<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR398771_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening jeughulp 2016 gemeente Beuningen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.overheid.nl">Elektronisch Gemeenteblad, 11 maart 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening jeughulp 2016 gemeente Beuningen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0034925">Jeugdwet, artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-03-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW16.00052</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening jeugdhulp Beuningen 2015.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening jeughulp 2016 gemeente Beuningen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Vero</vet><vet>rdening jeugdhulp Beuningen 2016</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Beuningen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26
                        januari 2016;</al><al/><al>gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 [<cursief>en 8.1.1, vierde
                            lid,</cursief>] van de Jeugdwet;</al><al>gezien het advies van de Cliëntenraad Beuningen;</al><al/><al>overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van
                        goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het
                        uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig
                        opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;
                        en dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het
                        college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met
                        betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling
                        van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, over de wijze
                        waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt
                        afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een
                        persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten
                        onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden
                        budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, regels over de
                        wijze waarop ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun
                        vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet en regels
                        ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering
                        van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of
                        jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                        daarvan;</al><al>overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden
                        degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan
                        betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; </al><al/><al>besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp Beuningen 2016</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In aanvulling op de begripsomschrijvingen in de Jeugdwet wordt in deze
                        verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                ondersteuning of werk en inkomen; </al></li><li nr="·"><al>Besluit: Besluit nadere regeling Jeugdhulp gemeente
                                Beuningen2015;</al></li><li nr="·"><al>gesprek: gesprek als bedoeld in artikel
                                6<cursief>;</cursief></al></li><li nr="·"><al>hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in
                                verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en
                                stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;
                            </al></li></lijst><al>·individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden
                        voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid; </al><al>·melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid; </al><lijst><li nr="·"><al>overige voorziening: algemeen toegankelijke voorziening in het kader
                                van de Jeugdwet als bedoeld in artikel 2, eerste lid; </al></li><li nr="·"><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de
                                wet,zijnde een door het college verstrekt budget aan een
                                jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot
                                de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; </al></li><li nr="·"><al>sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen
                                met wie de jeugdige of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt;
                            </al></li><li nr="·"><al>verslag: schriftelijke weergave van het onderzoek als bedoeld in
                                artikel 6, inhoudende een advies aan het college betreffende het
                                treffen van een voorziening; </al></li><li nr="·"><al>wet: Jeugdwet<cursief>.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar: </al><lijst><li nr="-"><al>Welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd;</al></li><li nr="-"><al>Schoolmaatschappelijk werk;</al></li><li nr="-"><al>Opvoedondersteuning en opvoedadvies;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: </al><lijst><li nr="-"><al>Dagbesteding, dagbehandeling, kortdurend verblijf jeugd
                                    inclusief vervoer</al></li><li nr="-"><al>Ambulante trajecten jeugd – begeleiding en jeugd- en
                                    opvoedhulp</al></li><li nr="-"><al>Ambulante trajecten jeugd – behandeling (basis en
                                    specialistische jeugd-GGZ)</al></li><li nr="-"><al>Ambulante trajecten jeugd - observatie en diagnostiek</al></li><li nr="-"><al>Pleegzorg</al></li><li nr="-"><al>(Semi-)residentiële jeugdhulp</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt bij nadere regeling vast welke overige en individuele
                            voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar
                            zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                            jeugdarts</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de inzet van gecontracteerde jeugdhulp na
                            een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar
                            een jeugdhulpaanbieder, indien en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder
                            van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien jeugdigen en ouders dit wensen of indien het college afwijkt van
                            het oordeel van de jeugdhulpaanbieder zoals bedoeld in lid 1, legt het
                            college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen
                            daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 10.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag inzake
                            jeugdhulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen verstrekt het college zo spoedig mogelijk een
                            passende tijdelijke voorziening of vraagt het college een machtiging
                            gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige
                            voorziening. Ingevolge de Jeugdwet kunnen ook de huisarts, medisch
                            specialist, jeugdarts of andere betrokken instanties hen rechtstreeks
                            verwijzen naar een overige voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 6, van
                            belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn
                            situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak
                            voor een gesprek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten behoeve van het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan
                            het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van
                            het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs
                            de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in
                            ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de
                            Wet op de identificatieplicht ter inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een
                            vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige
                            of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                    ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem
                                    of de hulpvraag;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;</al></li><li nr="c."><al>het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met
                                    ondersteuning van het sociaal netwerk een oplossing voor de
                                    hulpvraag te vinden; </al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
                                    voorziening;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van
                                    een overige voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;
                                </al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                    voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                    gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of
                                    werk en inkomen en</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid van verstrekking van een pgb indien de jeugdige
                                    of zijn ouders dat wensen, waarbij de jeugdige of zijn ouders in
                                    begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van
                                    die keuze.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken
                            bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en
                            vraagt hen expliciet toestemming om hun persoonsgegevens te
                            verwerken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een
                            gesprek. In dat geval draagt het college er zorg voor dat de jeugdige of
                            zijn ouders expliciet gevraagd worden om toestemming als bedoeld in het
                            derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor een schriftelijk verslag van het onderzoek en de
                            uitkomsten daarvan, bedoeld in artikel 6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het gesprek verstrekt het college het verslag aan
                            de jeugdige of zijn ouders, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te
                            wensen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden
                            aan het verslag toegevoegd<cursief>. </cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening
                            schriftelijk indienen bij het college door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld aanvraagformulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als
                            aanvraag indien de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag hebben
                            aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag geeft het college een
                            beschikking af.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een aanvraag om een individuele voorziening wordt niet ingediend voordat
                            een gesprek als bedoeld in artikel 6 heeft plaatsgevonden, tenzij het
                            college toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Criteria voor toekenning van een individuele voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt het verslag als bedoeld in artikel 7 als uitgangspunt
                            voor de beoordeling van een aanvraag voor een individuele
                            voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een individuele voorziening toekennen voor zover in het
                            verslag als bedoeld in artikel 7, eerste lid, wordt vastgesteld dat de
                            jeugdige: </al><lijst><li nr="a."><al>niet op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit
                                    zijn naaste omgeving een oplossing voor zijn ondersteuningsvraag
                                    kan vinden; </al></li><li nr="b."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al
                                    dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige
                                    voorziening, of </al></li><li nr="c."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al
                                    dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere
                                    voorziening; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kent een individuele voorziening toe voor zover met
                            betrekking tot de jeugdige een verwijzing zoals bedoeld in artikel 3,
                            eerste lid, is afgegeven en de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat
                            inzet van jeugdhulp nodig is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt
                            in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt
                            verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking
                            kan worden gemaakt<cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt in
                            de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat
                            daarvan is;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hoe de voorziening wordt verstrekt en, indien van toepassing,</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in
                            de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                    en </al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van
                            de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.1 van de wet verstrekt het college geen pgb
                            voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die belanghebbende
                            voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer
                            is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De jeugdige of zijn ouders die een pgb wensen, geven schriftelijk in een
                            plan, voorzien van een begroting, aan hoe zij het pgb gaan besteden.
                            Daarnaast motiveren zij in dit plan:</al><lijst><li nr="a."><al>waarom zij op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een
                                    redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp
                                    uit hun sociale netwerk dan wel met een curator, bewindvoerder,
                                    mentor, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten
                                    jeugdhulp, in staat zijn de aan het pgb verbonden taken op
                                    verantwoorde wijze uit te voeren;</al></li><li nr="b."><al>waarom zij de individuele voorziening die wordt geleverd door de
                                    aanbieder niet passend achten;</al></li><li nr="c."><al>hoe naar hun mening gewaarborgd is dat de individuele
                                    voorziening die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen
                                    betrekken van goede kwaliteit is. Daarbij is in elk geval van
                                    belang dat de individuele voorziening veilig, doeltreffend en
                                    cliëntgericht is. Tevens dient de persoon die in opdracht van de
                                    jeugdige of zijn ouders beroepsmatig of niet incidenteel als
                                    vrijwilliger, werkzaam voor een organisatie, in contact kan
                                    komen met de jeugdige die jonger is dan achttien jaar, voor
                                    aanvang van de hulpverlening over een actuele verklaring omtrent
                                    het gedrag te beschikken als bedoeld in artikel 28 van de Wet
                                    justitiële en strafvorderlijke gegevens. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de jeugdige niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt,
                            wordt hij niet in staat geacht de aan het pgb verbonden taken op een
                            verantwoorde wijze uit te voeren. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het tarief voor een pgb: </al><lijst><li nr="a."><al>is gebaseerd op een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld
                                    plan als bedoeld in het derde lid;</al></li><li nr="b."><al>is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te
                                    kopen;</al></li><li nr="c."><al>wordt afgestemd op de verschillende vormen van ondersteuning en
                                    de verschillende typen hulpverleners, en </al></li><li nr="d."><al>bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende
                                    situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in
                                    natura.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De hoogte van een pgb is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten,
                            zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en
                            reiskosten.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De aanvrager die in aanmerking komt voor een pgb kan de jeugdhulp
                            slechts betrekken van een persoon die tot zijn sociale netwerk behoort
                            indien dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en
                            aantoonbaar doelmatiger is. </al><lijst><li nr="a."><al>Deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten
                                    dan door het college in het Besluit vastgestelde tarief voor
                                    professionals. Dit lagere tarief wordt door het college in het
                                    Besluit vastgesteld.</al></li><li nr="b."><al>Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het
                                    persoonsgebonden budget worden betaald. </al></li><li nr="c."><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen onder welke
                                    voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de
                                    jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het
                                    sociale netwerk. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de hoogte van
                            het pgb. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Een pgb dient door de jeugdige of zijn ouders binnen zes maanden na
                            verzending van de toekenningsbeschikking te worden aangewend ten behoeve
                            van de jeugdhulp waarvoor het is verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Geen pgb wordt verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders geen of geen volledig plan overleggen
                                    zoals bedoeld in het derde lid;</al></li><li nr="b."><al>niet voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in
                                    dit artikel. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Onderzoek inzet van individuele voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de
                            verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het
                            doel waarvoor ze verstrekt zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking tot
                            de controle op de besteding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders
                            op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling
                            van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk
                            moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                            beslissing aangaande een individuele voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing
                            aangaande een individuele voorziening beëindigen, herzien dan wel
                            intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens
                                    hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                    gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele
                                    voorziening of op het pgb zijn aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten;</al></li><li nr="d."><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van
                                    de individuele voorziening of het pgb, of</al></li><li nr="e."><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb
                                    niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is
                                    bestemd.</al></li><li nr="f."><al>de jeugdige of zijn ouders het pgb niet binnen zes maanden na de
                                    verzenddatum van de toekenningsbeschikking hebben aangewend voor
                                    de bekostiging van de jeugdhulp waarvoor de verlening heeft
                                    plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                            heeft herzien dan wel ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel
                            of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten
                            individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder d of e
                            heeft ingetrokken en de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs konden
                            begrijpen dat zij ten onrechte een individuele voorziening of daaraan
                            gekoppeld pgb ontvingen, kan het college geheel of gedeeltelijk de
                            geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening
                            of het ten onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan een vordering op grond van ten onrechte genoten pbg
                            verrekenen met een te verstrekken pgb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                            kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel></kop><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij
                        de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren
                        jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                        jeugdreclassering, rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de
                                zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg
                                en</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep
                            kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst
                            kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al>Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van
                        jeugdigen en ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van
                        meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inspraak en medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding
                            van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel
                            150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze
                            waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen
                            vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende
                            jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over
                            verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet
                            hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek
                            overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat
                            zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg
                            benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede
                            en derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                            verordening. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of
                            zijn ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening indien
                            toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp
                                gemeente Beuningen 2016.</al></li></lijst><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 1 maart 2016,</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd. De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit
                    van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de
                    jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de
                    begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze
                    wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg
                    (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten
                    (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken
                    op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de
                    aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel
                    van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en
                    ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd
                    doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en
                    probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.</al><al>De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad
                    per verordening in ieder geval regels opstelt:</al><lijst><li nr="1."><al>over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en
                            overige (jeugdhulp)voorzieningen; </al></li><li nr="2."><al>met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van
                            beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele
                            voorziening;</al></li><li nr="3."><al>over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele
                            voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg,
                            onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;</al></li><li nr="4."><al>over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="5."><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele
                            voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of
                            oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; </al></li><li nr="6."><al>over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van
                            de Jeugdwet, en</al></li><li nr="7."><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp,
                            kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten
                            aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat
                            verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de
                            deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden. </al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het
                    bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening
                    maakt hier spaarzaam gebruik van; om een meer compleet beeld te geven van de
                    rechten en plichten van burgers en de gemeente. Daarnaast kan op grond van
                    artikel 8.1.1, vierde lid, bij verordening bepaald worden onder welke
                    voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de
                    jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale
                    netwerk.</al><al/><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met
                    betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van
                    kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. </al><tussenkop>Toeleiding naar de jeugdhulp</tussenkop><al>De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.</al><tussenkop>Vrij toegankelijk</tussenkop><al/><al>In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en
                    individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp
                    (zie artikel 2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de
                    hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening.
                    Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor
                    een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn
                    ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de
                    jeugdhulpaanbieder wenden.</al><tussenkop>Toegang jeugdhulp via de gemeente</tussenkop><al>Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de
                    gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder
                    precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en
                    zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en
                    de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders
                    eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als
                    aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal
                    eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet
                    vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze
                    deskundige dat in het verslag op. Vervolgens kunnen de jeugdige of zijn ouders
                    een aanvraag indienen bij het college. Het college neemt een besluit en verwijst
                    de jeugdige door naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de
                    aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken. </al><tussenkop>Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch
                    specialist</tussenkop><al>De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing
                    door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke
                    verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van
                    jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies
                    nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders
                    die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder
                    zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing
                    beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand
                    moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de
                    jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de
                    gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze
                    afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang
                    van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de
                    gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of
                    behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het
                    principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan
                    worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij
                    professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn.
                    Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de
                    gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van
                    de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente
                    toegankelijk is (zie artikel 2). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol
                    speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist,
                    regelt deze verordening slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces
                    (zie artikel 3). Artikel 10 en verder zijn wel van overeenkomstige
                    toepassing.</al><tussenkop>Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar
                    ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële
                    jeugdinrichting.</tussenkop><al/><al>Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de
                    kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot
                    jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de
                    selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde
                    instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het
                    kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of
                    jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg
                    een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens
                    gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering
                    van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht
                    van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen
                    tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen
                    garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel
                    gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de
                    kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst
                    hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de
                    maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de
                    kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke
                    gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de
                    kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op
                    die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het
                    geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is
                    verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de
                    Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.</al><tussenkop>Toegang via het advies- en meldpunt huiselijk geweld en
                    kindermishandeling (AMHK)</tussenkop><al/><al>Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp. Het AMHK
                    geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en
                    kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er
                    sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van
                    jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al
                    in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze
                    verordening.</al><al><vet>ARTIKELSGEWIJS</vet></al><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al/><al>Onder het begrip ‘<onderstreept>andere voorziening</onderstreept>’ wordt in deze
                    verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt
                    getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk
                    en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De
                        <onderstreept>individuele voorzieningen</onderstreept> en
                        <onderstreept>overige voorzieningen</onderstreept> zijn opgenomen in artikel
                    2. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in
                    artikel 3 [<cursief>e.v.</cursief>].</al><al>De definities van ‘gesprek’ en ‘melding’ zijn nodig omdat deze begrippen niet
                    zijn gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normaal
                    spraakgebruik. </al><al>De <onderstreept>melding</onderstreept> is het eerste contact van jeugdigen en
                    ouders met het college om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De
                    melding (artikel 4) is iets anders dan de aanvraag om een individuele
                    voorziening; dit laatste is geregeld in artikel 8. </al><al>Het <onderstreept>gesprek</onderstreept> is het mondeling contact bij het
                    onderzoek naar de hulpvraag waarin het college met degene die jeugdhulp vraagt
                    zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de
                    gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen. </al><al>De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting
                        <onderstreept>pgb</onderstreept> in het spraakgebruik inmiddels meer is
                    ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.</al><al/><al>Onder het begrip <onderstreept>sociaal netwerk </onderstreept>wordt in deze
                    verordening verstaan iemand uit de huiselijke kring en andere personen met wie
                    iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden
                    aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen,
                    etc. </al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink
                    aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze
                    wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening.
                    Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’,
                    ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en
                    ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk aangeduid algemeen als
                    ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’.
                    Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de
                    jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar
                    of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van
                    artikel 1 van de wet: de gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een
                    ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet
                    zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de
                    ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). </al><al>In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:</al><tussenkop>1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan
                    jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en
                    opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen,
                    psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de
                    jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde
                    problemen;</tussenkop><tussenkop>2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van
                    het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke,
                    lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een
                    psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben
                    bereikt, en</tussenkop><tussenkop>3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied
                    van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan
                    zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of
                    zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of
                    beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien
                    verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in
                    het kader van jeugdstrafrecht.</tussenkop><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). </al><tussenkop>Artikel 2. Vormen van jeugdhulp </tussenkop><al/><al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van
                    artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij
                    verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele
                    voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van
                    toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren
                    dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van
                    voorzieningen binnen de gemeente. </al><al/><al>Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich
                    dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan
                    dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij
                    toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een
                    algemene, vrij toegankelijke voorziening wordt in deze verordening omschreven
                    als een overige voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking
                    hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij
                    toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van
                    ondersteuning zal door de gemeente (artikel 4 tot en met 8) of door de huisarts,
                    medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder (artikel 3) eerst
                    beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning
                    daadwerkelijk nodig hebben. </al><al/><al>Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige
                    wettelijke definitie van jeugdhulp (zie de toelichting op artikel 1). Een
                    voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten
                    ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de
                    wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan
                    vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp. </al><tussenkop>Artikel 3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                    jeugdarts</tussenkop><al/><al>In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast
                    de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe
                    verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar
                    de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke
                    (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele)
                    voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks
                    aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de
                    jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of
                    orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp
                    precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk
                    de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze
                    aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de
                    benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de
                    protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen
                    vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.</al><tussenkop>Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag inzake
                    jeugdhulp</tussenkop><al/><al>Deze bepaling regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente en is opgenomen om
                    een zorgvuldige procedure te waarborgen. Dit alles ter uitvoering van artikel
                    2.9, onder a, van de wet waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval regels stelt over de door het college te verlenen individuele
                    voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor
                    toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een
                    individuele voorziening.</al><al>Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt de in
                    artikel 4 tot en met 10 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling
                    van een aangemelde hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 6, in een gesprek
                    met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan
                    bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in
                    plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. </al><al/><al>Eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke
                    voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd om de toegang
                    tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. Het college kan deze bevoegdheid
                    mandateren, behoudens de vaststelling van rechten en plichten van de jeugdige of
                    zijn ouders. In de praktijk zal het college de procedure betreffende melding,
                    onderzoek en verslag laten uitvoeren door daartoe door het college aangewezen
                    deskundigen. Voor jeugdhulp kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het Sociaal Team
                    Beuningen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar staat
                    “het college”, kan het college deze bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten
                    dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. </al><al/><al>Tweede lid: het college bevestigt de melding. Als algemene lijn geldt dat de
                    melding schriftelijk wordt bevestigd, maar andere manieren zijn ook mogelijk,
                    bijvoorbeeld afhankelijk van de manier waarop de melding ingediend wordt
                    (telefonisch of mondeling).</al><al/><al> Vierde lid: de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een
                    overige voorziening kunnen hier direct naartoe zonder meldingsprocedure in de
                    zin van (artikel 4 en volgende) deze verordening.</al><al>Zoals in de algemene toelichting al is aangehaald hebben jeugdigen en ouders
                    onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdzorg en geen individuele
                    aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en
                    het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige
                    procedure. Deze verordening bevat een aantal bepalingen die dit moeten
                    waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om
                    een uitvoerig, onnodig bureaucratische proces gaat. Dit is echter geenszins de
                    bedoeling. Zo kan het vooronderzoek (artikel 5), afhankelijk van de inhoud van
                    de melding, meer of minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan – en in
                    bepaalde gevallen ook van het gesprek (artikel 6) – in overleg met de jeugdige
                    of zijn ouders afgezien worden. Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er
                    ook sprake kan zijn van meerdere (opeenvolgende gesprekken). Als de jeugdige al
                    bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer
                    uitgediept hoeven te worden. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst
                    bij de gemeente, dan zal een gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de
                    jeugdige en zijn situatie te krijgen. Een vooronderzoek en gesprek zullen
                    uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te
                    nemen besluit het van belang is dat alle feiten en omstandigheden van de
                    specifieke hulpvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen (schriftelijke
                    verslaglegging (artikel 7) en schriftelijke indiening aanvraag (artikel 8)) zijn
                    opgenomen met het oog op een zorgvuldige procedure en in het belang van een
                    zorgvuldige dossiervorming.</al><tussenkop>Artikel 5. Vooronderzoek</tussenkop><al/><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te
                    zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd. </al><al>Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het
                    onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart
                    worden gebracht, zodat jeugdigen of hun ouders niet worden belast met vragen
                    over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk
                    is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs,
                    maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot
                    de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de
                    Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige
                    toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in
                    verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen
                    om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan
                    afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat
                    ook de uitnodiging voor het gesprek.</al><al/><al>Tweede lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor
                    het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de
                    jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen.
                    In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de
                    jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in
                    artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of
                    sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van
                    artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van
                    deze wet te treffen.</al><al/><al>In het derde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige
                    bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn
                    ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te
                    gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de
                    acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al
                    bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg
                    met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien. Dit laatste
                    is bepaald in artikel 6, derde lid.</al><tussenkop>Artikel 6. Gesprek</tussenkop><al/><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en
                    omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van
                    belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt
                    verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om
                    een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook
                    voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en
                    ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (sociaal team)
                    plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere
                    deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien
                    nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende)
                    gesprekken.</al><al>In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele
                    voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te
                    komen tot een individuele voorziening met allerlei waarborgen rond een
                    deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een
                    psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in
                    24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel
                    onderzoek en afweging aan ten grondslag ligt. </al><al>In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet
                    plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet
                    plaatsvinden.</al><al/><al>In de onderdelen a tot en met h zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven.
                    Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente
                    bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te
                    worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe
                    ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de
                    gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn
                    situatie te krijgen. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en
                    ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet vermelde
                    uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van
                    jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken
                    voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen
                    van de jeugdige en zijn ouders en die van het sociaal netwerk te
                    versterken.</al><al>Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g valt tedenken aan
                    een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de AWBZ of de Zvw en een
                    voorziening op het gebied van passend onderwijs. </al><al/><al>Er wordt een toestemmingsformulier ontwikkeld waarmee de toestemming bedoeld in
                    het tweede lid schriftelijk gevraagd wordt. Indien toestemming gegeven wordt,
                    dient het toestemmingsformulier ondertekend te worden geretourneerd aan het
                    college. </al><tussenkop>Artikel 7. Verslag</tussenkop><al/><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij.
                    Hierbij is een voorbeeld genomen aan de praktijk van de Wmo. In de memorie van
                    toelichting op het wetsvoorstel Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3)
                    staat hieroverdat het college een weergave van de uitkomsten van het
                    onderzoek verstrekt om de jeugdige of zijn ouders in staat te stellen een
                    aanvraag te doen voor een individuele voorziening. Dat moet in beginsel
                    schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een
                    juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke
                    communicatie met de jeugdige of zijn ouders. Uiteraard zal de weergave van de
                    uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo
                    zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de
                    jeugdige of zijn ouders van mening zijn goed geholpen te zijn en de uitkomst is
                    dat geen aanvraag van een individuele voorziening noodzakelijk is. Bij meer
                    complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn.
                    Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het
                    onderzoek ook gebruiken als een met de jeugdige of zijn ouders overeengekomen
                    plan (arrangement) waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit
                    voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de
                    jeugdige of zijn ouders dit plan ondertekenen. </al><al>Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het
                    herstellen van feitelijke onjuistheden is eveneens vormvrij (derde lid).</al><tussenkop>Artikel 8. Aanvraag</tussenkop><al/><al>Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.9, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de
                    wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele
                    voorziening. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een
                    individuele voorziening te verkrijgen.</al><al>In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt
                    daarvan niet af. </al><al>Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een
                    beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de
                    aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald. </al><al/><al>Het college heeft de bevoegdheid om een ondertekend verslag aan te merken als
                    aanvraag. Reden om in het individuele geval het verslag niet aan te merken als
                    aanvraag kan het tijdsverloop zijn tussen de datum van opmaken van het verslag
                    en de aanvraagdatum, indien het college het aannemelijk acht dat door het
                    tijdsverloop het verslag niet meer (volledig) van toepassing is op de actuele
                    situatie van de jeugdige of zijn ouders.</al><al/><al>Beslistermijnen Awb</al><al>In de verordening is een termijn van 8 weken opgenomen om te beslissen op een
                    aanvraag. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de Awb. In artikel 4:13 van de
                    Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke
                    termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet
                    binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze
                    termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijke termijn te
                    noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14,
                    derde lid, van de Awb). </al><al>Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een melding binnen
                    enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe situaties
                    zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn
                    nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is,
                    kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden.</al><tussenkop>Artikel 9 Criteria voor individuele voorzieningen</tussenkop><al/><al>Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.3 van de Jeugdwet. Uit de memorie van
                    toelichting bij dit artikel blijkt dat daar waar een jeugdige of zijn ouders dit
                    nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of
                    maatschappelijke participatie, de gemeente een voorziening treft op het gebied
                    van jeugdhulp. Uitgangspunt hierbij blijft echter de eigen kracht van jeugdige
                    en zijn ouders. Overeenkomstig het in de considerans van de wet vermelde
                    uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van
                    jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt, wordt eerst
                    onderzocht of de jeugdige of zijn ouders zelf of met behulp van hun sociale
                    netwerk het probleem kunnen aanpakken. </al><al>Het college is alleen gehouden een voorziening te treffen als de jeugdige en
                    zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. Vervolgens beslist de gemeente of
                    en welke voorziening een jeugdige nodig heeft. Dit komt tot uitdrukking in de
                    zinsnede «naar het oordeel van» in artikel 2.3, eerste lid. De gemeente is
                    ingevolge hetzelfde artikel gehouden om te zorgen voor een deskundige advisering
                    over en beoordeling van de vraag of er een voorziening op het gebied van
                    jeugdhulp nodig is en welke voorziening dit dan is. Dat neemt echter niet weg
                    dat de gemeente een zelfstandige afweging kan maken over welke voorziening
                    precies moet worden getroffen. Dit maakt de omslag mogelijk van een systeem van
                    een recht van de burger naar een plicht van de gemeente om waar nodig
                    voorzieningen te treffen, waarbij meer ingespeeld wordt op de lokale en
                    persoonlijke omstandigheden en de efficiënte uitvoering daarvan door de
                    gemeente. De door de gemeente te treffen voorziening kan zowel een algemene,
                    vrij toegankelijke voorziening zijn als een individuele voorziening. Een
                    individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde
                    zorg. </al><tussenkop>Artikel 10. Inhoud beschikking</tussenkop><al/><al>Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen
                    (artikel 8) of er overeenkomstig artikel 3, tweede lid, een beschikking
                    afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen,
                    waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen.
                    Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in
                    ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter
                    de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. </al><al>Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Jeugdwet en de
                    Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de verordening een
                    zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. De mogelijkheid
                    om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende
                    mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in
                    beginsel voor alle beschikkingen. Indien een jeugdige of zijn ouders in bezwaar
                    en beroep willen gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen
                    van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden
                    uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking,
                    geeft de burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep.</al><tussenkop>Artikel 11. Regels pgb</tussenkop><al/><al>Bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 11, artikel MM) is
                    de regeling in artikel 8.1.1 van de wet voor het pgb aangepast
                    (“gestandaardiseerd”) aan de verwante regelgeving met betrekking tot de
                    maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), In deze regeling stond dat een pgb
                    slechts wordt verstrekt indien aan de in het derde lid gestelde voorwaarden is
                    voldaan. Bij amendement Bergkamp/Voortman (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr.
                    109) is het woord ‘slechts’ geschrapt omdat dit een onnodige en overbodige
                    inperking van het recht op een pgb leek te suggereren. Bij amendement Bisschop
                    en Voortman (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 100) is het vijfde lid zo
                    aangepast dat duidelijk is geworden dat jeugdigen of hun ouders zelf kunnen
                    bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan
                    de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college te bieden
                    individuele voorziening in natura. Het college kan het pgb in een voorkomend
                    geval slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan deze door het
                    college te bieden individuele voorziening in natura.</al><al/><al>In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb-artikel
                    (8.1.1) van de wet. Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet
                    beeld van rechten en plichten van de cliёnt te geven. In het eerste lid is
                    verankerd dat het college op grond van artikel 8.1.1 van de wet een pgb kan
                    verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs
                    van een verplichting van het college worden gesproken (zie ook de tekst van
                    artikel 8.1.1, eerste lid: “Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen …”).
                    Voor gemeenten is onder meer van belang dat een pgb slechts wordt verstrekt
                    indien de jeugdige of zijn ouders gemotiveerd stellen dat de individuele
                    voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is (zie artikel
                    8.1.1, derde lid, onder b). </al><al/><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten
                    te declareren, indien het niet (meer) mogelijk is om de noodzaak van de
                    voorziening vast te stellen</al><al>In het derde lid is geregeld dat de jeugdige of zijn ouders die een pgb
                    aanvragen schriftelijk moeten onderbouwen dat zij voldoen aan de voorwaarden die
                    de wet stelt in artikel 8.1.1, derde lid. Het college dient de afweging te maken
                    of de jeugdige of zijn ouders voldoen aan deze voorwaarden en kan dat niet
                    zonder de gevraagde informatie. Bij onderdeel b van het derde lid gaat het er om
                    dat uit de onderbouwing van de jeugdige of zijn ouders duidelijk moet worden dat
                    zij zich voldoende georiënteerd hebben op de voorziening in natura. </al><al/><al>In onderdeel c is opgenomen dat de jeugdige of zijn ouders motiveren hoe naar
                    hun mening gewaarborgd is dat de individuele voorziening die de jeugdige of zijn
                    ouders van het budget willen betrekken van goede kwaliteit is. Daarbij is in elk
                    geval van belang dat de individuele voorziening veilig, doeltreffend en
                    cliëntgericht is. Tevens dient de persoon die in zijn opdracht van de jeugdige
                    of zijn ouders beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger, werkzaam voor
                    een organisatie, in contact kan komen met de jeugdige die jonger is dan achttien
                    jaar, voor aanvang van de hulpverlening over een actuele verklaring omtrent het
                    gedrag (vog) te beschikken als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en
                    strafvorderlijke gegevens. Het eerste deel is toegevoegd vanuit de wens om af te
                    stemmen met de Wmo verordening. Vragen die hierbij moeten worden beantwoord
                    zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>hoe is de veiligheid geborgd?</al></li><li nr="-"><al>hoe worden de gestelde doelen bereikt?</al></li><li nr="-"><al>hoe en wanneer wordt geëvalueerd?</al></li><li nr="-"><al>hoe is de ondersteuning afgestemd op de jeugdige of zijn ouders?</al></li><li nr="-"><al>heeft degene van wie de hulp betrokken wordt een verklaring omtrent het
                            gedrag (vog)?</al></li></lijst><al/><al>De voorwaarde van het beschikken over een vog is opgenomen met het oog op de
                    veiligheid van de jeugdige (artikel 4.1.6 van de wet). Net zoals de wet deze eis
                    stelt voor alle medewerkers van een jeugdhulpaanbieder, inclusief vrijwilligers,
                    stelt het college deze eis aan degene die, betaald uit het pgb, jeugdhulp
                    verleent. De vog dient actueel te zijn. De wet verstaat hieronder dat de vog
                    niet eerder is afgegeven dan drie maanden, voorafgaand aan het tijdstip waarop
                    de hulpverlener voor de organisatie ging werken. De vog mag echter niet ouder
                    zijn dan drie jaar. Op het moment dat de hulpverlening van start gaat moet de
                    jeugdige of zijn ouder de vog kunnen overleggen aan de gemeente. </al><al/><al>In het vierde lid is geregeld dat het college een jeugdige, die jonger is dan
                    achttien jaar, niet in staat acht zelf een pgb te beheren. Motivering is dat het
                    uitvoeren van de aan het pgb verbonden taken op een dusdanige en verantwoorde
                    wijze dient te geschieden, dat het niet wenselijk is dit door minderjarigen te
                    laten doen. Mocht het college in een uitzonderlijke situatie af willen wijken
                    van deze bepaling, zal dit gebaseerd moeten worden op art. 18 lid 3. </al><al/><al>Het vijfde en zesde lid berusten op artikel 2.9, onder c, van de wet. In deze
                    wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke
                    wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Dat zal, gegeven het
                    maatwerkkarakter van de te verstrekken individuele voorziening, per
                    jeugdhulpvorm kunnen verschillen. Hier is van belang dat de hoogte van het
                    budget, wil een budget voor de jeugdige of zijn ouders een zinvol alternatief
                    zijn, zodanig zal moeten zijn dat deze met het budget de vastgestelde jeugdhulp
                    ook werkelijk kan inkopen, terwijl anderzijds voor de gemeente van belang is dat
                    dit alternatief slechts zinnig zal zijn wanneer het budget in elk geval niet
                    hoger is dan de kosten van een voorziening die voor een gemeente door een
                    aanbieder wordt geleverd. De gemeenten kunnen in de verordening differentiëren
                    tussen de hoogte van het budget voor geregistreerde professionele jeugdhulp en
                    anderen, die dezelfde kwaliteit leveren. De maximale hoogte van een pgb is in de
                    verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst adequate door het college </al><al>ingekochte individuele voorziening in natura. </al><al/><al>In artikel 8.1.1, vijfde lid, onderdeel a, van de wet is bepaald dat het college
                    een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van
                    derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. Zo wordt
                    voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf
                    ondersteuning willen inkopen met een pgb. Een pgb is gemiddeld genomen ook
                    goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden
                    meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de
                    kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college
                    ingekochte individuele voorziening in natura. </al><al/><al>Een pgb kan worden ingezet om niet-professionele zorgverleners mee te betalen.
                    Dit kan bijvoorbeeld iemand zijn uit het sociale netwerk van de aanvrager
                    (zevende lid). Het uitgangspunt van de wetgever hierbij is dat het pgb voor
                    niet-professionele zorgverleners beperkt dient te blijven tot die gevallen
                    waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                    aantoonbaar doelmatiger is.</al><al/><al>Het is niet wenselijk dat een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist
                    of de jeugdarts naar de jeugdhulp een aanspraak kan vestigen op een pgb. Het
                    moet in alle gevallen de gemeente zijn die bepaalt of er de mogelijkheid is om
                    te kiezen voor een pgb in plaats van een voorziening in natura. Gemeenten
                    krijgen in de Wmo en Jeugdwet de ruimte om zelf te bepalen wanneer pgb-houders
                    maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp mogen inschakelen uit het eigen
                    sociale netwerk. In de verordening kunnen gemeenten vastleggen in welke
                    situaties en onder welke voorwaarden dit mogelijk is. Het is niet mogelijk om in
                    de verordening het gebruik van het pgb voor niet-professionele zorg geheel uit
                    te sluiten.</al><al/><al>Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en
                    andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste
                    groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen,
                    buren, vrienden, kennissen, etc.</al><al/><al>In de beleidsnota Kracht door verbinding heeft de regio Nijmegen bepaald dat
                    mantelzorg in principe niet met een pgb mag worden betaald. Mantelzorg is
                    informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op
                    een individuele of maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en
                    pgb gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra
                    ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als dat het geval
                    is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een pgb. In beginsel is
                    het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de
                    ondersteuning in het kader van het pgb gaat uitvoeren als in een eerder stadium
                    al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen
                    voor de cliënt. </al><al/><al>Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de
                    mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter
                    niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende
                    voorwaarden: niet iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een
                    naaste komt in aanmerking voor een pgb. Het blijft altijd om maatwerk gaan. De
                    jeugdige of zijn ouders dienen schriftelijk te motiveren waarom het pgb, bij
                    wijze van uitzondering, dient te worden ingezet om het sociale netwerk (alsnog)
                    te betalen. Uit de motivatie van de cliënt moet blijken dat de inkoop van de
                    ondersteuning bij een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk tot betere en
                    efficiënte ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan inkoop van
                    ondersteuning bij een professional. </al><al>In het negende lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de
                    besteding van het pgb. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie
                    waarin het recht oneindig open zou moeten staan. Een periode van zes maanden
                    wordt geacht voldoende lang te zijn voor de jeugdige of zijn ouders om de hulp
                    te organiseren. </al><al/><al>Het tiende lid verwoordt dat geen pgb wordt verstrekt indien niet aan de
                    voorwaarden van dit artikel wordt voldaan. </al><tussenkop>Artikel 12. Onderzoek inzet van individuele voorzieningen</tussenkop><al/><al>Op grond van artikel 2.9 onder d van de wet dienen in de verordening regels te
                    worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of
                    oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek
                    controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond
                    van de wet. </al><tussenkop>Artikel 13. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al/><al>Deze bepaling is een uitwerking van de bij nota van wijziging ( Kamerstukken II
                    2013/14 33 684, nr. 11, artikel D) ingevoegde verplichte delegatiebepaling van
                    artikel 2.9, onder d, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij
                    verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van
                    een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                    wet. Ook deze bepaling beoogt het standaardiseren met de regelgeving met
                    betrekking tot de aan elkaar verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en
                    maatschappelijke ondersteuning. Zie ook de toelichting onder artikel 11.</al><al>In de toelichting op de nota van wijziging is voorts vermeld dat het tot de
                    gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden voorzieningen
                    te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van
                    individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik
                    van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. De artikelen
                    8.1.2 tot en met 8.1.4 zijn eveneens bij nota van wijziging en ter
                    standaardisering van de regelgeving aan het wetsvoorstel toegevoegd.</al><al/><al>Het eerste lid berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet. Ook de
                    overige onderdelen van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 geven handen en
                    voeten aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik en zijn opgenomen
                    in deze verordening. De wettekst van de artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 is
                    veelal beperkt tot de pgb. Waar mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de
                    delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d, van de wet, in de verordening
                    uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. Hiervoor kan ook steun
                    gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarbij is
                    vermeld dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als
                    uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele
                    voorziening of een daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat
                    ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te
                    stellen te beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het
                    daaraan gekoppelde pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin
                    opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de
                    individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld
                    aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of
                    op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan
                    heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan
                    gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere
                    stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen. </al><al>Het tweede lid is geënt op artikel 8.1.4 van de wet<cursief>.</cursief> Ook hier
                    is de tot de pgb beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 van de wet op grond van
                    het bepaalde in artikel 2.9, onder d, van de wet uitgebreid tot de individuele
                    voorziening in natura. </al><al/><al>Het derde en vierde lid geven de gronden voor terugvordering. Als het college
                    een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, d of e heeft ingetrokken
                    kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten
                    onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb. Dit
                    artikellid is opgenomen ter uitvoering van artikel 2.9 onder d van de Jeugdwet,
                    dat luidt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt voor de bestrijding
                    van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb,
                    alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In de Invoeringswet
                    Jeugdwet is wel geregeld dat het college, na herziening of intrekking van een
                    beslissing aangaande een pgb in geval van het verstrekken van onjuiste of
                    onvolledige gegevens, bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte
                    genoten pgb kan invorderen, mits de verstrekking van juiste of volledige
                    gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (artikel 8.1.4, derde lid).
                    In de verordening is gekozen voor een verruiming van de
                    invorderingsmogelijkheden. Daarmee is een wettelijke basis gegeven aan de
                    mogelijkheid van invorderen.</al><al/><al>Indien het pgb niet binnen 6 maanden aangewend is voor de voorziening waarvoor
                    het verleend is, staat niet meer onomstotelijk vast dat er (nog) behoefte aan
                    (dezelfde) hulp bestaat. </al><tussenkop>Artikel 14. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                    uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</tussenkop><al/><al>Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de
                    vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door
                    aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het
                    oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp,
                    kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij
                    verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding
                    tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld
                    aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder
                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    toepasselijke arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële
                    kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 15. Vertrouwenspersoon</tussenkop><al/><al>In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college
                    ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep
                    kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een
                    functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg.
                    Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren
                    (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. Er zal een
                    regionale vertrouwenspersoon worden ingesteld. </al><al>De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij
                    verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de
                    verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een
                    compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij
                    algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) zal een nadere
                    uitwerking worden gegeven van de taken en bevoegdheden van de
                    vertrouwenspersoon. </al><tussenkop>Artikel 16. Klachtregeling</tussenkop><al/><al>Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van
                    de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge
                    en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die
                    onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. </al><al>Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige
                    regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om
                    na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek
                    in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. </al><al/><al>In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de
                    wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld
                    in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend
                    is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan
                    komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. </al><tussenkop>Artikel 17. Inspraak en medezeggenschap</tussenkop><al>I</al><al>n dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de
                    gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder
                    is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet. </al><al> Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel
                    2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In
                    artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo
                    2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen
                    2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015
                    van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid,
                    van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze
                    ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.</al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde
                    inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulpbeleid als op andere terreinen. De
                    inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de
                    wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. </al><al/><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de medezeggenschap vorm te geven.</al><al>Voor een verdere invulling van de inspraak en het betrekken van ingezetenen
                    wordt verwezen naar de Inspraakverordening 2004 en de Verordening
                    cliëntenparticipatie gemeente Beuningen 2012. Wel moeten deze verordeningen nog
                    aangepast worden in het licht van zowel de Jeugdwet als de Wmo 2015.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>