<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR397814_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Den Helder 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 2015, nr.49</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Den Helder 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 16 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-10-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB15.0100</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Reglement vervangt het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Den Helder 2014</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Den Helder 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een
                                    ontwerpverordening of ontwerpbeslissing;</al></li><li nr="-"><al>griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger;</al></li><li nr="-"><al>initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid voor een
                                    verordening of ander voorstel;</al></li><li nr="-"><al>motie: verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt
                                    uitgesproken;</al></li><li nr="-"><al>subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een
                                    aanhangig amendement;</al></li><li nr="-"><al>voorzitter: voorzitter van de raad of diens
                                    plaatsvervanger.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het presidium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad heeft een presidium.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het presidium bestaat uit de voorzitter van de raad en de
                                fractievoorzitters. De voorzitter van de raad is tevens de
                                voorzitter van het presidium. De griffier is in elke vergadering van
                                het presidium aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Elke fractievoorzitter wijst een lid van de raad aan, dat hem bij
                                zijn afwezigheid in het presidium vervangt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Elke fractievoorzitter of zijn vervanger heeft één stem in het
                                presidium.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het presidium heeft, naast de taken opgenomen in de artikelen 8, 14,
                                16, 39 en 40 van deze verordening, als taak aanbevelingen te doen
                                aan de raad inzake de organisatie van de werkzaamheden van de raad
                                en van zijn commissies, voor zover deze taak niet is opgedragen aan
                                de agendacommissie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vergaderingen van het presidium zijn openbaar, tenzij het
                                presidium anders beslist.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het presidium vergadert, indien meer dan de helft van de leden
                                aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het presidium kan anderen uitnodigen deel te nemen aan zijn
                                vergaderingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De agendacommissie en het vaststellen van de
                                vergaderingen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een agendacommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De agendacommissie bestaat uit de voorzitter van de raad, de
                                voorzitters van de raadscommissies en de raadsgriffier. De
                                voorzitter van de raad is tevens voorzitter van de
                                agendacommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De agendacommissie stelt de voorlopige agenda vast voor de
                                vergaderingen van de raad, voordat de oproep als bedoeld in artikel
                                9 wordt verzonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter van de agendacommissie kan voorstellen de
                                gemeentesecretaris uit te nodigen voor een vergadering van de
                                agendacommissie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De leden van de agendacommissie hebben elk één stem in de
                                agendacommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De griffier</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier is aanwezig in raadsvergaderingen en vergaderingen van
                                het presidium en kan aanwezig zijn in
                                raadscommissievergaderingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een
                                door de raad aangewezen plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan beraadslagingen
                                in raadsvergaderingen deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad een commissie
                                in bestaande uit drie raadsleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende
                                stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies
                                uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden
                                tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een
                                minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau
                                gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de
                                raadsverkiezingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden
                                op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling, bedoeld
                                in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of
                                verklaring en belofte af te leggen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter
                                in afwijking van het voorgaande een nieuw benoemd raadslid op voor
                                de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de
                                voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Benoeming wethouders</titel></kop><al>Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad een commissie in
                            bestaande uit drie raadsleden. De commissie onderzoekt of benoeming van
                            de kandidaat voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b,
                            eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de Gemeentewet en
                            brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot
                            wethouder. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Fracties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde
                                kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van
                                de zitting als één fractie beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de
                                fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen
                                aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste
                                raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de
                                raad zal voeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo
                                spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige
                                fractie gaan optreden of als één of meer raadsleden van een fractie
                                zich aansluiten bij een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig
                                mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G 3
                                van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende
                                raadsvergadering na naamswijziging.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Raadsvergaderingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Voorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Vergaderfrequentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats op
                                    maandag, vangen in de regel aan om 19.30 uur en worden gehouden
                                    in het stadhuis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de maandag van de vergadering een feestdag betreft wordt
                                    er op de daaropvolgende dinsdag vergaderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de schoolvakanties wordt niet vergaderd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en
                                    aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij
                                    voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende
                                    situatie, overleg in het presidium.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Oproep en voorlopige agenda</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter zendt ten minste vijf dagen voor een
                                    raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de
                                    voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken, met
                                    uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de
                                    Gemeentewet bedoelde stukken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een aanvullende agenda als bedoeld in artikel 10, eerste
                                    lid, wordt vastgesteld, wordt deze met de daarbij behorende
                                    stukken zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang
                                    van de raadsvergadering aan de leden gezonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Aanvullende agenda; vaststellen agenda</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van
                                    een schriftelijke oproep een aanvullende voorlopige agenda
                                    opstellen. De daarbij behorende stukken worden openbaar
                                    gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als omtrent de inhoud van stukken op grond van artikel 25,
                                    eerste of tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is
                                    opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid
                                    onder berusting van de griffier en verleent deze de raadsleden
                                    op verzoek inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de
                                    raad vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij aanvang van de vergadering stelt de raad, op voorstel van de
                                    voorzitter, vast op welk moment een pauze van 15 minuten wordt
                                    ingelast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Ter inzage leggen van stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op
                                    een voorlopige agenda dienen, worden gelijktijdig met het
                                    verzenden van de schriftelijke oproep op het gemeentehuis ter
                                    inzage gelegd. Als na het verzenden van de schriftelijke oproep
                                    stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling
                                    gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk door middel van
                                    openbare kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Stukken die digitaal beschikbaar zijn worden op de website van
                                    de gemeente geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede
                                    lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze
                                    stukken in afwijking van het eerste en tweede lid onder
                                    berusting van de griffier en verleent deze de raadsleden op
                                    verzoek inzage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Openbare kennisgeving</titel></kop><al>De vergadering wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep door
                                aankondiging in het huis-aan-huisblad en door plaatsing op de
                                gemeentelijke website openbaar gemaakt. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Ter vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Presentielijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten
                                    van raadsvergaderingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de
                                    presentielijst. Aan het einde van elke raadsvergadering wordt
                                    die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening
                                    vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zitplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een
                                    vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg in het presidium
                                    bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad
                                    aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling
                                    herzien na overleg in het presidium.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders,
                                    secretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn
                                    uitgenodigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Aantal spreektermijnen en spreekregels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in één
                                    spreektermijn, tenzij de raad anders beslist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp
                                    of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het
                                    spreken over een voorstel van orde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het spreken wordt gebruik gemaakt van het sprekersgestoelte.
                                    Interrupties zullen zo veel als mogelijk via
                                    interruptiemicrofoons plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Technische vragen worden zoveel als mogelijk in de
                                    voorbereidende commissievergaderingen gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Spreektijd</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Iedere fractie krijgt een spreektijd van 12 minuten.</al></li><li nr="2."><al>Al het gesproken woord telt mee voor de spreektijd, met
                                        uitzondering van interrupties.</al></li><li nr="3."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan participeren
                                        in een debatronde om zaken te verduidelijken, eventuele
                                        onjuistheden te corrigeren en te reageren op een ingediend
                                        amendement of motie door middel van een pre-advies.</al></li><li nr="4."><al>In bijzondere situaties kan door het presidium een
                                        afwijkende spreektijd worden voorgesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>*) Artikel</label><nr>17a</nr><titel>Spreekrecht burgers</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>Na de opening van de vergadering kunnen aanwezige
                                            burgers gezamenlijk gedurende maximaal vijftien minuten
                                            het woord voeren over geagendeerde
                                            onderwerpen.</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>Het woord kan niet gevoerd worden:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>over een besluit van het gemeentebestuur
                                                  waartegen bezwaar of beroep op de rechter
                                                  openstaat of heeft opengestaan;</cursief></al></li><li nr="b."><al> b. over benoemingen, keuzen, voordrachten of
                                                aanbevelingen van personen;</al></li><li nr="c."><al><cursief> c. indien een klacht ex artikel 9:1 van de
                                                  Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden
                                                  ingediend.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="3."><al><cursief> Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken,
                                            meldt dit ten minste 24 uur voor de aanvang van de
                                            vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn
                                            naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover
                                            hij het woord wil voeren.</cursief></al></li><li nr="4."><al><cursief> De voorzitter geeft het woord op volgorde van
                                            aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken,
                                            indien dit in het belang is van de orde van de
                                            vergadering.</cursief></al></li><li nr="5."><al><cursief> Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het
                                            woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig
                                            over de sprekers als er meer dan drie sprekers zijn. De
                                            voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken
                                            van de maximale lengte van de spreektijd.</cursief></al></li><li nr="6."><al><cursief> De spreker voert het woord, nadat de voorzitter
                                            hem dit heeft verleend. De voorzitter of een lid van de
                                            raad doet een voorstel voor de behandeling van de
                                            inbreng van de burger.”</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Deelname aan de beraadslaging door anderen</titel></kop><al>Onverminderd artikel 21 van de Gemeentewet kan de raad op enig
                                moment besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de
                                beraadslaging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Voorstellen van orde</titel></kop><al>Raadsleden kunnen tijdens een raadsvergadering mondeling een
                                voorstel van orde betreffende de vergadering doen. De raad beslist
                                hier terstond over.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Stemmingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Stemverklaring</titel></kop><al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                                overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag
                                toelichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een
                                    onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad
                                    anders beslist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel
                                    plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te
                                    nemen beslissing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Stemming; procedure hoofdelijke stemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is
                                    dit niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel
                                    zonder stemming is aangenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen kunnen de in
                                    de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het
                                    verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben
                                    tegengestemd of overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet
                                    niet aan de stemming te hebben deelgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt,
                                    doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij hoofdelijke stemming roept de griffier de raadsleden bij
                                    naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het
                                    daarvoor bij loting aangewezen raadslid. Vervolgens geschiedt de
                                    oproeping op alfabetische volgorde.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij hoofdelijke stemming brengen ter vergadering aanwezig
                                    raadsleden, tenzij zij overeenkomstig artikel 28 van de
                                    Gemeentewet niet aan de stemming deel behoren te nemen, hun stem
                                    uit door 'voor' of 'tegen' uit te spreken, zonder enige
                                    toevoeging.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist,
                                    kan deze vergissing herstellen totdat het volgende raadslid
                                    heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later,
                                    dan kan deze nadat de voorzitter de uitslag van de stemming
                                    bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit
                                    brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee.
                                    Deze doet daarbij tevens mededeling van het genomen
                                    besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Volgorde stemming over amendementen en moties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt
                                    eerst over dat amendement gestemd en vervolgens over het
                                    voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het
                                    subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop
                                    dat betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als meerdere amendementen of subamendementen op een aanhangig
                                    voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en
                                    tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of
                                    subamendement gestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend,
                                    wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de
                                    motie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Stemming over personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij stemming over personen voor voordrachten of het opstellen
                                    van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de voorzitter drie
                                    raadsleden tot stembureau.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanwezige raadsleden zijn verplicht een door het stembureau
                                    verstrekt stembriefje in te leveren, tenzij zij overeenkomstig
                                    artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming deel behoren
                                    te nemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te
                                    benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op
                                    voorstel van het stembureau beslissen dat bepaalde stemmingen
                                    worden samengevat op één briefje.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist
                                    de raad op voorstel van het stembureau.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Verslaglegging; ingekomen stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Verslag en besluitenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier draagt zorg voor het bijhouden van een
                                    presentielijst, de verslaglegging in geluid en beeld en de
                                    besluitenlijst van de vergadering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verslaglegging en besluitenlijst van de voorgaande
                                    vergaderingen worden via het Internet ter beschikking
                                    gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Ingekomen stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke
                                    mededelingen van het college aan de raad, worden door de
                                    raadsgriffie op een lijst geplaatst en namens de agendacommissie
                                    door de griffier voorzien van een afdoeningsvoorstel. Deze lijst
                                    wordt aan de leden van de raad toegezonden en ter inzage
                                    gelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen twee weken na toezending van de lijst van ingekomen
                                    stukken kan een raadslid aan de agendacommissie gemotiveerd een
                                    andere wijze van afdoening van een stuk voorstellen. De
                                    agendacommissie beslist over dit voorstel en maakt, indien
                                    besloten wordt tot een andere wijze van afdoening, dit kenbaar
                                    aan de raadsleden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er binnen twee weken na publicatie van de lijst van
                                    ingekomen stukken geen ander voorstel tot afdoening is
                                    ingediend, wordt geacht te zijn ingestemd met het in het eerste
                                    lid genoemde voorstel tot wijze van afdoening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het vorenstaande laat onverlet dat raadsleden en fracties
                                    gebruik kunnen maken van hun rechten naar aanleiding van
                                    ingekomen stukken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.</nr><titel>Besloten raadsvergaderingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Toepassing reglement op besloten vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement
                                    van overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet
                                    strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een besloten raadsvergadering hebben alleen die personen
                                    toegang die daar wettelijk recht toe hebben, tenzij de raad
                                    anders beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Verslag besloten vergadering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Conceptverslagen en -besluitenlijsten van besloten
                                    raadsvergaderingen worden niet verspreid, maar uitsluitend voor
                                    de raadsleden ter inzage gelegd bij de griffier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verslagen en besluitenlijsten worden zo spoedig mogelijk in
                                    een besloten raadsvergadering ter vaststelling aangeboden.
                                    Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al
                                    dan niet openbaar maken van het vastgestelde verslag en de
                                    besluitenlijst. 3. De vastgestelde verslagen en besluitenlijsten
                                    worden door de voorzitter en de griffier ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Opheffing geheimhouding</titel></kop><al>Als de raad op grond van de artikelen 25, derde en vierde lid, 55,
                                tweede en derde lid, of 86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet
                                voornemens is de geheimhouding op te heffen, wordt, als het orgaan
                                dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een
                                besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg
                                gevoerd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6.</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare
                                    raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde
                                    plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op
                                    andere wijze verstoren van de orde is hen verboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die van een openbare raadsvergadering geluid- of
                                beeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling aan de
                                voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Bevoegdheden, instrumenten raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Amendementen en subamendementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten
                                van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben
                                in bij de voorzitter. Dit gebeurt schriftelijk, tenzij de voorzitter
                                oordeelt dat mondelinge indiening volstaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen en subamendementen
                                die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend
                                hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is
                                mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is
                                afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Moties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden dienen moties schriftelijk in bij de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de
                                beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen
                                onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen
                                zijn behandeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de
                                besluitvorming daarover door de raad is afgerond.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De stemming over moties kan worden aangehouden; heeft de stemming
                                niet plaats gevonden in de eerste vergadering twee maanden na het
                                besluit tot aanhouden -recessen niet meegerekend- dan wordt de motie
                                geacht te zijn vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Initiatiefvoorstellen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen
                                worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De agendacommissie bepaalt de wijze en datum van behandeling. Indien
                                het voorstel eerst door een commissie dient te worden besproken,
                                wordt het voorstel bij de betreffende commissie op de agenda
                                geplaatst en tegelijk voor een preadvies aan het college
                                gezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het voorstel rechtstreeks door de raad kan worden behandeld,
                                wordt het voorstel op de agenda van de eerstvolgende vergadering
                                geplaatst, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor met de voorlopige
                                agenda reeds is verzonden. In dit laatste geval wordt het voorstel
                                op de agenda van de daarop volgende vergadering geplaatst, tenzij
                                naar het oordeel van de agendacommissie sprake is van een
                                spoedeisend voorstel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De behandeling van het initiatiefvoorstel vindt plaats nadat alle op
                                de agenda voorkomende voorstellen en onderwerpen zijn behandeld,
                                tenzij de raad oordeelt dat het voorstel met het oog op de orde van
                                de vergadering tezamen met een ander geagendeerd voorstel of
                                onderwerp dient te worden behandeld. De raad kan voorwaarden stellen
                                aan de indiening en behandeling van een voorstel voor een
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Collegevoorstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorstel van het college aan de raad dat vermeld staat op de
                                voorlopige agenda van de raadsvergadering, kan niet worden
                                ingetrokken zonder toestemming van de raad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het
                                eerste lid voor advies terug aan het college dient te worden
                                gezonden, bepaalt de raad binnen welke termijn het voorstel opnieuw
                                geagendeerd wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Interpellatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatie
                                schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval
                                de te stellen vragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk
                                ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het verzoek ten minste 48 uur voor aanvang van een
                                raadsvergadering is ingediend of in naar het oordeel van de
                                voorzitter spoedeisende gevallen, wordt over het verzoek tijdens de
                                eerstvolgende raadsvergadering gestemd. In andere gevallen tijdens
                                de daaropvolgende raadsvergadering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De interpellant voert niet vaker dan tweemaal het woord. De overige
                                raadsleden, de burgemeester en de wethouders niet vaker dan eenmaal,
                                tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Schriftelijke vragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De
                                vragen kunnen van een toelichting worden voorzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor
                                dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden
                                van de raad en het college of de burgemeester worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                                ieder geval binnen dertig dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen.
                                Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden,
                                stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de
                                vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn
                                aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit
                                bericht wordt behandeld als een antwoord.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Mondelinge beantwoording kan op verzoek van een raadslid
                                plaatsvinden, indien schriftelijke beantwoording niet binnen dertig
                                dagen (nadat de vragen zijn binnengekomen) heeft plaatsgevonden en
                                het college of de burgemeester de vragensteller niet overeenkomstig
                                lid 3 gemotiveerd in kennis heeft gesteld van de niet tijdige
                                beantwoording.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De antwoorden van het college of de burgemeester worden aan de leden
                                van de raad toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de
                                eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in
                                dezelfde raadsvergadering, na de behandeling van de op de agenda
                                voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen omtrent het door
                                de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad
                                anders beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als
                                bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de
                                Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe, door tussenkomst
                                van de griffier schriftelijk ingediend bij het college of de
                                burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De griffier draagt er zorg voor dat de overige leden van de raad een
                                afschrift van dit verzoek krijgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de
                                eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de
                                vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Vragenkwartier</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raadsvergadering begint om 19.30 uur met het vragenkwartier,
                                tenzij er bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend. In
                                bijzondere gevallen kan de agendacommissie bepalen dat het
                                vragenkwartier op een ander tijdstip wordt gehouden. De voorzitter
                                bepaalt op welk tijdstip het vragenkwartier eindigt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vragen dienen actueel en spoedeisend te zijn en dienen kort en
                                bondig te worden geformuleerd. Indien er naar de mening van de
                                voorzitter teveel vragen voor het vragenkwartier zijn ingediend zal
                                de raad op verzoek van de voorzitter aan de hand van de actualiteit
                                en spoedeisendheid bepalen welke vragen in het vragenkwartier worden
                                behandeld. De overige vragen worden in een later stadium
                                schriftelijk beantwoord.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het lid van de raad dat tijdens het vragenkwartier vragen wil
                                stellen, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp ten minste 24
                                uur voor aanvang van het vragenkwartier bij de voorzitter. De
                                voorzitter kan na overleg met de agendacommissie weigeren een
                                onderwerp tijdens het vragenkwartier aan de orde te stellen indien
                                hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of
                                indien het onderwerp in de raadsvergadering op diezelfde dag aan de
                                orde komt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen
                                tijdens het vragenkwartier aan de orde worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de
                                vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de
                                overige leden van de raad.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één
                                of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een
                                toelichting daarop te geven.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de
                                vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te
                                stellen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord
                                verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of
                                de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Tijdens het vragenkwartier kunnen geen moties worden ingediend en
                                worden geen interrupties toegelaten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Begroting en rekening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr><titel>Procedure begroting</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding,
                            het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting
                            volgens een procedure die de raad, op voorstel van het presidium,
                            vaststelt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40.</nr><titel>Procedure jaarrekening</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding
                            en het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de
                            vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel
                            indemniteitsbesluit volgens een procedure die de raad, op voorstel van
                            het presidium, vaststelt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41.</nr><titel>Uitleg reglement</titel></kop><al>In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de
                            toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de
                            voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42.</nr><titel>Intrekken oude reglement</titel></kop><al>Het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van
                            de gemeenteraad van Den Helder 2014 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2016.</al></li><li nr="2."><al>Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van orde voor
                                    vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van
                                    Den Helder 2015.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 16 november 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>*) zie amendement nr. 13.1 (AM15.00031) van GroenLinks, D66, Behoorlijk Bestuur,
                    PvdA, Beter voor Den Helder en Vrije Socialisten.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><cursief>NB Deze toelichting is geschreven met de (mogelijke) keuzes die in de
                        Model Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van
                        de raad 2014 gemaakt zijn in gedachte. Als een individuele gemeente op
                        punten andere keuzes maakt, dan sluit deze toelichting mogelijk niet aan.
                        Wel kan deze uiteraard als basis dienen voor een door de gemeente zelf op te
                        stellen toelichting. Bovendien worden enkel die bepalingen behandeld die
                        verdere toelichting behoeven. Voor een goed beeld dient deze
                        modelverordening in samenhang met de hierbij behorende ledenbrief gelezen te
                        worden.</cursief></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de
                    Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel
                    77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende raadslid het
                    raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de
                    burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in
                    jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad
                    altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester
                    heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan
                    de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de
                    handhaving van de orde in de vergadering.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Het presidium</vet></al><al>Het presidium heeft voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen aan
                    de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad). Diverse
                    gemeenten hebben dit takenpakket uitgebreid met meer inhoudelijke taken. De VNG
                    is van mening dat het presidium voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van
                    het raadswerk een ondergeschikte rol dient te vervullen omdat anders het gevaar
                    bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan wordt gecreëerd, hetgeen
                    niet strookt met de Grondwet, die het primaat immers expliciet bij de raad legt
                    (artikel 125, eerste lid, van de Grondwet). </al><al>Het presidium als zodanig kan niet ook optreden als werkgeverscommissie. De
                    werkgeverscommissie, ingesteld op basis van artikel 83 van de Gemeentewet,
                    bestaat immers enkel uit raadsleden (en dus niet, zoals het presidium, ook de
                    voorzitter van de raad). Het presidium heeft voornamelijk een procedurele rol
                    zoals hierboven aangegeven. In de handreiking ‘De (rechts)positie van de
                    griffie(r) in het decentrale bestuur’ is een modelbesluit voor het instellen van
                    een werkgeverscommissie opgenomen. Het is wel mogelijk om de raadsleden van het
                    presidium te benoemen in de werkgeverscommissie en de vergaderingen van deze
                    commissie te laten aansluiten op de vergaderingen van het presidium, zodat er,
                    indien nodig, snel overlegd kan worden. </al><al>Men zou er voor kunnen kiezen de regie van enkele interne/organisatorische
                    kwesties bij het presidium neer te leggen. In artikel 5 is als aanvullende taak
                    opgenomen dat het presidium aanbevelingen doet aan de raad inzake de organisatie
                    van de werkzaamheden van de raad [<cursief>en zijn commissies</cursief>].
                    Hieronder vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van het reglement
                    van orde, het instrueren van de griffier en het bespreken van agenda-technische
                    zaken.</al><al>Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even zwaar
                    weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch
                    stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de
                    raadsvergaderingen vergroten.</al><al>De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig (artikel 4,
                    eerste lid), omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet
                    weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De
                    aanwezigheid van de secretaris kan ook gewenst zijn, omdat de secretaris
                    aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die
                    worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. Overeenkomstig het achtste lid
                    kan de secretaris worden uitgenodigd. Als dit een ‘staande’ uitnodiging wordt,
                    dan kan overwogen worden zijn aanwezigheid expliciet het reglement van orde te
                    regelen.</al><al/><al><vet>Artikel 3. De agendacommissie en het vaststellen van de
                    vergaderingen</vet></al><al>De agendacommissie vervult een belangrijke (coördinerende) rol bij de agendering
                    van zaken [<cursief>in de raadscommissies en</cursief>] in de raad. De
                    agendacommissie heeft het overzicht van alle onderwerpen waar de raad zich mee
                    bezig houdt en zorgt voor de planning. In veel gemeenten wordt gewerkt met
                    jaaroverzichten waarbij specifieke vergaderingen lang van te voren bekend zijn.
                    Denk hierbij aan de begroting en jaarrekening. <vet>(In Den Helder ligt deze
                        taak bij het presidium zie artikel 39 en artikel 40.)</vet> In het geval een
                    gemeente deelneemt in een gemeenschappelijke regeling zal in deze regeling zijn
                    opgenomen hoe de raad geïnformeerd wordt door de vertegenwoordiger van de
                    gemeente in de gemeenschappelijke regeling (artikelen 16 en 18 van de Wet
                    gemeenschappelijke regelingen). Van belang is dat de agendacommissie de
                    vergadercyclus van deze besturen kent. Het kan nodig zijn dat de raad
                    voorafgaand aan een vergadering van het bestuur van de gemeenschappelijke
                    regeling de gemeentelijke vertegenwoordiger informatie of opvattingen wil
                    meegeven. Ook de begrotingscyclus van de gemeenschappelijke regeling is relevant
                    voor de agendacommissie zodat de raad tijdig noodzakelijke informatie kan
                    leveren. </al><al>Naast gemeenschappelijke regelingen kan een gemeente ook vertegenwoordigd zijn
                    in ander organisaties (stichtingen, vennootschappen). Ook deze vergadercycli
                    kunnen voor een agendacommissie aanleiding zijn om deze te agenderen voor een
                    raads- of commissievergadering. Zodat er informatie uitgewisseld kan worden
                    tussen de vertegenwoordiger van de gemeente en de raad.</al><al>Het is aan de agendacommissie om de planning in te vullen maar ook om deze te
                    bewaken. </al><al>De commissie stelt de agenda's van [<cursief>raadscommissies en</cursief>] de
                    raad voorlopig vast. De definitieve vaststelling van de agenda [<cursief>van een
                        raadscommissie en</cursief>] van de raad geschiedt bij de aanvang van de
                    betreffende vergadering.</al><al>Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe
                    heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten
                    minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van
                    redenen daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat de voorzitter
                    in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg
                    pleegt met de agendacommissie. Op deze wijze houdt de agendacommissie ook bij
                    vergaderingen, die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op
                    de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen van het
                    aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de
                    raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde
                    functie.</al><al/><al><vet>Artikel 4. De griffier</vet></al><al>De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 van de Gemeentewet).
                    De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de
                    raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De
                    Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d,
                    eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband
                    met artikel 22 van de Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een
                    bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de
                    beraadslaging.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden</vet></al><al><cursief>Vooraf</cursief></al><al>Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de
                    benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit
                    benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De
                    benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de
                    Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan
                    de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om
                    als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een
                    ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een
                    uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats
                    en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet
                    aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de Gemeentewet (artikel V 3 van
                    de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare
                    vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15,
                    derde lid, van de Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer
                    bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie
                    welke de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling
                    als schriftelijk.</al><al><cursief>Eerste en tweede lid</cursief></al><al>De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter
                    een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat
                    de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de
                    verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak
                    voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen.
                    Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van
                    de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.</al><al>Dit lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na
                    de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek
                    een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen
                    (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (is deze
                    juist vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het
                    centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen
                    over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit
                    besluit is van belang om dat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot
                    het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een
                    herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal
                    specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit
                    tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten
                    waarop de raad tot een dergelijk besluit over gaat. Het feit dat een fractie een
                    klein aantal (bijv. 3) stemmen te weinig heeft om een extra zetel te behalen is
                    geen valide motivering om tot hertelling over te gaan. Een proces-verbaal
                    waaruit blijkt dat kiezers bezwaar hebben gemaakt over de onzorgvuldige wijze
                    waarop het stembureau na sluiting de stemmen heeft geteld, kan dit wel
                    zijn.</al><al><cursief>Vierde en vijfde lid</cursief></al><al>Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn
                    leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een
                    nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een
                    raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in
                    nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal
                    hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of
                    verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de
                    toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of
                    verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het
                    raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet
                    vastgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Benoeming wethouders</vet></al><al>Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet
                    vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder
                    geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet
                    geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan
                    een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen
                    voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het
                    raadlidmaatschap (Gemeentewet artikelen 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de
                    hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek
                    naar de geloofsbrieven in te stellen. Dit artikel is ook van toepassing als er
                    geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incomptabiliteiten
                    en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden.</al><al>Bij de benoeming van een wethouder zal er een integriteitstoets plaatsvinden. De
                    gedragscode politieke ambtsdragers speelt hierbij een rol. Daarnaast kan een
                    verklaring omtrent het gedrag (VOG) worden gevraagd. De raad kan aangeven dat
                    zij deze procedure wil volgen bij de benoeming van wethouders. De VOG kent een
                    screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij dit profiel staat de
                    integriteit van de aspirant bestuurder centraal. Het is mogelijk om deze VOG via
                    een spoedprocedure uit te laten voeren.</al><al>Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de
                    geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van
                    de Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van
                    één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een
                    nieuw raadslid te benoemen. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is een risico.
                    Het kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of
                    dat de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Fracties</vet></al><al><cursief>Eerste en tweede lid</cursief></al><al>De Kieswet en de Gemeentewet kennen het begrip fractie niet. In de Gemeentewet
                    in artikel 33, tweede lid, wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad
                    vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractie-ondersteuning). Bij de aanvang
                    van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die
                    op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. Is onder een
                    lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke
                    fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de
                    aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de
                    relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de
                    burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven
                    de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de
                    eerste vergadering de aanduiding mee.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten.
                    In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de
                    fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter
                    mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar
                    uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich
                    aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk,
                    bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in
                    een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid.
                    Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen.</al><al>Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke
                    titel worden verkozen en benoemd (dit laatste door de voorzitter van het
                    stembureau). Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de Gemeentewet,
                    waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De
                    volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet
                    gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens
                    bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de
                    individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen.
                    De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van
                    fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.</al><al>Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan ook
                    niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor
                    ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of
                    zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te
                    veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen
                    heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en
                    splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit
                    over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad
                    is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling
                    is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.</al><al>Dit betekent ook dat:</al><al>- kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die
                    lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken,
                    bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van
                    het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig
                    zijn, vanwege strijd met de Gemeentewet en de Kieswet;</al><al>- personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet
                    verliezen;</al><al>- als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende
                    partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren.</al><al>Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische
                    gevolgen hebben, te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten,
                    fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig
                    andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de
                    bezetting in raadscommissies door burgerraadsleden.</al><al>Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft
                    afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk
                    was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet).</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit
                    artikel G 3 van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde. Indien de nieuwe
                    fractie wil meedoen aan de eerstvolgende raadsverkiezingen zal dit ook gebeuren.
                    Bij registratie als politieke groepering wordt getoetst aan hoofdstuk G van de
                    Kieswet, waarin staat aangegeven in welke gevallen deze registratie geweigerd
                    wordt. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Raadsvergaderingen</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1. Voorbereiding</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8. Vergaderfrequentie</vet></al><al><vet>Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij
                        daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt
                        of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad
                        schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. Het vierde lid brengt tot
                        uitdrukking dat de voorzitter in het bepalen van een andere dag en ander
                        aanvangsuur zoveel mogelijk overleg pleegt in het presidium. Op deze wijze
                        houdt het presidium ook bij vergaderingen, die niet op het gebruikelijke
                        tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de
                        vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk
                        belang, omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap
                        combineert met een andere (on)betaalde functie.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9. Oproep en voorlopige agenda</vet></al><al>In artikel 19, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de
                    leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.</al><al>Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de voorzitter een vastgesteld aantal
                    dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep stuurt, waarin de
                    vergadering wordt aangekondigd. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit
                    wenst de stukken en oproep niet per post maar per e-mail te versturen. De oproep
                    vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het eerste lid stelt
                    verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met
                    uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet
                    bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep aan de leden worden verzonden. De
                    in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien
                    waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de stukken. </al><al/><al><vet>Artikel 10. Aanvullende agenda; vaststellen agenda</vet></al><al>De agendacommissie bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Het versturen
                    van de agenda en stukken is geregeld in artikel 9. Dit is echter een voorlopige
                    agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk
                    zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft
                    op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het
                    verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken
                    rondsturen. </al><al>Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de
                    opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via hun
                    fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen.
                    Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een
                    voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te
                    voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten
                    invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.</al><al>Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het
                    doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen
                    staken, is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Ter inzage leggen van stukken</vet></al><al>Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom
                    worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep
                    ter inzage aangeboden.</al><al>Naast de fysieke terinzagelegging op het stadhuis, zullen de stukken doorgaans
                    op elektronische wijze worden aangeboden. Dit gaat via een digitaal
                    raadsinformatiesysteem of door plaatsing op de gemeentesite. </al><al>Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
                    Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of
                    ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door
                    de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten
                    komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s,
                    verslag, (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in
                    de zin van de Wob. </al><al>Onder de stukken als bedoeld in het derde lid van dit artikel worden verstaan:
                    geheime stukken en de zogenaamde ‘achterliggende’ stukken waarvan in
                    raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende
                    nota’s, etc.). </al><al>Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop voorlopige
                    geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan
                    de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden
                    overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak
                    gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen.</al><al>De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom
                    worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de
                    raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd. Op
                    verzoek van de leden van de raad kan de griffier inzage aan hen verlenen.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Openbare kennisgeving</vet></al><al>Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19,
                    tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is
                    aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
                    Hier wordt expliciet vastgelegd in welke dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen de
                    aankondiging van de vergadering van de raad wordt geplaatst. Indien de
                    kennisgeving uitsluitend elektronisch plaatsvindt, dan dient er een grondslag te
                    zijn, zie artikel 3:12 juncto 2:14 van de Awb.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2. Ter vergadering</vet></al><al/><al><vet>Artikel 13. Presentielijst</vet></al><al>De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel
                    20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De
                    handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat
                    het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast
                    te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.</al><al>De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom
                    zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de
                    voorzitter deze vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen
                    dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Zitplaatsen</vet></al><al><vet>De griffier is overeenkomstig artikel 4 lid 1 in elke vergadering aanwezig
                        en heeft daarom een eigen zitplaats. De voorzitter kan na overleg in het
                        presidium de indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat.
                    </vet></al><al/><al><vet>Artikel 15. Aantal spreektermijnen en spreekregels</vet></al><al><vet>Uit evaluaties van de werkwijze van de raad is bij herhaling naar voren
                        gekomen dat debatvoering in raads- en commissievergaderingen voor
                        verbetering vatbaar is. Naar aanleiding hiervan heeft een raadswerkgroep in
                        2011, met ondersteuning van het Nederlands Debat Instituut, een notitie
                        opgesteld met als titel ‘Meer debat in </vet></al><al><vet>Den Helder’. Daarbij is gesteld dat de commissievergaderingen voornamelijk
                        zijn bedoeld om onduidelijkheden over raadsvoorstellen en ontwerpbesluiten
                        weg te nemen en argumenten en meningen tussen fracties uit te wisselen. Het
                        wegnemen van onduidelijkheden geschiedt in de regel door het stellen van
                        vragen aan de portefeuillehouder(s). Met het uitwisselen van gezichtspunten
                        tussen de fracties onderling, kunnen zij elkaars meningsvorming nog trachten
                        te beïnvloeden. Voorstellen die door de commissie besluitrijp worden geacht,
                        worden vervolgens als hamerpunt of bespreekpunt geagendeerd voor de
                        raadsvergadering. In de raadsvergadering wordt vervolgens het politieke
                        debat gevoerd over de bespreekpunten die door de commissie zijn aangegeven.
                        In het onderlinge debat worden dan de standpunten en argumenten van de
                        verschillende fracties meer zichtbaar en kunnen de fracties hierop worden
                        aangesproken.</vet></al><al><vet>Naar aanleiding van bovenstaande is destijds besloten onder andere een
                        wijziging aan te brengen in de werkwijze van de raad (lid 1). Deze werkwijze
                        leidt tot meer transparantie van de standpunten en onderliggende argumenten
                        en daarmee tot een transparanter besluitvormingsproces.</vet></al><al>De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen,
                    maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde
                    onderwerp.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Spreektijd</vet></al><al><vet>Het artikel strekt ertoe te benadrukken dat de raad ook uit eigen
                        initiatief regels kan stellen over de spreektijd van de leden. De voorzitter
                        hoeft dit niet voor te stellen. De voorzitter kan in het kader van zijn taak
                        tot het handhaven van de orde tijdens de vergadering wel wijzigingen
                        voorstellen in de omvang van de spreektijd.</vet></al><al><vet>In bijzondere situaties kan het noodzakelijk zijn om af te wijken van de
                        spreektijd. Hierbij kan gedacht worden aan de begrotingsbehandeling, de
                        behandeling van de Kadernota, het verdedigen van een initiatiefvoorstel door
                        de initiatiefnemer(s) en het houden van een interpellatie (het verzoek tot
                        het houden van een interpellatie moet door de raad worden
                    toegestaan).</vet></al><al/><al><vet>Artikel 17a Spreekrecht burgers </vet></al><al>De nieuwe bepaling heeft een facultatief karakter, zij het dat een dergelijke
                    bepaling ook al was opgenomen in het ‘oude’ reglement van orde. Het spreekrecht
                    van burgers kan bijdragen aan het vergroten van de betrokkenheid van de burgers
                    bij het bestuur; één van de doelstellingen van de vernieuwing van het lokaal
                    bestuur. Op grond van de artikelen 3, 3a, 8a en 37a van dit reglement van orde
                    kunnen de leden, de griffier, de secretaris en de wethouders al deelnemen aan de
                    beraadslagingen. Daarbij hebben raadsleden het recht van interpellatie en de
                    mogelijkheid een voorstel van orde te doen. Met de ontvlechting van de positie
                    van raadslid en wethouder kunnen wethouders op uitnodiging van de raad deelnemen
                    aan de beraadslagingen.</al><al>Het spreekrecht van burgers is beperkt gehouden tot geagendeerde onderwerpen,
                    omdat burgers op deze wijze een doelgerichte bijdrage kunnen leveren aan de
                    beraadslaging van de raad.</al><al>In het artikel zijn drie onderwerpen opgenomen, waar het spreekrecht niet voor
                    geldt. Als een besluit van de raad of het college vatbaar is voor bezwaar en de
                    burger belanghebbende is, kan de burger een bezwaarschrift indienen. Ook kan een
                    burger beroep instellen bij de rechtbank. De reikwijdte van deze procedures
                    houdt niet in dat alle burgers zich hierover kunnen uitspreken. Verder zijn de
                    benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen van personen uitgesloten van
                    het spreekrecht van burgers. Omdat inspraak over de benoemingen, keuzen,
                    voordrachten of aanbevelingen van personen - de belangen van - kandidaten al dan
                    niet in de uitoefening van hun ambt of functie kan schaden, kunnen burgers
                    hierover geen uitlatingen doen. Als laatste kunnen burgers zich ook niet
                    uitlaten over onderwerpen, waar zij op grond van artikel 9:2 Algemene wet
                    bestuursrecht een klacht over kunnen indienen. Deze procedure gaat voor het
                    spreekrecht van burgers. De uitzonderingen op het spreekrecht van burgers kunnen
                    uiteraard worden aangevuld, bijvoorbeeld met ‘d. ingekomen stukken”. </al><al>Sommige raden kunnen dit wenselijk achten, aangezien de raad zich nog niet over
                    deze stukken uit heeft kunnen laten.</al><al>Een overweging om deze stukken niet uit te zonderen kan zijn dat juist door een
                    toelichting te geven op een ingekomen stuk aandacht gevraagd kan worden voor een
                    onderwerp dat tot dat moment nog niet de aandacht van de raad had en het belang
                    hiervan te onderstrepen. Daarbij moet de griffier ook de mogelijkheid hebben om
                    nadere toelichting aan de spreker te vragen of de spreker af te bellen in geval
                    van een overvloed aan vragen. De achtergrond van het beperken van tijd is dat na
                    de vragenronde nog een hele vergadering plaatsvindt, die ook ettelijke uren in
                    beslag kan nemen. De voorzitter verdeelt dan ook de spreektijd evenredig over de
                    sprekers. Hij kan echter in bijzondere gevallen van de maximale lengte van de
                    spreektijd afwijken. Een voorbeeld van zo’n bijzonder geval is bijvoorbeeld het
                    feit dat de spreker een grotere groep van burgers vertegenwoordigt. In een
                    dergelijke situatie kan ook voor andere praktische oplossingen gekozen worden
                    zoals het beleggen van een aparte hoorzitting.</al><al>Het is de bedoeling dat de bijdrage van de burger niet op zichzelf staat. Daarom
                    kan de voorzitter of het raadslid een voorstel doen voor een verdere behandeling
                    van de inbreng van de burger. Het is onder andere mogelijk dat de raad direct
                    een antwoord geeft of dat een onderdeel van de ambtelijke organisatie met het
                    onderwerp aan de slag gaat of dat raadsleden actie ondernemen om de burger
                    tegemoet te komen.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Deelname aan de beraadslaging door anderen</vet></al><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 van de
                    Gemeentewet geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de
                    raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de
                    beraadslaging mag deelnemen.</al><al>De raad kan op grond van artikel 4 bepalen dat de griffier, deelneemt aan de
                    beraadslagingen. De burgemeester en de wethouder(s) hebben het recht (het woord
                    te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21,
                    eerste en tweede, lid van de Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Voorstellen van orde</vet></al><al>De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van
                    een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder
                    beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel
                    niet aangenomen (artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet is hierop niet van
                    toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de
                    vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel,
                    dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden <vet>(artikel
                        33).</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 3. Stemmingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 19. Stemverklaring</vet></al><al>Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van
                    een spreektermijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen
                    worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming
                    begint.</al><al/><al><vet>Artikel 20. Beslissing</vet></al><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp
                    voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert
                    daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het
                    voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Artikel 21. Stemming; procedure hoofdelijke stemming</vet></al><al>Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de
                    stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling
                    van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan
                    wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt
                    hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid, van de Gemeentewet, welke een
                    hoofdelijke stemming verplicht.</al><al>De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien
                    de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden
                    tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van
                    artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht
                    stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar.
                    Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de
                    openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze
                    vertegenwoordigd worden. </al><al>In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002, uitspraak 200200897/1)
                    is het hoger beroep op artikel 28 van de Gemeentewet afgewezen, maar heeft de
                    Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) wel
                    geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Awb
                    omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was vermeden. Naar
                    aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de mogelijke gevolgen
                    voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeenteraden.</al><al>In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4
                    van de Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 van de Gemeentewet is bepaald.
                    Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseerde de toenmalige minister
                    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties:</al><al>"de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het
                    individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen
                    dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een
                    bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een
                    spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 van de Gemeentewet); de raad
                    kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te
                    bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van
                    belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit
                    bijv. opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische zin
                    niet bindend, dit is tevens niet wenselijk."</al><al>Er is echter inmiddels vervolgjurisprudentie beschikbaar:</al><al>-In ABRvS 30 juni 2010, <cursief>LJN</cursief> BM9710LJN BM9710,
                        <cursief>AB</cursief> 2010/310AB 2010/310 oordeelde de Afdeling dat in het
                    midden kon blijven of twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de
                    vaststelling van een bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan met de grootst
                    mogelijke meerderheid door de raad was vastgesteld. Zelfs indien zou worden
                    vastgesteld dat de twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de
                    planvaststelling, hebben zij geen beslissende stem in de uitkomst gehad;</al><al>- In ABRvS 22 juni 2011, <cursief>LJN</cursief> BQ8863LJN BQ8863,
                        <cursief>AB</cursief> 2011/261AB 2011/261 overwoog de Afdeling dat een
                    raadslid dat woonde en werkte op een bedrijventerrein een persoonlijk belang had
                    bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor dat bedrijventerrein. De
                    Afdeling oordeelde dat in strijd was gehandeld met art. 2:4artikel 2:4 van de
                    Awb omdat naar derden de schijn is gewekt dat het persoonlijke belang van
                    invloed is geweest op de besluitvorming. Daarbij speelde een rol dat het
                    raadslid tijdens de vergadering van de raad veelvuldig het woord heeft gevoerd
                    en namens zijn fractie een aantal amendementen heeft ingediend en voorgelezen
                    die in feite tot gevolg hebben dat een gunstiger woon- en leefklimaat ontstaat
                    ter hoogte van gronden van het betreffende raadslid. De Afdeling achtte niet van
                    belang of het raadslid daadwerkelijk het oogmerk had te bewerkstelligen een plan
                    ten gunste van zijn leefklimaat vast te stellen. Ook indien van de goede trouw
                    van het raadslid kan worden uitgegaan, kan de schijn van belangenverstrengeling
                    zijn gewekt. Ook het gegeven dat het raadslid niet bij alle amendementen een
                    doorslaggevende stem heeft gehad leidt niet een ander oordeel omdat gelet op het
                    feit dat het raadslid veelvuldig het woord heeft gevoerd niet kan worden gesteld
                    dat niet de schijn is gewekt dat hij invloed heeft gehad op de
                    besluitvorming;</al><al>-In ABRvS 6 februari 2013, LJN BZ0796LJN BZ0796 preciseert de ABRvS haar
                    hiervoor vermelde uitspraak van 22 juni 2011. In de zaak die tot de uitspraak
                    van 6 februari 2013 heeft geleid ging het om een besluit van een gemeenteraad om
                    een bestemmingsplan niet vast te stellen. Dat besluit was genomen met de kleinst
                    mogelijke meerderheid, waarbij een raadslid die mogelijk belanghebbende in de
                    zin van art. 1:2artikel 1:2 van de Awb was, tegen de vaststelling van het plan
                    had gestemd. De ABRvS overwoog dat in aanmerking genomen dat het hier gaat om
                    besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt waarbij
                    politieke inzichten een belangrijke rol spelen, ligt het in de rede voor de
                    invulling van het begrip ‘persoonlijk belang’ in art. 2:4 lid 2artikel 2:4,
                    tweede lid, van de Awb aansluiting te zoeken bij art. 28 lid 1artikel 28, eerste
                    lid, onder a, van de Gemeentewet. Deze bepaling dient strikt te worden
                    uitgelegd, nu daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen
                    aan een stemming wordt ingeperkt. Uit artikel 2:4 van de Awb volgt dus — en de
                    Afdeling preciseert hiermee haar (hiervoor vermelde) uitspraak van 22 juni 2011
                    — in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch
                    gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit
                    belanghebbende is als bedoeld in art. 1:2 lid 1artikel 1:2, eerste lid, van de
                    Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou
                    afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen
                    volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratisch proces. </al><al>De ABRvS heeft in haar uitspraak van 6 februari 2013 in aanvulling op het
                    voorgaande overwogen dat er zich evenwel bijkomende omstandigheden kunnen
                    voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een
                    raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij
                    daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet
                    verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar
                    deelname van een lid kan er bij aanwezigheid van zo’n persoonlijk belang wel toe
                    leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende
                    besluit is genomen in strijd met art. 2:4artikel 2:4 van de Awb. De conclusie
                    dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft
                    genomen, kan echter pas worden getrokken wanneer aannemelijk is dat het
                    betrokken raadslid de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed. </al><al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van
                    toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te
                    zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het
                    besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken,
                    wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.</al><al>In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de
                    openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt
                    aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt
                    meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond
                    van de Gemeentewet. </al><al>In het vierde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming.
                    Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan
                    het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele
                    vergadering. </al><al/><al><vet>Artikel 22. Volgorde stemming over amendementen en moties</vet></al><al>Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen
                    een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de
                    stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging
                    van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen,
                    nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie
                    over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid
                    niet van toepassing. </al><al/><al><vet>Artikel 23. Stemming over personen</vet></al><al>Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over
                    personen geheim dient te zijn. Het is mogelijk om met elektronische stemsystemen
                    te werken maar het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door
                    middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet
                    aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19
                    403, nr. 3, blz. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen
                    rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld
                    stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een
                    stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld
                    stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.</al><al>Indien raadsleden genomineerd worden voor de functie van wethouder is er sprake
                    van een vrije stemming. Er is geen sprake van een voordracht. De beoogd
                    wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming. Een voorstel tot
                    benoeming gaat hem persoonlijk aan "wanneer hij behoort tot de personen tot wie
                    de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt" (artikel 28,
                    eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet). Dat is echter in casu
                    niet aan de orde, omdat er ook op een ander persoon kan worden gestemd. De aard
                    van de stemming is derhalve van belang. </al><al>Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de
                    naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de
                    voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit geval geen
                    sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de stemming
                    mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn
                    voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen
                    naam invullen.</al><al>De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad
                    te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de
                    kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende
                    argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:</al><al>- een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op
                    stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en meneer Pieterse
                    aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee
                    mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder
                    heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;</al><al>- een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over
                    voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een
                    voordracht;</al><al>Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt
                    aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van
                    belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het
                    meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend
                    moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen
                    volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen
                    afweging te maken. </al><al/><al><vet>Paragraaf 4. Verslaglegging: ingekomen stukken</vet></al><al/><al><vet>Artikel 24. Verslag en besluitenlijst</vet></al><al>Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop
                    het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In
                    de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst
                    openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van de Gemeentewet). <vet>De
                        verslagen van de raadsvergaderingen betreffen integrale digitale
                        vastleggingen in woord en beeld, waardoor over de inhoud geen discussie meer
                        kan bestaan.</vet> Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de
                    schriftelijke oproep verstuurd aan de leden en overige personen die het woord
                    gevoerd hebben.</al><al>De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de
                    griffier aangewezen om het verslag op te stellen en deze, tezamen met de
                    voorzitter, te ondertekenen.</al><al>De besluitenlijst dient op zo kort mogelijke termijn te worden gepubliceerd. Dit
                    kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst 'slechts' een
                    overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen
                    besluiten in de zin van de Awb maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een
                    werkbezoek af te leggen). Het ligt voor de hand dat het verslag en de
                    besluitenlijst ook op de gemeentelijke website toegankelijk worden gemaakt. Dit
                    wordt weergeven in het zesde lid.</al><al>Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een
                    geluidsopname van de raadsvergadering op CD, met een overzicht van de sprekers,
                    de onderwerpen -voorzien van tijdscodes- en een besluitenlijst.</al><al/><al><vet>Artikel 25. Ingekomen stukken </vet></al><al>Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en
                    besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen,
                    afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen
                    naar het college, etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter
                    buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke
                    discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden
                    voorbereid. De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in
                    principe ook bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een ingekomen
                        stuk.<vet> De ingekomen stukken worden door de raadsgriffie op een lijst
                        geplaatst en namens de agendacommissie door de griffier voorzien van een
                        afdoeningsvoorstel. </vet></al><al><vet>In de Helderse praktijk wordt de lijst van ingekomen stukken gericht aan de
                        raad niet meer in de raadsvergadering behandeld maar opgesteld, vastgesteld
                        en afgedaan volgens de in dit artikel beschreven procedure. De lijst van
                        ingekomen stukken functioneert als een instrument van de raad. Het vierde
                        lid van dit artikel geeft de aansluiting met de rechten van de raadsleden
                        naar aanleiding van de ingekomen stukken, zoals het recht tot agenderen en
                        vragen stellen.</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 26. Toepassing reglement op besloten vergaderingen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige
                    toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan
                    onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van
                    stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het
                    verslag.</al><al>De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het
                    toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de
                    vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor
                    openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die
                    betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad
                    moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van
                    de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven.</al><al>In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het
                    sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering
                    wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 27. Verslag besloten vergadering</vet></al><al>In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de
                    Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de
                    raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor het verslag van een
                    besloten vergadering. Dit verslag ligt ter inzage bij de griffier.</al><al/><al><vet>Artikel 28. Opheffing geheimhouding</vet></al><al>In de in het artikel aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid
                    geboden de geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan
                    hem behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86,
                    tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester
                    geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de
                    raadscommissie heeft overgelegd. De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken
                    de geheimhouding op te heffen (indien de burgemeester daar niet toe bereid is).
                    In het onderhavige artikel is nu ter zake een overlegverplichting opgenomen
                    waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.</al><al>Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Gemeentewet, kan
                    geheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een
                    commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de
                    raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad
                    overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn
                    eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de helft
                    van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.</al><al>Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het
                    orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad
                    overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de
                    raad de geheimhouding wil opheffen door deze niet te bekrachtigen.</al><al/><al><vet>Paragraaf 6. Toehoorders en pers</vet></al><al/><al><vet>Artikel 29. Toehoorders en pers</vet></al><al>De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde
                    aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid
                    om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in
                    hun gedrag de toegang te ontzeggen.</al><al/><al><vet>Artikel 30. Geluid- en beeldregistraties</vet></al><al>Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen
                    radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet
                    het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden
                    worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben
                    een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek
                    slechts van af een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een
                    aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard
                    in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met
                    beeldregistraties.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Bevoegdheden, instrumenten raadsleden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 31. Amendementen en subamendementen</vet></al><al>Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit
                    artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in
                    dit artikel. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht
                    een amendement te behandelen.</al><al>Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college
                    of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een
                    amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit
                    amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een
                    (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig
                    is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee
                    termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere
                    beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn
                        <vet>(artikel 15).</vet></al><al>Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn
                    (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door
                    de indiener. Daar is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen
                    en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst
                    getekend hebben. </al><al/><al><vet>Artikel 32. Moties</vet></al><al>Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het
                    uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het
                    uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om
                    het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op
                    rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke
                    betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie
                    gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen
                    van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en
                    college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. </al><al>Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt
                    dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over
                    een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in
                    afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het
                    onderwerp waarop de motie betrekking heeft. </al><al>Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt
                    aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in
                        <vet>artikel 33</vet> geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering
                    veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie
                    van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties
                    te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een
                    effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele
                    raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De
                    mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten
                    dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de
                    raad.</al><al>In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie
                    van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te
                    hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie
                    van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie
                    te ondernemen.</al><al><vet>Het aanhouden van een motie is binnen de raad een werkwijze die al enige
                        tijd goed gebruik is. In de gemeentewet is over het aanhouden van moties
                        niets opgenomen. Om het aanhouden van moties te formaliseren is dit lid
                        opgenomen. Hierbij kan verwezen worden naar een soortgelijke regeling die is
                        opgenomen in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 33. Initiatiefvoorstellen</vet></al><al><vet>Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen.
                        Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of
                        ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het
                        recht van initiatief toegekend.</vet></al><al><vet>In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het
                        tweede lid van dit artikel bepaalt dat de raad regelt op welke wijze een
                        initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld. Het
                        eerste tot en met het derde lid van artikel 33 voorzien hierin. Artikel
                        147a, derde lid, bepaalt in tegenstelling tot artikel 147a, tweede lid, dat
                        voor andere initiatiefvoorstellen geen verplichte behandeling voorgeschreven
                        is. Dit betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het
                        in behandeling nemen van een ander initiatiefvoorstel. Het vierde lid geeft
                        hiervoor - in aanvulling op de eerste drie leden voorschriften.</vet></al><al><vet>Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de
                        vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt.
                        Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken
                        over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten
                        is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen
                        toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij
                        het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening
                        van de nadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele
                        raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de
                        controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.</vet></al><al><vet>Het tweede lid houdt in dat de agendacommissie de wijze en datum van
                        behandeling bepaalt. Het voorstel wordt echter niet meer op de agenda
                        geplaatst, nadat de oproep verzonden is. Dit laat de mogelijkheid onverlet
                        voor het individuele raadslid om op grond van artikel 10, derde lid, het
                        initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Aangezien het voor de
                        hand ligt om de raad tevens de mogelijkheid te geven om een
                        initiatiefvoorstel tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp
                        te behandelen, is dit in het vierde lid opgenomen.</vet></al><al><vet>Een initiatiefvoorstel hoeft formeel niet langs het college, maar in geval
                        het voorstel personele (en financiële) consequenties heeft kan het raadzaam
                        zijn het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te leggen voor advies.
                        De stuurgroep Leemhuis heeft in het evaluatierapport dualisering de
                        aanbeveling gedaan om het college de beleidsvoorbereiding te laten doen en
                        om de rol van het college bij initiatiefvoorstellen te versterken. De VNG
                        vindt het niet nodig om op dit punt de Gemeentewet te wijzigen en het
                        college bij initiatiefvoorstellen een rol te geven. De positie van de raad,
                        in haar kaderstellende rol is het uitgangspunt. </vet></al><al><vet>De tendens, dat het college meer betrokken moet worden bij de
                        beleidsvoorbereiding is evident. Toch dienen gemeenten ervoor te waken dat
                        het college de kaderstellende rol van de raad niet gaat overnemen. De VNG
                        heeft duidelijk aangegeven dat samenspel tussen beide organen een oplossing
                        is voor eventuele fricties.</vet></al><al><vet>Als de raad andere voorwaarden voor het indienen van een
                        initiatiefvoorstel, niet zijnde een verordening, wenselijk acht, kunnen deze
                        op basis van het vierde lid worden vastgesteld. Hierbij kan gedacht worden
                        aan strijd met het algemeen belang, het belang van de gemeente of het
                        gemeentelijk beleid. De raad bepaalt of een voorstel in strijd is met de wet
                        (bijvoorbeeld de Wet op de ruimtelijke ordening), het algemeen belang
                        (bijvoorbeeld de volksgezondheid), het belang van de gemeente (bijvoorbeeld
                        het terugtrekken uit een publiek-private samenwerking die gericht is op het
                        renoveren van achtergestelde woonwijken) of het gemeentelijk beleid (het
                        bouwen van een parkeergarage in het centrum als enkele maanden geleden de
                        binnenstad autoluw is gemaakt).</vet></al><al><vet>Het kamerlid Kalsbeek heeft de minister van BZK vragen gesteld over het
                        initiatiefrecht. De minister heeft aangegeven: "Het recht op initiatief
                        houdt niet in dat individuele raadsleden en raadsminderheden het recht
                        moeten hebben om onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen maar het
                        houdt in dat zij in beginsel invloed moeten kunnen hebben op de agenda. Het
                        is immers aan de raad om, aan het begin van de raadsvergadering, met
                        meerderheid van stemmen, de agenda vast te stellen. Het is dan ook de raad
                        die beslist welke onderwerpen worden behandeld. </vet></al><al><vet>Zou elk individueel raadslid het recht toekomen om agendapunten voor de
                        vergadering aan te dragen dan zou het effectief functioneren van de raad in
                        gevaar kunnen komen. Een raadsminderheid die bij herhaling onderwerpen op de
                        agenda plaatst, waarover de raadsmeerderheid niet wenst te beraadslagen, kan
                        de besluitvorming van de raad ernstig belemmeren".</vet></al><al/><al><vet>Artikel 34. Collegevoorstel</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de
                    enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het
                    college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft
                    voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel
                    kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het
                    voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen
                    wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven.</al><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander
                    voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een
                    verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor
                    advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken
                    het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De
                    raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel,
                    dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan
                    dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de
                    agendacommissie overlaten.</al><al/><al><vet>Artikel 35. Interpellatie</vet></al><al>Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155 van de Gemeentewet. Het
                    interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het
                    gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over
                    een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester
                    te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig.</al><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                    controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een
                    effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele
                    raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier
                    gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid. Toenmalig
                    minister Pechtold heeft in een brief van 16 december 2005 aan de GroenLinks
                    fractie in Schoonhoven aangegeven dat de raad de ruimte heeft eigen beleid te
                    ontwikkelen, waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dat een
                    raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden. Hij was hier
                    echter geen voorstander van. Voor de democratie leek het hem goed om de regels
                    van de Tweede Kamer te volgen. Dit houdt in dat de toestemming ven een
                    betekenende minderheid (ondersteuning door 30 van de 150 leden) volstaat. In een
                    gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is het van
                    belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte worden
                    gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede lid
                    wordt hiervoor gezorgd. De toelichting bij het artikel over het
                    initiatiefvoorstel over de stuurgroep Leemhuis en de (verplichte) aanwezigheid
                    van collegeleden is ook op dit artikel van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 36. Schriftelijke vragen</vet></al><al>Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen
                    over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester
                    behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op
                    grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het
                    college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De
                    verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in
                    kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan
                    plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de
                    burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het
                    bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan
                    antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad
                    anders kan beslissen.</al><al>In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld
                    nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord
                    heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de
                    vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief
                    of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda
                    van de raad te krijgen.</al><al/><al><vet>Artikel 37. Inlichtingen</vet></al><al>In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de
                    inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de
                    raad. Naast een ingewikkelde inrichting van de bestuursbevoegdheden bevat de
                    Gemeentewet ook behoorlijk</al><al>aangescherpte regels over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte van
                    de raad. Deze regels beogen de politieke verantwoordelijkheid van het college te
                    activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te bevestigen. Daar is in
                    de eerste plaats de passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169,
                    derde lid, van de Gemeentewet. Dat is de klassieke informatieplicht die het
                    college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij
                    het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen
                    komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee is een waarborg in het
                    leven geroepen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen
                    belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of
                    raadsminderheid. Wel kan de raad via het Reglement van orde op grond van
                    doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het
                    inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de
                    vergaderorde. De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is wettelijk
                    objectief (‘is’) en algemeen omschreven. De wetgever beoogde daarmee dat een
                    beroep daarop in de praktijk als een hoge uitzondering op de algemene regel zou
                    moeten worden gebruikt. In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en
                    politieke figuren om als raad en college met elkaar te communiceren buiten de
                    openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al
                    dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de gedualiseerde
                    Gemeentewet thans een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede
                    lid, verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te
                    verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Blijkbaar
                    moet het college permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een
                    goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het
                    college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie.
                    In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot
                    dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren
                    komt dan weinig terecht en bovendien zijn we dan weer terug in de cultuur van
                    meeregeren uit het monistische tijdperk. Dezelfde risico’s doen zich voor met
                    betrekking tot in een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht.
                    Artikel 169, vierde lid, verplicht het college de raad vooraf te informeren over
                    de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als
                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de toepassing
                    daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien raad daarom
                    verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in
                    de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen.
                    Overigens kent ook deze actieve informatieplicht de nodige vaagheid. Wat is
                    ingrijpend? Het antwoord op deze vraag moet volgens de wetgever worden gevonden
                    in de plaatselijke omstandigheden. Waarschijnlijk heeft de wetgever het oog
                    gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten.
                    Blijkbaar moeten raad en college hier zelf een modus voor vinden. Een andere
                    vraag is nog of ook deze inlichtingenplicht wordt beperkt door de
                    weigeringsgrond van het openbaar belang als bedoeld in het derde lid van de
                    artikelen 169 en 180 van de Gemeentewet. Deze vraag kan bevestigend worden
                    beantwoord op basis van ongeschreven gemeenterecht. Het verstrekken van
                    inlichtingen kan overigens niet via de rechter worden afgedwongen.</al><al/><al><vet>Artikel 38. Vragenkwartier</vet></al><al><vet>Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155, eerste
                        lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Het is een
                        facultatieve bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de instelling van
                        een vragenkwartier en daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het
                        reglement van orde wenselijk is. Wel kan het vragenkwartier bijdragen aan
                        een vergroting van de betrokkenheid van burgers bij het bestuur: één van de
                        doelstellingen van dualisering.</vet></al><al><vet>Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenkwartier.
                        Veelal fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot
                        het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer
                        vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden
                        en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten
                        goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel
                        om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale
                        politiek kan worden vergroot. In het vragenkwartier krijgt de raad de
                        mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan
                        de tand te voelen.</vet></al><al><vet>Het karakter van het vragenkwartier verschilt dan ook van het recht van
                        interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder
                        politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen
                        vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij
                        geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. </vet></al><al><vet>Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor
                        het door hen gevoerde bestuur. Het vragenkwartier kan bijvoorbeeld
                        voorafgaand aan de raadsvergadering worden gehouden. Wel is het voor de
                        herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenkwartier op een vast
                        tijdstip te houden.</vet></al><al><vet>In het derde lid is een aanmeldingstermijn van 24 uur (inclusief de uren in
                        het weekend) voor vragen opgenomen vanwege het feit dat wethouders moeten
                        worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden.
                        Vanwege het minder zware karakter van het vragenkwartier vergeleken met de
                        interpellatie is gekozen voor een aanmeldingstermijn van 24 uur (terwijl
                        voor de interpellatie 48 uur geldt).</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Begroting en rekening</vet></al><al/><al><vet>Artikel 39 Procedure begroting en artikel 40 Procedure
                    jaarrekening</vet></al><al><vet>In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening
                        vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in zijn
                        algemeenheid voor een langere periode worden bepaald. In de Handreiking voor
                        de financiële verordeningen en controleverordeningen (artikel 212, 213, 213a
                        Gemeentewet) (uitgave Vernieuwingsimpuls) wordt de inhoudelijke kant
                        uitgewerkt.</vet></al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>