<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR39911_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bomenverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-09-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Feanster</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bomenverordening 1996</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 15 Boswet, art. 148, 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>1996-11-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1996-12-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bomenverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>BOMENVERORDENING</vet></al><al>De raad van de gemeente <vet>ACHTKARSPELEN,</vet></al><al>gelet op artikel 15 van de Boswet en de artikelen 148 en 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 6 november 1996,
                        agendapunt nr. 18;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de volgende verordening tot het bewaren van bomen en andere
                        houtopstanden (bomenverordening).</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>houtopstand: één of meer bomen, een houtwal, een houtsingel of een grotere
                        (Iint)begroeiing van struiken;</al><al>boom: een houtachtig gewas met een (of meer), zich eerst op zekere</al><al> hoogte boven de grond vertakkende stam(men);</al><al>struik: iedere houtachtige plant die zich van de grond af vertakt;</al><al>houtwal: lintvormige, op een door de mens opgeworpen aarden wal</al><al> aanwezige, aaneengesloten (gemengde) beplanting van bomen</al><al> of boomvormers en struiken;</al><al>boomwal: een houtwal waarin zich op geregelde afstand bomen bevinden</al><al> met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 centimeter</al><al> op 1,3 meter boven het maaiveld en met een spaarzall1e</al><al> onderbegroeiing van struiken en kruiden;</al><al>houtsingel: lintvormige, veelal langs een sloot gelegen,
                        beplantingsstrook</al><al> van bomen of boomvormers (doorgaans elzen) al dan niet in</al><al> combinatie met struiken (hoofdzakelijk meidoorn);</al><al>knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoei plaats verwijderen van</al><al> uitgelopen takhout van bij knotbomen, gekandelaberde bomen</al><al> of leibomen als periodiek onderhoud noodzakelijk.</al><al>groot onderhoud: het periodiek vellen bij wijze van beheersmaatregel van
                        daarvoor geschikte houtsoorten.</al><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge</al><al> artikel 1, vijfde lid van de Boswet.</al><al>boomwaarde: waarde van een boom, uitgedrukt als getal dat wordt gevonden
                        door het product van de volgende factoren:</al><al>de oppervlakte in cm2 van de dwarsdoorsnede op 1,3</al><al>meter boven het maaiveld;</al><al>de geïndexeerde eenheidsprijs per cm2;</al><al>de standplaatswaarde;</al><al>de conditiewaarde;</al><al>de waarde van de plantwijze.</al><al/><al>Onder vellen wordt mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten,
                        alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de
                        dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand tot gevolg
                        kunnen hebben.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Kapverbod</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand
                        te vellen of te doen vellen.</al><al/><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide
                        voorzover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;</al><al>vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al><al>fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen
                        en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;</al><al>kweekgoed;</al><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap
                        geregistreerde bosbouwondernemingen en die niet gelegen is binnen de
                        bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en ofwel
                        geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel in geval van
                        rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, niet meer bomen omvat
                        dan 20;</al><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of
                        krachtens een aanschrijving van burgemeester en wethouders, zulks
                        onverminderd het bepaalde in artikel 13 van deze verordening;</al><al>verloren gegane houtopstand, waarvan de gemeente de eigenares of de
                        rechthebbende is, wanneer het vellen daarvan gebeurt met het oogmerk de
                        houtopstand op openbaar terrein te vervangen;</al><al>houtopstand op erven en in tuinen mits deze zich, vanuit het hart gemeten,
                        bevindt binnen een afstand van 20 meter van enige gevel van het hoofdgebouw,
                        met uitzondering van houtwallen en houtsingels, houtopstand die op grond van
                        artikel 17 van deze verordening als monumentaal is aangewezen en houtopstand
                        die is geplant ingevolgeeen voorschrift danwel een verplichting als bedoeld
                        in artikel 12 onderscheidenlijk artikel 13 van deze verordening; het
                        periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor
                        geschikte boomsoorten.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Meldingsplicht groot onderhoud houtwallen en
                            houtsingels</titel></kop><al>Het in het eerste lid van artikel 2 gestelde verbod geldt verder niet voor
                        het vellen van houtwallen en houtsingels ter uitvoering van het groot
                        onderhoud, mits van het voornemen daartoe aan burgemeester en wethouders
                        schriftelijk melding is gedaan en burgemeester en</al><al>wethouders de melder niet binnen drie weken na de dag, waarop zij de melding
                        hebben ontvangen, schriftelijk de mededeling doen, dat voor gemelde velling
                        een vergunning vereist is, omdat zij van oordeel zijn dat deze niet of niet
                        zonder meer kan worden aangemerkt als groot onderhoud als bedoeld in deze
                        verordening. Op de melding als bedoeld in het eerste lid is artikel 4, lid 1
                        van overeenkomstige toepassing.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><al>De vergunning moet gemotiveerd en onder bijvoeging van een situatieschets
                        door middel van een daartoe door burgemeester en wethouders vastgesteld
                        formulier worden aangevraagd door of namens danwel met toestemming van
                        degene die krachtens zakelijk recht of door</al><al>degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over die
                        houtopstand te beschikken.</al><al/><al>Wanneer de teammanager van de Landelijke Service bij Regelingen (LASER) van
                        het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan burgemeester en
                        wethouders een afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als
                        bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwen burgemeester en wethouders
                        dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.</al><al/><al>Indien burgemeester en wethouders de mededeling doen als bedoeld in het
                        eerste lid van artikel 3, dan wordt de in dat artikellid bedoelde melding
                        aangemerkt als aanvraag om vergunning. Burgemeester en wethouders stellen de
                        melder hiervan via hun mededeling in kennis. De datum van verzending van de
                        mededeling wordt voor de toepassing van deze verordening beschouwd als de
                        datum van ontvangst van de aanvraag.</al><al>De aanvraag wordt binnen twee weken na de datum van ontvangst daarvan
                        gedurende twee weken op het gemeentekantoor ter inzage gelegd. Van de
                        terinzagelegging wordt door of vanwege burgemeester en wethouders te voren
                        kennis gegeven in een van gemeentewege uitgegeven blad of een dag-, nieuws-
                        of huis-aan-huisblad. In de kennisgeving wordt bericht gedaan van de
                        mogelijkheid voor belanghebbenden om gedurende de termijn van
                        terinzagelegging schriftelijk hun zienswijze over de aanvraag bij</al><al>burgemeester en wethouders naar voren te brengen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken of, indien over de
                        aanvraag zienswijzen naar voren zijn gebracht, binnen twaalf weken na
                        ontvangst van de aanvraag om vergunning. Binnen deze termijn kunnen zij hun
                        beslissing met ten hoogste vier weken verdagen. Van deze verdaging stellen
                        zij de aanvrager, alsmede de belanghebbenden die op grond van artikel 4,
                        vijfde lid hun zienswijze naar voren hebben gebracht, schriftelijk in
                        kennis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Weigering ex lege</titel></kop><al>De vergunning wordt geacht te zijn geweigerd, indien binnen de in artikel 5
                        genoemde termijn geen beslissing is genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Toetsingscriteria</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning weigeren, danwel onder
                        voorschriften verlenen in het belang van onder andere:</al><al>natuur- en milieuwaarden;</al><al>landschappelijke waarden;</al><al>cultuurhistorische waarden;</al><al>waarden van dorpsschoon;</al><al>waarden voor recreatie en leefbaarheid;</al><al/><al>Zij verwijzen voor hun motivering zoveel mogelijk naar gemeentelijke
                        bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij het weigeren of onder voorschriften
                        verlenen van de vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.
                        Burgemeester en wethouders kunnen toestemming geven tot direct vellen,
                        indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend
                        belang.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Standaardvoorschrift van niet-gebruik</titel></kop><al>Indien een vergunning wordt verleend, nadat daartegen op grond van het
                        vijfde lid van artikel 4 zienswijzen naar voren zijn gebracht, dan wordt aan
                        die vergunning in ieder geval het voorschrift verbonden dat hiervan geen
                        gebruik mag worden gemaakt tot het moment dat:</al><al>de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken zonder dat
                        er bezwaar</al><al>is gemaakt of beroep is ingediend;</al><al>beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;</al><al>beslist is op het beroep van derden en geen verzoek om voorlopige
                        voorziening is gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Bekendmaking</titel></kop><al>Bekendmaking van het besluit tot verlening of weigering van een vergunning
                        geschiedt door toezending of uitreiking aan de aanvrager, alsmede aan de
                        belanghebbenden die op grond van het vijfde lid van artikel 4 hun zienswijze
                        over de aanvraag naar voren hebben gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>Intrekking of wijziging vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:</al><al>ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn
                        verstrekt;</al><al>op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden
                        na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of
                        wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                        waarvan de vergunning is vereist;</al><al>de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zijn of worden
                        nagekomen;</al><al>de houder of zijn rechtverkrijgende daarom verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Vervaltermijn vergunning</titel></kop><al>De vergunning vervalt indien daarvan niet binnen één jaar na het
                        onherroepelijk worden gebruik is gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Bijzondere
                            vergunningvoorschriften</titel></kop><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het
                        voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door
                        burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant.</al><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij
                        tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herplanting en op welke
                        wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.</al><al/><al>Indien voldoende termen aanwezig zijn om overeenkomstig het bepaalde in het
                        eerste lid een herplantvoorschrift aan de vergunning te verbinden doch
                        uitvoering hiervan niet of in onvoldoende mate tegemoet komt aan de belangen
                        die deze verordening ingevolge artikel 7 eerste lid beoogt te beschermen,
                        dan kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning het voorschrift
                        verbinden dat de vergunningaanvrager een overeenkomstig het vierde lid te
                        bepalen vergoeding verschuldigd is, welke dient te worden gestort in het
                        gemeentelijke bomenfonds, bedoeld in artikel 18, eerste lid.</al><al/><al>Burgemeester en wethouders stellen de hoogte van de in het vorige lid
                        bedoelde vergoeding vast op basis van de boomwaarde van de houtopstand
                        waarop de vergunning betrekking heeft, verminderd met de kosten van
                        uitvoering van een eventueel aan de vergunning verbonden herplantvoorschrift
                        als bedoeld in het eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Herplant-Iinstandhoudingsplicht</titel></kop><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                        verordening van toepassing is, zonder vergunning van burgemeester en
                        wethouders is geveld, danwel op andere wijze teniet is gegaan, kunnen
                        burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop
                        de houtopstand zich bevond danwel aan degene die uit andere hoofde tot het
                        treffen van de voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te
                        herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een
                        door hen te stellen termijn.</al><al/><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan
                        daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op
                        welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.</al><al>Indien houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                        verordening van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd,
                        kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond
                        waarop zich de houtopstand bevindt, danwel aan degene die uit andere hoofde
                        tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om
                        overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te
                        stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                        weggenomen.</al><al/><al>Indien voldoende termen aanwezig zijn om overeenkomstig het bepaalde in het
                        eerste lid een herplantverplichting op te leggen doch uitvoering hiervan
                        niet of in onvoldoende mate tegemoet komt aan de belangen die deze
                        verordening ingevolge artikel 7 eerste lid beoogt te beschermen, dan kunnen
                        burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de</al><al>grond waarop zich de houtopstand bevond, danwel aan degene die uit anderen
                        hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting
                        opleggen een overeenkomstig het vijfde lid te bepalen vergoeding te betalen,
                        welke dient te worden gestort in het gemeentelijke</al><al>bomenfonds, bedoeld in artikel 18, eerste lid.</al><al/><al>Burgemeester en wethouders stellen de hoogte van de in het vorige lid
                        bedoelde vergoeding vast op basis van de boomwaarde van de in het eerste lid
                        bedoelde houtopstand, verminderd met de kosten van uitvoering van een
                        eventueel opgelegde herplantverplichting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Op een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 17 van de Boswet
                        beslist de gemeenteraad. Op de behandeling van ingediende verzoeken om
                        schadevergoeding zijn de bepalingen van de bij raadsbesluit van 28 september
                        1995 vastgestelde "Procedureverordening Planschadevergoeding 1995" van
                        overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>Bestrijding van iepziekte</titel></kop><al>Dit artikel verstaat onder:</al><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophi-ostoma ulmi
                        (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);</al><al>iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de
                        soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytusmultistriatus (Marsh). en Scolytus
                        pygmaeus.</al><al/><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar oordeel van
                        burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor verspreiding van de
                        iepziekte of van vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende,
                        indien hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven,
                        verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:</al><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al><al>de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;</al><al>de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te
                        behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.</al><al>a. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad
                        te hebben of te vervoeren;</al><al>Het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op
                        iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter;</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder a. van
                        dit lid gestelde verbod.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:</nr><titel>Verhouding tussen kap- en bouw- of
                        aanlegvergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders stemmen de procedures betreffende kapvergunning
                        en aanleg of bouwvergunning in het ontwerpstadium op elkaar af.</al><al>De kap-, bouw- en aanlegvergunningen worden zoveel mogelijk per project
                        gelijktijdig afgege<cursief>ven.</cursief></al><al>Een kapvergunning kan worden geweigerd op de enkele grond dat de bouw- of
                        aanleg plannen nog niet definitief zijn.</al><al>Een kapvergunning kan worden geweigerd, nadat een bouw- of aanlegvergunning
                        is verleend, indien de rechthebbende aanvrager van een kapvergunning niet,
                        niet tijdig, of niet volledig de aanwezigheid heeft gemeld van een
                        beeldbepalende of anderszins waardevolle houtopstand</al><al>aan burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:</nr><titel>Monumentale bomen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op aanvraag van een
                        belanghebbende, bomen en andere houtopstanden als monumentaal aanwijzen,
                        indien deze naar hun oordeel op grond van de in artikel 7 genoemde criteria
                        van bijzondere betekenis zijn. Zij kunnen bij</al><al>hun aanwijzing tevens de boomwaarde als motivering hanteren.</al><al>Op de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is de afdeling 3.4 van de
                        Algemene wet bestuursrecht van toepassing. </al><al/><al>Met ingang van de datum waarop de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12
                        van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaatsgevonden tot het moment dat
                        inschrijving op de lijst als bedoeld in het vijfde lid plaatsvindt, danwel
                        vaststaat dat de boom of houtopstand niet als monumentaal op de lijst wordt
                        ingeschreven, vindt het bepaalde in artikel 2, tweede lid onder h geen
                        toepassing .</al><al/><al>Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de aanwijzing binnen acht weken
                        of, indien over het ontwerp tijdig een zienswijze kenbaar is gemaakt, binnen
                        twaalf weken na de termijn van terinzagelegging als bedoeld in artikel 3:11
                        van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al>Burgemeester en wethouders houden een lijst aan, waarop zij houtopstanden
                        inschrijven, die zij als monumentaal hebben aangewezen, voorzover tegen die
                        aanwijzing binnen de daarvoor gestelde termijn geen bezwaar is gemaakt of
                        beroep is ingesteld, danwel een tegen die aanwijzing ingesteld beroep is
                        afgewezen.</al><al/><al>De in het vorige lid genoemde lijst kan drie categorieën van monumentale
                        bomen en houtopstanden bevatten, namelijk: - nationale, geregistreerde;</al><al>lokale; toekomstige.</al><al>De in het vijfde lid bedoelde lijst van monumentale houtopstanden omvat in
                        ieder geval een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats,
                        de eigenaar en/of zakelijk</al><al>gerechtigde en de reden van registratie van iedere houtopstand.</al><al>Een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid wordt voor een
                        monumentale houtopstand slechts verleend, indien sprake is van een ernstige
                        bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke
                        situaties.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op aanvraag van een
                        belanghebbende,</al><al>bomen en andere houtopstanden, die zij op grond van dit artikel als
                        monumentaal hebben</al><al>aangewezen, van de in het vijfde lid bedoeld lijst afvoeren, indien de
                        betreffendehoutopstand:</al><al>is geveld of op andere wijze teniet is gegaan;</al><al>naar hun oordeel op grond van de in artikel 7 genoemde criteria niet langer
                        van bijzondere betekenis is. In dat geval zijn de leden 2 t/m 4 van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>De gemeente bezit een bijzondere onderhoudsplicht voor de eigen monumentale
                        houtopstanden, zoals een goed beheerder betaamt.</al><al>De gemeente draagt mede zorg voor het structureel onderhoud aan
                        houtopstanden van</al><al>derden die op grond van dit artikel op de monumentenlijst zijn ingeschreven.
                        Zij verleent</al><al>daartoe de door haar noodzakelijk geachte diensten.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:</nr><titel>Bomenfonds</titel></kop><al>De gemeente houdt een bomenfonds ten behoeve van de vervanging, het herstel
                        en de</al><al>uitbreiding van houtopstanden.</al><al>Burgemeester en wethouders regelen de wijze, waarop uitkeringen uit het
                        fonds worden</al><al>verstrekt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:</nr><titel>Bescherming openbare bomen</titel></kop><al>Het is verboden om houtopstanden, die openbaar eigendom zijn:</al><al>te beschadigen, te bekladden of te beplakken;</al><al>daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren ter uitoefening
                        van de</al><al>hun opgedragen boomverzorgende taak.</al><al>Het is verboden om een of meer voorwerpen aan een openbare houtopstand aan
                        te brengen</al><al>of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van burgemeester en
                        wethouders.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 7, 8 of 12 is gegeven,
                        onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in artikel 13 is opgelegd,
                        alsmede diens rechtsopvolger, is gehouden dienovereenkomstig te
                        handelen.</al><al>Hij die handelt in strijd met artikel 2, eerste lid, danwel een voorschrift
                        onderscheidenlijk een verplichting als bedoeld in het eerste lid niet
                        nakomt, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een
                        geldboete van de tweede categorie. Tevens kan een rechterlijke veroordeling
                        op grond van dit artikel openbaar gemaakt worden. Bij de strafmaatbepaling
                        kan rekening worden gehouden met de boomwaarde.</al><al>Degene die handelt in strijd met het voorschrift als bedoeld in artikel 15,
                        tweede of derde lid, of in artikel 19, eerste of tweede lid, wordt bestraft
                        met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de
                        tweede categorie.</al><al>De op grond van dit artikel ingestelde strafvervolging laat onverlet de
                        mogelijkheid tot het</al><al>instellen door burgemeester en wethouders van een privaatrechtelijke
                        vordering tot schadevergoeding wegens schade aan bomen en
                        houtopstanden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:</nr><titel>Toezicht en opsporing</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van deze verordening danwel de opsporing van
                        de in deze</al><al>verordening strafbaar gestelde feiten zijn behalve de ambtenaren, genoemd in
                        artikel 141 van het wetboek van strafvordering, belast de daartoe door
                        burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22:</nr><titel>Betreden van gebouwen en terreinen</titel></kop><al>Zo dikwijls als de zorg voor de naleving van enig voorschrift van deze
                        verordening dit vereist,</al><al>wordt hierbij aan hen die met de zorg voor de naleving daarvan zijn belast
                        of daaraan moeten meewerken, de last verstrekt gebouwen, niet zijnde
                        woningen, en terreinen te betreden, desnoods tegen de wil van de
                        rechthebbende.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23:</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                        waarop zij is</al><al>bekendgemaakt.</al><al>Op dat tijdstip wordt de bij raadsbesluit van 24 april 1980 vastgestelde en
                        op 16 december</al><al>1993 laatstelijk gewijzigde kapverordening ingetrokken.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24:</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Vergunningen, verleend krachtens de ingetrokken kapverordening worden</al><al>indien en voorzover het verbod waarop de vergunning betrekking heeft, ook is
                        vervat in deze</al><al>verordening - geacht vergunningen in de zin van deze verordening te
                        zijn.</al><al>Voorschriften en verplichtingen opgelegd krachtens de ingetrokken
                        kapverordening blijven -</al><al>indien en voorzover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en
                        verplichtingen zijn</al><al>opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening - van kracht tot de termijn
                        waarvoor zij zijn</al><al>opgelegd, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</al><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                        aanvraag of verzoek</al><al>om vergunning, schadevergoeding of anderszins op grond van de ingetrokken
                        kapverordening</al><al>is ingediend waarop voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                        verordening nog niet</al><al>is beslist, wordt - indien en voorzover de bepalingen ingevolge welke de
                        aanvraag of het</al><al>verzoek is ingediend, ook zijn vervat in deze verordening - de ingetrokken
                        kapverordening</al><al>toegepast, tenzij de aanvrager of verzoeker de wens te kennen geeft dat de
                        bepalingen van</al><al>deze verordening worden toegepast.</al><al>Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift, betreffende een vergunning
                        bedoeld in het</al><al>eerste lid of een voorschrift of verplichting bedoeld in het tweede lid dat
                        voor of na het tijdstip</al><al>van inwerkingtreding van deze verordening is ingekomen binnen de voordien
                        geldende</al><al>termijn, wordt beslist met toepassing van de ingetrokken verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25:</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Bomenverordening 1996.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>d.d. 28 november 1996.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>(B. Schmidt)</ondertekening><ondertekening>, secretaris.</ondertekening><ondertekening>(W.Oosterman)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al/><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Artikel 1: Begripsomschrijvingen</vet></al><al>1. a. Houtopstand is het algemene begrip dat de Boswet zelf ook hanteert.
                        Dit begrip omvat</al><al>naast één of meer bomen tevens een houtwal, een houtsingel en een grotere
                        (lint)</al><al>begroeiing van struiken. Het begrip "hakhout" is weggelaten om verwarring te
                        voorkomen.</al><al>In de praktijk bleek dit begrip nogal eens te worden gehanteerd om
                        bepaalde</al><al>typen bomen en struiken (m.n. voorkomend in houtwallen en -singels) aan te
                        duiden</al><al>die, na te zijn afgehakt, wederom op de stam uitlopen, terwijl volgens de
                        Memorie van</al><al>Toelichting op artikel 1, lid 3 van de Boswet, waarin het begrip ook
                        voorkomt, niet <cursief>die</cursief></al><al>eigenschap voor de kwalificatie van het begrip "hakhout" van belang is, maar
                        het feit</al><al>of het houtgewas ook daadwerkelijk wordt geveld met het oogmerk om twijgen
                        te</al><al>oogsten. De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft dit belang van
                        het</al><al>aantonen van het oogmerk om twijgen te oogsten voor het bestaan van
                        hakhout</al><al>bevestigd. Omdat een dusdanig gebruik van bomen en struiken als deel van
                        het</al><al>(bedrijfs)huishouden in Achtkarspelen feitelijk niet of nauwelijks meer
                        voorkomt en dus</al><al>geen wezenlijk te beschermen waarde meer vormt, is het thans uit de
                        definitie van het</al><al>begrip "houtopstand" weggelaten.</al><al>Anders dan in de Kapverordening van 24 april 1980 wordt het begrip
                        "houtsingel"</al><al>thans onderscheiden van het begrip "houtwal" vanwege het wezenlijke
                        onderscheid</al><al>tussen beide, in Achtkarspelen veel voorkomende, vegetatietypen (zie ook de
                        toelichting</al><al>op de leden 1 d, e en f). Ook nieuw in de begripsomschrijving is "grotere
                        (Iint)begroeiing</al><al>van struiken". Vanwege de ecologische waarde die een dergelijke
                        begroeiing</al><al>(bijv. een meidoorn- of mispelhaag) kan hebben kan bescherming gewenst zijn.
                        Er</al><al>wordt gesproken van "begroeiing" in plaats van "beplanting" om de
                        mogelijkheid te</al><al>openen ook spontaan ontstaan groen bescherming te bieden. Wel geldt, evenals
                        bij</al><al>een houtwal of houtsingel, dat het om een "grotere" begroeiing, dus "van
                        enige omvang"</al><al>moet gaan. De lintvormigheid is minder van belang: ook bijv. een grotere
                        driehoek</al><al>van struiken kan waardevol zijn door soort en ligging. Solitaire struiken of
                        heesters</al><al>zijn niet onder de voorschriften begrepen.</al><al>Het begrip "dunning" is weggelaten teneinde mogelijk misbruik te voorkomen:
                        men</al><al>meent geen vergunning te hoeven aanvragen, het is immers dunning. De Hoge
                        Raad</al><al>bepaalde dat "dunning (in de Boswet...) een normale onderhoudsmaatregel is"
                        en de</al><al>gemeente niet een normale bedrijfshuishouding mag beperken (HR 18.06.1985),
                        M&amp;R</al><al><cursief>86/1, </cursief>blz. 20, NJ '86, 183). Artikel 1, lid 1 b. van de
                        Kapverordening 1980 is derhalve</al><al>komen te vervallen.</al><al><cursief>bIc. </cursief>Als struik wordt doorgaans beschouwd iedere
                        houtachtige plant die zich vlak boven de</al><al>grond vertakt en in tegenstelling tot een boom geen echte stam heeft. De
                        term heg of</al><al>haag heeft in het algemeen betrekking op een omheining van struiken (of soms
                        bomen)</al><al>die regelmatig in de gewenste vorm wordt geschoren. Deze omschrijvingen
                        van</al><al>"boom" en "struik" spreken verder voor zichzelf. Het onderscheid is
                        aangebracht om</al><al>ook bepaalde categorieën struiken (waaronder landschappelijk waardevolle
                        heggen en</al><al>hagen) te kunnen beschermen.</al><al><cursief>d/e/f. </cursief>In de Kapverordening 1980 vallen blijkens de
                        toelichting onder het begrip "houtwal"</al><al>alle lintvormige begroeiingen van enige uitgestrektheid, bestaande uit bomen
                        en</al><al>struiken, zoals houtsingels, houtkaden, graften, graven of steilranden.
                        Laatstgenoemde</al><al>houtopstanden komen in Achtkarspelen echter in het geheel niet voor,
                        terwijl</al><al>tussen houtwallen en houtsingels een wezenlijk onderscheid wordt gemaakt.
                        Dit is in</al><al>de begripsomschrijvingen van de leden 1 d en f tot uitdrukking gebracht. In
                        beide</al><al>gevallen zal het moeten gaan om begroeiingen van enige uitgestrektheid. Ter
                        beantwoording</al><al>van de vraag of aan dit criterium wordt voldaan zal het vóórkomen van
                        de</al><al>houtopstand in een gemeentelijk landschaps- of bestemmingsplan of een
                        gemeentelijke</al><al>landschapsinventarisatie doorgaans voldoende houvast kunnen bieden.</al><al>Houtwallen en -singels kunnen volgens de begripsomschrijving ook bestaan
                        uit</al><al>"boomvormers". Dit zijn opnieuw uitgelopen boomstronken, die door hun aard
                        en</al><al>omvang evenzeer bescherming kunnen behoeven als iedere andere boom.</al><al>Het begrip "boomwal" is een verbijzondering van het begrip "houtwal".
                        Hierbij gaat het</al><al>om een houtwal die zich kenmerkt door de aanwezigheid van oudere,
                        volwassen</al><al>bomen en een spaarzame onderbegroeiing van struiken en kruiden. Als
                        criterium voor</al><al>de boomdikte wordt een dwarsdoorsnede van de stam gehanteerd van minimaal
                        20</al><al>centimeter op 1,3 meter boven het maaiveld. De zinsnede "op geregelde
                        afstand"</al><al>geeft aan dat het niet om een incidentele boom, maar om meerdere bomen zal
                        moeten</al><al>gaan, die min of meer gelijkelijk over de houtwal zijn verdeeld. Doorgaans
                        zal in de</al><al>praktijk snel duidelijk zijn of van een boomwal sprake is. Ook hier kan een
                        gemeentelijke</al><al>landschapsplan duidelijkheid bieden.</al><al>De omschrijving van het begrip "boomwal" is hoofdzakelijk opgenomen om ten
                        aanzien</al><al>van houtwallen en boomwallen een verschillend onderhoudsregime te
                        kunnen</al><al>instellen.</al><al>De omschrijving van het begrip knotten/kandelaberen is bedoeld ter
                        afbakening van</al><al>illegaal en ondeskundig snoeien van daarvoor ongeschikte bomen. Deze
                        definitie vult</al><al>nader de mogelijkheid aan om zonder kapvergunning onderhoud te kunnen
                        plegen</al><al>aan daarvoor wel geschikte bomen als bepaald in artikel 2 lid e sub i van
                        deze verordening.</al><al>Ook voor de vakkundige begrenzing van het begrip "geknot" in artikel 2, lid
                        2</al><al>sub a is deze definitie nuttig.</al><al>Deze omschrijving is opgenomen omdat het begrip onderhoud in de praktijk
                        niet</al><al>zelden (te) ruim werd geïnterpreteerd, met name voor wat betreft houtwallen
                        en -</al><al>singels. Het kwam voor dat het onderhoud aan dergelijke houtopstanden sterk
                        werd</al><al>geïntensiveerd of onjuist werd uitgevoerd om er voor eens en voor altijd van
                        af te zijn.</al><al>Mitsdien werd behoefte gevoeld aan een nadere concretisering en
                        objectivering van</al><al>het begrip. De onderhoudsmaatregel zal ten dienste moeten staan van het
                        behoud en</al><al>de geleidelijke verjonging van de houtopstand. Dit betekent dat het groot
                        onderhoud</al><al>met geregelde tussenpozen en op deskundige wijze dient plaats te vinden. Als
                        richtlijn</al><al>geldt:</al><al>cyclus Te treffen maatregelen</al><al>Houtsingels Elke 10-15 jaar Afzetten met behoud van spaarbomen (bij</al><al> houtsingels meidoorn als spaarboom</al><al>handhaven). Afzagen niet te laag bij de grond.</al><al>Dunne stammetjes op ± 10 cm boven de</al><al>grond. Dikkere stammen op ± 20 à 30 cm. Bij</al><al>bestaande hakhoutstobben stammen op enkele</al><al>cm afzagen.</al><al>Periode: half nov. t/m half april (m.u.v. berk tot</al><al>half februari)</al><al>Takhout verwijderen, stapelen of op rillen tussen</al><al>de stobben leggen. Dunning (= blijvend</al><al>Houtwallen Elke 15-20 jaar</al><al>verwijderen van</al><al>houtopstand ten gunste van andere) uitsluitend</al><al>als uitzondering en met het doel ruimte te</al><al>bieden voor spontane vestiging van nieuwe</al><al>bomen en struiken.</al><al>NB: het onderhoud dient gelijkmatig aan het</al><al>binnen een bepaald gebied aanwezige</al><al>bestand te worden uitgevoerd, zodat de karakteristieke</al><al>landschapsstructuren herkenbaar</al><al>blijven. Het gelijktijdig afzetten van houtwallen-</al><al>of singels over grote oppervlakten</al><al>wordt als vergunningplichtig aangemerkt.</al><al>Boomwallen Niets doen Eindbeeld. Langs wegen regelmatige</al><al>boomverzorging (verwijderen dood takhout)</al><al>Het bovenstaande schema is van belang in verband met de vraag of een
                        bepaalde</al><al>voorgenomen velling van een houtwal of houtsingel ingevolge artikel 3
                        meldingplichtig</al><al>is.</al><al>De bebouwde kom als bedoeld in dit artikel is bij raadsbesluit van 27
                        november 1980</al><al>(agd. pt. 7) reeds vastgesteld overeenkomstig het gebied dat op de
                        bestemmingsplankaarten</al><al>van de dorpen als zodanig is aangegeven of binnen de begrenzing van de</al><al>bestemmingsplannen voor de dorpen valt. Dit besluit is goedgekeurd door
                        Gedeputeerde</al><al>Staten van Friesland bij besluit van 19 februari 1981, no. 34971 en in
                        werking</al><al>getreden op 20 maart 1981.</al><al>De boomwaarde is toegevoegd om de (financiële) waarde van bomen objectief
                        te</al><al>kunnen bepalen. De gehanteerde methode "Raad" is landelijk gezien de meest
                        gebruikte.</al><al>Uit de zich snel ontwikkelende rechtspraak blijkt ook de rechter deze
                        methode</al><al>te erkennen, zowel voor gemeentelijke als particuliere bomen. Bij grotere
                        schadebedragen</al><al>aan bomen (vanaf circa <cursief>f </cursief>5.000,--) is de tussenkomst van
                        een onafhankelijk,</al><al>beëdigd taxateur van bomen en houtige gewassen aan te bevelen.</al><al>Het begrip "vellen" zelf is niet omschreven. Voor de betekenis ervan kan
                        worden</al><al>uitgegaan van het normale spraakgebruik. Zo zal het omhakken of afzagen van
                        een</al><al>boom zeker als vellen moeten worden beschouwd. Het snoeien (inkorten of
                        wegnemen</al><al>van takken, waaronder het structureel onderhoud aan monumentale
                        houtopstanden</al><al>als bedoeld in artikel 17, lid 11) wordt daarentegen niet als "vellen"
                        aangemerkt</al><al>(en is dus niet vergunningplichtig) mils de te snoeien boom daarbij gebaat
                        is. Wordt</al><al>echter - om maar eens een voorbeeld te noemen - de stam tot op betrekkelijk
                        grote</al><al>hoogte ontdaan van takken, zodat van de kroon slechts een klein deel
                        overblijft (het</al><al>zgn. kandelaberen), of wordt de top uit de boom gezaagd (het zgn. knotten),
                        dan is</al><al>wel sprake van een handeling als bedoeld in dit artikellid. Het zogenaamde
                        "afzetten",</al><al>d.w.z. het met inbegrip van de stam inkorten van daarvoor geschikte
                        houtsoorten,</al><al>wordt eveneens als vellen aangemerkt. Voorzover een dergelijke vorm van
                        vellen kan</al><al>worden aangemerkt als een maatregel in het kader van groot onderhoud aan
                        houtwallen</al><al>en -singels voorziet artikel 3 in een meldingsplicht.</al><al>De omschrijving van "vellen" omvat blijkens onderhavig artikel ook het
                        "rooien" (met</al><al>wortel en al verwijderen) en "het verrichten van handelingen die de dood of
                        ernstige</al><al>beschadiging van houtopstand tot gevolg kunnen hebben". Deze omschrijving
                        komt</al><al>overeen met die van de Boswet (artikel 1, tweede lid). Om misverstanden uit
                        te sluiten</al><al>zijn toegevoegd "verplanten" of "ernstig ontsieren".</al><al>De toevoeging "zowel boven- als ondergronds" is bedoeld om ook op te kunnen
                        treden</al><al>tegen ernstige, ondergrondse beschadiging bij bijv. de aanleg van kabels en
                        leidingen.</al><al>De expliciete, ondergrondse bescherming lijkt nodig gezien de merkwaardige
                        achterstelling</al><al>van het kappen van wortel ten opzichte van het afsnijden van takken in
                        artikel</al><al>5:44 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Vgl. Bomennieuws 3/41992, blz. 66
                        e.v. Be·</al><al>langrijk is in dit verband de uitspraak van de Hoge Raad van 15/12/1992
                        (ongepubliceerd)</al><al>in de zaak Slootjes. De Hoge Raad stelde dat ook het vakkundig,
                        rigoureus</al><al>knotten tot de stam met uitsteeksels (het zgn. kandelaberen) ernstig
                        beschadigen in</al><al>de zin van dit artikel kan zijn en dus kapvergunningplichtig is.</al><al>De nadere omschrijving van het begrip "vellen" in dit artikellid heeft
                        alleen betrekking</al><al>op (actieve) handelingen en niet op het (passieve) nalaten van handelingen.
                        Bijvoorbeeld</al><al>het nalaten van onderhoud, het niet nemen van maatregelen om ernstig
                        bedreigde</al><al>houtopstand veilig te stellen of het lijdelijk toezien dat houtopstand - al
                        dan niet</al><al>door toedoen van anderen - ten gronde gaat. Het gaat te ver om ook een
                        dergelijk</al><al>"stilzitten" onder het actieve begrip "vellen" te brengen. Tegen ernstige
                        verwaarlozing</al><al>kan echter wel worden opgetreden. In dit verband wordt gewezen op artikel 13
                        en de</al><al>toelichting daarop.</al><al/><al><vet>Artikel 2: Kapverbod</vet></al><al>Zoals bij de toelichting op artikel 1, eerste lid onder a is aangegeven, is
                        het begrip</al><al>"dunning" komen te vervallen. Verder is dit artikkellid nagenoeg ongewijzigd
                        overgenomen</al><al>uit de Kapverordening 1980. Gekozen is voor een algemeen kapverbod,
                        behoudens</al><al>nader genoemde uitzonderingen of verkregen vergunning.</al><al>a t/m d. Lid 2 geeft een groep uitzonderingen op het in het eerste lid
                        gestelde verbod. De</al><al>onder a tot en met d vervatte uitzonderingen vloeien voort uit artikel 15,
                        lid 2 van de</al><al>Boswet, waarin de categorieën bomen of houtopstanden worden genoemd, ter
                        bewaring</al><al>waarvan de gemeentelijke wetgever geen regels mag stellen. Hiertoe
                        behoren</al><al>o.a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden,
                        beide</al><al>voor zover bestaande uit populieren of wilgen. Bij wet van 8 december 1982,
                        Stb. 706,</al><al>is echter voor de hier bedoelde wilgen en populieren een uitzondering
                        gemaakt,</al><al>doordat aan artikel 15, tweede lid, onder a, van de Boswet is toegevoegd
                        "tenzij deze</al><al>zijn geknot". De gemeentelijke wetgever heeft daarmee de mogelijkheid
                        gekregen</al><al>regelen te stellen ter bewaring van knotwilgen en knotpopulieren die deel
                        uitmaken</al><al>van wegbeplantingen of eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden.
                        Het</al><al>kapverbod geldt wel voor wilgen en populieren, niet zijnde wegbeplantingen
                        of eenrijige</al><al>beplanting op of langs landbouwgronden, waarbij niet van belang is of deze
                        wel of</al><al>niet zijn geknot.</al><al>Bij de onderdeel in b opgenomen uitzondering kan worden vermeld, dat
                        blijkens de</al><al>Memorie van Toelichting een notenboom een vruchtboom is. Het begrip
                        "vruchtboom"</al><al>is niet duidelijk. Bedoeld zal wel niet zijn "vruchtdragende boom", want
                        anders zouden</al><al>gemeente en provincies voor geen enkele boom regels mogen stellen. Uit de
                        parlementaire</al><al>discussie over artikel 15, lid 2 van de Boswet kan worden afgeleid, dat
                        wordt</al><al>gedacht aan bomen die uit economische motieven worden geteeld, dat wil
                        zeggen</al><al>bomen zoals die staan in boomgaarden oftewel fruitbomen. Uit Kb 24 oktober
                        1986,</al><al>nr. 43, Milieu en recht 1987/8, blz. 297 (Breda) blijkt, dat de Kroon, in
                        tegenstelling tot</al><al>de parlementaire discussie, een solitaire vruchtboom eveneens onder de
                        uitzondering</al><al>van artikel 1, vierde lid onder e van de Boswet brengt. Dit houdt in dat ten
                        behoeve</al><al>van het kappen van iedere vruchtboom geen vergunning vereist is.</al><al>Deze bepaling geeft in het eerste gedeelte een uitzondering, waartoe de wet
                        eveneens</al><al>verplicht. Ingevolge artikel 15, lid 3 van de Boswet is de gemeenteraad
                        immers niet</al><al>bevoegd regelen te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden
                        die deel</al><al>uitmaken van bosbouwondernemingen, die als zodanig bij het Bosschap
                        geregistreerd</al><al>staan en gelegen zijn buiten de bebouwde kom.</al><al>Dit onderdeel ziet op het geval dat bomen moeten worden geveld ter
                        bestrijding van</al><al>plantenziekten. Onder dit artikel werden voorheen de maatregelen tegen
                        iepziekte</al><al>gewaarborgd, maar het Besluit bestrijding iepziekte is in 1991 vervallen.
                        Vandaar de</al><al>toevoeging van een iepziektebestrijdingsregeling onder artikel 15 van deze
                        verordening.</al><al>Niettemin is de verwijzing naar de Plantenziektenwet zinvol voor de
                        handhaving</al><al>van het Besluit bestrijding bacterievuur en eventuele toekomstige
                        plantenziekten.</al><al>Deze bepaling is bedoeld om zonder schriftelijke vergunning te kunnen
                        overgaan tot</al><al>het rooien van op openbaar terrein staande gemeentebomen die vernield, dood
                        of</al><al>bijna dood zijn en waarvoor doorgaans vervangende bomen worden geplant.
                        Het</al><al>maken van een uitzondering voor gemeentebomen in het algemeen wordt
                        psychologisch</al><al>onjuist geacht.</al><al>In deze bepaling is een uitzondering op de vergunningplicht opgenomen voor
                        erf- en</al><al>tuinbomen. Met term "erven en tuinen" wordt aangesloten bij de in artikel 1,
                        lid 4 onder</al><al>van de Boswet gehanteerde terminologie. Evenals in de Boswet zijn de
                        begrippen</al><al>niet nader te omschreven. Uitgegaan dient te worden van de betekenis van de
                        begrippen</al><al>in het normale spraakgebruik. Overigens is het begrip niet beperkt tot
                        woningen.</al><al>Ook erven en tuinen bij (agrarische) bedrijven en andere gebouwen, zoals
                        scholen,</al><al>kerken e.d. komen voor toepassing van dit artikel in aanmerking. Om te
                        voorkomen</al><al>dat deze uitzonderingsregeling, als gevolg van onduidelijkheden over wat
                        exact onder</al><al>"erf' en "tuin" moet worden verstaan, ongewenste consequenties met zich
                        brengt, zijn</al><al>de begrippen gerelateerd aan het begrip "hoofdgebouw". Voor de betekenis van
                        dit</al><al>begrip wordt hier aangesloten bij de wet- en regelgeving op het gebied van
                        de ruimtelijke</al><al>ordening en het bouwen. Verder is een nadere beperking naar oppervlak
                        aangebracht</al><al>(20 meter van enige gevel). Op die manier vallen gemiddelde tuinen en
                        erven</al><al>bij woningen en andere gebouwen onder de werkingssfeer van dit artikel.
                        Grotere</al><al>tuinen en erven bieden een boom meer ruimte, waardoor deze minder aanleiding
                        tot</al><al>hinder zal geven. De gehanteerde afstand is overigens niet bedoeld om de
                        begrippen</al><al>"erf' en "tuin" uit te breiden, m.a.w. niet alles wat binnen een afstand van
                        20-meter valt</al><al>is ook automatisch als "erf' of "tuin" aan te merken.</al><al>Om waardevolle houtopstanden op erven en in tuinen toch bescherming te
                        kunnen</al><al>bieden is de uitzondering op de vergunningplicht niet van toepassing op
                        monumentale</al><al>bomen, houtwallen- en houtsingels en houtopstanden die zijn geplant
                        krachtens een</al><al>herplantverplichting als bedoeld in artikel 13.</al><al>Zie toelichting op artikel 1, lid 1 onder g.</al><al>W:IDOCIDTAK\VERORDENIBOMENVER.96</al><al/><al><vet>Artikel 3: Meldingsplicht groot onderhoud houtwallen en
                            houtsingels</vet></al><al>Het vellen (afzetten) van houtwallen en -elzensingels is op grond van
                        artikel 2, eerste</al><al>lid in beginsel vergunningplichtig. Het eerste lid van artikel 3 maakt
                        echter een uitzondering</al><al>op deze vergunningplicht als het afzetten plaatsvindt in het kader van het
                        groot</al><al>onderhoud aan de houtwal of -singel. Voorwaarde is wel dat degene, die het
                        voornemen</al><al>heeft om een houtwal of houtsingel bij wijze van groot onderhoud te vellen,
                        van</al><al>dit voornemen melding doet aan burgemeester en wethouders. Het
                        meldingsysteem is</al><al>enkel voorwaardelijk. Men mag niet vellen zonder voorafgaande melding. Het
                        systeem</al><al>is geen vergunningsysteem: velling mag in beginsel, na melding. Burgemeester
                        en</al><al>wethouders krijgen evenwel de gelegenheid de gemelde activiteit tegen te
                        houden als</al><al>naar hun oordeel geen sprake is van een maatregel ter uitvoering van "groot
                        onderhoud".</al><al>Om dit begrip te kunnen objectiveren is in artikel 1 , lid 1 onder h een
                        omschrijving</al><al>opgenomen. Wanneer burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de</al><al>gemelde activiteit geen groot onderhoud betreft en derhalve
                        vergunningplichtig is,</al><al>hebben zij drie weken de gelegenheid om dit aan de melder kenbaar te maken.
                        Het</al><al>voorwaardelijke systeem brengt met zich mee, dat door de melder zonder meer
                        tot</al><al>velling mag worden overgegaan, wanneer burgemeester en wethouders niet
                        binnen de</al><al>vereiste drie weken hebben gereageerd. Burgemeester en wethouders kunnen
                        de</al><al>termijn van drie weken waarna tot velling mag worden overgegaan uiteraard
                        verkorten,</al><al>door binnen die termijn een positieve reactie te doen uitgaan. Een positieve
                        reactie is</al><al>echter niet vereist om na afloop van de termijn tot velling te kunnen
                        overgaan.</al><al>Het meldingsysteem is bedoeld om de gemeente op de hoogte te houden van
                        de</al><al>vellingen aan de gevoelige landschapselementen en om te voorkomen dat
                        door</al><al>ondeskundige of overmatige onderhoudsmaatregelen sluipenderwijs een proces
                        van</al><al>landschapsverschraling optreedt. Het systeem is zo opgezet dat het voor de
                        melder in</al><al>procedureel opzicht een zo gering mogelijke belasting vormt.</al><al>Dit artikellid regelt de wijze van melding. Gekozen is voor een koppeling
                        met de vergunningaanvraag, teneinde onterecht gemelde vergunningplichtige
                        activiteiten op</al><al>basis van de reeds ingediende melding als vergunningaanvraag in behandeling
                        te</al><al>kunnen nemen.</al><al/><al><vet>Artikel 4: Aanvraag vergunning</vet></al><al>Schriftelijke aanvraag van de vergunning is vanzelfsprekend en vloeit voort
                        uit artikel</al><al>4:1 Algemene wet bestuursrecht. Voor de overige eisen die aan de aanvraag
                        worden</al><al>gesteld, wordt hier verwezen naar artikel 4:2 Awb. Teneinde
                        niet-ontvankelijke aanvragen</al><al>te voorkomen en de aanvrager op voorhand duidelijk te maken welke
                        gegevens</al><al>van hem of haar worden verlangd, is met inachtneming van artikel 4:4 Awb
                        gekozen</al><al>voor het aanvragen door middel van een door burgemeester en wethouders vast
                        te</al><al>stellen formulier. Een dergelijk formulier bevordert verder een uniforme
                        aanpak en</al><al>vereenvoudigd de gegevensverwerking.</al><al>Een situatieschets, op te stellen door de aanvrager, blijkt in de praktijk
                        nodig, aangezien</al><al>men de kapvergunning anders voor een andere houtopstand zou kunnen
                        gebruiken.</al><al>De woorden "of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid" zijn in de bepaling
                        opgenomen</al><al>in verband met gevallen waarin een overheidsorgaan, bijvoorbeeld een
                        provincie</al><al>of waterschap, bij wijze van bestuursdwang bomen wil vellen, die in strijd
                        met een</al><al>verordening of waterschapskeur geplant zijn. Deze bestuursdwang zal slechts
                        uitgeoefend</al><al>kunnen worden, indien de gemeente een kapvergunning verleent. Het</al><al>gemeentebestuur zou echter geen vergunning kunnen verlenen, wanneer de
                        vergunning</al><al>slechts door de zakelijk gerechtigde zou kunnen worden aangevraagd.</al><al>Bepaalde houtopstanden buiten de bebouwde kom kunnen zowel onder de Boswet
                        als</al><al>onder de Bomenverordening vallen. Dit betekent dat in die gevallen een
                        voorgenomen</al><al>velling moet worden gemeld aan het ministerie (nb: niet te verwarren met de
                        melding</al><al>als bedoeld in artikel 3 van deze verordening) en dat vergunning moet worden
                        aangevraagd</al><al>bij het gemeentebestuur. Het tweede lid van artikel 4 stelt nu dat de
                        wettelijk</al><al>voorgeschreven kennisgeving aan het ministerie mede wordt beschouwd als</al><al>vergunningaanvraag. Deze efficiënte werkwijze is mogelijk geworden, doordat
                        de</al><al>teammanager van de Landelijke Service bij Regelingen (zoals de directeur van
                        het</al><al>Staatsbosbeheer thans heet) van de bevestiging van de ontvangst van de
                        kennisgeving</al><al>een afschrift zendt aan het desbetreffende gemeentebestuur. Aangezien
                        dit</al><al>afschrift alle gegevens bevat, die het gemeentebestuur voor de beoordeling
                        van de</al><al>aanvraag nodig heeft, is een belangrijke vereenvoudiging verkregen die voor
                        de</al><al>belanghebbende boseigenaar vele van de bezwaren van het onderworpen zijn
                        aan</al><al>tweeërlei gezag wegneemt.</al><al>Dit artikellid treft een regeling voor meldingen, gedaan op grond van het
                        eerste lid van</al><al>artikel 3, die naar oordeel van burgemeester en wethouders niet voor
                        toepassing van</al><al>dat artikel in aanmerking komen. Op grond van artikel 3 lid 1 dienen
                        burgemeester en</al><al>wethouders dat binnen drie weken aan de melder mee te delen. De melding
                        wordt dan</al><al>automatisch aangemerkt als aanvraag om vergunning. In hun mededeling
                        geven</al><al>burgemeester en wethouders aan dat voor de betreffende activiteit naar hun
                        oordeel</al><al>een vergunning vereist is en dat de melding als aanvraag om vergunning wordt
                        aangemerkt.</al><al>Na verzending van die mededeling begint de termijn als bedoeld in artikel 5
                        te</al><al>lopen.</al><al>4/5. De leden 4 en 5 van artikel 3 regelen de voorbereiding van de
                        beslissing op de aanvraag</al><al>om kapvergunning. Deze procedure is een nadere uitwerking van afdeling
                        3.2</al><al>van de Algemene wet bestuursrecht ("Zorgvuldigheid en belangenafweging").
                        De</al><al>openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb is bewust niet van
                        toepassing</al><al>verklaard teneinde de besluitvorming ten aanzien van met name
                        eenvoudige</al><al>vergunningaanvragen niet onnodig te vertragen. Volgens de hier opgenomen
                        regeling</al><al>wordt de aanvraag (en dus niet het ontwerp-besluit) gedurende twee weken ter
                        inzage</al><al>gelegd, binnen welke termijn belanghebbenden schriftelijk hun zienswijze
                        over de</al><al>aanvraag kenbaar kunnen maken. Of gedurende de gestelde termijn al dan
                        niet</al><al>zienswijzen worden ingediend is van invloed op het verdere verloop van de
                        procedure.</al><al>In dat verband wordt gewezen op het bepaalde in de artikelen 5, 8 en 9 en de
                        toelichting</al><al>daarop.</al><al/><al><vet>Artikel 5: Beslistermijn</vet></al><al>In het verlengde van het bepaalde in artikel 4:13 Awb wordt een termijn van
                        maximaal</al><al>acht weken hier als een redelijke beslistermijn beschouwd. Aangezien binnen
                        deze</al><al>termijn ook publicatie en terinzagelegging van de aanvraag moet
                        plaatsvinden, kan die</al><al>termijn te kort zijn indien naar aanleiding daarvan zienswijzen naar voren
                        zijn gebracht.</al><al>Voor die gevallen is de beslistermijn verruimd tot maximaal twaalf weken.
                        De</al><al>beslistermijn kan door middel van een verdagingsbesluit worden verruimd tot
                        maximaal</al><al>twaalf respectievelijk zestien weken, indien de beslissing op de
                        kapvergunning</al><al>niet binnen de door de verordening gestelde termijn kan worden genomen.
                        Burgemeester en wethouders stellen de aanvrager en de overige
                        belanghebbenden van</al><al>deze verdaging in kennis. Het ligt voor de hand dat daarbij de redenen
                        worden aangegeven</al><al>die aan de verdaging ten grondslag liggen.</al><al/><al><vet>Artikel 6: Weigering ex lege</vet></al><al>In tegenstelling tot de model-Algemene Plaatselijke Verordening van de
                        Vereniging</al><al>van Nederlandse Gemeenten (Hoofdstuk 4, Afdeling 5, "Het bewaren van
                        houtopstanden"),</al><al>die de vergunning ex lege als uitgangspunt neemt en in de toelichting
                        de</al><al>weigering ex lege als mogelijkheid noemt, wordt hier het standpunt gehuldigd
                        dat,</al><al>indien er ondanks de in artikel 5 gestelde beslistermijn geen beslissing is
                        genomen,</al><al>handhaving van de houtopstand voorkeur verdient boven kap. Achterliggende
                        gedachte</al><al>is, dat de houtopstand niet het loodje mag leggen als gevolg van traagheid
                        of twijfel</al><al>bij de gemeente. Bovendien doet een weigering ex lege recht aan de rechten
                        van</al><al>derden-belanghebbenden. Consequentie van de weigering ex lege is wel, dat
                        het</al><al>college na het verstrijken van de beslistermijn niet langer bevoegd is om
                        alsnog (begunstigend)</al><al>op de aanvraag te beslissen. De aanvrager heeft evenwel duidelijkheid
                        in</al><al>de vorm van een voor beroep vatbare beschikking.</al><al><vet>Artikel 7: Toetsingscriteria</vet></al><al>Toegevoegd zijn de volgende weigeringsgronden:</al><al>natuur- en milieuwaarden worden vooropgesteld overeenkomstig de huidige</al><al>opvatting, dat de visuele, esthetische opvattingen over natuur-, landschaps-
                        en</al><al>dorps/stadsschoon (die dateren uit de jaren '20/'30 van deze eeuw) minder
                        van</al><al>belang zijn dan de ecologische noodzaak tot milieubeleid.</al><al>Met dit vooropstellen van natuur en milieu is echter niet bedoeld een
                        rangorde</al><al>in de weigeringsgronden aan te brengen. Dus een vergunning kan evengoed</al><al>alleen op grond van bijv. aantasting van landschappelijke waarden
                        worden</al><al>geweigerd als op grond van bedreiging van natuurwaarden.</al><al>landschappelijke waarden is meer eigentijdse benaming voor natuur- en
                        landschapsschoon;</al><al>cultuurhistorische waarden zijn apart opgenomen omdat een kleine of
                        reguliere</al><al>boom op een bepaalde plaats het behouden waard kan zijn vanwege de
                        historische</al><al>betekenis.</al><al>waarden voor de recreatie en leefbaarheid. Men kan hierbij bijvoorbeeld
                        denken</al><al>aan bomen die algemeen worden gewaardeerd om hun schaduw. Ook zou</al><al>het kunnen gaan om een foeilelijke klimboom, die bij de jeugd als
                        speelobject</al><al>waardering ondervindt.</al><al>De term "toetsingscriteria" bij dit artikel is verkozen boven de ook wel
                        gebruikte term</al><al>"weigeringsgronden" , omdat de genoemde waarden ook kunnen worden gebruikt
                        om</al><al>een vergunning onder voorschriften te verlenen en via artikel 17 tevens een
                        rol spelen</al><al>bij de toekenning van de monumentale status aan houtopstanden. In de aanhef
                        staat</al><al>"onder andere". De bovengenoemde opsomming is dus niet limitatief bedoeld;
                        er</al><al>kunnen dus nog meer en andere weigeringsgronden zijn.</al><al>Verwijzen naar een bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplan is
                        natuurlijk van</al><al>belang in verband met het motiveringsbeginsel en de eenheid en duidelijkheid
                        van</al><al>beleid.</al><al>Ook is toegevoegd dat bij weigeren of onder voorschriften verlenen van een
                        vergunning</al><al>de boomwaarde als motivering gehanteerd kan worden. Ook hier geldt de
                        in</al><al>artikel 1 lid 1 onder j besproken noodzaak van eenheid in financiële
                        benadering en de</al><al>voorzichtige toepassing hiervan.</al><al>In acute probleemsituaties die worden veroorzaakt door bomen, meestal dus
                        gevaarzetting</al><al>voor zaken of personen door instabiliteit van bomen, moet er meteen
                        gehandeld</al><al>kunnen worden.</al><al/><al><vet>Artikel 8: Standaardvoorschrift van niet-gebruik</vet></al><al>Dit artikel is om te vermijden dat de boom feitelijk al gekapt is voordat
                        derden-belanghebbenden</al><al>in de gelegenheid zijn gesteld om van hun
                        rechtsbeschermingsmogelijkheden</al><al>gebruik te maken. In het verlengde van artikel 4, leden 4 en 5 wordt een
                        voorwaarde</al><al>als bedoeld in dit artikel uitsluitend noodzakelijk geacht als naar
                        aanleiding van</al><al>de publicatie van de aanvraag tegen vergunningverlening zienswijzen zijn
                        ingediend.</al><al>Op die manier wordt voorkomen dat de houder van een kapvergunning,
                        waartegen</al><al>geen bezwaren bestaan, onnodig lang moet wachten voordat van die
                        vergunning</al><al>gebruik mag worden gemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 9: Bekendmaking</vet></al><al>Afdeling 3.6 Awb regelt de bekendmaking en mededeling van besluiten. Op
                        grond van</al><al>artikel 3:41 Awb geschiedt bekendmaking van besluiten, die tot een of meer
                        belanghebbenden</al><al>zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie de
                        aanvrager.</al><al>Artikel 3:42 Awb bepaalt dat besluiten, die niet tot een of meer
                        belanghebbenden zijn</al><al>gericht, geschiedt door kennisgeving van dat besluit of van de zakelijke
                        inhoud daarvan</al><al>in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws-, of
                        huis-aanhuisblad,</al><al>danwel op een andere geschikte wijze. Omdat de groep belanghebbenden</al><al>ingeval van kapvergunningen moeilijk bepaalbaar is, is gekozen voor de
                        systematiek</al><al>van artikel 4, leden 4 en 5 (publicatie van de aanvraag). Het ligt dan ook
                        in de rede de</al><al>bekendmaking van het besluit inzake verlening of weigering van de
                        kapvergunning te</al><al>beperken tot degenen, die daaromtrent hun zienswijze hebben kenbaar gemaakt.
                        Ook</al><al>de rechter lijkt steeds vaker van mening dat aan (evident) belanghebbenden
                        een afschrift</al><al>van de kapvergunning moet worden toegestuurd bij wijze van
                        bekendmaking.</al><al><vet>Artikel 10: </vet><vet>Intrekking of wijziging vergunning</vet></al><al>In dit artikel worden de gronden genoemd waarop een vergunning kan worden
                        ingetrokken</al><al>respectievelijk de daaraan verbonden voorschriften kunnen worden
                        gewijzigd.</al><al>De genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief
                        karakter</al><al>("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking c.q. wijziging
                        wordt</al><al>overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningvoorschriften
                        nopen tot</al><al>toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning.
                        Met</al><al>name het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens
                        de</al><al>bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Indien burgemeester en wethouders
                        overwegen</al><al>om de vergunning in te trekken of te wijzigen, dienen zij te letten op het
                        bepaalde</al><al>in artikel 4:8 Awb. Ook indien er geen sprake is van een situatie als
                        bedoeld in dit</al><al>artikel vereist het beginsel van behoorlijk bestuur dat een besluit
                        zorgvuldig moet</al><al>worden voorbereid (artikel 3:2 Awb). Dit betekent dat het bestuursorgaan,
                        ook wanneer</al><al>artikel 4:8 Awb niet van toepassing is, de vergunninghouder moet horen
                        voordat</al><al>tot intrekking of wijziging van de vergunning wordt overgegaan. Ingeval van
                        een</al><al>wijziging of intrekking die het gevolg is van een algemene beleidsbeslissing
                        van het</al><al>bestuursorgaan, is het echter vaak niet doenlijk om alle betrokkenen te
                        horen. Wel is</al><al>het gewenst om met vertegenwoordigers van belanghebbenden te
                        overleggen.</al><al/><al><vet>Artikel 11: Vervaltermijn vergunning</vet></al><al>Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat een bestand aan oude
                        kapvergunningen</al><al>ontstaat. Na verloop van een jaar is niet uitgesloten dat een
                        belangenafweging anders</al><al>uitvalt. Bomen groeien immers verder. Indien een vergunning is verleend voor
                        het</al><al>vellen van meerdere houtopstanden vervalt deze na een jaar voor de
                        houtopstanden</al><al>die op dat moment nog niet zijn geveld.</al><al><vet>Artikel 12: </vet><vet>Bijzondere vergunningvoorschriften</vet></al><al>Het eerste lid van artikel 12 stelt de mogelijkheid vast om een
                        herplantplicht aan de</al><al>vergunning te verbinden. In het algemeen mag hij die een vergunning mag
                        weigeren,</al><al>daaraan ook voorschriften verbinden. Met het oog hierop kan men deze
                        bepaling</al><al>wellicht als overbodig beschouwen.</al><al>Ook het KB van 05.05.1971, OB 1972, XV1I1.3, nr. 32633 (Beilen), lijkt de
                        conclusie te</al><al>wettigen dat ook zonder uitdrukkelijke bepaling een herplantplicht kan
                        worden opgelegd</al><al>en dat daarbij aanwijzingen kunnen worden gegeven of een termijn kan
                        worden</al><al>gesteld. Mede gezien het feit dat dit voorschrift ingrijpend kan zijn, is
                        het wenselijk</al><al>terzake een uitdrukkelijke bepaling op te nemen. Deze herplantplicht heeft
                        een andere</al><al>strekking dan de herplantplicht krachtens de Boswet. Daar is zij gericht op
                        het behoud</al><al>van het bosareaal (vandaar dat herplanten elders mogelijk is). Bij de
                        gemeente geschiedt</al><al>een eventuele herbeplanting om redenen van milieubeheer en zal zij vaak</al><al>zoveel mogelijk ter plaatse moeten gebeuren. De wet geeft voor herbeplanten
                        een</al><al>termijn van drie jaar. De gemeente hoeft deze termijn in haar verordening
                        niet aan te</al><al>houden. Behalve een termijn kunnen burgemeester en wethouders ook
                        aanwijzingen</al><al>geven met betrekking ot de herplantplicht. Denkbaar is dat een andere
                        boomsoort</al><al>wordt voorgeschreven (bijvoorbeeld iepen die beter bestand zijn tegen
                        iepziekte). Bij</al><al>vervanging van een grote boom kan worden gedacht aan herplanting van een
                        boom</al><al>van vergelijkbare grootte of aanplant van meer dan één boompje.</al><al>Ook het tweede lid zou, strikt genomen, kunnen worden gemist. Immers,
                        mislukt een</al><al>beplanting, aangebracht krachtens het eerste lid, dan is er sprake van het
                        teniet gaan</al><al>van beplanting. Ingevolge artikel 13, eerste lid, kan dan een verplichting
                        tot herbeplanting</al><al>worden opgelegd. Het kan echter gewenst zijn ter versnelling van het herstel
                        de</al><al>eventuele vervangingsverplichting gelijktijdig met de herplantplicht op te
                        leggen (inboetclausule</al><al>).</al><al>Het derde lid bevat de mogelijkheid om aan de kapvergunning het voorschrift
                        te</al><al>verbinden dat een financiële compensatie in het gemeentelijke bomenfonds
                        moet</al><al>worden gestort. De rechter acht een dergelijke betalingsverplichting
                        aanvaardbaar,</al><al>mits deze strekt tot behartiging van "het belang dat de kapverordening
                        beoogt te</al><al>dienen" (ABR 01.02.1995, Bouwrecht 1996, nr. 2, blz. 151 (kapverordening
                        Bussum)).</al><al>Om deze reden is een verwijzing naar artikel 7 lid 1 van de verordening
                        opgenomen.</al><al>In genoemde uitspraak formuleert de Afdeling bestuursrechtspraak verder nog
                        drie</al><al>criteria voor het gebruik van bedoeld bevoegdheid, te weten:</al><al>vast dient te staan, dat de compensatie in natura (de herplantplicht)
                        geen</al><al>uitkomst biedt of slechts in beperkte mate;</al><al>de omvang van de financiële compensatie mag niet groter zijn dan het
                        bedrag</al><al>dat gemoeid zou zijn met het vervullen van de totale herplantplicht;</al><al>het betaalde bedrag moet ook daadwerkelijk worden gespendeerd aan
                        herbeplanting</al><al>en dan nog wel in de directe omgeving.</al><al>In verband met laatstgenoemde eis is opgenomen dat de financiële compensatie
                        moet</al><al>worden gestort in het gemeentelijke bomenfonds, dat in artikel 18 in het
                        leven wordt</al><al>geroepen.</al><al>Van belang is, dat de Afdeling bestuursrechtspraak in bovengenoemde
                        uitspraak de</al><al>"methode Raad", waarop de boomwaarde als bedoeld in artikel 1, eerste lid
                        onder j is</al><al>gebaseerd, voor het berekenen van de waarde van de gevelde bomen en van
                        de</al><al>omvang van de locatie voor de herplantverplichting onderschrijft. In het
                        vierde lid van</al><al>artikel 12 is derhalve een verwijzing naar deze boomwaarde opgenomen. Met
                        het oog</al><al>op het tweede hierboven weergegeven criterium is toegevoegd dat de kosten
                        van de</al><al>herplantverplichting op de te betalen financiële compensatie in mindering
                        moeten</al><al>worden gebracht.</al><al/><al><vet>Artikel </vet><vet>13:
                        </vet><vet>Herplantlinstandhoudingsplicht</vet></al><al>Wanneer een herplantplicht alleen maar als vergunningvoorschrift zou kunnen
                        worden</al><al>gesteld, dan zou dat betekenen dat iemand aan de oplegging van een
                        herplantplicht</al><al>zou kunnen ontkomen door zonder vergunning te vellen. De in artikel 13
                        opgenomen</al><al>bepaling maakt het mogelijk in zulke gevallen een zelfstandige
                        herplantverplichting te</al><al>scheppen.</al><al>In het eerste lid is toegevoegd "danwel op andere wijze teniet is gegaan".
                        Burgemeester</al><al>en wethouders kunnen dus ook een verplichting tot herplantplicht opleggen,
                        als</al><al>houtopstand is tenietgegaan door verwaarlozing of door een calamiteit.
                        Oplegging van</al><al>een herplantplicht is in beginsel ook denkbaar, als houtopstand is
                        tenietgegaan door</al><al>een velling ingevolge de Plantenziektenwet of een velling in het kader van
                        een</al><al>instandhoudingsplicht als bedoeld in het derde lid. Voor het uitvoeren van
                        de herplantplicht</al><al>kan soms ook de medewerking van anderen dan de zakelijk gerechtigde</al><al>noodzakelijk zijn. Daarom is aansluiting gezocht bij de omschrijving van
                        artikel 14, lid 1</al><al>Woningwet: aanschrijvingen kunnen worden gericht tot de eigenaar "of tot
                        degene die</al><al>uit anderen hoofde tot het treffen van de voorzieningen bevoegd is".</al><al>Het tweede lid bevat de mogelijkheid om aan de zelfstandige
                        herplantverplichting een</al><al>inboetclausule te verbinden, vergelijkbaar met artikel 12, tweede lid.</al><al>Het derde lid betreft houtopstand die nog wel in leven is, maar waarvan
                        redelijkerwijs</al><al>kan worden aangenomen dat deze binnen afzienbare tijd teniet zal gaan. De
                        gemeente</al><al>zou in dat geval kunnen wachten totdat de houtopstand geheel teniet is
                        gegaan om</al><al>dan vervolgens op grond van het eerste lid een herplantplicht op te leggen.
                        Het kan</al><al>echter voorkomen dat de doelstelling van de verordening beter gediend is met
                        het</al><al>behoud van de bestaande bomen dan met vervanging daarvan. Met name valt
                        hierbij</al><al>te denken aan grote bomen. Deze zijn immers niet of slechts met grote kosten
                        te</al><al>vervangen, en wat bijvoorbeeld schoonheid, luchtzuiverende kwaliteit en
                        nesteIgelegenheid</al><al>betreft, wegen zij niet op tegen een veelheid van jonge boompjes.
                        Krachtens</al><al>Het derde lid van artikel 13 kan de zakelijk gerechtigde worden verplicht
                        tot het in</al><al>stand houden van dergelijke bomen. Deze verplichting kan inhouden het
                        ongedaan</al><al>maken of voorkomen, voorzover mogelijk, van (dreigende) ernstige
                        beschadiging of</al><al>aantasting als gevolg van weersomstandigheden, ziekten, verwaarlozing, vraat
                        door</al><al>dieren, het weghalen van bosstrooisel, bouw- en sloopwerkzaamheden, het
                        aanleggen</al><al>van terreinverhardingen, het storten van afval enz. De verplichting tot
                        instandhouding</al><al>hoeft niet altijd te betekenen dat van een boomgroep alle bomen moeten
                        blijven staan.</al><al>Om besmetting met ziekten te voorkomen kan zonodig de verplichting worden
                        opgelegd</al><al>bepaalde bomen te kappen en van het terrein te verwijderen. Bij een sterk
                        verouderd</al><al>bomenbestand kan het aanbeveling verdienen het bestand te kappen onder
                        het</al><al>opleggen van een herplantplicht.</al><al>De instandhoudingsverplichting mag uiteraard niet leiden tot strijd met
                        verplichtingen</al><al>krachtens hogere regelingen, zoals bijvoorbeeld de Plantenziektenwet.</al><al>4/5. De leden vier en vijf zijn vergelijkbaar met het vierde en vijfde lid
                        van artikel 12, met</al><al>dien verstande dat voor de financiële compensatie hier een koppeling is
                        gelegd met de</al><al>zelfstandige herplantplicht en niet met de voorschriften van de
                        kapvergunning. Verwezen</al><al>wordt naar de toelichting op artikel 12 leden 4 en 5.</al><al><vet>Artikel 14: </vet><vet>Schadevergoeding</vet></al><al>Krachtens artikel 17 van de Boswet wordt bij weigering van een kapvergunning
                        op</al><al>verzoek van de eigenaar of gebruiker een naar billijkheid te bepalen
                        schadevergoeding</al><al>uit de gemeentekas toegekend, indien schade wordt geleden die
                        redelijkerwijs</al><al>niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Echter, ook indien
                        een regeling niet</al><al>uitdrukkelijk een recht op schadevergoeding geeft, kan het
                        redelijkheidsbeginsel</al><al>meebrengen dat een belastende beschikking niet genomen wordt zonder dat
                        een</al><al>schadevergoeding wordt toegekend. Om die reden is in de bepalingen niet een
                        uitdrukkelijk</al><al>artikel opgenomen, dat het recht op schadevergoeding geeft voor
                        gevallen</al><al>dat een kapvergunning wordt verleend onder bezwarende voorschriften en
                        gevallen</al><al>dat een herplant- of instandhoudingsplicht wordt opgelegd en daardoor
                        onevenredige</al><al>schade ontstaat voor betrokkene.</al><al>Artikel 17 van de Boswet schrijft echter voor dat de verordening een orgaan
                        aanwijst</al><al>dat beslist op vergoeding van schade die voortvloeit uit het weigeren van
                        een vergunning.</al><al>In artikel 14, lid 1 wordt de gemeenteraad als zodanig aangewezen. De
                        reden</al><al>daarvoor is, dat eenvoudig kan worden aangesloten bij de procedureregeling
                        voor de</al><al>behandeling van vergelijkbare planschadevergoedingen. Bovendien zal de
                        raad</al><al>sowieso dienen te besluiten over het beschikbaar stellen van het voor
                        schadeloosstelling</al><al>benodigde krediet. Een nadeel van de gekozen regeling lijkt, dat niet langer
                        in één</al><al>procedure tegelijk kan worden beslist over kapvergunning en
                        schadevergoeding. Dit</al><al>argument moet echter worden afgezwakt wanneer men zich realiseert dat de
                        door de</al><al>Boswet mogelijk gemaakte schadeloosstelling wegens vellen van een
                        houtopstand in</al><al>de praktijk door de rechter zelden of nooit is toegekend (vgl. KB
                        29.08.1980, 11, AB</al><al>1980, 619 en KB 18.04.1984, 46, AB 1984, 444) en dus voor een theoretisch
                        geval lijkt</al><al>te zijn bedacht.</al><al>In dit lid is de Procedureverordening Planschadevergoeding van toepassing
                        verklaard.</al><al><vet>Artikel 15: Bestrijding van iepziekte</vet></al><al>1/2/3. Dit artikel is ten opzichte van de Kapverordening nieuw toegevoegd.
                        Bij de toelichting</al><al>op artikel 2, tweede lid onder f is al kort aangegeven dat het Besluit
                        bestrijding iepziekte</al><al>op 1 januari 1991 is opgeheven, waarmee de door het Ministerie van Landbouw
                        en</al><al>Visserij gecoördineerde iepziektebestrijding is komen te vervallen. Het
                        Ministerie acht</al><al>de ziekte beheersbaar, omdat als gevolg van de aanpak de infectiedruk op een
                        laag</al><al>niveau is gebracht. De Minister heeft de gemeenten nu zelf de bevoegdheid
                        gelaten</al><al>om tegen de ziekte op te treden. Optreden is dringend gewenst om de iepen in
                        ons</al><al>land te behouden.</al><al>Het artikel is overgenomen van het VNG-model met dien verstande dat wordt
                        gesproken</al><al>van "ontbasten" in plaats van "ontschorsen". Een bast is meer dan enkel
                        de</al><al>schors en noodzakelijk is het ontbasten.</al><al>In artikel 2, tweede lid onder f is de opheffing van het kapverbod geregeld
                        indien</al><al>sprake is van een aanschrijving die leidt tot het vellen van een boom.</al><al/><al><vet>Artikel 16: </vet><vet>Verhouding tussen kap- en bouw- of
                            aanlegvergunning</vet></al><al>Dit artikel is opgenomen om de procedures van de verschillende vergunningen
                        op</al><al>elkaar af te stemmen. Doordat de verschillende vergunningen elk hun eigen
                        beoordelingskader</al><al>kennen, is er niet voor gekozen om de kapvergunning volgend te laten
                        zijn</al><al>aan de bouw- of aanlegvergunning, bijvoorbeeld door het vellen van
                        houtopstanden ter</al><al>uitvoering van een bouw- of aanlegvergunning via een uitzondering op het in
                        het</al><al>eerste lid van artikel 2 opgenomen verbod vergunningvrij te maken.</al><al>Juist in het ontwerp-stadium kunnen bouw- en aanlegplannen nog worden
                        gewijzigd</al><al>en aangepast worden aan bestaande en te behouden beplantingen. Het is dus
                        raadzaam</al><al>bij iedere aanvraag om bouw- of aanlegvergunning na te gaan of niet
                        tevens</al><al>houtopstanden aanwezig zijn waarvoor een kapvergunning is vereist.</al><al>Door de kapvergunning zoveel mogelijk tegelijkertijd met de bouw- of
                        aanlegvergunning</al><al>af te geven wordt vermeden dat de gemeente zichzelf in moeilijke
                        situaties</al><al>manoeuvreert, bijvoorbeeld het redelijkerwijze niet meer of slechts
                        gedeeltelijk aanvullend</al><al>kunnen zijn van een kapvergunning op de reeds afgegeven bouwvergunning.</al><al>Overigens geldt het bovenstaande in het bijzonder voor bouwvergunningen die
                        met</al><al>vrijstelling van een geldend bestemmingsplan worden verleend. Indien het
                        bouwplan in</al><al>overeenstemming is met een geldend bestemmingsplan mag worden aangenomen
                        dat</al><al>de afweging ten aanzien van verwijdering van de houtopstand reeds in het
                        kader van</al><al>dat bestemmingsplan heeft plaatsgevonden (met uitzondering van sterk
                        verouderde</al><al>bestemmingsplannen). In die gevallen heeft de coördinatieregeling met name
                        als doel</al><al>te voorkomen dat van een verleende bouwvergunning (eventuele weigering van
                        de</al><al>kapvergunning vormt in dat geval immers geen grond om ook de bouwvergunning
                        te</al><al>weigeren) geen gebruik mag worden gemaakt omdat een kapvergunning niet of
                        niet</al><al>tijdig is aangevraagd danwel omdat een kapvergunning niet kan worden
                        verleend.</al><al>Dit lid is een weergave van de vaste rechtspraak op dit gebied dat er niet
                        vroegtijdig</al><al>gekapt mag worden als plannen nog niet definitief zijn. "Definitief' in dit
                        artikel is zowel</al><al>bedoeld in zowel juridische als in financiële zin (vgl. bijvoorbeeld:
                        VzARRS</al><al>03.1993, AB 1993,324 (Madurodam), VzARRS 03.09.1993, AB 1994,179 en</al><al>VZARRS 28.08.1990, Gst. 1990, 140).</al><al>Dit artikel zal vooral toepassing kunnen vinden, indien het gaat om
                        waardevolle of</al><al>monumentale houtopstanden waarvan de aanwezigheid door de aanvrager
                        doelbewust</al><al>is verzwegen. Men lette evenwel op de gemeentelijke plicht een besluit
                        zorgvuldig</al><al>voor te bereiden (artikel 3:2 Awb).</al><al/><al><vet>Artikel 17: </vet><vet>Monumentale bomen</vet></al><al>Artikel 17 is bedoeld <vet>om </vet>waardevolle houtopstanden een bijzondere
                        bescherming te</al><al>kunnen bieden door deze als monumentaal aan te wijzen. Het eerste lid geeft
                        de basis</al><al>voor deze aanwijzing. Om houtopstanden te kunnen aanwijzen dienen zij met
                        het oog</al><al>op één of meerdere waarden die deze verordening beoogt te beschermen (zie
                        artikel</al><al>7, lid 1) van "bijzondere betekenis" zijn. Om dit begrip zonodig te kunnen
                        objectiveren,</al><al>is een verwijzing naar de boomwaarde opgenomen.</al><al>Omdat aan de aanwijzing van een houtopstand als monument rechtsgevolgen</al><al>verbonden zijn (de houtopstand kan ingevolge het achtste lid nog slechts in
                        uitzonderlijke</al><al>situaties worden geveld, bepaalde categorieën houtopstanden, bijv. sommige
                        erfen</al><al>tuinbomen, kunnen niet langer zonder vergunning worden geveld en de
                        rechthebbende</al><al>op de houtopstand kan een beroep doen op een gemeentelijke</al><al>onderhoudsregeling) is een aanwijzingsprocedure opgenomen, die enigszins
                        vergelijkbaar</al><al>is met die van Hoofdstuk 11, §1. van de Monumentenwet 1988. Deze procedure
                        is</al><al>geregeld in de leden 2 <cursief>tlm 5.</cursief></al><al>Om de beslissing omtrent aanwijzing zorgvuldig te kunnen voorbereiden is de
                        openbare</al><al>voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard.</al><al>Dit artikellid biedt als monumentaal aan te wijzen erf- en tuinbomen een
                        voorbereidingsbescherming</al><al>teneinde te voorkomen dat zij vergunningvrij worden geveld voordat</al><al>de status van monument een feit is. Deze voorbereidingsbescherming vervalt
                        zodra</al><al>het besluit omtrent aanwijzing definitief is.</al><al>Ten aanzien van de in dit artikellid genoemde termijnen wordt verwezen naar
                        de</al><al>toelichting op artikel 5. Aangezien de terinzagelegging ingevolge het eerste
                        lid van</al><al>artikel 3: 11 Awb al minimaal vier weken bedraagt, gaat deze beslistermijn
                        in nadat de</al><al>termijn van terinzagelegging is verstreken.</al><al>Houtopstanden worden niet eerder als monumentaal op de lijst ingeschreven,
                        dan</al><al>nadat de aanwijzing definitief is geworden.</al><al>De Bomenstichting houdt een register bij van nationale monumentale bomen
                        en</al><al>andere houtopstanden. Dit register bevat circa 10.000 objecten (solitaire
                        bomen, lanen</al><al>of boomgroepen) verspreid over heel Nederland. Daarbij gaat het meestal om
                        bomen</al><al>van hoge ouderdom, van bijzondere schoonheids- of zeldzaamheidswaarde of
                        met</al><al>een beeldbepalende functie voor de omgeving. De op in dit register
                        ingeschreven</al><al>bomen in Achtkarspelen komen eveneens in aanmerking voor plaatsing op
                        de</al><al>gemeentelijke monumentenlijst. Daarnaast is de categorie "lokale" toegevoegd
                        voor</al><al>om houtopstanden, die weliswaar niet op de nationale lijst voorkomen, maar
                        die wel</al><al>van bijzonder gemeentelijk belang zijn te kunnen beschermen. De categorie
                        "toekomstige"</al><al>monumentale houtopstanden betreft objecten die nog niet vanwege actuele</al><al>waarden als monument zijn aan te merken, maar die bijvoorbeeld vanwege de
                        soort of</al><al>de standplaats wel de potentie hebben om binnen afzienbare tijd als
                        nationaal of</al><al>lokaal monument te worden aangemerkt en om die reden thans reeds het
                        beschermen</al><al>waard zijn.</al><al>Dit lid geeft de richtlijnen waaraan de monumentale bomenlijst minimaal moet
                        voldoen.</al><al>Belangrijk is om de standplaats, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde te
                        kennen,</al><al>alsmede de aan de aanwijzing te grondslag liggende motivering. De woorden
                        "in ieder</al><al>geval" geven aan dat burgemeester en wethouders het register desgewenst
                        met</al><al>andere gegevens kunnen aanvullen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
                        aan het</al><al>kadastrale perceelsnummer en de boomwaarde tt.v. aanwijzing.</al><al>Dit artikel regelt de daadwerkelijke bescherming van een monumentale
                        houtopstand</al><al>door te bepalen dat deze nog slechts in uitzonderlijke situaties mag worden
                        gekapt. De</al><al>afweging omtrent handhaving van de houtopstand is daarmee feitelijk
                        verschoven van</al><al>de kapvergunningsprocedure naar de aanwijzingsprocedure.</al><al>Wanneer er redenen aanwezig zijn om een houtopstand niet langer als
                        monumentaal</al><al>aan te merken, kan de houtopstand op grond van dit artikel van de lijst
                        worden afgevoerd.</al><al>Dit zal zeker het geval zijn als de houtopstand met toepassing van het
                        vorige lid</al><al>is geveld of op andere wijze is tenietgegaan (bijvoorbeeld door ziekte,
                        storm e.d.). Er</al><al>bestaat dan ook geen aanleiding meer de in de leden 2 <cursief>Um
                        </cursief>4 geregelde procedure te</al><al>volgen. Dat ligt anders als de houtopstand als zodanig nog aanwezig is, maar
                        naar</al><al>oordeel van burgemeester en wethouders niet langer monumentale waarden
                        bezit,</al><al>bijvoorbeeld als gevolg van gewijzigde inzichten of omstandigheden (een boom
                        is niet</al><al>langer zeldzaam doordat er inmiddels meerdere van zijn of de
                        standplaatswaarde is</al><al>verminderd als gevolg van gerealiseerde bebouwing) of gewijzigde fysieke
                        kwaliteiten</al><al>van de boom (bijvoorbeeld als deze een deel van zijn kruin heeft verloren).
                        Omdat in</al><al>die gevallen over de monumentale waarde discussie kan bestaan, dient, om
                        een</al><al>houtopstand van de lijst af te voeren, dezelfde procedure als bij aanwijzing
                        te voeren</al><al>gevolgd. Ook in dit verband wordt nogmaals gewezen op de mogelijkheid om
                        bij</al><al>dreigende teloorgang of illegale kap een instandhoudings- of herplantplicht
                        op te</al><al>leggen.</al><al>10/11. Het tiende lid vestigt een onderhoudsplicht voor de gemeente ten
                        aanzien van de</al><al>eigen monumentale houtopstanden. Het elfde lid beoogt een regeling in het
                        leven te</al><al>roepen, waarop de rechthebbende op een monumentale houtopstand voor het
                        structureel</al><al>onderhoud een beroep kan doen. Dit onderhoud moet worden onderscheiden
                        van</al><al>het groot onderhoud als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder h en het
                        jaarlijkse reguliere</al><al>onderhoud. Bij structureel onderhoud gaat het om het wegnemen van dode,
                        zwakke of</al><al>hinderlijke takken en het verbeteren van de groeiplaats. Dergelijk onderhoud
                        dient</al><al>doorgaans eens per 10-15 jaar te worden uitgevoerd (3-jaarlijkse inspectie).
                        Een</al><al>dergelijke onderhoudsregeling vormt een compensatie van de gemeenschap aan
                        de</al><al>particuliere eigenaar voor het bezit en de gedwongen instandhouding van een
                        monumentale</al><al>houtopstand. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat de gemeente
                        daarmee</al><al>de plicht op zich neemt om de boom steeds in optimale conditie te houden. De
                        eigenaar</al><al>blijft daarvoor zelf verantwoordelijk en dus aansprakelijk. Het staat hem
                        immers</al><al>ook vrij om zelf nog (regulier of structureel) onderhoud aan de boom te
                        plegen. Het</al><al>woordje "mede" in artikel 17, lid 11 moet ook in die zin worden
                        opgevat.</al><al>Gekozen is voor een compensatie door middel van dienstverlening boven
                        financiële</al><al>omdat:</al><al>overheadkosten, die samenhangen met de beoordeling van
                        subsidieaanvragen,</al><al>zoveel mogelijk worden beperkt, zodat alleen de werkelijke
                        onderhoudskosten</al><al>hoeven te worden vergoed;</al><al>de gemeente niet kan worden geconfronteerd met een "overvraag" naar
                        subsidies;</al><al>voor elke bezitter van een monumentale houtopstand duidelijk is wanneer
                        het</al><al>onderhoud zal worden uitgevoerd;</al><al>het onderhoud deskundig wordt uitgevoerd en er geen nacontrole hoeft
                        plaats</al><al>te vinden.</al><al/><al><vet>Artikel 18: Bomenfonds</vet></al><al>Hier wordt een algemeen gemeentelijk bomenfonds in het leven geroepen voor
                        de</al><al>vervanging, het herstel en de uitbreiding van houtopstanden. Boetes en
                        schadevergoedingen,</al><al>die op grond van deze verordening worden geïnd, worden in dit
                        bomenfonds</al><al>gestort. Op die manier wordt bewerkstelligd dat "groene" gelden weer aan
                        het</al><al>bomenbestand ten goede komen. Het bomenfonds kan desgewenst worden
                        uitgebreid</al><al>tot een subsidieregeling.</al><al>Burgemeester en wethouders regelen de wijze, waarop uitkeringen uit het
                        fonds</al><al>worden verstrekt. Bij uitbreiding van het bomenfonds tot een algemene
                        subsidieregeling</al><al>kunnen zij daartoe zonodig een bijdrageregeling in het leven roepen.</al><al><vet>Artikel 19: Bescherming openbare bomen</vet></al><al>1/2. Omwille van de volledigheid en duidelijkheid is dit artikel toegevoegd.
                        Het biedt in</al><al>aanvulling op het kapverbod bescherming voor openbare houtopstanden, die
                        doorgaans</al><al>in de APV is geregeld. De Algemene Politieverordening Achtkarspelen kent
                        een</al><al>dergelijk artikel ter bescherming van openbare bomen evenwel niet. De
                        strafmaatbepaling</al><al>is conform de systematiek opgenomen in artikel 20 lid 3 van deze
                        verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 20: Strafbepaling</vet></al><al>Dit artikel is vrijwel ongewijzigd overgenomen uit de Kapverordening 1980.
                        Opname</al><al>van een nieuw artikel 8 (Standaardvoorschrift van niet-gebruik) maakt het
                        noodzakelijk</al><al>dit artikel ook in het eerste lid van artikel 20 te noemen.</al><al>De boetecategorie blijft van de tweede categorie in verband met artikel 154
                        Gemeentewet.</al><al>Toegevoegd is expliciet de mogelijkheid tot openbaarmaking van de
                        rechterlijke</al><al>uitspraak als extra straf, omdat vaak niet zulke hoge boetes (kunnen) worden
                        opgelegd.</al><al>Artikel 154 Gemeentewet biedt de mogelijkheid tot openbaarmaking. De
                        boomwaarde</al><al>is genoemd om het financiële aspect expliciet te laten meewegen bij de</al><al>strafmaatbepaling door de rechter. In het algemeen gaan gemeenten bij
                        opzettelijke,</al><al>illegale kap uit van de volle boomwaarde van de gevelde bomen.</al><al>Toegevoegd in verband met de nieuwe artikelen 15 en 19.</al><al>Dit lid is toegevoegd ter loskoppeling van straf- en privaatrecht. Deze
                        instructienorm is</al><al>bedoeld om de mogelijkheid van een privaatrechtelijk optreden van de
                        gemeente als</al><al>schadelijdend boomeigenaar/beheerder niet op voorhand te frustreren door een
                        verwijt</al><al>dat er strafrechtelijk wordt opgetreden. Formeel staat immers het
                        strafrechtelijk perspectief</al><al>("laakbaarheid") los van het privaatrechtelijk perspectief van geleden
                        schade</al><al>door de boomeigenaar. Niettemin is de Officier van Justitie onafhankelijk in
                        zijn beslissing</al><al>om wel of niet tot vervolging over te gaan, in de praktijk vaak de
                        (eventuele)</al><al>schadeclaim van de gemeente afwegend.</al><al/><al><vet>Artikelen 21, 22, 23 24 en 25</vet></al><al>Voor de volledigheid opgenomen standaardbepalingen. Bij artikel 22 is na
                        "die met de</al><al>zorg voor de naleving zijn belast" toegevoegd" "of daaraan moeten meewerken"
                        omdat</al><al>daardoor een grotere groep ambtenaren aan het toezicht deel kan hebben,
                        omdat in</al><al>de praktijk blijkt dat een gespecialiseerd groenambtenaar wat meer kennis en
                        binding</al><al>met de naleving van deze verordening heeft, dan een algemeen geschoolde
                        toezichthouder.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>