend in een beschutte
                                    omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                    arbeidsparticipatie heeft. Het college selecteert voor deze
                                    beoordeling uitsluitend personen met beperkingen richting
                                    werk.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>b.</lidnr>
                <al>Indien uit de voorselectie zoals bedoeld in het eerste lid een
                                    belanghebbende naar voren komt die vermoedelijk uitsluitend in
                                    een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, dan wint het
                                    college een advies ter beoordeling van het arbeidsvermogen in
                                    bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>c.</lidnr>
                <al>Indien het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
                                    vaststelt dat het een belanghebbende betreft die alleen met een
                                    hoge mate van ondersteuning en aanpassing van het werk in staat
                                    is om arbeid te verrichten, dan vraagt het college, indien er
                                    een of meerdere voorzieningen zoals bedoeld in artikel 10b,
                                    eerste lid, PW beschikbaar zijn, een advies beschut werk
                                    aan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>d.</lidnr>
                <al>Het college kan ten behoeve van de persoon, van wie het college
                                    heeft geoordeeld dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                    onder aangepaste omstandigheden kan werken, alle overige
                                    voorzieningen inzetten, zoals opgenomen in de PW en deze
                                    verordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>e.</lidnr>
                <al>Het college bepaalt jaarlijks het aantal in te zetten plekken
                                    beschut werk ten behoeve van de onder het eerste lid genoemde
                                    doelgroep.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>f.</lidnr>
                <al>Het college biedt personen zoals bedoeld in het eerste lid in
                                    beginsel een alternatieve passende voorziening aan, wanneer er
                                    geen voorziening zoals bedoeld in artikel 10b, eerste lid, PW
                                    voorhanden is. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8:</nr>
                <titel>No-risk polis</titel>
              </kop>
              <al>Vervallen. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>9:</nr>
                <titel>Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en
                                    loonwaarde</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals
                                            omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                            PW en;</al></li>
                  <li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                            wettelijk minimumloon te verdienen; en</al></li>
                  <li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                            arbeidsparticipatie.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van de regionaal
                                    overeengekomen gevalideerde methodiek Dariuz.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.4:</nr>
              <titel>Studietoeslag</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>10:</nr>
                <titel>Indienen verzoek</titel>
              </kop>
              <al>Een verzoek voor studietoeslag als bedoeld in artikel 36b, eerste
                                lid, van de PW, wordt ingediend middels een door het college
                                vastgesteld formulier. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>11:</nr>
                <titel>Mogelijkheid tot verdienen wettelijk minimumloon</titel>
              </kop>
              <al>Het college controleert of de aanvrager voldoet aan de vereisten van
                                artikel 36b en stelt vast of de belanghebbende niet in staat is tot
                                het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden
                                heeft tot arbeidsparticipatie. Bij twijfel vraagt het college een
                                externe organisatie om advies.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>12:</nr>
                <titel>Eenmaal per periode individuele studietoeslag
                                    verlenen</titel>
              </kop>
              <al>Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen
                                voor een individuele studietoeslag. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>13:</nr>
                <titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel>
              </kop>
              <al>Een individuele studietoeslag bedraagt € 100,00 per maand. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>14:</nr>
                <titel>Betaling individuele studietoeslag</titel>
              </kop>
              <al>Een individuele studietoeslag wordt per studiejaar eenmalig als één
                                bedrag uitbetaald.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.5:</nr>
              <titel>Tegenprestatie</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>15:</nr>
                <titel>Doelgroep en doel tegenprestatie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Tot de doelgroep van de tegenprestatie behoren alle
                                    belanghebbenden van 18 jaar of ouder, die de pensioengerechtigde
                                    leeftijd nog niet hebben bereikt en die een uitkering ontvangen
                                    op grond van de wet.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het doel van het verrichten van een tegenprestatie is om
                                    belanghebbenden maatschappelijk nuttige werkzaamheden te laten
                                    verrichten.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>16:Inhoud</nr>
                <titel>van een tegenprestatie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                    werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als
                                    tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                            arbeidsmarkt en; </al></li>
                  <li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie instrument en; </al></li>
                  <li nr="c."><al>in de organisatie waarin ze worden verricht, worden
                                            verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                            en;</al></li>
                  <li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college stelt ter nadere uitvoering van de tegenprestatie
                                    beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                                    werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de
                                    voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                    verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>17:</nr>
                <titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.
                                </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college
                                    rekening met de volgende factoren: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de belanghebbende moet de tegenprestatie naar vermogen
                                            kunnen verrichten; </al></li>
                  <li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                            van een belanghebbende worden in aanmerking genomen;
                                        </al></li>
                  <li nr="c."><al>de wensen van de belanghebbende ten aanzien van de
                                            inhoud van de tegenprestatie, waaronder begrepen een
                                            eventueel voorstel voor wat betreft de inhoud van de
                                            tegenprestatie van de belanghebbende zelf.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>18:</nr>
                <titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De uitvoering van de tegenprestatie wordt opgedragen voor een
                                    maximale duur van tachtig uur per kalenderjaar. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal acht uur per
                                    week. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De tegenprestatie kan binnen een periode van twaalf maanden
                                    slechts eenmaal worden opgedragen. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>19:</nr>
                <titel>Afzien van het opleggen van een tegenprestatie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een
                                    belanghebbende mantelzorg verricht. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien de
                                    belanghebbende naar het oordeel van het college reeds voldoende
                                    maatschappelijk nuttige activiteiten verricht. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college kan afzien van het opdragen van de tegenprestatie
                                    aan bepaalde groepen uitkeringsgerechtigden en legt dat, indien
                                    van toepassing, vast in beleidsregels.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3:</nr>
            <titel>Afstemming en bestuurlijke boete</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.1:</nr>
              <titel>Algemene bepalingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>20:</nr>
                <titel>Het opleggen van een verlaging van de uitkering</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan zoals bedoeld in de PW dan wel de
                                    verplichtingen genoemd in deze verordening en/of de wet, met
                                    uitzondering van artikel 17, eerste lid, PW en artikel 13 IOAW
                                    en IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich
                                    zeer ernstig misdragen zoals omschreven in artikel 34 van deze
                                    verordening, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging
                                    van de uitkering opgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een verlaging van de uitkering wordt afgestemd op de ernst van
                                    de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan
                                    worden verweten en de omstandigheden waarin hij of zijn gezin
                                    verkeert.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>21:</nr>
                <titel>Besluit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In het besluit tot het opleggen van de verlaging of waarschuwing
                                    van de uitkering wordt in ieder geval vermeld: de reden van de
                                    verlaging/waarschuwing, de eventuele duur en hoogte van de
                                    verlaging als ook de afweging van de individuele belangen zoals
                                    bedoeld in deze verordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd, wordt
                                    gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                    dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing op
                                    grond van deze verordening. Daarom tellen ook deze besluiten mee
                                    voor recidive.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>22:</nr>
                <titel>Afzien van het opleggen van een verlaging</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college ziet af van het opleggen van een verlaging
                                    indien:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li>
                  <li nr="b."><al>de gedraging meer dan 2 jaar voor constatering daarvan
                                            door het college heeft plaatsgevonden en het is niet de
                                            gedraging zoals bedoeld in de geüniformeerde
                                            maatregelen, zoals opgenomen in artikel 18, vierde lid,
                                            PW.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging indien
                                    het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op
                                    grond van dringende redenen, legt het college dit vast in een
                                    besluit. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>23:</nr>
                <titel>Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de verlaging
                                    in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum
                                    waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging van de
                                    uitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                                    uitgegaan van de voor die maand geldende toepasselijke
                                    bijstandsnorm.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd als er sprake is van een
                                    besluit op aanvraag, voor zover de uitkering nog niet is
                                    uitbetaald. In deze situatie werkt het verlagen van de uitkering
                                    terug tot de ingangsdatumdatum van de uitkering dan wel de datum
                                    waarop het verzuim betrekking heeft.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In afwijking van het eerste lid kan het college, indien een
                                    belanghebbende zich in een maand schuldig maakt aan meerdere
                                    maatregelwaardige gedraging en de belanghebbende al is gehoord
                                    en in kennis gesteld is van de opgelegde maatregel, de tweede en
                                    volgende maatregelen opleggen in de maand volgend op de maand
                                    waarover de eerste maatregel is opgelegd. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het
                                    zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud
                                    hebben ontvangen in de vorm van een geldlening op grond van het
                                    Bbz, de verlaging met terugwerkende kracht worden betrokken bij
                                    de definitieve vaststelling van die bijstand.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Bij samenloop van verschillende gedragingen die het niet nakomen
                                    van verplichtingen inhouden, wordt de hoogte en duur van de
                                    verlaging vastgesteld op de gedraging met de hoogste
                                    verlaging.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>De uitkering wordt verlaagd voor de duur van één maand, tenzij
                                    sprake is van: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>recidive, dan wordt de hoogte en indien dat niet
                                            mogelijk is de duur van de verlaging verdubbeld, tenzij
                                            in deze verordening of de wet anders is bepaald;</al></li>
                  <li nr="b."><al>verwijtbaar gedrag waarvoor in deze verordening een
                                            afwijkende duur is vastgesteld.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Indien door beëindiging van de uitkering de verlaging niet of
                                    niet volledig kan worden toegepast kan bij een eventuele nieuwe
                                    aanvraag binnen de termijn van 1 jaar de verlaging of het deel
                                    dat nog niet is uitgevoerd alsnog worden geëffectueerd. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>24:</nr>
                <titel>De berekeningsgrondslag van de verlaging</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke
                                    bijstandsnorm.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Deze verlaging bestaat uit een percentage van de toepasselijke
                                    bijstandsnorm, dan wel uit een percentage van het
                                    benadelingsbedrag, zoals opgenomen in deze verordening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van artikel 12 (onderhoudsplicht ouders)
                                            PW; </al></li>
                  <li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie
                                            tot het recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding
                                            geeft; </al></li>
                  <li nr="c."><al>het bijzondere bijstand betreft voor woonkosten en
                                            premie voor arbeidsongeschiktheidsverzekering aan
                                            zelfstandigen die een uitkering voor levensonderhoud
                                            (hebben) ontvangen krachtens het Bbz of IOAZ.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan bijzondere
                                    bijstand worden afgestemd op de wijze zoals beschreven in
                                    artikel 32, vijfde lid, van deze verordening wanneer sprake is
                                    van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan afstemming
                                    plaatsvinden door de bijstand bij een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het
                                    bestaan te verstrekken als geldlening op basis van artikel 48,
                                    tweede lid, onder b, PW.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>25:</nr>
                <titel>Waarschuwing</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan bij gedragingen uit de tweede categorie zoals
                                    bedoeld in de artikelen 27 sub b en 28 sub b van deze
                                    verordening, in plaats van een verlaging, een waarschuwing
                                    opleggen, indien het college hiertoe in de individuele
                                    omstandigheden aanleiding ziet.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een waarschuwing wordt niet afgegeven wanneer sprake is van
                                    recidive zoals bedoeld in artikel 23, zesde lid, onderdeel a,
                                    van deze verordening.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>26:</nr>
                <titel>Horen van belanghebbende(n)</titel>
              </kop>
              <al>Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hiervan
                                kan afgezien worden als:</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft
                                        gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of
                                        omstandigheden; of</al></li>
                <li nr="2."><al>binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de
                                        inlichtingenplicht; of</al></li>
                <li nr="3."><al>het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst
                                        van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.2:</nr>
              <titel>Gedragingen en bijbehorende maatregelen</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.2.1:</nr>
              <titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met
                                betrekking tot de arbeidsinschakeling</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>27:</nr>
                <titel>Gedragingen PW</titel>
              </kop>
              <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                                arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                                artikelen 9 en 9a van de PW niet of onvoldoende wordt nagekomen,
                                worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>eerste categorie:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>het door een persoon, jonger dan 27 jaar, niet of
                                                onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren
                                                of evalueren van een plan van aanpak;</al></li>
                    <li nr="2."><al>het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of
                                                passende scholing te verkrijgen, te aanvaarden en te
                                                behouden gedurende de wachttijd van 4 weken na
                                                melding voor jongeren tot 27 jaar;</al></li>
                    <li nr="3."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                                college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                                bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                                                PW;</al></li>
                    <li nr="4."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                                onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                                arbeidsinschakeling of re-integratie.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit
                                                niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in
                                                artikel 18, vierde lid, van de PW;</al></li>
                    <li nr="2."><al>het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de
                                                re-integratieverplichtingen verbonden aan de in
                                                artikel 9a, eerste lid, PW bedoelde ontheffing, wat
                                                heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van
                                                de arbeidsplicht;</al></li>
                    <li nr="3."><al>het zich niet (tijdig) laten registeren als
                                                werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                                werknemersverzekeringen of het niet (tijdig) laten
                                                verlengen van de registratie;</al></li>
                    <li nr="4."><al>andere gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                                belemmeren, niet zijnde gedragingen genoemd in
                                                artikel 18, vierde lid, PW;</al></li>
                    <li nr="5."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan de
                                                taaltoets zoals bedoeld in artikel 18b, tweede lid,
                                                PW, waarvoor belanghebbende een schriftelijke
                                                uitnodiging heeft ontvangen. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>28:</nr>
                <titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel>
              </kop>
              <al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                                arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                                artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt
                                nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>eerste categorie:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                                arbeid;</al></li>
                    <li nr="2."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                                geaccepteerde arbeid;</al></li>
                    <li nr="3."><al>het weigeren van een passend re-integratie
                                                aanbod;</al></li>
                    <li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                                college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                                bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f,
                                                IOAW/IOAZ;</al></li>
                    <li nr="5."><al>het niet naar vermogen meewerken aan de arbeids- en
                                                re-integratieverplichtingen.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen;</al></li>
                    <li nr="2."><al>het niet naar vermogen meewerken aan een door het
                                                college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                                artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                                onderdeel e, IOAW/IOAZ, waaronder begrepen het niet
                                                naar vermogen deelnemen aan taalwervingslessen voor
                                                mensen die onvoldoende de Nederlandse taal
                                                beheersen; </al></li>
                    <li nr="3."><al>het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de
                                                re-integratieverplichtingen verbonden aan de in
                                                artikel 38, eerste lid, IOAW/IOAZ bedoelde
                                                ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van
                                                de ontheffing van de arbeidsplicht;</al></li>
                    <li nr="4."><al>het zich niet (tijdig) laten registeren als
                                                werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                                werknemersverzekeringen of het niet (tijdig) laten
                                                verlengen van de registratie;</al></li>
                    <li nr="5."><al>andere gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                                belemmeren.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>29:</nr>
                <titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 27 en
                                    28 van deze verordening, wordt vastgesteld op:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij
                                            gedragingen van de eerste categorie;</al></li>
                  <li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij
                                            gedragingen van de tweede categorie.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan op basis van individuele omstandigheden
                                    besluiten om in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, van
                                    dit artikel de maatregel te effectueren door gedurende 2 maanden
                                    de uitkering met 50% te verlagen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>30:</nr>
                <titel>Niet nakomen overige verplichtingen PW</titel>
              </kop>
              <al>Indien een belanghebbende nadere verplichtingen als bedoeld in
                                artikel 55 PW die strekken tot arbeidsinschakeling niet nakomt,
                                wordt een verlaging van de uitkering van 20% gedurende 1 maand
                                toegepast. </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.2.2:</nr>
              <titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                                tot de arbeidsinschakeling</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>31:</nr>
                <titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                    arbeidsverplichtingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel
                                    18, vierde lid, van de PW niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                                    de verlaging 100 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan op basis van individuele omstandigheden
                                    besluiten om in afwijking van het eerste lid van dit artikel de
                                    maatregel te effectueren door gedurende 2 maanden de uitkering
                                    met 50% te verlagen.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.2.3:</nr>
              <titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>32:</nr>
                <titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                    betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in het vierde
                                    lid van dit artikel en artikel 33 van deze verordening, dan
                                    wordt een verlaging van de uitkering opgelegd die wordt
                                    afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De verlaging als bedoeld in lid 1 wordt op de volgende wijze
                                    vastgesteld:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>10% van het benadelingsbedrag als dit gelijk of lager is
                                            dan € 4.000,00;</al></li>
                  <li nr="b."><al>20% van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan €
                                            4.000,00.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de
                                    verlaging 20% van de uitkering gedurende één maand.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van
                                    een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het
                                    verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan
                                    wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden
                                    opgelegd van 100%. Deze bepaling geldt alleen voor de PW.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor bijzondere
                                    bijstand geen gebruik maakt van een voorliggende voorziening,
                                    die gezien haar aard passend en toereikend is voor de soort
                                    kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, wordt de
                                    bijzondere bijstand verlaagd met het bedrag waarin de
                                    voorliggende voorziening zou hebben voorzien. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Als toepassing van het vierde lid leidt tot onbillijkheden wordt
                                    toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48, tweede lid,
                                    onder b, PW en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een
                                    geldlening voor de duur van het eerder dan wel langer
                                    bijstandsafhankelijk zijn.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>33:</nr>
                <titel>Verlies van een passende voorliggende voorziening</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 32 van deze verordening
                                    wordt een verlaging van de uitkering opgelegd van 100% gedurende
                                    één maand, indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op
                                    een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze
                                    volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete, gerekend
                                    vanaf de start van de verrekening;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 32 van deze verordening
                                    wordt, indien een belanghebbende voor de aanvang van de
                                    uitkering algemeen geaccepteerde arbeid verwijtbaar niet heeft
                                    behouden, waardoor hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden is
                                    geraakt, een verlaging toegepast gedurende een maand.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De verlaging zoals bedoeld in het tweede lid wordt vastgesteld
                                    op de hoogte van het netto inkomen inclusief vakantietoeslag,
                                    maar bedraagt maximaal 100% van de van toepassing zijnde
                                    bijstandsnorm.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het inkomen zoals bedoeld in het tweede lid wordt in beginsel
                                    berekend op basis van het laatst ontvangen loon gedurende een
                                    gehele maand. Indien het een wisselend inkomen betreft dan wordt
                                    de hoogte vastgesteld op basis van het gemiddelde maandinkomen
                                    gedurende de drie maanden voorafgaand aan het moment waarop de
                                    bijstandsbehoeftige omstandigheden aanvingen. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>34:</nr>
                <titel>Zeer ernstig misdragen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover personen
                                    en instanties, die zijn belast met de uitvoering van de PW, als
                                    bedoeld in artikel 9, zesde lid van de PW, kan de uitkering
                                    worden verlaagd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het
                                    college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                                    rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW, IOAZ
                                    of Bbz, kan de uitkering worden verlaagd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het agressieprotocol treedt in werking in geval van een zeer
                                    ernstige misdraging. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het college legt een maatregel op van 100% gedurende één
                                    maand.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Bij recidive legt het college een maatregel op van 100%
                                    gedurende 3 maanden.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>35:</nr>
                <titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel>
              </kop>
              <al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 PW, niet zijnde de
                                gedragingen als bedoeld in artikel 28 of 32 van deze verordening,
                                niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De
                                verlaging wordt vastgesteld op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>20% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen
                                        van nadere verplichtingen die verband houden met de aard en
                                        het doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li>
                <li nr="b."><al>40% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen
                                        van nadere verplichtingen die strekken tot vermindering van
                                        de bijstand;</al></li>
                <li nr="c."><al>100% gedurende 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen
                                        van nadere verplichtingen die strekken tot beëindiging van
                                        de bijstand.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.3:</nr>
              <titel>Bestuurlijke boete</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.3.1:</nr>
              <titel>Schending inlichtingenplicht</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>36:</nr>
                <titel>Niet nakomen van de inlichtingenverplichting en bestuurlijke
                                    boete</titel>
              </kop>
              <al>vervallen – zie toelichting</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>37:</nr>
                <titel>Matigen en afzien van opleggen bestuurlijke boete</titel>
              </kop>
              <al>vervallen – zie toelichting</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.3.2:</nr>
              <titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive
                                (alleen PW)</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>38:</nr>
                <titel>Verrekenen zonder beslagvrije voet bij voldoende
                                    bezit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                    recidiveboete de eerste drie maanden zonder inachtneming van de
                                    beslagvrije voet.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende
                                    een tijdvak van drie maanden vanaf de eerste van de maand
                                    volgend op de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                                    opgelegd.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>39:</nr>
                <titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal
                                    de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college
                                    de recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                    beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf de eerste van
                                    de maand volgend op de dagtekening waarop de bestuurlijke boete
                                    is opgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid,
                                    verrekent het college de recidiveboete in de daarop volgende
                                    twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft
                                    beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de
                                    toepasselijke bijstandsnorm.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                    gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en
                                    r, PW.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>40:</nr>
                <titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van de artikelen 38 en 39 van deze verordening kan het
                                college de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet
                                verrekenen indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                        artikelen 38 en 39 zou leiden tot huisuitzetting van
                                        belanghebbende en diens gezin; of</al></li>
                <li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>41:</nr>
                <titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boete</titel>
              </kop>
              <al>De artikelen in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing
                                op de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a,
                                eerste lid, PW, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald
                                op het moment van verrekening.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4:</nr>
            <titel>Handhaving en bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>42:</nr>
              <titel>Hoogwaardig handhaven</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude dan wel van
                                misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet is ingericht naar het
                                landelijk model voor hoogwaardig handhaven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot hoogwaardig
                                handhaven waarbij tenminste wordt aangegeven hoe wordt
                                geregeld:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de voorlichting over de regelgeving alsmede de daaraan
                                        verbonden gevolgen bij misbruik en oneigenlijk gebruik;</al></li>
                <li nr="b."><al>de wijze van verificatie van gegevens en van informatie
                                        uitwisseling met derden;</al></li>
                <li nr="c."><al>de wijze waarop controles worden uitgevoerd;</al></li>
                <li nr="d."><al>de wijze waarop fraude wordt opgespoord en afgehandeld.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>43:</nr>
              <titel>Controle</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering
                                en kan daarbij gebruikmaken van controlemiddelen zoals een
                                heronderzoeksplan, huisbezoeken, risicoprofielen,
                                bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit
                                voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en
                                tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de
                                uitkering en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de
                                rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college
                                en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling
                                daarvan.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>44:</nr>
              <titel>Aangifte bij het Openbaar Ministerie</titel>
            </kop>
            <al>Indien een schending van de inlichtingenplicht leidt tot benadeling van
                            de gemeenten, doet het college aangifte bij het Openbaar Ministerie, in
                            overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt
                            gehanteerde uitgangspunten in de Aanwijzing Sociale
                            Zekerheidsfraude.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>45:</nr>
              <titel>Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</titel>
            </kop>
            <al>Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot herziening,
                            terug- en invordering waarbij tenminste wordt geregeld:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot herziening, terugvordering en invordering van
                                    een verstrekte voorziening;</al></li>
              <li nr="b."><al>op welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering dan
                                    wel van invordering kan worden afgezien;</al></li>
              <li nr="c."><al>met welke frequentie heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>46:</nr>
              <titel>Verhaal</titel>
            </kop>
            <al>Het college stelt beleidsregels vast op met betrekking tot verhaal op de
                            onderhoudsplicht waarin tenminste wordt geregeld:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke
                                    bevoegdheid tot verhaal;</al></li>
              <li nr="b."><al>wanneer en op welke wijze er wordt afgezien van het nemen van
                                    een verhaalsbesluit en het invorderen van de te verhalen
                                    voorziening;</al></li>
              <li nr="c."><al>met welke frequentie heronderzoeken plaats moeten vinden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5:</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>47:</nr>
              <titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van
                                het beleid betreffende participatie en inkomen, overeenkomstig de
                                krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met
                                betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid betreffende participatie en inkomen te
                                doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen
                                en beleidsvoorstellen betreffende participatie en inkomen, en
                                voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                                vervullen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in het eerste tot en
                                met het derde lid genoemde bepalingen zijn geregeld in de
                                Verordening participatieraad gemeente Goirle. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>47A:</nr>
              <titel>Evaluatie</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier
                                jaar geëvalueerd, met uitzondering van een additionele evaluatie
                                over het jaar 2015. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad
                                een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de
                                verordening in de praktijk.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid vindt een tussenevaluatie plaats een
                                jaar na inwerkingtreding van deze verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>48:</nr>
              <titel>Hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan </al>
            <al>tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>49:</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening kan worden aangehaald als: 'Verzamelverordening
                            Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2016'. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>50:</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>De verordening treedt, met terugwerkende kracht, in werking op 1 januari
                            2016. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>51:</nr>
              <titel>Intrekking oude verordeningen en overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De 'Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2015'
                                    wordt per 1 januari 2016 ingetrokken. </al></li>
              <li nr="2."><al>Voor wat betreft de re-integratieparagraaf geldt het volgende:
                                    een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de 'Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en
                                    Bbz 2015', die moet worden beëindigd op grond van deze
                                    verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan
                                    aan de voorwaarden voor de duur dat deze is verstrekt.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Goirle in zijn vergadering van
                        08-03-2016.</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>
           , de voorzitter
        </ondertekening>
        <ondertekening>
           , de griffier
        </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz
                        2016</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Inleiding</tussenkop>
        <al>Per 1 januari 2015 is de Participatiewet (PW) ingevoerd. De PW maakt onderdeel
                    uit van de 3 grote transities op het sociale domein, waarmee centrale
                    overheidstaken zijn overgeheveld naar de gemeenten. De invoering van de PW en de
                    Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving maakte het
                    noodzakelijk om de - op dat moment bestaande - Verzamelverordening WWB, IOAW,
                    IOAZ en Bbz 2013-II ingrijpend te wijzigen. De wijziging van de
                    Verzamelverordening is in regionaal verband opgepakt en heeft geresulteerd in de
                    'Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015. </al>
        <al>Op 1 januari 2016 is de Wet taaleis Participatiewet (hierna: Wet taaleis) in
                    werking getreden. Deze wet is neergelegd in artikel 18b PW. De Wet taaleis houdt
                    in dat bijstandsgerechtigden de Nederlandse taal op een bepaald niveau moeten
                    beheersen. De bijstandsgerechtigde dient dit aan te tonen door middel van
                    documenten, zoals diploma's. Kan hij niet aantonen dat hij de Nederlandse taal
                    op het vereiste niveau beheerst, dan is hij verplicht deel te nemen aan een
                    taaltoets. Bij een onvoldoende score bij de taaltoets, zal de
                    bijstandsgerechtigde zich moeten (gaan) inspannen om zijn kennis van de
                    Nederlandse taal te verbeteren. Doet hij dat niet, dan moet het college een
                    sanctie opleggen. De Wet taaleis geldt niet voor de IOAW en de IOAZ.</al>
        <al>De regels in verband met de Wet taaleis zijn bijna geheel opgenomen in de wet.
                    De wetgever heeft echter verzuimd om een bepaling op te nemen die regelt dat het
                    college een maatregel kan opleggen, wanneer de bijstandsgerechtigde niet
                    verschijnt op de taaltoets. Deze gedraging is nu als 'maatregelwaardige
                    gedraging' opgenomen in de nieuwe Verzamelverordening. </al>
        <al>De Verzamelverordening 2016 is als volgt opgebouwd:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Algemene bepalingen</al></li>
          <li nr="2."><al>Re-integratie en tegenprestatie</al></li>
          <li nr="3."><al>Maatregelen (afstemming) incl. bestuurlijke boete</al></li>
          <li nr="4."><al>Handhaving</al></li>
          <li nr="5."><al>Slotbepalingen</al></li>
        </lijst>
        <al>Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen</al>
        <tussenkop>Artikel 1: Definities</tussenkop>
        <al>De centrale rol van participatie in de bijstandsverlening (werk boven inkomen en
                    iedereen doet mee) raakt in het bijzonder de doelgroep, het karakter en de
                    reikwijdte van begrippen als participatie en voorzieningen. De in de
                    verzamelverordening gebruikte begrippen sluiten zoveel als mogelijk aan bij die
                    van de wetgeving. Dit uit het oogpunt van helderheid en structuur. Hiermee is
                    het voor de burger gemakkelijker om de samenhang te doorzien tussen het doel van
                    de wetgeving en de in de verordening uitgewerkte beleidskaders. Voor zover er
                    definities niet in de Verzamelverordening zijn opgenomen, gelden deze zoals in
                    de wet bedoeld.</al>
        <al>De definities in deze paragraaf gelden voor de gehele Verzamelverordening,
                    tenzij hierop in de paragrafen een uitzondering is gegeven. Omwille van de
                    vindbaarheid zijn de definities in alfabetische volgorde geplaatst.</al>
        <al>Hoofdstuk 2: Re-integratie</al>
        <al>Dit hoofdstuk regelt het ondersteunen en het aanbieden van voorzieningen aan
                    werkzoekenden die behoren tot de doelgroep. De opdracht hiertoe is geregeld in
                    artikel 7 van de PW en 34 van de IOAW. Voor de IOAZ en Bbz gelden deze regels
                    niet vanwege de specifieke doelgroep en bepalingen.</al>
        <tussenkop>Artikel 2: Opdracht en taak van het college </tussenkop>
        <al>Het college biedt voorzieningen en ondersteuning, zoals bedoeld in deze
                    verordening, aan personen aan die behoren tot de doelgroep re-integratie. Het
                    college maakt een afweging, waarbij zij kijkt of een voorziening gelet op de
                    mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende (het meest) doelmatig is met
                    het oog op arbeidsinschakeling. Het is aan het college om te zorgen voor
                    voldoende aanbod van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en
                    re-integratie. Het college zorgt voor een gevarieerd aanbod aan voorzieningen en
                    legt deze vast in de beleidsregels.</al>
        <al>Bij het aanbieden van een voorziening of ondersteuning, houdt het college
                    rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                    bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de PW. </al>
        <al>Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is
                    in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een
                    handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en
                    waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle
                    mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen
                    van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. </al>
        <al>Daarnaast dient het college bij het aanbieden van ondersteuning of een
                    voorziening rekening te houden met de zorgtaken van de belanghebbende. Onder
                    deze zorgtaken verstaat het college ten minste de opvang van ten laste komende
                    kinderen en het verrichten van mantelzorg. Het college stelt beleidsregels vast
                    over inhoud van deze zorgtaken en de manier waarop zij daarmee rekening houdt. </al>
        <al>Soms hebben personen hulp of ondersteuning nodig, anders dan direct gericht op
                    arbeid, om de stap richting de arbeidsmarkt te kunnen maken. Dit kan
                    bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er sprake is van een ernstige
                    schuldenproblematiek. In het vierde lid is opgenomen dat het college de inzet
                    van flankerende voorzieningen bevordert. Bij deze voorzieningen valt te denken
                    aan schulddienstverlening of kinderopvang. De inzet van een dergelijke
                    voorziening kan (in het individuele geval) een randvoorwaarde zijn voor wat
                    betreft deelname aan re-integratievoorzieningen en nakoming van
                    arbeidsverplichtingen. Let wel: de gemeente hoeft niet zelf alle voorzieningen
                    te organiseren, maar houdt wel rekening met de beschikbaarheid ervan.</al>
        <al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Het college zal naar aanleiding
                    van een aanspraak op ondersteuning altijd een individuele afweging maken of zij
                    die aanspraak wil en kan honoreren. Het ontbreken van financiële middelen kan
                    echter niet de reden zijn om aanvragen op ondersteuning af te wijzen. Wel kan
                    het college per voorziening een plafond inbouwen. Het college dient in zo'n
                    geval na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. In
                    het individuele geval is het altijd aan de gemeente om te beoordelen of er
                    daadwerkelijk ondersteuning noodzakelijk is en welke vorm deze moet krijgen,
                    gelet op het te bereiken doel van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere
                    termijn. Hierbij kan het college de afweging maken voor het goedkoopste adequate
                    alternatief.</al>
        <tussenkop>Artikel 3: Aanspraak </tussenkop>
        <al>Met de wijziging van de Wet werk en bijstand (WWB) per 1 januari 2012, heeft de
                    regering de verplichtingen voor jongeren tot 27 jaar aangescherpt. Toen is onder
                    meer een zoektijd van vier weken - vanaf de datum van melding - voor jongeren
                    tot 27 jaar ingevoerd. In deze periode dient de jongere aantoonbare inspanningen
                    te verrichten om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en zijn
                    mogelijkheden voor de terugkeer naar regulier onderwijs te onderzoeken. </al>
        <al>Het college verlangt wel een inspanning gericht op de arbeidsinschakeling en
                    re-integratie gevraagd van iedereen die een uitkering aanvraagt. Als een
                    belanghebbende hier niet aan voldoet dan overweegt het college om een maatregel
                    op te leggen. Het college betrekt bij het afwegen van de belangen bij het
                    aanbieden van voorzieningen onder meer de situatie op de arbeidsmarkt, de mate
                    van investering in een belanghebbende (eerder aangeboden voorzieningen), het
                    vooruitzicht op inkomen uit betaalde arbeid als ook de mogelijkheid van een
                    voorliggende voorziening, waaronder voor jongeren de terugkeer naar het
                    reguliere onderwijs. </al>
        <al>Het college beperkt de aanspraak voor mensen zonder uitkering, die wel tot de
                    doelgroep re-integratie behoren, naar inkomen en vermogen. Ook dit past in de
                    nieuwe visie op re-integratie waarbij het college de afweging moet maken om de
                    steeds schaarsere middelen in te zetten voor de doelgroepen die dit het hardste
                    nodig hebben. In verband met de invoering van de kostendelersnorm is de
                    inkomensgrens gesteld op 110% van het Wettelijk minimum loon (WML) en niet de
                    van toepassing zijnde bijstandsnorm. Toepassing van de (kostendelers)norm zou te
                    snel tot uitsluiting van voorzieningen leiden. </al>
        <al>Het hanteren van het 110% WML heeft ook consequenties. Het toepassen van de
                    restricties die gelden voor niet-uitkeringsgerechtigden, kan gevolgen hebben
                    voor de groep arbeidsgehandicapten, die zijn opgenomen in het
                    Doelgroepenregister Wet banenafspraak (hierna: Doelgroepenregister). Voor zover
                    deze personen tot de doelgroep re-integratie behoren en geen bijstandsuitkering,
                    IOAW- of IOAZ-uitkering hebben, is het college wettelijk verplicht om voor deze
                    groep loonkostensubsidie te verstrekken, als zij bij een werkgever in dienst
                    treden (er vanuit gaande dat zij een verminderde loonwaarde hebben). Personen
                    met een WSW-indicatie en jongeren die vanuit het Voortgezet Speciaal Onderwijs
                    (VSO) of Praktijkonderwijs (Pro) op de arbeidsmarkt komen, zijn automatisch
                    opgenomen in het Doelgroepenregister. Juist deze groepen willen wij een
                    voorziening kunnen aanbieden, om hen te begeleiden naar betaalde arbeid. Dit om
                    te voorkomen dat zij langdurig aangewezen blijven op een uitkering.</al>
        <tussenkop>Artikel 4: Voorzieningen </tussenkop>
        <al>De PW schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet
                    bieden. Het criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de
                    arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand tot de arbeidsmarkt
                    van een persoon, kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld:</al>
        <al>• activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk);</al>
        <al>• het leren van vaardigheden of kennis; </al>
        <al>• het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk);</al>
        <al>• de mogelijkheid om met behoud van uitkering te werken (inclusief
                    vergoeding);</al>
        <al>• et cetera.</al>
        <al>De voorzieningen voor werkgevers zijn ook op te delen in verschillende
                    categorieën. Zo is het mogelijk de werkgever te stimuleren om een persoon uit de
                    doelgroep werkervaring op te laten doen in zijn bedrijf dan wel de persoon in
                    dienst te nemen. De gemeente zou in dat geval bijvoorbeeld een deel van de
                    opleidingskosten voor haar rekening kunnen nemen. Ook is het mogelijk door
                    middel van een voorziening te compenseren voor een verminderde loonwaarde of
                    productiviteit van een belanghebbende. Dit betreft bijvoorbeeld
                    loonkostensubsidie, zoals opgenomen in artikel 9. </al>
        <al>In dit artikel zijn dus de verschillende categorieën voorzieningen opgenomen die
                    het college tot haar beschikking heeft bij het ondersteunen van belanghebbenden
                    richting de arbeidsmarkt. Onder deze categorieën vallen meer specifieke
                    instrumenten zoals bijvoorbeeld bemiddeling van de werkzoekende, scholing,
                    proefplaatsen et cetera. Deze individuele voorzieningen zijn door het college
                    uitgewerkt in beleidsregels. </al>
        <tussenkop>Artikel 5: Beëindigen van een voorziening </tussenkop>
        <al>In artikel 5 zijn de beëindigingsgronden opgenomen die gelden voor voorzieningen
                    die zijn toegekend. Er staat beschreven dat het college een voorziening kan
                    beëindigen en in welke gevallen dit kan. Het college kan bijvoorbeeld een
                    voorziening beëindigen als een persoon niet in voldoende mate meewerkt aan de
                    betreffende voorziening. In een dergelijk geval zal het college overigens ook
                    een afstemming van uitkering bezien. </al>
        <al>Onderdeel g is, anders dan in onderdeel a. tot en met f., gericht op de
                    werkgever en niet op de persoon die gebruik maakt van de voorziening. Indien een
                    participatiepartner niet voldoet aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de
                    voorziening, bijvoorbeeld het bieden van bepaalde ondersteuning op de werkvloer,
                    dan kan het college de voorziening ook beëindigen. Het is wel van belang dat er
                    door de werkgever of uitvoeringsorganisatie een overeenkomst is ondertekend
                    waarin de geldende voorwaarden in verband met de voorziening staan beschreven. </al>
        <al>De reikwijdte van deze bepaling is beperkt. Het college kan dit lid niet
                    toepassen wanneer er al in wettelijke bepalingen is vastgelegd wanneer aan de
                    voorwaarden is voldaan. Dat is het geval bij de voorzieningen beschut werk en
                    loonkostensubsidie. Wanneer er een arbeidsovereenkomst is gesloten tussen
                    werkgever en werknemer geldt het burgerlijk recht en heeft de werkgever enkel
                    verplichtingen richting de werknemer (en niet jegens de gemeente). </al>
        <al>De PW voorziet niet in een wettelijke bepaling tot terugvordering van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Het college kan noch van een
                    bijstandsgerechtigde, noch van een niet-bijstandsgerechtigde of werkgever of
                    re-integratiepartner de kosten terugvorderen. Terugvordering dient in een
                    dergelijk geval te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al>
        <tussenkop>Artikel 6: Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27
                    jaar</tussenkop>
        <al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de PW). Het
                    college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                    algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al>
        <tussenkop>Additionele werkzaamheden</tussenkop>
        <al>Een participatieplaats is bedoeld om additionele werkzaamheden te verrichten.
                    Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal, maar het leren werken of het
                    (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen,
                    werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan een
                    belanghebbende in een participatieplaats kan werken. Ook is het mogelijk hiermee
                    te beoordelen of het werkterrein past bij de capaciteiten van de
                    uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het
                    betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam
                    perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is
                    wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de PW). Na negen
                    maanden beoordeelt het college of de participatieplaats de kans op
                    arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, PW). Zo niet, dan
                    beëindigt het college de participatieplaats. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van
                    de participatieplaats beoordeelt het college opnieuw of zij de
                    participatieplaats zal voortzetten. Als het college concludeert dat voortzetting
                    van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren
                    aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan zij de
                    participatieplaats nog één jaar verlengen. Echter, in dat geval dient het
                    college een andere werkomgeving aan te beiden (artikel 10a, negende lid, PW). Na
                    36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende
                    lid, van de PW).</al>
        <tussenkop>Premie</tussenkop>
        <al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie. Voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de PW).
                    Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft
                    meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van
                    de premie moet in de verordening zijn vastgelegd (artikel 8a, eerste lid,
                    onderdeel d, PW). De premie is vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid,
                    onderdeel j, PW. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het
                    in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Bij het bepalen van de hoogte van de
                    premie zijn de risico's van de armoedeval betrokken. </al>
        <al>Het college verstrekt de premie per zes maanden. Aangezien artikel 6 verwijst
                    naar de premie zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, PW, is ook
                    bij de hoogte van de premie aansluiting gezocht bij voornoemd artikel. De hoogte
                    van de premie is per jaar bepaald op 25% van het in artikel 31, tweede lid,
                    onderdeel j. genoemde bedrag, thans € 2.340,00 . Het bedrag per periode van 6
                    maanden zoals genoemd in artikel 10a, zesde lid, PW, is dus op dit moment
                    telkens € 292,50.</al>
        <tussenkop>Artikel 7: Participatievoorziening beschut werk </tussenkop>
        <al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een</al>
        <al>lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                    begeleiding op en aanpassingen</al>
        <al>van de werkplek nodig heeft, dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet
                    valt te verwachten dat hij</al>
        <al>deze in dienst neemt (eerste lid).</al>
        <al>De wetgever heeft de inzet van beschut werk (nog) niet verplicht gesteld. Het
                    college gaat er - evenals een aantal andere gemeenten in de regio Hart van
                    Brabant - vanuit dat we, anders dan in de huidige Wsw, zelf mogen bepalen of we
                    de voorziening Beschut Werk aanbieden. En in welke vorm en omvang. </al>
        <al>Als er een wettelijke verplichting komt ten aanzien van het aanbieden van
                    plekken nieuw beschut, zet de gemeente Goirle in op een minimaal aantal plekken.
                    Als er geen wettelijke verplichting is, wil de gemeente Goirle zich inspannen om
                    deze doelgroep mogelijk een ander aanbod doen. Hierbij denken we aan begeleiding
                    bij werk via leerwerkbedrijven (maar zonder dat de gemeente de werkgeversrol op
                    zich neemt), arbeidsmatige dagbesteding of vormen van maatschappelijke
                    participatie.</al>
        <al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk kan de gemeente een
                    voorselectie uitvoeren. Als het college de voorselectie uitvoert, dan bepaalt
                    zij welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk
                    moment. In de verordening moet de raad vastleggen hoe het college deze
                    voorselectie moet uitvoeren. Het college kan ambtshalve vaststellen of een
                    persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, PW). Het
                    is voor een individu niet mogelijk om hiervoor een aanvraag in te dienen.</al>
        <al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een voorgedragen persoon tot de doelgroep beschut
                    werk behoort. Sinds medio 2015 betreft dit niet enkel een boordeling voor
                    beschut werk, maar een integraal advies: een advies beoordeling arbeidsvermogen.
                    Het advies van het UWV geeft uitsluitsel op de vraag of het een belanghebbende
                    betreft die alleen met een hoge mate van ondersteuning en aanpassing van het
                    werk in staat is om arbeid te verrichten. Als dat het geval is dan kan de
                    gemeente, als er beschutte werkplaatsen beschikbaar zijn, een advies beschut
                    werk aanvragen bij het UWV. </al>
        <al>Als het UWV het advies heeft afgegeven dat iemand tot de doelgroep 'beschut
                    werk' behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking
                    onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, PW).
                    Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke
                    dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, PW). Hoe men de
                    dienstbetrekking organiseert, behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Het
                    is bijvoorbeeld mogelijk een dienstbetrekking te organiseren via een
                    gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering)
                    in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken.</al>
        <al>Om een 'dienstbetrekking beschut' te laten slagen is het veelal nodig om
                    aanvullende voorzieningen in te zetten.</al>
        <al>Denk hierbij aan een jobcoach of fysieke aanpassingen op de werkplek of in de
                    werkomgeving. Deze</al>
        <al>voorzieningen en de bijbehorende voorwaarden legt het college vast in de
                    beleidsregels, tezamen met de</al>
        <al>andere voorzieningen.</al>
        <al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk</al>
        <al>de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede afhankelijk van het aantal
                    geschikte en beschikbare</al>
        <al>plaatsen bij werkgevers.</al>
        <al>Met de bepaling in lid 6 wordt gewaarborgd dat personen die zijn aangewezen op
                    beschut werk een passende alternatieve voorziening krijgt aangeboden indien er
                    op dat moment geen beschutte werkplekken beschikbaar zijn. </al>
        <tussenkop>Artikel 8: No-risk polis</tussenkop>
        <al>De no-risk polis, zoals hij de gemeenten deze konden verstrekken aan werkgevers,
                    bestaat niet meer als zodanig. De reden hiervoor is dat er op de markt geen
                    aanbieder is bij wie het college een dergelijke polis kan afnemen. Gemeenten
                    zijn wel druk bezig om te bezien of zij op een andere wijze het risico voor
                    werkgevers kunnen afdekken of verminderen. Op dit moment is daarvoor nog geen
                    instrument beschikbaar. </al>
        <al>In 2015 bestond er nog een verordeningsplicht ten aanzien van de no-risk polis.
                    Deze verplichting is tijdelijk vervallen.</al>
        <al>No-riskpolis geldt wel voor doelgroep baanafspraak en doelgroep beschut
                    werk</al>
        <al>De no-riskpolis is echter wel van toepassing voor de doelgroep banenafspraak en
                    beschut werk. Wanneer een werkgever een persoon die valt onder deze doelgroepen
                    in dienst neemt, dan is de no-riskpolis van rechtswege van toepassing. Bij
                    ziekte van de werknemer treedt deze no-riskpolis in werking. Het UWV voert deze
                    regeling uit. De gemeente heeft daar voor wat betreft deze doelgroep geen rol
                    in. Het is wel belangrijk dat de gemeente dit benadrukt, wanneer een werkgever
                    iemand uit het doelgroepenregister in dienst neemt of in dienst wil nemen. Dit
                    kan namelijk een extra stimulans zijn voor de werkgever om de werknemer met een
                    arbeidsbeperking een kans te bieden. </al>
        <tussenkop>Artikel 9: Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en
                    loonwaarde</tussenkop>
        <al>Het college kan de loonkostensubsidie zoals beschreven in dit artikel kan
                    uitsluitend inzetten als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, PW. Het
                    gaat daarbij om personen met een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van
                    loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk. Het college kan deze -
                    indien nodig - voor een langere periode inzetten. Met dit instrument compenseert
                    de gemeente werkgevers voor de verminderde productiviteit van de werknemer. </al>
        <al>In artikel 10c PW is bepaald dat het aan college is om vast te stellen of een
                    persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de PW
                    is het aan de gemeente om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen
                    tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of zij loonkostensubsidie voor
                    hen inzetten. In artikel 9, tweede lid, is vastgelegd welke criteria het college
                    daarbij in acht neemt. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6,
                    eerste lid, onderdeel e, PW. Daarin is immers wettelijk de doelgroep
                    loonkostensubsidie vastgelegd. </al>
        <tussenkop>Loonwaardebepaling</tussenkop>
        <al>In de PW en in de lagere regelgeving zijn de wettelijke eisen neergelegd waaraan
                    de loonwaarde methodiek moet voldoen. Daarbinnen hebben de gemeenten en regio’s
                    beleidsvrijheid gekregen. De PW bepaalt dat de methode van loonwaardebepaling
                    waarvoor de gemeente heeft gekozen, in de gemeentelijke verordening een plaats
                    moet krijgen. </al>
        <al>Gemeenten moesten begin 2015 regionale afspraken maken over de
                    loonwaardebepaling in het Werkbedrijf. Het opstellen van een methodiek voor
                    loonwaardebepaling hing dus samen met de vorming van het Werkbedrijf. Voor de
                    gemeente Goirle betreft dat de arbeidsmarktregio Hart van Brabant. Door middel
                    van een aanbestedingsprocedure is gekozen voor de loonwaardemethodiek Dariuz. In
                    artikel 9 is opgenomen dat dit de loonwaardemethodiek is die de gehele regio
                    inzet. Het instrument voldoet aan voorwaarden van het Ontwerpbesluit
                    loonkostensubsidie Participatiewet en is door het ministerie goedgekeurd. </al>
        <al>Naast de keuze van het instrument zijn er ook verschillende andere afspraken
                    gemaakt met betrekking tot de loonwaardemeting zoals de regiogemeenten die
                    uitvoeren. Zo is bijvoorbeeld afgesproken dat gemeenten gebruik kunnen maken van
                    elkaars loonwaardespecialisten en dat een accountmanager die de plaatsing heeft
                    verzorgd nooit degene kan zijn die de loonwaardemeting uitvoert .</al>
        <al>Paragraaf 2.4: Studietoeslag</al>
        <tussenkop>Voorwaarden individuele studietoeslag </tussenkop>
        <al>Artikel 36b, eerste lid, PW spreekt zowel over verzoek als aanvraag. Het college
                    kan op een dergelijk verzoek – gelet op de individuele omstandigheden van een
                    persoon - een individuele studietoeslag verlenen. Hiervoor is vereist dat deze
                    persoon op de datum van de aanvraag: </al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>18 jaar of ouder is; </al></li>
          <li nr="·"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 (WSF2000) of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van
                            hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
                            (WTOS); </al></li>
          <li nr="·"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 PW heeft;
                            en </al></li>
          <li nr="·"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet
                            in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. </al></li>
        </lijst>
        <al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering (WSF2000) of een
                    WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk WSF2000 of
                    WTOS moet ontvangen. Het recht op studiefinanciering bestaat, afhankelijk van
                    iemands gekozen opleiding, leeftijd en inkomen. Of iemand van dit recht gebruik
                    maakt, is niet in de PW geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een
                    individuele studietoeslag op grond van de PW. Voor het recht op een individuele
                    studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft op WSF2000 of
                    WTOS. De persoon zal - als aanvrager van de toeslag - aannemelijk moeten maken
                    dat hij recht op WSF2000 of WTOS heeft, bijvoorbeeld door een beschikking van
                    DUO of door een bewijs van inschrijving bij een bepaalde opleiding te
                    overleggen. </al>
        <al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 PW zijn niet van toepassing bij verlening van de
                    individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, PW). De belanghebbende moet
                    de aanvraag indienen bij het college. Het college houdt geen rekening met een
                    eventuele draagkracht van de ouders (artikel 12). Het college kan een
                    individuele studietoeslag niet als lening verstrekken als een persoon met de
                    studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 PW is namelijk niet van
                    toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, PW). Ook
                    artikel 52 PW is niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel
                    36b, tweede lid, van de PW). Dit maakt dat het college de individuele
                    studietoeslag niet kan verstrekken in de vorm van een voorschot. </al>
        <tussenkop>Artikel 10: Indienen verzoek </tussenkop>
        <al>De persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden te voldoen zoals
                    genoemd in artikel 36b, eerste lid, PW. Onder aanvraag is te verstaan: een
                    verzoek van een persoon om een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, Awb).
                    De belanghebbende dient de aanvraag in beginsel schriftelijk in te dienen
                    (artikel 4:1 Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop de
                    belanghebbende het verzoek, als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, PW moet
                    indienen, staat in deze verordening dat hij het verzoek moet doen met een door
                    het college vastgesteld formulier. Het college ziet een verzoek dan als een
                    aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een
                    schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 Awb) die is ondertekend door de aanvrager en
                    ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een
                    aanduiding van de beschikking die hij vraagt (artikel 4:2, eerste lid, Awb). De
                    aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de
                    aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen
                    (artikel 4:2, tweede lid, Awb). Een mondeling verzoek valt hiermee dus niet aan
                    te merken als een verzoek om individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel
                    36b PW. </al>
        <tussenkop>Artikel 11: Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon </tussenkop>
        <al>In eerste instantie onderzoekt het college zelf of er sprake is van verminderd
                    arbeidsvermogen op basis van beschikbare gegevens. Wanneer het college niet in
                    staat is zelf deze beoordeling te maken, dan zal zij een extern advies inwinnen. </al>
        <tussenkop>Artikel 12: Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen </tussenkop>
        <al>Een persoon kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een
                    individuele studietoeslag. </al>
        <al>Het college kiest voor deze periode omdat zij dan de bijstand onbelast kan
                    verstrekken. Voordeel van eenmalige verstrekking is dat het college alleen bij
                    de aanvraag hoeft te kijken of belanghebbende voldoet aan alle voorwaarden. Het
                    college hoeft niet later ook nog te onderzoeken of iemand is blijven studeren.
                    Wel zal het college bij een nieuwe aanvraag voor een volgende periode op dat
                    moment weer moeten onderzoeken of iemand voldoet aan de criteria. Een studiejaar
                    start op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar.</al>
        <tussenkop>Artikel 13: Hoogte individuele studietoeslag </tussenkop>
        <al>Het college kent de studietoeslag per persoon die voldoet aan de voorwaarden
                    toe. Een individuele studietoeslag bedraagt € 100,00 per maand. Is sprake van
                    gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden voor een
                    individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking voor een
                    individuele studietoeslag. </al>
        <tussenkop>Artikel 14: Betaling individuele studietoeslag </tussenkop>
        <al>Het college betaalt een individuele studietoeslag eenmalig per studiejaar in één
                    bedrag uitbetaald. Dit is het bedrag zoals neergelegd in artikel 13 van deze
                    verordening, vermenigvuldigd met 12 maanden. Bij de start van een nieuw
                    studiejaar kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een individuele
                    studietoeslag. Hiertoe moet hij een nieuwe aanvraag indienen.</al>
        <al>Paragraaf 2.5: Tegenprestatie</al>
        <al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeidsinschakeling. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel
                    c, PW. Deze mogelijkheid staat al langere tijd in de wet, maar met de invoering
                    van de WWB maatregelen 2015 is de verplichting tot het opstellen van een
                    verordening opgenomen. Opvallend hierbij is dat de wet nog steeds een
                    discretionaire bevoegdheid aan het college geeft om de tegenprestatie op te
                    dragen en niet spreekt van een wettelijke verplichting. Maar de verplichte
                    verordening geeft een ander signaal aan gemeenten: de wetgever verlangt van de
                    gemeenten dat zij de tegenprestatie te regelen, maar gemeenten hebben de
                    vrijheid om de tegenprestatie naar vermogen op te leggen.</al>
        <al>De mogelijkheid tot het opleggen van een tegenprestatie is beperkt door hetgeen
                    is opgenomen in artikel 4 EVRM rondom gedwongen arbeid. De arbeid moet van korte
                    duur, incidenteel en onbeloond zijn en het mag beslist geen verdringing
                    opleveren op de arbeidsmarkt. </al>
        <tussenkop>Artikel 15: Doelgroep en doel </tussenkop>
        <al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie geldt in beginsel voor
                    iedereen die een uitkering ontvangt. Dit geldt niet alleen voor belanghebbenden
                    met een uitkering op grond van de PW, maar ook voor belanghebbenden met een
                    uitkering op grond van de IOAW of IOAZ. Het opleggen van een tegenprestatie naar
                    vermogen is geen middel, maar een doel. Doel is om uitkeringsgerechtigden, die
                    tot dusver aan de zijlijn stonden, te prikkelen om zich in te zetten voor de
                    samenleving als tegenprestatie voor de ontvangen uitkering.</al>
        <tussenkop>Artikel 16: Inhoud van een tegenprestatie </tussenkop>
        <al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Het
                    college dient hierbij maatwerk toe te passen. </al>
        <al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie het college van
                    hem verwacht. </al>
        <tussenkop>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden </tussenkop>
        <al>In de wet is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                    onderscheiden van de reguliere betaalde werkzaamheden: het moet om iets extra’s
                    gaan waar normaal gesproken geen banen voor zijn. </al>
        <al>De in dit artikel gestelde voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste
                    kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis
                    (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14) en op de eisen van het EVRM. </al>
        <al>In beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden zij in ieder
                    geval als tegenprestatie kan inzetten (artikel 16, tweede lid, van deze
                    verordening). Deze werkzaamheden zijn te beschouwen als een uitwerking van
                    artikel 16 van deze Verordening. </al>
        <tussenkop>Samenwerking met maatschappelijke organisaties</tussenkop>
        <al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                    vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Een
                    vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een belangrijk
                    hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
                    bepalen. </al>
        <al>De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie
                    inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat
                    voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, PW en de parlementaire
                    geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al>
        <tussenkop>Artikel 17: Het opdragen van een tegenprestatie </tussenkop>
        <al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te dragen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja, welke tegenprestatie zij aan de
                    belanghebbende opdraagt. Tegen een besluit tot het opdragen van een
                    tegenprestatie kan een belanghebbende bezwaar en beroep aantekenen (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). Het college moet rekening houden met de
                    individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding,
                    werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden zoals zorgtaken.
                    Het college draagt de werkzaamheden immers op ‘naar vermogen’. Het is dus van
                    belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten</al>
        <tussenkop>Geen tegenprestatie</tussenkop>
        <al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, PW). De
                    verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing op
                    een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) (artikel 9,
                    vijfde lid, PW). De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is
                    bovendien niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van
                    een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de PW (artikel 9,
                    zevende lid, PW).</al>
        <al>Voorts houdt het college bij het opdragen van een tegenprestatie rekening met
                    praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en de
                    vergoeding hiervan.</al>
        <tussenkop>Artikel 18: Duur en omvang van een tegenprestatie </tussenkop>
        <al>De uitvoering van de tegenprestatie kunnen we opdragen voor de maximale duur van
                    drie maanden. Let wel: het gaat hier om de termijn waarop de belanghebbende
                    daadwerkelijk werkzaam is op de tegenprestatie, niet de termijn waarop deze is
                    opgelegd zonder dat hiervoor ook gewerkt wordt.</al>
        <al>Er moet sprake zijn van een korte duur: daarom is er voor gekozen om maximaal 8
                    uur per week, en maximaal 80 uur per kalenderjaar een tegenprestatie op te
                    dragen. Naast de tegenprestatie kan de belanghebbende de rest van de week nog
                    steeds voldoen aan een eventuele re-integratie – of arbeidsverplichting. </al>
        <al>We leggen binnen een periode van twaalf maanden een tegenprestatie slechts
                    eenmaal op. Het gaat hierbij om een aaneengesloten periode van twaalf maanden.
                    De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de re-integratie van
                    een belanghebbende. </al>
        <tussenkop>Artikel 19: Afzien van het opleggen van een tegenprestatie</tussenkop>
        <al>Er is een aantal redenen waarom het college geen tegenprestatie oplegt. De
                    regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd voor mantelzorg in de
                    nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33
                    801, nr. 24, p. 6). Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze
                    verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college
                    redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen
                    tegenprestatie op. Daarnaast legt het college geen aanvullende tegenprestatie op
                    als iemand al voldoende maatschappelijk actief is en op deze wijze een
                    tegenprestatie levert aan de maatschappij. </al>
        <al>Hoofdstuk 3: Afstemming en bestuurlijke boete</al>
        <al>Op 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving in werking getreden. Sinds die datum is het college verplicht een
                    bestuurlijke boete op te leggen als sprake is van schending van de
                    inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid van het college om bij schending van
                    de inlichtingenplicht een maatregel op te leggen is verdwenen.</al>
        <al>Gaat het om schending van een andere verplichting dan de inlichtingenplicht, dan
                    is een maatregel nog wel aan de orde. Denk bijvoorbeeld aan schending van de
                    medewerkingsplicht, arbeids- en re-integratieverplichting, aan tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid, het zich zeer ernstig misdragen of het niet
                    nakomen van nadere verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging
                    van de bijstand. </al>
        <al>In paragraaf 3.1 en 3.2 is de verplichting als bedoeld in artikel 18 PW
                    uitgewerkt om vorm en inhoud te geven aan een sanctiebeleid (vaststellen
                    afstemmingsverordening). Het verlagen van de uitkering is voorgeschreven als de
                    belanghebbende naar het oordeel van het college:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan;</al></li>
          <li nr="·"><al>de uit de wet voortvloeiende verplichtingen, anders dan benoemd in
                            artikel 17, eerste lid, PW niet of onvoldoende nakomt.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het sanctiebeleid is uitgewerkt vanuit de visie, dat een uitkering als een
                    tijdelijke overbrugging is te zien naar participatie met betaald (gesubsidieerd)
                    werk. Op grond van de eigen verantwoordelijkheid zijn uitkeringsgerechtigden
                    wettelijk verplicht al datgene te doen (en na te laten) wat nodig en mogelijk is
                    om in het eigen bestaan te voorzien. Zij kunnen daarbij ondersteuning krijgen
                    met voorzieningen. De tegenhanger hiervan is het sanctiebeleid. Als een
                    belanghebbende een noodzakelijk traject naar participatie frustreert, handelt
                    het college metterdaad en streng (lik op stuk beleid). Ook waar het
                    agressie/geweld tegen die dienstverleners die de wetten uitvoeren betreft.</al>
        <al>Paragraaf 3.1: Algemene bepalingen</al>
        <al>Maatwerk uitgewerkt in de artikelen 20 t/m 22</al>
        <al>Het sanctiebeleid moet voldoen aan de vereisten van de PW en de Algemene wet
                    bestuursrecht. Deze bepalingen komen tegemoet aan de beginselen van
                    zorgvuldigheid, rechtszekerheid en motivering bij het opleggen van een sanctie.
                    De gestelde waarborgen verduidelijken de rechtspositie van de klant in relatie
                    tot de PW-inkomensgarantie op minimumniveau.</al>
        <tussenkop>Artikel 20: Besluit</tussenkop>
        <al>De regels, zoals deze voortkomen uit constante jurisprudentie zijn hierbij
                    aangehaald. Het college beoordeelt het opleggen van een maatregel op de volgende
                    criteria:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>de ernst van de gedraging: welke verplichting is niet of niet correct
                            nagekomen;</al></li>
          <li nr="·"><al>de mate van verwijtbaarheid: is de het de belanghebbende wel volledig te
                            verwijten dat hij een verplichting niet is nagekomen; en</al></li>
          <li nr="·"><al>de persoonlijke omstandigheden: soms zijn de omstandigheden zodanig dat
                            de gedraging niet aan te rekenen valt en soms kunnen de omstandigheden
                            ook een reden zijn om geen maatregel op te leggen. </al></li>
        </lijst>
        <al>Met name deze laatste overweging is maatwerk, omdat het college hier uitgaat van
                    de persoonlijke situatie van de belanghebbende.</al>
        <tussenkop>Artikel 22: Afzien van het opleggen van een verlaging</tussenkop>
        <al>Nieuw is hier dat er een termijn is gesteld waar binnen het college een
                    maatregel kan opleggen. Deze termijn geldt alleen voor de niet-geüniformeerde
                    maatregelen van artikel 18, vierde lid, PW. Concreet betekent dit dat als de
                    gedraging meer dan 2 jaar voordat het college deze constateert heeft
                    plaatsgevonden, zij afziet van het opleggen van een maatregel. Let wel: dit
                    geldt niet voor de schending van de inlichtingenplicht! Het college kan afzien
                    van het opleggen van een maatregel als hier dringende redenen voor zijn. Dit zal
                    niet vaak het geval zijn. Hierbij valt te denken aan de zeer dringende reden
                    zoals bedoeld in artikel 16 PW. </al>
        <tussenkop>Artikel 23:Ingangsdatum en tijdvak en recidive</tussenkop>
        <al>Lid 1: de verlaging kan pas ingaan op het moment dat iemand hiervan op de hoogte
                    is gesteld, dus als hij of zij de beschikking heeft ontvangen. Daarom gaat de
                    verlaging in op de maand volgend op de maand waarin de beschikking aan de
                    belanghebbende is verstuurd in. Meestal wijzigt de toepasselijke norm niet. Voor
                    de effectuering van de verlaging geldt de norm in de maand waarin het college de
                    maatregel effectueert, om te voorkomen dat zij belanghebbende financieel
                    onevenredig benadeelt. Een voorbeeld hierbij is dat iemand de norm alleenstaande
                    heeft op het moment dat het college de maatregelwaardige gedraging constateert,
                    en leeft als gehuwde (met de norm voor gehuwden) op het moment dat het college
                    de verlaging effectueert. Als het college een verlaging van 10% gedurende 1
                    maand oplegt, zal zij deze effectueren op de norm voor gehuwden. In dit geval is
                    de verlaging hoger, maar het kan andersom ook zo zijn dat de verlaging lager
                    uitvalt als de situatie omgekeerd is (gehuwdennorm is gewijzigd in een norm voor
                    een alleenstaande).</al>
        <al>Lid 2: De verlaging kent geen terugwerkende kracht en gaat in per de eerste van
                    de maand volgend op de beschikkingsdatum. Uitzondering hierop is bij de
                    aanvraag. Als er dan sprake is van een maatregelwaardige gedraging gaat deze in
                    per ingangsdatum van de uitkering of datum gedraging, als deze hierna ligt, mits
                    de uitkering niet al is uitbetaald. Is de uitkering al wel uitbetaald, dan geldt
                    de hoofdregel van de eerste van de maand volgend op de beschikking.</al>
        <al>Lid 5: Als er sprake is van meerdere maatregelwaardige gedragingen, dan legt het
                    college altijd de maatregel met de hoogste sanctie op. Het college telt de
                    sancties dus niet bij elkaar op.</al>
        <al>Lid 6 sub b: Bij recidive is de duur van de verlaging in principe altijd twee
                    maanden, ook als er sprake is van een derde of vierde overtreding. Dit in
                    afwijking van de geüniformeerde verlagingen, waarbij de duur van de verlaging
                    bij herhaalde niet nakoming is gesteld op drie maanden. </al>
        <al>In het geval het college een verlaging van 100% gedurende een maand oplegt, dan
                    verdubbelt de duur van de verlaging bij recidive. In het geval het college een
                    verlaging van 50% gedurende een maand oplegt, verdubbelt de hoogte van de
                    verlaging bij recidive.</al>
        <al>Lid 7: als de uitkering is beëindigd kan het college geen verlaging van de
                    uitkering meer effectueren. Wanneer de klant binnen een jaar een nieuwe
                    uitkering aanvraagt en het college deze toekent, dan kan zij de verlaging of het
                    deel dat nog niet is geëffectueerd alsnog effectueren op de nieuwe uitkering
                    vanaf de ingangsdatum. </al>
        <tussenkop>Artikel 24: De berekeningsgrondslag van de maatregel</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen toelichting. </al>
        <tussenkop>Artikel 25: Waarschuwing</tussenkop>
        <al>In plaats van het opleggen van een verlaging kan het college bij gedragingen van
                    de 2e categorie zoals bedoeld in artikel 27 sub b en artikel 28 sub b van deze
                    verordening volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. Dit kan
                    alleen in de situaties waarin de verordening dit toestaat. De waarschuwing telt
                    mee voor de recidive en het college moet hiertoe dan ook beschikken en
                    registreren.</al>
        <tussenkop>Artikel 26: Horen van de belanghebbende(n)</tussenkop>
        <al>Het college moet de belanghebbende horen en het besluit altijd schriftelijk
                    nemen. Vanzelfsprekend zijn de bepalingen van de Awb hierop ook van toepassing.
                    In dit artikel staan alleen de bijzondere bepalingen voor de uitvoering van de
                    PW.</al>
        <al>De sanctie gaat pas in als de belanghebbende hier van op de hoogte is gesteld.
                    Het college kan slechts in bepaalde situaties, zoals opgenomen in deze
                    verordening, gemotiveerd afzien van het horen. </al>
        <al>Paragraaf 3.2: Gedragingen en bijbehorende maatregelen</al>
        <al>Paragraaf 3.2.1: Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met
                    betrekking tot de arbeidsinschakeling</al>
        <tussenkop>Artikel 27: Gedragingen PW</tussenkop>
        <al>De artikelen 27 en 29 moet men in onderlinge samenhang lezen. In artikel 27 zijn
                    de schendingen van verplichtingen uit de PW geformuleerd. De verwijtbare
                    gedragingen die hierin staan genoemd, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die
                    categorieën kent artikel 29 een gewicht toe in de vorm van een
                    verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. </al>
        <tussenkop>Gedragingen in de eerste categorie</tussenkop>
        <al>De gedragingen die hier genoemd zijn wegen allemaal zeer zwaar gelet op de eigen
                    verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde om al datgene te doen wat
                    nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Een tekortkoming van
                    deze aard druist zo in tegen het uitgangspunt van participatie naar vermogen,
                    dat een verlaging van de uitkering van 100% voor de duur van één maand
                    proportioneel is geacht. Deze verlaging is bovendien redelijk en billijk geacht,
                    omdat de belanghebbende door diens opstelling, houding of gedrag niet zelf in
                    het bestaan kan voorzien. Daarnaast sluit de bepaling in de verordening hiermee
                    aan bij de in de wet genoemde (wel geüniformeerde) maatregelen.</al>
        <tussenkop>Gedragingen in de tweede categorie</tussenkop>
        <al>De gedragingen die hier genoemd wegen minder zwaar dan de gedragingen in de
                    eerste categorie. Gelet op de aard van de gedragingen in relatie tot het
                    teruglopende participatiebudget, is een verlaging van 20% gedurende 1 maand niet
                    disproportioneel geacht. Vanwege de inwerkingtreding van de Wet Taaleis per 1
                    januari 2016, is ook een verlaging in verband met het niet of niet voldoende
                    meewerken aan de taaltoets in de afstemmingsparagraaf opgenomen. </al>
        <tussenkop>Artikel 28: Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop>
        <al>De artikelen 29 en 30 moet men in onderlinge samenhang lezen. In artikel 29 zijn
                    de schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die hierin staan genoemd zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën kent in artikel 31 een gewicht toe in de vorm
                    van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende
                    zwaarte. Een gedraging is ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete
                    gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid. </al>
        <tussenkop>Artikel 29: Hoogte en duur van de verlaging</tussenkop>
        <al>In het eerste lid staan de verlagingspercentages behorende bij de
                    verlagingswaardige gedragingen als bedoeld in de artikelen 27 en 28. Met de Wet
                    Maatregelen WWB 2015 zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en bijbehorende
                    maatregelen geïntroduceerd (artikel 18, vierde en vijfde lid, PW). Er is voor
                    gekozen bij de zwaarte van de afstemming van de gedragingen in de eerste
                    categorie als bedoeld in de artikelen 27 en 28 aan te sluiten bij de maatregelen
                    voor het schenden van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Dit omwille van
                    duidelijkheid. Bovendien zijn diverse geüniformeerde arbeidsverplichtingen
                    verwant aan de gedragingen in de eerste categorie. </al>
        <al>In het tweede lid is bepaald dat het college op basis van individuele
                    omstandigheden kan besluiten de verlaging van 100% gedurende een maand op te
                    delen in 2 maanden verlaging van 50%. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij
                    gezinnen met kleine kinderen die door de verlaging van 100% in dusdanige
                    problemen komen dat de huisvesting in het geding komt. Hierbij zij opgemerkt dat
                    het hebben van kinderen op zich niet de reden is voor deze spreiding, het moet
                    gaan om de gehele situatie.</al>
        <tussenkop>Artikel 30: Niet nakomen overige verplichtingen PW</tussenkop>
        <al>Artikel 55 van de PW geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen
                    op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie van de klant. Deze
                    verplichtingen zijn beperkt tot een viertal categorieën, te weten:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li>
          <li nr="·"><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li>
          <li nr="·"><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li>
          <li nr="·"><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li>
        </lijst>
        <al>Dit artikel ziet op de verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling. De
                    overige verplichtingen komen terug in artikel 35.</al>
        <al>Voorbeeld van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling is het zich
                    onderwerpen, op advies van een arts, aan een noodzakelijke behandeling van
                    medische aard, omdat de beperkingen arbeidsinschakeling in de weg staan. Bij het
                    niet nakomen van deze verplichtingen kan het college een verlaging van de
                    uitkering van 20% gedurende 1 maand opgelegd. </al>
        <al>Paragraaf 3.2.2: Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met
                    betrekking tot de arbeidsinschakeling </al>
        <tussenkop>Artikel 31: Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop>
        <al>In het eerste lid is bepaald dat bij het verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging van de uitkering 100% gedurende
                    een maand bedraagt. Dit is volgens de PW de minimale verlaging (artikel 18
                    vijfde lid, PW).</al>
        <al>Volgens het tweede lid kan het college op basis van individuele omstandigheden
                    besluiten de verlaging van 100% gedurende een maand op te delen in 2 maanden
                    verlaging van 50%. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gezinnen met kleine
                    kinderen die door de verlaging van 100% in dusdanige problemen komen dat de
                    huisvesting in het geding komt. Hierbij zij opgemerkt dat het hebben van
                    kinderen op zich niet de reden is voor deze spreiding, het moet gaan om de
                    gehele situatie.</al>
        <al>Als er sprake is van recidive (het niet of onvoldoende nakomen van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een
                    belanghebbende een eerste verlaging is opgelegd wegens schending van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting), bedraagt de verlaging 100% gedurende 2
                    maanden. </al>
        <al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    verlaging, bedraagt de verlaging 100% gedurende drie maanden (artikel 18,
                    zevende en achtste lid, PW).</al>
        <al>Wettelijk heeft de belanghebbende de mogelijkheid om zich te herstellen. Hij kan
                    hiervoor een verzoek doen en moet dan aantonen nu wel te voldoen aan de
                    verplichtingen. Deze mogelijkheid is verder uitgewerkt in beleidsregels.</al>
        <al>Paragraaf 3.2.3: Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</al>
        <tussenkop>Artikel 32: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop>
        <al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken zoals:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li>
          <li nr="·"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li>
          <li nr="·"><al>het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een
                            alimentatievordering.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het benadelingsbedrag bepaalt de hoogte van de sanctie. Wanneer er geen
                    benadelingsbedrag is vast te stellen (maar er is wel benadeling), dan legt het
                    college een verlaging van 20% van de uitkering gedurende 1 maand op.</al>
        <al>Bij het onverantwoord interen van vermogen of het weggeven (schenken) van
                    vermogen is de hoogte van de sanctie gekoppeld aan de duur van de schadelast
                    voor de gemeente. Deze maatregel geldt niet voor de IOAW nu deze regeling geen
                    vermogensbepaling kent. Wanneer er sprake is van versneld interen of wegschenken
                    van vermogen verlaagt het college de uitkering gedurende het eerder
                    bijstandsafhankelijk zijn met 100%. Als dit tot problemen leidt kan het college
                    bijstand in de vorm van een geldlening verstrekken, zoals bedoeld in artikel 48
                    PW. Het college berekent het versneld interen van vermogen naar de systematiek
                    van 1½ maal de bijstandsnorm per maand. </al>
        <tussenkop>Artikel 33: Verlies van een passende en toereikende voorliggende
                    voorziening </tussenkop>
        <al>Iemand die vanwege de effectuering van een recidiveboete wel recht heeft op een
                    voorliggende voorziening, maar die niet tot uitbetaling komt vanwege het
                    opleggen en effectueren van die recidiveboete, kan vanaf dat moment aanspraak
                    maken op bijstand. De voorliggende voorziening is namelijk niet meer passend en
                    toereikend. Er bestaat wel formeel recht, maar het komt niet meer tot
                    uitbetaling. Als iemand een beroep doet op bijstand vanwege verrekening van de
                    bestuurlijke boete, legt het college een maatregel op van 100% gedurende de
                    eerste maand gerekend vanaf de start van de verrekening van de voorliggende
                    voorziening. </al>
        <al>Als dan de beslagvrije voet bij een voorliggende voorziening op nihil is
                    gesteld, dan is een – bij ministeriële regeling bepaald – deel van de
                    zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen vrijgesteld. Het vrij te laten
                    deel van de uitkering is afhankelijk gesteld van de leefsituatie. Wanneer de
                    beslagvrije voet op nihil is gesteld en krijgt iemand als gevolg daarvan
                    bijstand, dan ontstaat de situatie dat iemand op papier twee (volledige)
                    uitkeringen ontvangt. Dit heeft gevolgen voor de toeslagen (huurtoeslag,
                    zorgtoeslag), nu het jaarinkomen op papier hoog is. Er zal dus geen recht meer
                    zijn op huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget waardoor belanghebbende de
                    kosten van bestaan niet meer kan betalen uit de bijstandsuitkering. Om dit op te
                    lossen is in de PW geregeld dat het college dit vrijgelaten bedrag voor de
                    bijstand niet als middel is kan aanmerken (artikel 31 lid 2 sub x, PW). </al>
        <al>Daarnaast is een bepaling opgenomen die betrekking heeft op de situatie waarin
                    iemand, voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, verwijtbaar werkloos raakt. In een
                    dergelijk geval doet iemand een beroep op de uitkering, terwijl dat niet nodig
                    was geweest indien hij de baan behouden had. Deze gedraging heeft een verlaging
                    van de uitkering tot gevolg die is opgenomen in het tweede en derde lid. </al>
        <tussenkop>Artikel 34: Zeer ernstig misdragen</tussenkop>
        <al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, PW. Onder de term ‘zeer ernstig misdragen’ is in deze verordening
                    in elk geval verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief (fysiek) contact met
                    een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld
                    schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook
                    het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het
                    ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm is als zeer ernstige misdraging te
                    beschouwen. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de
                    desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van
                    gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek- en/of
                    vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als
                    zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer
                    'zeer ernstige misdraging'.</al>
        <al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de PW belaste personen en instanties tijdens het verrichten van
                    hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden'
                    is aangegeven dat het college de verlaging van de uitkering alleen kan opleggen
                    bij misdragingen in het kader van de uitvoering van de PW. Als er sprake is van
                    misdragingen jegens de met de uitvoering van de PW belaste personen en
                    instanties zonder dat deze bezig zijn met de uitvoering van de PW (dus eventueel
                    in hun privésituatie), zal het college altijd aangifte doen en kan het college
                    een gebouwverbod opleggen. </al>
        <al>Bij zeer ernstige misdragingen treedt het agressieprotocol in werking. Dit
                    protocol voorziet in onder meer een ordegesprek, het doen van justitiële
                    aangifte (altijd bij fysiek geweld) en een gebouwverbod. Daarnaast legt het
                    college een verlaging van de uitkering van 100% gedurende een maand op. Bij
                    recidive verlaagt het college de uitkering gedurende 3 maanden met 100%. Dit
                    omdat de impact van zeer ernstig misdragen op de personen maar ook op de
                    organisatie dermate groot zijn, dat we dit zoveel mogelijk moeten zien te
                    voorkomen. De hoogte van de sanctie heeft naast een repressief ook een
                    preventief aspect.</al>
        <tussenkop>Artikel 35: Niet nakomen overige verplichtingen</tussenkop>
        <al>Artikel 55 van de PW geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen
                    op te leggen die afgestemd zijn op de individuele situatie van de klant. Deze
                    verplichtingen zijn beperkt tot een viertal categorieën, te weten:</al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling (geregeld in artikel
                            30 van deze verordening);</al></li>
          <li nr="·"><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li>
          <li nr="·"><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; en</al></li>
          <li nr="·"><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li>
        </lijst>
        <al>De sanctie is afgestemd op het soort verplichting dat de belanghebbende niet
                    nakomt en de impact hiervan op de bijstandsverlening.</al>
        <al>Paragraaf 3.3: Bestuurlijke boete</al>
        <al>Paragraaf 3.3.1: Schending inlichtingenplicht</al>
        <al>In artikel 18a PW is bepaald, dat het college een bestuurlijke boete oplegt als
                    een belanghebbende de inlichtingenplicht schendt. Het college is verplicht de
                    bestuurlijke boete met de lopende uitkering te verrekenen. In beginsel moet zij
                    bij deze verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in acht nemen. Is
                    echter sprake van een recidiveboete (binnen 5 jaar), dan kan het college
                    besluiten gedurende maximaal drie maanden zonder beslagvrije voet te verrekenen.
                    De PW verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen over
                    de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin zij het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel achten. Deze bevoegdheid kan
                    de gemeenteraad op veel verschillende manieren invullen, echter strekt deze zich
                    slechts uit over het al dan niet in acht nemen van de beslagvrije voet bij
                    verrekening van de recidiveboete. De wetgever geeft gemeenten verder heel weinig
                    beleidsruimte waar het gaat om terugvorderen (verplicht) en het opleggen van een
                    boete (ook verplicht).</al>
        <tussenkop>Artikel 36: Niet nakomen van de inlichtingenverplichting en bestuurlijke
                    boete (vervallen)</tussenkop>
        <al>Deze bepaling is hier opgenomen als zijnde vervallen. De reden hiervan is dat er
                    met betrekking tot deze bepaling geen verordeningsplicht bestaat. Omdat de
                    regelgeving omtrent dit onderwerp momenteel volop in ontwikkeling is, is ervoor
                    gekozen de bepalingen omtrent de bestuurlijke boete (met uitzondering van de
                    bepalingen omtrent het verrekenen van de bestuurlijke boete bij recidive – zie
                    paragraaf 3.3.2.) op te nemen in de beleidsregels in plaats van de verordening.
                    Op deze manier zijn we flexibeler voor wat betreft het voeren van actueel
                    beleid, wanneer de regering medio 2016 nieuwe wetgeving hierover presenteert.
                    Hieronder staat kort toegelicht welke ontwikkelingen zich hebben voorgedaan. </al>
        <al>Met ingang van 1 januari 2013 trad de ‘Wet aanscherping handhaving en
                    sanctiebeleid SZWwetgeving (Fraudewet) in werking. De Fraudewet
                    (her)introduceerde de bestuurlijke boete bij schending van de
                    inlichtingenplicht. Op 24 november 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB)
                    een uitspraak gedaan in het kader van toepassing van de Fraudewet en het op deze
                    wet gebaseerde Boetebesluit sociale zekerheidswetten (Boetebesluit).</al>
        <al>Recent heeft ook de Nationale ombudsman een rapport uitgebracht over de
                    Fraudewet. Zowel in de uitspraak van de CRvB als het rapport van de Ombudsman
                    komt naar voren dat de toepassing van de Fraudewet vaak zijn doel voorbij
                    schiet. De boetes zijn onevenredig zwaar en gemeenten stemmen de opgelegde
                    boetes ten onrechte niet altijd individueel af. Naar aanleiding van voornoemde
                    uitspraak van de CRvB en het verschenen rapport van de Nationale ombudsman heeft
                    de minister aangegeven in de zomer van 2016 met nieuwe wetgeving te komen. De
                    aanpassingen betreffen primair het overgangsrecht en het boeteregime. Daarnaast
                    breidt de regering de waarschuwingsmogelijkheid en de criteria van verminderde
                    verwijtbaarheid uit. Totdat de aanpassingen van wet- en regelgeving in werking
                    treden, blijft het college gehouden het boeteregime zoals neergelegd door de
                    uitspraak van de CRvB toe te passen. </al>
        <al>De bepalingen zoals opgenomen in deze verordening neemt het college - aangepast
                    aan de uitspraak van de CRvB - op in de beleidsregels.</al>
        <tussenkop>Artikel 37: Matigen en afzien van opleggen bestuurlijke boete
                    (vervallen)</tussenkop>
        <al>Zie toelichting artikel 36.</al>
        <al>Paragraaf 3.3.2: Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive
                    (alleen PW)</al>
        <tussenkop>Artikel 38: Verrekenen zonder beslagvrije voet bij voldoende
                    bezit</tussenkop>
        <al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening is opgenomen, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 PW. Eventueel aanwezige
                    schulden spelen immers geen rol deze brengen we dus ook niet op het bezit in
                    mindering. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, PW zijn hier niet van
                    toepassing. Een belanghebbende die vanwege de volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de bezittingen waarover
                    hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig moeten aanwenden om in
                    de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is
                    gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning.</al>
        <al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 38 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                    beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal de
                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze bezittingen, zou belanghebbende een periode van drie maanden moeten
                    kunnen overbruggen.</al>
        <tussenkop>Artikel 39: Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</tussenkop>
        <al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet (dus 100% van de uitkering). Voor de overige twee maanden vindt weliswaar
                    verrekening met in achtneming van de beslagvrije voet plaats, maar niet
                    volledig. Belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80%
                    van de toepasselijke bijstandsnorm.</al>
        <al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid, van de
                    Invorderingswet 1990. Met de gekozen opzet geven we enerzijds uiting aan het
                    principe dat fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die
                    herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk
                    signaal tegenover staan. Anderzijds houden we rekening met de zorgplicht van
                    gemeenten en de vangnetfunctie van de bijstand. Het volledig buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke
                    maatschappelijke consequenties hebben. Dat proberen we met deze regeling te
                    voorkomen, omdat deze anders zijn doel voorbij zou schieten.</al>
        <al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n of r, PW zijn vrijgelaten voor de algemene bijstand.
                    Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de bijstandsnorm, tellen deze
                    inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus niet buiten
                    beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende nog over
                    voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in het derde lid.</al>
        <tussenkop>Artikel 40: Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</tussenkop>
        <al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar is. Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden
                    waaraan het college zal moeten toetsen.</al>
        <al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de
                    artikelen 38 en 39 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige
                    verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende en diens
                    gezin. We moeten voorkomen dat een belanghebbende door de volledige verrekening
                    op straat komt te staan, omdat dit de problematiek alleen maar verergert, met
                    alle maatschappelijke kosten van dien.</al>
        <al>Een dreigende huisuitzetting zien we in deze verordening als een dringende reden
                    om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het woord
                    'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen
                    dan een dreigende huisuitzetting, kan het college rekening houden met de
                    bescherming van de beslagvrije voet.</al>
        <al>Van dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat slechts om incidentele
                    gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende en diens
                    gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn. Het enkele
                    feit dat het belanghebbende door de verrekening aan middelen ontbreekt om in het
                    bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken
                    van dringende redenen.</al>
        <al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht die gemeente de beslagvrije voet
                    niet respecteren, dan kan de belanghebbende het college waarvan hij uitkering
                    ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In artikel 60b,
                    tweede lid, PW is geregeld dat het college dat de uitkering verstrekt, de
                    bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende tegemoet te komen. Het ligt
                    voor de hand dat het college bij de beslissing op dat verzoek handelt analoog
                    aan de regels die in de eigen gemeentelijke verordening zijn vastgelegd.</al>
        <tussenkop>Artikel 41: Eerder opgelegde bestuurlijke boete</tussenkop>
        <al>In artikel 60b, derde lid, PW is bepaald dat de bevoegdheid om te verrekenen met
                    de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder opgelegde bestuurlijke
                    boetes voor zover op het moment van verrekening van de recidiveboete, die
                    eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college die eerdere, nog
                    openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt dit artikel dat de bepalingen in
                    deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn.</al>
        <al>Hoofdstuk 4: Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik</al>
        <al>In dit hoofdstuk is de verplichting uitgewerkt als bedoeld in artikel 8b PW: de
                    gemeenteraad stelt, in het kader van goed financieel beheer, regels op voor de
                    bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van de wet. Deze regels moeten waarborgen dat de uitvoering
                    van de bijstand aan de eisen van rechtmatigheid voldoet. Gelet op de financiële
                    verantwoordelijkheid van de gemeente is naast controle van de rechtmatigheid van
                    de bijstand ook het beheersen van het volume in de bijstand belangrijk. Een
                    effectieve handhaving vertaalt zich immers in een besparing op het BUIG-budget.
                    Het beleid voor handhaving is sinds langere tijd ingericht naar het model van
                    hoogwaardig handhaven.</al>
        <al>Dit model voor integraal en hoogwaardig handhaven is opgebouwd uit vier pijlers,
                    waarvan twee preventief en twee repressief van aard zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>goede en tijdige voorlichting over rechten en verplichtingen;</al></li>
          <li nr="2."><al>het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor
                            spontane naleving PW);</al></li>
          <li nr="3."><al>het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en
                            misbruik en</al></li>
          <li nr="4."><al>het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het college werkt de pijlers van hoogwaardig handhaven verder uit in
                    beleidsregels en richtlijnen voor de uitvoering.</al>
        <al>Het rechtmatig verstrekken van uitkeringen, het voorkomen en het bestrijden van
                    oneigenlijk gebruik en misbruik van de PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 is gewaarborgd
                    door te werken naar de uitgangspunten van het landelijke model voor
                    programmatisch en hoogwaardig handhaven. Het college voert de vier visievelden
                    van dat model in samenhang uit. De nadruk ligt op preventie en
                    gedragsverandering (spontaan naleven verplichtingen). Voorkomen is beter dan
                    genezen.</al>
        <tussenkop>Artikel 44: Aangifte bij het Openbaar Ministerie</tussenkop>
        <al>Het college legt geen bestuurlijke boete op als zij aangifte doet van fraude bij
                    het Openbaar Ministerie (OM), vanwege het beginsel 'ne bis in idem' (niet 2x
                    straffen voor hetzelfde feit). Als het OM echter besluit niet tot vervolging
                    over te gaan, dan kan het college wel sanctioneren. Dit kan wel enige tijd later
                    zijn, omdat het OM de aangifte zal moeten beoordelen en dat kost tijd.</al>
        <tussenkop>Artikel 45: Terugvorderen opgespoorde fraudebedragen</tussenkop>
        <al>Het college vordert ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bruto
                    uitkering door oneigenlijk gebruik of misbruik van de PW, IOAW, IOAZ of Bbz
                    2004, in beginsel altijd volledig terug volgens de door het college vastgestelde
                    beleidsregels terugvordering en verhaal. Deze beleidsregels voorzien mede in het
                    afzien van het terugvorderen van (marginale) kosten van bijstand, de termijn
                    waarover belanghebbende naar draagkracht moet terugbetalen en het matigen dan
                    wel afboeken (kwijtschelden) van terug te vorderen kosten van bijstand.</al>
        <al>Hoofdstuk 5: Slotbepalingen</al>
        <al>De slotbepalingen behoeven geen toelichting.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>